Appreciatie Clingendael rapport ‘Grenzen verleggen’ en brede verkenning naar verdragen
Brontekst
Versie bb4ffb62da346c06 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202619 637Vreemdelingenbeleid32 317JBZ-RaadNr. 3560 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE, DE MINISTERVAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE MINISTER VAN BUITEN-LANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 mei 20261. Inleiding Het kabinet streeft naar een effectief, humaan en toekomstbestendig asiel-en migratiesysteem. Dat moet eraan bijdragen dat er meer grip komt opwie er naar Europa komt en op welke wijze, zodat ook de meest kwetsbaremensen bescherming vinden en het verdienmodel van mensensmokke-laars doorbroken wordt. Tegelijkertijd nemen om ons heen oorlog enconflict juist toe. De wereld om ons heen verandert. Dit is terug te zien inhet maatschappelijke en politieke debat dat hierover gevoerd wordt, zowelEuropees als nationaal. Ook vanuit uw Kamer is op meerdere wijzeaandacht voor dit onderwerp gevraagd. Het kabinet streeft naar eenmodernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, met als stip opde horizon dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingedienden afgehandeld en dat geen asielprocedures in Nederland meer hoevenworden doorlopen, zodat mensen geen levensgevaarlijke reis meerhoeven te maken. Zo blijven we bijdragen aan toegankelijke enmenswaardige opvang van vluchtelingen in de regio en het beheersenvan internationale migratiestromen, waarbij erkende vluchtelingen viahervestiging verdeeld kunnen worden over Europa, waar ze met eenvluchtelingenstatus hun leven kunnen opbouwen. Dit is een traject vanlange adem, maar dit kabinet wil hiervoor de eerste stappen zetten. Hetkabinet is zich zeer bewust van de gevoeligheid van het onderwerp. Hetthema raakt aan essentiële waarden van de samenleving en de rechtstaat.Het kabinet biedt dan ook geen eenvoudige oplossingen, maar streeftnaar een zorgvuldige, realistische, ambitieuze, en actiegerichte agendamet concrete stappen. Innovatieve oplossingen zijn daarbij geen doel opzich, maar een middel om te komen tot een rechtvaardiger asiel- enmigratiesysteem waarbij de mensenrechten van migranten verankerd engeborgd zijn en de noodzaak om gevaarlijke migratieroutes te nemenwordt weggenomen. kst-19637-3560ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35601 Het Nederlandse asielbeleid maakt deel uit van een breed stelsel vaninternationale afspraken over vluchtelingenbescherming, vastgelegd indiverse verdragen, waarbij Nederland partij is, en in EU-regelgeving. Ditstelsel bestaat o.a. uit internationale verdragen, zoals hetVN-Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten vande Mens (EVRM), en het Unierecht, waaronder het EU Handvest van deGrondrechten (Handvest) en secundaire EU wet- en regelgeving.1 Deverhouding van deze verdragen en het Unierecht tot het Nederlandseasiel- en migratiebeleid is al lange tijd onderdeel van discussie. Hieroverzijn ook eerder rapporten verschenen.2 Het debat hierover gaat verder danjuridische regels en principes, maar behelst een breed gesprek in desamenleving over rechtvaardigheid, spankracht van de samenleving eneconomische ontwikkeling. Dit is een complex vraagstuk dat vraagt omeen genuanceerd debat dat zorgvuldig gevoerd moet worden. Ook dehedendaagse maatschappelijke en globaliserende vraagstukken verlangendat we dit debat voeren. Daarmee geeft het kabinet ook gehoor aan dewens van de Kamer. Voor het hervormen en aanscherpen van onsinternationale asielstelsel zijn er geen short cuts, snelle resultaten of quickwins. Het idee dat er met korte termijnacties grote veranderingen totstand gebracht worden is geen realistische gedachte en daarom gaat hetkabinet hier zorgvuldig mee om. Asielprocedures aanpassen en afhan-delen buiten de Europese Unie (EU) vraagt langdurige samenwerking eninzet op diplomatiek niveau met gelijkgestemde lidstaten binnen de EUdie hierin met ons willen optrekken en derde landen. Hier zet het kabinetzich hard voor in.Het kabinet wenst een helder beeld te geven van het handelingsper-spectief binnen de huidige wet- en regelgeving en in hoeverre aanpassingvan internationale verdragen en het Unierecht bij zou kunnen dragen aanmogelijke oplossingen voor deze uitdagingen. Het onderzoeksinstituutClingendael heeft daarom een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijk-heden tot het opvangen van asielzoekers buiten de EU en het afhandelenvan asielverzoeken buiten het EU-grondgebied, en hoe dergelijkevoorstellen zich verhouden tot het EU- en internationaal recht. Daarnaastis er een ambtelijke analyse gemaakt van de relevante verdragskaders enontwikkeling van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechtenvan de Mens (EHRM), het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) en denationale rechtspraak op het gebied van asiel en migratie en de effectendaarvan op de uitvoering van asiel- en migratiebeleid in de nationalepraktijk.Onderstaand vindt u de reactie van het kabinet op het Clingendael-rapporten een uiteenzetting van de inzet op innovatieve oplossingen, alsook deuitkomsten van de ambtelijke en diplomatieke verkenning op verdragen.Op basis van deze verkenning schetst het kabinet vervolgens welkevervolgstappen uit deze verkenning voortvloeien.Dit kabinet trekt nauw op met gelijkgezinde lidstaten en is betrokken bij dekopgroep die zich inzet voor de aanscherping van asiel- en migratiebeleid,zowel op EU-niveau als in de Raad van Europa. Hierover is uw Kamerregulier geïnformeerd via de geannoteerde agenda’s en verslagen van de1Ook andere verdragen bevatten bepalingen die relevant zijn voor het Nederlandse asiel- enmigratiebeleid, zoals het VN-Antifolterverdrag, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke enPolitieke Rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).Deze bepalingen vertonen inhoudelijk grote overeenkomsten met de relevante bepalingen uitde in de tekst genoemde verdragen. Gezien het bijzondere belang van die verdragen voor deNederlandse rechtsorde en het Nederlandse asiel- en migratiebeleid – mede als gevolg van derechtspraak van het EHRM op dit gebied – zal de brief zich vooral richten op die verdragen.2Een voorbeeld hiervan is Rapport Donner en Den Heijer, «Terechte zorg, verkeerd aankno-pingspunt», april 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35602 JBZ-Raad en Europese Raad.3 Deze brief gaat ook in op de diplomatiekeinzet van het kabinet. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan de motieVan Zanten/Boomsma4 en motie Van der Plas/Yesilgöz5.2. Een modern en toekomstbestendig asiel- en migratiesysteem Om te komen tot een modern, humaan en toekomstbestendig asiel- enmigratiesysteem met meer grip op migratie wil dit kabinet innovatieveoplossingen verkennen. Deze oplossingen moeten altijd in lijn zijn metEuropees en internationaal recht, waarbij in het bijzonder aandacht is voorde borging van de mensenrechten. Het rapport van Clingendael levert eenwaardevolle bijdrage aan de verkenning naar mogelijkheden om hetverdienmodel van mensensmokkaars te doorbreken. Het rapport beschrijftvijf verschillende modellen voor externalisering van het migratiebeleid6en geeft een indicatie van de kaders die meegenomen moeten worden inde verdere ontwikkeling van deze modellen. Het gaat dan om:1.De terugkeer-/transithub, waarbij personen met een terugkeerbesluitterugkeren naar een derde land waarmee een regeling of overeen-komst is getroffen of via een transithub verder reizen naar het landvan terugkeer;2.Veilig derde land, waarbij EU-lidstaten (onder voorwaarden) eenasielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als er een veilig verblijfsal-ternatief is in een land buiten de EU. De asielzoeker zal in dat gevalworden overgebracht naar het land buiten de EU om daar hetasielproces van dat land te doorlopen. Een van de voorwaarden vooreen veilig verblijfsalternatief is dat de asielzoeker daar internationalebescherming moet kunnen ontvangen en er een adequate bescher-mingsprocedure beschikbaar moet zijn;3.Het ontschepingsplatform of place of safety, waarbij personen na eenSearch and Rescue-ontscheping van open zee naar een voorafvastgelegde locatie buiten de EU worden gebracht voor opvang,ofwel onder de jurisdictie van een EU-lidstaat ofwel onder dejurisdictie van het land buiten de EU;4.Het model buitengrensprocedure, waarbij de asielverzoeken direct bijaankomst aan de EU-buitengrens worden beoordeeld, voor er sprakeis van toelating tot het EU-grondgebied. Daarmee kan een snelleterugkeer van asielzoekers zonder recht op asielbescherming wordenbewerkstelligd al dan niet in combinatie met een terugkeerhub-samenwerking.5.Screening langs de migratieroute, waarbij er buiten de EU een triageplaatsvindt en asielverzoeken die