Voortgang nieuwbouw kernenergie mei 2025
Brontekst
Versie cbab3dabcd53dc50 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 645KernenergieNr. 156 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 mei 2025Meer dan ooit is duidelijk hoe belangrijk het is dat ons land zo onafhan-kelijk mogelijk is in haar energievoorziening. Meer dan ooit zien we hetbelang van het hier ontwikkelen van nieuwe energiebronnen en nieuwetechnieken. Het maakt ons veiliger en sterker, zowel nu als in de toekomst.De noodzaak om onze energievoorziening naast onafhankelijk ook schoon,betrouwbaar en betaalbaar te houden is urgenter dan ooit. Er zijn al eenhoop stappen gezet, maar nu is het tijd om door te pakken.Nederland staat aan de vooravond van een beslissende fase in derealisatie van een robuust, toekomstbestendig energiesysteem.Kernenergie is daarin geen aanvulling, maar een noodzakelijke pijler. Indie context benadrukt het kabinet nogmaals met overtuiging het belangvan kernenergie als integraal onderdeel van de energiemix. Niet omdathet eenvoudig is, maar omdat het essentieel is. Kernenergie gaat eenbelangrijke rol spelen in een divers, weerbaar, CO2-vrij en betrouwbaarenergiesysteem. Juist omdat het kabinet deze keuze met volle overtuigingmaakt, hecht het sterk aan een zorgvuldige en realistische aanpak. Welaten ons niet leiden door wensdenken of overspannen tijdlijnen, maardoor technische feiten, internationale ervaringen en een gefaseerdebesluitvorming. Alleen zo kunnen we een stevig fundament leggen voorde bouw van nieuwe kerncentrales. Dit betekent dat we nu in een nieuwefase komen: een fase waarin de bouwstenen worden gelegd, waarinkeuzes over technologie en locatie worden voorbereid en financiële enjuridische structuren vorm krijgen. Een fase waarin richting wordtgegeven en ruimte blijft om op basis van nieuwe inzichten bij te sturen.Kernenergie draagt wezenlijk bij aan onze strategische energieonafhanke-lijkheid. In een wereld waarin geopolitieke spanningen en internationaleafhankelijkheden de energiezekerheid onder druk zetten, is het van grootbelang dat Nederland minder kwetsbaar is voor schokken op de wereld-markt. De inzet op kernenergie vergroot onze strategische autonomie: hetmaakt ons minder afhankelijk van de import van fossiele brandstoffen,levert stabiel en regelbaar vermogen voor als de zon niet schijnt en de kst-32645-156ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1561 wind niet waait en maakt ons minder afhankelijk van landen waarpolitieke stabiliteit niet altijd gegarandeerd is. Daarmee versterken we ookde geopolitieke weerbaarheid van Nederland en Europa als geheel. Hetkabinet werkt daarom onverminderd door aan de voorbereidingen voorde bouw van nieuwe kerncentrales Daarvoor zijn reeds de eerstebelangrijke stappen gezet op het gebied van locatiekeuze, technologiese-lectie, financiering, de oprichting van een beleidsdeelneming en debedrijfsduurverlenging van de bestaande kerncentrale in Borssele. Ditkabinet hecht aan voortgang en realisme. Op basis van de laatsteonderzoeken en internationale ervaringen en in de wetenschap dat eennucleair nieuwbouwproject complex is. Dus stuurt dit kabinet bij met eenrealistische aanpak en een robuuste planning zodat we onnodige risico’sin latere fasen beperken en tegelijkertijd de voortgang te-waarborgen.Met deze voortgangsbrief informeert het kabinet de Kamer over destappen die gezet zijn en de keuzes die voorliggen binnen het nucleairenieuwbouwprogramma. De brief gaat in op de uitkomsten van technischeonderzoeken die zijn uitgevoerd in samenwerking met technologieleve-ranciers en zijn gevalideerd door een onafhankelijke partij. Daarnaastbevat de brief een doorkijk naar mogelijke locaties, geeft zij inzicht in devoortgang van het rijk-regiopakket, de financieringsstructuur en deoprichting van een beleidsdeelneming. Ook wordt ingegaan op hetwijzigingsvoorstel van de Kernenergiewet ten behoeve van de bedrijfs-duurverlenging van de bestaande kerncentrale in Borssele.In onderstaande figuur zijn de verschillende werksporen hiervooruiteengezet en in volgorde geplaatst om de onderlinge samenhang weerte geven. Het figuur laat tevens zien hoe het kabinet beweegt vaninformatie ophalen naar besluitvorming. Tenslotte gaat het kabinet in dezebrief in op het aanbieden van een wijzigingsvoorstel van de Kernener-giewet aan de Raad van State ten behoeve van de bedrijfsduurverlengingvoor de kerncentrale in Borssele.Technische haalbaarheidsstudies, Third Party Review en planningIn de technische haalbaarheidsstudies is aan drie technologieleveranciersgevraagd te onderzoeken of hun ontwerpen voldoen aan de Nederlandsewet- en regelgeving, of ze in Borssele (naast het EPZ-terrein) passen, wateen inschatting is van de benodigde bouwtijd en wat de ingeschattekosten zijn. Dit is essentiële informatie voor het verder vormgeven van detechnologieselectie. De resultaten uit de technische haalbaarheidsstudies,gevalideerd in de Third Party Review (TPR), bieden inzichten in degrootste risico’s voor de vergunbaarheid door de Autoriteit NucleaireVeiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), waarmee het risico opontwerpaanpassing is verlaagd en daarmee ook het vertragingsrisico laterFiguur 1: Op hooflijnen geschetste werksporenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1562 in het proces. Tevens wordt de informatie gebruikt voor de projectpro-cedure, de ontwikkeling van de beleidsdeelneming en het rijk-regiopakket. Tot slot hebben deze studies de kennis voor de benodigdevervolgstappen verdiept en helpt dit om risico’s voor het nieuwbouw-project te verlagen.Stand van zakenDe verificatie en validatie van de resultaten van de technische haalbaar-heidsstudies zijn onlangs door een onafhankelijke partij afgerond (zie ookbijgevoegd TPR-rapport).Vergunbaarheid door de ANVSDe Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeftop basis van de technische haalbaarheidsstudies een Algemeen beelduitgebracht1. Hieruit blijkt dat de ANVS vooralsnog geen aanleiding zietom aan te nemen dat één van deze ontwerpen niet vergunbaar zoukunnen zijn in Nederland. Daarnaast is in een vroeg stadium duidelijkergeworden welke geverifieerde informatie de technologieleveranciers inhet verdere proces nog moeten aanleveren om aan de ANVS, alsonafhankelijk toezichthouder, aan te tonen dat de ontwerpen ookdaadwerkelijk voldoen aan de wet- en regelgeving. Hiermee is het risicoop onverwachte ontwerpaanpassingen verlaagd.Haalbaarheid voorkeurslocatieIn de technische haalbaarheidsstudies hebben de technologieleveranciersonderzocht hoe de ontwerpen in Borssele (naast het EPZ-terrein) fysiekingepast kunnen worden. De TPR heeft deze resultaten gevalideerd en laatzien dat er aanpassingen aan de locatie in Borssele nodig zijn om deverschillende ontwerpen fysiek in te kunnen passen. Voor een competitiefvervolgproces in de technologieselectie is het nodig dat meer dan éénontwerp fysiek ingepast kan worden. De benodigde aanpassingenhiervoor op de locatie in Borssele betekenen onder meer dat het noodza-kelijk is de dijk en de infrastructuur die tussen de huidige kerncentrale enhet onderzochte terrein lopen te verleggen en dat voor de constructiefasetijdelijk een groter aangrenzend of zo dichtbij mogelijk landoppervlaknodig