KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beantwoording vragen commissie over de Macro Economische Verkenning 2027 (MEV) door het Centraal Planbureau (CPB)

25 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e254a2a42414e711 · officiële bron

37020 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën Nr. 63 Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 25 september 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft mij op maandag 21 september verzocht om feitelijke vragen over de Macro Economische Verkenning 2027 door te geleiden naar het Centraal Planbureau (CPB). Hierbij zend ik u de antwoorden zoals die zijn opgesteld door het CPB. De minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert Bijlage: Antwoorden van het CPB op vragen over de Macro-economische Verkenning 2027 1 Kunt u de beleidsmatige lastenontwikkeling (op inkomen en op vermogen) ook weergeven voor de jaren 2028, 2029 en 2030? Inclusief en exclusief basispad? Hoeveel gaan de beleidsmatige lasten op arbeid de komende kabinetsperiode in totaal omhoog (inclusief en exclusief basispad)? En op vermogen? De MEV2027 betreft een raming tot en met 2027. De jaren 2028, 2029 en 2030 maken daarmee geen onderdeel uit van deze raming en hebben we dus niet geactualiseerd. Voor deze jaren zijn de meest recente cijfers het CEP2026. Let wel dat in deze cijfers dus geen rekening is gehouden met nieuw beleid uit de miljoenennota. De beleidsmatige lastenontwikkeling is opgenomen in de Verzamelde bijlage, Bijlage_14. 2 Kunt u een kruistabel van de beleidsmatige lastenontwikkeling delen voor 2027, 2028, 2029 en 2030? De MEV2027 betreft een raming tot en met 2027. De jaren 2028, 2029 en 2030 maken daarmee geen onderdeel uit van deze raming. Voor 2027 is een kruistabel te vinden in het Verantwoordingsdocument bij de MEV (https://www.cpb.nl/publicatie/macro-economische-verkenning-mev-2027-verantwoording), Tabel 2.6 pagina 19. Deze kruistabel publiceert het CPB bij deze raming voor het eerst. 3 Klopt het dat in de meest recente CPB cijfers de hoogste inkomens (0,01%) zijn toegenomen met 70% en de laagste inkomens (99%) met zo'n 4% tot 8% in een periode van 8 jaar? Heeft u nog actuelere cijfers? De gevraagde cijfers zijn geen onderdeel van de MEV. De inkomensontwikkeling van verschillende inkomensgroepen tussen 2011 en 2019 is door het CPB in kaart gebracht in de studie Inkomens en belastingen aan de top (2024) https://www.cpb.nl/inkomens-en-belastingen-aan-de-top 4 Wat is het effectieve belastingtarief van de rijkste 1%, 0,1% en 0,01% in Nederland? (Op basis van de meest actuele cijfers) Het CPB heeft geen raming gemaakt van het effectieve belastingtarief van verschillende inkomensgroepen. De effectieve belastingvoet voor verschillende inkomensgroepen tussen 2011 en 2019 heeft het CPB in kaart gebracht in de studie Inkomens en belastingen aan de top (2024) https://www.cpb.nl/inkomens-en-belastingen-aan-de-top 5 Klopt het dat het totaal aantal mensen in armoede volgend jaar 460.000 blijft? Klopt het dat het aantal kinderen in armoede volgend jaar met 2.000 afneemt? Klopt het daarom ook dat het aantal volwassenen in armoede met 2.000 toeneemt? Het klopt dat het totaal aantal mensen in armoede in 2027 afgerond 460.000 blijft. Het klopt ook dat het aantal kinderen in armoede met afgerond 2.000 afneemt in 2027 ten opzichte van 2026. Aangezien het aantal kinderen onderdeel is van het totaal aantal mensen in armoede, volgt hier logischerwijs inderdaad uit dat het aantal volwassenen met afgerond 2.000 toeneemt in 2027. 6 Volgens onderzoek van de Rabobank is de inflatieraming waarop het kabinet de koopkrachtberekeningen baseert nu al achterhaald. Door de sterk gestegen olie- en energieprijzen verwacht de Rabobank volgend jaar een inflatie van 3,8 procent. Kunt u de Kerngegevenstabel uit de MEV 2027 actualiseren, waarbij gebruik wordt gemaakt van de hogere energie- en olieprijsniveaus? De onzekerheid rondom de energieprijzen is op dit moment groot en we zien sinds het uitbreken van de oorlog vaak stijgingen in prijs na het verschijnen van slecht nieuws, die daarna ook weer (gedeeltelijk) tenietgedaan worden. Ook de doorwerking van hogere olie- en gasprijzen naar de prijzen aan de pomp en de daadwerkelijke energierekening zijn met onzekerheid omgeven (zie p. 5 van Verantwoording Macro Economische Verkenning 2027). De huidige marktverwachtingen voor olie- en gasprijzen liggen hoger dan de marktverwachtingen van week 30 waar we in cMEV en MEV vanuit zijn gegaan. Als de energieprijzen op dit niveau blijven, zal de inflatie waarschijnlijk hoger uitkomen, tenzij er andere componenten zijn die in prijsontwikkeling meevallen. De inflatie wordt ook beïnvloed door de prijsontwikkeling van andere goederen waaronder voedsel, diensten waaronder huren, en beleidswijzigingen in productgebonden belastingen. Een actualisatie van de raming vergt een nieuwe integrale analyse. 7 Hoeveel procentpunt verandert de inflatie wanneer een accijnskorting van €0,25 per liter brandstof (benzine en diesel) wordt ingevoerd? Het CPB neemt in haar ramingen enkel beleid uit de besluitvorming mee en maakt geen analyse van andere beleidsvarianten. Derhalve heeft het CPB deze specifieke berekening niet gemaakt bij de (c)MEV. Bovendien maakt het karakter van de ramingen dat partiële effecten van specifieke maatregelen niet te onderscheiden vallen. Generiek kan wel gesteld worden dat een accijnskorting van €0,25 per liter brandstof zal leiden tot een lagere inflatie. In algemene zin is een inschatting van de macro-economische effecten van een verandering in de productgebonden belastingen te vinden in paragraaf 2.1 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf). De omvang (en schaalbaarheid) van de effecten van een specifiekere variant hangt onder meer af van het budgettair beslag en de mate waarin er sprake is van doorwerking in de prijzen van andere goederen en diensten. 8 Hoeveel procentpunt verandert de koopkracht wanneer een accijnskorting van €0,25 per liter brandstof (benzine en diesel) wordt ingevoerd? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Het CPB heeft deze specifieke berekening niet gemaakt bij de (c)MEV. Een accijnskorting werkt indirect en generiek door op de koopkrachtraming, namelijk via de inflatie (zie vraag 7). Een accijnskorting van €0,25 per liter brandstof zal leiden tot een lagere inflatie. De inflatie werkt op dezelfde wijze door op de verschillende typen huishoudens en de inkomensdecielen: als de algemene prijsstijging die voor iedereen de verandering (e.g. stijging) in het netto besteedbaar inkomen dempt. Er is in de koopkrachtberekeningen dus geen heterogeen effect van inflatie op de verschillende huishoudgroepen en decielen. 9 Hoeveel procentpunt verandert de inflatie wanneer de energiebelasting voor huishoudens wordt afgeschaft? Het CPB heeft deze specifieke berekening niet gemaakt bij de (c)MEV. Een afschaffing van de energiebelasting leidt tot een lagere inflatie. Zie verder het antwoord op vraag 7. 10 Hoeveel procentpunt verandert de koopkracht wanneer de energiebelasting voor huishoudens wordt afgeschaft? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Een afschaffing van de energiebelasting leidt tot een lagere inflatie. Een lagere inflatie leidt vervolgens over de hele linie tot een koopkrachtverbetering (zie ook vraag 8). Het CPB heeft niet berekend hoe groot het effect van deze specifieke maatregel op de koopkracht is. 11 In welke gevallen moet onderuitputting worden ingezet voor verlaging van de staatsschuld en wanneer kan deze worden ingezet voor lastenverlichting? Het is in strijd met de nationale begrotingsregels om meevallers aan de uitgavenkant van de begroting te gebruiken als dekking voor inkomstenderving. De Europese regels staan deze schuif wel toe. De Europese regels bieden hier volgens de raming van het CPB echter geen ruimte voor, omdat de toegestane netto gecorrigeerde nominale uitgavengroei wordt overschreven (zie ook vraag 39 en 44). Bovendien biedt onderuitputting geen ruimte voor structurele lastenverlichting (dan wel intensiveringen), omdat onderuitputting in de CPB-raming de komende jaren afloopt. Tot slot dient opgemerkt te worden dat wanneer uitgaven alleen op transactiebasis achterblijven bij de kasbetaling, bijvoorbeeld omdat de levering langer op zich laat wachten, dit niet leidt tot een lagere staatsschuld. 12 De huidige beperkte economische groei wordt -voor een deel- verklaard doordat de particuliere consumptie is gestegen omdat gezinnen hun financiële buffers aanspreken. Met hoeveel procent zijn deze buffers sinds 1 januari 2026 afgenomen als gevolg van onttrekkingen en in welke mate heeft een stijging van het algemeen prijspeil geleid tot een afname van deze buffers? In welke mate zijn huishoudens hun spaartegoeden gaan aanspreken omdat de prijzen van goederen en diensten zijn gestegen? Het CPB raamt de voorraad van financiële buffers niet. In de raming neemt de spaarquote (als percentage van beschikbaar inkomen) weliswaar af, maar deze is nog steeds positief. Per saldo is het macro-economisch gezien dus niet zo dat huishoudens niet meer sparen, maar zij consumeren een groter gedeelte van hun inkomen en sparen een kleiner gedeelte. Voor individuele huishoudens kan deze verdeling anders zijn. De daling van de spaarquote in 2026 wordt verklaard doordat het reëel beschikbaar inkomen afneemt (mede door gestegen prijzen), terwijl de consumptiegroei op peil blijft. In de afgelopen jaren was de spaarquote relatief hoog, hierdoor hebben huishoudens op dit moment de ruimte om minder financiële buffers op te bouwen. 13 In welke mate leidt een afname van één procentpunt van de box-1 tarieven tot een toename van het bbp? Graag een uitsplitsing per belastingschijf. Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Het CPB heeft deze specifieke berekening niet gemaakt bij de (c)MEV. In algemene zin is een inschatting van de macro-economische effecten van een verandering in de loon- en inkomstenbelasting te vinden in paragraaf 2.2 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf). De omvang (en schaalbaarheid) van de effecten van een specifiekere variant hangt onder meer af van het budgettair beslag, de belastinggrondslag en de doorwerking op de arbeidsparticipatie. De bbp-raming is niet uit te splitsen naar verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. 14 In welke mate leidt een verandering in de algemene heffingskorting tot een verandering van het bbp? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Zie antwoord op vraag 13. 15 In welke mate leidt een verandering in de arbeidskorting tot een verandering van het bbp? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Zie antwoord op vraag 13. 16 In welke mate leidt een verandering in de algemene heffingskorting tot een verandering van de arbeidsparticipatie? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Een verlaging van de algemene heffingskorting heeft -per saldo- een erg beperkt positief effect op de structurele werkgelegenheid. In de gepresenteerde simulatie in Kansrijk Belastingbeleid leidt een verlaging van de AHK met 1,5 mld euro afgerond in 0,0% verandering van het totale arbeidsaanbod (zie tabel 1 en tabel 3.1 in https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Kansrijk-belastingbeleid-2020.pdf). Omgekeerd geldt hetzelfde voor een verhoging van de algemene heffingskorting. Het CPB maakt geen uitsplitsing van de arbeidsparticipatie naar verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. 17 In welke mate leidt een verandering in de arbeidskorting tot een verandering van de arbeidsparticipatie? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Een verlaging van de arbeidskorting heeft -per saldo- een beperkt negatief effect op de structurele werkgelegenheid. In de gepresenteerde simulatie in Kansrijk Belastingbeleid resulteert een generieke verhoging van de arbeidskorting met 1,5 mld euro in een 0,1% toename in totale arbeidsaanbod (zie tabel 1 en tabel 3.1 in https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Kansrijk-belastingbeleid-2020.pdf). Omgekeerd geldt hetzelfde voor een verhoging van de arbeidskorting. 18 In welke mate leidt een verandering in de algemene heffingskorting tot een verandering van de koopkracht? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. De mate waarin een verandering van de algemene heffingskorting doorwerkt op de koopkracht hangt af van de mate waarin de algemene heffingskorting verandert. Welke inkomensgroepen en -decielen voornamelijk worden geraakt, hangt af van de vormgeving. De heffingskorting kent een maximumbedrag, een inkomensgrens waarboven de korting afbouwt, en een afbouwpercentage. Het aanpassen van deze losse elementen werkt heterogeen door op de koopkracht van verschillende huishoudgroepen. In de huidige vormgeving is de heffingskorting voor huishoudens in de hoge inkomensdecielen volledig afgebouwd. Een verhoging/verlaging van het afbouwpercentage dempt/bevordert de koopkracht van huishoudens met een hoger inkomen, terwijl de lagere inkomensdecielen er niks van merken. Een verhoging/verlaging van het maximumbedrag leidt met name tot een stijging/daling van de koopkracht van de lagere inkomensdecielen. Het maximumbedrag werkt ook door op uitkeringen via de netto-netto koppeling, waardoor bijstandsgerechtigden en AOW’ers er in het bijzonder op vooruitgaan/achteruitgaan. Het veranderen van de inkomensgrens waarboven de heffingskorting afbouwt heeft met name gevolgen voor huishoudens wiens inkomen zich boven deze grens bevindt, of in het geval van een verlaging voor huishoudens die net onder de huidige grens zitten. 19 In welke mate leidt een verandering in de arbeidskorting tot een verandering van de koopkracht? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. De mate van verandering in de koopkracht hangt af van de mate waarin de arbeidskorting verandert en de vormgeving daarvan. De arbeidskorting is een complex onderdeel van het belastingstelsel met meerdere knikpunten, op- en afbouwpercentages. Een aanpassing aan de verschillende elementen van de arbeidskorting werkt op verschillende manieren door op de huishoudgroepen, waardoor het niet mogelijk is om generiek aan te geven voor welke huishoudtypen of inkomensdecielen de koopkracht verbetert of verslechtert. Wel is de arbeidskorting specifiek gekoppeld aan de eis dat er inkomen uit werk is. Hierdoor leidt een verhoging/verlaging van de arbeidskorting met name voor werkenden tot een hogere/lagere koopkracht. 20 In welke mate leidt nivellering van de looninkomens (gemeten aan de hand van de Gini-coëfficiënt) tot een verandering van het bbp? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Het is niet mogelijk om een algemene uitspraak te doen over de relatie tussen nivellering van de looninkomens en de ontwikkeling van het bbp. Hiervoor is de wijze waarop deze nivellering wordt bereikt en het effect dat dit heeft op de arbeidsparticipatie (zie ook het antwoord op vraag 21) van belang. In algemene zin is een inschatting van de macro-economische effecten van bijvoorbeeld een verandering in de loon- en inkomstenbelasting te vinden in paragraaf 2.2 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf). 21 In welke mate leidt nivellering van de looninkomens (gemeten aan de hand van de Gini-coëfficiënt) tot een verandering van de arbeidsparticipatie? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Er kan geen algemeen verband worden gegeven tussen een daling van de Gini-coëfficiënt van de loon- of inkomensverdeling en de arbeidsparticipatie. Het arbeidsaanbodeffect hangt af van de wijze waarop de nivellering tot stand komt. Nivellering die bijvoorbeeld de financiële opbrengst van werken voor lage inkomens verhoogt, kan de participatie verhogen. Nivellering door hogere marginale tarieven of door hogere inkomensoverdrachten aan niet-werkenden kan daarentegen de participatie verlagen. Dezelfde verandering in de Gini kan daardoor gepaard gaan met verschillende, en zelfs tegengestelde, arbeidsaanbodeffecten. 22 In welke mate leidt nivellering van de looninkomens (gemeten aan de hand van de Gini-coëfficiënt) tot een verandering van de koopkracht? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Het is niet mogelijk om een generieke uitspraak te doen over de relatie tussen nivellering van de looninkomens en de ontwikkelingen in de koopkracht. Een nivellering van looninkomens gemeten aan de hand van de Gini-coëfficiënt kan namelijk op verschillende manieren worden bereikt. Zo is het mogelijk om exact dezelfde Gini-coëfficiënt te realiseren door bijvoorbeeld de inkomens van huishoudens in de lagere inkomensdecielen te verhogen, door de inkomens van huishoudens in de hogere inkomensdecielen te verlagen, of een combinatie van beide veranderingen. De mate waarin een nivellering van inkomens doorwerkt op de koopkracht hangt daarnaast af van of de nivellering budgetneutraal plaatsvindt, of gepaard gaat met een verruiming/verkrapping van het budget. 23 In welke mate hangt de ontwikkeling van de economische groei af van de ontwikkeling van de collectievelastendruk? Graag een toelichting op uw antwoord. De ontwikkeling van de collectievelastendruk is afhankelijk van verschillende soorten belastingen. Er is geen eenduidig kwantitatief bbp-effect voor verschillende soorten belastingen. In algemene zin is een inschatting van de macro-economische effecten van een verandering in de productgebonden belastingen, loon- en inkomstenbelasting en de sociale premies te vinden in paragraaf 2.1-2.3 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf). De omvang (en schaalbaarheid) van de effecten van een specifiekere variant hangt onder meer af van het budgettair beslag, de belastinggrondslag en de doorwerking op de arbeidsparticipatie. 24 In welke mate hangt de ontwikkeling van de koopkracht af van de ontwikkeling van de collectievelastendruk? Graag een toelichting op uw antwoord. Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Het is niet mogelijk om generiek te bepalen wat de koopkrachteffecten zijn van ontwikkelingen in de collectievelastendruk per huishoudtype of inkomensdeciel. De ontwikkeling van de collectievelastendruk is afhankelijk van verschillende soorten belastingen. De collectievelastendruk kan onder andere veranderen als gevolg van aanpassingen in de box 1/2/3-tarieven, de premies volksverzekeringen, de heffingskortingen, de btw en de vennootschapsbelasting. Het merendeel van deze onderdelen werkt op heterogene wijze door op de koopkracht van de verschillende huishoudgroepen en inkomensdecielen. 25 In welke mate hangt de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote af van de ontwikkeling van de collectievelastendruk? Graag een toelichting op uw antwoord. De ontwikkeling van de collectievelastendruk is afhankelijk van verschillende soorten belastingen. Er is geen eenduidig effect op de arbeidsinkomensquote van een verandering in de collectievelastendruk. Zie ook het antwoord op vraag 23. 26 In welke mate hangt de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit af van de ontwikkeling van de collectievelastendruk? Kunt u de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit uitsplitsen naar arbeidsproductiviteit in de particuliere sector en de arbeidsproductiviteit in de niet-particuliere sector? Graag een toelichting op uw antwoord. De ontwikkeling van de collectievelastendruk is afhankelijk van verschillende soorten belastingen. De arbeidsproductiviteit is een resultaat van productie en het aantal gewerkte uren. Er is geen eenduidig effect op de arbeidsproductiviteit van een verandering in de collectievelastendruk. Zie ook het antwoord op vraag 23. Het CPB publiceert enkel de arbeidsproductiviteit bij bedrijven. 27 In welke mate hangt de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote af van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit? Graag een toelichting op uw antwoord. Bij gelijkblijvende lonen heeft een hogere arbeidsproductiviteit (mechanisch) een drukkend effect op de arbeidsinkomensquote. De mate waarin de lonen zich aanpassen heeft onder andere te maken met onderhandelingsmacht en verwachtingen van werkgevers en werknemers. Op middellange termijn veronderstelt het CPB dat de lonen meestijgen met de productiviteit. 28 In welke mate hangt de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkloosheid af van de ontwikkeling van de collectievelastendruk? Graag een toelichting op uw antwoord. De ontwikkeling van de collectievelastendruk is afhankelijk van verschillende soorten belastingen. Er is geen eenduidig effect op werkgelegenheid en werkloosheid van een verandering in de collectievelastendruk. Zie ook het antwoord op vraag 23. 29 In welke mate hangt de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkloosheid af van de ontwikkeling van het brutominimumloon? Graag een toelichting op uw antwoord. Een verhoging van het minimumloon heeft op lange termijn een beperkt negatief effect op de werkgelegenheid. Dit komt door twee tegengestelde effecten: hogere loonkosten kunnen leiden tot een afname in arbeidsvraag, maar aan de andere kant leiden de hogere lonen ook tot hogere consumptieve uitgaven, wat de arbeidsvraag vergroot. Het effect van een minimumloonsverhoging is echter niet constant: naarmate het minimumloon verder verhoogd wordt, zal het negatieve effect op werkgelegenheid meer dan evenredig toenemen. Zie CPB-publicatie https://www.cpb.nl/effecten-verhogen-minimumloon. 30 In welke mate hangt de ontwikkeling van het algemeen prijspeil af van de ontwikkeling van het brutominimumloon? Graag een toelichting op uw antwoord. Een inschatting van de macro-economische effecten van een verhoging van het minimumloon is te vinden in paragraaf 2.8 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf). Hieruit blijkt dat een WML-verhoging van 10% op de korte termijn leidt tot een iets hogere inflatie (+ 0,1%-punt in de eerste twee jaar). De omvang van het effect hangt vooral af van de omvang van de WML-verhoging en de mate waarin dit hogere minimumloon doorwerkt in het gemiddelde loon. Het doorwerkingseffect op het gemiddelde loon is niet lineair: bij grotere WML-verhogingen neemt de omvang van het zogeheten overloopeffect toe (zie CPB-publicatie https://www.cpb.nl/effecten-verhogen-minimumloon). 31 In welke mate leidt een verandering in de alcoholaccijns tot een verandering van de koopkracht? Graag een overzicht voor verschillende typen huishoudens en inkomensdecielen. Veranderingen in de alcoholaccijns werken indirect en generiek door op de koopkrachtraming, namelijk via de inflatie. Een hogere alcoholaccijns leidt tot een hogere inflatie; een lagere accijns leidt tot een lagere inflatie. Dit leidt vervolgens respectievelijk over de hele linie tot een koopkrachtverslechtering of een koopkrachtverbetering. Er wordt geen rekening gehouden met heterogeniteit in uitgaven, dus is het effect van maatregelen in de alcoholaccijns in de koopkrachtraming van het CPB voor alle huishoudens hetzelfde. 32 In welke mate leidt een verandering in de alcoholaccijns tot een verandering van de werkgelegenheid in de horecasector? Graag een toelichting op uw antwoord. Het CPB maakt geen analyse van de werkgelegenheidseffecten van beleidsmaatregelen in specifieke bedrijfstakken binnen de marktsector. 