waarschijnlijk niet gegrond zijnextraterritoriaal worden beoordeeld terwijl asielverzoeken diewaarschijnlijk ingewilligd worden in de EU worden beoordeeld. Bijafwijzing van het asielverzoek buiten de EU wordt de terugkeer vanuitdat land georganiseerd.Clingendael heeft ook getoetst of deze verschillende modellen vanexternaliseren passen binnen de kaders van het Europees en internati-onaal recht, waaronder het VN-Vluchtelingenverdrag (waarin o.a. hetnon-refoulement principe is geborgd), het EVRM, Handvest en de3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Kamerstuk 32 317, nr. 967, Kamerstuk 21501–20, nr.2266; Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 32 317, nr. 973, Kamerstuk 32 317, nr.978, Kamerstuk 32 317, nr. 987, Kamerstuk 21501–20, nr. 2362.4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Kamerstuk 32 317, nr. 961.5Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 36 800, nr. 24.6Screening langs de migratieroute, ontschepingsplatform, (buiten)grensprocedure in nietEU-land, Procedure en opvang in derde land (veilig derde land concept) en terugkeer- entransithubs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35603 Europese secundaire wetgeving, zoals de Asielprocedurerichtlijn7 en deTerugkeerrichtlijn. Het VN-Vluchtelingenverdrag, het EVRM en hetHandvest geven belangrijke kaders voor de borging van de mensen-rechten binnen het asiel- en migratiebeleid. Het Europese secundairerecht bevat concrete regelgeving, onder meer over hoe lidstaten de asiel-en terugkeerprocedure moeten uitvoeren.Het rapport van Clingendael concludeert dat er geen belemmeringen zijnin de Verdragen (zoals het EVRM of VN-Vluchtelingenverdrag) voor deverdere ontwikkeling van de beschreven modellen. Aanpassingen van deverdragen is hiervoor dus niet nodig. Wel kan volgens Clingendael insommige gevallen de huidige secundaire EU-wetgeving voor de operatio-nalisering van deze modellen beperkend zijn. Die beperkingen lijken in detoekomstige EU-wetgeving (Asiel- en Migratiepact en Terugkeerveror-dening) ondervangen te worden.De grootste uitdaging voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingenligt, zo volgt uit het Clingendael-rapport, in de praktische implementatie.Dit betreft capaciteitsvraagstukken, de samenwerking met derde landeninclusief het tot stand brengen van (brede) partnerschappen, debenodigde financiële middelen, het in de praktijk waarborgen vanmensenrechten en het operationaliseren van deze afspraken. De imple-mentatie van deze modellen is ook grotendeels onontgonnen terrein.Daarbij is voorstelbaar dat, zodra afspraken worden geïmplementeerd endoor rechters worden getoetst, dit juridische uitdagingen kan opleveren.In de relatie met derde landen benadrukt Clingendael dat het gesprek overde werking van het mondiale migratiesysteem en de ontwikkeling vandergelijke modellen in gezamenlijkheid moet met landen langs de routes.Ook is volgens Clingendael het van groot belang toe te werken naar eensituatie waar meer mensen dichter bij huis effectieve bescherming kunnenkrijgen. De nadruk moet volgens het rapport liggen op «opvang in deregio» waarbij het ook oproept tot een integrale aanpak met migratie-samenwerking. Dit voorkomt dat de aanpak geïnterpreteerd wordt als hetafschuiven van verantwoordelijkheid. Dit is extra van belang omdat 71%van de vluchtelingen in gastgemeenschappen in lage en middelinkomenslanden wordt opgevangen en het draagvlak hiervoor afneemt.KabinetsappreciatieHet kabinet kijkt met open vizier naar de modellen die Clingendael heeftbeschreven. De eerste drie modellen komen nauw overeen met deinnovatieve oplossingen, waarover in EU-verband wordt gesproken enwaarover uw Kamer meermaals is geïnformeerd8. Het vierde model isvergelijkbaar met de asielgrensprocedure van het Europese Asiel- enMigratiepact (hierna: Pact). Het kabinet ziet het belang hiervan en wilinzetten op de (door)ontwikkeling van deze modellen op de korte termijn.Ten aanzien van het vijfde model overweegt het kabinet dat in de huidigecontext dit model niet onmiddellijk zal bijdragen aan meer grip opmigratie. Dit heeft, zoals Clingendael beschrijft, ermee te maken dat ergeen directe aanwijzingen zijn dat de aanvragers bij afwijzing tijdens descreening niet meer zullen doorreizen naar de EU. Dit kan alleen wordenbereikt middels vergaande maatregelen, en in de praktijk door onderandere de geografie van de EU uitdagend zijn, zoals het (bijna) volledigcontroleren van de toegang tot de EU en het beperken van het recht op7De Asielprocedurerichtlijn wordt als onderdeel van het Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026vervangen door de Asielprocedureverordening.8Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Kamerstuk 30 573, nr. 227, vergaderjaar 2025- 2026,Kamerstuk 19 637, nr. 3477, Kamerstuk 32 317, nr. 967, Kamerstuk 19 637/ 36 045, nr. 3478,Kamerstuk 32 317, nr. 973, Kamerstuk 32 317, nr. 995, Kamerstuk 32 317, nr. 998.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35604 het aanvragen van asiel op EU-territorium inclusief aan de buitengrens.Voor deze maatregelen is in de Europese context een institutionele enjuridische hervorming nodig.Het kabinet onderschrijft de analyse van Clingendael dat er geenaanpassingen van het internationaal en Europese recht nodig zijn voor hetverder ontwikkelen en operationaliseren van de in het onderzoekgenoemde modellen. De afgelopen jaren zijn er op dit gebied, met steunvan Nederland, al belangrijke stappen gezet om ruimte te creëren in deEuropese secundaire wetgeving voor het (vaker) toepassen van innova-tieve oplossingen. In de aangenomen Raadspositie op de Terugkeerveror-dening is een bredere juridische basis opgenomen voor transit-/terugkeerhubs, en in de Asielprocedureverordening zijn de mogelijkhedenvoor toepassing van het «veilig derde land» concept aanzienlijk verruimd.Bij de verdere ontwikkeling en implementatie van deze modellen kunnennog niet voorziene beperkingen in de secundaire EU-wetgeving aan hetlicht komen. Het kabinet blijft dit nauw volgen, en zal wanneer dit nodig is,hier een verdere inzet op formuleren. Ook erkent het kabinet de verschei-dende uitdagingen en aandachtspunten die Clingendael beschrijft tenaanzien van de operationalisering van innovatieve oplossingen waaronderde bereidheid van derde landen om samen te werken, de benodigdecapaciteit en middelen en de adequate borging van mensenrechten. Hetkabinet benadrukt, in lijn met de bevindingen van Clingendael en dereflectie van andere instanties, waaronder de mensenrechtencommissarisvan de Raad van Europa9 en het EU Bureau voor de grondrechten10 dat deverdere ontwikkeling en implementatie van deze modellen zeer zorgvuldigmoet gebeuren om te verzekeren dat deze de mensenrechten die aan eenieder toekomen onder de genoemde mensenrechtenverdragen respec-teert en de Staat daarin handelt in lijn met zijn mensenrechtenverplich-tingen. Daarnaast is het kabinet het eens met Clingendael dat desamenwerking met derde landen op innovatieve oplossingen duurzaammoet zijn en op basis van wederkerige partnerschappen.Het kabinet is het eens met Clingendael dat het van belang is dat mensenzoveel mogelijk dichter bij huis bescherming en een toekomstperspectiefmoeten krijgen. Dit verkleint de noodzaak om gevaarlijke migratieroutes tevolgen. Het kabinet wil daarom onverminderd inzetten op het versterkenvan opvang in de regio. Met name door internationaal sterk afgenomenfinanciering staat opvang in de regio onder druk en Nederland moetdaarom gezamenlijk optrekken met andere landen en donoren om deopvanglanden te ondersteunen en zo adequate en toegankelijkebescherming in de regio te kunnen (blijven) garanderen. Het is ookcruciaal om met opvanglanden samen te werken aan sociale en econo-mische structuurversterking, waardoor vluchtelingen een langetermijnper-spectief geboden kan worden als alternatief van langdurige afhanke-lijkheid van humanitaire hulp. Daarnaast is het van belang om vrijwilligeterugkeer te ondersteunen uit opvanglanden als de mogelijkheid zichvoordoet, zoals nu het geval is in Syrië.9Council of Europe Commissioner for Human Rights, «Externalised asylum and migrationpolicies and human rights law», 4 september 2025, https://rm.coe.int/report-on-externalisation-of-migration-by-michael-o-flaherty-council-o/488028300a10EU Fundamental Rights Agency, Operationalising the Pact on Migration and Asylum:Experiences from the hotspot approach, 14 april 2026. Operationalising the Pact on Migrationand Asylum: Experiences from the hotspot approach | European Union Agency fr Funda-mental RightsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35605 Nederlandse inzet en vervolgHet kabinet continueert haar inzet om op korte termijn de innovatieveoplossingen – veilig derde land, terugkeerhub, ontschepingsplatform – ende asielgrensprocedure