is, dan nu beschikbaar. Met deze aanpassingen kunnen alleontwerpen voor twee centrales ingepast worden op deze locatie, hoeweldit uiteraard gepaard zal gaan met forse impact op tijd en kosten. Zonderaanpassingen op de onderzochte locatie zullen de ontwerpen naarverwachting niet onderling concurrerend zijn qua kosten, planning enrisicoprofiel, omdat de benodigde ruimte voor de verschillendeontwerpen aanzienlijk verschillen.Voor de constructie van de twee kerncentrales is als benoemd tijdelijk eengroter landoppervlak nodig dan de ruimte die de uiteindelijke centralesinneemt. Het gaat dan bijvoorbeeld om tijdelijke infrastructuur alsbetoninstallaties of het tijdelijk opslaan en verwerken van afgegravengrond. Vanwege het verschil in omvang en modulariteit van de installatiesverschilt deze ruimte per technologieleverancier. De TPR adviseertdaarom, als de locatiekeuze op Borssele valt, te kijken naar de (verdere)verruiming in de nabijheid van de bouwlocatie. Gezien de directesamenhang tussen locatie, beschikbare ruimte en de uiteindelijke kostenen risico’s, is het van belang de projectprocedure zorgvuldig te doorlopen,1https://www.autoriteitnvs.nl/documenten/publicatie/2025/03/25/anvs-beeld-uitkomsten-technische-haalbaarheidsstudies-kerncentralesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1563 mede om tot een competitief technologieselectieproces te komen. Met dehuidige aanpak zet het kabinet hierop in.De technische onderzoeken hebben veel kennis opgeleverd over de locatieBorssele, maar ook wat nodig is om op andere locaties de technischehaalbaarheid te onderzoeken. Met het vroegtijdig uitvoeren van dezetechnische onderzoeken heeft het kabinet een groter inzicht gekregen inde factoren die van invloed zijn op kosten en planning voor de bouw vankerncentrales en de rol die de locatiekeuze hierin speelt. De zes grootstekosten/tijddrijvers zijn (afwezigheid van) transportinfrastructuur, onder-grond en funderingen, koelwateroplossing, beschikbaar land enbouwplanning, externe risico’s en benodigde overstromingsbescherming.Deze zijn specifiek voor Borssele in beeld gebracht en hoe deze daareventueel te mitigeren zijn. Deze kosten- en tijddrijvers worden ookmeegenomen in andere locaties die worden onderzocht in de projectpro-cedure. Ook voor deze locaties verwacht het kabinet complexiteiten aan tetreffen. Voor alle locaties zullen in meer of mindere mate aanpassingennoodzakelijk zijn om ze geschikt te maken. Door de impact van deze zesfactoren in beeld te brengen voor de andere locaties, hoeft er niet voorelke locatie een volledige technische haalbaarheidsstudie uitgevoerd teworden. Hiermee wordt de projectprocedure verstevigd, is het benodigdetechnische onderzoek al (deels) uitgevoerd en is het kabinet volgend jaarin staat een robuuste keuze te maken voor de locatie op basis vangelijkwaardige informatie. Onder de paragraaf locatiekeuze wordt verderingegaan op de procedures die lopen om hiertoe te komen.Inzichten bouwtijdDe TPR geeft ook inzicht in de tijdlijn en concludeert dat de tijdlijn om in2035 de eerste centrale operationeel te hebben niet realistisch is. Ditjaartal uit de BCG-planningsanalyse2 was destijds de eerste schatting diemet omgeven met veel onzekerheid gegeven kon worden. De TPRconcludeert dat realisatie eind jaren »30 op zijn vroegst haalbaar lijkt,maar nog steeds onzekerheden kent. Een dergelijk complex en langdurigproces als de bouw van kerncentrales kent veel onzekerheden. Het proceslaat zich op de korte termijn (2–3 jaar) plannen, verder vooruitkijken isdoor die onzekerheden ingewikkeld.De uiteindelijke technische planning wordt in grote mate bepaald door decombinatie van de keuze voor locatie en techniek. De ene locatie zal meeraanpassingen vergen dan de andere en hetzelfde geldt voor het typeontwerp. Het kabinet wil daarom zicht krijgen op de meest kansrijkecombinaties van locatie en ontwerp om het beste resultaat te kunnenboeken zonder onverantwoorde risico’s te nemen. Uiteraard neemt hetkabinet hier maatschappelijke impact en draagvlak mee in zijn afwegingom zo snel mogelijk tot realisatie van de kerncentrales te komen. Hetkabinet legt prioriteit bij het beoordelen van de locaties op de belang-rijkste kosten- en tijddrijvers, naast onder andere milieu en energetischeimpact en draagvlak. Het kabinet focust daarbij op de stappen die het inde komende jaren kan nemen om die tijdlijn zo kort mogelijk te houden.Daarnaast zet het kabinet nu al in op randvoorwaarden om de bouw tebespoedigen. Bijvoorbeeld door te investeren in de randvoorwaardenzoals de Human Capital Agenda en het versterken van toeleverketenswaarbij ook de Nederlandse industrie van kan profiteren.2Kamerstukken 2022/23 II 32 645, nr. 116 bijlage 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1564 Planning en risico’sZoals is toegezegd in het debat van 12 februari jl.3 komt het kabinet terugop de verschillende mogelijkheden tot versnelling van de tijdlijn enbijbehorende risico’s, ook mede n.a.v. de motie Kops4. Onderstaand zijnde belangrijkste mogelijkheden uiteengezet:–Fase van technologie- en locatieselectie: voordat het projectbesluitonherroepelijk is al omliggende gronden verkrijgen en/of eerstewerkzaamheden (earlyworks) starten op één of meerdere beoogdelocaties, werkzaamheden starten voor de beoogde eigenaar die buitende verantwoordelijkheid van de technologieleverancier vallen alstarten. Dit met het risico dat uiteindelijk een andere locatie wordtgekozen of de locaties anders vorm worden gegeven met extra kostenals gevolg.–Fase van technologie- en locatieselectie: inzetten op voortijdige bouw-en opslagterreinen (laydown area’s), loodsen voor opslag vangrootschalige items, woningen voor werknemers zo dicht als mogelijkbij de locatie om kosten en tijd te besparen, ook als dit betekent dat erbedrijven of natuur tijdelijk verplaatst moeten worden tijdens de bouw.–Fase van projectvoorbereiding en -bouw: (onderdelen van) dereactoren, waarvan er slechts een paar per jaar kunnen wordengemaakt (long lead items) nu al (productiecapaciteit voor) reserveren,verkleint het risico op vertraging tijdens de bouw. Dit is kostbaar om alte doen, zeker voordat een technologieleverancier gekozen is en metde reservering of bestelling kosten gepaard gaan die (maar voor eendeel) verkocht of geruild kunnen worden bij de leverancier of metandere partijen.