Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 september 20225, over Academische vrijheid
Brontekst
Versie 561a055a328cc10c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1213 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 1 oktober 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op10 september 2025 overleg gevoerd met de heer Moes, Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 3 juli 2025 inzake veiligheid op universiteiten enhogescholen (Kamerstuk 29 240, nr. 175);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 30 mei 2025 inzake inzet op het borgen en verster-ken van de vrijheid, veiligheid en vertrouwen in de weten-schap (Kamerstuk 31 288, nr. 1202);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 23 juni 2025 inzake wetenschappelijke integriteit(Kamerstuk 31 288, nr. 1207);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 20 maart 2025 inzake aantrekken internationalewetenschappers van topniveau (Kamerstuk 29 338, nr. 291);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 maart 2025 inzake onderbreking van onderwijsop de Universiteit van Amsterdam (UvA) op 27 februari 2025(Kamerstuk 31 288, nr. 1182);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 27 mei 2025 inzake onderbreking van onderwijs opde Universiteit Leiden Campus Den Haag en op de UniversiteitUtrecht mei 2025 (Kamerstuk 31 288, nr. 1200);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 19 mei 2025 inzake reactie op de motie van het lidVan der Hoeff over alle kosten van vernielingen gepleegdtijdens de illegale demonstraties op de UvA in maart 2024verhalen op de daders (Kamerstuk 29 240, nr. 168) (Kamerstuk29 240, nr. 174). kst-31288-1213ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12131 Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12132 Voorzitter: PaternotteGriffier: VerhoevAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Beckerman, Ergin, Heite,Van der Hoeff, Paternotte, Rajkowski en Stultiens,en de heer Moes, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.Aanvang 10.00 uur.De voorzitter:Dames en heren, een hele goede morgen gewenst. Van harte welkom bijdit commissiedebat van de vaste Kamercommissie voor Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, dat in het teken staat van academische vrijheid.Een bijzonder welkom natuurlijk aan Minister Moes, de nieuwe Ministervan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en ook aan zijn ondersteuning. Ditis zijn eerste commissiedebat in deze Kamer. Als u zich afvraagt waar devaste voorzitter van de Kamercommissie is: die is verhinderd vanwegeeen ander debat. Het werkt dan zo dat het Kamerlid dat al het langst in deTweede Kamer zit het commissiedebat moet voorzitten. Dat blijk ik te zijn,vandaar dat ik hier nu zit. Ik verwelkom ook de aanwezige Kamerleden:mevrouw Rajkowski is hier namens de fractie van de VVD, de heerStultiens namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid,mevrouw Heite namens Nieuw Sociaal Contract, mevrouw Beckermannamens de SP – ik heb begrepen dat zij om 10.15 uur, of in ieder geval opeen gegeven moment, naar een plenair debat zal moeten – en de heer Vander Hoeff is hier namens de PVV. Ik sluit niet uit dat er nog andereKamerleden binnen komen druppelen die in een vertraagde trein zitten. Ergeldt een spreektijd van vier minuten per fractie in de eerste termijn. Umag elkaar vier keer interrumperen. Dat betekent dat u zelf kan bepalenwanneer u dat zou willen doen. Dat kan met vier losse vragen.Ik ga beginnen met de inbreng van mevrouw Rajkowski van de VVD. Gaatuw gang.Mevrouw Rajkowski (VVD):Dank, voorzitter. Dit is mijn allereerste debat als woordvoerder OCW endan gaat het meteen over zo’n belangrijk onderwerp als academischevrijheid. Het is een vrij breed begrip, maar ook de zuurstof van onzedemocratie. Verschillende liberale denkers, zoals John Stuart Mill enThorbecke, benadrukten het al: vrijheid van denken en spreken is nietalleen een recht, maar ook een verantwoordelijkheid. Universiteiten enhogescholen zijn plekken waar die vrijheid in het onderwijs, maar ook hetonderzoek, moet worden beleefd. Juist daar moet er ruimte zijn om tegende tijdsgeest in te denken, om scherpe vragen te stellen en omonbevangen onderzoek te kunnen doen. Juist de vrijheid om tegen dieheersende tijdsgeest in te kunnen denken, zorgt voor baanbrekendewetenschap. Dat is goed voor onze universiteit, voor onze samenleving,maar ook voor onze welvaart; daarom zal de VVD deze vrijheid altijdverdedigen.Voorzitter. Die vrijheid staat wel steeds meer onder druk. We zienrelschoppers die gebouwen bezetten en vernielen, docenten en studentendie bedreigd worden en onderzoekers die niet meer veilig hun werkkunnen doen en soms zelfs thuis bedreigd worden. Sociale en fysiekeveiligheid zijn geen randzaken, maar echt een voorwaarde om ook dieacademische vrijheid überhaupt mogelijk te maken. Een student die nietdurft te komen of een docent die zich geïntimideerd voelt, kan geenvolwaardig deel uitmaken van de academische gemeenschap. Als ik overde grens kijk, iets verder weg, in bijvoorbeeld Amerika, dan zie ik eenmooi stuk van de Chicago Principles waarin zij laten zien hoe je