Kabinetsreactie Autonoom en Veilig
Brontekst
Versie c3603fe4b6ba81a2 · officiële bron29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie 36 933 Noodpakket energie, mobiliteit en economie 30 821 Nationale Veiligheid Nr. 725 Brief van de minister van Klimaat en Groene Groei Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 15 september 2026 In maart 2026 publiceerde Energy Innovation NL (voorheen Topsector Energie) het rapport Autonoom en Veilig. Dit rapport bevat aanbevelingen van experts op het gebied van energie, veiligheid en geopolitiek om de autonomie en veiligheid van de Nederlandse energievoorziening te versterken. De aanbevelingen richten zich onder andere op de versnelling van de energietransitie, het ontwerp van het energiesysteem, strategische voorraden, prijsprikkels, digitale weerbaarheid en crisisvoorbereiding. De commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 26 maart jl., middels een brief aan de minister van Klimaat en Groene Groei, verzocht om een reactie op het rapport Autonoom en Veilig.[voetnoot 1] Het kabinet onderschrijft de meeste aanbevelingen van het rapport en zet, zoals het rapport adviseert, in op het behouden van vaart in de energietransitie, met oog voor de noodzakelijke randvoorwaarden. Daarbij wordt, binnen de bestaande beperkingen van netcongestie, ingezet op zowel verzwaring als betere benutting van het elektriciteitsnet, wordt het gebruik van fossiele brandstoffen afgebouwd, worden benodigde investeringen gedaan en spelen decentrale ontwikkelingen een steeds belangrijkere rol. De bredere strategische context van de weerbaarheid van ons toekomstige energiesysteem wordt geschetst in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, dat gelijktijdig met deze kabinetsreactie aan de Kamer wordt aangeboden.[voetnoot 2] Ook het belang van energiebesparing, waar het rapport aandacht voor vraagt, komt daarin aan bod. Alle energie die we niet gebruiken, is immers goed voor onze weerbaarheid. Om de inzet voor de totale weerbaarheid van het energiesysteem te verstevigen, onderneemt het kabinet verschillende acties. Zo moet het inrichten van een markt-breed capaciteitsmechanisme ervoor zorgen dat er voldoende elektriciteitsaanbod is om, ook op piekmomenten, aan de vraag te voldoen, en wordt weerbaarheid als criterium meegenomen bij nieuwe infrastructuur om deze secure-by-design te maken. Daarnaast integreert het kabinet weerbaarheid in beleid, onder andere door weerbaarheid centraal te stellen in de adviesvraag aan de Raad voor Energie[voetnoot 3] en door samen met netbeheerders en de sector te werken aan de Integrale Beleidsagenda Energieopslag. Het kabinet zal niet alle aanbevelingen uit het rapport Autonoom en Veilig opvolgen. Zo zal het kabinet geen nieuw nationaal energiebesparingsdoel stellen omdat er al een Europese doelstelling is vastgelegd in de Europese Energie Efficiency Richtlijn. Ook wordt geen invulling gegeven aan het advies om de ontmanteling van de gas-infrastructuur, waaronder het Groningenveld[voetnoot 4], on hold te zetten. Het Groningenveld is bij wet gesloten omdat winning uit het Groningenveld onveilig is. Het verbod op winning is ook in de wet vastgelegd om het definitieve karakter van het besluit te benadrukken en als een stap in het herstel van het vertrouwen van de bevolking in de overheid. Het is een duidelijke belofte aan de Groningers waarmee een overgrote meerderheid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft ingestemd. Leveringszekerheid van gas wordt op andere wijzen gewaarborgd, zoals toegelicht in verschillende kamerbrieven[voetnoot 5]. Dit gebeurt onder meer door voldoende LNG-importcapaciteit en diversificatie van de gasaanvoer, door voldoende gevulde gasopslagen, door winning uit kleine gasvelden in Nederland waar dat veilig kan en door maatregelen om gasverbruik te beperken bij (dreigende) schaarste. Daarnaast zet het kabinet in op het verminderen van de rol van gas, waardoor het totale volume van de binnenlandse consumptie de komende decennia stapsgewijs zal blijven dalen. Deze kabinetsreactie beschrijft hoe het kabinet de aanbevelingen uit het rapport Autonoom en Veilig grotendeels heeft geïntegreerd in beleid, wetgeving en uitvoering, of hoe het dat gaat doen. De brief valt uiteen in drie delen, vergelijkbaar met hoe het rapport van Energy Innovation NL is opgebouwd. Er wordt in gegaan op hoe keuzes in het ontwerp van het energiesysteem de weerbaarheid van ons energiesysteem kunnen vergroten (deel 1). Ook gaat de brief in op de uitwerking van deze ontwerpkeuzes bij maatregelen gericht op fysieke, digitale en economische weerbaarheid en veiligheid (deel 2) en crisisvoorbereiding en -respons (deel 3). 1. Weerbaar ontwerp van het energiesysteem De complexiteit van ons energiesysteem is enorm, vanwege de veelheid aan bronnen, infrastructuur boven én onder de grond, verregaande digitalisering en de verknoping met de Europese energiemarkt. Het energiesysteem zal daardoor altijd kwetsbaarheden houden en nooit voor de volle 100% als ‘autonoom en veilig’ kunnen worden bestempeld. Een energiesysteem is weerbaar als de continuïteit van productie, levering en gebruik van energie zo goed mogelijk gewaarborgd is, ook in het geval van onvoorziene omstandigheden. Weerbaarheid is geen nieuw begrip, maar de laatste jaren zien we tal van nieuwe aspecten die invloed hebben op de continuïteit van onze energievoorziening. Het is daarom noodzakelijk om ‘weerbaarheid’ als belangrijk ontwerpprincipe te gebruiken voor het energiesysteem van de toekomst. In het rapport Autonoom en Veilig worden meerdere aanbevelingen gedaan die zien op het ontwerp van het energiesysteem. Dit betreft onder andere aanbevelingen over het verkleinen van importafhankelijkheden, het toepassen van het security-by-design principe voor toekomstige energie-infrastructuur, de ontwikkeling van opslag, het opzetten van een capaciteitsmarkt, het inzetten op decentralisering en verzwaring van het elektriciteitsnet en het behouden van prijsprikkels. Keuzes en maatregelen die het kabinet neemt op het vlak van een weerbaar ontwerp van het energiesysteem komen in dit deel van de brief aan bod. Zo wordt ingegaan op het verantwoord afbouwen van fossiele afhankelijkheden en het voorkomen van nieuwe afhankelijkheden (1.1) en worden diverse ontwerpkeuzes besproken die de weerbaarheid van het energiesysteem nu en in de toekomst versterken, waaronder redundantie en opslag (1.2 en 1.3). Tot slot worden nieuwe kennisontwikkeling en adviestrajecten behandeld die zullen worden meegenomen voor verdere beleidsvorming op dit thema (1.4). 