–Fase van projectvoorbereiding en -bouw: het kost tijd om de Neder-landse industrie te certificeren om componenten voor de bouw van dekerncentrales te mogen leveren (het gaat daarbij niet om de primaireonderdelen die door de technologieleveranciers worden geleverd) enzodoende bij te kunnen dragen en profijt hebben te van de bouw. Alsbijvoorbeeld gekozen wordt voor een meer modulair ontwerp datelders gebouwd wordt of waarvoor buitenlandse expertise in tevliegen zonder de voordelen voor de Nederlandse industrie, is ditmogelijk sneller en goedkoper.Dit zijn voorbeelden van complexe afwegingen die het kabinet meeneemtbij het uitwerken van de uitgangspunten en planning voor de komende2–3 jaar om tot een daadwerkelijke technologieselectie te komen. Dezeopties neemt het kabinet mee in de uitgangspunten en planning van detechnologieselectie die na de zomer aan de Kamer voorlegt.TechnologieselectieIn de TPR is ook geadviseerd over de vervolgstappen en de inrichting vande technologieselectie. Naar aanleiding van dit advies is het kabinetvoornemens om de technologieselectie als competitieve en flexibeleprocedure in te richten. Daarbij gaat de voorkeur uit naar een internati-onaal erkende systematiek. Hierbij hecht het kabinet aan een vorm waarbijhet in gesprek blijven met technologieleveranciers gedurende deprocedure mogelijk blijft. Het heeft de voorkeur om eisen aan debiedingen met de technologieleveranciers te verkennen, voordat dezeworden vastgelegd. In gesprek blijven met de technologieleveranciershelpt om, voor dit project specifieke obstakels, gedurende het proces opte lossen, in plaats van op het einde te concluderen dat de leveranciersniet kunnen voldoen terwijl alternatieven mogelijk waren geweest. De3TZ202502–1574Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 146Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1565 voorkeur gaat eveneens uit naar een gefaseerde inrichting, waarbij iniedere fase onderdelen van de biedingen besproken en vastgelegd kunnenworden en eventueel het proces als geheel sneller kan worden doorlopen.Het is in de procedure belangrijk dat deze de mogelijkheid biedt om eencompetitieve technologieselectieprocedure te starten terwijl de locatie-keuze parallel afgerond wordt. In de eerste fase van het proces wordendan locatieonafhankelijke aspecten besproken, waarna ten tijde van delocatiekeuze in de projectprocedure kunnen dan overige (locatiege-bonden) aspecten aan bod komen. Dit betekent dat leveranciers maximaalin concurrentie met elkaar kunnen gaan, terwijl tegelijkertijd flexibiliteitwordt behouden om inzichten, technologie- en ontwerpspecificaties vankomende jaren te gebruiken in de uiteindelijke technologiekeuze. Dit heeftde voorkeur ten aanzien van andere inkoopprocedures, waarbij opvoorhand alle specificaties vastgelegd zijn. Ook bevordert de genoemdevorm onderlinge concurrentie, wat de Nederlandse staat een competitiefproject oplevert. Dit in tegenstelling tot techniekselectie gekoppeld aaneen onderlinge overeenkomst met een andere overheid, zoals deVerenigde Staten of Frankrijk, waarbij er zonder concurrentie eentechnologiekeuze wordt gemaakt.Het is bij de bovengenoemde procedure van belang dat de beoogdebeleidsdeelneming voldoende in middelen en expertise is toegerust omalle technische specificaties te kunnen opstellen en biedingen te kunnenevalueren. Het kabinet zet hier dan ook op in. Tegelijkertijd werkt hetkabinet aan de uitgangspunten die de basis vormen voor de criteria diegehanteerd worden voor de technologieselectie. De uitgangspunten enplanning voor de komende 2–3 jaar om tot een daadwerkelijke technolo-gieselectie te komen legt het kabinet na de zomer aan de Kamer voor.In het kader van technologieselectie is het relevant dat na de terugtrekkingvan KHNP 5 zowel Westinghouse als EDF hebben aangegeven graag actiefen intensief in gesprek te blijven over de wijze waarop hun technologie inNederland kan worden ingepast. Dit sluit aan bij de strategie om inNederland blijvend in te zetten op onderlinge concurrentie om de besteuitkomst in Nederland te realiseren.In het commissiedebat over kernenergie op 12 februari 2025 is gevraagdin te gaan op het rapport dat door de Franse Rekenkamer is gepubliceerdover EDF.6 De belangrijkste conclusie is dat de Franse Rekenkameradviseert dat EDF terughoudend moet zijn bij het aangaan van grotefinanciële risico’s. Dit naar aanleiding van de financiële gevolgen die hetbedrijf ondervindt als gevolg van kostenoverschrijdingen bij Hinkley PointC, waarin EDF een meerderheidsbelang heeft. In Nederland is deverwachting dat EDF, net als Westinghouse, geen of een zeer beperkte rolin dat opzicht zal willen vervullen. Daarmee is de verwachte rol van EDFwezenlijk anders dan bij Hinkley Point C. Deze verwachting blijkt bijvoor-beeld uit de uitkomsten van de marktconsultatie die vorig jaar zijnverstuurd.7 De conclusies van de Franse Rekenkamer zijn in lijn met dezeverwachtingen.Zonder (meerderheids)belang is het nog steeds mogelijk om risico’stussen technologieleverancier en de Nederlandse staat te delen. In groteinfrastructurele projecten, waaronder kernenergie, wordt dit veelalvormgegeven in het delivery model dat wordt vastgelegd bij de contrac-tering van het project, bijvoorbeeld door prijsafspraken te maken voor5Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.1396Rapport public thématique La filière EPR : une dynamique nouvelle, des risques persistants7Kamerstukken II, 2023/24, 32 645, nr. 132Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1566 onderdelen van het geheel. Hiermee blijft er een prikkel om het project optijd en binnen de geraamde kosten af te leveren. In de TPR is er daaromook aandacht voor het delivery model. In de vormgeving van de technolo-gieselectie en de uiteindelijke keuze van voorkeursleverancier, neemt hetkabinet de allocatie van risico’s tussen partijen mee.FinancieringHet kabinet heeft verschillende onderzoeken uitgevoerd om de beoogdefinancieringsstructuur voor de nieuwbouw vorm te geven, inclusief de rolvan de Nederlandse staat daarbij in de vorm van een GovernmentSupport Package (GSP). In de Kamerbrief van november 20248 isgeconcludeerd dat de beschikbare gereserveerde middelen in hetKlimaatfonds niet voldoende zijn voor de realisatie van vier kerncentrales.De ruimte tussen de benodigde en beschikbare middelen voor de bouwzal naar verwachting niet gedekt worden door de private sector zonder dathier vergaande garanties door de Nederlandse staat voor wordenverstrekt, gezien de verwachte beperkte beschikbaarheid van privatefinanciering gedurende de bouwfase van het project. De komendemaanden laat het kabinet mogelijke financieringsstructuren voor het GSPonderzoeken en doorrekenen. De ambitie is om in de volgende voort-gangsbrief na de zomer een kabinetsvoorstel voor de contouren van eenGSP op te nemen.Stand van zakenBenodigde investering voor de kerncentralesDe TPR heeft een eerste beeld geschetst van de verwachte benodigdeinvestering voor de bouw van twee kerncentrales. Dit beeld is in eenbandbreedte gevat. Die bandbreedte is € 20 tot € 30 miljard aan inves-tering voor de bouw van twee kerncentrales. Het kabinet benadrukt dat diteen inschatting is van een bandbreedte die nog veel onzekerheden bevaten daarom nog erg breed is. Deze bandbreedte is inclusief de kosten diede eigenaar moet maken voor het project (de owner’s scope), en die nietonder de toekomstige verantwoordelijkheid van de technologieleveranciervallen. Dit gaat bijvoorbeeld om aanpassingen aan de locatie om dezegeschikt te maken voor de bouw van de centrales. Deze bandbreedte isexclusief financieringslasten (rente).De bandbreedte is uiteraard afhankelijk van de technologieleverancier dieverschillen in benodigde investering per reactor, omdat de omvang vande centrales verschilt (1,050 tot 1,650 MW). Daarnaast heeft de uiteinde-lijke locatiekeuze veel impact op de omvang van de totale investering. Deonzekerheid zal dus afnemen naarmate het project verder in het selectie-proces komt, en er op termijn toegewerkt wordt naar het tekenen van eencontract met een technologieleverancier. Dit is kenmerkend voor groteinfrastructuurprojecten, waarbij