Verslag van een commissiedebat, gehouden op 24 september 2025, over Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie
Brontekst
Versie 663a04d1185a4926 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 544ArbeidsmarktbeleidNr. 1303 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 15 oktober 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op24 september 2025 overleg gevoerd met mevrouw Paul, Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid, over:−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 juli 2023 inzake start vereenvoudiging verlofstel-sel (Kamerstuk 32 855, nr. 38);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 31 augustus 2023 inzake opzet periodieke rapportageArbeid en Zorg (Kamerstuk 30 982, nr. 68);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 10 april 2024 inzake scenario’s vereenvoudigingverlofstelsel (Kamerstuk 32 855, nr. 39);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 5 november 2024 inzake arbeid en zorg: invoerings-toets betaald ouderschapsverlof, periodieke rapportage, endialoog SamenSpraak (Kamerstuk 26 447, nr. 60);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 november 2024 inzake onderzoek Cao-afsprakenover verduurzaming en groene arbeidsvoorwaarden (Kamer-stuk 29 544, nr. 1252);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 19 november 2024 inzake project onderhoud cao enavv-stelsel (Kamerstuk 29 544, nr. 1255);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 22 november 2024 inzake voortgang Wet basisverze-kering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en wetsvoorstel-len die de arbeidsmarkt hervormen (Kamerstuk 31 311,nr. 278);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 22 november 2024 inzake slim investeren in LevenLang Ontwikkelen (Kamerstuk 30 012, nr. 158);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 3 december 2024 inzake eindevaluatie NL leert door(Kamerstuk 30 012, nr. 159); kst-29544-1303ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13031 −de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 19 december 2024 inzake toezegging tijdelijkheidvan inlenen (Kamerstuk 29 544, nr. 1261);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 3 februari 2025 inzake reactie op verzoek commissieover uitsplitsing vraag 20 en 21 uit verslag houdende een lijstvan vragen en antwoorden (Kamerstuk 36 625 XV, nr. 3)(Kamerstuk 36 600 XV, nr. 92);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 10 februari 2025 inzake uitkomst SZW-pilot overgesprekken met bedrijven die arbeidswetten op het gebied vaneerlijk werk hebben overtreden (Kamerstuk 29 544, nr. 1269);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 10 februari 2025 inzake onderzoeksrapport vanDiversion over vertegenwoordiging werknemers horecasector(Kamerstuk 29 544, nr. 1268);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 20 februari 2025 inzake re-integratiedienstverleningvoor WW-gerechtigden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie(Kamerstuk 26 448, nr. 802);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 6 maart 2025 inzake appreciatie van de motie van deleden Maatoug en Patijn over het in kaart brengen vanuitvoerbare varianten van een arbeidsongeschiktheidsverzeke-ring voor zelfstandigen (Kamerstuk 29 544, nr. 1257) (Kamer-stuk 29 544, nr. 1271);−de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkge-legenheid d.d. 26 november 2020 inzake CBS-monitor loonver-schillen vrouwen en mannen 2018 (Kamerstuk 27 099, nr. 23);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 21 januari 2021 inzake verkennend onderzoekdiscriminatiemogelijkheden onlineplatforms (Kamerstuk35 673, nr. 6);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 17 juni 2021 inzake toezegging gedaan tijdens hetVAO Arbeidsmarktbeleid van 20 mei 2021, over openbaarma-king en veroordelingen met betrekking tot discriminatie(Kamerstuk 29 544, nr. 1062);−de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkge-legenheid d.d. 11 november 2021 inzake aanbevelingen vanuithet Committee on the Elimination of Racial Discrimination(rapport augustus 2021) (Kamerstuk 30 950, nr. 278);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 1 maart 2022 inzake behandeling wetsvoorstel Wettoezicht gelijke kansen bij werving en selectie, en onderzoekanoniem solliciteren (Kamerstuk 35 673, nr. 8);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 juli 2022 inzake Actieplan arbeidsmarktdiscrimi-natie (Kamerstuk 29 544, nr. 1119);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 1 november 2022 inzake tussentijdse rapportage aanCommittee on the Elimination of Racial Discrimination(augustus 2022) (Kamerstuk 30 950, nr. 321);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 november 2022 inzake gendergelijkheid op dearbeidsmarkt (Kamerstuk 29 544, nr. 1156);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 16 november 2022 inzake stand van zaken van hetprogramma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA)(Kamerstuk 29 544, nr. 1158);Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13032 −de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 7 september 2023 inzake voortgangsrapportageActieplan arbeidsmarktdiscriminatie 2022–2025 (Kamerstuk29 544, nr. 1217);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 7 december 2023 inzake CBS-monitor loonverschillenmannen en vrouwen 2022 (Kamerstuk 27 099, nr. 24);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 december 2023 inzake voortgangsbrief pro-gramma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (Kamerstuk 29 544,nr. 1226);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 26 februari 2024 inzake onderzoek Kansengelijkheidin Selectie en Assessment (Kamerstuk 35 673, nr. 28);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 8 maart 2024 inzake rapportage SamenSpraak fase 1(Kamerstuk 30 420, nr. 390);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 27 mei 2024 inzake ontwikkelagenda gelijke kansen(Kamerstuk 29 544, nr. 1243);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 4 juni 2024 inzake rapport Verkenning arbeidsmarkt-discriminatie van moslima’s (Kamerstuk 29 544, nr. 1244);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 maart 2025 inzake Offensief Gelijke kansen(Kamerstuk 29 544, nr. 1272);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 20 maart 2025 inzake rectificatie Offensief Gelijkekansen (Kamerstuk 29 544, nr. 1275);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 28 maart 2025 inzake rapport Verkenning wettelijkminimumjeugdloon (Kamerstuk 36 545, nr. 18);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 28 maart 2025 inzake combinatie arbeid en zorg(inclusief gezinsonderzoek) (Kamerstuk 25 883, nr. 524);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 31 maart 2025 inzake reactie op verzoek van het lidPatijn, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van11 maart 2025, over het bericht dat werknemers van Transaviamet vaste contracten zes weken per jaar een WW-uitkeringkrijgen (Kamerstuk 29 544, nr. 1276);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 25 april 2025 inzake reactie op de motie van het lidBoomsma over de mogelijkheden in kaart brengen om van5 mei een officiële nationale feestdag te maken (Kamerstuk36 600 XV, nr. 23) (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 110);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 7 mei 2025 inzake invoeringstoets Wet invoeringminimumuurloon en uitvoering van de motie van het lidVan Kent over onderzoeken welke begrippen toegevoegd,gewijzigd of verhelderd moeten worden voor helderheid,gelijke behandeling en betere handhaafbaarheid van het wml(Kamerstuk 35 335, nr. 19) (Kamerstuk 35 335, nr. 24);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 mei 2025 inzake onderzoeksresultaten aangaandenevenwerkzaamhedenbeding (Kamerstuk 35 962, nr. 14);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 23 juni 2025 inzake rapport «Cao-afspraken 2025» enhet anticiperen op wijziging van artikel 13a Wml bij algemeen-verbindendverklaring (Kamerstuk 29 544, nr. 1281);Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13033 −de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 3 juli 2025 inzake uitkomst van verkenning toegangtot de werkvloer (Kamerstuk 29 544, nr. 1285);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 4 juli 2025 inzake kabinetsreactie op rapportVerkenning wettelijk minimumjeugdloon (Kamerstuk 36 545,nr. 19);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 11 juli 2025 inzake kabinetsreactie op adviesStichting van de Arbeid over de reiskostenvergoeding (Kamer-stuk 36 602, nr. 164);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 8 juli 2025 inzake nader antwoord op een vraag vancommissie over jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid 2024 (Kamerstuk 36 740 XV, nr. 1) (Kamer-stuk 36 740 XV, nr. 11);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 15 september 2025 inzake voortgang vereenvoudi-ging verlofstelsel (Kamerstuk 32 855, nr. 41).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,Van der BurgDe griffier van de commissie,PostTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13034 Voorzitter: Van der BurgGriffier: Van den BroekAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bamenga, De Beer,Van der Burg, Ergin, Flach, Patijn, Saris, Thiadens en Vermeer,en mevrouw Paul, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Aanvang 13.00 uur.De voorzitter:Goed, het is 13.00 uur. Ik open hierbij de vergadering van de vastecommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het onderwerp voorvandaag is arbeidsmarktbeleid en arbeidsmarktdiscriminatie. Ik hebzojuist in mijn rol van voorzitter van de commissie dit kookboek inontvangst genomen namens de gehele Aziatische horeca. Ik zie ook datverschillende commissieleden die in ontvangst hebben genomen, maardeze heb ik dus formeel in mijn rol als lid van de commissie ontvangen.Dat wilde ik u even melden, omdat ik dat net buiten deze zaal heb gedaan.Dat gezegd hebbende gaan wij met elkaar zo het debat voeren. Er is net alaan de mensen op de publieke tribune uitgelegd wat wel en niet geoor-loofd is. Richting de commissieleden zeg ik even: u heeft zes minutenspreektijd per fractie en ik stel voor dat we vijf interrupties plegen. Danmoet het goed gaan.Ik moet formeel even toestemming aan de rest van de commissie vragen,want de heer Vermeer is geen lid van de commissie maar verzoekt tochhet woord te mogen voeren. Ik neem aan dat u daar geen bezwaar tegenheeft. Daar heeft u geen bezwaar tegen. Dan ga ik de heer Vermeer ookmeteen het woord geven, maar daarvoor heeft hij al meteen een punt.De heer Vermeer (BBB):Ik heb even een punt van orde, voorzitter. Ik wil ten eerste mijn collega’sbedanken dat ik toch deze bijdrage mag doen. Dat heeft ermee te makendat een van mijn fractiegenoten in de coronacommissie zit. Daarom ga ikhet woord voeren. Ik heb zo nog een andere afspraak en een plenairdebat. Helaas moet ik dus na mijn bijdrage het debat verlaten. Dat gaatten koste van de interrupties en van extra spreektijd van de rest. Dat spijtme. Ik probeer dat op een ander moment goed te maken.De voorzitter:We vergeven het u. Dat gezegd hebbende krijgt u nu wel meteen hetwoord, maar niet voordat ik de Minister formeel welkom heb geheten,evenals haar ondersteuning. Het woord is aan de heer Vermeer namensBBB.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel, voorzitter. BBB pleit voor een mensgerichte arbeidsmarktwaarin we omzien naar elkaar, een cultuur waarin we zowel betaalde alsonbetaalde arbeid zoals mantelzorg waarderen, en waarin we strevennaar een eerlijke beloning en maatschappelijke erkenning voor zoweltheoretisch als praktisch werk. Zeker op dat laatste punt kunnen we nogwinst behalen, is ons idee. BBB pleit voor een arbeidsmarkt met gelijkekansen. Arbeidsmarktdiscriminatie heeft wat ons betreft dan ook geenenkele plaats.Gelijke kansen betekent niet gelijke uitkomsten op elk moment. Insectoren als de zorg kan het zijn dat vrouwen oververtegenwoordigd zijnen in de bouw zullen dat eerder mannen zijn. Dat is wat ons betrefthelemaal prima. Wat mijn fractie betreft is er geen ruimte voor gefor-ceerde uitkomsten door middel van quota’s. De vorige Minister schreef inzijn brief Offensief Gelijke kansen dat er veel hulpmiddelen vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13035 Werkagenda VIA zijn – dat gaat over het zijn van een inclusieve arbeids-markt – die kunnen bijdragen aan het creëren van gelijke kansen, zoals hetopstellen van objectieve selectiecriteria of het creëren van inclusievevacatureteksten. Blijven deze uitgangspunten ook vrijwillig, is mijn vraagaan de Minister. En hoe wordt voorkomen dat een Offensief Gelijkekansen zich vertaalt in een regeldrukoffensief? Graag een reactie hierop.BBB is ook een partij voor werkgevers. In ons verkiezingsprogrammapleiten we voor een eerlijker ziekteregime voor kleine werkgevers.Loondoorbetaling moet terug naar één jaar. Nederland is het enige land inEuropa waar werkgevers twee jaar verantwoordelijk zijn voor ziekewerknemers. Dit leidt tot terughoudendheid bij het aannemen van vastpersoneel en tot verhoogde regeldruk, en het zet vooral het midden- enkleinbedrijf onder druk. Het terugbrengen van de loondoorbetalings-termijn naar één jaar voor kleinere werkgevers is een cruciale stap om hetarbeidsmarktbeleid eerlijker te maken. Daarnaast worden vaste contractenbeter gestimuleerd. In het tweede ziektejaar komt er wat ons betreft eenpublieke voorziening voor inkomensbescherming met ruimte voorre-integratie. Zo blijft de werknemer niet in de kou staan, maar nemen wewerkgevers wel een onredelijk risico uit handen.Voorzitter. Wij roepen ook op tot een reële basis voor gerichte arbeidsmi-gratie. Voor sommige sectoren, zoals de bouw, de techniek, de zorg en dehoreca, zijn arbeidsmigranten nou eenmaal noodzakelijk, een inzicht datbij sommige partijen nog weleens lijkt te ontbreken. Nederlandsebedrijven hebben aantoonbaar behoefte aan zowel kennismigranten enseizoenarbeiders als vakmensen met aantoonbare economische enmaatschappelijke meerwaarde. Wij helpen ons vestigingsklimaat enverdienvermogen niet als we dit belang ontkennen.Ik wil het belang van gerichte arbeidsmigratie nog eens onderstrependoor het kort te hebben over de Aziatische horeca, een sector die goed isvoor bijna 2 miljard euro omzet per jaar, 40.000 mensen werk biedt en,zeker ook op het platteland, een belangrijke plek in de gemeenschapinneemt. De Aziatische horeca mag bij de werving van specialiteitenkoksgeen functie-eisen meer hanteren, dit vanwege vermeende en somsaangetoonde misstanden in het verleden. De consequentie daarvan is datAziatische restaurants kampen met een ernstig tekort aan specialitei-tenkoks, zodanig dat zelfs 65% van de ondernemers overweegt testoppen. Erkent de Minister de cruciale rol die gerichte arbeidsmigratievervult in de Nederlandse economie? Is de Minister bereid de Aziatischehoreca weer ruimte te bieden voor reële functie-eisen, zodat ondernemersgewoon kunnen ondernemen? Daarbij merk ik wel op dat dat wat mijbetreft gebeurt in een vorm die niet leidt tot permanente vestiging,nationalisatie of gezinshereniging.Voorzitter, tot slot de zzp’er. Die is slachtoffer van een inmiddels langlo-pende politieke impasse. Een grote groep ondernemers die essentieel isvoor onze welvaart ervaart grote onzekerheid en instabiliteit. BBB wil ditdoorbreken door bonafide ondernemers te gaan erkennen als onder-nemer. Wat BBB betreft komt er vooraf zekerheid voor opdrachtgevers enzelfstandigen via een vrijwillige toets. De Wet Vbar, die ondernemerschapachteraf toetst, draagt wat ons betreft niet bij aan het toekomstperspectiefdat zzp’ers en ook hun opdrachtgevers zo nodig hebben, zeker vanwegehet dynamische en onzekere kader van de WZOP-toets, de werknemers-,zelfstandigen- en ondernemerschapstoets. Ondernemers moeten wordengefaciliteerd en niet worden tegengewerkt.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat er een interruptie is van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13036 Dank aan de heer Vermeer voor zijn pleidooi voor zelfstandigen. Ik hebeen soortgelijk pleidooi. Volgens mij bleek twee weken terug uitonderzoek dat 20% van de zelfstandigen overweegt te stoppen. Dat isgewoon schadelijk voor onze economie. Ik heb alleen geen voorstelgehoord om meer zekerheid te bieden aan zelfstandigen vanuit de WRB.Zou de heer Vermeer daar iets meer uitleg over kunnen geven?De heer Vermeer (BBB):Wat ons betreft moeten wij niet die nieuwe Wet Vbar in gang zetten maargewoon de huidige wet aanscherpen en ervoor zorgen dat aan devoorkant duidelijk is of iemand mag werken als zelfstandige of niet. Watmij betreft wordt direct elke vorm van handhaving van zzp’ers geschraptin deze onzekere periode, omdat die handhaving niet alleen leidt totminder inzet van zzp’ers, wat schadelijk is voor onze economie, maar ooktot extra druk in complete sectoren voor mensen die daar vast werken,zoals in de zorg het geval is.De heer Ergin (DENK):Ik ben het er helemaal mee eens dat we de wet moeten wijzigen, dat we inde wet moeten zetten wanneer je zelfstandig bent en dat dat voorafduidelijk moet zijn. Tegelijkertijd hebben we er wel mee te maken dat heelveel zzp’ers op dit moment onzekerheid ervaren. Ik begrijp dat wetgevinganderhalf, twee jaar duurt. Dat is allemaal veel te laat. Hoe kijkt de BBBnaar het voorstel om de zachte landing waar we om hebben gevraagd bijhet opheffen van het moratorium per 1 januari 2025, te verlengen naar2026, zodat er in ieder geval meer lucht en rust komt in de zzp-markt?De heer Vermeer (BBB):Ik sta daar volledig achter. BBB wil ook dat dat moratorium, voordat ereen wetswijziging is doorgevoerd, totdat er een wetswijziging wordtdoorgevoerd of totdat een nieuwe wet is doorgevoerd, gewoon weer ingang gezet wordt. Dit is namelijk veel te schadelijk. Het leidt niet alleen toteconomische schade maar ook tot veel onrust en stress bij iedereen diedaarmee te maken heeft.De voorzitter:Dank u wel. Daarmee rondt de heer Vermeer zijn bijdrage af. Hij gaat onszo verlaten. Voor ik het woord geef aan de heer Ergin – het ging goed, zegik erbij – roep ik op om de interrupties kort te houden. Als u boven de45 seconden komt, loopt u het risico dat ik ze dubbel ga tellen. Het ging bijde heer Ergin nog goed. Dat gezegd hebbende geef ik hem nu het woordvoor zijn bijdrage.