1.1 Afbouwen van huidige en voorkomen van nieuwe afhankelijkheden Het kabinet maakt strategische keuzes op het gebied van energieonafhankelijkheid. Hoewel het niet mogelijk en wenselijk is om voor onze energievoorziening volledig onafhankelijk te zijn of worden, wordt ingezet op meer productie van energie van eigen en Europese bodem. De opbouw van hernieuwbare energieproductie gaat gepaard met het verantwoord afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele energiedragers. Een groter aandeel hernieuwbare energie maakt Nederland beter bestand tegen de (internationale) prijsvolatiliteit van fossiele energiedragers en verkleint de afhankelijkheid van een beperkt aantal landen dat fossiele energiedragers levert. Daarentegen kan de toename van het aandeel hernieuwbare energieproductie door weersafhankelijkheid ook resulteren in momenten met verminderde beschikbaarheid van elektriciteitsproductiecapaciteit en mogelijk prijsvolatiliteit. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme, dat onder 1.2 nader wordt toegelicht, kan dit effect verkleinen. De transitie gaat echter ook gepaard met het ontstaan van nieuwe fysieke en digitale afhankelijkheden. Om een breder en meer robuust portfolio van importketens te creëren, wordt nationaal en in Europees verband actief ingezet op de diversificatie van importstromen voor hernieuwbare energiedragers, kritieke grondstoffen, decentrale energieproductie en -opslagmiddelen en componenten voor energietechnologie. Hier zijn mogelijk meerkosten aan verbonden, maar diversificatie kan het effect van eventuele verstoringen van toeleveringsketens verkleinen en als gevolg kosten besparen. In het geval van verstoringen kan er namelijk door de markt een beroep worden gedaan op bestaande alternatieve toeleveringsketens. De inzet van het kabinet op diversificatie komt bijvoorbeeld terug in het importbeleid voor waterstof[voetnoot 6] en duurzame koolstofdragers, zoals beschreven in de Visie op opschaling aanbod duurzame koolstofdragers.[voetnoot 7] Ook wordt gewerkt aan het verminderen van de afhankelijkheid van kritieke grondstoffen en wordt momenteel verder verkend hoe leveringszekerheid en de grondstoffenvoetafdruk kunnen worden meegewogen in keuzes voor de inrichting van het energiesysteem en in de toepassing van circulaire principes binnen dit systeem. De leveringszekerheid van kritieke grondstoffen wordt concreet versterkt via de Nationale Grondstoffen Strategie[voetnoot 8], de Critical Raw Materials Act Verordening (EU) 2024/1252 (CRMA) en het Nationaal Plan Circulaire Economie[voetnoot 9]. Er worden onder andere stappen gezet voor de aanleg van strategische voorraden op Europees niveau en het toewerken naar de recyclingdoelstellingen uit de CRMA, in lijn met de aanbevelingen uit het rapport Autonoom en Veilig. De ‘kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden’ is gericht op de identificatie en mitigatie van risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).[voetnoot 10] In het kader van de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) worden analyses uitgevoerd op (mogelijke) RSA’s en worden handelingsopties voor de afbouw van geconstateerde RSA’s verkend. Zoals beschreven in de Kamerbrief Update voortgang Kabinetsinzet Economische Veiligheid[voetnoot 11] is de analyse van RSA's in het energiedomein afgerond en is deze als bijlage bij de genoemde Kamerbrief vertrouwelijk ter inzage aan de Kamer aangeboden. Het kabinet heeft daarnaast een vertrouwelijk onderzoek naar nationale veiligheid bij wind op zee laten uitvoeren. Windenergie op zee draagt bij aan de Nederlandse energieonafhankelijkheid en de weerbaarheid van nieuwe windparken op zee dient zorgvuldig te worden gewaarborgd.[voetnoot 12] 1.2 Leveringszekerheid, voorzieningszekerheid en redundantie Het energiesysteem in Nederland is robuust en redundant, met opslagen en meervoudige verbindingen met herstelvermogen voor (enkelvoudige) verstoring. Bovendien is er een Europees en nationaal regelgevend kader met verplichtingen voor de voorzienings- en leveringszekerheid van gas, olie en elektriciteit. Het begrip ‘voorzieningszekerheid’ beschrijft de mate waarin er voldoende aanbod is van bijvoorbeeld elektriciteit, olie en aardolieproducten en aardgas om aan de vraag van respectievelijk elektriciteit, olie en gas te voldoen. Het begrip leveringszekerheid verbreedt de scope en houdt ook rekening met thema’s als transportzekerheid en systeemveiligheid. In deze brief wordt ten aanzien van leveringszekerheid ingegaan op de civiele context. Deze brief gaat niet in op militaire leveringszekerheid, waarvoor afzonderlijke kaders gelden. Het kabinet zet maximaal in op de verduurzaming van de robuuste en redundante energievoorziening binnen de kaders van de gewenste voorzienings- en leveringszekerheid. Desondanks zullen gas en olie voorlopig nog deel uitmaken van het energiesysteem. Om de voorzienings- en leveringszekerheid van aardgas te bewaken dienen publieke en private partners zich blijvend in te zetten voor een goed functionerende gasmarkt, een divers aanbod van productie en import en voor voldoende gasopslag in alle functies (seizoensopslag, capaciteit voor balans van het elektriciteitsnet, piekcapaciteit en noodvoorraad/strategische opslag). In de visie op de rol van de overheid in de gasmarkt[voetnoot 13] beschrijft het kabinet later dit najaar hoe deze inzet geborgd wordt. Om de voorzieningszekerheid van aardolie tot een redelijk niveau te waarborgen, worden voorraden aardolie aangehouden. Daartoe is het kabinet actief op de niet-gereguleerde aardoliemarkt. Deze voorraden worden indien noodzakelijk ingezet. Zo heeft het kabinet in maart 2026, onder coördinatie van het IEA, besloten om een deel van de strategische olievoorraden op de markt te zetten om de sterk gestegen olieprijs te dempen.