verschillende additionele technischestudies en onderhandelingen door een projectontwikkelaar met de eigentoeleveringsketen nodig zijn over de looptijd van de voorbereiding van debouw, om meer zekerheid te krijgen over de benodigde investering.Deze bandbreedte komt overeen met de kostenindicaties van kernenergie-projecten in andere Europese landen. Recent zijn bijvoorbeeld dekosteninschattingen voor de bouw van kerncentrales in Sloveniëbekendgemaakt. De Sloveense overheid verwacht dat de bouw van éénreactor tussen de € 9.5 (het Amerikaanse AP-1000 ontwerp, met 1,050 MWcapaciteit) en € 15.4 miljard (het Franse EPR ontwerp, met 1,650 MW8Kamerstukken II 2024/25, 32 645, nr. 132Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1567 capaciteit) gaat kosten. In Tsjechië is KHNP gekozen als technologieleve-rancier, met verwachte kosten van circa € 8 miljard per reactor (KoreaanseAP-1400 MW ontwerp). In Polen is de verwachting dat de bouw van 3reactoren van het Amerikaanse AP-1000 ontwerp tussen de € 35 en € 45miljard gaat kosten. De kosten van de bouwprojecten in diverse Europeselanden zijn niet één-op-éen vergelijkbaar met elkaar en het Nederlandseproject. Er zijn bijvoorbeeld verschillen in de owner scope die voorzienwordt voor de bouw van de kerncentrale. Andere factoren die impacthebben op de totaalprijs zijn bijvoorbeeld het deels voorhanden hebbenvan een lokale toeleveringsketen of de kosten van arbeid. Het overzichtvan de globale kostenindicaties uit Slovenië, Tsjechië, en Polen geeftdesalniettemin het beeld dat de inschattingen voor het Nederlandsenieuwbouwproject niet uit de pas lopen met andere projecten in Europa.Systeemkosten kernenergieTNO voert op dit moment een verdiepingsstudie uit waarin de systeem-kosten van het energiesysteem worden vergeleken tussen een scenariozonder kerncentrales en scenario’s met twee en vier kerncentrales. In dezestudie wordt onderzocht waar er in het systeem sprake is van systeem-baten als gevolg van het opstellen van nieuwe kerncentrales, onderandere in relatie tot de flexibiliteitsbehoefte en investeringen in infra-structuur. Concreet kijkt TNO bijvoorbeeld naar de impact die hettoevoegen van nieuwe kerncentrales in het energiesysteem heeft op dehoeveelheid benodigde waterstofproductie en -opslag (flexibiliteitsbe-hoefte) en de kosten die hiermee gemoeid zijn. Investeren in kernenergiekan leiden tot verminderde investeringen ergens anders in het energie-systeem. Naast directe systeemkosten spelen ook overwegingen alsleveringszekerheid, importafhankelijkheid en diversificatie een rol. Dezestudie en een appreciatie hiervan verwacht het kabinet mee te zenden inde volgende voortgangsbrief.Buitenlandse voorbeelden van financieringsstructuur voor benodigdeinvesteringIn het buitenland zijn verschillende voorbeelden van de wijze waaropoverheden de investering voor de kerncentrales financieren. De TPRbehandelt buitenlandse cases voor de financiering van kerncentrales, enhet kabinet kijkt met veel interesse naar keuzes in andere landen inEuropa.In het Sizewell C project in het Verenigd Koninkrijk (VK) wordt hetRegulated Asset Base (RAB) model toegepast, waarbij de private sectorvanaf de start van de bouw investeert en een gegarandeerd rendement opzijn investering ontvangt tijdens de bouwperiode, waardoor de financiëlerisico’s voor deze investeerders verminderd worden. Het VK beoogthiermee zoveel mogelijk privaat kapitaal op te halen, onder andere omdathet significante ambities heeft voor verdere nucleaire nieuwbouw en hetoverheidsmiddelen ook voor toekomstige projecten beschikbaar wilhebben. Het rendement dat private partijen ontvangen wordt gefinancierddoor middel van een opslag op de energierekeningen voor Britseeindgebruikers, waarmee de gebruikers van de elektriciteit in de kostendelen van de bouw van een kerncentrale. Hiermee verlegt het VK derisico’s van het project van de eigenaren en investeerders naar deeindgebruikers.In zowel Polen als Tsjechië wordt de bouw (grotendeels) publiek gefinan-cierd. In Polen wordt dit gedaan door een kapitaalstorting van € 14 miljardvanuit de staat. Polen is voornemens het resterende bedrag aan te trekkenvanuit de private sector. De Poolse overheid geeft voor deze privateTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1568 financiering een volledige garantie. Als de lening niet terugbetaald kanworden uit het project, zal de Poolse overheid dit doen. Als er onvol-doende private financiering wordt aangetrokken, zal de Poolse overheidhet verschil met overheidsleningen overbruggen. De overheid vanTsjechië heeft ervoor gekozen om vrijwel alle financiering als publiekelening te voorzien, zonder private financiering. Deze beide landen hebbendus gekozen voor een grote rol van de overheid in de financiering van debouw. Dit zorgt voor lagere financieringslasten voor het nieuwbouw-project ten opzichte van private financiering zonder overheidsgaranties.Daarnaast wordt door deze landen exploitatieondersteuning toegepasttijdens de operationele fase door middel van een Contract for Difference(CfD). De Europese Commissie heeft de staatsteun goedkeuring verleendop de CfD structuur voor nucleaire nieuwbouw in Tsjechië als onderdeelvan zijn financieringsstructuur. Polen heeft een CfD structuur alsonderdeel van zijn financieringspakket ter voorafgaande goedkeuringvoorgelegd aan de Europese Commissie.Afwegingen richting een besluit over de financieringsstructuurHet kabinet werkt met een aantal afwegingscriteria en randvoorwaardenom de keuze voor een financieringsstructuur te kunnen maken. Belang-rijke afwegingen zijn betaalbaarheid (absolute kosten van het project,inclusief financieringslasten), uitvoerbaarheid, risicoverdeling (tussenstaat, investeerders en leveranciers), impact op schuld en begrotingssaldovan de Nederlandse staat, en controle op het project door de overheid.Belangrijke randvoorwaarden voor een uiteindelijk succesvol traject voorde technologieleveranciers zijn onder andere het afdekken van politiekerisico’s (wegvallen van politieke steun en voldoende draagvlak voorkernenergie). Daarnaast moet het GSP passen binnen de Europese kadersvoor staatssteun. Als de voorgestelde financieringsstructuur in Nederlanddichtbij al goedgekeurde staatssteunpakketten blijft, kan dit tot spoedigevoortgang in de staatssteunprocedure leiden.Planning en conclusiesDe TPR bevestigt de boodschap uit de Kamerbrief van november 2024 datvoor zowel de realisatie van vier als voor twee kerncentrales een groterefinanciële rol van de overheid nodig zal zijn dan de hiervoor beschikbaregereserveerde middelen in het Klimaatfonds, kijkend naar de bandbreedtevan de kosten zoals in deze brief benoemd.De resultaten van de TPR bieden aanbevelingen ten aanzien van concretefinancieringsopties, en bevestigen dat de Nederlandse overheid in iedergeval gedurende de eerste fases van de bouw in een significant deel vande financiering zal moeten voorzien.Het kabinet concludeert ook dat de resterende financieringsvraag voorzowel twee als vier kerncentrales op dit moment groter is dan wat tegenwenselijke voorwaarden op de private markt kan worden aangetrokken,omdat de Nederlandse overheid goedkoper kan lenen dan marktpartijen.Private financiers zullen naar verwachting alleen middelen