acade-mische vrijheid en regels van fatsoen in balans kan houden. Alles magTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12133 gezegd en onderzocht worden, behalve wanneer het onwettig is ofwanneer het de orde fundamenteel verstoort. Dit zijn volgens mij ookbeginselen die we hier in Nederland steviger met elkaar moeten gaanverankeren. Vanuit de VVD zeg ik dat wij ons niet bemoeien met deinhoud van het onderzoek of het onderwijs – daar zijn capabelebestuurders voor nodig – maar dat wij wel eisen mogen stellen aan derandvoorwaarden om die academische vrijheid zo goed mogelijk tebeschermen.Voorzitter. Dan wil ik het nog over sociale veiligheid hebben. We zien eentoename in polarisatie en onwil om andere meningen te horen. En hoeerg we daar soms ook zelf een mening over hebben, misschien ikzelf ookpersoonlijk, moet de verantwoordelijkheid wel liggen waar die hoort,namelijk bij het bestuur van een onderwijsinstelling. Die instelling moetzorgen voor degelijke opleidingen, aansluiting op de arbeidsmarkt etcetera. Pas als dit uit de hand loopt, zou de Minister of een toezichthouderin moeten grijpen. De Minister zou bijvoorbeeld in moeten kunnen grijpenop het moment dat dit echt te ver gaat, dus als het onderwijs niet doorkan gaan, eigendom vernield wordt et cetera. Bij zeer ernstige veiligheids-problemen zou de Minister dus misschien zelfs bestuurders weg moetenkunnen sturen. Graag hoor ik een reactie van de Minister hierop.Voorzitter. Dan wil ik het nog hebben over de bedreiging van weten-schappers. Voor de VVD is het ook onbestaanbaar dat dit gebeurt. Welkeextra maatregelen zijn er de afgelopen jaren genomen om te bewerkstel-ligen dat wetenschappers vrij en veilig hun werk kunnen doen? Sindscorona zien we zelfs dat wetenschappers thuis bedreigd worden. De VVDvraagt zich af of het ook mogelijk is om in gesprek te gaan met instel-lingen, om te kijken hoe wetenschappers nog beter beschermd kunnenworden. Dit is niet alleen belangrijk voor de academische vrijheid, maardus ook een taak en verantwoordelijkheid als werkgever.Voorzitter. Als laatste kom ik bij huisregels en fysieke veiligheid. Verschil-lende experts hebben in de rondetafel aangegeven dat zij bestuurder zijnen geen handhavingsinstantie. Dat begrijp ik uiteraard, maar dat moet nietbetekenen dat er niet wordt ingegrepen of dat ze niet weten hoe zemoeten ingrijpen als het misgaat. Mijn collega Martens heeft eerder algevraagd om het instellen van een escalatieladder. Kan de Minister destand van zaken hierop met ons delen? Mijn collega Martens heeft samenmet de heer Eerdmans een motie ingediend over het opstellen van eeneenduidig veiligheidsprotocol. Wat is de status hiervan? Zou bijvoorbeeldde onderwijsinspectie een expliciete rol kunnen krijgen om te toetsen ofinstellingen hun sociale en fysieke veiligheid op orde hebben?Voorzitter, afrondend. Academische vrijheid is een gezamenlijke verant-woordelijkheid. Iedereen heeft een zorgplicht: universiteiten, studenten,docenten, bestuurders, maar ook de politiek. Alleen als wij die zorgplichtinvullen, kunnen we de universiteiten laten doen waarvoor ze bedoeldzijn: een plek zijn van vrij debat en vrijdenken, met scherpe botsing vanideeën, maar altijd binnen een veilige omgeving. De VVD zal daar altijdpal voor staan, want een vrije en veilige universiteit betekent ook eensterke democratie.Excuus. Ik ben iets uit de tijd gelopen.De voorzitter:Slechts zeventien seconden, maar die trek ik gewoon af van uw tweedetermijn. Dat komt helemaal goed. Ik ga het woord geven aan de heerStultiens van GroenLinks-Partij van de Arbeid.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dank u, voorzitter. Onze wetenschap is in gevaar. Het is code rood. Deacademische vrijheid neemt al jaren af. We zien dingen gebeuren die weeen aantal jaar geleden ondenkbaar vonden. Niet alleen is dit een gevaarvoor de wetenschap, maar ook voor onze hele samenleving en voor onzeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12134 democratie. Academische vrijheid betekent dat wetenschappers vrij zijnom hun eigen onderzoek te doen, om hun eigen resultaten naar buiten tebrengen, om nieuwe vragen te stellen, om te onderzoeken wat ongemak-kelijk is, om op basis van argumenten en bewijs tot nieuwe inzichten tekomen, om de grenzen van onze kennis te verleggen, om zich te mengenin het maatschappelijk debat, om desinformatie tegen te gaan en om eenkritische tegenmacht te zijn, zonder druk van buitenaf, zonder druk van hetbedrijfsleven en zonder druk van de politiek.Daarom is het zo onvoorstelbaar wat er nu gebeurt in de wetenschap.Trump gaat met een sloopkogel erdoorheen. Zijn rechterhand noemtuniversiteiten «de vijand». Termen als «gender», «lhbtiq» of «vrouwen»worden verboden. Onderwijscurricula worden herschreven. Databasesworden geblokkeerd. Instituten worden gesloten. Wetenschappers kunnenniet meer vrij hun werk doen, simpelweg omdat ze zich bezighouden metklimaatverandering of vaccinaties, of omdat ze zich uitspreken tegen deoorlogsmisdaden in Gaza. Dit zijn allemaal grote schendingen van deacademische vrijheid. Dit richt onherstelbare schade aan voor de helewetenschap.Voorzitter. Dit is geen ver-van-ons-bedshow. Ook