[voetnoot 14] De transitie naar een gedecarboniseerd energiesysteem legt een grotere druk op het elektriciteitssysteem. Het kabinet adresseert de knelpunten die onderdeel zijn van de elektrificatie van het energiesysteem, zoals een tekort aan transportcapaciteit en het risico op onvoldoende aanbod van elektriciteit. Een aantal van deze knelpunten en bijbehorende acties wordt hieronder toegelicht. Redundantie Het hoogspanningsnet voor elektriciteit is redundant vormgegeven, wat inhoudt dat transmissiesystemen zodanig zijn aangelegd dat de elektriciteit ieder belangrijk onderdeel altijd kan bereiken via minimaal één route of een route die bestaat uit meerdere kabels (circuits). Dat wordt ook wel de enkelvoudige storingsreserve of de n-1 redundantie genoemd. Hiermee wordt gewaarborgd dat de stroomvoorziening via een alternatieve route of kabel kan worden gehandhaafd wanneer één route of kabel door een storing uitvalt of wordt uitgeschakeld voor onderhoud. Capaciteitsmechanismen Zoals omschreven in de Kamerbrief Voorzieningszekerheid van elektriciteit[voetnoot 15] geeft het kabinet de aankomende tijd een markt-breed capaciteitsmechanisme vorm. Hiermee worden via jaarlijkse veilingen beschikbaarheidsvergoedingen aangeboden aan elektriciteitsaanbieders, zodat ook op de momenten dat de wind niet waait en de zon niet schijnt de voorzieningszekerheid gewaarborgd wordt. Het kabinet zet erop in om in 2028 de eerste capaciteitsveilingen onder het capaciteitsmechanisme te organiseren met beoogde inwerkingtreding in de jaren 2029-2030. Opslag In het rapport Autonoom en Veilig wordt beschreven dat energieopslag een goede manier is om de weerbaarheid van Nederland te vergroten, doordat dit flexibiliteit kan bieden aan het energiesysteem door duurzaam opgewekte energie op te slaan voor later gebruik. Elektriciteitsopslag heeft de potentie om het net te ontlasten en netcongestie te verlichten. Er zijn verschillende regelingen beschikbaar waarmee het kabinet energieopslag stimuleert, waaronder de Energie-investeringsaftrek. Het kabinet ziet verschillende aanknopingspunten om de volle potentie van uitrol van energieopslag in het energiesysteem te kunnen exploiteren. Het kabinet werkt bijvoorbeeld samen met de sector en de netbeheerders aan de Integrale Beleidsagenda Energieopslag om de optimale benutting en rol van energieopslag in het toekomstig energiesysteem in kaart te brengen en toe te passen. Dit zorgt voor belangrijk inzicht in de voortgang van de uitrol en biedt handvatten om waar nodig te versnellen. In deze Beleidsagenda wordt onder andere gekeken naar verbeteringen in de processen rondom de ruimtelijke inpassing, inpassing in het energiesysteem en de businesscase van opslag. De Kamer wordt in September 2026 geïnformeerd over deze Beleidsagenda. 1.3 Ontwerpkeuzes en ontwikkelingen Netcongestie Het kabinet onderschrijft de stelling uit het rapport Autonoom en Veilig dat de aanpak van netcongestie een speerpunt is in de transitie naar een autonome en duurzame energievoorziening, evenals de constatering dat schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit ook in het energiesysteem van de toekomst aan de orde zal zijn en dus verdelingsvraagstukken met zich meebrengt. Het kabinet zet in op het versnellen van besluitvorming over en implementatie van oplossingen waarvoor het rapport aandacht vraagt. Zo wordt ingezet op zowel snellere vergunningverlening en sneller bouwen als op betere benutting van het elektriciteitsnet. Deze aspecten worden geadresseerd in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN), een samenwerkingsverband van Rijk, netbeheerders, medeoverheden en marktpartijen.[voetnoot 16] Ten aanzien van sneller bouwen werkt het kabinet aan wettelijke maatregelen om de doorlooptijd van elektriciteitsprojecten te verkorten. Binnen het LAN wordt daarmee de komende jaren hard gewerkt aan het aanpakken van de netcongestieproblematiek. Hoewel dit een proces van meerdere jaren betreft, worden de resultaten ieder jaar zichtbaarder. In het kader van netcongestie wordt ook gekeken naar hoe de storingsreserve, zoals beschreven onder 1.2, kan worden ingezet voor regulier transport van elektriciteit. Met deze storingsreserve wordt transportcapaciteit achter de hand gehouden. Om de elektrificatie van Nederland te bevorderen en wachtrijen voor (extra) transportcapaciteit te verkorten, wordt de invulling van n-1 norm wordt herbezien.10 Daarbij wordt gestreefd naar het verantwoord nemen van meer risico.11 Decentrale ontwikkelingen Het kabinet zet in op verdere decentralisatie van het energiesysteem en onderzoekt of en onder welke voorwaarden collectieve systemen bij verstoring in het energiesysteem autonoom zouden kunnen doorwerken door in zogenaamde ‘eilandmodus’ te opereren. Decentrale ontwikkelingen en bijbehorende digitalisering en locatie-onafhankelijke aansturing kunnen ook risico's vormen voor de weerbaarheid. Deze worden verder besproken onder 2.2. Energy Innovation NL zet een onderzoek uit naar de voorwaarden, maatregelen en keuzes waarmee de weerbaarheid van het energiesysteem kan worden vergroot door in te zetten op decentrale ontwikkelingen. De resultaten worden eind 2027 verwacht. Weerbaarheid meewegen in ruimtelijke keuzes Ook in het vormgeven van ruimtelijk beleid en van het fysieke ontwerp wordt het aspect weerbaarheid meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem zijn keuzes te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. Die keuzes hebben effecten op ruimte en milieu, kosten, uitvoerbaarheid, energiesysteemefficiëntie en weerbaarheid. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld. Infrastructuur secure-by-design ontwerpen Maatregelen ten behoeve van weerbaarheid zijn effectief en het meest kostenefficiënt wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. Daarom loont het om weerbaarheid als criterium mee te nemen in het bredere afwegingskader voor nieuw te bouwen infrastructuur. Dit gebeurt nu al binnen de vergunningsverleningsinstrumenten van windenergie op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht, waarbij veiligheidsmaatregelen zijn genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen.[voetnoot 17] Prijsschokken en -prikkels In het rapport Autonoom en Veilig wordt genoemd dat de maatschappelijke en economische weerbaarheid vergroot kan worden door het toepassen van de juiste prijsprikkels. Daarbij dient aandacht te zijn voor het behouden van prikkels voor het aanmoedigen van energiebesparing bij stijgende prijzen. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan en heeft een maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok[voetnoot 18] vastgesteld om burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties gericht te ondersteunen ten tijde van prijsschokken. Het gaat om 627 miljoen euro voor uitgavenmaatregelen en om 300 miljoen euro ter vermindering van lasten in 2026. Deze maatregelen zijn nu relevant vanwege de huidige situatie in het Midden-Oosten. Het kabinet onderneemt met het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok concrete acties op drie thema’s. Zo wordt gewerkt aan een versnellingsoffensief om verduurzaming te versterken en wordt de onafhankelijkheid van olie en gas uit het buitenland vergroot. Ook worden kwetsbare burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties gericht gesteund, bijvoorbeeld middels hulp bij energiebesparing en inzet op elektrificatie van het wagenpark met de inruilregeling brandstofauto’s voor lagere (midden)inkomens. 1.4 Kennisontwikkeling en advies Om bij keuzes voor het nieuwe energiesysteem weerbaarheid nog beter mee te nemen, heeft het kabinet de Raad voor Energie verzocht om weerbaarheid centraal te stellen in het eerste advies aan het kabinet en daarbij over de volle breedte te kijken naar (toekomstige) risico’s voor de weerbaarheid van het energiesysteem op de (middel)lange termijn. Het kabinet heeft gevraagd om een advies over de typen maatregelen en systeemkeuzes die kunnen worden overwogen om de weerbaarheid van het toekomstige energiesysteem te vergroten en heeft de Raad daarnaast verzocht te adviseren over een afwegingskader dat kan worden benut om maatschappelijke kosten en baten van deze potentiële weerbaarheidsversterkende maatregelen te wegen. Het advies wordt verwacht in het voorjaar van 2027 en het kabinet is voornemens om voor de zomer van 2027 op het advies te reageren. Het advies zal vervolgens worden meegenomen in de verdere beleidsvorming voor het energiesysteem, waaronder de ontwikkeling van het volgende Nationaal Plan Energiesysteem in 2029. Hiervoor zal dit kabinet nadere keuzes overwegen die de grip op de weerbaarheid van ons toekomstige energiesysteem kunnen verstevigen. Diverse aanbevelingen uit het rapport Autonoom en Veilig bieden hiervoor bruikbare aanknopingspunten. Daarnaast heeft het kabinet aan TNO gevraagd om te onderzoeken hoe weerbaarheid beter kan worden geïntegreerd als ontwerpcriterium in de energiesysteemmodellen die worden gebruikt voor het vormgeven van toekomstscenario’s voor het energiesysteem. Door beter inzicht te krijgen in de mate van weerbaarheid van verschillende scenario’s, kan dit worden meegewogen in bijvoorbeeld het Nationaal Plan Energiesysteem. Tot slot wordt er gewerkt aan een voorstel vanuit het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA, onderdeel van NWO). Dit NWO-NWA traject zich richt op fundamentele onderzoeksvragen met betrekking tot de weerbaarheid van het toekomstige energiesysteem. De focus ligt daarmee nadrukkelijk op de lange termijn (richting 2050). 2. Fysieke, digitale en economische weerbaarheid en veiligheid Het energiesysteem dient fysiek, digitaal en economisch weerbaar te zijn. Fysieke weerbaarheid zorgt ervoor dat onder meer onze centrales, buisleidingen en elektriciteitsstations robuust zijn tegen bijvoorbeeld sabotage en natuurrampen. Digitale weerbaarheid zorgt voor het minimaliseren van digitale risico’s voor netwerk- en informatiesystemen van energiebedrijven, zoals energiebeheersystemen en Operationele Technologie (OT)-systemen, tegen cyberaanvallen of digitale spionage. Economische veiligheid draait onder meer om het voorkomen en afbouwen van ongewenste zeggenschap van statelijke actoren en risicovolle strategische afhankelijkheden in het energiesysteem. In dit deel van de brief wordt beschreven welke maatregelen het kabinet neemt om de fysieke (2.1), digitale (2.2) en economische (2.3) weerbaarheid en veiligheid te versterken. Het rapport Autonoom en Veilig vraagt aandacht voor hoge standaarden voor fysieke, digitale en economische weerbaarheid in het energiesysteem. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan. Zo wordt bedrijven verplicht kwetsbaarheden in kaart te brengen en passende en evenredige maatregelen te nemen om deze kwetsbaarheden te verkleinen. Ook noemt het rapport het belang van de ontwikkeling van Nederlandse of Europese software en servers. Het kabinet heeft beleid in lijn met deze aanbeveling, waaronder de mogelijkheden voor systeembeheerders om uitsluitend producten en diensten in Europa aan te kopen wanneer de nationale veiligheid aantoonbaar in het geding is. 2.1 Fysieke weerbaarheid Wet weerbaarheid kritieke entiteiten Met de invoering van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) op 15 augustus jl. is de omzetting van de Europese Critical Entities Resilience Richtlijn (EU) 2022/2557 in Nederland afgerond. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) is, namens de minister van Justitie en Veiligheid, verantwoordelijk voor de stelselcoördinatie van de Wwke. Het doel van de Wwke is om kritieke infrastructuur en essentiële diensten beter te beschermen tegen risico's die de continuïteit daarvan kunnen verstoren. De minister van Klimaat en Groene Groei is de bevoegde autoriteit voor de energiesector en is daarmee verantwoordelijk voor de aanwijzing van kritieke entiteiten binnen de energiesector, het uitvoeren en periodiek actualiseren van een sectorale risicobeoordeling, het bieden van ondersteuning hierbij en het aanwijzen van de toezichthoudende instantie. Kritieke energiebedrijven hebben, na aanwijzing als kritieke entiteit, de plicht om incidenten te melden en een zorgplicht om incidenten te voorkomen, de gevolgen te beperken en zo snel mogelijk te herstellen. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de naleving van de Wwke binnen de energiesector. Maatschappelijke weerbaarheid tegen militaire en hybride dreiging Sinds 2024 bestaat het Rijksbrede programma maatschappelijke weerbaarheid tegen militaire en hybride dreiging, waar een weerbare energievoorziening onderdeel van is.[voetnoot 19] Binnen dit Rijksbrede programma is aandacht voor wat er aanvullend nodig is voor een weerbaar Nederland in het licht van militaire en hybride dreigingen. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft daarom met kritieke energiebedrijven in de elektriciteits-, aardgas- en oliesector verschillende dreigingsscenario’s besproken, mogelijke risico’s in kaart gebracht en mogelijke aanvullende maatregelen geïdentificeerd. Binnen het programma wordt nauw samengewerkt met landen als Finland, Zweden, Polen, Oekraïne en de Baltische staten, waarbij geleerde lessen worden uitgewisseld vanuit de respectievelijke weerbaarheidsaanpakken, waar de energievoorziening onlosmakelijk mee is verbonden. Aanvullend op deze ontwikkelingen verwelkomt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het sectorpact van Energie Nederland, Netbeheer Nederland, het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) en Energy Innovation NL, waarmee zij hun gezamenlijke inzet voor een weerbare energievoorziening intensiveren door bijvoorbeeld gezamenlijke oefeningen te verkennen.[voetnoot 20] Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat geeft prioriteit aan de (fysieke) bescherming van kritieke objecten. Onder coördinatie van de NCTV wordt kritieke infrastructuur van kritieke sectoren in beeld gebracht ten behoeve van de gereedstelling van politie en Defensie. Ook neemt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat deel aan een publiek-private pilot, gecoördineerd door de NCTV, ten aanzien van de oprichting van een platform voor sector-overstijgende informatie-uitwisseling. Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur Het waarborgen van de weerbaarheid van het energiesysteem vereist een coherente aanpak op de Noordzee ter bescherming van cruciale Nederlandse infrastructuur. De veiligheid van windparken op zee, datakabels en gasinfrastructuur is immers rechtstreeks verbonden met de leveringszekerheid van energie en nationale veiligheid. Via het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) geeft het kabinet vorm aan deze opgave door de gezamenlijke inzet van de ministeries van Defensie, Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid én van sectorpartijen. Het programma heeft als doel om maritime security te verhogen, onder andere door de bescherming van kritieke Noordzee-infrastructuur op zee. In 2024 is daarom het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur opgesteld door het PBNI waarin beschreven staat hoe PBNI werkt aan de bescherming van de Noordzee-infrastructuur langs vijf actielijnen: duidelijke governance, verbeteren detectie en duiding van (potentiële) dreigingen op de Noordzee, verhogen van de weerbaarheid van de offshore energie- en data-infrastructuur, adequate crisisbeheersing en (internationale) samenwerking waaronder met sectorpartijen. De uitvoering van dit actieplan is de Tweede Kamer in december 2025 geïnformeerd.[voetnoot 21] De samenwerking met Noordzeelanden en de Baltische staten wordt nadrukkelijk versterkt via initiatieven als de Joint Declaration on Cooperation en het Greater North Sea Basin Initiative, waarin o.a. het delen van best practices, een verbeterde informatie-uitwisseling en kennisopbouw op het gebied van de bescherming van (energie-)infrastructuur centraal staan. Ook in breder Europees verband wordt ingezet op het versterken van de weerbaarheid van de energie-infrastructuur. Zo hebben Europese regeringsleiders tijdens de North Sea Summit in Hamburg (Januari 2026) afgesproken de samenwerking tussen de Noordzeelanden verder te versterken, met bijzondere aandacht voor de bescherming en weerbaarheid van maritieme energie-infrastructuur tegen onder meer fysieke sabotage, cyberaanvallen en hybride dreigingen. 2.2. Digitale weerbaarheid Cyberbeveiligingswet en Netcode voor Cybersecurity Sinds 15 augustus jl. is de Cyberbeveiligingswet (Cbw) van kracht waarmee het bestaande wettelijke cybersecurity kader wordt versterkt. Met de Cbw wordt de Europese Network and Information Security Richtlijn 2 (NIS2-richtlijn) (EU) 2022/2555 geïmplementeerd en wordt de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni), die sinds 2018 van kracht was, vervangen. Met de Cbw komen er strengere eisen en worden het aantal kritieke sectoren en essentiële en belangrijke entiteiten uitgebreid, ook in de energiesector. Energiebedrijven die onder de Cbw vallen dienen zich te registreren in het centrale registratieportaal belegd bij het NCSC en hebben bij significante incidenten een meldplicht bij dit portaal. Ook hebben ze een zorgplicht, wat inhoudt dat de entiteiten passende en evenredige technische-, beveiligings- en organisatorische maatregelen moeten treffen ten aanzien van hun netwerk- en informatiesystemen. De NCTV is, namens de minister van Justitie en Veiligheid, ook verantwoordelijk voor de stelselcoördinatie van de Cbw. De minister van Klimaat en Groene Groei is in de Cbw de bevoegde autoriteit voor de energiesector en daarmee verantwoordelijk voor het beleggen van toezicht, het inregelen van bijstand, het vaststellen van wanneer een incident gemeld moet worden en het eventueel aanvullend aanwijzen van entiteiten binnen de energiesector. Het NCSC is aangewezen als sectoraal Computer Security Incident Response Team (CSIRT) voor de energiesector. Hiermee verleent het NCSC onder meer bijstand aan energiebedrijven