beschikbaarstellen wanneer de risico’s vrijwel geheel door de Nederlandse overheidworden gedragen, door middel van garanties. Ook met dergelijkegaranties door de Nederlandse overheid is de vraag in hoeverre privatefinanciers tijdens de bouw interesse hebben om deel te nemen, met nameomdat gedurende de bouw er geen rendement zal worden gemaakt.De TPR doet ook de aanbeveling om Export Credit Agency (ECA)instrumenten te onderzoeken als mogelijke aanvullende private finan-ciering. In Polen zijn bijvoorbeeld aanzienlijke bedragen toegezegd doorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 1569 Franse, Canadese, en Amerikaanse ECA’s. Ook voor ECA’s geldt, net alsvoor andere private financiering, dat ze in Nederland een kostenver-hogend effect hebben op het project ten opzichte van publieke finan-ciering, vanwege de lage rente waartegen Nederland kan lenen op deobligatiemarkt.Het kabinet concludeert op basis van de TPR dat het Regulated Asset Base(RAB)-model, zoals in het Verenigd Koninkrijk gebruikt wordt, inNederland niet geschikt is als onderdeel van een Government SupportPackage voor de bouw van kerncentrales.Een RAB-structuur vraagt een juridisch kader dat een wetgevingsprocesmoet doorlopen, wat waarschijnlijk vertragend op de voorbereidingstijdwerkt. Dit wetgevingsproces zal moeten zijn gefinaliseerd voordat detechnologieselectie is afgerond, omdat bij een RAB-model vanaf debouwfase al een vergoeding wordt uitgekeerd aan financiers. Daarnaastzal het de kosten voor gebruikers van elektriciteit verhogen tijdens debouwfase, in de vorm van een opslag op de energierekening. Het kabinetacht dit onwenselijk in de huidige situatie van Nederland met stijgendekosten voor elektriciteit.Gezien de conclusies dat de totale benodigde investering de beschikbarepublieke middelen overstijgt en dat het niet haalbaar is om privatefinanciering tegen voldoende wenselijke voorwaarden aan te trekken,beziet het kabinet hoe om te gaan met het verwachte tekort aan middelenvoor de bouw. Een optie die daarbij betrokken wordt is schuldfinanciering.Eventueel kunnen de ingezette overheidsmiddelen op enig momentworden geherfinancierd met private middelen, bijvoorbeeld als decentrales operationeel zijn en het risicoprofiel voor investeerderssignificant lager is geworden.Richting een voorstel voor de contouren van het Government SupportPackageDe financieringsopties en concrete voorkeuren worden nu doorgerekendom een scherp beeld te krijgen van de kosten van financiering van deverschillende structuren, de uitvoerbaarheid van deze opties, de impactop schuld en saldo van de Nederlandse begroting en de controle die deoverheid kan behouden op de voorbereidingen van en op de uiteindelijkebouw. De concrete opties zijn vooral (varianten op) het Poolse enTsjechische model, waarin een grote rol voor de overheid is weggelegd,zowel via eigenaarschap als via leningen. Er wordt rekening meegehouden dat de precedentwerking in de staatssteunprocedure eenvoordeel kan zijn in de doorlooptijd. Ook wordt met interesse gekekennaar de mogelijkheid van publieke schuldfinanciering, vanwege degunstige Nederlandse positie op de obligatiemarkt en de mogelijkbeperktere impact op het begrotingssaldo.In de volgende voortgangsbrief na de zomer is het de ambitie om met eenkabinetsvoorstel te komen voor de contouren van een financierings-structuur. Dit betekent een voorstel voor één Government SupportPackage, waarvan de contouren (basisprincipes) dan geschetst worden.Daarna zullen deze contouren verder worden uitgewerkt, parallel aan en ininteractie met het selectieproces en de staatssteunprocedure met deEuropese Commissie.LocatieDe projectprocedure leidt tot het aanwijzen van een locatie voor de eerstetwee kerncentrales. In deze procedure moet het kabinet vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15610 projectprocedure verschillende locaties onderzoeken. Hiermee wordtinzicht verkregen in de meest geschikte locatie voor de twee centrales. Hetkabinet wil zo snel mogelijk een locatiebesluit nemen, ook omdat ditduidelijkheid geeft aan betrokken regio’s. Maar het kabinet acht tegelij-kertijd een zorgvuldige projectprocedure van groot belang, gelet op hetdraagvlak voor en de juridische houdbaarheid van het uiteindelijkebesluit. Als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure eenkeuze heeft tussen geschikte locaties, zal het de voorkeur gegeven aaneen locatie in Zeeland.Stand van zakenMomenteel zit dit project in de verkenningsfase van projectprocedure.Deze wordt afgerond met het bepalen van een locatie (voorkeursbe-slissing). In navolging van de publicatie van het Voornemen en voorstelvoor Participatie (VenP) in februari 2024, publiceert het kabinet tegelij-kertijd met deze brief, de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau(concept NRD). Onderdeel hiervan zijn ook het Participatie- en communi-catieplan en de Reactienota waarin de reacties op het VenP beantwoordzijn. Op de concept NRD kan iedereen reageren gedurende een periodevan 6 weken. Daarnaast zal ook advies worden gevraagd aan de betrokkenbestuursorganen en wettelijke adviseurs, zoals de Commissie mer enRijksdienst voor Cultureel Erfgoed.In de concept NRD zijn de resultaten van de verschillende ruimtelijkeonderzoeken terug te vinden. Hierin wordt gemotiveerd welke locatiesnader onderzocht gaan worden, mede gebruikmakend van de lessen uitde TPR zoals hierboven uiteengezet. In de Integrale Effectenanalyse wordtvoor alle onderzochte locaties de samenhang met andere initiatieven in degebieden in beeld gebracht. Deze toekomstvastheid» vormt, samen metde informatie over de effecten op het gebied van milieu, techniek, kostenen omgeving, de beslisinformatie om de voorkeurslocatie te bepalen.Het kabinet heeft bij de totstandkoming van de concept NRD kennisgenomen van het juridisch ingewonnen advies door de provincieGroningen. Het kabinet zal hierop reageren richting de provincie. Hetkabinet blijft bij het standpunt dat, conform het ingewonnen advies van deLandsadvocaat9, het juridisch te risicovol is om uitsluitend vanwegepolitiek-bestuurlijke voorkeuren Eemshaven op voorhand uit te sluiten vanonderzoek. De inhoudelijke argumenten die de contra-expertiseaandraagt, zoals de stapeling van ruimtelijke opgaven en projecten in hetgebied, zijn niet uniek voor de Eemshaven en daarmee onvoldoendereden om het standpunt te herzien. Als het kabinet na het doorlopen vande projectprocedure een keuze heeft tussen geschikte locaties, zal het devoorkeur geven aan een locatie in Zeeland.Het kabinet onderzoekt in de volgende fase in totaal zeven locaties in viergebieden: twee in het Sloegebied, één in Terneuzen, één locatie opMaasvlakte II en drie locaties in de Eemshaven. Er is geen locatie inMaasvlakte I in de concept NRD opgenomen, vanwege de ongunstigekoelwaterbeschikbaarheid in het midden van het havengebied.Om tot een locatiekeuze te komen, hecht het kabinet aan een zorgvuldigen voorspelbaar proces waarbij belanghebbenden in de relevante regio’sworden betrokken. Vooruitlopend op de publicatie van de concept NRDzijn er verschillende rondetafelgesprekken gehouden met maatschappe-lijke en bewonersorganisaties in Oostvoorne en Goes en zijn ergesprekken georganiseerd met de havenbedrijven North Sea