33 In welke mate leidt een verandering in de alcoholaccijns tot verandering in de import van alcoholhoudende dranken? Graag een toelichting op uw antwoord. Het CPB maakt geen analyse van effecten van specifieke beleidsmaatregelen op de import van specifieke productgroepen. 34 In welke mate leidt een verandering in de tabaksaccijns tot verandering in de import van rookwaren? Graag een toelichting op uw antwoord. Zie het antwoord bij vraag 33. 35 Voegt de overheid in economische zin waarde toe door op een bepaald goed of dienst accijns te heffen? Leidt een toename van een accijns tot meer toegevoegde waarde en daarmee tot meer welvaart in enge zin? Graag een toelichting op uw antwoord. Puur boekhoudkundig leiden hogere accijnzen – ceteris paribus – tot een hoger bbp in marktprijzen, aangezien productgebonden belastingen meetellen in dit bbp-begrip. Dit hogere bbp wordt echter volledig gedreven door een hogere bbp-prijs; het bbp-volume stijgt niet. In reële termen neemt de toegevoegde waarde dus niet toe. In paragraaf 2.1 van de CPB-publicatie Macro-economische en budgettaire effecten van beleidsvarianten met Saffier 3.0 (https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Macro-economische-en-budgettaire-effecten-beleidsvarianten-saffier-3-0.pdf) is juist te zien dat hogere productgebonden belastingen leiden tot een lagere volumegroei van het bbp, mede als gevolg van een lagere volumegroei van de consumptie en investeringen. Dit komt doordat consumenten en bedrijven hun gedrag aanpassen bij prijsveranderingen. Een hogere accijns resulteert in hogere opbrengsten voor de overheid. Deze hogere opbrengsten kunnen, afhankelijk van hoe deze worden besteed, een positief effect op het bbp hebben. 36 Hoe kan het dat de cao-lonen marktsectoren in de MEV 2026 voor 2026 op 4,2% uitkwam, deze cao-lonen vervolgens in de CEP op 4% uitkwam en vervolgens in de MEV 2027 op 4,3% uitkomt? De raming voor de cao-loongroei in de marktsector 2026 is tussen deze drie ramingen beperkt bijgesteld. De verlaging van de raming bij CEP2026 kwam door lager uitvallende realisaties van de cao-loongroei in de marktsector tijdens die raming en een iets hogere raming van de werkloosheid ten opzichte van MEV2026. Na CEP2026 stegen de cao-lonen in de marktsector sneller door de hogere inflatie (door de effecten van de Iranoorlog) en de lage werkloosheid. Daarom is de raming van de cao-loongroei in de marktsector bij MEV2027 hoger dan bij zowel MEV2026 als CEP2026. 37 De cao-lonen marktsectoren zijn 0,3% hoger dan geraamd in de Centraal Economisch Plan (CEP) 2026. Welk extra bedrag zou nodig zijn voor lonen in de publieke sector als er gerekend was met een cao-loonstijging in de marktsectoren van 4,3%, op basis van de MEV 2027? Als de raming van de cao-loongroei in de marktsector 0,3% hoger was geweest bij CEP2026, was de geraamde cao-loongroei voor de publieke sector ook hoger uitgevallen. Hoeveel dat zou zijn geweest en welk extra bedrag daarvoor nodig zou zijn geweest, is zonder verdere uitgebreide analyses niet vast te stellen. 38 Klopt het dat het verschil tussen de raming van cao-lonen marktsectoren uit het Centraal Economisch Plan (CEP) en de daadwerkelijk realisatie cao-lonen marktsectoren van de afgelopen 5 jaar inmiddels oploopt tot 3%? En zo ja, wat is het bedrag dat extra benodigd zou zijn als deze 3% achterstand goedgemaakt zou worden? Het CPB heeft geen berekening gemaakt over de aansluiting tussen de raming cao-lonen marktsector en de realisatie cao-lonen marktsector over de afgelopen 5 jaar en de invloed hiervan op de lonen in de publieke sector. 39 Wat zijn de mogelijke consequenties van de overschrijding van de Europese begrotingsregels, waarbij de netto gecorrigeerde nominale uitgavengroei uitkomt op 4,7%, terwijl het toegestane groeipad lager ligt? Een overschrijding van het netto-uitgavenpad leidt niet direct tot sancties, maar wordt wel geregistreerd door de Europese Commissie. Formele consequenties, zoals een buitensporingtekortprocedure, zijn aan de orde bij realisaties van een tekort boven de 3%, of bij een schuld boven de 60% bbp. Nederland voldoet op dit moment aan zowel de tekort- als schuldnorm. De overschrijding van het uitgavenpad heeft daarom nu geen consequenties. Wel is het uitgavenpad erop gericht te voorkomen dat het tekort en de schuld op termijn boven de grenzen uitkomen. Aanhoudende overschrijdingen van het pad vergroten dit risico. 40 Op welke begrotingsposten wordt de door u geraamde onderuitputting van 5,6 miljard euro verwacht? Het CPB raamt onderuitputting niet per uitgavenfunctie, met uitzondering van defensie en infrastructuur (zie ook het Verantwoordingsdocument MEV 2027 Tabel 1.1, p. 7). Dit betekent dat de onderuitputting niet per begrotingspost wordt geraamd. In dit geval wordt de onderuitputting voor van 5,6 mld euro dus generiek ingeboekt. 41 Kunt u een overzicht geven van welke ombuigingen of lasten de onderstaande groepen raken in 2027, inclusief het budgettair belang? Met hoeveel gaan ze erop achteruit, uitgedrukt in absolute en relatieve getallen? Ondernemers; werkgevers; werknemers; gezinnen met kinderen; alleenstaanden; automobilisten; studenten; ouderen; rokers en alcoholdrinkers; en benzine en dieselrijders Alle groepen gaan erop achteruit als gevolg van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor en de verhoging van de tarieven in de eerste en tweede schijf van box 1. Huishoudens met hogere inkomens zien een negatief inkomenseffect van de bevriezing van het aangrijpingspunt van het toptarief. Van een aantal beleidsmaatregelen slaat het effect wel in een specifieke groep neer, zie de uitsplitsing hieronder. We behandelen hier alleen lastenverzwaringen of ombuigingen, geen lastenverlichtingen of intensiveringen: Ondernemers De startersaftrek wordt in 2027 verlaagd naar 10 euro. Dit heeft een beperkt negatief effect op de besteedbare inkomens van een kleine groep ondernemers. De meewerkaftrek wordt geleidelijk afgeschaft en daalt in 2027 met 75%. Dit heeft een beperkt negatief effect op de koopkrachtontwikkeling van ondernemers wiens fiscale partner in de onderneming meewerkt. Werkgevers Vanaf 2027 wordt er een pseudo-eindheffing in de loonbelasting ingevoerd voor werkgevers die werknemers een zakelijke brandstof leaseauto ter beschikking stellen die ook privé gebruikt wordt. Het tarief van de Aof-premie wordt verhoogd. Dit is een lastenverzwaring van per saldo 1,6 mld euro voor werkgevers. De Whk-premie wordt verhoogd, dit is een lastenverzwaring van 0,4 mld euro. Werknemers Er vinden geen ombuigingen of lastenverzwaringen plaats die werknemers in het bijzonder treffen. Wel spelen bovengenoemde generieke lastenverzwaringen een rol. Gezinnen met kinderen; Er worden verschillende maatregelen genomen in de kindregelingen. Deze pakken wisselend uit voor huishoudens met kinderen. Enerzijds stijgen de bedragen binnen de kinderbijslag, maar anderzijds dalen de bedragen in het kindgebonden budget. Daarnaast wordt het afbouwpercentage in het kindgebonden budget verhoogd en wordt er een knikpunt geïntroduceerd in de afbouw van het kindgebonden budget, waardoor het kindgebonden budget sneller afbouwt, met name voor huishoudens met hogere inkomens. Ook wordt de vermogensgrens in het kindgebonden budget flink verlaagd, waardoor huishoudens met grotere vermogens hun recht op kindgebonden budget verliezen. Alleenstaanden; Er worden geen maatregelen genomen die alleenstaanden in het bijzonder treffen. Wel spelen bovengenoemde generieke lastenverzwaringen een rol. Automobilisten; De accijns op benzine wordt in 2027 met 0,7 cent verhoogd ten opzichte van 2026. Studenten; Er worden geen maatregelen genomen die studenten in het bijzonder treffen. Wel spelen bovengenoemde generieke lastenverzwaringen een rol. Ouderen; Ouderen ondervinden nadeel van de verlaging van de ouderenkorting met 100 euro. Rokers en alcoholdrinkers; De alcoholaccijnzen worden vanaf 2027 geïndexeerd met de inflatie. Benzine en dieselrijders; De accijns op benzine wordt in 2027 met 0,7 cent verhoogd ten opzichte van 2026. 