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, het doet mij altijd deugd als de voorzitter mij een complimentgeeft. Dank u wel.Voorzitter. Ik wil direct beginnen met een voorbeeld uit de praktijk. Eenjonge vrouw, geboren en getogen in Nederland, solliciteert op een functiewaarvoor ze perfect gekwalificeerd is. Ze heeft diploma’s op zak, relevanteervaring en een goede motivatie. Maar zodra haar hoofddoek in beeldkomt, is het gesprek voorbij, nog voordat het gesprek is begonnen; geenuitnodiging, geen uitleg. Alleen een stilte, die alles zegt.Voorzitter. Dit is geen incident. Onderzoek van de Nationale Vacaturebanklaat zien dat een op de vier mensen discriminatie ervaart bij sollicitaties.Voor zwangere vrouwen ligt dat percentage nog hoger. Dit zijn cijfers,maar achter die cijfers schuilt talent dat we keer op keer verspillen. Ik hebeen aantal andere onderzoeken bij me, die we van de Minister hebbengekregen, bijvoorbeeld van RADAR over discriminatie die arbeidsmarkt-deskundigen zien. Ik heb een actieplan van uitzendbureaus om eeninclusieve arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Ik heb hier een verkenningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13037 naar arbeidsmarktdiscriminatie over moslima’s, met schokkenderesultaten. Ik heb hier een onderzoek naar discriminatie op de zorgwerk-vloer en hoe we daarmee om kunnen gaan.Voorzitter. We praten al decennia over deze onderzoeken. Volgens mijkunnen we deze zaal vullen met al deze onderzoeken die zijn verricht. Erzijn actieplannen, er zijn offensieven en er zijn agenda’s, maar de hardewaarheid is dat discriminatie op de arbeidsmarkt nauwelijks daalt. Hetvoelt alsof we een brand proberen te blussen met enquêtes, terwijl weaan de andere kant zien dat discriminatie gewoon toeneemt.Voorzitter. We hebben in voorbereiding op dit debat van het College voorde Rechten van de Mens een brief gekregen met een duidelijke oplos-singsrichting. In die brief wordt duidelijk gerefereerd aan twaalf normendie zijn opgesteld voor eerlijk werven en selecteren. Normen en regels dieervoor zorgen dat niet afkomst, huidskleur of zwangerschap doorslag-gevend is, maar kwaliteit en talent. Toch zagen we in haar brief dat dezeMinister kiest voor vrijblijvende afspraken, pilots en stimulerendemaatregelen. Mijn vraag aan de Minister is: wanneer komt ze nou eindelijkmet concrete, harde maatregelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt,maatregelen die ook de kern van het probleem aanpakken en geenpleisterpolitiek zijn?Voorzitter. Discriminatie verdwijnt niet door vrijblijvendheid. Het verdwijntpas als er duidelijkheid is, als er duidelijke kaders zijn en als een instantietoeziet op de naleving daarvan. Mijn oproep aan de Minister is daaromhelder: veranker die twaalf normen wettelijk en geef de Arbeidsinspectiede bevoegdheid om daarop te handhaven. Alleen zo kunnen we garan-deren dat alle Nederlanders echt gelijke kansen krijgen op de arbeids-markt. Ik zou graag ook een reactie van de Minister willen op de huidigerol van de Arbeidsinspectie als het gaat om de arbeidsmarkt. Is deMinister van mening dat de Arbeidsinspectie meer controlerendebevoegdheden zou moeten krijgen?Voorzitter. Mijn volgende punt gaat over zelfstandigen. Zzp’ers lopen vast.Sinds de Belastingdienst weer streng handhaaft, raken ze opdrachtenkwijt en weten ze niet of ze aan het einde van de maand hun rekeningennog kunnen betalen en of ze überhaupt nog opdrachten krijgen. Zes op detien zien werk verdwijnen; 20% denkt er zelfs aan om te stoppen. Het isgewoon een keiharde crisis in de zzp-markt. Dat is niet alleen hunprobleem. Het is niet alleen het probleem van die mensen die ervoorkiezen om te ondernemen en om zelfstandig te zijn, maar het is eenprobleem van ons allemaal. Dit betekent onder aan de streep: minderhanden aan het bed in de zorg, minder bouwvakkers. Het is gewoon slechtvoor onze economie.De voorzitter:Punt. De heer Vermeer, van wie ik het afscheid al had aangekondigd, wilvoordat hij weggaat in ieder geval nog een interruptie plegen. Dat sta ikhem toe.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel. Het gaat over die zzp’ers. Ik heb brieven gekregen vanmensen die in de auditingwereld zitten en die door grote bedrijvengedwongen worden om voor tarieven van € 32 en daaronder te werken.Heeft de heer Ergin een idee wat we daaraan gaan doen?De heer Ergin (DENK):Een aantal partijen in de Kamer heeft een initiatiefwet voorbereid, waarinwe dit probleem eigenlijk aanpakken door vooraf duidelijke kaders testellen voor wat je minimaal moet verdienen. Volgens mij staat dat vooreen deel ook in de Vbar. Ik vind de Vbar in zijn totaliteit niet volledig enniet goed, maar ik ben het ermee eens dat we afspraken moeten makenover een minimumtarief en dat we daarnaast ook schijnzelfstandigheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13038 moeten aanpakken. Maar de echte oplossing is dat we in de wet duidelijkmaken wanneer iemand zelfstandig is en dat we niet gaan wachten totdatde rechter een afweging maakt. Volgens mij noemden ze dat een toetsingwaarbij iemand de ene dag een zelfstandige kan zijn maar de volgendedag in dezelfde situatie met dezelfde opdracht opeens niet meer. Volgensmij moeten we daar echt gaan kijken naar de oplossing.De voorzitter:U kunt nu doorgaan met uw betoog.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Ik was bij mijn oproep aan de Minister. Ik roep deze Ministerertoe op om te regelen dat we de zachte landing die we aan het begin vandit jaar hebben ingezet bij het opheffen van het handhavingsmoratoriumverlengen tot eind 2026. Dat geeft zelfstandigen rust, maar ook deopdrachtgevers krijgen rust en duidelijkheid. We moeten niet sturen opboetes, maar eerst begeleiden. We kunnen niet in een of twee jaar tijd eenarbeidsmarkt die zich in twintig jaar heeft ontwikkeld even met boetesterechtwijzen. Onder aan de streep willen zelfstandigen gewoon werken.Wij moeten er alles aan doen om ervoor te zorgen dat deze groep gewoonkan werken. De politiek heeft in al die jaren geen duidelijkheid gegeven.We hebben zwabberbeleid gevoerd. We zien dat de huidige wetgevingwankelt. De Vbar is weinig populair. Een alternatief wetsvoorstel moetnog langs de Raad van State. Dat kost heel veel tijd. Dat betekent in depraktijk dat heel veel zelfstandigen gewoon niet weten waar ze aan toezijn. Mijn vraag aan de Minister is ook hoe zij denkt dat de duizendenzelfstandigen die nu in grote onzekerheid leven duidelijkheid krijgen. Hoewil zij die duidelijkheid bieden?Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over een initiatiefwetsvoorstel vanuit deKamer. Volgens mij hebben we gezien dat er nu al in ieder geval eenmeerderheid is om zelfstandigheid in de wet te verduidelijken. Ik hoop datdit een brede meerderheid wordt. Juist daarom is het nu belangrijk omdie zachte landing waar de Kamer voor heeft gekozen te verlengen toteind 2026.Voorzitter. Dit zijn echt de laatste zinnen die ik wil uitspreken; daarna kanik overgaan naar de interrupties. Zelfstandigen willen niet wegduiken.Zelfstandigen willen gewoon werken. Het enige wat ze van ons vragen, isde zekerheid dat ze hun werk kunnen blijven doen zonder dat ze telkensbang hoeven te zijn voor de volgende brief van de Belastingdienst.Dank u wel.De voorzitter:Punt. Dank u wel. Ik zie inderdaad een interruptie van de heer Flach van deSGP.De heer Flach (SGP):Ik ben het op het punt van de zzp’ers van harte eens met collega Ergin. Wezijn daarbij in het verleden ook wel samen opgetrokken. Het is echtbelangrijk dat er nu duidelijke wetgeving komt, want je kunt niethandhaven als niet helder is waarop. Tegelijkertijd is mijn vraag aan deheer Ergin of we ons echt moeten gaan richten op risicosectoren waarnog duidelijk misstanden aanwijsbaar zijn of dat hij helemaal wil stoppenmet handhaven.De heer Ergin (DENK):Daarom pleit ik ook niet voor de herinvoering van het handhavingsmora-torium, want dat zou betekenen dat we helemaal niet handhaven. DENKpleit ervoor dat we de zachte landing, die we eind 2024 al aan de Ministerhebben gevraagd ... Een zachte landing betekent dat de Belastingdienstmet name coachend optreedt. Ondertussen gaan we aan de slag metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13039 duidelijkheid in de wetgeving, maar tegelijkertijd heeft de Belastingdienstook ruimte om te handhaven als het gaat om schijnzelfstandigheid,onderbetaling en het misbruik maken van arbeidsmigranten door, zoals ikhet even noem, rare zzp-constructies. Dat moet gewoon doorgaan. Dat isvolgens mij ook onderdeel van de zachte landing. Tegelijkertijd is DENKvan mening dat we rust en duidelijkheid moeten bieden aan zelfstandigen.De voorzitter:Dank u wel. We gaan naar mevrouw Patijn van GroenLinks-Partij van deArbeid.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Een zeker en stabiel inkomen begint bij zeker werk en eenvast contract, zodat je morgen niet op straat staat en zekerheid hebt overje inkomen, zodat je als werkende ademruimte hebt om een leven op tebouwen en toegang te krijgen tot een hypotheek. Dan is het voorstel vande vorige Minister om meerdere banen te combineren echt de wereld opzijn kop. Als je banen moet stapelen om rond te kunnen komen, blijft ervoor de mensen heel weinig privéleven over. We moeten juist zorgen voormeer vaste volwaardige arbeidscontracten. Onze aangenomen motie steltdat 70% van de mensen vast in dienst moet komen. Er moet heel veelgebeuren om dat te bereiken in 2028. Het arbeidsmarktpakket is nietvoldoende om dit doel te bereiken. Is de Minister bereid om met eenstrategie te komen over hoe de 70% vaste contracten gehaald gaatworden? Is de Minister bereid om met werkgevers en werknemersconcrete afdwingbare afspraken te maken om tot die 70% te komen?Voorzitter. Een zeker en stabiel inkomen betekent ook een vangnet waar jeop kunt rekenen als je geen werk meer hebt. Het zou je maar gebeuren: jewordt ontslagen bij bijvoorbeeld Vredestein of Batavus. Je bent al onzekerover je toekomst. Het weghalen van het halfjaar WW komt dan extra hardaan. Dit kabinet zet de WW-verkorting echter gewoon door, terwijl deKamer onze motie heeft aangenomen om de bezuinigingen terug tedraaien. Is de Minister bereid de WW-bezuinigingen alsnog terug tedraaien?Voorzitter. Dan kom ik bij de verlofregelingen. De SER is met eenbelangrijk advies gekomen. We hebben de voortgangsbrieven ontvangen,maar er ontbreken wat ons betreft een aantal belangrijke punten. In hetSER-advies staat een aanbeveling over een bodem in de betaling van hetouderschapsverlof en geboorteverlof. Uit de evaluatie blijkt dat partnersmet een laag inkomen door de financiële bodem zakken als ze het verlofopnemen en de regeling voor deze partners dus niet toegankelijk is. Is deMinister bereid om hier alsnog naar te kijken en op zoek te gaan naarfinanciële middelen? Kan de Minister de mogelijkheden in kaart brengenof hier een omgekeerde maximumdagloonregeling voor zou kunnenkomen, een soort minimumdagloonregeling?Dan de motie-Westerveld/Patijn, over ouders van ernstig zieke kinderen.We willen weten hoe het met de uitwerking staat. Wanneer is eenpassende regeling uitgewerkt voor ouders met ernstig zieke kinderen? Deonzekerheid van deze ouders is namelijk groot.Voorzitter. Gisteren kregen we ook nog een petitie aangeboden vanouders van pubers. Ouders kunnen ouderschapsverlof opnemen tot hunkind 8 jaar oud is. Daarna vervalt hun recht. Kan de Minister aangeven ofdeze regeling aangepast kan worden, zodat ouders dit verlof ook laterkunnen opnemen? Is de Minister bereid om te onderzoeken op welkemanier de verlenging van ouderschapsverlof naar 18 jaar kan wordengeregeld?Tot slot de arbeidsmarktdiscriminatie. Terwijl arbeidsmarktdiscriminatieaan de orde van de dag is – mijn collega Ergin verwees daar al naar –werd de wet om dit tegen te gaan verworpen in de Eerste Kamer. Derechtse meerderheid was ertegen, onder het mom van regeldruk. RecentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130310 verscheen het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie, waaruit blijkt datdiscriminatie van moslims aanzienlijk is op de arbeidsmarkt. Het kabinetkomt met het Offensief Gelijke kansen, dat gericht is op het stimulerenvan beter gedrag. Maar kan de Minister aangeven wat ze gaat doen als diestimulering niet gaat werken? Eén op de vier mensen ervaart discriminatiebij het solliciteren. Is de Minister bereid meer dwingende maatregelen tenemen?Voorzitter. Dit is een belangrijk debat over de positie van werkenden op dearbeidsmarkt. Veel onderwerpen zijn weggestopt in een soort restdebatdat is samengevoegd vanuit drie debatten. Ik hoop dat er in de volgendeKamerperiode weer echt aandacht gaat komen voor de 10 miljoen men-sen die gevolgen ervaren van de regelingen die we hier bespreken en datwe de debatten ook weer echt serieus kunnen gaan voeren, zodat we watmeer tijd hebben voor bijvoorbeeld arbeidsmarktdiscriminatie.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van uw buurman, de heer Flach van deSGP.De heer Flach (SGP):Achter de petitie die gisteren werd aangeboden door ouders die vragenom verlof om te zorgen voor hun puberende kinderen, zit een hele mooiegedachte. Die ouders willen er zijn voor hun kind en voelen zich eigenlijkgevangen in het construct waar ze in zitten, namelijk hun werkende leven.Ze zijn niet in staat om onbetaald die keuze te maken. Is mevrouw Patijnhet met mij eens dat dat te maken heeft met de hyperfocus op betaaldearbeid, waardoor mensen de keuze die ze normaal gesproken zoudenwillen maken voor hun gezin, om extra tijd in hun pubers te kunnensteken, eigenlijk niet meer kunnen maken zonder financieel hard geraaktte worden? Is dat niet het diepere probleem?Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Nee, dat ben ik niet met u eens. Ik denk dat heel veel ouders gewoon dewens hebben om allebei te kunnen werken. Maar in sommige fases vanhun leven moet er de ruimte zijn om even wat minder te kunnen werken,om daarna weer terug te schakelen naar wat meer kunnen werken. Dehyperfocus betreft niet alleen de behoefte daaraan, maar ook de noodzaakdie er is; als dat weg zou vallen, is er namelijk geen inkomen. Die betreftook het feit dat vrouwen de behoefte hebben om onafhankelijk te zijn. Steldat de man vertrekt of de vrouw vertrekt, en het huwelijk werkt niet meer.Die onafhankelijkheid is een cruciaal onderdeel in onze geëmancipeerdesamenleving. Ik ben het niet met u eens dat die onder druk zou moetenkomen te staan.De voorzitter:Uiteraard nog een interruptie van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Op dat gebied verschillen we wellicht wat van mening. Tegelijkertijd benik ook erg voor keuzevrijheid van mensen zelf op dat gebied. We zien dater honderdduizenden eenverdieners zijn die de keuze maken om nietallebei te werken; een van de twee partners besteedt zorg aan dekinderen, omdat ze dat extra nodig hebben. Ons belastingstelsel isdermate ondoelmatig ingericht dat mensen die keuze financieel niet eensmeer kunnen maken. Nu komen we dus terecht in een situatie waarin, alsze dat wel willen, de werkgever dat moet gaan betalen. Dan schieten weons doel toch eigenlijk voorbij? Zouden we niet helemaal terug moetennaar de basis en de vrijheid voor die onafhankelijkheid, voor die keuzetussen werk en privé helemaal terug moeten leggen bij de mensen zelf, enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130311 dus een soort samenlevingsvormneutraal belastingstelsel maken,waardoor mensen écht vrij zijn om die keuzes te maken?Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Om te beginnen is het niet een voorstel dat werkgevers geld kost. Hetbetreft onbetaald verlof dat mensen willen kunnen opnemen, ook na dietijd. Dat is het eerste. Daar zitten geen problemen. De keuzevrijheid vind ikbelangrijk, maar de keuzevrijheid om niet samen door te gaan, vind ik nogbelangrijker. Ik blijf het zeggen: ik vind het het allerbelangrijkste dat deonafhankelijkheid van vrouwen, maar soms ook van mannen, goedgewaarborgd wordt doordat beiden blijven deelnemen aan het arbeids-proces. Dat kan alleen als je dit soort regelingen mogelijk maakt.De voorzitter:Als mijn microfoon tenminste meewerkt, gaan we over naar de bijdragevan de heer Flach namens de SGP.De heer Flach (SGP):Voorzitter, dank u wel. Ik wil graag beginnen met het gezinsbeleid. En datis best een beetje raar in een debat over arbeidsmarktbeleid en arbeids-marktdiscriminatie. Maar dat geeft ook gelijk het probleem van hetgezinsbeleid weer: het is nergens echt goed belegd. Het staat hier welergens als agendapunt tussen. Het is belangrijk om hier ook aandacht aante besteden, want gezinnen vormen de basis van Nederland. Het is des teopmerkelijker dat dit leefverband toch een verwaarloosbare rol speelt inhet overheidsbeleid. Er wordt nauwelijks gekeken naar hoe gezinnenervoor staan, wat ze nodig hebben en hoe beleid voor gezinnen uitpakt.Het was de SGP die er bij het vorige kabinet op aan moest dringen dat ertoch een breed integraal onderzoek zou worden gedaan naar de situatievan gezinnen in Nederland. Dankzij een motie van mijn collega Stoffer isdat onderzoek nu uitgevoerd. Dat levert heldere conclusies en aanbeve-lingen op. Gezinsvorming wordt vaker uit- of afgesteld, bijvoorbeeldomdat er geen geschikte woning voorhanden is. Steeds meer gezinnenhebben moeite om rond te komen. Ouders voelen zich steeds verder in despagaat tussen werk, zorg, opvoeding en ook mantelzorg geduwd. Hetrapport zegt klip-en-klaar: versterk randvoorwaarden voor gezinsvorming,verbeter gezinsvoorzieningen, ondersteun ouders bij het combineren vanwerk en gezin, en ontwikkel een eenduidige visie op gezinsbeleid.Voorzitter. Het zijn zaken die me uit het hart gegrepen zijn. Het gezinverdient veel meer waardering en aandacht in onze plannenmakerij. Nietvoor niets nam de Kamer begin dit jaar mijn motie aan die het kabinetoproept werk te maken van positief gezinsbeleid en het wegnemen vanbelemmeringen voor aanstaande ouders, juist ook in het licht vandemografische ontwikkelingen. En, als u het niet van een SGP’er wiltaannemen, lees dan het rapport «Groeipijn» van de Deskundigencom-missie Hervormingsagenda Jeugd. Deze commissie roept onder leidingvan een prominente VVD’er op tot het realiseren van een samenhangendejeugd- en gezinsaanpak, de rijksoverheid voorop. Hoewel dit onderzoekdus aandringt op stevig aanvullend gezinsbeleid, somt het kabinet inreactie hierop vooral bestaande beleidsmaatregelen op, terwijl het rapportzegt: er is meer nodig. Ik bied het kabinet de gelegenheid om dezegemiste kans te herstellen door concrete beleidsopties voor aanvullendbeleid voor te bereiden voor een volgend kabinet. De vraag is: pakt deMinister deze handschoen op?Dan mantelzorg, voorzitter. Een kwart van de 2,4 miljoen werkendemantelzorgers heeft moeite met het combineren van werk en zorg. In dehervorming van het belasting- en toeslagenstelsel stelt de regering eenstelsel voor waarin meer werken loont als expliciet doel. Dat is op zichterecht, maar gelet op de zorguitdagingen zou meer zorgen ook moetenworden aangemoedigd. Is de Minister bereid om in het kabinet teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130312 bespreken hoe een zorgzame samenleving kan worden gestimuleerd viade fiscaliteit? En wat bieden we mensen die het moeilijk hebben met decombinatie van werk en mantelzorg? Het is goed dat de regering dewirwar aan verlofregelingen gaat vereenvoudigen. Gaat de regeringdaarbij ook nadrukkelijk de mogelijkheden voor de verruiming van hetmantelzorgverlof in kaart brengen?Zzp’ers zitten in de hoek – dat is mijn volgende onderwerp, voorzitter –waar de klappen vallen. Een op de vijf zelfstandigen denkt zelfs aanstoppen; dat is al een paar keer genoemd. En bij 60% nam het aantalopdrachten af als gevolg van handhaving. Allemaal het gevolg van deopheffing van het handhavingsmoratorium, zonder dat duidelijk is wiezzp’er is en wie niet. Stel u eens voor dat wij dat ons hier elke dagmoesten afvragen: ben ik nou een politicus of niet, en waar moet je danaan voldoen? Dan komt het wat dichterbij. Laat het helder zijn dat ook deSGP wil dat schijnzelfstandigheid, waarmee mensen onder andereworden uitgebuit en de sociale zekerheid wordt ontdoken, stopt. Maargoedwillende ondernemers komen nu in de knel vanwege falendoverheidsbeleid, en dat moet het kabinet zich aanrekenen. Daarom moeter echt snel duidelijkheid komen over het juridisch kader. Via de Zelfstan-digenwet, waar hard aan wordt gewerkt, willen wij die bieden. Er zourisicogericht gehandhaafd worden. Toch krijgen wij signalen dat ookzzp’ers uit het hogere segment of sectoren waarin geen sprake is van eenverhoogd risico op schijnzelfstandigheid, onder het vergrootglas liggen.