verder te ontwikkelen, implementeren enoperationaliseren. Het vijfde model – screening langs de migratieroute –neemt het kabinet mee in de langere termijn verkenning. Het kabinet zet inop de verder ontwikkeling van innovatieve oplossingen in het EU-beleidinclusief door de eerdergenoemde aanscherping van deEU-terugkeerwetgeving, het bilateraal en met gelijkgezinden operationali-seren van innovatieve oplossingen en het nemen van een leidende rol inhet mondiale debat om bij te dragen aan het lange termijn doel omasielprocedures buiten de EU te kunnen laten plaatsvinden11.Nederland jaagt de verkenning en uitwerking van innovatieve oplossingenin de EU aan en ziet hier een belangrijke rol voor de Europese Commissie(hierna: Commissie). Gezamenlijk met gelijkgezinde lidstaten heeftNederland op twee momenten, in mei 2024 en december 2025, hierovereen brief aan de relevante Eurocommissarissen en vertegenwoordigersvan de Commissie12 gestuurd. Het kabinet blijft, in lijn met de oproep inde brieven, zich inzetten voor het creëren van de randvoorwaarden voorinnovatieve oplossingen waaronder financiering13 en ondersteuning vanagentschappen. Daarnaast blijft het kabinet zich actief inzetten op eensnelle afronding van de onderhandelingen van de Terugkeerverordeningen zal het kabinet indien nodig nauw optrekken met gelijkgezinde lidstatenom de Europese asiel- en migratiewetgeving verder aan te passen. Ominnovatieve oplossingen te operationaliseren werkt Nederland metDenemarken, Duitsland, Griekenland en Oostenrijk aan een gezamenlijketerugkeer/transit hubs14. Op bilateraal niveau heeft Nederland gesprekkengevoerd met Oeganda over het opzetten van een transithub; deze staanmomenteel on hold. Nederland gebruikt deze ervaringen actief in deontwikkeling van andere terugkeerhub-samenwerkingen. Daarnaastverkent Nederland met Denemarken, Malta en Zweden het operationali-seren van veilig derde land-partnerschappen. Bij de operationaliseringvan de genoemde modellen heeft het kabinet oog voor de verscheideneuitdagingen en aandachtspunten die Clingendael beschrijft. De brede engelijkwaardige partnerschapsrelaties met derde landen en het in depraktijk waarborgen van mensenrechten hebben – naast de meerpraktische overwegingen zoals operationele uitdagingen, capaciteits-vraagstukken en de benodigde middelen – de aandacht van het kabinet.Dit vergt zorgvuldigheid, met afspraken die in lijn zijn met mensenrech-tenverdragen, met inbegrip van het VN-Vluchtelingenverdrag, het EVRMen het Handvest. Daarom werkt het kabinet nauw samen met relevanteinternationale organisaties zoals de VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR)en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en zal dit in detoekomst ook blijven doen.Verder ziet het kabinet een belangrijke rol voor Nederland om eenleidende rol te nemen in het debat over en het concreet werken aan eentoekomstbestendig mondiaal migratiesysteem. Het kabinet onderschrijft11Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Kamerstuk 30 573, nr. 227, vergaderjaar 2025- 2026,Kamerstuk 19 637, nr. 3477, Kamerstuk 32 317, nr. 967, Kamerstuk 19 637/ 36 045, nr. 3478,Kamerstuk 32 317, nr. 973, Kamerstuk 32 317, nr. 995, Kamerstuk 32 317, nr. 99812Op 16 december 2025 werden aangeschreven: De Eurocommissaris voor Binnenlandse zakenen Migratie, de Hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, deEurocommissaris voor het Middellandse Zeegebied, de Eurocommissaris voor Uitbreiding ende Eurocommissaris voor Internationale Partnerschappen.13Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Kamerstuk 21 501–20, nr. 224514Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 32 317, nr. 987, Kamerstuk 32 317, nr. 995,Kamerstuk 32 317, nr. 998, Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, Kamerstuk 32 317, nr. 878Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35606 daarbij de aanbeveling van Clingendael om dit gesprek ook juist metlanden buiten de EU – langs de migratieroutes – te voeren. Nederlandwenst daarvoor met zowel EU-lidstaten als met landen langs de migratie-routes buiten Europa op te trekken. Een asieltop, zoals aangekondigd inhet coalitieakkoord, kan een belangrijke stap zijn in de bredere verkenningvan de modernisering ven het vluchtelingenrecht en internationalesamenwerking aan innovatieve oplossingen. Onder Europese partners ishier reeds veel belangstelling voor getoond. Het kabinet gaat de aanko-mende tijd hierover in gesprek met relevante landen in de EU en langs demigratieroutes. Ook zette Nederland tijdens het International MigrationReview Forum, de VN-bijeenkomst over de voortgang van de implemen-tatie en werking van het Global Compact on Safe, Orderly and RegularMigration die begin mei plaatsvond, in op een toekomstbestendigmigratiesysteem. Daarnaast biedt het 75-jarig bestaan van hetVN-Vluchtelingenverdrag een kans voor een voortzetting van het gesprekover effectieve implementatie van het vluchtelingenrecht.3. Een uitvoerbaar nationaal asielsysteem Het kabinet heeft de ambitie om meer rust creëren in het nationaleasielsysteem. Dat gebeurt naast de inzet op de modernisering van hetinternationaal vluchtelingenrecht, en het verder ontwikkelen vaninnovatieve samenwerkingsmodellen met derde landen. Onderdeelhiervan zijn het vereenvoudigen en efficiënter maken van procedures, hetbeperken van de instroom en het bevorderen van terugkeer enoverdrachten. Dit doet het kabinet zowel op internationaal, Europees alsnationaal niveau.Internationaal is er de afgelopen periode veel aandacht voor de ontwik-keling van de jurisprudentie over het EVRM in relatie tot de uitvoering vanasiel- en migratiebeleid. Zo publiceerden negen lidstaten op initiatief vanDenemarken en Italië in mei 2025 een brief, waarin werd opgeroepen toteen dialoog over de interpretatie van het EVRM door het EHRM. Zijstelden dat het EHRM onvoldoende rekening houdt met de belangen vanlidstaten, specifiek op het gebied van het uitzetten van strafrechtelijkveroordeelde vreemdelingen, het toezicht kunnen houden op strafrech-telijk veroordeelde vreemdelingen die niet uitgezet kunnen worden, enmaatregelen om zogenoemde instrumentalisering van migranten tegen tegaan.Voor Nederland zien uitdagingen, waar deze verband houden metmensenrechtenverdragen, vooral op de toenemende complexiteit in de(asiel)procedure en het niet kunnen uitvoeren van Dublinoverdrachten. Inalgemene zin is de conclusie van het kabinet echter dat uitdagingen veelalvoortkomen uit uitvoeringsproblemen; secundaire EU- wetgeving diesoms voor meer interpretaties vatbaar is; rechtspraak daarover; en demanier waarop nationaal invulling wordt gegeven aan internationaleverplichtingen. In onderstaande analyse wordt ingegaan op de belang-rijkste uitdagingen, alsook de invloed van het EVRM en jurisprudentie vanhet EHRM en HvJEU en nationale rechtspraak op het Nederlandse asiel-en migratiebeleid.Effect van het EVRM en Europese en nationale jurisprudentie op het asiel-en migratiebeleidDe normatieve basis van het Nederlandse asielrecht is meervoudig, maaris in belangrijke mate gebaseerd op het Unierecht. Het Unierecht bevatgedetailleerde regels die de nationale procedures structureren. Hettotstandkomingsproces van Europese wetgeving tussen 27 lidstaten enhet Europees Parlement leidt onontkoombaar tot compromissen enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35607 bepalingen die soms voor verschillende uitlegmogelijkheden vatbaar zijn.Deze bepalingen kunnen aanleiding zijn voor nationale rechters omverduidelijkende (prejudiciële) vragen te stellen aan het Hof van Justitievan de EU (HvJEU), wiens taak het is om het Unierecht uit te leggen methet oog op uniforme uitleg in de hele EU. Waar die uitleg afwijkt van denationale interpretatie, past Nederland beleid en uitvoering aan. In deafgelopen 4,5 jaar zijn ongeveer 30 beleidswijzigingen doorgevoerd op hetgebied van asiel- en migratie na uitspraken van het HvJEU15.Het EVRM bestaat uit algemene minimumnormen ten aanzien van demensenrechten. Dit vormt de ondergrens van hoe de overheid moetomgaan met personen onder haar rechtsmacht. Voor asiel en migratie zijnartikel 3 EVRM (het verbod op foltering en onmenselijke en vernederendebehandeling) en artikel 8 EVRM (het recht op eerbiediging van privé,familie- en gezinsleven) in het bijzonder relevant. In de EHRM-rechtspraakis uitgewerkt hoe deze rechten in de context van asiel en migratie wordenuitgelegd en toegepast. Uitspraken van het EHRM die betrekking hebbenop migratie hebben daarom effect op de asiel- en migratiepraktijk vanNederland.16 In de afgelopen 25 jaar werd in navolging van uitspraken vanhet EHRM het Nederlandse asiel- en migratiebeleid tussen de 10 en 15keer aangepast.17 Ook nationale rechters passen deze normen toe, wat inde praktijk ook aanpassingen in uitvoering