42 Klopt het dat de mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens in 2027 uitkomt op -0,1%, ondanks de gepresenteerde maatregelen uit de Miljoenennota? Hoe ziet deze mediaan eruit als rekening wordt gehouden met de hogere inflatie, zoals berekend door de Rabobank. De onzekerheid rondom de energieprijzen is op dit moment groot en we zien sinds het uitbreken van de oorlog vaak stijgingen in prijs na het verschijnen van slecht nieuws, die daarna ook weer (gedeeltelijk) tenietgedaan worden. Ook de doorwerking van hogere olie- en gasprijzen naar de prijzen aan de pomp en de daadwerkelijke energierekening zijn met onzekerheid omgeven (zie p. 5 van Verantwoording Macro Economische Verkenning 2027). De huidige marktverwachtingen voor olie- en gasprijzen liggen hoger dan de marktverwachtingen van week 30 in de cMEV en MEV vanuit is gegaan. Als de energieprijzen op dit niveau blijven, zal de inflatie waarschijnlijk hoger uitkomen, tenzij er andere componenten zijn die in prijsontwikkeling meevallen. De inflatie wordt ook beïnvloed door de prijsontwikkeling van andere goederen waaronder voedsel, diensten waaronder huren, en beleidswijzigingen in productgebonden belastingen. Hogere inflatie leidt op zichzelf tot een koopkrachtverslechtering. In een volledige nieuwe koopkrachtraming zou ook meegenomen moeten worden hoeveel de lonen reageren op de verhoogde inflatieverwachtingen. 43 Welk specifiek deel van de lastenverzwaring in box 1 uit het coalitieakkoord blijft in 2027 gehandhaafd en wat is het netto-effect hiervan op de koopkracht van werkenden en de middeninkomens? Bij het coalitieakkoord zijn de tarieven in de eerste en tweede schijf van box 1 gestegen met 0,60%-punt als onderdeel van de lastenverzwaring ter compensatie van de inkomstenderving die ontstaat door veranderingen in de zorg (zoals het stijgende eigen risico, wat leidt tot lagere nominale premies). Dit percentage van 0,60%-punt is op basis van geactualiseerde ramingen van de zorguitgaven toegenomen, en door een meevaller in de zorguitgaven in het voorjaar afgenomen. Per saldo betekent het dat de box 1 tarieven als gevolg van de lastenverzwaring uit het coalitieakkoord toenemen met 0,63%-punt. Het CPB berekent niet de specifieke koopkrachteffecten van deze lastenverzwaring. Het effect van de lastenverzwaring (zonder de dalende nominale premies) heeft proportioneel een groter negatief effect op de koopkracht van middeninkomens dan op hoge inkomens, doordat een groter deel van de gemiddelde belastingdruk door de tarieven uit de eerste en tweede schijf wordt bepaald. Werkenden met een hoog inkomen ondervinden een kleinere koopkrachtdaling dan werkenden met een middeninkomen. Naast de stijgende tarieven in de eerste en tweede schijf van box 1 vindt er ook een lastenverzwaring plaats vanwege de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor. Deze beperkte toepassing is taakstellend opgesteld, hetgeen inhoudt dat het Ministerie van Financiën de mate van toepassing herijkt op basis van voortschrijdend inzicht (e.g. geüpdatete ramingen). De tabelcorrectiefactor wordt als gevolg hiervan nu met 48% toegepast. Het CPB berekent niet de specifieke effecten op koopkracht van deze lastenverzwaring. De lastenverzwaring werkt op verschillende manieren door op verschillende groepen, maar dempt de koopkracht van elke huishoudensgroep. Voor bijstandsgerechtigden/AOW’ers betekent het dat de algemene heffingskorting minder hard stijgt, waardoor de reële waarde van de netto-uitkeringen afneemt en de koopkracht wordt gedempt. Werkenden belanden eerder in een hogere schijf en betalen mogelijk over een groter deel van het inkomen het toptarief, doordat de lonen gemiddeld relatief hard stijgen vergeleken met de schijfgrenzen. Gepensioneerden betalen alleen in de eerste schijf een verlaagd tarief, doordat ze geen AOW-premie hoeven af te dragen. Doordat ze gemakkelijker in de tweede schijf belanden, houdt de beperkte indexatie een versnelde fiscalisatie van de AOW in (bovenop de bestaande houdbaarheidsbijdrage). De lastenverzwaring in box 1 via de tarieven in de eerste en tweede schijf bedraagt in het coalitieakkoord en de voorjaarsbesluitvorming samen 3,2 mld euro (+3,0 miljard uit het coalitieakkoord, +0,2 miljard uit de voorjaarsbesluitvorming). Deze lastenverzwaring wordt deels gedempt door het koopkrachtpakket uit de miljoenennota, waarbij de tarieven in de eerste en tweede schijf weer dalen met 0,06%-punt en de arbeidskorting wordt verhoogd. Anderzijds wordt in de miljoenennota het aanvangspunt van het toptarief bevroren en de ouderenkorting verlaagd. Per saldo is dit een lastenverlichting van 0,7 mld euro. Daarnaast is er in box 1, zoals afgesproken in het coalitieakkoord, een taakstellende lastenverzwaring van 1,5 mld door de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor. Dit bedrag is sindsdien niet gewijzigd. 44 Wat is de precieze reden dat de netto gecorrigeerde nominale uitgavengroei in 2026 (4,9%) en 2027 (4,7%) uitkomt boven het volgens de Europese begrotingsregels toegestane groeipad van respectievelijk 4,7% en 3,5%? De hogere uitgavengroei heeft meerdere oorzaken. De overheidsbestedingen stijgen door een sterke prijsontwikkeling, terwijl de toegestane groei hiervoor niet wordt aangepast. In 2026 verhoogt het verwerken van de nieuwe realisaties de uitgavengroei, terwijl de verwerking van de miljoenennota in dat jaar een dempend effect heeft. In 2027 verhogen de besluiten uit de miljoenennota de uitgaven per saldo, met name door het uitstel van de verhoging van het eigen risico. De door de EU gefinancierde uitgaven vallen in 2027 lager uit, wat de nationale uitgavengroei verhoogt. De hogere beleidsmatige inkomsten uit de miljoenennota dempen de uitgavengroei, maar slechts gedeeltelijk. Per saldo groeien de netto-uitgaven in zowel 2026 en 2027 sneller dan het uitgavenpad toestaat, met een overschrijding van 0,2%-punt in 2026 en 1,2%-punt in 2027. 45 Welke specifieke inkomensgroepen en huishoudtypen (zoals lagere inkomens met een eigen auto of een hoog gasverbruik) worden volgens de analyses van het CPB het hardst geraakt bij een verdere stijging van de brandstof- en energieprijzen? Huishoudens met een inkomen tot modaal die veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen kennen de grootste negatieve inkomenseffecten bij een verdere stijging van de brandstof- en energieprijzen. Zie CPB-publicatie: https://www.cpb.nl/publicatie/inkomenseffecten-van-hogere-energie-en-brandstofprijzen 46 In hoeverre wordt rekening gehouden met, of gerekend met, de effecten die klimaatverandering heeft of kan hebben op economische groei? Voor cMEV en MEV hebben we geen aparte aannames gemaakt over de effecten van klimaatverandering op economische groei. Klimaat en Milieu is één van de thema’s waarop CPB voortdurend onderzoek doet. Wanneer uit deze onderzoeken resultaten komen die relevant zijn voor de raming, nemen we deze mee. 47 Welke factoren verklaren de geraamde groei van de woninginvesteringen in 2026 en 2027? Welk deel hangt samen met nieuwbouw, welk deel met verbouw en verduurzaming en welk deel met prijsontwikkeling? Welk deel hangt samen met woningcorporaties? Het CPB raamt het totale volume van de woninginvesteringen waarbij gecorrigeerd wordt voor prijsveranderingen. De geraamde groei in 2026 en 2027 is met name gedreven door een verwachte stijging van het aantal transacties, een lichte economische groei, groei in het aantal bouwvergunningen begin 2026 en een positieve beleidsimpuls van bestaand beleid (o.a. de realisatiestimulans en investeringen in ouderenwoningen). We ramen het volume woninginvesteringen niet per segment op de woningmarkt. Ook splitsen we niet uit naar nieuwbouw en verbouw/verduurzaming. 