bij cyberincidenten en deelt het kennis en informatie, waaronder het alerteren bij digitale kwetsbaarheden. De RDI houdt toezicht op de naleving van de Cbw binnen de energiesector. De NCCS Verordening (EU) 2024/1366 vormt het sectorspecifiek kader ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd en de NCCS wordt volledig van kracht per 2028. De NCCS bouwt voort op de principes van de NIS2-richtlijn, introduceert daarbij verdere specifieke verplichtingen voor deze kritieke infrastructuur en dient daarmee als een verdere versterking van de digitale weerbaarheid op Europees niveau. Digitale infrastructuur en decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem Het kabinet zet in op het bevorderen van het gebruik van decentrale energievoorzieningen binnen het energiesysteem. Via onder andere thuisbatterijen, home energy management systemen (HEMS), de nieuwe generatie slimme meters (DSMR 6), laadinfrastructuur, zon-pv systemen en lokale windmolenparken wordt Nederland decentraal voorzien in de energiebehoefte. Decentralisatie van het energiesysteem gaat gepaard met een verregaande digitalisering van het energiesysteem en daarmee samenhangende locatie-onafhankelijke aansturing. De regulering van de snelgroeiende groep software- en hardware-aanbieders die via bijvoorbeeld een HEMS of thuisbatterij op afstand controle uitoefenen op de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van energie, is in ontwikkeling. Voor mogelijke cyberrisico’s van digitale decentrale energievoorzieningen die zowel worden gebruikt door consumenten als bedrijven bestaat regulering zoals de richtlijn voor Radioapparatuur 2014/53/EU (RED) en de Cyber Resilience Act Verordening (EU) 2024/2847 (CRA). Hierin zijn cybersecurityeisen voor fabrikanten en producten opgenomen. Vanaf augustus 2025 is artikel 3, lid 3 van de richtlijn voor Radioapparatuur van kracht met eisen voor alle draadloos verbonden apparaten. Vanaf december 2027 zal de CRA van kracht zijn met eisen voor alle producten met digitale elementen (hardware- en softwareproducten). Voor beide soorten wetgeving is de RDI de toezichthouder. Zoals toegelicht in de vorige paragraaf over de Wwke en Cbw, zijn kritieke energiebedrijven, zoals elektriciteitsproducenten, verplicht verantwoordelijkheid te nemen voor allerlei typen risico’s en zich daartegen te beschermen. Op dit moment verkent het kabinet of er aanvullende juridische en beleidsmatige maatregelen nodig zijn om de risico’s die gepaard gaan met deze decentrale ontwikkelingen verder te mitigeren en de (cyber)security voor het (toekomstige) energiesysteem te verbeteren. 2.3 Economische Veiligheid Investeringstoetsing Op grond van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) en de Energiewet kunnen verwervingsactiviteiten ten aanzien van o.a. kritieke infrastructuur worden getoetst op risico’s voor de nationale veiligheid, waaronder de continuïteit van vitale processen zoals de energievoorziening. Als wordt beoordeeld dat een verwervingsactiviteit leidt tot dergelijke risico’s, kunnen eisen of voorschriften aan de activiteit worden verbonden om die risico’s te voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Als wordt geoordeeld dat een verwervingsactiviteit leidt tot een risico dat niet in voldoende mate beperkt kan worden door eisen of voorschriften, wordt deze activiteit verboden door de minister van Economische Zaken en Klimaat, in overeenstemming met de minister van Justitie en Veiligheid, en de verantwoordelijk betrokken minister(s), zoals in voorkomend geval de minister van Klimaat en Groene Groei. Veilig aanbesteden energiesector Zodra een aanbestedende dienst opdrachten voor producten of diensten in de markt zet, is het, zeker in de energiesector, belangrijk om vanaf de voorbereidingsfase (nationale) veiligheidsrisico’s te signaleren en te bepalen of er maatregelen nodig zijn. Dit kan met mogelijkheden zoals de Toolbox veilig inkopen en de Quick Scan nationale veiligheid.[voetnoot 22] Deze middelen helpen bij het bepalen of er een gevaar is voor de nationale veiligheid bij een aanbesteding en of er bijvoorbeeld toegang is tot informatie die de Nederlandse belangen schaadt. De aanbestedende dienst is verantwoordelijk voor het beoordelen of bij een opdracht mogelijk sprake is van een nationaal veiligheidsbelang en welke wet van toepassing is: de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012), de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) of in een uiterst geval een uitzondering op basis van Artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Systeembeheerders voor distributie en transport van elektriciteit en gas zijn aanbesteding plichtig. Deze beheerders hebben sinds de zomer van 2026 uitgebreide mogelijkheden voor het gebruik van de ADV om nationale veiligheid mee te wegen in inkoopprocessen. Deze mogelijkheden zijn gecreëerd op basis van grondslagen in de Energiewet (artikel 3.18) die voorschriften leveren voor het vaststellen van vertrouwelijke soorten gegevens binnen kritieke processen van systeembeheerders voor gas en elektriciteit. Deze voorschriften verbeteren de beheersing van risico's voor de nationale veiligheid doordat onderdelen van kritieke processen na het uitvoeren van een risicoanalyse geheim kunnen worden verklaard, waarna de toepassing van de ADV bij aanbestedingen van deze onderdelen verplicht is. Als dat in het belang van de nationale veiligheid onmiskenbaar noodzakelijk is, kunnen systeembeheerders daardoor onder andere (1) leveranciers uit niet-EU-lidstaten uitsluiten, (2) eisen stellen aan de betrouwbaarheid van leveranciers, (3) niet-openbaar aanbesteden en (4) eisen stellen aan de gegevensbeveiliging van leveranciers. 