Port,9Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 138Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15611 Havenbedrijf Rotterdam en Groningen Seaports. Hierin is input opgehaaldmet betrekking tot het locatieonderzoek. Voor Eemshaven wordt hetrondetafelgesprek georganiseerd tijdens de terinzagelegging.Daarnaast worden de beoordelingscriteria die in de Integrale effectanalyse(IEA) worden gehanteerd met de bijbehorende onderzoeksmethodiek metde regio besproken. In deze analyse worden de relevante en onderschei-dende criteria in beeld gebracht op de thema’s milieu (planMER), techniek,kosten, omgeving en toekomstvastheid (zoals de impact op andereruimtelijke ontwikkelingen). Ook de uitkomsten van de onderzoeken zullenin de regio’s worden gedeeld en besproken voordat het kabinet een keuzezal maken. Deze informatie zal door het kabinet worden meegenomen omeen ontwerp Voorkeursbeslissing te kunnen publiceren. Op basis vaninspraak (zienswijzen en adviezen) zal daarna de voorkeursbeslissingdefinitief worden. Daarna start de planuitwerkfase die wordt afgerond meteen Projectbesluit. Met het nemen van dit besluit is de locatie definitief.Planning en risico’sZoals gebruikelijk in de Verkenningsfase wordt de voortgang met namebepaald door de ontvangen inspraak, de afstemming met de regio’s en deweging van resultaten van de onderzoeken zelf. Daarnaast acht hetkabinet het van belang om regio’s die niet vanaf de start van de project-procedure in beeld waren, in staat te stellen om voldoende deel te nemen.Het kabinet verwacht in het tweede kwartaal van 2026 dat de informatie inde Integrale Effectenanalyse (waaronder de planMER) voldoende robuusten gedragen zal zijn om een keuze voor de voorkeurslocatie te kunnenonderbouwen. In dat geval kan direct na de zomer van 2026 de ontwerpVoorkeursbeslissing met de achterliggende onderzoeksrapporten terinzage worden gelegd. Na het verwerken van de inspraak en adviezenwordt de Voorkeursbeslissing daarna in definitieve vorm gepubliceerd.Risico’sOm tot een juridisch houdbaar besluit te komen, is het op dit moment nogniet mogelijk om locaties op basis van politieke (on)wenselijkheid uit tesluiten. Dat kan later wel op basis van de IEA, waarin de locaties opmeerdere aspecten worden beoordeeld, waaronder de omgeving entoekomstvastheid. Als deze afweging eerder plaatsvindt, dan zorgt ditvoor een juridisch onhoudbaar besluit. Het meest extreme gevolg van ditrisico is dat (een deel van) de verkenningsfase over gedaan moet wordenmet tijdsverlies tot gevolg.Motie PostmaZoals eerder aan de Kamer gerapporteerd acht het kabinet het noodza-kelijk locaties in de Eemshaven te onderzoeken om te komen tot eenjuridisch houdbaar besluit10. Belangrijke beslisinformatie zoals politiekewenselijkheid of de samenhang met andere nog te nemen besluitenhebben nog geen rol gespeeld bij de selectie van de in de planMER teonderzoeken locaties.Tegelijkertijd heeft de Kamer met de motie Postma11 en eerdereuitspraken in lijn hiermee een helder signaal afgegeven en zich uitge-sproken tegen de bouw van een kerncentrale bij de Eemshaven. Het isbelangrijk nu eerst al het onderzoek te doen dat objectief nodig is vooreen goede afweging. In het commissiedebat met de Kamer is aangegevendat het kabinet het draagvlak in de regio in die afweging daarbij maximaal10Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 13811Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 145Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15612 meeweegt. Als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure eenkeuze heeft tussen geschikte locaties, zal het de voorkeur geven aan eenlocatie in Zeeland. Het vasthouden aan deze projectprocedure is desnelste route naar een houdbaar besluit, waartoe de Kamer ook heeftopgeroepen12.Het kabinet zal ook in de regio Eemshaven een zorgvuldig participatie-proces voeren, passend bij de omstandigheden en politieke gevoeligheidin de regio. In dit proces halen we voor de IEA onder meer informatie opover politiek en maatschappelijk draagvlak. Daarnaast stellen we deoverheden in staat om de juistheid van de informatie te toetsen en in degebruikelijke mogelijkheden voorzien rond inspraak op de concept NRDen ontwerp voorkeursbeslissing.Motie FlachHet is de wens van de Kamer en het kabinet om zo snel als mogelijk tekomen tot een selectie waarin we goede kansen zien voor de vestigingvan de twee kerncentrales in Zeeland. De motie Flach13 roept het kabinetop zo snel als mogelijk een besluit te nemen. Daarom zal het kabinet methet uitbrengen van de concept NRD voortvarend en vooruitlopend op denog te ontvangen reacties en de adviezen van de betrokken bestuursor-ganen en de Commissie mer starten met de onderzoeken die bepalendzijn voor de maakbaarheid en vergunbaarheid van locatiealternatieven.Hierbij maken we gebruik van de lessen die we hebben geleerd uit dehuidige technische haalbaarheidsstudies op de locatie Borssele.Indien bij de vaststelling van de NRD eind 2025 uit deze onderzoeken aldoorslaggevende informatie ter beschikking is, zal het kabinet degevolgen hiervan voor te onderzoeken locaties meenemen bij diebeslissing en indien dit juridisch verantwoord is, komen tot een selectie zomogelijk al eind 2025. De verwachting is dat een juridisch houdbareonderbouwing van de voorkeursbeslissing voor de zomer van 2026genomen kan worden, zodat deze na de zomer ter inzage gelegd kanworden.Motie KopsDe motie Kops14 verzoekt de regering een pakket met procedureleversnellingsmaatregelen uit te werken en dit pakket voor de zomer van2025 aan de Kamer voor te leggen. De inzet van het kabinet is erop gerichtom de eerste twee kerncentrales zo snel als mogelijk operationeel tehebben zoals ook toegelicht in de appreciatie van de motie. In deze briefstaat daarvoor een aantal te onderzoeken opties die mogelijk zoudenkunnen leiden tot versnelling met bijbehorende risico’s beschreven.Daarnaast verkent het kabinet aanvullende procedurele versnellingen dieeen rol kunnen spelen voor het vinden van een geschikte locatie voor debouw van kerncentrales 3 en 4. Hiervoor wordt ook gekeken naar dejuridische mogelijkheden voor het versnellen van energieprojecten, o.a.door aanpassing van de projectprocedure. De voorbereiding van dezeaanpassingen vinden momenteel plaats, waarna eerst de Raad van Stateom advies gevraagd zal worden over het verzamelwetsvoorstel waarindeze wijzigingen worden opgenomen. Dit betekent dat de aanpassingenen het betreffende verzamelwetsvoorstel niet voor de zomer aan deKamer gestuurd kan worden. Uiteraard zal het kabinet bij het zoeken naarversnelling geen concessies doen t.a.v. nucleaire veiligheid en is de12Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 15013Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 15014Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 146Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15613 beoordeling hiervoor aan de onafhankelijke toezichthouder ANVS dievanuit de Kernenergiewet15 een onafhankelijke rol heeft in devergunningverlening.Integrale ruimtelijke inpassing voor kerncentrales 3 & 4Er is sprake van een toenemende druk op de schaarse ruimte inNederland. Zowel van het totale energiesysteem als voor andere ambitiesdie ruimte vragen (zoals woningbouw en