48 Is er zicht op het te verwachten armoedepercentage indien de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten, waarvan de afschaffing volgens maatregel 23 (tabel 3, p. 38, Miljoenennota) met één jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2029, per die datum alsnog wordt afgeschaft? Het CPB heeft niet berekend wat het verwachte armoedepercentage in 2028 zou zijn indien de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten per 1 januari 2028 zou gelden. 49 Wat zijn de inkomenseffecten van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten? Welke inkomensgroepen worden relatief het hardst geraakt hierdoor? De aftrek specifieke zorgkosten wordt per 2028 afgeschaft en heeft daarom geen effect op de koopkrachtramingen in 2026 en 2027, die het CPB bij de MEV heeft gepubliceerd. 50 Door de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten zijn de inflatiecijfers voor komend jaar onzeker. Heeft het CPB meerdere scenario’s met verschillende niveaus van energieprijzen doorgerekend in de koopkrachtberekeningen? Wat zijn de koopkrachteffecten voor met name de lagere inkomensgroepen bij fors gestegen energieprijzen deze winter? Het CPB heeft bij deze raming geen nieuwe scenario’s doorgerekend. Het CPB heeft in het voorjaar 2026 twee scenariostudies over de effecten van hogere energie- en brandstofprijzen uitgebracht: https://www.cpb.nl/publicatie/de-economische-impact-van-hogere-energieprijzen-door-de-iranoorlog en https://www.cpb.nl/publicatie/inkomenseffecten-van-hogere-energie-en-brandstofprijzen. 51 Hoe is de aangenomen onderuitputting in 2027 verdeeld over de verschillende begrotingen? Welk departement kampt naar verwachting met de hoogste onderuitputting? Zie antwoord op vraag 40. 52 De begroting is gebaseerd op de cMEV van augustus. Welke bijstellingen in de MEV ten opzichte van de cMEV hebben gevolgen voor de uitgaven aan sociale zekerheid en zorg, en voor welk bedrag? In de MEV zijn de maatregelen over sociale zekerheid en zorg die volgen uit de augustusbesluitvorming verwerkt voor zover zij betrekking hebbenop de ramingshorizon. De totale uitgaven aan sociale zekerheid in 2027 zijn bij de MEV 0,3 mld gestegen ten opzichte van de cMEV. De samenloop van het uitstel van de compensatieregeling transitievergoeding met één jaar tot 1 januari 2028, de maatregelen in de kindregelingen en het uitstel van de afschaffing van tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (zie voetnoot 5, pagina 7 in het Hoofddocument bij de MEV) zorgt ervoor dat de totale uitgaven per saldo opwaarts worden bijgesteld. De netto-zorguitgaven in 2027 zijn bij de MEV 1,9 mld omhoog bijgesteld ten opzichte van de cMEV. Het uitstel van de verhoging van het eigen risico naar 2028 is de belangrijkste oorzaak van deze bijstelling. 53 Hoe raamt het CPB de onderuitputting van 9,1 mld euro in 2027 (cMEV), en hoe verdeelt deze zich over begrotingshoofdstukken, in het bijzonder Defensie, SZW, VWS en het Klimaatfonds? Hoe hoog was de gerealiseerde onderuitputting in 2023 t/m 2025 in vergelijking met uw eerdere ramingen?  Het CPB raamt onderuitputting in principe niet per uitgavenfunctie, met uitzondering van uitgavenfuncties met significante onderuitputting in de afgelopen jaren (defensie en infrastructuur, zie ook de Verantwoording Macro Economische Verkenning Tabel 1.1, p. 7). Onderstaande tabel geeft weer hoe de bij de MEV voor het volgende jaar geraamde onderuitputting zich verhoudt tot de gerealiseerde onderuitputting in het Financieel Jaarverslag voor de jaren 2023 t/m 2025. De door het CPB geraamde totale onderuitputting bevat zowel kasschuiven, kas-transverschillen en aanvullende onderuitputting. In de raming wordt meestal alleen het verschil in onderuitputting ten opzichte van de begroting gerapporteerd, in de begroting wordt namelijk ook rekening gehouden met onderuitputting. Voor de realisaties in het Financieel Jaarverslag zijn alleen kasschuiven en onderuitputting gebruikt. Kas-transverschillen zijn hierin niet meegenomen, maar deze zijn wel onderdeel van de onderuitputtingsraming van het CPB. Het budgettaire beslag van kas-transverschillen is in recente jaren aanzienlijk (8,5 mld in 2025, vooral bij de Specifieke Uitkeringen (SPUKs) en defensie, zie Financieel Jaarverslag Rijk 2025, pagina 14 tabel 1.2.1.1). De gerealiseerde onderuitputting in het Financieel Jaarverslag is dus een onderschatting van de daadwerkelijk gerealiseerde onderuitputting. Jaar Onderuitputting CPB (MEV) Gerealiseerde onderuitputting Financieel Jaarverslag Rijk 2023 12,3 13,6 2024 20,0 17,0 2025 12,9 9,6 54 Welk deel van de inflatie in 2026 en 2027 komt door overheidsbeleid (accijnzen, energiebelasting, btw, huurbeleid, nettarieven)? In figuur 2.4 van het Verdiepingsdocument staan de bijdragen van verschillende componenten aan de totale inflatie. Hier is het effect van bijvoorbeeld productgebonden belastingen op de inflatie te vinden. Deze bedraagt in 2026 0,4 procentpunt en in 2027 0,0 procentpunt. 55 Hoe, via welke kanalen en in welke mate werkt de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties door in investeringen, economische groei en het EMU-saldo? Zo nee, waarom niet? De ATAD-uitzondering voor woningcorporaties gaat in vanaf 2028 en valt daarom buiten de ramingshorizon. 56 Volgens de MEV zijn de macro-economische gevolgen van de Miljoenennota zeer beperkt. Wat impliceert dit voor het effect van de aanvullende investerings- en woningbouwmaatregelen op de woninginvesteringen? De augustusbesluitvorming bevat geen nieuw beleid dat invloed heeft op de woninginvesteringen in de ramingsjaren 2026 en 2027. Bestaande maatregelen zoals de realisatiestimulans en de investeringen in ouderenwoningen zijn al meegenomen in de cMEV. 57 Kunt u uw stelling onderbouwen dat investeren in verduurzaming effectiever is dan generieke koopkrachtsteun? Welke kosteneffectiviteit (euro per vermeden euro energierekening) hanteert u en hoe wordt de stijging van nettarieven door netinvesteringen daarin meegenomen? Generieke koopkrachtsteun is weinig doelmatig, omdat een groot deel ervan terechtkomt bij huishoudens die de hogere energieprijzen zelf kunnen opvangen. Bovendien laat het overheidstekort weinig ruimte voor intensiveringen, zodat extra steun gefinancierd moet worden met hogere lasten of bezuinigingen elders. De meeste huishoudens komen door hogere energieprijzen niet direct in de problemen. De overheid kan wel proberen om de gevolgen voor huishoudens te verzachten die sterk geraakt worden, omdat zij een laag inkomen hebben en veel energie of brandstof verbruiken. Een CPB-studie van juni 2026 laat zien welke huishoudens voornamelijk geraakt worden door hogere energie- en brandstofprijzen: https://www.cpb.nl/publicatie/inkomenseffecten-van-hogere-energie-en-brandstofprijzen. Investeren in verduurzaming vormt een langduriger oplossing omdat de afhankelijkheid van fossiele energie, en hiermee de kwetsbaarheid voor eventuele toekomstige energieschokken, wordt verminderd. 58 Kunt u voor 2027 weergeven wat de koopkrachtontwikkeling voor werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden zou zijn zonder de vrijheidsbijdrage? Het CPB maakt geen berekening van de specifieke effecten op de koopkrachtontwikkeling als gevolg van losse maatregelen, zoals de vrijheidsbijdrage. Omdat het gaat om een lastenverzwaring zou zonder de vrijheidsbijdrage de koopkracht van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden zich positiever ontwikkelen in 2027. 