«Risicogericht» betekent wat mijn fractie betreft: richt je op die sectorenwaarin overduidelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Dáár zitten dieproblemen, pak die aan en laat andere ondernemers met rust. Gaat deMinister de Belastingdienst hierop wijzen?Dan regeldruk. Dit kabinet is van plan om de regels nog eens tegen hetlicht te houden, en terecht. De arbeidswetgeving is een van de regel-kluwens die het zwaarst op ondernemers drukken. Vast zou minder vastworden, maar werkgevers zagen de werkgeverslasten alleen maar stijgen.Is de Minister bereid om te bezien hoe de regeldruk op dit puntverminderd kan worden? En mag ik één concreet voorstel doen? Schaf deverplichte transitievergoeding bij ontslag af. Nu zelfs de Raad van Statedat een goed idee vindt, kan deze Minister toch niet achterblijven? Wat isdaarop haar antwoord? Eerder vroeg ik al aandacht voor de verplichtegedragscode ongewenst gedrag, die leidt tot een forse regeldruk eneigenlijk slechts schijnveiligheid creëert. Ook de in aantocht zijndeimplementatiewet van de EU-richtlijn over loontransparantie zadeltwerkgevers op met complexe berekeningen en een compleet rapportage-circus. Mijn laatste vraag is dan ook: is de Minister bereid om in Europeesverband aan te dringen op aanpassing van deze richtlijn in het kader vande EU-regeldrukreductie?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. En dan gaan we meteen door naar de heer Thiadens van dePVV.De heer Thiadens (PVV):Dank, voorzitter. De PVV ziet met lede ogen aan hoe dit kabinet onder hetmom van gelijke kansen doorgaat met het subsidiëren en promoten vanwoke beleid. Dat beleid wordt gepresenteerd als rechtvaardig en inclusief,maar leidt in werkelijkheid tot onrecht, willekeur en verdeeldheid. Eenvoorbeeld uit Amsterdam is wat dat betreft illustratief. In de vacature voorde hoogste ambtenaar, de gemeentesecretaris/algemeen directeur, wordtexpliciet een voorkeur uitgesproken voor kandidaten van buiten-Europeseherkomst. Dan bedoelen ze niet Amerikanen of Nieuw-Zeelanders, maarwel kandidaten uit klassieke migratielanden zoals Turkije en Marokko. Datis wat er bedoeld wordt. En dit discriminerende beleid geldt vanaf schaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130313 15. En dat gebeurt gewoon in onze hoofdstad Amsterdam! Dit is onver-sneden discriminatie. Mijn vraag aan de Minister is hoe zij hiertegenaankijkt, of zij dat wél prima vindt of dat zij hier met de fractie van de PVVaanstoot aan neemt en, zo ja, wat zij hiertegen gaat doen.Voorzitter. Verder maakt de PVV zich zorgen over gevallen waarin loyaliteitaan Nederland ver te zoeken is, zoals bij enkele veelzeggendevoorbeelden van dit diversiteitsbeleid. De 64-jarige Ab el M., medewerkervan de NCTV, probeerde 10 miljard A4’tjes aan geheime gegevens naarMarokko te smokkelen. Atoomspion Khan maakte de Pakistaansekernbom mogelijk. Ten slotte huurt de haven van Rotterdam voor zijnbeveiliging een bedrijf in dat is geïnfiltreerd door de cocaïnemaffia vanAzam S, Tariq S. en Eril A. De PVV zegt: stop met dit zogenaamdediversiteitsbeleid. De overheid en bedrijven moeten mensen beoordelenop hun capaciteiten, ervaring en inzet, niet op huidskleur, afkomst ofgeslacht. Dat is geen vooruitgang, maar identiteitsdenken, met alle risico’svan dien.Voorzitter. Dan de zogeheten objectieve werving en selectie, een pilot metzogenaamde nudges, waarbij vacatureteksten worden herschreven enselectiecriteria worden versmald tot een paar vage competenties. Datnudgen gebeurt niet om de beste kandidaat te vinden, maar om diversiteitaf te dwingen. Functie-eisen worden uitgekleed en persoonlijkheidsken-merken verdwijnen naar de achtergrond, maar wat hier in werkelijkheidgebeurt, is dat afkomst en identiteit belangrijker worden dan geschiktheid.In plaats van neutraliteit krijgen we ideologie. In plaats van gelijkheidkrijgen we voorkeursbeleid. Dat gaat ten koste van de kwaliteit van onzeambtenarij, onze diensten, onze overheid. Wat vindt de Minister van dezeontwikkeling?Voorzitter. Op verzoek van het Ministerie van SZW is door de RadboudUniversiteit onlangs een verkennend onderzoek uitgevoerd naar discrimi-natie van moslima’s op de arbeidsmarkt; het is al eerder genoemd. Tijdensdat onderzoek zijn drie focusgroepen gevolgd met elk acht respondenten.Een van die respondenten met een sterk cv en veel motivatie zei hetvolgende: «Iedereen maakt van alles mee en ik had zelf nog niks concreetsmeegemaakt, maar ik dacht: het kan me morgen ook overkomen.» Alleenal de gedachte dat het je zou kúnnen overkomen betekent dus discrimi-natie. Een andere respondent gaf aan: «Ik zie dat niet anders dan dat hetgewoon discriminatie is geweest, maar dat zeg ik op gevoelsbasis, hoor.»In dit soort situaties is het misschien een natuurlijke reflex om dediscriminatiekaart te trekken, terwijl het in dit specifieke geval duidelijkging om vriendjespolitiek. Daarnaast is er gesproken met drie islamitischebelangenorganisaties, die bovendien aan de subsidieslurf hangen. Datroept vragen op over de objectiviteit en de representativiteit van hetonderzoek. Is de Minister werkelijk van mening dat dit onderzoek eensolide basis vormt voor landelijk beleid? Graag een reflectie.Wordt er daarnaast ook onderzoek gedaan naar discriminatie van anderegroepen, zoals Chinezen, Hindoestanen of noem maar op? Of richt hetministerie zich uitsluitend op moslima’s? Zo ja, waarom?Voorzitter. In 2025 zal meer dan 16,2 miljoen euro voor antidiscriminatie-voorzieningen, ADV, beschikbaar zijn voor gemeenten om discriminatie tebestrijden. De PVV-fractie wil weten waaraan dit geld precies wordtbesteed. Wie zijn de grootste ontvangers? Welke projecten worden ergefinancierd? En nog belangrijker: op basis van welke KPI’s wordtbeoordeeld of dit beleid daadwerkelijk iets oplevert? We willenvoorkomen dat dit weer een geldverslindende subsidiepot wordt vooractiegroepen en belangenclubs met een ideologische agenda. Gemeen-telijk beleid hoort te draaien om veiligheid, bereikbaarheid en betaalbarewoningen en niet om ideologisch activisme.Voorzitter. Tussen 2022 en 2024 kwamen er volgens het UWV jaarlijks250.000 banen bij, maar het UWV voorziet dat er tot 2027 nog maar45.000 banen per jaar bij komen. Indeed wijst in dit kader op de opmarsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130314 van AI, waardoor er een afname is van banen zoals tekstverwerkers,accountants en marketeers. Hoe ziet de Minister de arbeidsmarktveranderen door AI en waar maakt zij zich zorgen over?Voorzitter. Zonder ingrijpen wachten in 2030 ongeveer 200.000 mensen opeen arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het UWV. Nieuw onderzoekvan het Kennisinstituut Werk en Gezondheid van Arbo Unie, gebaseerd opbijna 4 miljoen verzuimgevallen tussen 2004 en 2018, toont aan datwerknemers sneller herstellen bij loonaanpassing. Dit geldt vooralwanneer het salaris daalt van 100% naar 70%, bijvoorbeeld na een maandziek zijn. Kennelijk werken financiële prikkels, overigens zonder negatievegevolgen voor het welzijn van de werknemer. Hoe ziet de Minister deresultaten van dit onderzoek, zeker ook in het licht van een historischhoog ziekteverzuim van bijna 6%? De PVV roept de Minister op om zichweer te richten op de kerntaken van haar ministerie: aanpak van arbeids-marktkrapte, schuldenproblematiek bestrijden en zorgen voor eenuitvoerbare en rechtvaardige sociale zekerheid.De voorzitter:Wilt u richting een afronding gaan?De heer Thiadens (PVV):Ja. Geen tijd en geld verspillen aan identiteitspolitiek, die slechtsverdeeldheid zaait en wantrouwen versterkt. Stop met het politiekgedreven diversiteitsbeleid. Stop met het bevoordelen van sommigegroepen ten koste van andere. Gelijke kansen betekent gelijke behan-deling en dus geen voorkeursbehandeling.De voorzitter:Punt. Dank u wel. Daarmee gaan we over naar de heer De Beer van deVVD.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. De VVD staat voor een Nederland waar werkenloont, waar ondernemers de ruimte krijgen om te ondernemen, waarmensen de kans krijgen om hun talent te ontwikkelen en te benutten enwaar we samen nadenken over de weerbaarheid van ons land in eenonzekere wereld. Daarom wil ik vandaag drie thema’s bespreken. Heteerste thema is het terugdringen van de regeldruk. Collega’s had het erook al over. Het tweede is het aanpakken van de arbeidsmarktkrapte, metbijzondere aandacht voor de scholingsfondsen, en het derde het beterinpassen van reservisten in onze arbeidsmarkt.Voorzitter. Ondernemers in het mkb ervaren dagelijks hoe zwaar deregeldruk is. Een gemiddeld bedrijf moet voldoen aan 71 tot 93 verplich-tingen, waarvan ruim een op de vijf als moeilijk uitvoerbaar wordt gezien.Uit onderzoeken blijkt dat ondernemers jaarlijks honderden miljoeneneuro’s kwijt zijn aan dit soort regelingen. Tot wel 70% van die kosten isvaak extern, via accountants, juristen of arbodiensten. Voor een grootbedrijf is dat vervelend, maar met name voor de kleinere mkb’er is dat eenheel groot probleem.De VVD vindt dat ondernemen vooral moet gaan over kansen en niet overregels. Daarom is het goed dat de Minister van Economische Zaken heeftaangekondigd dat hij 500 regelingen tegen het licht gaat houden en ookwil schrappen. We zouden graag zien dat het Ministerie van Sociale Zakenen Werkgelegenheid daar een stevige bijdrage aan levert. Ook positief ishet feit dat vorige week een motie is aangenomen van de VVD en de SPom het tweede jaar van loondoorbetaling bij ziekte voor kleine onder-nemers te vervangen door een collectieve voorziening. Dat is belangrijk,omdat vooral kleinere ondernemingen moeilijker kunnen doorgroeien engeen mensen meer aan durven te nemen vanwege het risico op twee jaarloon doorbetalen bij ziekte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130315 Mijn vragen aan de Minister. Hoe sluit het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid aan op de regelinventarisatie en -vereenvoudiging vanhet Ministerie van Economische Zaken? Welke mogelijkheden ziet deMinister om de regels vanuit het Ministerie van SZW te vereenvoudigenof te schrappen? Zou zij daar specifiek willen kijken naar regels dieonevenredig drukken op het mkb? Kan de Minister ook zorgen voor meervoorspelbaarheid als het gaat over het ontwikkelen van regels, zodatondernemers niet telkens door nieuwe verplichtingen worden verrast?Het tweede thema gaat over de arbeidsmarkt.De voorzitter:Ja, mevrouw Saris. Terecht dat u het nu doet, want het eerste punt wasafgerond.Mevrouw Saris (NSC):Ja, ik dacht: ik moet heel snel wezen. Ik hoor de heer De Beer zeggen dater regels worden geschrapt door de Minister van Economische Zaken. Hijroept de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op om ook eenflinke duit in het zakje te doen. Welke regelgeving stelt de VVD-fractie voorop het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?De heer De Beer (VVD):We hebben gevraagd naar een inventarisatie vanuit het ministerie. Ik denkdat we op basis van die inventarisatie moeten gaan kijken welke maatre-gelen concreet zouden kunnen leiden tot een verlaging van de regeldruk.Dus ik ga nu geen concrete regels noemen, want dan hebben we het overdie concrete regels, en de oproep aan het kabinet is vooral om te kijkenwaar onnodige regeldruk zit en hoe we die kunnen verminderen.Mevrouw Saris (NSC):Het klinkt altijd mooi, onnodige regeldruk, maar ik ken de VVD ook als eenpartij met visie op wat dan die regeldruk is. Ik ben juist wel heel ergbenieuwd wat het dan specifiek op het terrein van Sociale Zaken enWerkgelegenheid is. Dat mis ik nog in uw antwoord.De heer De Beer (VVD):Ja, maar ik heb gezegd dat daar nu niet in concreetheid op doorga. Wijzijn geïnteresseerd in wat er vanuit het ministerie komt. Daar kunnen wijdan zelf op reflecteren en dan kunnen we ook gewoon wegen welke regelop welk moment kan worden geschrapt.De voorzitter:Nee, nee, nee. Ik wilde ja zeggen, maar toen zag ik opeens de hand vanmevrouw Patijn. Die mag uiteraard ook interrumperen.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik sluit toch een beetje aan bij wat mevrouw Saris zegt. Ik hoor de VVDaangeven dat de regeldruk zo’n groot probleem is. We hebben het er indeze commissie veel vaker over gehad dat dit voor de VVD een commissielijkt die vooral over economische zaken gaat. Maar dit is de commissieSociale Zaken, zeg ik even voor de duidelijkheid, voordat u denkt dat uverkeerd zit.Ik denk dat het heel erg belangrijk is om eens naar de regels te kijkenvanuit het perspectief van werknemers. Veel van de regels die hierbesproken worden, zijn bedoeld om werknemers te beschermen in hunwerknemerschap. Ik doel dan op gezond en veilig werk, goede werkom-standigheden, ontslagrecht en loondoorbetaling bij ziekte, zodat je eeninkomen houdt als je ziek wordt maar ook ergens terechtkunt als je weerbeter bent. Al dat soort zaken zijn heel belangrijk ter bescherming van dewerknemer. Bent u er nou vooral bezorgd over dat de werkgever hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130316 zwaar heeft, of heeft u ook het gevoel dat we mensen moeten blijvenbeschermen? Ik vind dat u toch te vaag blijft in antwoord op de vraag vanmevrouw Saris. Kunt u er dus wat meer over zeggen?De heer De Beer (VVD):Wat ik daarover zou kunnen zeggen, of willen zeggen, is vooral dat we deverschillende belangen die om die regels hangen, moeten wegen. Als jeop basis van de inventarisatie van het ministerie regels gaat schrappen,kom je juist toe aan de afweging die u noemt. Natuurlijk gaan we ervan uitdat regels in het verleden zijn ontwikkeld vanuit een bepaalde gedachte.Maar de vraag is hoe opportuun het is om bepaalde regels in stand tehouden als die een onevenredige druk leggen op bepaalde ondernemers.Ik noemde net het voorbeeld van het tweede jaar loondoorbetaling bijziekte. We zeggen niet «schaf dat helemaal af», maar wel: zoek naar eencollectief alternatief. Met die nuance zullen we ook gaan kijken wat wekunnen doen aan de regeldruk.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Als ik het goed begrijp, zegt de VVD: we willen dat er gekeken wordt naarde regeldruk zonder dat de rechten van werknemers aangetast worden.De heer De Beer (VVD):We willen dat er gekeken wordt naar de regeldruk met een scherpe blik,maar wel altijd met in het achterhoofd de weging dat bepaalde regels ookbepaalde belangen dienen. Als het betekent dat werknemers onevenredigworden geraakt in hun belangen, zullen we dat moeten afwegen tegen hetintroduceren van een nieuwe regel, het zoeken naar een alternatief of hetin stand houden van de bestaande regel.De voorzitter:Ik zag mevrouw Patijn alweer naar de microfoon gaan. U mag nog loshoor, mevrouw Patijn.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik wachtte op mijn beurt, voorzitter. Dank.Ik concludeer dan toch dat hier vooral gekeken wordt hoe we werkgeverskunnen ontzien. Dat kan bijna niet zonder dat het ten koste gaat van derechten van werknemers. Ik hoor u niet heel duidelijk zeggen: nee, hetmag niet ten koste gaan van de rechten van werknemers. We zullen hiernog de nodige botsingen op gaan hebben de komende tijd, vermoed ikzomaar.De heer De Beer (VVD):Ja, dat vergt dan nieuwe weging of afweging.De voorzitter:Waarna de heer De Beer weer door kan gaan met zijn verhaal.De heer De Beer (VVD):Het tweede deel van mijn betoog gaat over de arbeidsmarktkrapte. Dat iseen grote uitdaging van dit moment. De laatste CBS-cijfers laten zien dater in het tweede kwartaal van 2025 gemiddeld 101 vacatures stonden tenopzichte van 100 werkzoekenden. Dat gaat natuurlijk heel breed, inverschillende sectoren, de bouw, de techniek, de zorg, de logistiek. Elkedag merken werkgevers dat het moeilijk is om in die sectoren vacatures tevervullen. Dit zet een rem op onze economische groei, dus op onzewelvaart, maar ook op de voorzieningen en geeft werkdruk op dewerkvloer.Ik spreek regelmatig ondernemers, zoals iedereen natuurlijk, ook in deregio. Zo sprak ik een bouwbedrijf in Limburg dat projecten moetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130317 afzeggen omdat metselaars ontbreken, en een transporteur in hetnoorden van het land die vrachtwagens heeft maar geen chauffeurs. Ditraakt niet alleen de bedrijven, maar ook de hele samenleving, want huizenworden niet gebouwd, goederen worden niet geleverd en ook de zorgwordt niet altijd geleverd.Regionale samenwerking tussen werkgevers, opleidingsinstituten enpublieke en commerciële bemiddelingsorganisaties is daarom cruciaal.Scholingsfondsen zoals in Twente en in de Achterhoek, bijvoorbeeld hetTwents Fonds voor Vakmanschap en het talentenfonds Opijver, maar ookde Bovengrondse Vakschool in mijn eigen gemeente Heerlen laten zienhoe krachtig die regionale samenwerking kan zijn. Mensen die hun baanverliezen, krijgen daar een nieuwe kans door om te scholen. Jongerenkrijgen via vouchers een opleiding of kunnen kiezen uit opleidingen dieaansluiten bij de arbeidsmarkt.De Minister heeft in de beantwoording van onze gezamenlijke vragenerkend dat scholingsfondsen een significante bijdrage kunnen leveren aanhet vraagstuk van de arbeidsmarktkrapte. Zij wijst daarbij terecht op deverdere inbedding in de regionale arbeidsmarktinfrastructuur, bijvoor-beeld via de Werkcentra. Want juist nu hebben we die regionale kracht ensamenwerking hard nodig. Daarom mijn vragen aan de Minister. Hoe kijktzij aan tegen een sterkere rol voor de regionale scholingsfondsen in deLeven Lang Ontwikkelen-agenda? Welke mogelijkheden ziet ze om deaansluiting met regelingen zoals SLIM beter te maken? Kan zij aangevenwanneer we de aangekondigde Leven Lang Ontwikkelen-Kamerbriefmogen verwachten, zodat ook de regio’s weten waar zij in de toekomst opkunnen rekenen?Voorzitter. Dan in mijn derde thema specifiek het onderwerp reservistenen de nationale weerbaarheid. Onze veiligheid staat onder druk. De oorlogin Oekraïne en de spanningen elders laten zien dat Nederland zijnkrijgsmacht moet versterken. De NAVO verwacht dat Nederlanddoorgroeit naar ongeveer 200.000 militairen, waarvan een groot deelreservisten, maar ook beroepsmilitairen en burgerpersoneel. MaarNederland heeft momenteel slechts 8.500 actieve reservisten. In 2030moeten dat er ongeveer 20.000 zijn. Dat vraagt ook aandacht voor onsarbeidsrecht, dat hier nauwelijks op ingericht is. Werkgevers ervarenonzekerheid over doorbetaling van loon, vervanging en terugkeerrechten,zeker gezien de opschaling van het aantal reservisten. In landen alsNoorwegen en het Verenigd Koninkrijk zien we dat het reservistenschapveel vanzelfsprekender is, mede doordat werkgevers daar beter onder-steund worden. Mijn vraag aan de Minister is daarom hoe zij aankijkttegen de belemmeringen die werkgevers ervaren bij dit vraagstuk. Ziet zijmogelijkheden om samen met Defensie en sociale partners oplossingente verkennen, zodat reservistenschap in de toekomst makkelijker enaantrekkelijker wordt?Voorzitter. Tot zover.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ik was benieuwd hoe de VVD van plan is om al die honderdduizendenzelfstandigen in Nederland rust en duidelijkheid te bieden.De heer De Beer (VVD):Ik heb uw betoog gehoord. Volgens mij is er ook nog een commissiedebatover zzp. Ik ga er dus over in gesprek met mijn collega. De VVD is zekervoor het creëren van meer duidelijkheid voor zzp’ers, maar we horengraag van de Minister hoe dat precies uitpakt in de regelgeving.De heer Ergin (DENK):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130318 Volgens mij is er nog een ongepland commissiedebat en komen er ooknog debatten over het wetsvoorstel. Maar tegelijkertijd ben ik ook wel opzoek naar een manier om duidelijkheid te kunnen bieden zonder eerst tehoeven wachten op wetgeving. Wetgeving gaat namelijk nog heel langduren. Ik zoek hoe we nu al wat meer duidelijkheid kunnen bieden, inieder geval voor 2026. Want voor je het weet, is het 2026. Hoe kijkt de VVDbijvoorbeeld naar het verlengen tot eind 2026 van de zachte landing alshet gaat om handhaving door de Belastingdienst?De heer De Beer (VVD):Ik heb uw oproep en uw vraag aan de Minister gehoord. Ik wacht graaghet antwoord van de Minister af en overleg graag met mijn collega omuiteindelijk te bepalen hoe wij in dit specifieke vraagstuk staan.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we over naar de heer Bamenga, D66.