in Nederland ontvangenonderzoekers vragenlijsten van de Amerikaanse overheid. Ook inNederland liggen onderzoeken naar corona stil door drooglegging vanuitAmerika. Ook in Nederland hebben wetenschappers geen toegang meertot Amerikaanse data. Maar het is te makkelijk om alleen naar Amerika tewijzen. Ook hier staat de vrijheid namelijk al veel langer onder druk. Zie derapporten van de KNAW, UNESCO en de Academic Freedom Monitor. Eris genoeg bewijs. Ook hier wordt vertrouwen in de wetenschap onder-mijnd door politici die het framen als «activistisch» of als «woke». Ookhier wordt wetenschap nog te vaak gezien als slechts een mening. Ookhier roepen politici op om in te grijpen in collegestof of om te bezuinigenop plekken waar geprotesteerd wordt.Voorzitter. Terwijl de wetenschap in brand staat, is dit kabinet oorver-dovend stil. Dan bedoel ik niet deze Minister, want die is pas een paardagen bezig. Ik heb het dan ook over zijn voorganger. Ga nou staan voordie academische vrijheid! Spreek je écht uit tegen deze sloopkogel uitAmerika! Geen slap «we houden het in de gaten», maar onderneem núactie. Draag duidelijk uit dat wetenschap geen mening is. Verzet je tegendeze aanvallen op de wetenschap. Neem stelling tegen censuur vantermen als «gender» en «inclusie». Neem afstand van dreigementen vanfinanciële kortingen als partijen het oneens zijn met het handelen vanuniversiteiten. Toon moed!Voorzitter. Om het belang van academische vrijheid te onderstrepen,pleiten wij als GroenLinks-PvdA ervoor om academische vrijheid op tenemen in de Grondwet. We zien dit al in Duitsland. Ook de KNAW en derectoren geven aan dat academische vrijheid nu niet voldoende isgewaarborgd in de wet. Onze universiteiten zijn te belangrijk voor onzerechtsstaat. Dat verdient een stevige grondwettelijke verankering. Zorgdat universiteiten weer de bolwerken van de vrijheid zijn. Zorg dat Europaweer het continent van de vrije wetenschap is. Dat zijn we onze toekom-stige generaties verschuldigd.Dank u wel.De voorzitter:Veel dank aan de heer Stultiens. Ik zie dat er geen interrupties zijn, dusdan gaan we door met het betoog van mevrouw Heite. Zij spreekt namensNieuw Sociaal Contract.Mevrouw Heite (NSC):Dank u wel, voorzitter. Nederland heeft een eeuwenlange traditie vantolerantie en intellectuele vrijheid. Grote denkers als Descartes, Locke enSpinoza vonden hier ruimte voor ideeën die elders onmogelijk waren. DieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12135 traditie verplicht ons. Academische vrijheid is geen luxe, maar eenfundament van onze democratische rechtsstaat. Toch staat ze ook hier inNederland onder druk.Voorzitter. De universiteiten zelf erkennen in hun gezamenlijke verklaringdat de academische vrijheid bedreigd wordt en dat zij een verantwoorde-lijkheid hebben om die vrijheid actief te beschermen. Tegelijk lezen we inde media dat Joodse studenten, docenten en onderzoekers zich onveiligvoelen vanwege demonstraties en vijandige leuzen op campussen. Dat isronduit zorgelijk. Als er één plek veilig moet zijn voor vrije gedachtewis-seling zonder angst of intimidatie, dan is het wel de universiteit, want devrijheid van de een mag niet ten koste gaan van de vrijheid van de ander.Daarom vraag ik de Minister hoe hij deze signalen van een groeiendgevoel van onveiligheid, met name bij Joodse studenten en docenten,beoordeelt. Welke concrete stappen wil hij zetten om ervoor te zorgen datuniversiteiten daadwerkelijk veilige vrijplaatsen zijn voor álle studenten enmedewerkers? Is de Minister bereid om universiteiten nadrukkelijker tehouden aan hun verantwoordelijkheid om vrijheid van meningsuiting ensociale veiligheid beide te waarborgen?Voorzitter. Daarnaast is het belangrijk dat universiteiten ook de hand ineigen boezem steken, want de academische vrijheid wordt niet alleenbedreigd van buitenaf. De notoire publish-or-perishcultuur, de enormewerkdruk en peerreviewsystemen die alleen publicaties toelaten binnenbepaalde denkkaders, knellen. Deze structuren smoren originaliteit enmoedigen middelmatigheid aan. Ze ondermijnen ook de academischevrijheid. NSC vindt dat universiteiten de plicht hebben om hier ook zelfkritisch naar te kijken. Daarom vraag ik de Minister of hij bereid is om metuniversiteiten in gesprek te gaan over de oprichting van een fondsuitsluitend voor de financiering van onderzoek voortkomend uit nieuws-gierigheid en tegendraads onderzoek.Voorzitter, ik rond af. Academische vrijheid vraagt om bescherming, maarook om een cultuur van nieuwsgierigheid, tegenspraak en integriteit. Laatonze universiteiten opnieuw die veilige havens zijn, voor Spinoza toen envoor studenten en wetenschappers nu.