defensie). Het is belangrijk omde ruimtelijke opgaven in samenhang te bezien en vraag en aanbod vanenergie zoveel mogelijk dichtbij elkaar te realiseren. Daarom dient in hetkeuzeproces van locatie-alternatieven voor de nieuwe kerncentrales eenbrede ruimtelijke afweging gemaakt te worden. Nederland heeft veelgrote en urgente opgaven die ruimte vragen, zoals het totale energie-systeem, landbouw, woningbouw en defensie. Bij de keuze van denieuwbouwlocaties voor kerncentrales zal zowel gekeken naar de andereNationale Programma’s van het Rijk als naar regionale en lokale plannen.De behoeftes van voor kernenergie zullen inhoudelijk zorgvuldigafgestemd worden in het kader van de nieuwe Nota Ruimte. Als devoorkeurslocatie is gekozen voor de eerste twee kerncentrales, zal dezeopgenomen worden in de Nota Ruimte.Voor de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales sluit het kabinetaan bij de uitgangspunten en afwegingen zoals die tot heden zijngehanteerd bij het actualiseren van het waarborgingsbeleid in onderandere het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) endie in later ruimtelijk beleid zijn bevestigd. De uitgangspunten voor delocatie voor de bouw van de eerste twee kerncentrales zijn beschreven inhet Voorstel en voornemen voor participatie (VenP). In het VenP zijn zowelde veiligheidscriteria (bijvoorbeeld overstromingsgevoeligheid) alsruimtelijke criteria (bijvoorbeeld de aanwezigheid van voldoende engeschikt koelwater) opgenomen die van belang zijn bij de locatiekeuze.Deze uitgangspunten bieden een robuuste basis om tot een goederuimtelijke inpassing te komen voor kerncentrale 1 en 2.Zoals aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen van het lidErkens van februari jl.16 zal in het Programma Energiehoofdstructuur(PEH) richting worden gegeven aan de ruimtelijke inpassing van kerncen-trales 3 en 4, Waarbij de keuzes ook vanuit de integraliteit van deruimtelijke opgaven genomen moeten worden en daartoe zullen derelevante inzichten en structurerende keuzes uit de Nota Ruimte wordenmeegenomen. Het kabinet volgt daarbij twee sporen. Uit onderzoekennaar de mogelijke locaties voor de kerncentrales 1 en 2 zou kunnen blijkendat er, mede gezien deze toenemende druk, weinig geschikte locaties zijn.Dit kan dan ook consequenties hebben voor de verdere ambities voorkernenergie. Voor de ruimtelijke inpassing van de bouw van kerncentrales3 en 4 volgt het kabinet daarom alvast een tweede spoor door aan tesluiten bij het volgende PEH. In dat kader zal worden bekeken of hetwenselijk is om vanuit de totale opgave voor ons toekomstige energie-systeem, en in samenhang met andere ruimtelijke ambities, andereuitgangspunten te gaan gebruiken. In het PEH zal dan ook richting wordengegeven voor de ruimtelijke inpassing van kerncentrales 3 en 4.Voor de zomer zal de startnotitie voor het PEH met de Kamer wordengedeeld. Na de zomer volgt de concept NRD waarin beschreven staat15De onafhankelijke rol van de ANVS volgt uit de Euratom-richtlijn nucleaire veiligheidkerninstallaties (2009/71 als gewijzigd door 2014/87) en het IAEA-Verdrag nucleaire veiligheid16Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1262Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15614 welke ruimtelijke effecten en regio’s voor de kerncentrales 3 en 4 wordenonderzocht en hoe daar mee wordt omgegaan.Rijk-regiopakketDoor de grote en langjarige impact van de bouw van kerncentralesstreven Rijk en regio gezamenlijk naar een pakket van maatregelen voorde regio waarin de kerncentrales gebouwd worden. Dit gaat uit van het(zoveel mogelijk) mitigeren van de mogelijke negatieve gevolgen vankerncentrales en tegelijkertijd speelt het in op de gezamenlijke kansen enbelangen voor de toekomst van de regio. Hierdoor ontstaat een win-winsituatie voor Rijk en regio. In het pakket kijkt het kabinet met de regio ooknaar andere (energie)projecten. Indien er sprake is van cumulatieveeffecten van die projecten wordt dit ook betrokken bij het pakket.In de regio Zeeland loopt het proces om te komen tot een Rijk-RegioPakket sinds september 2024, toen de gebiedsverbinder is aangesteld. Op29 januari jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over het eersteadvies van de gebiedsverbinder voor Zeeland17. De gebiedsverbinder zalvoor de zomer 2025 zijn tweede advies opleveren en zal daarin ondermeer ingaan op de stand van zaken van de uitwerking door de regio enhet kabinet van zijn adviezen. Vooruitlopend op dit advies zal het kabinetde Kamer informeren over:–de stand van zaken bij de uitwerking van het rijk-regiopakket voorZeeland;–het voeren van gesprekken over een mogelijk rijk-regiopakket met deandere potentiële gebieden Maasvlakte II en Eemshaven.Stand van zakenMet de Zeeuwse regio en relevante ministeries worden op dit momentgesprekken gevoerd over de Borselse en provinciale voorwaarden. Na dezomer worden de reflecties vanuit de overheden op de voorwaardenteruggelegd bij de inwoners, zodat de inwoners hierover met elkaar enmet de overheden in gesprek kunnen gaan. Tegelijkertijd starten degemeenten Terneuzen en Vlissingen met een eigen participatietraject.De uitkomst van deze gesprekken aangevuld met relevante informatie uithet locatieonderzoek geeft richting voor het opstellen van een voorlopigrijk- regiopakket dat parallel aan het locatiebesluit wordt voorgelegd. Hetis nog niet mogelijk om een definitief pakket op te stellen omdat detechnologieleverancier nog niet bekend is. Over een deel van devoorwaarden kan pas uitsluitsel worden gegeven als de technologieleve-rancier bekend is.De TPR geeft duidelijkheid over de haalbaarheid van een aantal Borselseen provinciale voorwaarden die ruimtelijke impact hebben: behoud van deSloerand, aanpassingen aan de dijk, behoud en verbeteren van de Kaloot,verdiept aanleggen en koeltorens.Behoud van de Sloerand en aanpassingen aan de dijk en infrastructuurDe provincie Zeeland wil dat de Sloerand in alle gevallen gehandhaafdwordt. Dit is ook een voorwaarde die genoemd is in de Borselsevoorwaarden.De Sloerand is de natuurlijke groene buffer tussen het industriegebied ende Sloedorpen. Voor de bouw van twee kerncentrales is meer ruimtenodig dan alleen de EPZ-locatie. Daarnaast is tijdens de bouwperiode(tijdelijk) extra werkruimte nodig. Hoe verder weg deze werkruimte ligtvan de bouwlocatie hoe langer het project duurt en hoe duurder het wordten hoe meer verkeersbewegingen nodig zijn. Ook zal de dijk en de17Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 134Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15615 infrastructuur waaronder gasleiding en spoor moeten worden verplaatst.Het is daarom extra belangrijk dat Rijk en regio op zoek gaan naar(tijdelijke) opslag- en bouwterreinen binnen het Sloegebied.Verdiept bouwenIn de Borselse voorwaarden worden zorgen geuit over meer horizonsver-vuiling. Daarom wordt gevraagd naar een onderzoek naar verdieptbouwen. De TPR concludeert dat verdiept bouwen niet realistisch is. Alletechnologieleveranciers hebben voorgesteld om de centrales te realiserenop een «dry-site concept». Dat wil zeggen een platform dat boven hetoverstromingsniveau ligt. In de huidige voorstellen is dat een platformtussen de +8m NAP tot +12m NAP. Op het platform worden de reactorge-bouwen