en motivering kan vergen18.Binnen de ruimte die deze internationale en Europese kaders laten, geeftNederland nationaal invulling aan procedures.Hieronder worden verschillende aspecten van het asiel en migratiebeleidbesproken. Specifiek ten aanzien van enkele uitdagingen in de Neder-landse uitvoeringspraktijk wordt ingegaan op of en hoe die verbandhouden met de rechten en plichten die voortvloeien uit internationalekaders.Uitzetten van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingenDe uitdagingen waarmee andere lidstaten te maken hebben bij hetuitzetten van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen spelen voorNederland niet op dezelfde wijze. Daarbij speelt mee dat Nederland, in15Zie bijvoorbeeld HvJEU, C-752/22 d.d. 18 juni 2024, Y. t. Duitsland, als gevolg waarvanNederland, indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat nietniet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaatmoet opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welkeelementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in dielidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geenverblijfsvergunning wordt verleend. Zie bijvoorbeeld ook HvJEU, C-125/22 van 9 november2023, waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijnniet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie ineen bepaald of een bepaald gebied binnen dit land.16In de afgelopen 10 jaar had minder dan 2% van alle zaken die zijn voorgelegd aan het EHRMbetrekking op migratie. In de overgrote meerderheid (93%) van deze 2% werd door het EHRMgeen schending vastgesteld en is dus in het voordeel van de lidstaten beslecht. In slechts 6%(450) van de gevallen constateerde het EHRM een schending. Niet al deze zaken hebben perdefinitie effect op het asiel- en migratiebeleid van Nederland. Dit neemt niet weg datindividuele zaken een belangrijke impact kunnen hebben op het asiel- en migratiebeleid en deuitvoering daarvan.17Een voorbeeld hiervan is de zaak Jeunesse t. Nederland (EHRM, 12738/10 d.d. 3 oktober 2014).Uit deze zaak bleek dat de afwezigheid van uitzettingshandelingen door Nederland een mee tewegen factor van belang was in het maken van de belangenafweging onder artikel 8 EVRM.Een ander voorbeeld is Paposhvili t. België (EHRM, 41738/10 d.d. 13 december 2016), naaraanleiding waarvan de toegankelijkheid tot zorg in het land van herkomst wordt meegewogenbij de uitzetting van vreemdelingen met gezondheidsproblemen.18Voorbeelden hiervan zijn op het gebied van gezinshereniging, Dublin, terugkeer en asiel. Deanalyse over de specifieke jurisprudentie is onderstaand terug te vinden onder «complexiteitin de asielprocedure».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35608 tegenstelling tot bijvoorbeeld Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, ookgebonden is aan het Unierecht. Daarnaast is de ervaring in de Neder-landse rechtspraktijk dat het EHRM-lidstaten voldoende ruimte biedt omstrafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen te kunnen uitzetten.19 Zo werdNederland in een recente zaak die hierover bij het EHRM diende in hetgelijk gesteld. De zaak betrof de uitzetting van een Marokkaanse vreem-deling die al dertig jaar in Nederland verbleef en, hoewel hem geen langegevangenisstraf werd opgelegd, werd uitgezet omdat hij al meerderemalen was veroordeeld.20 Uitdagingen voor Nederland komen dus nietvoort uit de jurisprudentie van het EHRM of de tekst van het EVRM, maarliggen met name op nationaal en EU-niveau.De belangrijkste uitdagingen voor Nederland zijn de achterblijvendesamenwerking met derde landen, waardoor bijvoorbeeld geenidentificatie- en reisdocumenten kunnen worden verkregen, alsookbeperkte mogelijkheden voor bestuursrechtelijke detentie inEU-wetgeving, zoals de Terugkeerrichtlijn. Er worden momenteel alstappen gezet om dit te adresseren. Zo zet het kabinet in op het verbe-teren van terugkeersamenwerking met derde landen, zowel op nationaalals Europees niveau. Verder worden in het huidige voorstel voor deTerugkeerverordening de detentiemogelijkheden verruimd. Het kabinetheeft conform het BNC-Fiche hier ook oog voor tijdens de triloogfase.Hierin trekt het kabinet nauw op met andere gelijkgezinde lidstaten. Ermoet worden bezien of dit in de praktijk voldoende ruimte biedt of datverdere gerichte aanpassingen van EU-wetgeving nodig blijken. Opnationaal vlak kan worden bekeken of er mogelijkheden zijn om bestaanderuimte binnen bestaande wettelijke kaders te benutten.Uitvoering van DublinoverdrachtenEen belangrijke uitdaging in het domein van asiel- en migratie is hetniet-werkende Dublinsysteem. EHRM-jurisprudentie, jurisprudentie vanhet HvJEU en nationale jurisprudentie hebben op dit punt een belangrijkeimpact gehad, omdat in deze rechtspraak is vastgesteld dat de opvang-standaarden en asielprocedures in de lidstaten waarnaar de overdrachtzou plaatsvinden niet voldeden aan de standaarden voor eenmenswaardige behandeling die de lidstaten hebben afgesproken.Nederland kan daarom geen Dublinoverdrachten uitvoeren naarGriekenland, Italië, Hongarije en Malta, zolang lidstaten niet voldoen aandeze standaarden. De standaarden volgen wat betreft het Unierecht uitsecundaire wetgeving (Opvangrichtlijn, Procedurerichtlijn) en hetHandvest (met name het verbod op foltering en van onmenselijke of19In vaste rechtspraak heeft het EHRM een kader uiteengezet om te toetsen of de uitzetting vande strafrechtelijke veroordeelde (gevestigde) vreemdeling verenigbaar is met het recht oprespect voor privéleven (artikel 8 EVRM), waarbij de belangen van de vreemdeling gewogenworden tegen de belangen van de Staat. Dit zijn de zogeheten «Ünercriteria» (Üner t.Nederland). De ernst van het misdrijf (waaronder het strafrechtelijke verleden van devreemdeling) kan daarin zwaarder wegen dan de individuele belangen van de vreemdeling(Loukili tegen Nederland, nr. 57755/19, 11 april 2023, r.o. 49). Waar de nationale autoriteiten defeiten zorgvuldig hebben vastgesteld, mensenrechtenstandaarden hebben toegepast en eenadequate belangenafweging hebben uitgevoerd, overweegt het EHRM zich aan te sluiten bijde beoordeling van de nationale autoriteiten (in plaats van een eigen inhoudelijke afweging temaken) (Loukili tegen Nederland, nr. 57766/19, 11 april 2023, r.o. 50 en 60).20Loukili tegen Nederland, nr. 57766/19, 11 april 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35609 vernederende behandelingen en bestraffingen, artikel 4), en wat betrefthet EVRM uit artikel 321.Het EHRM toetst per individueel geval of er sprake is van een schendingvan 3 EVRM. In een uitspraak uit 2011 heeft het EHRM geoordeeld dat deoverdracht van een asielzoeker onder de Dublinverordening naarGriekenland in strijd was met de verplichtingen onder artikel 3 EVRM22.Overdrachten naar Griekenland zijn sindsdien niet meer mogelijk, zolangde opvangomstandigheden daar niet aan de minimale vereisten van hetEVRM voldoen. In meer recente uitspraken heeft het EHRM geoordeelddat een Dublinoverdracht naar andere landen, zoals Italië, wel toegestaanwas, waarvan de laatste in 202123. In algemene zin vloeit uit de jurispru-dentie van het EHRM over artikel 3 EVRM geen verplichting voort om inhuisvesting of financiële bijdrage te voorzien, noch om een bepaaldelevensstandaard aan asielzoekers te bieden24. Uit het EU-recht (deOpvangrichtlijn) volgt echter wel de plicht tot het bieden van eenspecifieke levensstandaard. Ook moeten de asielprocedures inEU-lidstaten voldoen aan de EU-wetgeving. In zijn rechtspraak overDublinoverdrachten heeft het EHRM de verplichtingen die lidstaten opgrond van het Unierecht hebben tot het bieden van een bepaaldeopvangstandaard betrokken bij de beoordeling of de Staat in een bepaaldgeval aan zijn verplichtingen onder artikel 3 EVRM heeft voldaan25.De EU-wetgeving vereist dus dat EU-lidstaten een hoger beschermings-niveau aan asielzoekers bieden dan het minimumbeschermingsniveau datwordt vereist onder artikel 3 EVRM op grond van de jurisprudentie van hetEHRM. Het HvJEU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad vanState (hierna: Afdeling) hebben op grond van het Unierecht geoordeelddat Dublinoverdrachten geen doorgang konden vinden, veelal omdat nietvan het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kon worden gegaan doordatde opvangsituatie niet aan de standaarden voor een menswaardigebehandeling voldeed26. De gebrekkige opvangsituatie in bepaaldelidstaten heeft tot het gevolg gehad dat de Afdeling heeft geconcludeerddat respectievelijk alleenstaande mannen niet aan België27 en asielzoekersin zijn algemeenheid niet aan Italië28 mogen worden overgedragen. Doorhet gebrek aan opvangfaciliteiten bestaat er een reëel risico bestaat dat zij21Om te spreken van een opvangsituatie die niet voldoet aan de standaarden voor eenmenselijke behandeling (in de zin van artikel 3 EVRM) moet sprake zijn van een minimum-niveau van ernst. Die beoordeling wordt per geval gemaakt, uitgaande van beschikbareinformatie over de opvangstandaarden (mede gelet op de persoonlijke kenmerken van deasielzoeker en op het toebehoren aan kwetsbare groepen zoals minderjarigen) en of ervoldoende garanties zijn in de asielprocedure om (keten)refoulement te voorkomen. Zie:M.S.S. t. België en Griekenland [GK], nr. 30696/09, 21 januari 2011; Tarakhel t. Zwitserland[GK], nr. 29217/12, 4 november 2014.22M.S.S. t. België en Griekenland [GK], nr. 30696/09, 21 januari 2011, r.o. 263. De asielzoeker, diezich in een kwetsbare, afhankelijke positie van de Griekse autoriteiten bevond, leefde doorinactiviteit van de Griekse autoriteiten sinds zijn overdracht maanden op straat, zonder enigetoegang tot middelen om in zijn levensbehoeften te voldoen. Onder die omstandighedenoordeelde het EHRM dat sprake was van een situatie die een minimumniveau van ernst hadbereikt, waardoor deze situatie binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM was beland.23Mohammed Hussein t. Nederland en Italië [dec.], nr. 27725/10, 2 april 2013; A.M.E. t.Nederland [dec.], nr. 51428/10, 13 januari 2015; S.M.H. t. Nederland [dec.], nr. 5868/13, 17 mei2016; M.T. t. Nederland [dec.], nr. 46595/19, 23 maart 2021. In deze beslissingen oordeelde hetEHRM dat niet aangetoond was dat de verzoekers bij overdracht in een situatie zoudenbelanden die een minimumniveau van ernst heeft om onder het bereik van artikel 3 EVRM tevallen.24Zie bijvoorbeeld: M.S.S. t. België en Griekenland [GK], nr. 30696/09, 21 januari 2011, r.o. 249.25M.S.S. t. België en Griekenland (2011), r.o. 250 en 263.26HvJEU inzake N.S. e.a. d.d. 21-12-2011 (C-411/10 en C-493/10), AbRvS, uitspraak van 23 juli2025, ECLI:NL:RvS:2025:3305, AbRvS, uitspraken van 26 april 2025, ECLI:NL:RVS:2023:1654 enECLI:NL:RVS:2023:1655.27AbRvS, uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.28AbRvS, uitspraken van 26 april 2025, ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356010 niet kunnen voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak,eten en stromend water. Ook de feitelijke situatie in Griekenland enHongarije maken dat overdrachten op grond van de Dublinverordening opdit moment niet plaatsvinden. Ook heeft de Afdeling geoordeeld datGriekenland niet kan voorkomen dat asielstatushouders aldaar in eenmensonwaardige situatie terechtkomen29, waarbij niet wordt voorzien inde belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.Sindsdien kunnen statushouders die in Griekenland een asielvergunninghebben gekregen en vervolgens naar Nederland zijn doorgereisd, inbeginsel, niet worden teruggestuurd naar Griekenland. Indien bij debeoordeling uit het individuele verhaal van de asielzoeker blijkt dat hij ofzij in Griekenland zelfredzaam was, dient men wel terug te keren naarGriekenland.Intussen lijkt er sprake van een verbetering in de opvangsituatie voorniet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in België. Het kabinet heeftdaarom recent besloten om de Dublinoverdrachten van deze groep naarBelgië te hervatten30. Ook de situatie in Griekenland is verbeterd, zoalsblijkt uit een Mededeling van de Commissie31. Met Griekenland zijn erafspraken gemaakt over het hervatten van Dublinoverdrachten bij deinwerkingtreding van het Pact. Het kabinet gaat daarnaast metGriekenland in gesprek om ook afspraken te maken over statushouders. Inde tussentijd zullen lopende aanvragen van Griekse statushouders nietinhoudelijk worden behandeld. Het kabinet staat ook in nauw contact metItalië om Dublinoverdrachten te hervatten. In aanloop naar de inwerking-treding van het Pact monitort de Commissie, mede op aandringen vanNederland, nauwgezet de stand van zaken van de implementatie,waaronder ook de opvangstandaarden, die volgen uit de hernieuwdeOpvangrichtlijn. De Commissie bracht over de stand van zaken van deimplementatie van het Pact op 8 mei een rapport uit.32 Hierover is uwKamer separaat geïnformeerd.33 De inwerkingtreding van het Pact zoudaarom ook gepaard moeten gaan met een verbetering van de opvan-gomstandigheden in de relevante landen. Nederland zal de Commissieblijven oproepen dit nauw te monitoren en implementatie te handhavenen blijft hierover in gesprek met de desbetreffende landen.Verder is door de 46 lidstaten van de Raad van Europa op 15 mei eenpolitieke verklaring aangenomen om de toepassing van het EVRM in hetmigratiedomein te verduidelijken. Hier heeft het kabinet een actievebijdrage aan geleverd. Hierin zijn verschillende bepalingen opgenomen29AbRvS, uitspraken van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627.30Tweede Kamer, vergaderjaar 2025 – 2026, «Kamerbrief bij Verslag JBZ-Raad 5 en 6 maart 2026,Kamerstuk 32 317, nr. 998.31COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL AND THEEuropEAN PARLIAMENT on the status of migration management in mainland Greece, 4 april2025, eur-lex.Europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025DC0170.32COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EuropEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL,THE EuropEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE AND THE COMMITTEE OF THEREGIONS on the State of play on the implementation of the Pact on Migration and Asylum,8 mei 2026, https://eur-lex.Europa.eu/legal-content/EN/TXT/HTML/?uri=CELEX:52026DC015033Kamerstukken II, vergaderjaar 2025 – 2026, 19 637, nr. 3557.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356011 die relevant zijn voor de jurisprudentie over Dublinoverdrachten.34 Geziende verklaring met consensus is aangenomen kan deze aangemerktworden als een interpretatieve verklaring van de verdragspartijen, in diezin dat zij onder het verdragenrecht een «later tot stand gekomenovereenstemming» vormt over de uitleg of toepassing van het EVRM. Meteen dergelijke verklaring dient rekening te worden gehouden dooreenieder bij de interpretatie van het EVRM in het migratiedomein, en kandaarom ook doorwerken in de nationale rechtspraktijk. Het is uiteindelijkaan de rechter om uitleg te geven aan de bepalingen uit deze verklaring.35Een andere uitdaging in relatie tot Dublin is de toenemende complexiteitin de uitvoering van de Dublinprocedure. De Dublinverordening wordt opverschillende wijze geïnterpreteerd. Dat heeft rechters van de EU-lidstatenaanleiding gegeven om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU overde uitleg van de Dublinverordening en aanverwante EU wet- en regel-geving36. Een gevolg van de arresten van het HvJEU en de nationalerechtspraak is dat de IND steeds meer elementen moet betrekken bij detoetsing van de toelaatbaarheid van de Dublinoverdracht. Voorbeeldenhiervan zijn 1) het feit dat de IND uitgebreid moet motiveren waarom tenaanzien van bepaalde lidstaten uitgegaan kan worden van het intersta-telijk vertrouwensbeginsel, indien er in openbare rapporten gerapporteerdis over gebrekkige opvangomstandigheden, in het bijzonder voorkwetsbare personen37; 2) hoe het belang van het kind naar het oordeelvan de Afdeling bestuursrechtspraak beoordeeld moet worden in deDublinprocedure, waardoor meer onderzoek uitgevoerd moet wordennaar de situatie in de andere lidstaat betreffende de opvang van het kinden naar de familiesituatie38; 3) de situatie waarin de vreemdeling stelt dater medische omstandigheden zijn die maken dat hij niet aan de verant-woordelijke lidstaat kan worden overgedragen (veelal vanwegepsychische problemen en suïciderisico). Indien deze medische omstandig-heden voldoende zijn onderbouwd, zal door Bureau Medische Adviseringmoeten worden onderzocht (voor het overdrachtsbesluit) of de vreem-deling kan reizen en welke reisvoorwaarden daarbij noodzakelijk zijn39.Doordat meer elementen onderzocht moeten worden voordat eenoverdracht kan plaatsvinden, lopen Dublinoverdrachten vertraging op engeeft dit extra belasting bij de IND.Op basis van het bovenstaande constateert het kabinet dat de uitvoeringvan de Dublinverordening spaak loopt. Enerzijds doordat opvangstan-daarden en asielprocedures in bepaalde EU-lidstaten niet voldoen aan destandaarden in het Unierecht en anderzijds door de toenemende34Voorbeelden van elementen die relevant zijn voor Dublin zijn dat de bepaling er sprake moetzijn van een minimumniveau van ernst voor een schending van artikel 3 EVRM en dat dithelder en consequent moet worden toegepast, en de oproep tot voorzichtigheid in detoepassing van jurisprudentie van het Hof, waaronder door nationale rechtbanken, metbetrekking tot de situatie in een staat die partij is bij het Verdrag. Verder wordt benoemd datnationale rechtbanken en autoriteiten baat zouden kunnen hebben bij nadere richtsnoerenover de wijze waarop zij een reeks individuele sociaaleconomische factoren in het kader vanartikel 3 EVRM moeten beoordelen die een negatieve invloed kunnen hebben op de situatievan die persoon, maar die afzonderlijk niet neerkomen op onmenselijke of vernederendebehandeling. Ook bevestigd de verklaring opnieuw het absolute karakter van artikel 3 EVRM.35Deze uitleg geeft uitvoering aan de toezegging gedaan door de Minister van Asiel en Migratieaan lid Boomsma tijdens het Commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid van 13 mei jl.36HvJEU inzake C-185/24 en C-189/24 [Tudmur], 19 december 2024; HvJEU, inzake C-323/21,C-324/21 en C-325/21, 12 januari 2023; HvJEU, inzake C-163/17 Jawo, 19 maart 2019.37Bijvoorbeeld HvJEU inzake C-185/24 en C-189/24 [Tudmur], 19 december 2024.38AbRvS: uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1281; uitspraak van 21 december 2020,ECLI:NL:RVS:2020:3043; uitspraak van 21 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3044; uitspraakvan 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1256; uitspraak van 24 februari 2022,ECLI:NL:RVS:2022:586; uitspraak van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1671.39HvJEU inzake C.K. e.a. d.d. 16 februari 2017 (C-578/16).