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Beckerman van de SP.Mevrouw Beckerman (SP):Ja, maar niet omdat ik het oneens ben met het betoog, want ik denk datdaar geen woord verkeerd aan is. Ik denk ook dat die cultuur van publishor perish, publiceer of verdwijn, en de enorme druk die er op financieringligt, gewoon heel erg knellen en wetenschappers onder druk zetten. NSCzegt: de universiteiten moeten de hand in eigen boezem steken. Maarheeft dit niet ook zeer sterke verwantschap met de financiering vanuniversiteiten? Er wordt hard bezuinigd op de eerste geldstroom, het geldvoor ongebonden onderzoek. Die staat onder druk. Een steeds groter deelvan het geld moet besteed worden aan matching. Ik stel dan maar deopen vraag: is dat ook niet het gevolg van besluiten hier?Mevrouw Heite (NSC):Ik begrijp de vraag heel goed. Het is in ieder geval voor ons nu een redenom een oproep te doen aan deze Minister om te gaan kijken of hetmogelijk is om hier een fonds voor op te richten. De kwestie is natuurlijkwaar je je geld aan uitgeeft, zou ik willen zeggen. Dit is in ieder geval ookvoor NSC – ik ben blij dat we het daar helemaal over eens zijn – een heelbelangrijk punt, juist ook om intern op universiteiten de academischevrijheid te waarborgen. Ik ben heel benieuwd hoe de Minister dit ziet enwat voor mogelijkheden hij daartoe ziet, maar dit is in ieder geval wel ietswat wij heel erg belangrijk vinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12136 Mevrouw Beckerman (SP):Ik ga hier zo in mijn eigen termijn nog veel meer over zeggen. Dit isnatuurlijk wel enigszins wrang, want we hebben natuurlijk de afgelopenjaren en bij het voorgaande kabinet gezien dat er hele, hele, hele hardebezuinigingen worden uitgestort over de wetenschap. Een fonds is heelgoed en heel mooi, maar dat neemt de druk niet weg bij al de anderewetenschappers die niet in aanmerking komen voor dat fonds. Het neemtde druk niet weg bij universiteiten om te zoeken naar geld uit de tweedeen derde geldstroom. De tweede geldstroom wordt vaak gebruikt voormatching. Daar ligt enorme druk op. We zien gekleurde wetenschap,omdat er nou eenmaal veel geld uit die derde geldstroom moet wordengehaald. Moet het niet veel fundamenteler geregeld worden dan enkel viaeen fonds? Betekent dit niet dat we gewoon langjarig zekerheid moetengeven aan de academie dat we dit ongebonden onderzoek financieren?Mevrouw Heite (NSC):Hele mooie vraag en mooie oproep, die ik ook van harte ondersteun. Ikonderschrijf alleen niet dat de bezuinigingen die zijn uitgevoerd hier zofundamenteel voor hebben gezorgd, zeker niet in deze kabinetsperiode. Ikzou wel graag een oproep willen doen aan deze Minister om daar goednaar te kijken en daarmee aan de slag te gaan. Daar staat NSC ook voor.Maar zonder dat we alle debatten over bezuinigingen op het onderwijsopnieuw gaan doen: ik denk dat ik met dit betoog wel duidelijk hebgemaakt dat ook Nieuw Sociaal Contract het gewoon heel erg van belangvindt dat het geld dat er is, zeker besteed wordt aan deze manier vanfinancieren en dat de druk op de academische vrijheid daarmee afneemt.Ik denk namelijk dat dit ook een interne bedreiging is, vanuit de universi-teiten zelf. Ik denk dat we elkaar hierin vinden.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we meteen door met het betoog van mevrouwBeckerman van de SP.Mevrouw Beckerman (SP):Voorzitter, goedemorgen. De academische vrijheid staat onder druk. Ik hebeindeloos veel gedemonstreerd op universiteiten en protesten georgani-seerd, onder andere tegen wc-eendwetenschap. Met een hele grote geleeend ging ik universiteiten langs. Inmiddels blijkt dat ik zo oud ben datjongeren de term «wc-eendwetenschap» niet meer begrijpen. Dat doetpijn, maar lach gerust. Dit ging over een reclame waarbij mensen die indienst waren van WC-Eend klanten adviseerden om WC-Eend tegebruiken, oftewel: onderzoek betaald door een externe partij, waarvan deconclusies vooral reclame zijn voor de opdrachtgever. Wetenschap moetvrij zijn. De term «WC-Eend» bestaat misschien niet meer, maar gekleurdonderzoek, wetenschap op bestelling of wetenschap als marketing bestaathelaas nog wel.Voorzitter. We kregen voor dit debat bijvoorbeeld voorbeelden vanFoodwatch, dat zegt: stop de uitverkoop van de wetenschap. Zij latenvoorbeelden zien van studies die geen wetenschap, maar marketing zijn.Zij laten zien dat de voedselindustrie een vinger in de pap heeft bij dewetenschap. We zien dit bijvoorbeeld ook in onderzoeken gepubliceerd inNature Climate Change. Zij laten zien dat onderzoek dat gefinancierd isdoor de olie- en gasindustrie veel positiever is over aardgas danongebonden onderzoek. Er is ook het voorbeeld dat al langer speelt envaak wordt aangehaald van hoogleraren belastingrecht. De helft van alleNederlandse hoogleraren belastingrecht heeft ook een betaalde baan inhet bedrijfsleven. Lang niet alle universiteiten zijn transparant over diebijbanen.De KNAW zegt: wetenschappers in Nederland hebben steeds minderruimte om zelf het onderwerp en de aanpak van hun onderzoek teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12137 bepalen. Goede wetenschap vereist vrijheid. Zonder inmenging vanbuiten levert wetenschap de beste kennis. UNESCO zegt: zorg voorminder financiële druk, zodat wetenschappers minder afhankelijk zijn vanprivate, geoormerkte financiering. Het kabinet noemt in de brieven dievandaag aan de orde zijn allerlei punten, maar precies op dit punt van deKNAW, UNESCO en rectoren wordt niet ingegaan. Wat is uw reactie,vragen we aan het kabinet, op het feit dat juist als je academische vrijheidwil stimuleren, je moet investeren in ongebonden onderzoek?De ene conclusie kan zijn: de afhankelijkheid van