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Ons land snakt naar doorbraken, ook op dearbeidsmarkt. Neem bijvoorbeeld de zorg. Daar dreigen volgensprognoses in 2030 bijna 200.000 vacatures. Dat zijn geen abstracte cijfers.Het betekent dat we straks mensen niet kunnen helpen; het betekentouderen die langer wachten op hulp en verpleegkundigen die opbrandendoor werkdruk. Tegelijkertijd is de zorg zelf een deel van de oplossing,want gezonde mensen kunnen weer aan het werk. De zorg is daarmee nietalleen een investering in onze gezondheid, maar ook een investering inonze arbeidsmarkt.Recent heeft D66 een doorbraakplan voor de zorg gepresenteerd, waarinwe pleiten voor duurzame arbeidsmigratie gericht op de structurele inzetvan buitenlandse zorgprofessionals die hier, al dan niet tijdelijk, werken enwillen integreren. Ik weet dat het debat over arbeidsmigratie onlangsgeweest is, maar ik vraag het toch nog een keer: deelt de Minister deopvatting dat we om het grote personeelstekort in de zorg aan te pakkenook nadrukkelijk moeten kijken naar arbeidsmigratie van buitenlandsezorgprofessionals die hier werken en integreren? Zo nee, wat gaat zij dandoen om ervoor te zorgen dat er straks genoeg handen aan het bed zijn?Voorzitter. Als we verder kijken dan alleen de arbeidsmarktkrapte, zien wenog een reden om nu echt in actie te komen: de arbeidsproductiviteit inNederland daalt opnieuw, zo blijkt uit recent onderzoek van het CBS.Leven Lang Ontwikkelen is beleid dat de productiviteit in Nederland kanverhogen, maar dit kabinet heeft daar helemaal niets mee gedaan,integendeel; het heeft meermaals besloten om te bezuinigen oponderwijs, wetenschap en technologie, terwijl we uit onderzoek weten datjuist deze zaken belangrijk zijn om de productiviteit te laten stijgen en datdeze zaken ervoor zorgen dat onze economie kan groeien, dat de lonenstijgen en dat de producten goedkoper worden. Het is vooral pijnlijk datdit de mensen raakt die we straks zo hard nodig hebben in bijvoorbeeldde zorg, de bouw en het onderwijs. Vooral leerlingen in het vmbo en mboworden namelijk geraakt. Dit is kortzichtig beleid dat onze productiviteitop de arbeidsmarkt een halt toeroept. Daarom hoor ik graag van deMinister of zij deze zorg deelt. Juist zij weet hoe belangrijk onderwijs is. Iszij ook bang dat deze bezuinigingen leiden tot een minder productieveeconomie in de toekomst?Voorzitter. Ik zeg het nogmaals: er zijn 200.000 zorgvacatures in 2030. Datgaat dus alleen nog om de zorg, laat staan alle sectoren. Dan is het tochpijnlijk om te zien hoeveel talent we laten liggen en hoeveel mensen erafhaken na talloze afwijzingen, niet omdat ze niet willen of het nietkunnen, maar omdat ze keer op keer worden buitengesloten. Het SCP lietzien dat 5% van de werkzoekenden stopt met solliciteren door ervarenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130319 discriminatie. Dat zijn tienduizenden mensen die wel aan de slag willen,maar niet de kans krijgen.De voorzitter:Punt, zeg ik in de microfoon, want de heer Thiadens wil een vraag aan ustellen. Hij zocht al een tijdje naar een moment om u te kunneninterrumperen.De heer Thiadens (PVV):En de voorzitter heeft dat moment gevonden, waarvoor dank. Ik heb eenvraag aan de heer Bamenga van D66. Hij noemt – dat getal kennen weallemaal – die 200.000 vacatures die er, over een aantal jaar al, in de zorgzullen zijn, terwijl er nu al veel vacatures zijn. De heer Bamenga noemtdaarvoor als oplossing arbeidsmigratie: migratie van buitenlandsezorgmedewerkers. Stel dat je daar die 200.000 vacatures mee gaat vullen;als je kijkt naar fte’s zijn dat misschien nog meer mensen. Hoe ziet de heerBamenga de druk op huizen, scholen en ook op de zorg zelf als al dezemensen erbij zouden komen?De heer Bamenga (D66):Wij hebben natuurlijk ook een plan als het gaat om de woningen. Ik komzelf uit Eindhoven. Ik kan u verzekeren dat Eindhoven het economisch hartvan Nederland is. Dat zou het nooit zijn geweest als, in eerste instantie,Philips niet allerlei medewerkers had aangetrokken, eerst uit heelNederland, maar op een gegeven moment was het noodzakelijk omtalenten uit de hele wereld aan te trekken. Hetzelfde gebeurt nu bij anderebedrijven, zoals ASML. Als al die mensen niet daarnaartoe warengetrokken, waren we niet het economisch hart geweest van Nederland en,breder, misschien wel van Europa. Ik geloof zeker dat het ontzettendbelangrijk is dat we dat doen.Maar niet alleen dat. Ik denk dat het ook heel erg belangrijk is om te kijkennaar de zorgkant; hoe kunnen we de zorgvraag überhaupt verminderen?Volgens mij zegt niet alleen mijn partij dat. Kijk naar andere instanties,bijvoorbeeld naar de commissie die over arbeidsmigratie gaat. Die heeftdaarover geschreven en geeft aan dat het ontzettend belangrijk is dat wijervoor zorgen dat de mensen die nu niet aan bod komen, de mensen diegediscrimineerd worden, ook juist een baan kunnen krijgen. Daar moetenwe ook op inzetten. Wat mij betreft moeten we dus inzetten op al dezedrie punten.De voorzitter:De heer Thiadens heeft nog een interruptie.De heer Thiadens (PVV):Een vervolgvraag. De heer Bamenga noemt als voorbeeld ASML,waarvoor veel buitenlandse werknemers aan het werk zijn in de regioVeldhoven. Dat is een bedrijf om trots op te zijn; het is wereldwijd bekend.Tegelijkertijd zorgt het voor enorme druk op de woningmarkt in de regioVeldhoven, die u zo goed kent. Dat kunt u niet ontkennen. Wat heeft u danvoor oplossingen daarvoor? Daar kunt u namelijk niet omheen.De heer Bamenga (D66):Ik ben onlangs nog op werkbezoek geweest bij de gemeenten Eindhovenen Helmond, die fantastische plannen hebben op het gebied van wonen.Ik nodig u dus graag uit om daarnaartoe te gaan. We hebben natuurlijk temaken met uitdagingen, die we zeker moeten aangaan en waar wenatuurlijk heel veel aandacht voor moeten hebben om ervoor te zorgendat mensen inderdaad fatsoenlijke woongelegenheid hebben. Dat geldtdus niet alleen maar voor de grootverdieners, maar ook voor de socialehuur. We moeten natuurlijk niet terechtkomen in een soort woondebat,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130320 maar ik wil wel aangeven dat dit ontzettend veel kansen biedt voorNederland. Ik hoor eigenlijk geen oplossingen vanuit de PVV. We hebbenhier gewoon te maken met enorme tekorten. Die tekorten moetenaangepakt worden. Ik heb juist aangegeven op welke drie manieren wijdat willen doen.De voorzitter:U mag door met uw betoog.De heer Bamenga (D66):Er zijn tienduizenden mensen die wel aan de slag willen, maar niet dekans krijgen. Dat is niet alleen schrijnend; het is ook ronduit onverstandig.Met een arbeidsmarkt waarop de nood zo hoog is, kunnen we het ons nietpermitteren gemotiveerde mensen langs de kant te laten staan. Laten wehelder zijn: wie keer op keer wordt buitengesloten, verliest hetvertrouwen. Discriminatie leidt tot stress, tot lagere inkomens en totuitval. We kunnen het ons maatschappelijk en economisch simpelweg nietveroorloven om mensen structureel buitenspel te zetten.Wat gebeurt er? We geven adviezen en publiceren handreikingen overgelijk werven voor beginners. Goed bedoeld? Zeker. Maar zonderhandhaving en wetgeving blijft het bij mooie woorden. De Wet toezichtgelijke kansen bij werving en selectie haalde het niet in de Eerste Kamer,mede doordat de VVD van koers veranderde. Een gemiste kans. Hetaangekondigde Offensief Gelijke kansen klinkt hoopvol, maar opnieuwontbreekt een wettelijke verankering. Mijn vraag aan de Minister is: hoekijkt de Minister naar de noodzaak van wettelijke verankering enhandhaving om arbeidsmarktdiscriminatie effectief aan te pakken?Ik had het over de zorg en over de grote tekorten daar. Ook daar speeltdiscriminatie een grote rol. Veel personeel, zeker in de langdurige zorg, isvan kleur. Ook dat ervaart veel discriminatie. Dat is natuurlijk onver-teerbaar. Maar het vormt ook een groot gevaar voor de kwaliteit van onzezorg, want we kunnen het ons niet veroorloven om mensen in de zorgkwijt te raken. Dus wat doet de Minister eraan om ook hier die discrimi-natie tegen te gaan en te voorkomen dat personeel verloren gaat? Watdoet de Minister om diversiteitsensitieve zorg te bevorderen?Voorzitter. Dan het onderwijs. Helaas is ook daar nog veel te vaak sprakevan discriminatie. Onze samenleving is in de ban van: «Hogeropgeleid iseen betere mentaliteit». Er wordt vaak niet verder gekeken dan iemandspapiertje. Op de arbeidsmarkt zijn de gevolgen het meest direct zichtbaar.De feiten liegen er niet om. Mbo’ers verdienen voor hetzelfde werk vaakminder dan hun hbo- of wo-collega’s. Ze krijgen ook significant mindervaak een vast contract aangeboden. Ook hun doorgroeimogelijkheden zijnbeperkt. Promoties en dure trainingen gaan onevenredig vaak naarhogeropgeleiden, ook als die mbo’ers meer ervaring of potentieel hebben.Uit verscheidene studies komt naar voren dat de werkmotivatie vanlageropgeleiden gemiddeld juist hoger is dan die van hogeropgeleiden,maar vakmensen worden systematisch ondergewaardeerd. Een samen-leving die talent verspilt omdat het niet het juiste papiertje heeft, is eensamenleving die kansen misloopt. Dat is schadelijk voor onze economie,juist nu we gigantisch veel praktisch opgeleiden nodig hebben om degroeiende tekorten te vullen. Mijn vraag aan de Minister is: wat wordt erconcreet gedaan om dit tegen te gaan en welke maatregelen gaan er nogvolgen?Voorzitter. Dan is er nog een andere diepgewortelde vorm van arbeids-marktdiscriminatie, namelijk zwangerschapsdiscriminatie. Hier vragen weal lang aandacht voor. In 2024 ging meer dan een kwart van de meldingenbij het College voor de Rechten van de Mens hierover. Bijna de helft vanhun oordelen betrof zwangerschapskwesties. Ondanks jaren vancampagnes en bewustwording blijft het probleem onverminderd groot.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130321 De voorzitter:Wilt u richting een afronding gaan?De heer Bamenga (D66):Ja. Zolang er geen norm, controle en handhaving is, verandert er teweinig. Ja, er zijn regelingen, maar die werken pas als mensen zelfmelding maken. Dat gebeurt in slechts 3% van de gevallen. Zolang wijgeen actie ondernemen, vragen we vrouwen om dit gevecht alleen tevoeren. Daarom hoor ik graag van deze Minister welke extra maatregelenzij nog ziet om zwangerschapsdiscriminatie effectiever te bestrijden.Dank u wel.De voorzitter:U ook, voor uw termijn. Dan gaan we nu naar mevrouw Saris, namensNSC. Daarna schorsen we voor een halfuur, opdat de Minister zich kanvoorbereiden.Mevrouw Saris (NSC):Voorzitter, dank u wel. Voor Nieuw Sociaal Contract is de eenvoudigsteroute naar bestaanszekerheid die van werk. Werk geeft zingeving, socialecontacten, ontwikkeling en verbreding van kennis. Belangrijk is ook datwerk bijdraagt aan inkomenszekerheid. Werken zou ook weer de basismoeten zijn van het inkomen. Daarom is het hard nodig dat er eengebalanceerd stelsel komt van inkomensondersteuning, -belastingen en-toeslagen. Het is in ieder geval een positieve stap dat het minimum-jeugdloon voor 16- tot en met 20-jarigen stapsgewijs wordt verhoogd. Zobrengen we ook wat meer aan de basis op orde.Voorzitter. Voor het zomerreces spraken we in de commissie al met elkaarover de arbeidsmarktkrapte. Op de arbeidsmarkt liggen grote opgaven omNederland toekomstbestendig te maken. In het licht van ontwikkelingenals de toenemende vergrijzing en de manier waarop de wereldeconomiein rap tempo aan het veranderen is, is een belangrijke onderliggendevraag hoe we in de toekomst het werk doen. Misschien moeten we danwel meer werk doen met minder mensen. Cruciaal is ook het toekomstbe-stendig maken van de arbeidsmarkt. Onze fractie verstaat daaronder ookhet gebruik maken van onbenut arbeidspotentieel. Het CBS becijfert dat inhet eerste kwartaal van 2025 op maar liefst 1,2 miljoen mensen. Dat zijndeels mensen die arbeidsongeschikt aan de kant staan, maar die met dejuiste ondersteuning wel kunnen en vaak ook willen werken. Het is ookvan groot belang dat we stappen gaan zetten om deze groep mensen, ditonbenut arbeidspotentieel, aan het werk te krijgen. Wij willen ookspecifieke aandacht voor mensen in de WW. Het is belangrijk dat dezemensen eerder worden geholpen met gerichtere begeleiding. NieuwSociaal Contract stelt voor om in samenspraak met werkgevers omschool-banen te creëren voor sectoren waarin een personeelstekort is. Op dezemanier krijgen zij sneller uitzicht op een nieuwe baan en een inkomen.Kan de Minister toezeggen om dit mee te nemen in de uitwerking van deagenda Leven Lang Ontwikkelen?Het grote onbenutte arbeidspotentieel vraagt ook om een sterke regionalearbeidsmarktinfrastructuur. Wij zijn dan ook positief over de investeringenin regionale Werkcentra in alle vijfendertig arbeidsmarktregio’s. Maar wemissen in het beleid van de Minister nog het belang van scholing op deregionale arbeidsmarkt. In de praktijk zijn er al regionale scholings-fondsen. Een collega noemde net het Twents Fonds voor Vakmanschap enuit mijn eigen Achterhoek komt het Achterhoeks talentenfonds Opijver.Deze scholingsfondsen leveren een significante bijdrage aan het terug-dringen van het onbenut arbeidspotentieel en stimuleren tegelijkertijd ooknog eens de leercultuur bij werkgevers en werknemers. In het kader vanLeven Lang Ontwikkelen is er ook al een subsidieregeling ontstaan: dezogenaamde SLIM-regeling. Deze regionale scholingsfondsen zouden hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130322 graag gebruik van willen maken, maar de subsidie gaat nu alleen uit vancollectieve aanvragen vanuit de sectoren. Wat Nieuw Sociaal Contractbetreft is dit een gemiste kans. Is de Minister daarom bereid deSLIM-regeling ook open te stellen voor regionale scholingsfondsen, zodatzij, als hoofdaanvrager, kunnen beschikken over de financiële borging diezij nodig hebben?Voorzitter. Ik ga van de regio naar de internationale context. Op deNederlandse markt bevinden zich honderdduizenden arbeidsmigranten.Deze leveren vaak een belangrijke economische bijdrage aan onzesamenleving. Het risico is echter dat deze migranten zich makkelijk afzijdighouden en in hun eigen taalbubbel blijven leven. Nieuw Sociaal Contractheeft een plan voor een taaloffensief: praat Nederlands met me. Taal iscultuur en wij verwachten van arbeidsmigranten dat zij zich serieusinspannen om de taal te leren. Concreet betekent dit dat kennismigrantenbinnen twee jaar een basisniveau, A2-niveau, horen te hebben en binnenvier jaar goed Nederlands moeten kunnen praten, dus op B1-niveau. Hoekijkt de Minister hiertegen aan? Bent u bereid dit in uw beleid op tenemen?Voorzitter, tot slot. Niet alleen arbeidsmigranten, maar ook Nederlandsewerkgevers dragen verantwoordelijkheid. Wie buitenlandse werknemersnaar Nederland haalt, moet daarom volgens ons zorgen voor taaltrai-ningen en -cursussen. Werkgevers moeten daartegenover ook weltaaleisen kunnen stellen voor op de werkvloer. De voertaal moet waarmogelijk ook Nederlands zijn. Taaleisen kunnen nu alleen gesteld wordenvanwege functie- en veiligheidsredenen; anders kunnen ze opgevatworden als discriminatie, omdat niet-Nederlandstaligen buitengeslotenworden. Deze afbakening is voor ons veel te strikt. De taal die je gebruikt,beïnvloedt immers ook de bedrijfscultuur. Ik vond de quote van detopvrouw van de HEMA ook zo mooi. «We zijn ook weer Nederlands gaanspreken op het hoofdkantoor, omdat taal zo belangrijk is voor wat je alsmerk wilt zijn. Als je een regenponcho ontwerpt met elastiek, zodat jebenen niet nat worden tijdens het fietsen, moet je dan Engels met elkaarpraten?»De voorzitter:Punt. De heer Flach wil u namelijk wat vragen.Mevrouw Saris (NSC):O, kijk.De heer Flach (SGP):Voorzitter, dank. Ik wachtte op een logisch moment, maar ik doe het numaar. De vraag aan NSC is: zijn de economie en de arbeidsmarkt doel ofmiddel voor NSC? Ik zal het verduidelijken. Door het gebruik van de term«onbenut arbeidspotentieel» kan zomaar de indruk ontstaan dat het gaatom een groep mensen die nu eigenlijk niets nuttigs doen, terwijl onzesamenleving juist kleur en warmte krijgt door mensen die, vaak belan-geloos en in hun eigen tijd, dingen doen voor anderen. Dat is het cementvan onze samenleving. Niet de economie maakt onze samenleving, maarde mensen en hoe die met elkaar omgaan. De vraag is dus, nogmaals: zijnde economie en de arbeidsmarkt het doel waarvoor we leven, of hetmiddel?Mevrouw Saris (NSC):Met onbenut arbeidspotentieel doel ik, met name ook in mijn bijdrage, opmensen die deels arbeidsongeschikt zijn en op mensen die in de WWzitten, die graag zouden willen werken maar de wegen niet kennen en dieheel graag hulp en ondersteuning van bijvoorbeeld regionale scholings-fondsen of de overheid zouden krijgen. Zij willen dat steuntje in de rugkrijgen om mee te doen aan die samenleving. Ik ben het met u eens dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130323 samenleving meer is dan werken. Vrijwilligerswerk is voor ons ook eenhele belangrijke bijdrage aan de samenleving. In het kader van dewetsbehandeling Participatiewet in balans heb ik ook aangegeven dat juistook het doen van vrijwilligerswerk een belangrijke stap zou kunnen zijnnaar het doen van werk. Maar met «onbenut arbeidspotentieel» doel ikecht op mensen die ook onbedoeld, ongewild en ongezien aan de zijlijnvan de arbeidsmarkt staan.De voorzitter:Dank u wel. Dan kunt u doorgaan met uw betoog.Mevrouw Saris (NSC):Ja, want ik was gebleven bij de regenponcho van de HEMA. Daarmee gafik aan dat op het hoofdkantoor van de HEMA ook gewoon weer in hetNederlands wordt gepraat. Wat Nieuw Sociaal Contract belangrijk vindt, isdat er duidelijke wetgeving komt die werkgevers ook het recht geeft omhet Nederlands als voertaal op de werkvloer vast te leggen. Het zit immersniet verankerd in onze Grondwet. Deelt de Minister dat de voertaal op dewerkvloer waar mogelijk Nederlands moet zijn? En is hij dan ook bereidom hiervoor wetgeving voor te bereiden?Voorzitter. Dat was mijn bijdrage in de eerste termijn.De voorzitter:Dank u wel. Dan schors ik nu tot 14.45 uur. Dan gaan we verder met debeantwoording van de Minister.De vergadering wordt van 14.11 uur tot 14.45 uur geschorst.De voorzitter:Goed, het is 14.45 uur. We gaan beginnen. Ik meld even dat mevrouwPatijn de vergadering helaas moet verlaten. Zij zal niet meer deelnemen.Dat gezegd hebbende is het woord aan de Minister.Minister Paul:Voorzitter, dank u wel. In mijn vorige functies, eerst als Minister en daarnaals Staatssecretaris Primair en Voortgezet Onderwijs en Emancipatie, hebik van dichtbij gezien dat arbeidsmarktkrapte een grote uitdaging is voor,in dit geval, het onderwijs. Ik heb ook gezien hoe belangrijk goedwerkgeverschap is om mensen te behouden voor belangrijke maatschap-pelijke sectoren zoals het onderwijs. Maar ook de zorg werd genoemd; zozijn er verschillende sectoren.De arbeidsmarkt is cruciaal voor een bloeiende economie. Iedereen isnodig om de maatschappelijke opgaven aan te pakken, zoals zorg,veiligheid, onderwijs en het bouwen van meer woningen. Zondervoldoende mensen en goed opgeleide mensen lukt dit niet. Ik vind hetdan ook een eer en een prachtige opgave om me de komende periode alsMinister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in te zetten voor eengoed functionerende arbeidsmarkt en sociale zekerheid.Door de vergrijzing blijft arbeidsmarktkrapte iets waar we nog lang mee temaken zullen hebben en mee om moeten gaan. Dit roept ook de vraag ophoe we al het werk gedaan gaan krijgen. Onze economie past zich op dekrapte aan, bijvoorbeeld via hogere lonen voor werknemers en investe-ringen in de arbeidsproductiviteit door werkgevers. Maar helemaal vanzelfgaat dat niet. Ook van de richting die de aanpassingen opgaan, kunnen enmoeten we iets vinden. Ik wil bijvoorbeeld niet laten gebeuren dat krapteop de arbeidsmarkt de economie stuurt op een manier die allerleiongewenste effecten heeft, zoals lesuitval door een tekort aan leraren ofverminderde toegang tot huisartsenzorg in provincies als Limburg enZeeland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130324 