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356012 complexiteit in de beoordeling die de IND moet verrichten. De primaireinzet van het kabinet is er daarom op gericht ervoor te zorgen dat hetDublinsysteem weer gaat werken. Hierover staat het kabinet in nauwgesprek met onder andere Griekenland en Italië. Ook treedt op 12 juni2026 het Pact in werking. Daarmee zal de Dublinverordening vervangenworden door de Asiel- en migratiebeheerverordening. De volledigeimplementatie en naleving van het Pact wordt, mede op aandringen vanNederland, nauw gemonitord door de Commissie. Onderdeel hiervan isde uitvoering van Dublinoverdrachten aan Italië en Griekenland. Hetkabinet zal, in aanloop naar de Commissie aangekondigde evaluatie vanhet Pact in 2028, bezien of aanpassing of verdere aanscherping van deEU-wetgeving nodig is.Complexiteit van de procedureIn algemene zin worden procedures steeds complexer, omdat eengroeiend aantal factoren betrokken moet worden bij de asielbeoordelingen uitgebreidere motivering vereist is bij afwijzing, zowel bij asielaan-vragen, terugkeerprocedures, als bij gezinshereniging. Hieronder gaat hetkabinet in op de relevante rechtspraak op dit punt.GezinsherenigingDe IND behandelt momenteel meer zaken onder artikel 8 EVRM danvoorheen. Dit komt door meerdere factoren. In de loop der jaren zijnverschillende aanpassingen gedaan in het migratiebeleid. Het past bij deaard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al naargelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen vankabinet of Kamer, of actuele inzichten. Zo is bijvoorbeeld het verruimdegezinsherenigingsbeleid afgeschaft, en wordt bij een eerste asielafwijzingambtshalve aan artikel 8 EVRM getoetst.De artikel 8 EVRM toets is per definitie een ingewikkeldere toets, vanwegede belangenafweging die moet worden gemaakt tussen de rechten vanhet individu en de belangen van de staat. Rechtspraak van het EHRMvormt het uitgangspunt voor de beoordeling ten aanzien van artikel 8EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat Verdragsstaten deruimte hebben om de toegang van vreemdelingen tot hun grondgebieden hun verblijf aldaar te controleren. Het EVRM garandeert niet aan eenvreemdeling het recht om een land in te reizen en daar te verblijven, ookniet wanneer er familie- of gezinsleden in dat land verblijven.40 In ditverband kunnen er echter omstandigheden zijn waaronder de Staat eenpositieve verplichting heeft onder artikel 8 EVRM om gezinshereniging toete staan, zodat dit gezinsleven effectief kan worden uitgeoefend.Het EHRM heeft in zijn rechtspraak vaste kaders ontwikkeld voor dezetoetsing, die richting geven welke elementen betrokken moeten worden inde beoordeling. De toets onder artikel 8 EVRM is casuïstisch. Per gevaldienen de specifieke relevante feiten en omstandigheden te wordenbetrokken en een passend gewicht te worden toegekend binnen de kadersvan de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft in zijn jurisprudentieuiteengezet hoe familieleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt vastge-steld, zoals onder welke omstandigheden sprake is van beschermings-40Bijvoorbeeld M.A. t. Denemarken [GK], nr. 6697/18, 9 juli 2021, r.o. 131.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356013 waardig familieleven tussen meerderjarige familieleden.41 Ook heeft hetEHRM in zijn rechtspraak richting gegeven ten aanzien van het gewichtdat aan bepaalde belangen van de Staat of van de vreemdeling kanworden toegekend.42 Dat geeft richting aan de IND43 en de nationalerechter welke elementen in dit verband betrokken moeten worden.44Hoewel het EHRM in zijn rechtspraak algemene beginselen heeftuiteengezet45, blijft de afweging afhankelijk van de specifieke feiten enomstandigheden van de zaak.Zowel de vaststelling van het gezinsleven als de daaropvolgendebelangenafweging indien gezinsleven is vastgesteld, zijn niet gemakkelijk.Zo is bijvoorbeeld het vaststellen van familieleven tussen meerderjarigefamilieleden in de zin van artikel 8 EVRM een uitgebreide, juridische toets.Tegelijkertijd stelt het EHRM een hoge lat voor het vaststellen vanfamilieleven. Zo heeft het EHRM recentelijk in meerdere beslissingenvastgesteld dat de IND en nationale rechter terecht tot de conclusie zijngekomen dat in die zaken geen sprake was van familieleven in de zin vanartikel 8 EVRM46. Ook de belangenafweging verschilt van geval tot geval.De in de belangenafweging mee te wegen elementen, wegen niet altijdeven zwaar, dat hangt af van de zaak. Dit biedt de Staat in het algemeenveel beoordelingsruimte47. Tegelijk maakt dit behandeling van een zaakcomplex. Dit is ook terug te zien in nationale jurisprudentie.Doordat de IND vaker toetst aan artikel 8 EVRM, worden er ook meerzaken aan de rechtbank voorgelegd. Met name wanneer er sprake is vaneen afwijzing, ziet het kabinet dat onder invloed van de rechtspraak omeen steeds uitgebreidere motivering wordt gevraagd, die extra capaciteitvraagt van de IND48. Het kabinet zal bezien waar het proces vergemakke-lijkt zou kunnen worden.TerugkeerOok op terugkeer ziet het kabinet dat de complexiteit in de procedure voorde uitvoering toeneemt. De (recente) rechtspraak van het HvJEU vereisteen actuele beoordeling van het risico op refoulement in een reguliereprocedure ook indien dit risico in het eerdere genomen terugkeerbesluitreeds getoetst is49. Dit geldt ook bij inbewaringstelling50. De vreemdeling41Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat familieleven in de zin van artikel 8 EVRM normaalgesproken beperkt is tot het kerngezin. In beginsel wordt geen familieleven tussen meerder-jarige familieleden vastgesteld, tenzij aangetoond wordt dat sprake is van bijkomendeelementen van afhankelijkheid («additional elements of dependency, more than the normalemotional ties»). Het EHRM toetst aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden ofdeze bijkomende elementen van afhankelijkheid gebleken zijn. Het gaat dan om elementen alsmedische afhankelijkheid, financiële afhankelijkheid, emotionele steun en samenwoning. Hetvaststellen van familieleven in dit verband betreft een combinatie van elementen, waarbijonder andere de ernst van de medische aandoening beoordeeld wordt en elementen zoalsfinanciële afhankelijkheid of emotionele steun op zichzelf onvoldoende zijn om familielevenvast te stellen. Zie: Martinez Alvarado v. Netherlands, nr. 4470/21, 10 december 2024, r.o.35–45. Zie ook: Bitar v. Nederland [besl.], nr. 36163/21, 23 april 2026.42Jeunesse v. the Netherlands, nr. 12738/10, 3 oktober 2014.43WI 2026/3 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.44ABRvS, uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.2.45Zie bijvoorbeeld M.A. t. Denemarken [GK], nr. 6697/18, 9 juli 2021.46Dit betroffen zaken over gezinshereniging tussen meerderjarige familieleden, zoals eenmoeder en haar jongvolwassen zoon en tussen meerderjarige broers en zussen. Bitar v.Nederland [dec.], nr. 36163/21, 23 april 2026; Mahamud v. the Netherlands [dec.], nr. 64534/19,2 april 2026; Mude and Mohamed Hussein v. the Netherlands [dec.], nr. 47878/20, 2 april 2026;Kumari v. the Netherlands [dec.], nr. 44051/20, 10 december 2024.47Martinez Alvarado v. Netherlands, nr. 4470/21, 10 december 2024, r.o. 54.48AbRvS: uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188; uitspraak van 10 september2024, ECLI:NL:RVS:2024:3653; uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912.49HvJEU, arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356014 zal hierop actief moeten worden bevraagd, ondanks dat eerder in deasielprocedure en in het daarin opgenomen terugkeerbesluit al isvastgesteld dat dit risico er