onderzoek gefinancierddoor de derde geldstroom is mede onder druk van protesten de afgelopenjaren iets afgenomen. Maar tegelijkertijd zien we in toenemende mate dater sprake is van cofinancieringseisen vanuit de tweede geldstroom en vanmatching vanuit de eerste geldstroom. De bezuinigingen die dit kabinetheeft aangekondigd, komen daar weer bovenop; ik noemde het net al ineen interruptiedebatje met de collega van NSC. Universiteiten moetengewoon op zoek naar extra financiering. Dat kan twee gevolgen hebben:er komt steeds minder ongebonden of fundamenteel onderzoek – dat ishet gevaar van gekleurde wetenschap – en wetenschappers staan onderdruk. Hoe ziet de Minister dit? Hoe ziet hij de gevolgen van bezuinigingenen de impact op de academische vrijheid? Leggen de bezuinigingen nietnog meer druk op wetenschappers? 26% van de wetenschappers zegtweleens ongewenste invloed van opdracht- of subsidiegevers te hebbenervaren. Wat wil de Minister doen om transparantie over nevenfuncties tevergroten? De KNAW – mijn collega van GroenLinks-PvdA heeft de oproepnet ook gedaan – heeft opgeroepen om academische vrijheid te veran-keren in de Grondwet. Andere landen doen dit al. Wat vindt de Ministervan het idee om Nederland te laten volgen?Voorzitter, hoeveel tijd heb ik nog?De voorzitter:U heeft nog zeventien seconden.Mevrouw Beckerman (SP):Voorzitter. Natuurlijk is het goed om naar de gevaren in bijvoorbeeldAmerika te wijzen, maar laten we ook heel goed kijken naar de gevarenhier. Ik denk dat de impact van de bezuinigingen gigantisch kan zijn. Er iseen korte tijd een inhaalslag gemaakt, maar ik denk dat die weer teniet-gedaan wordt als we academische instituten en wetenschappers weer opzoek laten gaan naar allerhande financiering, omdat die niet vanuit deoverheid zelf komt.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nu nog min zeventien seconden, net als mevrouwRajkowski, dus iedereen blijft eigenlijk keurig binnen de 4 minuten en17 seconden. Ik ga door met de heer Van der Hoeff van de PVV.De heer Van der Hoeff (PVV):Voorzitter, dank u wel. Universiteiten zijn de afgelopen weken wederomniet het toneel geweest van academische vrijheid, maar van intimidatie,blokkades, ordeverstoringen en antisemitische leuzen. Van Amsterdam totEnschede werden plechtigheden en openingen verstoord doorluidruchtige zogenaamde pro-Palestinarelschoppers die zichzelfverschuilen achter de vlag van vrijheid van meningsuiting. De hardewerkelijkheid is dat Joodse studenten inmiddels een eigen meldpunt voorantisemitisme moeten oprichten, omdat de bestaande universiteitsbe-sturen hen structureel in de kou laten staan. Terwijl Israëlhaat zich in decollegezalen en op campussen nu al twee jaar breeduit manifesteert,worden klachten genegeerd, gesust of weggemoffeld, en dat allemaalonder de mantel van de heilige zogenaamde academische vrijheid. OveralTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12138 is het beeld hetzelfde: bestuurders kijken weg, minimaliseren of, ergernog, geven demonstranten morele rugdekking door te pleiten tegenrepressie. Dit laatste deed de rector van de UvA bijvoorbeeld. De tijd vanpappen en nathouden had wat de PVV betreft nooit mogen beginnen,maar met twee jaar een NSC-Minister aan het roer die over geen enkeleruggengraat beschikte, was er geen beginnen aan.Voorzitter. De academische vrijheid is een groot goed, maar zij is bedoeldom kennis en wetenschap te beschermen, niet om haat te legitimeren ende universiteiten te laten verworden tot een actiekamp tegen Joden entegen onze democratische rechtsstaat. Vrijheid zonder grenzen wordtonvrijheid en tolerantie zonder grenzen wordt intolerantie. Er moetingegrepen worden, voor de studenten die in stilte college willen volgen,voor de Joodse studenten die zich onveilig voelen, voor de docenten diehun werk niet kunnen doen en het spreken onmogelijk wordt gemaakt. Wemogen geen seconde langer buigen voor terreur en intimidatie. De Kamerheeft in meerdere debatten aangedrongen op harde maatregelen. De PVVheeft moties ingediend met het verzoek om de schade van vernielingen teverhalen op de daders. Elke keer hoorden we van de vorige Ministerhetzelfde riedeltje: «Ik kan niet ingrijpen. De universiteiten zijn autonoom.Er is academische vrijheid.» Enzovoort. Daarmee werd alles wegge-moffeld, terwijl de realiteit zwart-op-wit in de Kamerstukken staat:colleges werden stilgelegd, panden werden ontruimd, er waren tientallenarrestaties, er waren vernielingen en er stonden antisemitische leuzen opde muren.Voorzitter. Ik vraag de Minister vandaag om helderheid: geen rookgor-dijnen, niet wegkijken van academische bestuurders die alles «klein-schalig» noemen, geen relativerende praatjes. Wij willen van de Ministerhoren hoe hij de universiteitsbesturen eindelijk gaat aanspreken op hunfalen. Hoe gaat hij ervoor zorgen dat daders, oproerkraaiers, extremistenen antisemitische relschoppers met honderd procent zekerheid van deuniversiteit verdwijnen? We willen geen tijdelijke schorsing, geenwaarschuwingen, maar gewoon een definitieve verwijdering. Wat gaat hijconcreet doen om demonstrerende academische docenten aan te pakken?Ik heb het over docenten die zich schuldig maken aan ernstig plichts-verzuim onder het mom van steun voor Palestina, bijvoorbeeld doorantisemitische uitingen te doen of aan te zetten tot ordeverstoringen, endie meer bezig zijn met actievoeren dan met hun taak om les te geven.