We hebben vorige week nog een uitgebreid en mooi debat gehad overarbeidsmigratie. Arbeidsmigratie biedt geen duurzame oplossing.Arbeidsmigratie zorgt ook weer voor extra vraag en toenemende druk opde woningmarkt, de zorg en het onderwijs. Bovendien kan het een prikkeltot innovatie wegnemen; wanneer we laagbetaalde arbeidskrachten naarNederland halen, is voor veel ondernemers de prikkel om te innoverenwat minder. Dit vraagt om gerichte en selectieve arbeidsmigratie.Als we kiezen voor de inzet van arbeidsmigranten is het belangrijk dat zijook de Nederlandse taal leren. Dat deel ik met mevrouw Saris. Voor dezomer heeft u een uitgebreide brief ontvangen over de sociale inbeddingen de taalbeheersing van arbeidsmigranten. Hierin staan verschillendemaatregelen om dit te verbeteren. Een verplichting voor werkgevers ofwerknemers, zoals gesuggereerd werd door NSC, vind ik echter nietwenselijk. Ook vind ik het niet wenselijk om voor te schrijven welkevoertaal op de werkvloer gehanteerd moet worden. Dergelijke wetgevingzou leiden tot extra regeldruk voor werkgevers en werknemers en kentook juridische bezwaren; mevrouw Saris refereerde daar zelf al aan.Iedereen is hard nodig op de arbeidsmarkt. Het kabinet zet in op meerarbeidsparticipatie van mensen die langs de kant staan of meer urenwillen werken. Dat vergt om te beginnen – dat zeggen we vaker in dezeKamer – dat meer werken loont, dat mensen zich dat realiseren en dat zedat ook ervaren in hun portemonnee. Het kabinet heeft daarom werkenlonender gemaakt, bijvoorbeeld door de introductie van de laagste schijfin de inkomstenbelasting. Het kabinet werkt ook aan de hervormingsa-genda voor de vereenvoudiging van inkomensondersteuning. Ook loopter, gefinancierd vanuit het Nationaal Groeifonds, het programma Meeruren werkt!, waarin meer werken gestimuleerd wordt en er tegelijkertijdonderzocht wordt wat daarvoor nodig is. Daarnaast loopt er in het primaironderwijs een nieuwe meerjarige pilot waarin verschillende schoolbe-sturen experimenteren met meerurenmaatwerk. Ik weet dat daarinmiddels zo’n 200 scholen aan meedoen.Ik vind het wel mooi om te benoemen dat die benaming, «meeruren-maatwerk», vanuit de sector zelf is ontstaan. Aanvankelijk hadden wevanuit het Ministerie van OCW bedacht dat we de «meerurenbonus»gingen introduceren. Maar de grap is dat we door het stimuleren van hetgoede gesprek tussen schoolleiders en leraren veel beter kondenachterhalen wat mensen – in dit geval ging het om leraren, maar dit geldtook voor andere sectoren – nodig hebben om uiteindelijk eventueel meeruren te werken. Het ging niet altijd om geld. Het ging bijvoorbeeld heelvaak over meer flexibiliteit wat betreft de eigen agenda, het rooster. Mijstaat een heel mooi gesprek bij dat ik met een leraar had. Die zei: ik wilmijn eigen kinderen ook weleens naar school brengen. Als je door hetgoede gesprek te voeren dat kunt faciliteren en iemand ertoe kuntbrengen om meer uren te werken, dan heb je echt een win-winsituatie. Zowordt er in dat experiment inderdaad met dit soort zaken gewerkt, onderandere in het onderwijs, maar ook in de zorg.De voorzitter:De heer Flach heeft een vraag aan de Minister.De heer Flach (SGP):Ik ben het van harte met de Minister eens dat werken moet lonen en datmeer werken moet lonen. Nu hebben we niet zo lang geleden een agendagezien van de VVD. Die zei dat mensen die meer werken er eigenlijk altijdmeer op vooruit moeten gaan – ik zit even te kijken naar de voorzitter, dieeen probleem heeft met zijn microfoon – dan uitkeringsgerechtigden. Nougaat deze Minister over de sociale zekerheid en over de arbeidsmarkt.Voor mensen die meer wíllen werken is dat plan helder, maar er zijn ookmensen die niet meer kúnnen werken. Is de Minister dan niet met mijbang dat er een toenemende kloof gaat ontstaan tussen mensen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130325 kunnen werken, die er altijd meer op vooruitgaan, en uitkeringsgerech-tigden, die altijd achterblijven?Minister Paul:Nee, ik ben daar niet bang voor. Ik onderschrijf wat de heer Flach zegt: jemoet die kloof vooral niet te groot laten worden. Als ik kijk naar dekoopkrachtplaatjes voor het komende jaar, dan stelt het mij gerust datjuist de balans heel goed gezocht en gevonden is. Je ziet namelijk dat hetvrijwel gelijk opgaat. Dat is ook belangrijk, want je wil geen groteverschillen in de samenleving. Tegelijkertijd vind ik het ook heel belangrijkdat de prikkel om aan het werk te gaan en om meer uren te gaan werkener ook is. Ik heb te veel verhalen gehoord, met name van ondernemers,bijvoorbeeld van mkb’ers, die grote moeite hebben om personeel tevinden. Zij zeggen tegen mij: «Mariëlle, hoe kan dit nou? Ik heb goede engezonde mensen in dienst, maar sommigen willen niet meer dan 20 uurwerken, of – ik noem maar wat – 24 uur of 16 uur, omdat ze dan allerleitoeslagen verliezen. Dan krijgen ze geen huurtoeslag, geen zorgtoeslag engeen andere toeslagen.» Dat vind ik een verkeerde prikkel. Ik ben hethelemaal met de heer Flach eens dat het sociale vangnet nodig is voormensen die niet kunnen werken. Daar moet je ook voor zorgen dat hetenigszins gelijk op gaat. Maar de prikkel om aan de slag te gaan, vind ikongelofelijk belangrijk.Ik voeg daar dan ook nog maar aan toe dat uiteindelijk ... Daar komt ookmijn drive om werken en meer werken te stimuleren vandaan. Die staatnog los van het feit dat het zorgt voor een inkomen en bestaanszekerheid,maar ook voor een sociaal netwerk en voor ontwikkelmogelijkheden;mevrouw Saris zei dat ook. Het is dus een heel pakket dat je daar alsindividu en als samenleving voor krijgt, zeg maar. Al de dingen die wewillen binnen het sociale domein, zoals het sociale vangnet, dat webelangrijk vinden, en de voorzieningen, zoals goed onderwijs, goede zorgen een stevige en robuuste defensie, kunnen we alleen maar opbrengenals de economie ook goed blijft draaien; vandaar dat ik daar heel zwaar opinzet.Tegelijkertijd is er meer in het leven, ook al is werk belangrijk; ik denk datde heer Flach en anderen in de Kamer daar ook wel aan refereren. Denkaan de zorg voor kinderen of voor andere naasten, of aan anderemanieren om je in te zetten voor de samenleving. Vrijwilligerswerk is niette onderschatten. De verenigingen in Nederland, of het nou gaat omsportverenigingen of om andersoortige verenigingen, zouden niet kunnendraaien zonder de vele vrijwilligers die zich daarvoor inzetten. Daarscheppen we op verschillende manieren ook ruimte voor. Dat doen weonder andere door te werken aan een nieuw stelsel voor de kinderopvang,dat goedkoper en zekerder is voor werkende ouders. De Kamer heeft hiervorige week een brief over gehad van Staatssecretaris Nobel.We doen het ook door het verlofstelsel te vereenvoudigen. Met betrekkingtot het verlof heeft mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA aandachtgevraagd voor het verlengen van de opnametermijn voor het ouder-schapsverlof van 8 naar 18 jaar. Op dit moment zijn er geen voornemensom dit te doen. De Europese richtlijn over ouderschapsverlof schrijft voordat vier maanden ouderschapsverlof voor de leeftijd van 8 jaar kunnenworden opgenomen. In Nederland zijn dit 18 van de 26 weken. Eenruimere opnametermijn voor de resterende acht weken zou bijdragen aaneen grotere complexiteit van het verlofstelsel, terwijl we nu juist werkenaan vereenvoudiging ervan. Om de combinatie van arbeid en zorg teondersteunen, geven we, tot slot, meer bekendheid aan wat er allemaal almogelijk is op basis van de Wet flexibel werken.Voorzitter. Het arbeidsmarktpakket draagt bij aan het kiezen voor kwaliteitvan werk en goed werkgeverschap. Ik weet vanuit mijn ervaring in hetonderwijsveld dat flexibel werk soms nodig kan zijn om, zoals we datnoemen, «piek en ziek» op te vangen. Tegelijkertijd heb ik in het onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130326 gezien dat juist duurzame dienstverbanden belangrijk zijn, zodat kindereneen vast gezicht voor de klas hebben, ouders een herkenbaaraanspreekpunt hebben en het vaste lerarenteam alle taken eerlijk verdeelt.Daarom werken we aan wetsvoorstellen voor een betere balans op dearbeidsmarkt.Overigens zou ik tegen de heer Bamenga willen zeggen dat voor de zorgprecies hetzelfde geldt. De vaste contracten zijn belangrijk, zodat denachtdiensten – ik noem maar wat – niet alleen op de vaste krachtenneerkomen, of zodat in het onderwijs de oudergesprekken en de meeroverkoepelende taken die niet puur met lesgeven te maken hebben, nietalleen op de vaste krachten neerkomen. Daarmee neemt de werkdruk opde vaste medewerkers enorm toe, waardoor hun arbeidsvreugde ookvermindert. Dat moeten we zien te vermijden; dat hoort ook bij goedwerkgeverschap.Het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers is eerder bij uw Kameringediend. Daarmee geven we flexibele werknemers meer zekerheid overhun inkomen en hun rooster. Verder ben ik blij dat de Belastingdienstweer handhaaft op schijnzelfstandigheid. We zien dat steeds meerschijnzelfstandigen en hun opdrachtgevers ervoor kiezen om ofwel eendienstbetrekking aan te gaan, ofwel hun relatie als zelfstandig onder-nemer duidelijk in te richten. Daarnaast werken we verder aan verduide-lijking, bijvoorbeeld via het wetsvoorstel Vbar.Voorzitter. Arbeidsongeschiktheid is een risico. Als iemand niet meer kanwerken door ziekte of door een ongeluk, dan zijn de gevolgen groot.Daarom vind ik het belangrijk dat er voor zelfstandigen een verplichtearbeidsongeschiktheidsverzekering komt, zoals ook is afgesproken in hetregeerprogramma. De andere kant van de medaille vind ik ook belangrijk,namelijk dat we werken aan meer wendbaarheid voor werkgevers,bijvoorbeeld via een wetsvoorstel om in het geval van crisis, zoals eenepidemie of een gewapend conflict, zo veel mogelijk banen te behoudenen via een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid moet gevenover vervanging en langdurig zieke werknemers. Over dit laatstewetsvoorstel is inmiddels een kritisch advies van de Raad van Stateontvangen, met dictum c. Dat betekent dat we hier nog wel wat huiswerkhebben te doen en dat ik hierover in overleg ga met de polder, met desociale partners.Het wetsvoorstel over tijdelijkheid van inlenen is in overleg met socialepartners tot stand gekomen. Naar verwachting wordt dit wetsvoorstel inoktober in internetconsultatie voorgelegd. Aanstaande vrijdag wordt eenHoge Raaduitspraak verwacht over de tijdelijkheid van inlenen. We zullendie uitspraak uiteraard goed bestuderen en waar nodig betrekken bij hetwetsvoorstel.Voorzitter. De arbeidsmarkt is krap. Dat geeft kansen aan mensen die nunog geen werk hebben. We hebben iedereen keihard nodig. Als iemandkán werken, zou diegene dat wat mij betreft ook moeten doen. Werken isde kortste weg naar een hoger inkomen en een rijker sociaal netwerk, enwerk biedt kansen voor persoonlijke ontwikkeling; ik noemde het al.Daarom vinden we het belangrijk dat mensen een baan vinden die past bijhun kwaliteiten. We maken het voor mensen en bedrijven gemakkelijkerom elkaar te vinden. Dit doen we door de arbeidsmarktinfrastructuur tehervormen. Gemeenten, UWV, SBB, onderwijs en sociale partners gaansamenwerken in één Werkcentrum per arbeidsmarktregio. Mensenkunnen daar terecht voor vragen over werk, scholing en personeelsvraag-stukken. Het wetsvoorstel dat dit regelt, heeft recent opengestaan voorinternetconsultaties. Daar zijn reacties op gekomen. Die worden op ditmoment verwerkt. In meer dan de helft van de 35 regio’s zijn Werkcentravan start gegaan, want veel van de verbeteringen in de samenwerkingkunnen nu al worden uitgevoerd. Die hoeven dus niet per se op diewettelijke grondslag te wachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130327 Ook werk ik samen met sectoren aan sectorale ontwikkelpaden. Het doelhiervan is dat meer mensen via praktijkgerichte scholing een nieuwe baanvinden in deze sectoren. Deze zijn bij uitstek geschikt voor mensen meteen kwetsbare arbeidsmarktpositie, zoals een deel van de WW’ers,waarvoor NSC aandacht vroeg voor omschoolbanen. Deze maand zijnnegentien door mij erkende ontwikkelpaden verschenen voor bijvoorbeeldde jeugdzorg, de groene sector en de ICT. Via de SLIM-scholingssubsidiekunnen werkgevers in maatschappelijk cruciale sectoren subsidie krijgenvoor opleidingen uit deze ontwikkelpaden.In reactie op de vragen van mevrouw Saris en de heer De Beer overregionale scholingsfondsen merk ik op dat ik de eindverantwoordelijkheidvoor de aanvraag van deze subsidies graag bij werkgevers- enwerknemersorganisaties houd. Dat waarborgt namelijk dat er eenverbinding is tussen de vraag op de sectorale arbeidsmarkt en demogelijkheden voor in- en doorstroom voor werkenden en werkzoe-kenden. Op die manier kunnen we de match het beste maken. Ikonderzoek of ontwikkelpaden kansen kunnen bieden voor werkzoekendenen kwetsbare werkenden om basisvaardigheden te leren. Samen met deStaatssecretaris van OCW bekijk ik ook welke belemmeringen en kansener zijn in wet- en regelgeving van gemeenten en UVW om de om- enbijscholing voor mensen met beperkte basisvaardigheden te versterken.Het kabinet vindt het voor het welzijn van mensen zelf, voor hun werkze-kerheid en voor de noodzakelijke productiviteitsgroei belangrijk datiedereen zich een leven lang kan ontwikkelen en inzetbaar blijft tot zijnpensioen. Dat vraagt een betere benutting van bestaande publieke enprivate investeringen in Leven Lang Ontwikkelen. Deelname aan scholingen leren op het werk groeit op die manier. Zo ontstaat er ook veel meereen sterke leercultuur. De aansluiting van het opleidingsaanbod op devraag van de arbeidsmarkt verbetert. Hierin werken we onder anderesamen met OCW. Via de SLIM-regeling blijven we verder werken aan hetstimuleren van leren en ontwikkelen in met name het mkb.De leden kunnen gerust zijn: ik ga straks alle gestelde vragen beant-woorden. Maar af en toe heb ik een haakje om al een beetje op die vragenin te gaan, dus dat doe ik dan. Ik zou nu in ieder geval nog willen ingaanop het onderwerp arbeidsmarktdiscriminatie, dat vandaag ook op deagenda staat.Uitsluiting en discriminatie van individueel talent op de arbeidsmarktkomen nog te vaak voor. Uit onderzoek van het CBS komt naar voren dat13% van de sollicitanten aangeeft discriminatie te hebben ervaren tijdenshet zoeken naar werk. Afgewezen worden vanwege bijvoorbeeld jeleeftijd, migratieachtergrond of geslacht is onacceptabel. Ik blijf medaarom inzetten voor gelijkwaardige kansen voor alle mensen en specifiekop het terrein van de arbeidsmarkt. Iedereen moet de kans krijgen omnaar eigen vermogen mee te doen. Gelukkig delen velen deze missie enzijn velen actief binnen hun eigen organisatie om deze missie te helpenrealiseren. Meer diversiteit leidt immers tot het optimaal benutten vantalent, meer creativiteit, andere manieren van samenwerken, een bredereblik op wat goed is voor de organisatie en het bereik – er zit vaak ook nogeen commerciële kant aan – van een breder publiek of een bredereafzetmarkt.Richting het lid Bamenga van D66 merk ik op dat er voor het wetsvoorstelToezicht gelijke kansen bij werving en selectie onvoldoende steun was inde Eerste Kamer. Hij benoemde dat zelf ook. Daarom is er voor eenaanpak richting werkgevers gekozen, die hen ondersteunt en stimuleertom gelijke kansen te creëren. Begin dit jaar is dan ook het OffensiefGelijke kansen aan uw Kamer aangeboden. Dat bestaat uit beleid enmaatregelen gericht op het realiseren van gelijkwaardige kansen op dearbeidsmarkt. Het offensief heeft drie pijlers: het ondersteunen enfaciliteren van werkgevers bij het creëren van gelijke kansen, het goed inpositie brengen van werknemers zodat ze zich bewust zijn van hunTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130328 rechten en het monitoren van de stand van zaken omtrent arbeidsmarkt-discriminatie. Dit doen we niet alleen. Binnen het offensief werken wesamen met verschillende partners, zoals AWVN en SER Diversiteit inBedrijf. Zij zijn aangewezen als voornaamste uitvoerders van het offensiefom werkgevers te helpen in het vormgeven van gelijke kansen.Voorzitter. Ik zou heel kort willen stilstaan bij de drie pijlers. Werkgeversspelen een belangrijke rol bij het tegengaan van arbeidsmarktdiscrimi-natie. Dat is de eerste pijler. Ik vind het ook belangrijk om hier tebenoemen dat discriminatie zeker niet alleen ontstaat vanuit kwaadwil-lende motieven, maar ook vanuit onbewuste vooroordelen enonbekendheid. Met het offensief zetten we in op het ondersteunen vanwerkgevers bij het verbeteren van de instroom van nieuw personeel enstagiairs via objectieve werving en selectie. Ik ben eigenlijk nog maar kortactief in de politiek, sinds vier jaar. Daarvoor heb ik 30 jaar lang in hetbedrijfsleven gewerkt, waarvan ook vier jaar als zelfstandige. Ik weet uiteigen ervaring dat de vooroordelen soms hardnekkig zijn en dat het geenkwade bedoelingen zijn. Ik heb in wervingstrajecten vaak meegemaakt datwe een heel geschikte kandidaat hadden van een zekere leeftijd –waarschijnlijk iemand die nog jonger is dan ik nu ben – maar dat werd dangepercipieerd als heel oud. De aanname was dat diegene misschienminder kneedbaar was, minder in staat zou zijn om nieuwe dingen teleren of vaker ziek zou zijn. Ik kan u verzekeren dat het aannemen vanmensen met de juiste kwaliteiten en vaardigheden, of ze nou een zekereleeftijd hebben of bijvoorbeeld zwanger zijn, ervoor zorgt dat ze op eenzeer waardevolle manier kunnen bijdragen aan een organisatie. Ik weetdat hierover vaak vooroordelen leven. Dit zijn nou juist de zaken die wedoor ons offensief willen tackelen om ervoor te zorgen dat we dat talentniet mislopen.De tweede pijler richt zich op werknemers. Ik wil ervoor zorgen datwerknemers beter weten waar ze terechtkunnen om discriminatie temelden, zowel binnen bedrijven als daarbuiten. Daarom zetten we deinformatievoorziening, die we al gestart waren, over rechten en plichtendoor. Denk aan de bewustwording rondom zwangerschapsdiscriminatie.Daar loopt nog steeds een campagne voor.Tot slot de derde pijler. Daarin blijven we de ontwikkelingen rondomarbeidsmarktdiscriminatie monitoren om zo de aanpak van discriminatiebeter aan te pakken en meer doelgericht vorm te kunnen geven.Voorzitter. Dan ga ik nu heel graag in op de vragen van de leden. Dat doeik in vijf blokjes. Het eerste blokje gaat over LLO, Leven Lang Ontwikkelen.Het tweede blokje gaat over arbeid en zorg en over verlof. Het derdeblokje gaat over regeldruk en het arbeidsmarktpakket. Het vierde blokjegaat over migratie en het vijfde over discriminatie.Ik begin met het eerste blokje en wel met de vraag van de heer De Beervan de VVD over een sterkere rol van de regionale scholingsfondsen in deLLO-agenda. Hij vroeg ook wanneer de aangekondigde LLO-brief richtingde Kamer gaat. Aan de agenda voor LLO wordt nog gewerkt. De regionalescholingsfondsen maken daar zeker onderdeel van uit, want ze zijn vanbelang voor de inzet op scholing binnen de arbeidsmarktregio’s. In debrief over het LLO-beleid, die u voor het einde van het jaar ontvangt, komtaan de orde hoe de scholingsfondsen een betere verbinding met dearbeidsmarktinfrastructuur kunnen krijgen. Ik zou daar het volgende aanwillen toevoegen. Wellicht heeft de heer De Beer het al gezien, maargisteren heb ik ook schriftelijke vragen van NSC, VVD en GroenLinks-PvdAhierover beantwoord.Dan een vraag van mevrouw Saris en de heer De Beer over de bereidheidom de SLIM-regelingen open te stellen voor regionale scholingsfondsen,zodat ze ook als hoofdaanvrager kunnen beschikken over de financiëleborging die ze nodig hebben. Ik ben daar al een beetje op ingegaan inmijn introductie. Er is bewust voor gekozen om een paritaire collectieveaanvraag te laten doen door werkgevers- en werknemersverenigingen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130329 omdat je die match dan het beste kunt maken. Dat zorgt voor een directeverbinding met de