3. Crisisvoorbereiding en -respons Energy Innovation NL benadrukt in het rapport met verschillende aanbevelingen de noodzaak om voorbereid te zijn op crises in het geval van storing, schaarste of conflict. Daarbij wordt onder andere het belang benadrukt om afschakelplannen te ontwikkelen, noodwetgeving te actualiseren en reparatiecapaciteit op orde te hebben. Voor energie zijn crisismechanismen beschikbaar die zijn gericht op maatregelen bij een verstoring van de beschikbaarheid van gas, olie of elektriciteit, ongeacht de oorzaak ervan. Daarnaast is Nederland voorbereid op energiecrises door sectorale en (inter)nationale crisisoefeningen, implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen, noodvoorraden en de verplichtstelling van gedegen crisisplannen voor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de systeembeheerders van gas en elektriciteit. Deze crisisplannen, wetgeving, maatregelen, samenwerkingen en oefeningen worden periodiek herijkt en herhaald. Daarmee beschikt Nederland over een solide basis en is het goed voorbereid op energiecrises. Deze basis is versterkt doordat burgers en bedrijven werken aan de eigen weerbaarheid door maatregelen toe te passen om 72 uur zelfredzaam[voetnoot 23] te zijn, ook in het geval van energie-uitval. Aanvullend versnellen medeoverheden, netbeheerders en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat vanwege de problematiek rondom netcongestie de verkenning naar inzet van communicatiemogelijkheden en noodmaatregelen voor burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor acute situaties waarin storingen dreigen. Daarnaast werkt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, onder coördinatie van de NCTV, samen met de vakdepartementen aan een afwegingskader voor de verdeling van schaarste, ondersteunend aan crisisbesluitvorming in het kader van nationale veiligheid, en heeft daarbij ook oog voor crisispreparatie bij dreigende schaarste. Het energiesysteem is tot slot in sterke mate internationaal verweven, wat vraagt om nauwe samenwerking bij het beheersen van gedeelde en grensoverschrijdende risico’s. Nederland werkt onder andere binnen de EU samen met andere landen om deze risico's te mitigeren. Onderstaand wordt toegelicht hoe de Nederlandse crisisplannen zich verhouden tot de relevante Europese verordeningen. De getroffen en voorgenomen maatregelen en plannen gericht op gas (3.1), elektriciteit (3.2), olie (3.3) en crisisoefeningen (3.4) worden hieronder verder toegelicht. 3.1 Bescherm- en Herstelplan Gas en Nationaal Crisisplan Gas Op Europees niveau zijn in de Verordening gasleveringszekerheid (EU) 2017/1938 afspraken vastgelegd over het handelen van lidstaten tijdens een (dreigende) gascrisis. Het kabinet heeft deze verplichtingen verankerd in het Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G).[voetnoot 24] Dit noodplan dient als kader om eventuele gastekorten effectief op te vangen. Aanvullend op het BH-G is in 2022 het Nationaal Crisisplan Gas (NCP-G)[voetnoot 25] opgesteld. Dit plan fungeert als landelijke leidraad en richt zich specifiek op het beheersen van de bredere maatschappelijke gevolgen van een langdurige uitval of vermindering van de gaslevering. Het bestaande NCP-G wordt momenteel versterkt door te werken aan de ontwikkeling van een nationale naar een landelijk dekkende aanpak in de vorm van een Landelijk Crisisplan Gas (LCP-G). In dit LCP-G worden nationaal en regionaal crisismanagement beter op elkaar afgestemd en de cascade-effecten van een mogelijke uitval van gas uitgebreider in kaart gebracht. Het BH-G en NCP-G bieden een solide basis voor een effectieve respons op crisissituaties. 3.2 Systeembescherming- en herstelplan elektriciteit, Nationaal Crisisplan Elektriciteit en Risicoparaatheidsplan De Netcode voor de noodtoestand en het herstel van het elektriciteitsnet uit Verordening (EU) 2017/2196 schrijft voor dat TenneT een systeembeschermings- en herstelplan[voetnoot 26] opstelt en uitvoert. Het plan is bedoeld om te voorkomen dat lokale problemen uitgroeien tot landelijke uitval, en om het systeem zo snel en veilig mogelijk weer op te bouwen als dat toch gebeurt. Het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E)[voetnoot 27] beschrijft wat de overheid en betrokken crisisorganisaties doen om de maatschappelijke impact bij een ernstige verstoring in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening zoveel mogelijk te beperken. Het bestaande NCP-E wordt momenteel geactualiseerd naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit (LCP-E). In dit LCP-E worden nationaal en regionaal crisismanagement beter op elkaar afgestemd en de cascade-effecten van een mogelijke uitval van elektriciteit uitgebreider in kaart gebracht. Daarnaast heeft Nederland op basis van Verordening (EU) 2019/941, net als iedere EU-lidstaat, een Risicoparaatheidsplan.[voetnoot 28] Dit plan bestaat uit een omschrijving en selectie van (inter)nationale crisisscenario’s. Het omvat tevens regionale, nationale en eventuele bilaterale maatregelen om elektriciteitscrises te voorkomen, voorbereidingen te treffen om deze tegen te gaan, en om de impact te beperken wanneer deze toch optreden. Binnen het Pentalateraal Energieforum[voetnoot 29] wordt daarnaast gewerkt aan thema's als marktkoppeling, risicoparaatheid en leveringszekerheid in de elektriciteitssector. De Algemene Rekenkamer heeft, mede op basis van bovengenoemde plannen, recent geconstateerd dat de minister van Klimaat en Groene Groei en TenneT goed zijn voorbereid op mogelijke storingen op het hoogspanningsnet.[voetnoot 30] 3.3 Landelijk Crisisplan Olie Mede naar aanleiding van de Russische inval in Oekraïne is in 2023 het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O) versneld tot stand gekomen. Met dit plan is Nederland goed voorbereid op een (dreigende) crisis als gevolg van een tekort aan ruwe olie of olieproducten, inclusief de eventuele cascade-effecten daarvan. Het LCP-O fungeert als een kaderstellend, sturend en overkoepelend fundament voor de operationele plannen en draaiboeken van alle betrokken actoren. Daarnaast geeft het op hoofdlijnen inzicht in de bestaande afspraken op internationaal, Europees, nationaal en regionaal niveau. Hieronder vallen ook de Europese verplichtingen waaraan Nederland is gebonden omtrent het in stand houden van minimumvoorraden ruwe aardolie en aardolieproducten, op basis van Richtlijn 2009/119/EG. 3.4 Crisisoefeningen Sectorale en internationale crisisoefeningen Om goed voorbereid te zijn op potentiële crises is het noodzakelijk om te oefenen. Om de kennis en ervaring van alle betrokken werknemers en organisaties op peil te houden, is de minister van Klimaat en Groene Groei verantwoordelijk voor het opleiden van personeel, het houden van trainingen en het organiseren van oefeningen binnen de energiesector. Het Departementaal Crisiscentrum (DCC) van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat stelt het interdepartementale Opleidings-, Trainings- en Oefeningsplan (OTO) op. Het OTO-plan heeft een brede reikwijdte en ziet op alle beleidsterreinen die met crisisbeheersing te maken kunnen krijgen. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat oefent zowel op nationaal en internationaal niveau als departementaal en interdepartementaal. Zo wordt er bijvoorbeeld geoefend[voetnoot 31] om gezamenlijk instrumenten voor risicovoorbereiding binnen het Pentalateraal Energieforum te testen, en oefent[voetnoot 32] de Rijksoverheid met private partners voor de crisisvoorbereiding van digitale verstoringen onder de coördinatie van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Bovendien is iedere systeembeheerder voor gas en elektriciteit verplicht een calamiteitenplan op te leveren. Hierin dienen de visie, uitgangspunten en strategie met betrekking tot crisismanagement, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van crisismanagers en de crisisorganisatie beschreven te worden, zowel op bestuurlijk als technisch operationeel niveau. De plannen van verschillende systeembeheerders moeten op elkaar zijn afgestemd. Conclusie – een gezamenlijke opgave De weerbaarheid van ons energiesysteem is cruciaal; de huidige geopolitieke realiteit onderstreept dit belang. Het kabinet onderschrijft dan ook de urgentie van het rapport Autonoom en Veilig, neemt de meeste aanbevelingen ter harte en neemt concrete maatregelen op het gebied van het ontwerp van het energiesysteem, fysieke, digitale en economische weerbaarheid en crisisvoorbereiding. Omdat het energiesysteem in transitie is, is het belangrijk dat telkens opnieuw bezien wordt of en waar verdere maatregelen nodig zijn. Om die taak zo goed mogelijk uit te blijven voeren, wordt samengewerkt met een grote groep stakeholders, bestaande uit onder andere de netbeheerders, lokale overheden, kennisinstellingen, burgers en bedrijven. Dit gebeurt niet alleen nationaal, maar ook op internationaal niveau zoals in de EU en IEA. Tot slot onderschrijft dit kabinet niet alleen het belang van een weerbaar energiesysteem, maar erkent het ook dat een integrale aanpak op het gebied van klimaatweerbaarheid van groot belang is. Dit jaar worden er meerdere stukken naar de Kamer verstuurd die betrekking hebben op integrale veiligheidsanalyses of strategische beleidslijnen op dit thema. Zo is er de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid om Nederland 'klimaatparaat’ te maken: een strategie die niet alleen reageert op de gevolgen van klimaatverandering, maar zich ook actief voorbereidt op de toekomstige veiligheidsrisico’s. Deze Defensiestrategie is een reactie op de motie Klos (36800-XXIII, nr. 22). Dit jaar presenteert het kabinet aansluitend de Nationale Klimaatadaptatie Strategie 2026 (IenW) en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2026 (JenV), die mede ingaan op de gevolgen van klimaatverandering in Nederland en hoe hiermee om te gaan. We zien dat versterkte samenwerking en informatie-uitwisseling om de klimaatweerbaarheid van Nederland te vergroten positief kan bijdragen. We verkennen daarom de komende tijd of de verschillende beleidslijnen verder samengebracht dienen te worden en hoe we het brede publiek daarover kunnen informeren. In de loop van 2027 zal het kabinet, mede op basis van het advies van de Raad voor Energie, vervolgstappen formuleren om de weerbaarheid van het toekomstige energiesysteem (termijn tot 2050) verder te borgen en de Kamer hierover informeren. De minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer Kamerstuk 2026Z06125. Actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem 2026. Het kabinet heeft de Raad voor Energie gevraagd een advies uit te brengen over de typen maatregelen en systeemkeuzes om de weerbaarheid van het energiesysteem te vergroten. Dit verzoek wordt verder toegelicht onder 1.4. Kamerstuk 2026Z04361. Bijvoorbeeld Kamerstuk, 2025-2026, 29023, nr. 596. Kamerstuk 29023, nr. 431 en Kamerstuk 29023, nr. 512. Kamerstuk 32813, nr. 1535 als onderdeel van het pakket dat gelijktijdig met deze brief met de Tweede Kamer is gedeeld. Kamerstuk 32852, nr. 395. Kamerstuk 32852, nr. 225. Kamerstuk 30821 nr. 332. Kamerstuk 30821, nr. 332. Kamerstuk 33561, nr. 103. Kamerbrief strategisch gasbeleid, verwacht in najaar 2026. Kamerstuk 36933, nr. 1. Kamerstuk 29023, nr. 705. Kamerstuk 29023, nr. 660. Kamerstuk 33561, nr. 103. Kamerstuk 36933, nr.1. Kamerstuk 30821, nr. 326. Sectorpact Weerbaar Energiesysteem – te vinden op de websites netbeheerdernederland.nl en energienederland.nl. Kamerstuk 33450, nr. 136. Beide vindbaar op de website van PIANOo, https://www.pianoo.nl/. De ‘Denk Vooruit’ campagne. Alle huishoudens in Nederland hebben het informatieboekje: bereid je voor op een noodsituatie ontvangen. Zie ook https://www.denkvooruit.nl/. Bijlage bij Kamerstuk 36933, nr. 1. Bijlage bij Kamerstuk 36933, nr. 1. Het systeembeschermings- en herstelplan is vindbaar op de website van TenneT, https://www.tennet.eu/nl. Bijlage bij Kamerstuk 29 023, nr. 283. Kamerstuk 29023, nr. 301. Het Pentalateraal Energieforum is een regionaal samenwerkingsverband tussen België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zwitserland. Algemene Rekenkamer - Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 Klimaat en Groene Groei en Klimaatfonds. PENTEX (Pentalateral Energy Exchange) oefening. ISIDOOR IV (2023) was een grote Nederlandse cyberoefening met meer dan 3.000 deelnemers van ruim 120 organisaties. De datum van de volgende editie, ISIDOOR V, is nog niet precies bekend.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.