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Ergin van DENK en daarna ook vanmevrouw Beckerman.De heer Ergin (DENK):Ik hoor de heer Van der Hoeff aangeven dat het opkomen voor de rechtenvan de Palestijnen en je uitspreken tegen de genocide in Gaza plichts-verzuim zou zijn en dat studenten verbannen moeten worden van deuniversiteiten, omdat ze hun universiteitsbestuur vragen: knip nou desteun aan en de samenwerking met de Israëlische universiteiten door dieintellectueel bijdragen aan de genocide in Gaza. Kan de heer Van derHoeff aangeven wat er verkeerd aan is dat je als student, als jongere,opstaat en zegt: ik wil gewoon niet meer dat kinderen en vrouwen wordenvermoord? Wat is daar nou zo verkeerd aan volgens de PVV?De heer Van der Hoeff (PVV):Dit is geen debat over Gaza en Israël, maar ik zal antwoord geven. Devrijheid van meningsuiting betekent niet dat je de universiteiten magveranderen in een Hamasbivak. Als je terreur verheerlijkt of Joodsestudenten bedreigt, misbruik je die vrijheid en verspeel je het recht omjezelf daarachter te verschuilen. Geweld is gewoon nooit toegestaan,nergens, zeker niet door kinderen, waar u nu duidelijk aan refereert.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12139 De heer Ergin (DENK):Het punt is ook niet dat we hier geweld goedpraten. Het punt is datstudenten maar ook academici gebruikmaken van hun academischevrijheid en zich uitspreken als ze bijvoorbeeld zien dat 500 genocideweten-schappers aangeven dat er een genocide gaande is en dat alles wijst opgenocidaal geweld. De PVV zet al die mensen nu in één klap weg als fout,als verkeerd, als mensen die verbannen moeten worden van onzecampussen. Als ik daarnaar vraag, hoor ik: ja, dit is geen Gazadebat. Geefnou gewoon antwoord op de vraag. Waarom verdienen mensen die zichuitspreken tegen genocide, die zich uitspreken tegen het op brute wijzevermoorden van kinderen en vrouwen, volgens de PVV geen plek op onzeuniversiteiten?De heer Van der Hoeff (PVV):Voor de PVV is het gewoon heel duidelijk. Protest is een grondrecht, maarals een protest verandert in intimidatie, antisemitisme, of het verheerlijkenvan terreur, houdt dat recht gewoon op. Er is geen plaats voor terreurver-heerlijking en Jodenhaat in dit land, en wat de PVV betreft zeker niet opuniversiteitsterreinen. Ik overweeg nog om daarover een motie in tedienen.De heer Ergin (DENK):Hier gaan we niet uitkomen. De heer Van der Hoeff heeft een stuk tekstvoor zich en dat leest hij op. Prima, maar dan ga ik door. Dan wil ik ookhet volgende aan de PVV vragen. Ik zie hier een heel duidelijke afbakeningvan academische vrijheid.De voorzitter:Het kan zijn dat er nog mensen op hetzelfde punt willen interrumperen.De heer Ergin (DENK):Ik wil ook wel wachten. Dat kan ook, maar u gaf mij het woord. Dan voel ikmij geroepen om een vraag te stellen.De voorzitter:Ja, omdat ik dacht dat u hierop door wilde gaan. Dan kom ik zo bij u terugen ga ik eerst naar mevrouw Beckerman en mevrouw Rajkowski.Mevrouw Beckerman (SP):Ik ben het met heel veel van wat de heer Van der Hoeff zegt oneens. Zei hijnou op het einde «protest is een grondrecht, maar niet op de univer-siteit»? Vindt de heer Van der Hoeff dat er op de universiteit geen plekmoet zijn om dat grondrecht uit te oefenen?De heer Van der Hoeff (PVV):Nee, dat heb ik niet gezegd. Wat ik beoog te zeggen, is dat je, als je in ditland wilt demonstreren, wat dus een grondrecht is, dat doet op een plekwaarover je hebt overlegd met de burgemeester. Dan krijg je gewoon eengrasveldje, in welke stad of welk dorp je dat ook wilt doen. Dan ga je daarprotesteren. Dat is je recht. Maar onze universiteitsterreinen enhogeschoolterreinen zijn geen terreinen waar je die demonstraties totuiting kunt brengen waardoor anderen, studenten, zich onveilig voelen.Dat is de kern van de boodschap die ik probeer door te geven.Mevrouw Beckerman (SP):Dat zijn dus heel veel woorden voor eigenlijk een «ja». Want de heer Vander Hoeff zegt dat hij vindt dat terreinen van universiteiten enhogescholen geen geschikte plek zijn voor dat grondrecht van protest.Dus over alle protesten die daar geweest zijn of die daar nog zullenkomen, zegt de heer Van der Hoeff: die mogen niet, wat de PVV betreft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121310 De heer Van der Hoeff (PVV):Laten we het scherp stellen: als je een bouwvakker bent en voor eenhoger salaris wilt opkomen of als je in de zorg werkt en wilt demonstrerenvoor wat dan ook, ga je gewoon naar de lokale driehoek en ga je dusdemonstreren op een plek die daarvoor aangewezen is. Als we kijken naarde vernielingen en naar de miljarden – nou ja, miljoenen – aan belas-tinggeld dat gewoon verloren is gegaan door de demonstraties op descholen, denk ik: dat zijn geen plaatsen waar je moet demonstreren. En jemoet sowieso geen vernielingen aanrichten. Het moet ook niet zo zijn datandere studenten zich onveilig voelen. Ik vind dat hoogst discutabel. Datis de boodschap.De