voor de betreffende persoon niet is. Hetindienen van een nieuwe asielaanvraag mag daarbij niet wordenverlangd. Dat betekent in de praktijk dat het refoulementrisico vaker moetworden beoordeeld. Dit behelst een complexe beoordeling die de IND enDT&V veel capaciteit kost. Daarnaast vereist het HvJEU51 dat, alleafzonderlijke perioden van terugkeerbewaring op basis van een enhetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld. Zoals uwKamer bekend, maakt ook dit het bewarings- en terugkeerprocescomplexer.52AsielIn een andere context heeft het HvJEU geoordeeld dat lidstaten nietverplicht zijn asiel te verlenen, wanneer een andere lidstaat asiel heefttoegekend maar de persoon niet naar die lidstaat kan worden overge-dragen53. Wel moet het asieldossier uit de andere lidstaat wordenbetrokken bij de asielbeoordeling. Het opvragen en vertalen van datasieldossier kost veel tijd. Bovendien moet worden gemotiveerd waaromhet oordeel van de andere lidstaat niet wordt overgenomen.Wat betreft de asielprocedure is een ander belangrijk voorbeeld van decomplexiteit het feit dat niet langer kan worden volstaan met hetbeoordelen van de algemene veiligheidssituatie in een bepaald land ofbepaald gebied binnen dit land onder artikel 15, onder c, van de Kwalifica-tierichtlijn. Deze extra motiveringseisen volgen uit een arrest over hetbeoordelen van de veiligheidssituatie in een land van herkomst54. Daarinoverweegt het HvJEU dat ook de individuele en persoonlijke omstandig-heden van de persoon moeten worden betrokken bij de beoordeling of hijkan terugkeren. Op nationaal niveau heeft de Afdeling geoordeeld dat ergeen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden in hetkader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken55. Ditbetekent concreet dat de IND moet bezien of in een situatie van wille-keurig geweld, ook wanneer er een zeer beperkt aantal burgerslachtofferste betreuren zijn, individuele omstandigheden aanleiding geven om eenreëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van deKwalificatierichtlijn aan te nemen. In de ervaring van de IND leidt deze eisniet vaker tot inwilliging, wat betekent dat er op basis van de individueleomstandigheden dus geen reëel risico op ernstige schade wordt vastge-steld. Wel legt deze eis extra motiveringslasten op, die bijdragen aan decomplexiteit van de procedure en de werkdruk van de IND.Conclusie complexiteit proceduresDe conclusie van het kabinet met betrekking tot de complexiteit van deprocedure en de extra werklast die dit meebrengt voor de uitvoering is datdit met name voortkomt uit secundaire EU-wetgeving (Terugkeerrichtlijn,Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn, Dublinverordening), de daaropvol-gende jurisprudentie (zowel van HvJEU als nationaal) alsook de wijzewaarop nationaal invulling wordt gegeven aan internationale verplich-tingen. In de praktijk leidt dit ertoe dat meer factoren bij de asielbeoor-deling en terugkeerbesluit moeten worden betrokken, er een grotere50HvJEU, arrest van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).51HvJEU, arrest van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja)52Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, 1554, nr. 1783.53HvJEU, arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).54HvJEU, arrest van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).55AbRvS, uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356015 motiveringslast bij afwijzingen van asiel- en gezinsherenigingsaanvragenis, en er belemmeringen ontstaan bij het uitvoeren van afwijzingen enoverdrachten.Nationaal kan gerichter worden gehandeld binnen de bestaande kaders.Ten aanzien van artikel 8 EVRM vergt dit een individuele beoordeling diekenbaar in de beschikking moet zijn opgenomen. Dat kan worden geborgddoor strikte toepassing en periodieke actualisering van de bestaandewerkinstructie van de IND. Daarbij wordt ook gekeken of nationale kadersbehulpzaam kunnen zijn om de toepassing in de praktijk te vereenvou-digen; er wordt in dit kader een verkenning uitgevoerd naar de inzet vanbeleidskaders door andere Europese lidstaten. Tegelijkertijd is van belangte benadrukken dat, bij ieder nationaal (beleids)kader, altijd geldt dat ereen resttoets volgt waarbij de Europese reikwijdte bepalend is. Hetnationale beleid is een toevoeging, maar kan niet beperkend zijn en leidtin de praktijk niet zelden tot een versoepeling in plaats van eenverstrenging.Recente uitspraken van het EHRM hebben verduidelijkt dat het jongvol-wassenenbeleid, zoals dat in Nederland in het kader van artikel 8 EVRM inhet vreemdelingenrecht bij gezinshereniging wordt toegepast, kanworden geschrapt. Dit draagt naar verwachting bij aan het mindercomplex maken van de beoordeling.56 Deze wijziging zal per 1 juni in deVreemdelingencirculaire worden doorgevoerd. Daarnaast ondersteunt ditde net aangenomen nationale wetgeving, de wet Invoering tweestatus-stelsel, waarin is opgenomen dat de kring van vreemdelingen die inaanmerking komen voor gezinshereniging via nareis, wordt teruggebrachttot die gezinsleden die behoren tot het kerngezin.Internationaal heeft het kabinet in Raad van Europa gewerkt naar eenpolitieke verklaring, die aangemerkt kan worden als een interpretatieveverklaring, om de toepassing van artikel 3 en 8 EVRM in het migratie-domein te verduidelijken. Hierbij heeft het kabinet oog gehouden voor hetwaarborgen van de integriteit van het EVRM en het EHRM. Dezeverklaring is inmiddels met consensus aangenomen. Ook kan Nederlandinterveniëren in zaken over de toepassing van artikel 3 en 8 EVRM in hetmigratiedomein of andere staten vragen dit te doen in Nederlandse zaken(zogenaamde third party interventions). Bij het HvJEU kan Nederlandwaar passend, deelnemen aan prejudiciële procedures van nationalerechters bij het Hof om onduidelijke Unierechtelijke begrippen teverhelderen.Ten aanzien van de secundaire EU-wetgeving heeft het kabinet al stappengezet. In de Raadspositie op de Terugkeerverordening, die de Terugkeer-richtlijn moet vervangen, wordt, cf. het BNC-Fiche, de dubbele toets opnon-refoulement ondervangen. Ook wordt hierin de complexiteit tenaanzien van bewaringstermijnen gedeeltelijk ondervangen. Het kabinethecht eraan dat dit ook in de triloog behouden blijft. Ten aanzien vancomplexiteit in de asielprocedure zal het kabinet bij de door de Commissieaangekondigde evaluatie bezien of gerichte aanpassing van de Kwalifica-tieverordening of Procedureverordening voor de hand ligt.Inzet van het kabinet en vervolgstappenOp basis van deze analyse is de conclusie van het kabinet dat de ervarenuitdagingen in de uitvoeringspraktijk niet zozeer hun oorsprong vinden inde internationale verdragen. Op punten komen deze uitdagingen voort uithet Unierecht, die zijn weerslag vindt in HvJEU jurisprudentie, en uit de56Mude and Mohamed Hussein v. the Netherlands [dec.], nr. 47878/20, 2 april 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356016 vereisten die uit de nationale jurisprudentie volgen ten aanzien van artikel3 en 8 EVRM en het Unierecht.Het kabinet zet er daarom op in dat EU wet- en regelgeving verderverduidelijkt en aangescherpt wordt, waar nodig. Dit is reeds onderdeelvan de inzet van het kabinet. In de afgelopen periode zijn hier ookbelangrijke stappen gezet, waarbij er bijvoorbeeld in het geval van hetveilig derde land-concept gerichte aanpassingen zijn gedaan aanovereengekomen wetgeving. Het kabinet zet zich ervoor in dat er snelvoortgang wordt gemaakt met de onderhandelingen op de Terugkeerver-ordening als sluitstuk van het Pact. Ook verwelkomt het kabinet de doorde Commissie aangekondigde evaluatie van het Asiel- en Migratiepact in2028. Dit moment zal het kabinet aangrijpen om voorstellen te doen omhet Pact waar nodig verder aan te scherpen en de uitvoering te versim-pelen. Hierbij kijkt het kabinet naar de nieuwe Opvangrichtlijn, deProcedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en deKwalificatieverordening. Om de belangrijkste knelpunten te identificeren,alsook zo gericht mogelijk aanpassingen te doen, zal het kabinet haar inzetten aanzien van de herziening bepalen op het moment dat het Pact inwerking is getreden en de effecten op de uitvoeringspraktijk duidelijk zijn.Ook verkent het kabinet, samen met gelijkgezinde lidstaten, waar debelangrijkste noden liggen om de uitvoering te vereenvoudigen.In het kader van Dublin blijft de algemene inzet van het kabinet op eenwerkend Dublinsysteem prioriteit. Onderdeel hiervan zijn ook bilateraleafspraken met de desbetreffende EU-lidstaten. Daarover maakte hetkabinet al afspraken met Griekenland. Het kabinet voert hierover ookgesprekken met Italië, de Commissie en andere gelijkgezinde lidstaten.Daarnaast bekijkt het kabinet of meer deelname aan en interventies inHofzaken met gelijkgestemde lidstaten in