59 Hoe wordt het verschil verklaard met de cMEV, dat huishoudens in armoede zijn gewijzigd maar het aantal kinderen in armoede niet afneemt (dus t.o.v. cMEV)? Tussen de cMEV en de MEV is de intensivering in de kinderbijslag in 2027 verlaagd. Dit heeft een groter opwaarts effect op de kinderarmoede dan op de armoede (in personen). Daarnaast is de verhoging van de arbeidskorting relevant: deze heeft een groter neerwaarts effect op de armoede dan op de kinderarmoede. Per saldo leiden deze maatregelen (en een aantal andere maatregelen met een kleiner effect) tot een daling van de armoede, maar niet tot een daling van de kinderarmoede. 60 Welke inkomens- en uitgavencomponenten neemt het CPB mee in de statische koopkrachtberekening? Kunt u expliciet aangeven hoe de volgende posten worden meegenomen: nominale zorgpremie, eigen risico, inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage, huur, energierekening, gemeentelijke lasten, kinderopvangtoeslag, hypotheekrenteaftrek, box 3 en pensioenpremies? De berekening van het Nominaal Beschikbaar Inkomen (NBI) vormt de basis van de koopkrachtberekeningen. De CBS-definitie van het NBI vormt daarbij het uitgangspunt. De inkomenscomponenten die vallen in box 1, 2 en 3 worden meegenomen. De inkomenscomponenten in box 1 zijn loon, winst, uitkering en aanvullend pensioen. In box 2 is de inkomenscomponent inkomen uit aanmerkelijk belang en in box 3 is dat inkomen uit vermogen. De uitgavencomponenten lopen grotendeels via de inflatie (CPI). Onderstaand schema laat de koopkrachtberekening zien wanneer er alleen box 1 inkomen is en geen aftrekposten. Het schema wordt complexer als er naast box 1 inkomen ook inkomen in box 2 of box 3 is, of als er ook aftrekposten zijn. Door onderlinge samenhang verandert het schema dan op meerdere plekken. Het nominaal beschikbaar inkomen (NBI) volgt uit het bruto-inkomen, verminderd met belastingen en premies en vermeerderd met toeslagen en kortingen. De posten in het schema waar expliciet naar gevraagd wordt: Pensioenpremies: de werknemerspremie wordt van het bruto-inkomen afgetrokken en is aftrekbaar voor de belasting. Inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage: wordt afgetrokken (relevant voor onder meer zelfstandigen en gepensioneerden; bij werknemers betaalt de werkgever deze). Nominale zorgpremie en eigen risico: worden afgetrokken. Kinderopvang: de kinderopvangtoeslag wordt opgeteld en de kinderopvangkosten worden afgetrokken. De posten waarnaar gevraagd wordt die ontbreken in het schema: Hypotheekrenteaftrek: verlaagt het belastbaar inkomen en daarmee de belasting (met het eigenwoningforfait als bijtelling). Een lager toetsingsinkomen kan ook tot meer toeslag leiden. Box 3: het inkomen uit box 3 wordt bij het NBI opgeteld en de box 3-belasting wordt afgetrokken. Box 3-inkomen telt mee in het toetsingsinkomen voor toeslagen en bepaalde heffingskortingen; het vermogen telt mee in de vermogenstoets voor toeslagen. Huur, energierekening en gemeentelijke lasten: worden niet van het inkomen afgetrokken, omdat ze onderdeel zijn van de inflatie (CPI) die in de koopkrachtberekening wordt toegepast. Zo wordt dubbeltelling in de berekening voorkomen. 61 Hoe verhoudt de koopkrachtontwikkeling van werkenden zich cumulatief over 2022 t/m 2027 tot die van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden, op basis van uw statische ramingen? De mediane statische koopkrachtontwikkeling per groep per jaar is opgenomen in de Verzamelde bijlagen, Bijlage_19 van de MEV. Op basis van de jaarlijkse mediane koopkrachtmutaties voor 2022 tot en met 2027 gaan uitkeringsgerechtigden er cumulatief het meest op vooruit, gevolgd door werkenden. Gepensioneerden gaan er in deze periode het minst op vooruit. Let wel: het optellen van de medianen geeft slechts een benadering van de mediane cumulatieve koopkrachtontwikkeling over deze periode. De mediaan kan namelijk van jaar tot jaar betrekking hebben op verschillende huishoudens. De som kan daarom worden gebruikt om de koopkrachtontwikkeling van de groepen indicatief te vergelijken, maar is niet gelijk aan de werkelijke mediane cumulatieve koopkrachtontwikkeling. Daarnaast geeft het statische koopkrachtbegrip geen volledig beeld van de werkelijk ervaren koopkrachtontwikkeling in jaren in het verleden. 62 Kunt u de verwachte groei van de zorguitgaven t/m 2031 (of het einde van de lopende middellangetermijnraming) ontleden in demografie, prijs- en loonontwikkeling (inclusief het Baumol-effect), volumegroei door technologie en overige factoren, en beleid? Het CPB heeft deze MEV geen nieuwe middellangetermijnraming gemaakt. De meest recente uitsplitsing van de groeifactoren is gepubliceerd bij de Middellangetermijnraming zorg 2027-2033 (2025, link). 63 Hoe verklaart het CPB dat de werkgelegenheid in uren in 2025 en 2026 daalt terwijl de arbeidsproductiviteit met 2,4% en 2,5% stijgt? Welk deel is cyclisch en welk deel structureel, en welke sectoren drijven dit? De arbeidsproductiviteit is het resultaat van productie en het aantal gewerkte uren. De hoge arbeidsproductiviteitsgroei in 2025 en 2026 komt vooral doordat de bbp-groei op peil blijft, terwijl de werkgelegenheid in uren juist afneemt. De daling van de werkgelegenheid is het gevolg van een afname in de arbeidsvraag, wat is terug te zien in een gestage afname van het aantal openstaande vacatures en mede wordt gedreven door de relatief sterke reële loongroei, die naar verwachting de komende twee jaar zal aanhouden. De arbeidsproductiviteitscijfers over 2025 en de eerste twee kwartalen van 2026 zijn afkomstig van het CBS. De raming van de arbeidsproductiviteit is niet uitgesplitst naar verschillende bedrijfstakken. Op basis van de raming kan geen antwoord worden gegeven op de vraag of de trendmatige ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit – waar de conjuncturele ontwikkeling omheen beweegt – veranderd is. De ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit kan van jaar op jaar sterk verschillen, zo volgt de huidige hoge productiviteitsgroei op een periode waarin het omgekeerde het geval was. Het CPB gaat uit van een structurele productiviteitsgroei op macroniveau van 0,7% per jaar. 64 Wat verklaart de daling van de spaarquote van huishoudens van 5,5% in 2025 naar 4,2% in 2026 en hoe groot zijn de buffers die u veronderstelt? Het CPB raamt de voorraad van financiële buffers niet. De daling van de spaarquote in 2026 wordt verklaard doordat het reëel beschikbaar inkomen afneemt (mede door gestegen prijzen), terwijl de consumptiegroei op peil blijft. In de afgelopen jaren was de spaarquote relatief hoog, hierdoor hebben huishoudens op dit moment de ruimte om minder te sparen en meer van hun inkomen te consumeren. 65 Hoe ontwikkelt de bedrijvendynamiek (toetreding, uittreding, faillissementen) zich volgens het CPB, en hoe ziet u de relatie met de productiviteitsgroei? Het CPB raamt de genoemde variabelen die ten grondslag liggen aan de bedrijvendynamiek niet. In algemene zin draagt bedrijvendynamiek – door het proces van creatieve destructie – positief bij aan de groei van de gemiddelde arbeidsproductiviteit (zie https://www.cpb.nl/publicatie/proces-van-creatieve-destructie-verzwakt-nederland). Het is echter niet te zeggen in hoeverre hier sprake van is in de ramingsperiode. 