voorzitter:Mevrouw Beckerman, laatste keer, kort.Mevrouw Beckerman (SP):Maar daarmee – want er zat een opbouw in – zegt de PVV eigenlijk dat hetgrondrecht op protest bij hen in gevaar is. De heer Van der Hoeff wilbepalen waar dat moet plaatsvinden. De heer Van der Hoeff heeft het overde bouwvakker. De stakingen die bouwvakkers hebben gehad, hebben erjuist voor gezorgd dat mensen extra loon hebben gekregen. Het stakings-recht is een groot goed.De voorzitter:Helder.Mevrouw Beckerman (SP):Dat geldt voor bouwvakkers, en het geldt op universiteiten. Waarom denktde heer Van der Hoeff dat de academische vrijheid erbij gebaat is als dePVV als enige mag bepalen waar je wel en niet gebruik mag maken vanhet grondrecht?De heer Van der Hoeff (PVV):Ik zal nog eens proberen daar duidelijk in te zijn. Die bouwvakker die duswil demonstreren of die mensen uit de zorg die willen demonstreren,moeten zich melden bij een burgemeester. Waarom zou dat voorstudenten niet gelden? Waarom moeten zij op het werkterrein van overigestudenten de boel verstieren, de boel vernielen, de boel kapotmaken enangst zaaien, zodat sommige studenten niet naar school kunnen gaan? Ikvind het discutabel om te zeggen dat een onderwijsterrein van eencampus of een hogeschool geschikt is om te demonstreren. We hebbende resultaten gezien. We hebben gezien dat het miljoenen heeft gekostvoor onze belastingbetaler, en ik vind daar iets van.De voorzitter:Nee, dat gaan we niet doen, mevrouw Beckerman. Ik heb u vijf inter-rupties gegeven. We gaan naar mevrouw Rajkowski van de VVD.Mevrouw Rajkowski (VVD):Ik wil toch nog even op dit onderwerp door. Voor mij begint er een beetjeruis te ontstaan wanneer er hier verschillende voorbeelden wordengenoemd. Protest mag best scherp zijn. Volgens mij gaan de universi-teiten en de lokale driehoek in samenspraak met degenen die willendemonstreren over waar en hoe, over de randvoorwaarden. Het magscherp zijn, maar nooit vijandig. Universiteiten kunnen ook huisregelsopleggen, zodat studenten en docenten in ieder geval altijd veilig naar deuniversiteit of welke onderwijsinstelling dan ook kunnen gaan. Als u hetheeft over relschoppers, vernielingen et cetera, vindt u de VVD aan uwzijde. Ik hoor u alleen voorbeelden noemen van zaken die daar ver voorzitten. In uw spreektekst heeft u bijvoorbeeld iets gezegd over steunTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121311 betuigen aan de Palestijnse zaak. Dat staat volgens mij niet gelijk aanvernielen, relschoppen et cetera. Dus misschien nog één keer eenverduidelijkende vraag: vindt de PVV dat er niet gedemonstreerd magworden op universiteiten of andere onderwijsinstellingen als je jeuitspreekt voor een bepaalde zaak, of pas op het moment als je echtillegale feiten pleegt of voor een onveilige situatie zorgt?De heer Van der Hoeff (PVV):Kijk, op het moment dat er illegale feiten gepleegd zijn, dan zijn wenatuurlijk al te ver. Wat ik probeer duidelijk te maken, is dat, als jedemonstreert ... Dat kan ook in stilte zijn. Denk aan een stil protest of datje dit doet in aanwezigheid van vlaggen of sjaals, of wat dan ook. Het gaaterom dat er een demonstratie is. Dan ontstaat er bij andere studenten, enook bij leraren, een soort van groepsdruk, maar ook een onveilig gevoel,in de zin van: «Ik heb mijn studentenkamer in hetzelfde blok; als ik hier nueen opmerking over maak of een tegenleus schreeuw, of wat dan ook, danword ik hierop aangekeken. Op die manier is het voor mij niet veilig op deuniversiteit.» Daar bedoel ik mee te zeggen dat je op onderwijsterreinengeen ruimte zou moeten hebben voor grote groepen mensen diedemonstreren. Ik vind dat discutabel. Dat wil niet zeggen dat je het nietoneens mag zijn met elkaar. Dat werkt twee kanten op. Maar het is nogalwat om het als groep studenten onmogelijk te maken om te studeren.Mevrouw Rajkowski (VVD):Dan constateer ik toch dat dit geen coherent verhaal is. Ik hoorvoorbeelden die lopen van mensen die met bepaalde uitingen incollegezalen zitten tot grote groepen studenten die demonstreren. Dat zijnvolgens mij twee heel verschillende voorbeelden. Wat voor de VVD hetallerbelangrijkste is, is dat wij onderwijsinstellingen, hun raden vantoezicht, hun colleges van bestuur, zodanig in staat stellen dat zij kunneningrijpen ten behoeve van de academische vrijheid. Dat gaat vanfinanciering, het kunnen doen van vrij en ongebonden onderzoek, tot aansociale en fysieke veiligheid. Als de meerderheid van de Tweede Kamergaat bepalen hoe een protest eruit gaat zien, over welke onderwerpen hetgaat, et cetera, glijden wij per direct af van een vrije westerse samen-leving naar een imperialistisch en autocratisch regime. In zo’n land wil ikabsoluut niet wonen. Dan geef ik mijn collega van de PVV toch nog éénkeer de kans om te debunken dat dit is waartoe hij oproept.De voorzitter:Een goeie poging.De heer Van der Hoeff (PVV):De voorzitter geeft richting aan. De besturen hebben gefaald. Die hebbengeen controle over hetgeen er de afgelopen tijd gebeurd is. De krantenstonden er vol mee. De NOS-journaals waren er vol van. Kijk, een dialoogis waardevol. Maar wij zien geen dialoog. Wij zien gewoon intimidatie,blokkades en vernielingen. Er is dus geen debat, maar er is heel vaakstraatgeweld. Dat wordt gewoon naar binnen gehaald in onze universi-teiten. Er moet dus wel een onderscheid zijn tussen wat wel en wat niettoegestaan zou moeten zijn. Daarom ook moet echt de vraag gesteldworden: is een universiteitsterrein geschikt om te demonstreren?De voorzitter:Helder. Dan gaan we naar de heer Stultiens van GroenLinks-PvdA.