gebouwd. Verdiept bouwen vraagt namelijk zulke grote aanpas-singen aan het referentieontwerp van de technologieleveranciers dat hetproject mogelijk miljarden extra zou gaan kosten. Samen met de regiogaan we in gesprek over alternatieven om de horizonsvervuiling tevoorkomen.KoeltorensIn de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veelimpact heeft op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincieZeeland wil daarom geen koeltorens. In de Borselse voorwaarden staatdat er nu al druk is op het landschap en dat die druk niet groter magworden. Daarom is ook in de Borselse voorwaarden opgenomen dat ergeen koeltorens kunnen komen. Dit is haalbaar voor de onderzochtelocatie Borssele, hier zijn geen koeltorens nodig. Voor de andere locatieswordt dit in het locatieonderzoek onderzocht, waarbij er nog geenindicaties zijn dat koeltorens nodig zijn.Behoud en verbeteren KalootIn de Borselse voorwaarden wordt de Kaloot genoemd onder meer alseen uniek natuurgebied en als een belangrijk strand voor recreatie. In deBorselse voorwaarden staat daarom dat de Kaloot moet wordenbehouden en verbeterd. Alle technologieleveranciers hebben ontwerpengemaakt die de Kaloot kunnen ontzien. Dit zou wel significante extrakosten met zich meebrengen. Verder kan het nodig zijn dat de toegang totde Kaloot tijdens de bouw wordt beperkt.Hoeveelheid werknemers tijdens bouwHet TPR-rapport geeft aan dat de leveranciers in de technische haalbaar-heidsstudies voorlopig rekening houden met een piek van 10.000werknemers tijdens de bouw op de site. Dit is afhankelijk van het ontwerpmodulariteit.Andere potentiële locatiesHet kabinet heeft ook de mogelijkheid om andere gemeenten enprovincies te ondersteunen bij het opzetten van participatie over dekerncentrales en daarmee voorbereidende stappen te zetten tot rijk-regioafspraken als die locatie uiteindelijk wordt gekozen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15616 MotiesTenslotte geeft het kabinet via deze brief een reactie op de moties van deleden Grinwis18 en Flach19 van 20 maart jl. Recent zijn de moties met deZeeuwse bestuurders besproken, waaruit het volgende beeld ontstaat. Hetkabinet legt samen met de regio de puzzel wat de ruimtelijke impact is vande combinatie van (energie)projecten. Hieruit komt een beeld naar vorenhoe deze projecten op elkaar inwerken en wat dit kan betekenen voor deindividuele projecten. Op bestuurlijk niveau is met de regio Zeelandafgesproken dat deze inzichten door alle overheden zullen worden benutbij de besluitvorming over projecten. In 2026 zal het kabinet voor de driegrootste nationale energieprojecten en programma’s in Zeeland besluitennemen over locatie/tracékeuzes per project op basis van een integraalbeeld. Deze projecten en programma’s (380 kV Zeeuws Vlaanderen,Verbindingen Aanlanding Wind op Zee (VAWOZ) en de nieuwbouw van dekerncentrales) kunnen immers op elkaar inwerken en hebben gezamenlijkook impact op Zeeland.Risico’s en planningEind 2025 maken de overheden de balans op van de participatietrajectenén van de gesprekken tussen de overheden. Parallel aan het voorbereidenvan de voorkeursbeslissing (locatiebesluit) stellen de overheden eenvoorlopig rijk-regiopakket voor Zeeland op, indien de voorkeurslocatie inZeeland ligt. Indien een andere locatie dan een Zeeuwse locatie wordtaangewezen, zal er meer tijd nodig zijn om tot een rijk-regiopakket tekomen.Bedrijfsduurverlenging kerncentrale BorsseleAfgelopen najaar heeft het ontwerpwetsvoorstel voor wijziging van deKernenergiewet om de bedrijfsduurverlenging van kerncentrale Borsselemogelijk te maken ter inzage gelegen. Daarnaast heeft de Commissie voorde milieueffectrapportage (Commissie mer) advies uitgebracht over hetmilieueffectrapport (MER) voor het wetsvoorstel. Inmiddels zijn deontvangen zienswijzen verwerkt in een reactienota en is het MER naaraanleiding van het advies van de Commissie mer aangevuld. Het kabinetheeft besloten om het ontwerpwetsvoorstel aanhangig te maken bij deRaad van State voor advies. Na ontvangst van het advies en het opstellenvan het nader rapport, zal het wetsvoorstel, samen met de reactienota ende aanvulling op het MER, aan de Kamer worden aangeboden. Deverwachting is dat wetsvoorstel na de zomer aan de Kamer kan wordenaangeboden. Hiermee zet het kabinet een belangrijke stap in het verwe-zenlijken van de ambitie om de huidige kerncentrale in Borssele na 2033open te houden om ook via deze weg een bijdrage te leveren aan eendivers, weerbaar, CO2-vrij en betrouwbaar energiesysteem.Oprichten nieuwe deelnemingIn de brief van 5 februari 202520 heeft het kabinet het voornemen gedeeldom een deelneming voor kernenergie op te richten. De realisatie van eendeelneming die volledig toegerust is voor de daadwerkelijke bouw enexploitatie zal een doorlooptijd van naar verwachting ten minste enkelejaren hebben onder andere vanwege de daadwerkelijk vormgeving vanhet volledige GSP. Parallel hieraan loopt het traject om voorafgaandestaatssteungoedkeuring van de Europese Commissie te verkrijgen. Het18Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 14419Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 15020Kamerstukken II 2024/25 32 645, nr. 137Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15617 GSP zal namelijk staatssteun bevatten. Daarnaast heeft het kabinetaangekondigd om de interne projectorganisatie snel een zelfstandigepositie buiten het Ministerie van Klimaat en Groene Groei te geven. Hetkabinet is voornemens om deze projectorganisatie in de vorm van eenbeleidsdeelneming vorm te geven vooruitlopend op het GSP. Deverwachting is dat deze deelneming binnen een jaar opgericht is. Hetkabinet zal na de zomer de Kamer hierover verder informeren.Tot slotHet kabinet heeft een belangrijke stap gezet met het afronden van detechnisch onderzoeken en kan daardoor zowel voort met een locatie- entechnologieselectie welke beide een belangrijke volgende mijlpaal vormenin het nieuwbouwprogramma. Deze trajecten kennen een hoge mate vanonderlinge afhankelijkheid en daarmee maatgevend voor de tijdlijn. Dit isook van belang voor het vormgeven van het uiteindelijke rijk-regiopakket.Ook verwacht het kabinet na de zomer met een voorstel te komen over destructurering van het GSP en met het daadwerkelijk oprichten van eendeelneming. Deze trajecten kennen een hoge mate van onderlingeafhankelijkheid waarbij het kabinet integraal kijkt naar de meest efficiëntewijze om het nieuwbouwprogramma vorm te geven. Er zijn al een hoopvoorbereidende stappen gezet en het kabinet wil nu zo voortvarend alsmogelijk door pakken om daarmee te werken aan een robuust enbetrouwbaar energiesysteem waarin kernenergie een essentiële ennoodzakelijke pijler is.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.T.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 645, nr. 15618
Gerelateerde bronnen
- Uiterlijk begin mei stuurt de Minister een voortgangsbrief Kernenergie waarin zij ingaat op de planning en tevens stilstaat bij de afruil tussen aspecten als sn
Uiterlijk begin mei stuurt de Minister een voortgangsbrief Kernenergie waarin zij ingaat op de planning en tevens stilstaat bij de afruil tussen aspecten als snelheid, zorgvuldigheid, draagvlak en kosten.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.