relevante procedures, zowel bijhet HvJEU, als bij het EHRM via third party interventions57, gewenst is.Denk hierbij bijvoorbeeld aan zaken die gaan over Dublin of die raken aaninnovatieve oplossingen. Hiermee wordt het Nederlandse standpunt overde betreffende materie overgebracht bij het bevoegde Hof. Bovendien kanNederland zo laten zien gelijkgezinde lidstaten te steunen, zodat aan hetdoor die lidstaten gedeelde standpunt bij het bevoegde Hof meer krachtkan worden gegeven. Ook kan Nederland gelijkgestemde lidstatenverzoeken te interveniëren in tegen Nederland aangespannen proceduresof mee te doen in prejudiciële zaken die uit Nederland afkomstig zijn.Op nationaal niveau blijft het kabinet zich doelgericht inzetten voor hetterugbrengen van de complexiteit van de procedure binnen de bestaandekaders. Het kabinet zet daarom in op een strikte toepassing en periodiekeactualisering van de bestaande werkinstructie. Een eerste herziening vande werkinstructie inzake artikel 8 EVRM heeft recent plaatsgevonden.58Ook voert het kabinet een verkenning uit naar de inzet van beleidskadersdoor andere Europese lidstaten. Verder zal het kabinet waar er binnen hetUnierecht ruimte ligt om nationaal keuzes te maken, kiezen voor eenaansluiting bij de minimumnormen hetzij een invulling die zorgt voor eenefficiëntere asielprocedure. Voorbeelden hiervan zijn het voorstel tot hetschrappen van de voornemenprocedure, de invoering van het tweestatus-57Het kabinet bespreekt in deze Kamerbrief de verscheidene noties in het paper van professorBossuyt niet als losse elementen. Zij zijn echter onderdeel van de brede analyse van hetkabinet. Third party interventions is, net als de aanpassing van secundaire EU- wetgeving, éénvan de middelen die terugkomt in het paper van professor Bossuyt. Hiermee beschouwt hetkabinet de toezegging aan lid Boomsma in het schriftelijk overleg over de geannoteerdeagenda van de JBZ-Raad op 22 en 23 januari jl. als afgedaan.58WI 2026/3 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRMTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356017 stelsel en het strenger maken van de voorwaarden voor gezinsherenigingvan subsidiair beschermden.Dergelijke nationale maatregelen, als ook de inzet op een beter functione-rende Dublinsamenwerking tussen de lidstaten, hebben mede tot doel omde uitvoerende diensten te ontlasten, waardoor deze ook in staat zijn omde ruimte die de secundaire EU-wetgeving biedt, bijvoorbeeld voor hetsneller afhandelen van asielverzoeken en opleggen van vrijheidsontne-mende maatregelen (wanneer nodig), beter kan worden benut. Ook wordtgewerkt aan een onderzoek naar de nut en noodzaak van een verdereaanscherping van de zogeheten glijdende schaal met oog op uitzettingvan vreemdelingen die strafrechtelijk veroordeeld zijn. Hierover zal deKamer op korte termijn geïnformeerd worden.Met betrekking tot het EVRM heeft het kabinet de afgelopen periode nauwopgetrokken met gelijkgezinde lidstaten, waaronder Denemarken, Italië enBelgië voor het voeren van een dialoog in de Raad van Europa over deuitleg van artikelen 3 EVRM en 8 EVRM in het migratiedomein. Innavolging daarvan is er in Raad van Europa-verband gewerkt aan het totstand brengen van een breed gedeelde politieke verklaring. Dezeverklaring is aangenomen tijdens de bijeenkomst van het Comité vanMinisters in Chisinau in mei 2026 met consensus van alle EVRM-partijen.Daarmee kan de verklaring worden aangemerkt als een interpretatieveverklaring van de verdragspartijen, in die zin dat zij onder het verdragen-recht een «later tot stand gekomen overeenstemming» vormt over deuitleg of toepassing van het EVRM. Met een dergelijke verklaring dientrekening te worden gehouden door eenieder bij de interpretatie van hetEVRM in het migratiedomein, en kan daarom ook doorwerken in denationale rechtspraktijk. Hiermee ziet het kabinet de moties Van Zanten59,Van der Plas/Yesilgöz60, alsook de toezegging gedaan in de AlgemenePolitieke Beschouwingen op 26 september 2025 om in Europees verbandverder te spreken over een interpretatieprotocol bij het EVRM alsafgedaan.Andere instrumenten, waaronder aanpassing van het EVRM, dan wel hetopstellen van een aanvullend Protocol bij het EVRM, zoals ook voorge-steld door het lid Eerdmans, hebben niet het gewenste effect. Dit beeldwordt internationaal breed gedeeld, inclusief door gelijkgezinde lidstaten.Dit heeft er mee te maken dat zowel aanpassing van het EVRM als hetopstellen van een nieuw Protocol bij het EVRM instrumenten zijn om detekst van het EVRM verder in te kaderen. Uitdagingen zien echter opspecifieke casuïstiek of problematiek. Vanwege de aard van het EVRM enhet feit dat EVRM-artikelen als artikel 3 EVRM brede algemene normenbevatten, biedt een dergelijke inkadering geen geschikte en passendeoplossing voor deze casuïstiek en problematiek. Bovendien kan eendergelijke inkadering ook negatieve gevolgen hebben voor andererechtsgebieden waarop het EVRM betrekking heeft, zoals de economie ofrechtshandhaving.Tot slotMet oog op bovenstaande zet het kabinet de volgende stappen op dekorte termijn: ten aanzien van innovatieve oplossingen intensifieertNederland de diplomatieke inzet om te komen tot concrete afspraken ophet gebied van transithubs en het veilig derde land-concept. Het kabinetstreeft ernaar voor het einde van het jaar met een concreet voorstel te59Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 22 112, nr. 4122.60Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 36 800, nr. 24.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356018 komen. Nederland heeft hier ook in mei tijdens het International MigrationReview Forum aandacht voor gevraagd.Verder heeft het kabinet er richting de ministeriële conferentie van deRaad van Europa van 14 en 15 mei op ingezet dat de politieke verklaringinzake de toepassing van het EVRM op het gebied van migratie metconsensus wordt aangenomen. Dit heeft tot een succesvol resultaatgeleid. Op Europees niveau blijft het kabinet zich op korte termijn hardmaken voor de snelle afronding van de onderhandelingen over deTerugkeerverordening en geeft het kabinet prioriteit aan een werkendDublinsysteem. Het kabinet blijft daarover in nauw contact metGriekenland, Italië en de Commissie. Daarnaast zal het kabinet metgelijkgezinde lidstaten het gesprek over aanscherping van Europeseasielwetgeving voeren.Het Nederlandse asiel- en migratiebeleid bestaat niet in een vacuüm,maar is sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen, Uniewet-geving en internationaal recht. De aanpassing van het internationaal asiel-en migratiesysteem vraagt daarom een sterke internationale inzet. Eendergelijke ontwikkeling vergt tijd, aandacht en doorzettingsvermogen. Ditis geen simpele taak en het kabinet biedt ook geen eenvoudige of snelleoplossingen. Zorgvuldigheid is geboden. Het kabinet zal zich blijveninspannen om deze discussie internationaal aan te wakkeren en samenmet gelijkgezinde lidstaten te werken aan de modernisering van hetinternationale asiel- en migratiesysteem en waar dit nodig blijkt deinternationale kaders en hun toepassing te moderniseren, alsook EU ennationale wetgeving aan te scherpen. Met deze brief hoopt het kabinet uwKamer een duidelijk beeld te hebben gegeven van hoe dit de komendeperiode vorm zal krijgen.De Minister van Asiel en Migratie,G. van den BrinkDe Minister van Buitenlandse Zaken,T.B.W. BerendsenDe Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,S.W. SjoerdsmaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 356019
Gerelateerde bronnen
- De Minister stuurt in september een plan van aanpak voor de motie-Van Zanten/Boomsma over een verkenning naar verdragen.
De Minister stuurt in september een plan van aanpak voor de motie-Van Zanten/Boomsma over een verkenning naar verdragen.
- De minister informeert de Kamer in het voorjaar over de invulling van de internationale asieltop.
De minister informeert de Kamer in het voorjaar over de invulling van de internationale asieltop.
- De minister zorgt dat de commissie voor Asiel en Migratie in het voorjaar apart wordt geïnformeerd over de gesprekken over het EVRM, zodat deze commissie ook wo
De minister zorgt dat de commissie voor Asiel en Migratie in het voorjaar apart wordt geïnformeerd over de gesprekken over het EVRM, zodat deze commissie ook wordt meegenomen in de positie van Nederland ten aanzien van de politieke verklaring in Moldavië.
- De minister stuurt de kabinetsappreciatie van het rapport van Clingendael met de titel Grenzen verleggen: Externalisering van asiel en een breed gedragen hervor
De minister stuurt de kabinetsappreciatie van het rapport van Clingendael met de titel Grenzen verleggen: Externalisering van asiel en een breed gedragen hervormingsinitiatief, dit voorjaar naar de Kamer.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.