66 In welke mate en met welke vertraging werkt de stijging van de lange rente door in woninginvesteringen en woningbouwproductie? Hoe luidt de gevoeligheidsanalyse voor een langdurig hogere kapitaalmarktrente? Onze raming bevat geen expliciet rente-effect op de woninginvesteringen en geen gevoeligheidsanalyse voor een langdurig hogere kapitaalmarktrente. Uitspraken over de mate en doorlooptijd van het effect van een hogere lange rente zijn daarom niet mogelijk. De rente werkt wel indirect door in de raming van de woninginvesteringen, o.a. via de bouwvergunningen en het bbp. 67 In hoeverre is de in de kerngegevens geraamde inflatie representatief voor de kostenontwikkeling waarmee woningcorporaties worden geconfronteerd, in het bijzonder bij bouw, onderhoud, personeel, verzekeringen en zakelijke dienstverlening? De inflatie in de kerngegevenstabel toont de ontwikkeling van het algemene prijspeil voor consumenten. Dit is niet per se representatief voor de kostenontwikkeling waarmee woningcorporaties worden geconfronteerd. 68 Welke loonontwikkeling verwacht het CPB specifiek in de bouw en de zakelijke dienstverlening, en in hoeverre wijkt deze af van de geraamde contractloonstijging? Het CPB maakt geen aparte raming van de cao-loongroei in de bouw en de zakelijke dienstverlening. 69 Kunt u voor 2026 en 2027 een aansluittabel geven tussen de uitgaven aan sociale zekerheid in de MEV (nationale-rekeningendefinitie, % bbp en mld euro) en de uitgaven onder het kader Sociale Zekerheid in de Miljoenennota, met per verschilpost het bedrag? De totale verschillen bij de Sociale zekerheidsuitgaven blijven per saldo beperkt tot minder dan 1 mld per jaar, waarbij de raming van het CPB hoger is dan in de miljoenennota. Het CPB heeft geen gedetailleerde uitsplitsing beschikbaar met verschillen tussen de MEV en de miljoenennota. Verschillen kunnen onder meer samenhangen met verschillen in de ramingsmethodiek en aannames.  Voor het WW- en bijstandsvolume maakt het CPB een eigen inschatting. (Bijlage_01 van de Verzamelde bijlagen, regel 35). Het bijstandsvolume voor 2025, 2026 en 2027 is online beschikbaar via de volgende publicatie (zie https://www.cpb.nl/publicatie/raming-van-het-bijstandsvolume-de-mev-2027). De methodiek hiervan is eveneens beschreven in de notitie. Voor de inschatting van het effect van beleidsmaatregelen wordt aangesloten bij de ramingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tenzij aangegeven in de bijlage met beleidsmatige verschillen van het Verantwoordingsdocument MEV2027. 70 Idem voor zorg: kunt u de zorguitgaven in de MEV laten aansluiten op het Budgettair Kader Zorg in de Miljoenennota, met per verschilpost het bedrag? Het verschil in netto premiegefinancierde zorguitgaven tussen de MEV en de miljoenennota zijn beperkt en afgerond 1 mld per jaar, waarbij de raming van het CPB lager is dan in de miljoenennota. Het CPB heeft geen gedetailleerde uitsplitsing beschikbaar met verschillen tussen de MEV en de miljoenennota. Het CPB raamt de overheidsuitgaven naar functie. Deze zijn niet 1-op-1 vergelijkbaar met de begroting uit de miljoenennota. De beleidsmatige verschillen voor 2026 en 2027 zijn wel beschikbaar en staan beschreven in de bijlage A van het Verantwoordingsdocument van de MEV (https://www.cpb.nl/publicatie/macro-economische-verkenning-mev-2027-verantwoording). 71 In welke mate verklaren verschillen in macro-economische veronderstellingen (loon- en prijsontwikkeling, werkloosheid, volumes) het verschil tussen de CPB-raming en de begrotingsramingen voor sociale zekerheid en zorg? Kunt u dit per jaar kwantificeren? Zie de antwoorden op vragen 69 en 70 voor het verschil in sociale zekerheidsuitgaven en netto premiegefinancierde zorguitgaven tussen de MEV en de miljoenennota. Het CPB heeft geen gedetailleerde uitsplitsing beschikbaar met verschillen tussen de MEV en de miljoenennota. Voor zover bij ons bekend zijn de ramingen voor loon- en prijsontwikkelingen van departementen geactualiseerd op basis van de recente macro-economische inzichten in de Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB (zie bijvoorbeeld begroting VWS 2027, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2026/09/15/xvi-volksgezondheid-welzijn-en-sport-rijksbegroting-2027). 72 Veronderstelt het CPB ook onderuitputting op de sociale zekerheid en zorg, of alleen op niet-openeinde regelingen? Zo ja, hoeveel? Zie antwoord op vraag 40. 73 Hoe groot is het verschil tussen de zorguitgaven op transactiebasis (nationale rekeningen) en op kasbasis (begroting), en hoe ontwikkelt dit verschil zich t/m 2027? Zie antwoord op vraag 70 voor de verschillen tussen de premiegefinancierde zorguitgaven in de MEV en de miljoenennota. Deze verschillen zijn niet toe te schrijven aan het verschil tussen kas- en transactiebasis. 74 Is de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties volledig in de MEV 2027 verwerkt? Zo ja, welk effect heeft deze? Zo nee, welk effect zou dit naar verwachting hebben? De ATAD-uitzondering voor woningcorporaties gaat in vanaf 2028 en valt daarmee buiten de ramingshorizon. 75 Welke uitgaven rekent het CPB tot "sociale zekerheid" die in de begroting onder een ander kader of buiten de kaders vallen, en omgekeerd? Hoe worden bijvoorbeeld zorgtoeslag, huurtoeslag, kindregelingen, ambtenarenpensioenen, bijstand via het gemeentefonds en de Noodfonds Energie-uitgaven ingedeeld? Het CPB rekent alle overdrachten in geld aan huishoudens en de uitkeringen in natura die niet behoren tot de functie Zorg of Onderwijs, tot de functie Sociale zekerheid. Daarnaast behoren ook de toegerekende sociale premies ten laste van werkgevers tot de functie Sociale zekerheid. De functie Sociale zekerheid omvat de zorgtoeslag, huurtoeslag, kindregelingen, bijstandsuitkeringen en het Noodfonds Energie-uitgaven. De ambtenarenpensioenen vallen niet onder de functie Sociale zekerheid, maar vallen onder het pensioenfonds ABP. Wel worden de eenmalige kosten voor het overzetten van de defensiepensioenen naar het pensioenfonds ABP geboekt onder de functie Sociale zekerheid. 76 Kunt u de verwachte groei van de uitgaven aan sociale zekerheid t/m 2031 ontleden naar AOW, WW, WIA/WAO, bijstand, kindregelingen en toeslagen, en per regeling naar volume-effect en prijs-/koppelingseffect? De MEV2027 betreft een raming tot en met 2027. Een ontleding van de verwachte groei voor de jaren daarna valt daarmee buiten de ramingshorizon. 77 Kunt u de onzekerheid voor de woningbouw als gevolg van netcongestie en de gewijzigde regels hiervoor kwantificeren? De sterke stijging van de vergunningsafgifte begin 2026 is met enige onzekerheid omgeven, omdat de gewijzigde regels rond netcongestie mogelijk tot verschillen in de registratie van vergunningen door gemeenten hebben geleid. De mate van deze onzekerheid hebben we niet gekwantificeerd in de raming. De geraamde groei van het volume woninginvesteringen in 2027 wordt voor ongeveer een derde gedreven door de vergunningsuitgifte begin 2026. In het algemeen is de reeks woninginvesteringen zeer volatiel en daardoor is deze reeks altijd met hogere onzekerheid omgeven. 78 Van welke ontwikkeling van bouwkosten, materiaalprijzen en loonkosten in de bouw gaat de raming van de woninginvesteringen uit? Kunt u deze prijs- en volumecomponenten afzonderlijk weergeven voor 2026 en 2027? Het CPB maakt geen expliciete raming van de effecten van bouwkosten, materiaalprijzen en loonkosten op de woninginvesteringen. De raming betreft direct het reële volume van de woninginvesteringen. De prijsmutaties voor 2026 (3,9%) en 2027 (3,8%) staan in Verzamelde bijlagen MEV 2027 Bijlage_05, maar zijn niet naar afzonderlijke kostencomponenten uitgesplitst. 79 Kan worden aangegeven welk deel van de geraamde woninginvesteringen wordt verricht door woningcorporaties en welke investeringsveronderstellingen voor de corporatiesector in de raming zijn opgenomen? Zie antwoord op vraag 47.

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3a1e614b297aad86

14 okt 2026 · f304d8aa8839f002

12 okt 2026 · bf91970548320151

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.