behoefte in de sector aan scholing voor instroom endoorstroom. Regionale scholingsfondsen hebben nog niet altijd deverbinding met de sectoren. Sommige zijn enkel gericht op werkzoe-kenden en niet op reeds werkenden, die je misschien wel zou willen latendoorstromen, dus die verbinding vind ik heel belangrijk.Mevrouw Saris vroeg of ik kan toezeggen dat we in de Leven LangOntwikkelen-agenda ingaan op het samen met werkgevers creëren vanomschoolbanen in sectoren waar een personeelstekort is, specifiek voorkwetsbare mensen in de WW. Mevrouw Saris wordt op haar wenkenbediend, want we werken al aan extra mogelijkheden voor omscholing.Mijn ministerie werkt samen met sectoren aan sectorale ontwikkelpaden,waarin functies zitten met bijbehorende praktijkgerichte opleidingen voorwerkenden en werkzoekenden, waaronder WW’ers. Met deSLIM-scholingsregeling stimuleren we werkgevers om werkenden enwerkzoekenden via die sectorale ontwikkelpaden te laten instromen endoorstromen met behulp van arbeidsmarktrelevante praktijkgerichtescholing. Via het scholingsbudget WW worden WW’ers met de noodzaaktot omscholing in staat gesteld passend werk te vinden. Mijn ministerie isop dit moment in gesprek met het UWV over hoe de inzet van hetscholingsbudget WW de inzet van scholing via de ontwikkelpaden kanondersteunen en versterken. Dat is dus heel specifiek gericht op dekwetsbare groep van WW’ers.De voorzitter:Mevrouw Saris werd weliswaar op haar wenken bediend, maar ze heefttoch nog een vraag.Mevrouw Saris (NSC):Ik moet het knopje voor de microfoon heel goed indrukken.De voorzitter:Bij mij ging die vandaag ook niet. Het is een drama, maar we slaan onserdoorheen.Mevrouw Saris (NSC):Uiteindelijk komt alles goed.Mijn vraag gaat over het SLIM-budget. Er kan een risico zijn dat middelenonbenut blijven. De ervaring die GroenLinks-Partij van de Arbeid, VVD enik in de regio hebben opgedaan, is dat de scholingsfondsen direct impactkunnen hebben. Ik heb daarbij de vraag of de Minister ook kan onder-zoeken of het mogelijk is dat de regionale scholingsfondsen kunnendeelnemen bij de herschikking van de slimme middelen. Als er sprake isvan onderbenutting, kun je die zo echt op een goeie manier inzetten.Minister Paul:Die vraag had ik ook in het vizier. Die vraag is ook gesteld door de heerDe Beer. De SLIM-scholingssubsidie is op dit moment al toegankelijk voorregionale scholingsfondsen als samenwerkingspartner in een arbeids-marktregio die meedoet aan een collectieve aanvraag. Mevrouw Sarisdoelt wellicht ook op wat kunnen doen om hen daarbij te ondersteunen,namelijk door met de scholingsfondsen en aanvragende sectoren actieverinformatie te delen. Dat gaan wij ook doen. Zo weten zij beter hoe zeermee uit de voeten kunnen en is duidelijker hoe een scholingsfondsbinnen het samenwerkingsverband subsidiegeld kan ontvangen voor descholing die door het fonds wordt ingekocht. Dat was eigenlijk een beetjede vervolgvraag van mevrouw Saris.Dan ga ik door naar een vraag van de heer Bamenga. Hij vraagt mij of ikde zorgen deel over de bezuinigingen op wetenschap en onderwijs. Vooralleerlingen in het vmbo en mbo zouden daardoor geraakt worden en datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130330 zou de productiviteit van de economie schaden. Kijk, dat deel ik niet.Onderwijs en een leven lang ontwikkelen zijn absoluut cruciaal voor onzeeconomie en welvaart. We blijven hier stevig op inzetten. Ik weet dat decollega’s dat vanuit OCW ook doen. Als Minister van SZW ga ik vandaagverder geen uitspraken doen over de bezuinigingen die bij OCW ingeboektzijn. Ik weet alleen, vanuit mijn eerdere ervaring, dat vmbo, mbo enLLO zaken zijn waarin nog steeds stevig geïnvesteerd wordt. En terecht,zeg ik er maar bij.Voorzitter. Dan ga ik door naar het tweede blokje, dat gaat over arbeid enzorg. Dan begin ik met een vraag van mevrouw Patijn over de uitwerkingvan de motie-Patijn/Westerveld over verlof voor ouders met ernstig ziekekinderen. Het is juist in die verdrietige situatie superbelangrijk dat oudersin staat worden gesteld om voor hun kinderen te zorgen. Voor ouders vanernstig zieke kinderen kan dit ingewikkeld zijn en kunnen er financiëleproblemen spelen. Ik ben daarom op dit moment in samenwerking met deStaatssecretaris van VWS bezig met een verkenning van de mogelijk-heden voor deze groep. Ik streef ernaar uw Kamer in het voorjaar van2026 verder te informeren. Uiteindelijk zal dat waarschijnlijk betekenen datfundamentele keuzes hierover aan een volgend kabinet zijn, maar ik zal inieder geval samen met de Staatssecretaris van VWS zo veel mogelijkvoorbereidend werk doen om dat mogelijk te maken.De heer Flach van de SGP vroeg of ik bereid ben in het kabinet tebespreken hoe de zorgzame samenleving – een mooie term – kan wordengestimuleerd via fiscaliteit. Diverse Ministeries, SZW, VWS, OCW enFinanciën, hebben de SER in oktober 2023 om advies gevraagd over detoekomstige combinatie van werken en mantelzorg. In de adviesaanvraagwordt onder meer gevraagd welke toekomstscenario’s en concretedomeinoverstijgende oplossingsrichtingen of ingrepen in het stelsel, zoalshet zorgstelsel en het belastingstelsel, mogelijk en nodig zijn. Dezeadviesaanvraag is op verzoek van uw Kamer zo breed mogelijk ingericht.Omdat het zo breed ingericht is, laat het advies wellicht ook enigszins opzich wachten, maar het wordt begin 2026 verwacht. Dat is mijns inzienseen belangrijke basis voor verdere beleidsvorming en voor gedegenkeuzes voor de toekomst. Maar het is toch echt aan een volgend kabinetom daar uitvoering aan te geven.De heer Flach vroeg verder wat we mensen bieden die het moeilijkhebben met de combinatie van werk en mantelzorg. We ondersteunenmensen op verschillende manieren bij de combinatie van werk enmantelzorg, bijvoorbeeld met kort en langdurig zorgverlof. Samen metVWS subsidiëren we de stichting Werk&Mantelzorg, die onder meerwerkgevers en werknemers helpt met het voeren van het goede gesprek.Want uiteindelijk komt het erop neer dat je dat met elkaar moet zien teregelen. Daarnaast vragen wij via een campagne extra aandacht voor hetrecht op flexibel werken. Dat kan werkenden namelijk de mogelijkheidbieden om werk te combineren met mantelzorgverantwoordelijkheden.Het SER-advies over werk en mantelzorg waar ik al aan refereerde, is eenbelangrijke basis voor verdere beleidsvorming. Dat advies komt in 2026onze kant op. Uiteraard zal dat dienen als input voor een volgend kabinet.De heer Flach stelde verder de vraag of de regering de mogelijkhedenvoor een verruiming van mantelzorgverlof in kaart wil brengen. Met hetsamenvoegen van het kort en langdurig verlof, dat onderdeel is van devereenvoudiging van het verlofstelsel, wordt het betaalde deel van hetverlof in meer situaties inzetbaar. Dat gaat mensen dus meer mogelijk-heden bieden. Ik refereerde al aan het SER-advies. Dat zal een meerstructurele en meer op de toekomst gerichte inbreng zijn die een verderebeleidsvorming en keuzes voor de toekomst kan dienen. Dit kabinet is nietvoornemens om zorgverlof voor mantelzorg uit te breiden. Dat is echt aaneen nieuw kabinet.Mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA heeft gevraagd of ik bereid ben tekijken naar het aanbrengen van een bodem in de betalingshoogte bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130331 verlof en of ik bereid ben om op zoek te gaan naar financiële middelendaarvoor. Dit kabinet heeft geen voornemens om een bodem aan tebrengen in de betalingshoogte bij verlof. De mogelijkheden om eenbodem in de betalingshoogte aan te brengen zijn verkend. Uw Kamer ishierover bijvoorbeeld geïnformeerd in de brief over scenario’s vereenvou-diging verlofstelsel. Verdere keuzes en het eventueel vrijmaken vanfinanciële middelen daarvoor zijn aan een missionair kabinet.De heer Flach vroeg of het kabinet bereid is om voor een volgend kabinetconcrete beleidsopties voor aanvullend gezinsbeleid te verkennen. Hethuidige kabinet heeft de Kamer in maart een brief gestuurd over decombinatie van arbeid en zorg. Daarin is ook een reactie gegeven op hetonderzoek naar de situatie van gezinnen in Nederland. Dit onderzoekbevestigt ons beeld en ondersteunt beleid dat we op dit moment aluitvoeren of dat we van plan zijn uit te voeren. Denk daarbij aan eeneenvoudiger en zekerder financieringsstelsel voor kinderopvang met eeninkomensonafhankelijke vergoeding voor werkende ouders, eenverhoging van het kindgebonden budget, de voortzetting van definanciering van gratis schoolmaaltijden en de ondersteuning vanvijf partijen die kinderen in armoede helpen door voorzieningen aan tebieden voor kinderen die opgroeien in een gezin met weinig financiëlemiddelen. Dat zijn de dingen die we op dit moment al doen.De voorzitter:Dan gaan we naar de heer Flach, SGP.De heer Flach (SGP):De Minister citeert uit een brief, maar zij citeert daar wel enigszinsselectief uit, want het onderzoek stelt juist dat meer nodig is. Aanvullendemaatregelen zijn nodig om de belangen van het gezin goed te dienen. Datis eigenlijk de portee van dat onderzoek. In de brief lees ik vooral overbestaande beleidsmaatregelen en dingen die al in de steigers staan. Ik misdus gewoon een adequate reactie op dat rapport, een reactie waarinnieuwe, verdergaande maatregelen worden aangekondigd in lijn met devier voorwaarden die uit dat rapport naar voren komen. Natuurlijk snap ikdat dit kabinet dat niet meer helemaal op poten gaat zetten, maar mijnverzoek aan de Minister is om dat voor een nieuw kabinet voor tebereiden. Is zij daartoe bereid?Minister Paul:Als mijn mensen en middelen ongelimiteerd zouden zijn, zou ik daaropvolmondig «ja» zeggen. Hoelang ben ik nu bezig? Twee weken. Ik zie degrote uitdagingen die SZW heeft op heel veel thema’s en ook ik wordgedwongen om scherpe keuzes te maken. Dat is nooit fijn, want het liefstwil je iedereen tevredenstellen. Ik zou heel graag tegemoet willen komenaan de wens van de heer Flach, maar als ik moet kiezen voor welkeonderwerpen ik de altijd beperkte capaciteit aan ambtenaren en middeleninzet, dan is dit niet een thema waar ik nu ruimte voor zie. Ik zou dit dusecht willen neerleggen bij een volgend kabinet. Uiteindelijk is dit iets wataan de formatietafel een plek moet krijgen en daar verder uitgewerkt zoumoeten worden.De voorzitter:De heer Flach heeft een vervolgvraag.De heer Flach (SGP):Dan wordt het toch wel iets politieker, want dat onderzoek is mede gedaannaar aanleiding van een aangenomen motie van mijn collega Stoffer. Inde brief wordt ook verwezen naar vier aangenomen moties die ikzelf hebingediend waarin wordt verzocht om echt meer te doen aan gezinsbeleid.Verreweg de meeste Nederlanders komen uit een gezin. Dit rapport laatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130332 zien dat gezinnen onder druk staan en dat er meer moet gebeuren. Ik vindhet toch echt mager als de Minister dan zegt «de menskracht die ik heb isnou eenmaal gelimiteerd en ik geef daar dan nu geen prioriteit aan», wantdat is het dan. Dat vind ik toch teleurstellend. Ik zou de Minister echtwillen vragen om dit serieuzer en met meer prioriteit op te pakken, wantwie weet hoelang zij hier nog zit. Dat kan zomaar een jaar zijn.Minister Paul:De heer Flach zei in reactie op mijn antwoord dat ik van alles citeerde uitde brief. Dat klopt, want daarmee wil ik aangeven dat we een hoop dingendoen. Wat ik aangeef, is dat we daar volle kracht mee verdergaan. Wezullen ook niet schuwen om laaghangend fruit te plukken, maar ik zie hetniet gebeuren dat het kabinet met de demissionaire status aan nieuwbeleid gaat werken. De heer Flach zei heel terecht, zonder het extreempolitiek te willen maken, dat het uiteindelijk gaat om keuzes: waar zet jedie schaarse mensen en middelen dan voor in? We gaan dus op vollekracht verder met de uitwerking van lopende initiatieven, en nieuw beleidlaten we aan een nieuw kabinet. Dat blijft mijn antwoord.De voorzitter:Ja, meneer Flach, u mag.De heer Flach (SGP):Afrondend, voorzitter, op dit punt. Dan worden de Minister en ik het op ditpunt echt niet eens. Ik heb duidelijk aangegeven wat het belang van hetgezin is, voor iedereen in het dagelijks leven. Dat wordt nog eensonderstreept door het rapport Hervormingsagenda Jeugd, dat echthetzelfde signaal afgeeft. Als we gaan zitten wachten op een nieuwkabinet dat vervolgens ook nog eens een hele tijd met zichzelf bezig is,dan verliezen we zomaar weer anderhalf jaar. Ik heb laten zien hoevreemd het is dat ik in een debat als dit gezinsbeleid aan de orde stel. Hetis een beetje een ondergeschoven kindje, om in de beeldspraak te blijven.Ik zou de Minister dus nogmaals willen oproepen om in voorbereidendezin toch echt dingen klaar te leggen, zodat de nieuwe Minister, wie dat ookis, een vliegende start kan maken. Als de Minister daar niet toe bereid is,moet ik dat met een motie bekrachtigen.Minister Paul:De heer Flach en ik zullen het wellicht op andere punten heel erg metelkaar eens zijn, maar op dit punt helaas niet, ben ik bang. Ik denk oprechtdat we bij veel zaken echt meters maken. Ik had het al over de kinder-opvang en het kindgebonden budget. Het nieuwe beleid en de nieuweplannen zijn echt aan een nieuw kabinet.Voorzitter. Ik ga door met het derde blokje. Daarin worden een aantalthema’s gecombineerd: regeldruk, arbeidsmarktpakket, zzp, WW en meervan zulks.Ik begin met een vraag van mevrouw Patijn. Zij vroeg of ik bereid ben ommet een strategie te komen gericht op 70% vaste contracten en daarvoormet de werkgevers en werknemers aan de slag te gaan. Met hetwetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers, dat nu in uw Kamer in behan-deling is, worden al maatregelen ingevoerd om werkenden met eenflexibel contract meer zekerheid te geven. Dit is een onderdeel van hetbredere arbeidsmarktpakket. Zo worden de oproepcontracten afgeschaft,worden draaideurconstructies bij tijdelijke contracten voorkomen enworden de meest onzekere fases van uitzenden ingekort. Anderzijds, zozou ik ook willen zeggen, moeten werkgevers de ruimte houden om hunpersoneelsbestand samen te stellen. Het is daarbij niet wenselijk om aande hele arbeidsmarkt vaste normen op te leggen, want de sectorenverschillen nou eenmaal enorm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130333 De heer Ergin vroeg mij de zachte landing die begin dit jaar is ingezet bijhet opheffen van het handhavingsmoratorium, te verlengen tot eind 2026.We werken op verschillende manieren aan meer duidelijkheid, ook overde manier waarop nog wel met zelfstandigen of als zelfstandige gewerktkan worden. Dat doen we bijvoorbeeld door voorlichting via allerleikanalen, via webinars, gesprekken met de sectoren en de websitehetjuistecontract.nl, waar alle betrokken partijen nadere informatiekunnen vinden, onder meer aan de hand van praktijkvoorbeelden. Er isook een webmodule beschikbaar voor de beoordeling van arbeidsrelaties.Duidelijke wetgeving hoort hier ook bij.Ik zie niet direct aanleiding om de zachte landing voor de handhaving oploonheffingen te verlengen, want in 2022 is al aangekondigd dat hethandhavingsmoratorium voor de loonheffingen op enig momentopgeheven zou worden. De markt heeft dus ruim de tijd gehad om zichhierop voor te bereiden. Het is goed om hier te benoemen dat per1 januari geen strengere regels gelden. Het arbeidsrecht was ook voor dietijd van toepassing. Ik zie gelukkig veel beweging van organisaties inuiteenlopende sectoren, zoals de bouw, kinderopvang, beveiliging, zorgen onderwijs, die dit ook echt goed willen doen. Om deze partijen teondersteunen, is het belangrijk dat handhaving weer genormaliseerdwordt en dat we juist geen stap terugzetten. We willen deze sectoren enzelfstandigen hierbij blijven ondersteunen, zoals we nu ook doen.De heer Ergin (DENK):De Minister schetst een beeld alsof het allemaal goed gaat. Ze noemt eenaantal partijen waarmee zij goed in gesprek is. Maar als we kijken naar deonderzoeken van Motivaction, maar ook van HeadFirst Group, dan is heelduidelijk dat het juist tot heel veel zorgen leidt bij zelfstandigen. 20%overweegt om te stoppen. Inmiddels zijn er onderzoeken waaruit blijkt datdeze onzekere situatie voor zelfstandigen en de handhaving vanuit deBelastingdienst en de wetgeving vanuit de Minister zorgen voor gezond-heidsklachten bij zelfstandigen. Dan kan de Minister het antwoord dat wehier krijgen toch niet volhouden? Dan doel ik op het antwoord datiedereen wist dat het zou komen, dat de zachte landing prima gaat en datzij geen aanleiding ziet om het te verlengen.Minister Paul:Ik heb niet gezegd dat de zachte landing prima gaat. Overal waarveranderingen optreden, is tijd nodig, want het gaat om gedrag enveranderingen. Dat heeft tijd nodig. Wat kun je als overheid doen? Wat zieik als mijn taak en plicht om te doen? Dat is ervoor zorgen dat weglashelder zijn in de communicatie en dat ondersteunen. Wat je op ditmoment ziet, is dat veel werkgevers huiverig zijn om interimmers aan tenemen omdat ze denken: help, hoe zit dat nou precies? Dat moeten wedus adresseren. Daar moeten we werkgevers bij helpen, zodat ze gewoonweer ruimhartig en volle bak aan de slag kunnen gaan met de mensen diedaadwerkelijk zelfstandig werken. Daarnaast zorgt het verduidelijken, ookin wet- en regelgeving, ervoor dat je die onzekerheid wegneemt. Ik herkeninderdaad wat de heer Ergin zegt. Ja, er is onzekerheid, maar die gaat nietweg door de boel voor ons uit te schuiven. Die gaat weg door daar inzetop te plegen, door communicatie en door verduidelijkende wet- enregelgeving. Daar ben ik van overtuigd.De heer Ergin (DENK):Je kan heel vaak het woord «verduidelijken» gebruiken, maar we wetenallemaal hoe het ervoor staat. Er is initiatiefwetgeving, die kan rekenen opeen meerderheid, die dwars door de plannen van deze Minister loopt. Datis nota bene een initiatiefwetsvoorstel van de VVD, van de partij waar zijook onderdeel van uitmaakt. We zien dus allemaal aankomen dat er heelveel gaat wijzigen qua wetgeving. Dat is dan niet zoals de Minister zelfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130334 heeft voorgesteld en afgelopen jaar heeft geschetst. Dan is het toch heellogisch als de Minister zou zeggen: «Weet je wat? Er komen verkiezingenaan en er is een initiatiefwetsvoorstel aangekondigd en er tekent zich aleen meerderheid af. Ik ga niet door op de lijn van meer onzekerheid. Nee,ik ga een pas op de plaats maken. Ik maak nog iets meer tijd vrij voor dezachte landing. In de tussentijd kunnen de Kamerleden en de fracties hierduidelijkheid bieden als het gaat om wetgeving.» Waarom kiest deMinister daar niet voor, is mijn vraag.Minister Paul:Omdat ik me gewoon bezighoud met besturen en met het juiste doenvoor de mensen in het land, en niet met de verkiezingen bezig ben. Tentweede weet ik dat er een initiatiefwet aan zit te komen. Daar ben ik meterdege van bewust. Ik heb daarvan ook gezegd: laten we dit, zodra diewet voorligt, bekijken. Ik heb bij de Algemene Politieke Beschouwingen bijmonde van de Minister-President toegezegd in gesprek te gaan met deinitiatiefnemers, nog voordat die wet in de Kamer ligt, om te bekijken hoewe nader tot elkaar kunnen komen. Ik zou wel gek zijn als ik goede ideeënuit dat initiatiefwetsvoorstel niet ook een plek geef in de wet die nuvoorligt. Met andere woorden, we zullen kijken hoe we een soort best ofboth worlds kunnen creëren. Daar sta ik helemaal voor open. Maarnogmaals, ik geloof er niet in dat we door de boel voor ons uit teschuiven, gaan bijdragen aan het wegnemen van onzekerheid onderwerkgevers en werknemers.De voorzitter:De heer Flach gaat zijn laatste interruptie hieraan besteden. Dat is hemuiteraard toegestaan.De heer Flach (SGP):Absoluut, want er komt volgens mij geen antwoord op de vraag vancollega Ergin. Het gaat er niet om dat die wetstrajecten goed verlopen enbij elkaar komen. Het gaat erom dat die wetten kennelijk nodig zijn omeen arbeidsrelatie te beoordelen. Dat blijkt al uit de naam: de Wetverduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden. Datbetekent dat er dus onduidelijkheid is. Dat betekent dat zzp’ers op ditmoment zelf maar moeten gokken wanneer zij voldoen aan de normen diegesteld worden, waarop tegelijkertijd gehandhaafd kan worden. Dat isvolgens mij waar om gevraagd wordt. Er is dus een soort zachte landingin 2025 geweest. De duidelijkheid is er nog niet door traagheid aan dekant van de politiek. Dan mogen wij zzp’ers daar niet de dupe van latenworden. Ik ben het van harte met collega Ergin eens dat we die periodenog een jaar door zouden moeten trekken. Zzp’ers mogen niet de dupezijn van trage besluitvorming in Den Haag.Minister Paul:Dat ben ik helemaal eens met de heer Flach en de heer Ergin. Maaruiteindelijk gaat het erom dat je duidelijk bent over wat van toepassing is,zoals ik al zei. Zowel werkgevers als werknemers als zelfstandigen moetengoed weten waar zij aan toe zijn. Wat dat betreft zie ik een inspanningsver-plichting. Dat is waar we mee aan de slag zijn en verder mee aan de slaggaan.De voorzitter:We gaan nog even door met mevrouw Saris.Mevrouw Saris (NSC):Ja, want mevrouw Saris wil deze interruptie gebruiken om de Minister tecomplimenteren met het feit dat zij doorgaat me deze wet, omdat hetgewoon oneerlijk is dat er op één belastingsoort niet gehandhaafd wordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130335 Bedrijven hebben jarenlang de gelegenheid gehad. Wij vinden het vanuitNieuw Sociaal Contract belangrijk dat er een gelijk speelveld komt voorondernemers versus schijnzelfstandigen en een eerlijk speelveld voor hetbetalen van sociale premies. Dus Minister, ik heb u goed gehoord. Gaat udoor. Ik ben het met u eens dat u oog en oor heeft voor de goedevoorstellen uit de initiatiefwet. Dat onderschrijf ik dan ook van harte.De voorzitter:Ik stel voor dat de Minister «dank u wel» zegt en daarna doorgaat methaar betoog.Minister Paul:Veel dank aan mevrouw Saris.Ik ga door met de volgende vraag van de heer Flach, namelijk of er werkwordt gemaakt van risicogericht toezicht gericht op sectoren waaroverduidelijk sprake is van een groter risico op schijnzelfstandigheid. Zijnvraag was of ik daarover in gesprek kan gaan met de Belastingdienst. Ikkan hem zeggen dat we voortdurend in gesprek zijn met de Belasting-dienst over handhaving op arbeidsrelaties. De Belastingdienst werktdaarbij risicogericht en niet sectorgericht. Schijnzelfstandigheid komt inalle sectoren voor. Daarmee pakken we ook oneerlijke concurrentie oparbeidsvoorwaarden aan, zowel tussen werkenden als werkgevenden, enzorgen we ook voor meer solidariteit op de werkvloer als het gaat omwerkdruk. Ik noemde al het voorbeeld van het onderwijs en de zorg. Wevoorkomen bovendien ook dat de druk op het sociale en fiscale stelselverder toeneemt.De heer De Beer vroeg hoe het Ministerie van SZW aansluit op deregelinventarisatie en vereenvoudiging van het Ministerie van EZ. Hijstelde nog een paar vragen die met het mkb te maken hebben. Ik kan hemverzekeren dat mijn ministerie de ambitie van EZ om regeldruk terug tedringen en om te werken aan vereenvoudiging vol omarmt. Ik weet datmijn collega Karremans dit volledig claimt – dat is heel mooi – maar dit isecht een wens van het kabinet als geheel. Wij werken daar samen aan enzullen allemaal moeten bekijken hoe we in bestaande regels kunnenschrappen en hoe we nieuwe regels kunnen voorkomen en verminderen.Ik zou ook willen zeggen dat we daar echt een gezamenlijke opgave inhebben. Dit gebeurt natuurlijk vanuit het kabinet, maar de Kamer weet dater ook veel regels, richtlijnen en wetgeving ontstaan vanuit wensen die inde Kamer leven. We zullen daar dus allemaal kritisch naar moeten kijken.SZW zal daar zeker een bijdrage aan leveren.De heer Flach vroeg of we de verplichte transitievergoeding gaanafschaffen. Het doel van de transitievergoeding is tweeledig. In de eersteplaats dient die als hulp bij het vinden van een nieuwe baan, om van werknaar werk te gaan. Daarnaast dient de transitievergoeding als financiëletegemoetkoming bij ontslag. Met andere woorden, de transitievergoedingis een belangrijk recht voor werknemers wanneer zij hun baan verliezen. Ikvind het dus niet direct onnodige regeldruk, want in dat kader bracht deheer Flach het, maar ik wil wel altijd kijken of het nodig is om onnodigeregeldruk te beperken. Daarom wacht ik de evaluatie van de Wetarbeidsmarkt in balans af, waar dit ook in terugkomt.De heer Flach had nog een vraag. Vaste contracten zouden minder vastworden, maar werkgevers zien de lasten stijgen. Hij vroeg: gaat deMinister bezien hoe de regeldruk op dit punt verminderd kan worden? Inantwoord op de vraag van de heer De Beer gaf ik al aan dat we de ambitievan EZ delen om regeldruk terug te dringen en te werken aan vereenvou-diging. We willen in de eerste plaats nieuwe regels voorkomen enverminderen. Daarbij willen we ook kijken hoe we bestaande regelszouden kunnen schrappen. Tegelijkertijd – dat was eigenlijk al aan de ordein een interruptiedebat tussen verschillende leden – moeten we ook goedbeseffen ... Schrappen klinkt heel gemakkelijk, maar die regels enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130336 wetgeving zijn ooit wel met goede bedoelingen of met een bepaaldereden ontstaan, dus je moet daar heel goed naar kijken. Dienen ze hetjuiste doel? Zijn ze doelmatig? Leveren ze op wat we ervan haddenverwacht of gehoopt? Op die manier gaan we kijken waar we kunnenschrappen. Schrappen klinkt namelijk heel gemakkelijk, maar eigenlijk isdat best nog wel een grote exercitie.De heer Flach heeft ook gevraagd of ik in Europees verband gaaandringen op aanpassing van de EU-richtlijn over loontransparantie. Bijde implementatie van die richtlijn is het uitgangspunt een voorwerkgevers goed uitvoerbare regeling waarbij de administratieve lastenzo laag mogelijk zijn. U mag van mij verwachten dat ik daar scherp opben. In Europees verband heeft Nederland tijdens de onderhandelingeningezet op beperking van de administratieve lasten. Wij zien zelf in deuitwerking – de collega’s op het ministerie zijn daar nu volop mee bezig –dat de implementatie stuit op verplichtingen en complexiteit bijwerkgevers. We hebben dus meer tijd nodig om tot een goede uitwerkingte komen. Dat doen we ook in nauwe samenspraak met de werkgevers.Heel recentelijk heb ik het verslag van de Raad naar uw Kamer gestuurd.Toen heb ik aangegeven dat wij iets meer tijd nodig hebben, juist omervoor te zorgen dat we dit op een slimme en verstandige manier kunnendoen. We zullen overigens ook in Europees verband blijven vragen om hetzo veel mogelijk beperken van de administratievelastendruk. Dat puntblijven we dus bewaken.De heer Thiadens vroeg of ik de arbeidsmarkt zie veranderen als gevolgvan AI. Ook vroeg hij waar ik me in dit verband zorgen over maak. Deopkomst van AI is inderdaad een belangrijke ontwikkeling op de arbeids-markt. Ik denk dat die opkomst kansen biedt, maar ook risico’s met zichmee kan brengen. Ik zie kansen als je het hebt over productiviteitswinst enover het adresseren van maatschappelijke opgaven op een slimmere eninnovatievere manier. Wel zullen sommige banen en taken als gevolg vanAI veranderen of zelfs verdwijnen, maar daar komen andere banen voorterug. Tot nu toe zijn we als gevolg van technologische veranderingeneigenlijk altijd welvarender geworden, zeg ik met het oog op allerleiontwikkelingen. Het begint met de industriële revolutie, maar ik kijk ooknaar recentere ontwikkelingen, ten aanzien van het internet bijvoorbeeld.Wel is het heel belangrijk – dan grijp ik toch weer terug op mijn vorigeportefeuille – dat je mensen daar goed op toerust. Ze moeten eropvoorbereid worden. Ik heb mezelf er keihard voor ingezet om bij deherziening van het curriculum in het basis- en voortgezet onderwijsdigitale geletterdheid een plek te geven, omdat naast de basisvaardig-heden lezen, schrijven en rekenen die digitale geletterdheid ongelofelijkbelangrijk is om uiteindelijk de revolutie – dat is het bijna wel – op hetgebied van AI en digitalisering waar te kunnen maken. Dan heb je het dusover de jongere generaties die je goed moet toerusten.Daarnaast denk ik dat een ander deel van mijn portefeuille, van zowel mijnhuidige als mijn vorige portefeuille, heel belangrijk is, namelijk een levenlang ontwikkelen. Je moet er namelijk voor zorgen dat mensen die al inhet arbeidsproces zitten, goed toegerust worden om een nieuw typebanen te doen, om ervoor te zorgen dat ze volwaardig mee kunnen doenen duurzaam inzetbaar zijn. Dat is een uitgebreid antwoord om te zeggendat ik me geen zorgen maak, maar wel zie dat we daar actief mee bezigmoeten zijn, want anders gaan we de boot missen. Maar wat mij betreftgaan we die boot niet missen, want we zetten ons daarvoor in.Voorzitter. Dan nog een vraag van de heer Thiadens, over nieuwonderzoek van Arbo Unie dat aantoont dat werknemers sneller herstellenbij loonaanpassing, vooral als het salaris daalt van 100% naar 70%. Ik benbekend met dit onderzoek. Een belangrijke uitkomst lijkt dat dezefinanciële prikkel met name effect heeft op kortdurend verzuim en bijnaniet of geheel niet op langdurig verzuim. Op dit moment bestudeer ik deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130337 conclusies van dit onderzoek verder. We zouden moeten kijken wat wedaar verder mee kunnen doen. Ja, dat. Punt.Voorzitter. Dan een vraag van de heer De Beer over de mogelijkheden omsamen met Defensie en sociale partners oplossingen te verkennen, zodathet reservistenschap – zo staat het er – gemakkelijker en aantrekkelijkerwordt. Zoals de VVD in haar vragen heeft benadrukt, is het voor eenweerbare arbeidsmarkt belangrijk dat de rechtspositie van de reservistgoed geregeld is. We zijn benieuwd welke belemmeringen wordenervaren door werkgevers. Hierover wordt samen met Defensie overleggevoerd met de sociale partners. Ik vind het heel belangrijk om bij hetuitwerken van oplossingen meer ruimte te bieden om reservist te worden,maar tegelijkertijd het evenwicht te bewaren tussen de belangen van dereservist, de civiele werkgever, Defensie en de arbeidsmarkt in brederezin. Daar waar knelpunten opgelost kunnen worden met goede afsprakentussen werkgevers en Defensie of via een cao, heeft dit de voorkeur. Jeziet ook dat dat steeds meer gebeurt. Er zijn een aantal goede voorbeel-den, bijvoorbeeld KLM en Capgemini, en zo zullen er nog veel meerbedrijven zijn. Mijn collega van Defensie en ik zullen de Kamer in deeerste helft van 2026 informeren over de resultaten van deze overleggenen de eventueel te nemen vervolgstappen.Dan een vraag van mevrouw Patijn. Zij vroeg of ik bereid ben deWW-bezuinigingen terug te draaien. Mevrouw Patijn verwees daarbij naareen motie van haarzelf en het lid Van Kent, die heeft opgeroepen totintrekking van de WW-duurverkorting. Ze deden hierbij het voorstel dit tedekken door het versoberen van de expatregeling. Ik kan echter geenuitvoering geven aan die motie, want in de motie wordt gevraagd om datper 2026 te doen, en dat was simpelweg niet uitvoerbaar. Daarnaast is hetzo dat de voorgestelde dekking in strijd is met de begrotingsregels. Hetkabinet werkt daarom door aan de voorbereidingen voor een duurver-korting per 2028. Een volgend kabinet kan een besluit nemen over deuitvoering van deze motie.Voorzitter. Dan ga ik door met het vierde mapje, dat gaat over migratie.De voorzitter:Maar voordat u dat doet, wil de PVV bij monde van de heer Thiadens eenvraag stellen.De heer Thiadens (PVV):Ik kom toch even terug op de loonaanpassing. Het grote onderzoek dat eris geweest tussen, uit mijn hoofd, 2004 en 2020 toont gewoon aan dat alsje daarop ingrijpt, het kortdurende verzuim met tientallen procententerugloopt; daar had de Minister het ook over. In het licht van het tekortaan mensen kan dat een goede tool zijn om in ieder geval meer mensenop de vloer te hebben. Ik was niet helemaal overtuigd van wat de Ministerdaar nou mee gaat doen. Kan de Minister daar misschien toch nog ietsmeer over uitweiden?Minister Paul:Ik kan dit meenemen in de verdere uitwerking van plannen, onder anderede plannen die er ook rond OCTAS zijn, eigenlijk de herziening van hetsocialezekerheidsstelsel – ik kom niet op het woord – nee, het is hetarbeidsongeschiktheidsstelsel. Vergeef me, ik ben nog maar kort aanboord. Er zijn een aantal dingen die we op de korte termijn kunnen doenen er zijn ook dingen die we op de iets langere termijn moeten doen. Datis het punt, want ik zou ook hier willen zeggen: op het moment dat we opeen passende manier mensen kunnen stimuleren en prikkelen om mee tedoen aan het arbeidsproces, dan moeten we dat niet nalaten. De heerThiadens haalt dit inzicht aan en dat wil ik zeker meenemen in deuitwerking van de verdere plannen. Ik wil echter niets overhaast doen. Wijnemen dit dus mee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130338 De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we door naar migratie.Minister Paul:Door naar migratie, even kijken. Ja, voorzitter, ik was even aan het stoeienmet de mapjes.De heer Vermeer vroeg of ik de cruciale rol erken die gerichte arbeidsmi-gratie vervult in de Nederlandse economie. We hebben hier zeer kortgeleden, vorige week om precies te zijn, in het commissiedebat overarbeidsmigratie ook over van gedachten gewisseld. Arbeidsmigratie leverteen belangrijke bijdrage aan onze economie en samenleving. Tegelijkertijdlegt arbeidsmigratie ook druk op de samenleving. Dat is ook door eenaantal leden benoemd en ik heb het zelf aangegeven. Dat betekent dat hetbelangrijk is om aan gerichte arbeidsmigratie te doen en een selectieverbeleid te voeren. Tegelijkertijd is het voor de mensen die we naarNederland hebben gehaald om allerhande werk te verrichten, belangrijkom misstanden tegen te gaan. Het ibo over arbeidsmigratie biedtdaarvoor belangrijke handvatten. Ik refereerde er al aan dat ik binnenkortook het SER-advies daarover verwacht. O, nee, dat is een anderSER-advies, maar dit SER-advies verschijnt in november. Ik zie decollega’s instemmend knikken. Ik zal uw Kamer nog dit jaar informerenover onze brede inzet en de voortgang op arbeidsmigratie.Dan was er nog een vraag van de heer Vermeer, namelijk over deAziatische horeca. Hij vroeg of ik bereid ben om meer ruimte te biedenvoor reële functie-eisen zodat ondernemers daar verder mee aan de slagkunnen. Dit onderwerp is in uw commissie al vaak besproken, zoals ikonlangs heb begrepen al sinds 2014. Het ministerie heeft hier deafgelopen jaren al veel over uitgezocht. Ik ben niet voornemens om deregelgeving speciaal voor de Aziatische horeca aan te passen, dus ookniet wat betreft functie-eisen. Tekorten worden in heel veel sectorengevoeld, ook in de bredere horecasector. Een speciale regeling voor eendeel van die sector is daarmee niet op zijn plaats. De Aziatische horecakan onder de reguliere voorwaarden net als andere horeca nog steedspersoneel van buiten de EU werven. Daarbij heeft de Arbeidsinspectieeerder geconstateerd dat een bijzondere regeling voor de Aziatischehoreca misbruik eerder ruimte geeft dan beperkt.De heer Bamenga vroeg of ik de opvatting deel dat als we het grotepersoneelstekort in de zorg willen aanpakken, we ook moeten kijken naararbeidsmigratie van buitenlandse zorgprofessionals die hier willenwerken, en zo nee, wat ik dan ga doen. Het kabinet – ik refereerde daar netook al aan – ziet arbeidsmigratie niet als structurele oplossing voor hetaanpakken van tekorten in de zorg. Hier zijn vooral andere maatregelennodig. Mijn collega van VWS werkt hieraan. In specifieke gevallen kunnenarbeidsmigranten in de zorg wel tijdelijk de krapte helpen verlichten. Datgebeurt ook al. Zorgpersoneel van buiten de EU kan naar Nederlandkomen met een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.Hiervoor gelden verschillende voorwaarden. Zo toetst het UWV of er inNederland en de EU geen personeel te vinden is. Een werkgever moetdaar eerst voldoende wervingsinspanningen voor doen. Soms geldt ookdat een BIG-erkenning en een toelatingsprocedure nodig is.Voorzitter, dan ga ik door naar het blokje discriminatie.De voorzitter:Dat is ook het laatste blokje.Minister Paul:Dat is het laatste blokje, ja. Dan begin ik met een vraag van de heer Erginover concrete maatregelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt die dekern van het probleem aanpakken. De heer Ergin weet van onze uitwisse-lingen in de onderwijsdebatten dat ik oprecht vind dat iedereen de kansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130339 moet krijgen om volwaardig mee te doen. Ik vind het daarbij van belangom de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie toe te snijden op watwerknemers en werkgevers echt nodig hebben. Onder andere via hetOffensief Gelijke kansen zetten we in op het tegengaan van arbeidsmarkt-discriminatie, op het creëren van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en opbewustwording rondom diversiteit en inclusie. Daarnaast zet het kabinetin op het tegengaan van andere vormen van arbeidsmarktdiscriminatie,zoals zwangerschapsdiscriminatie en het bevorderen van gelijk loon.Er was ook nog een aanvullende vraag van de heer Ergin over de rol vande Arbeidsinspectie. De Arbeidsinspectie kan een boete opleggen als eenrisico-inventarisatie en -evaluatie, de zogenaamde RI&E, geen beleidbevat dat gericht is op het bestrijden van discriminatie op de werkvloer.Dit vloeit voort uit de verplichting van een werkgever om beleid te voerenter voorkoming of beperking van psychosociale arbeidsbelasting. Daar ligtdus al een taak voor de Arbeidsinspectie.Er is een vraag van de heer Vermeer en mevrouw Patijn.De voorzitter:Als u daar even mee wacht, dan kan de heer Ergin nog even reageren ophet vorige.De heer Ergin (DENK):Het gaat mij ook niet om de intentie van deze Minister. Het Actieplanarbeidsmarktdiscriminatie loopt dit jaar af. Ik zie dat er in het offensief datde Minister heeft aangekondigd, een aantal heel concrete zaken die we inhet Actieplan arbeidsdiscriminatie wel hadden, zijn weggevallen. Er wordtbijvoorbeeld nauwelijks nog gesproken over stagemarktdiscriminatie. Deoverheid is de grootste werkgever. Dat was een aanpak binnen derijksoverheid, maar die komt helemaal niet meer voor in het offensief vande Minister. Qua diversiteit in bedrijven wordt er één keer in algemenetermen verwezen naar hulpmiddelen. Ik constateer dat er zo nog eenaantal andere onderwerpen zijn waarop het Actieplan arbeidsdiscriminatiestopt. De Minister zegt dat het offensief het alternatief is, maar tegelij-kertijd zie in het alternatief dat onderwerpen juist weggemoffeld zijn enminder belangrijk zijn gemaakt. Daar maak ik me wel zorgen over.Aangezien de Minister dit heel belangrijk vindt, zou ik graag van haarwillen horen waarom het in het offensief allemaal veel kleiner en minderbelangrijk is gemaakt en het erop lijkt dat deze Minister juist een stapjeterug doet in plaats van een stapje vooruit.Minister Paul:Dat is niet mijn beeld van hoe het offensief in elkaar steekt. Het feit dat jesommige zaken niet letterlijk meer terugziet, betekent soms ook dat je ineen andere fase bent beland of dat je juist van de aanpak in de vorige fasegeleerd hebt om die aan te scherpen of het veel gerichter te doen in desituatie waar we nu in zitten. Ik gaf al eerder aan dat het offensief aan deene kant bedoeld is om werkgevers te brengen tot het juiste gedrag endaarvoor handvatten te bieden. Aan de andere kant is het bedoeld omwerknemers te wijzen op hun positie en de rechten die daarmee samen-hangen en ervoor te zorgen dat ze ergens terechtkunnen, mochten hunrechten met voeten worden getreden. Vervolgens blijven we monitorenhoe het gaat om te kunnen bijsturen of ingrijpen, waarbij ook de Arbeids-inspectie een rol heeft. Dat gaf ik reeds aan. Ik zie dat dus niet als eenteruggang.De heer Ergin (DENK):Maar dat is het wel. Je hebt het over een aanpak waarmee je heleconcrete zaken wilt, zoals naming-and-shaming en kijken naar je eigen rolals werkgever, misschien wel dé grootste werkgever van heel Nederland.Hoe ga je om met werving, selectie en behoud van talent? Maar nu gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130340 we eigenlijk naar een wat algemenere, subtielere agenda. Dat is gewooneen stap terug. Als de Minister nu aangeeft dat ze op elk onderdeel gaatkijken waar het nog aangescherpt kan worden, dan ben ik eigenlijk wel blijmet haar antwoord. Ik kan eigenlijk geen genoegen nemen met hetantwoord van de Minister, waarin zij aangeeft dat ze juist meer wil doen,omdat ze het belangrijk vindt, terwijl ik er tegelijkertijd op wijs dat hetambitieniveau van het offensief aantoonbaar een stap terug is. De naam ismooi, maar de inhoud is gewoon een stap terug is. Kan de Ministeraangeven hoe ze dit beeld gaat proberen recht te zetten?Minister Paul:De heer Ergin noemde onder andere naming-and-shaming. Ik weet dat indat lijstje ook iets stond over mysteryguests, undercoveracties. Daarvan isin de evaluatie aangetoond dat dat niet het gewenste effect had, dat hetgewoon niet heeft gewerkt. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar de wegingdie je voortdurend maakt, is: hoe zet ik zo gericht mogelijk in op bepaaldeinitiatieven, zodat we het gewenste resultaat boeken? Het feit dat je in hetoorspronkelijke actieplan een aantal initiatieven zag die nu niet terug-komen, betekent niet dat je goede initiatieven weggooit of over deschutting gooit, of het kind met het badwater wegspoelt. Nee, datbetekent dat je veel gerichter te werk gaat en zaken die hun effectiviteitniet hebben bewezen, niet meer doet. Als concreet voorbeeld werdnaming-and-shaming genoemd. De praktijk wijst uit – daarom benoemdeik dat ook in mijn inbreng – dat er in heel veel situaties sprake is van eengebrek aan bewustzijn. Er zijn geen kwade bedoelingen, maar zij wetenook niet hoe precies te handelen. Ik vind het dan belangrijk om ervoor tezorgen dat de werkgevers de handvatten krijgen om daar op een positievemanier mee aan de slag te gaan, zodat de werknemers en de toekomstigewerknemers daar uiteindelijk baat bij hebben, in plaats van door te gaanmet acties die hun nut niet hebben bewezen. Zo kijk ik ernaar.De voorzitter:Uw laatste, meneer Ergin.De heer Ergin (DENK):Samenvattend. Als we kijken naar het actieplan, zien we afdwingbaredoelstellingen en plannen voor handhaving. Ik ga het deze Minister nietaanrekenen dat het wetsvoorstel het in de Eerste Kamer niet heeftgehaald. We zien concrete instrumenten en, misschien wel het allerbe-langrijkst, normstelling. Bij het offensief zien we dat niet. Het isvrijblijvend. Het is minder scherp. De focus ligt op monitoren. Ik denk datdat niet de oplossing is waar heel veel mensen in het land op wachten,dus ik zal daar bij het tweeminutendebat voorstellen voor indienen. Ikhoop dat de Minister dit punt echt goed meeweegt en samen met mij gaatkijken hoe we juist die scherpte, die ambitie, die heel belangrijk is vooralle toekomstige talenten, weer in het offensief kunnen krijgen. Want alswe gewoon heel eerlijk zijn, worden nu heel veel zaken weggemoffeld diegoed waren in het actieplan.De voorzitter:De Minister gaat door met haar betoog.Minister Paul:De heer Vermeer en mevrouw Patijn hadden een vraag over de uitgangs-punten van het Offensief Gelijke kansen. Het Offensief Gelijke kansen isopgezet rekening houdend met de toenemende regeldruk bij werkgevers.De nadruk ligt op het stimuleren van werkgevers bij het creëren vangelijke kansen. De focus ligt daarbij op het ondersteunen van werkgeversvia de hulpmiddelen uit de Werkagenda VIA, zonder dat dit tot meerregeldruk leidt bij werkgevers. Dat was hun punt van zorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130341 Mevrouw Patijn vroeg wat ik ga doen als het Offensief Gelijke kansen nietwerkt. Via het Offensief Gelijke kansen zet ik in op het stimuleren enondersteunen van werkgevers op vrijwillige basis zonder de regeldrukvoor werkgevers op te voeren. De aanpak is – dit is even een jargonterm –grondenbreed en richt zich dus op allerlei vormen van discriminatie:leeftijd, geslacht en noem maar op.De heer Bamenga vroeg welke extra mogelijkheden ik eventueel zie omzwangerschapsdiscriminatie effectiever te bestrijden. We nemen op ditmoment verschillende maatregelen om zwangerschapsdiscriminatie tebestrijden, bijvoorbeeld met de recente campagne Wat verwacht je. Hierinwerden werkgevers en werkenden op een positieve manier gewezen oprechten en plichten rondom zwangerschap en werk. Daarnaast is er eendoorlopende informatievoorziening richting werkenden en werkgevers viabrochures en samenwerkingen met onlineplatforms. Ook laat SZW dit jaaronderzoek uitvoeren naar de aard en omvang van heel specifiek zwanger-schapsdiscriminatie. Dit onderzoek biedt mogelijk aanknopingspuntenvoor effectief beleid voor de aanpak daarvan. Ik verwacht de resultaten inhet eerste kwartaal van 2026 en kom daar dan bij de Kamer op terug.Ik kom op een vraag van de heer Thiadens over een verkennendonderzoek. De heer Thiadens verwees naar een onderzoek naar discrimi-natie van moslima’s op de arbeidsmarkt, verricht door de RadboudUniversiteit. In het regeerprogramma van dit kabinet is benoemd dat hetkabinet inzet op een stevige aanpak van discriminatie, waarondermoslimdiscriminatie. Uit recente onderzoeken van onder meer het CBS enhet SCP wordt aangetoond dat in 2023 Nederlandse moslims als grootstegroep discriminatie ervaren op basis van hun religie of levensbe-schouwing. Het onderzoek van de Radboud Universiteit is in 2024 naar uwKamer gestuurd en toont aan dat in dit geval moslima’s veelvuldig metdiscriminatie te maken hebben in alle fases van het arbeidsproces. Naaraanleiding van de uitkomsten komt er een handreiking voor werkgeversom bewustwording te vergroten. Ook zal de Nationaal Coördinator tegenDiscriminatie en Racisme gesprekken voeren met werkgevers over deuitkomsten van dit onderzoek.De heer Thiadens (PVV):Uit het antwoord van de Minister maak ik op dat zij dit onderzoek serieusneemt en representatief vindt voor moslimdiscriminatie op de Neder-landse arbeidsmarkt. Is dat juist?Minister Paul:Ik haalde bewust ook andere onderzoeken aan. Er is een veelheid aanonderzoeken die dat aangeven. Ik baseer me nooit op één onderzoek.Maar dit is een van de onderzoeken waar ik kennis van heb genomen endie ik meeneem.De heer Thiadens (PVV):Dan hoop ik niet dat de andere onderzoeken net zo rammelen als ditonderzoek, want dit gaat echt helemaal nergens over. Ik had het er al overin mijn spreektekst. Het gaat om een handjevol mensen die geïnterviewdzijn. Er zijn quotes van een aantal mensen opgenomen. Die duidenhelemaal niet op discriminatie. Ik hoop dat die andere onderzoeken – ikhoop dat de Minister mij daarin kan geruststellen – wel representatief zijnen wel echt iets zeggen over wat er gebeurt op de arbeidsmarkt.Minister Paul:De heer Thiadens mag van mij aannemen dat ik hou van gedegen werk.De andere instellingen ... Ik heb niet al die onderzoeken tot op de lettergespeld. Daar had ik simpelweg de tijd niet voor. Maar ik neem de inputvan de heer Thiadens mee, want ik vind het belangrijk dat wat weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130342 presenteren, grondig is onderzocht en berust op een gedegen basis. Maarik geef aan dat er een veelheid aan onderzoeken ligt.De voorzitter:De Minister gaat door.Minister Paul:Voorzitter. Dan ga ik door met een volgende vraag van de heer Thiadens.Hij zei dat er in 2025 meer dan 16,2 miljoen voor antidiscriminatievoorzie-ningen beschikbaar zou zijn voor gemeenten om discriminatie tebestrijden. Hij vroeg: waar gaat dat geld naartoe? Even om de juiste cijfersin beeld te hebben: op dit moment gaat er jaarlijks 12,9 miljoen naar hetGemeentefonds voor de gemeentelijke taken op grond van de Wetgemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Dat is een algemeneuitkering. Omdat de middelen in de algemene uitkering en dedecentralisatie-uitkering beleids- en bestedingsvrij zijn, vanwege debestuurlijke autonomie van gemeenten, zijn gemeenten vrij om over dezemiddelen te beschikken en is het aan gemeenten zelf om prestatieaf-spraken te maken met hun antidiscriminatievoorziening. Het is goed om tebenoemen dat de Minister van BZK momenteel werkt aan het herzien vanhet huidige stelsel. In het nieuwe stelsel worden de huidige antidiscrimi-natievoorzieningen overgebracht in één centrale overheidsstichting. In diesituatie zal de Minister van BZK prestatieafspraken maken met de nieuweorganisatie, aangezien het Rijk dan de stichting rechtstreeks zal finan-cieren. Dan zal er meer zicht zijn op wat waarnaartoe gaat.De heer Bamenga stelde vragen waar ik voor een deel al op ben ingegaanin mijn beantwoording of in mijn spreektekst. Via het offensief werken weaan een grondenbrede aanpak waar ook de door de heer Bamengagenoemde doelgroepen onder vallen. Specifiek voor de zorg zijn er extrainspanningen, maar die liggen ook bij mijn collega van VWS. Daar heb ikniet de details van. Maar ik weet dat daar extra inzet op wordt gepleegdvanuit VWS.Dat was ’m, voorzitter.De voorzitter:Dan gaan we nog even naar mevrouw Saris voor een interruptie.Mevrouw Saris (NSC):Ja, voorzitter, want ik dacht: komt dat blokje taal nog even terug? Hetkwam even aan de orde aan het begin van het betoog van de Minister.Later dacht ik: misschien komt het bij arbeidsmigratie of bij discriminatie.Ik hoor de Minister zeggen: ik heb een brief gestuurd over de socialeinbedding. In de brief is ook heel nadrukkelijk aangegeven dat de regeringvindt dat werkgevers een verplichting hebben. De vraag aan de Ministeris: erkent zij dat er een probleem is met de Nederlandse taal? Is ze het dantoch niet met de fractie van Nieuw Sociaal Contract eens dat erdwingendere maatregelen nodig zijn om de Nederlandse taal op dewerkvloer in de samenleving beter in te bedden? Het is in het belang vande mensen die naar Nederland komen, de migranten, maar ook van desamenleving dat er verbinding komt, want taal verbindt.Minister Paul:Dat is helemaal waar: taal verbindt. Ik vind het ook belangrijk dat arbeids-en kennismigranten die langdurig hier willen blijven ook de Nederlandsetaal leren. Zoals mevrouw Saris terecht zegt, zorgt het voor betereparticipatie op de werkplek en veiligheid op de werkplek, maar het zorgt erook voor dat je een goed gesprek kunt voeren met de huisarts of op deschool van je kinderen. Voor de zomer heeft uw Kamer een uitgebreidebrief ontvangen over de sociale inbedding en taalbeheersing vanarbeidsmigranten. Hier staan verschillende maatregelen in om dit teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130343 verbeteren. Op dit moment vind ik een verplichting voor werkgevers ofwerknemers om de Nederlandse taal te leren of als voertaal te gebruikenniet wenselijk en niet in lijn met de inzet van het kabinet. Het biedtnamelijk te weinig ruimte voor maatwerk en leidt tot meer regeldruk,bijvoorbeeld voor werkgevers die opereren in een internationale contextwaar Engels de voertaal is. Daarnaast – volgens mij refereerde mevrouwSaris daar zelf ook al aan in haar inbreng – kan een taaleis zorgen vooronbedoelde indirecte discriminatie. Dit zou kunnen leiden tot eenbelemmering van het vrije verkeer aangezien het voor EU-burgers die nietde Nederlandse taal spreken moeilijker zal zijn om in Nederland tewerken.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we nu naar de afronding van de eerste termijn. Ikstel een hele korte tweede termijn voor, al was het maar omdat ik zo alseerste het woord ga geven aan de heer Ergin. Hij gaat dan iets aankon-digen waardoor ik denk: u krijgt nog heel veel podium en tijd op eenandere plek. Het woord is aan de heer Ergin. Iedereen heeft zo’n ander-halve minuut. Meneer Ergin, u als eerste.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, zo lang heb ik niet nodig. Ik zou graag moties willen indienen.Daarom vraag ik een tweeminutendebat aan. Ik zal nu gelijk dit debatverlaten. Ik moet naar boven, naar de plenaire zaal, voor het debat overinflatie.De voorzitter:Velen van ons hebben last van heel veel debatten in die laatste tweeweken, dus het zij u vergeven. Het tweeminutendebat is bij dezenaangevraagd.De heer Ergin (DENK):Ik vraag om het zo snel mogelijk in te plannen; dat moest ik erbijvermelden, heb ik gisteren gehoord.De voorzitter:Het zal ...De heer Ergin (DENK):Voor het reces.De voorzitter:«Voor het reces» geven wij mee aan de Voorzitter. U weet dat ik diebelofte niet mag doen, maar het wordt meegegeven aan de Voorzitter.Rekent u er maar op dat u vrijdagnacht niet naar huis gaat. Ik heb het overvolgende week vrijdagnacht. De heer De Beer.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ik kan en zal het kort houden. Wat de VVD betreft isarbeidsmarktbeleid meer dan alleen cijfers en regelingen. Ook in hetdebat kwam dat net duidelijk naar voren. Het gaat over de ruimte voorondernemers, de kansen van werknemers, het benutten van talent, onzewelvaart, maar ook over de vrijheid en veiligheid van ons land. Daaromhebben we aandacht gevraagd voor de regeldruk. De Minister heeftduidelijk aangegeven samen op te trekken in het kabinet met de Ministervan EZ. Het enige dat ik daarin nog zou willen meegeven, is: redeneer bijhet inventariseren en wegen van de verschillende belangen rondomregels vooral vanuit «ja, mits», in de zin van «kunnen we regels schrappenen wat is ervoor nodig om dat goed te laten landen?» in plaats vanstandaard vanuit «nee, tenzij».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130344 Mijn tweede blokje ging over regionale samenwerking en de scholings-fondsen. Ik deel de mening van de Minister helemaal als het gaat over hetaanhaken van werkgevers- en werknemersorganisaties. Ze heeft een heelduidelijk antwoord gegeven over de mogelijkheden van een SLIM-regeling en het betrekken van scholingsfondsen in de toekomst. Wat mijbetreft is dat prima.Het derde blokje ging over de rechtspositie van reservisten. Daarin gaf zeduidelijk aan meer ruimte te willen zoeken voor die reservisten, maar welin balans met de belangen van werkgevers en werknemers. Als we datverder gaan verkennen in de komende tijd, dan kan ik daar helemaal meeuit de voeten.Ik heb dus geen aanvullende vragen.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Bamenga, D66.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Discriminatie op de arbeidsmarkt moet zichtbaar,structureel en proactief worden aangepakt, want in een tijd van groeiendepersoneelstekorten kunnen we het ons niet permitteren om talent teverspillen. Wie echt werk wil maken van een sterke en toekomstbesten-dige arbeidsmarkt, moet zorgen dat iedereen kan meedoen. Gelijkekansen zijn in dat licht geen bijzaak maar een harde voorwaarde voor eengoed functionerende arbeidsmarkt, voor een economie die blijft draaien.Dat is precies waar D66 zich voor wil blijven inzetten, want gelijke kansenzijn geen bijzaak; ze vormen de basis van een rechtvaardige samenlevingen sterke economie.Ik wil de Minister in ieder geval danken voor de antwoorden. We zijn hetniet over alles met elkaar eens, maar misschien voeren wij dit debat in detoekomst nog verder.Dank u wel.De voorzitter:En last but zeker not least, mevrouw Saris.Mevrouw Saris (NSC):Thank you. In keurig Nederlands: dank u wel. Ik dank ook de Minister voorde beantwoording in eerste termijn. Uit haar antwoorden in dit debat enop de gestelde Kamervragen over de regionale scholingsfondsen maak ikop dat zij het belang van deze fondsen en een sterke regionale arbeids-marktinfrastructuur echt inziet.Echter, het blijft helaas nog wel bij het benadrukken ervan, in plaats vanhet daadwerkelijk in staat stellen van regionale scholingsfondsen omgebruik te maken van die SLIM-regeling. Wij horen ook dat groteresectoren, zoals de zorg en de metaalsector, afzien van een SLIM-aanvraag,omdat de regeling te complex en onuitvoerbaar is. De regionalescholingsfondsen maken juist werk van de toeleiding van zijinstromers insamenwerking met werkgevers en O&O-fondsen. In het aangekondigdetweeminutendebat ga ik hieraan zeker nog aandacht besteden, maar is deMinister voor nu al wel bereid om toe te zeggen om nog dit jaar ingesprek te gaan met een afvaardiging van deze scholingsfondsen overwat zij nodig hebben om hun potentie maximaal te benutten?Voorzitter. Bij het belang van het spreken van de Nederlandse taal willenwij nog een stap verder gaan. Ik zie daarom ook uit naar het tweeminuten-debat.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. We gaan niet schorsen. We gaan meteen door naar deMinister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130345 Minister Paul:Voorzitter. Ik wil de leden heel hartelijk bedanken voor de constructievebijdragen. Ik kijk ook uit naar dat tweeminutendebat. Ik kan in ieder gevalrichting mevrouw Saris toezeggen dat ik graag in gesprek ga met dieafvaardiging. Daar zal ongetwijfeld waardevolle input gegeven worden.Die nemen we dan gewoon mee in de uitvoering van onze plannen. Dusdank, en dank aan de voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we deze vergadering afronden door nog even dedrie door mij genoteerde toezeggingen voor te lezen. Toezeggingen – ikkijk specifiek naar één iemand – moeten voor ons verifieerbare toezeg-gingen zijn. Oftewel, het is geen toezegging als de Minister heeft gezegd«het heeft mijn aandacht en ik ben ermee bezig». Het moet concreetleiden tot brieven of anderszins. Dan kom ik tot een drietal toezeggingen.−Eén. De brief over het LLO-beleid wordt eind dit jaar aan de Kamergezonden.−Twee. De Kamer wordt in het voorjaar van 2026 verder geïnformeerdover de uitwerking van de motie-Westerveld/Patijn over ernstig ziekekinderen.−Drie. De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 geïnformeerd over depositie van reservisten. Dit doet de Minister samen met de Ministervan Defensie.Ik zie tot drie keer toe ter rechterzijde geknik, waarmee ze zijn vastgelegd.Tot slot constateer ik even dat er een tweeminutendebat is aangevraagd,waarbij het lid Ergin de eerste spreker zal zijn. Ik merk op dat er minimaaléén iemand is die niet tevreden is op dit moment, en we kunnen natuurlijkniet naar huis als mevrouw Saris niet tevreden is!Mevrouw Saris (NSC):Misschien heb ik niet goed opgelet, maar had u de laatste toezegging aanmij, over de regionale fondsen, opgenoemd, voorzitter?De voorzitter:De Minister heeft inderdaad toegezegd dat ze in gesprek zou gaan, maarze heeft niet toegezegd daarover vervolgens een verslag of een brief naaru te sturen. Dat maakt ’m voor ons niet verifieerbaar, tenzij de Minister nuzegt: ik zal daar kort verslag van doen.Minister Paul:We gaan kijken of we dat mee kunnen nemen in de LLO-brief. Het is altijdlastig om iets toe te zeggen. Kijk, als ik hier publiekelijk beloof dat ik ingesprek ga, dan doe ik dat. De heer Van der Burg weet dat. Maar het isook een beetje ...De voorzitter:Ik ken de Minister al véél langer dan vandaag.Minister Paul:Het voelt ook een beetje zot om daar dan weer een soort afschrift van testuren. Ik ga dat gewoon doen. Als daar relevante punten uit komen diewe kunnen meenemen in de LLO-brief, dan gaan we dat ook doen.Hebben we ’m zo?Mevrouw Saris (NSC):Kijk, ik ken deze Minister nog niet zo lang, maar de indruk is dat afspraakafspraak is. Ik ga hiermee akkoord. Dank u wel.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130346 Ooit was de Minister mijn vicevoorzitter. Gelooft u mij, als zij iets zegt, dankomt ze het na; dat zei ik als oud-lid van deze vicevoorzitter. Dat gezegdhebbende sluit ik deze vergadering. Ik zie u ongetwijfeld komende weeknog een keer of 300.Sluiting 16.19 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 130347
Gerelateerde bronnen
- Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 24 september 2025, over Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.