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):De PVV probeert er een nepdiscussie van te maken, want iedereen hier istegen vernielingen. Iedereen vindt dat de schade moet worden verhaaldop de daders. Dat blijkt soms lastig in de praktijk, maar we vindenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121312 allemaal dat dat moet. Het echte gevaar voor de academische vrijheid isonder andere de PVV zelf. Dat staat ook in al die rapporten; ik hoop dat uze gelezen heeft. Dan gaat het namelijk om het zich bemoeien met watvoor lessen er worden gegeven en het dreigen met bezuinigingen alsgedachtegoed niet aangepast wordt. Die praktijken zien we in Amerika bijTrump en in Hongarije bij Orbán, maar ook bij de PVV hier in Nederland.Waarom toont de PVV geen enkele zelfreflectie bij dit debat overacademische vrijheid, terwijl zijzelf genoemd wordt in alle rapporten?De heer Van der Hoeff (PVV):Ik hoor wat de heer Stultiens zegt. Dat is ook een reden om bijvoorbeeldop de Partij van de Arbeid te stemmen of op de PVV. Ik heb hier geenreflectie. Mijn tekst staat vol met reflectie. Ik geef ook aan dat het vanbeide kanten niet goed is dat bepaalde demonstraties gehouden worden.Het gaat hier om academische vrijheid. U kunt de buitenlandpolitiek erbijhalen, maar dat is niet aan mijn adres gericht, want dat is niet mijnportefeuille.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Mijn collega van de VVD noemde het net «niet coherent». Dat is eigenlijknog vriendelijk verwoord. Er worden allerlei dingen bij gehaald die ik nietgezegd heb. Ik heb het over de Nederlandse politiek, namelijk de PVV diede academische vrijheid in Nederland ondermijnt, volgens onder andererapporten die zeggen dat de PVV vragen stelt over activistischewokecultuur, bezuinigingen, de kritische rassentheorie, dekolonisatie enfeminisme. Dat zijn allemaal dingen die de PVV niet nuttig vindt – datlaatste mag nog – maar vervolgens mag de wetenschap zelf bepalen of zehier onderzoek naar doet. Waarom toont de PVV daar geen zelfreflectieop, dus geen reflectie, maar zelfreflectie?De heer Van der Hoeff (PVV):Ik probeer de vraag te analyseren. Ik vind het belangrijk dat iedere studentzichzelf veilig moet kunnen voelen. Hier hebben we het bij de acade-mische vrijheid over studenten die zich gewoon niet veilig voelen op huneigen campus. Dat is het verhaal hier. Hoever kun je academische vrijheidlaten gaan? Alles wat meneer Stultiens erbij haalt: ja, dat is het verschil inpartijpolitiek, denk ik.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dit gaat niet veel beter worden, maar concluderend: ja, er is inderdaadeen verschil in partijpolitiek tussen partijen die opkomen voor acade-mische vrijheid – dat zijn er gelukkig meer dan alleen mijn partij – en dePVV, die academische vrijheid blijkbaar totaal niet interessant vindt. DePVV vindt academische vrijheid alleen maar interessant vindt als het eenstok is om studenten mee te kunnen slaan die opkomen voor Palestina.Dat is vrij bizar. Ik vroeg alleen maar naar zelfreflectie op het feit dat dePVV de academische vrijheid ondermijnt. Die komt er niet. Ik hoop dat deMinister straks laat zien dat hij in elk geval niet meegaat in dit straatje,want ik vind dit zeer zorgelijk als het gaat om het beschermen van deacademische vrijheid.De voorzitter:Helder. Ik had de heer Ergin een kwartier geleden beloofd dat ik nog bijhem terug zou komen omdat hij nog een andere vraag had, dus bij dezenkom ik bij hem terug. Hij heeft een andere vraag.De heer Ergin (DENK):Ja, dank ...De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121313 O, wacht. Ik zie mevrouw Heite ook nog. Sorry, meneer Ergin, ik ga u nogeen paar minuten laten wachten. Het woord is aan mevrouw Heite vanNieuw Sociaal Contract.Mevrouw Heite (NSC):Ik hou het heel kort. Is de heer Van der Hoeff het met Nieuw SociaalContract eens dat er een verschil is tussen demonstraties en rellen?De heer Van der Hoeff (PVV):Ik ben het op heel veel vlakken niet met NSC eens; dat hebben we deafgelopen tijd natuurlijk kunnen zien. Is er een verschil tussen demon-straties en rellen? Jazeker, maar als scholenkoepels, de besturen, het nietonder controle kunnen houden en de rust op hun onderwijscampus nietkunnen garanderen, dan is de scheidslijn dusdanig dun dat we hebbengezien wat we gezien hebben in de journaals en in de kranten. Ik wil daarwel wat over kwijt, want na de vorige vraag van meneer Stultiens bent ugelijk naar de heer Ergin gegaan en dat snap ik, voorzitter, maar ik magdaar wel op reageren. Academische vrijheid is bedoeld voor wetenschapen onderwijs, niet voor het verspreiden van propaganda of het blokkerenvan collegezalen. Wie de universiteit misbruikt voor haat ondermijnt dusdie vrijheid zelf. Dat is wel de boodschap die dan duidelijk moet zijn.Mevrouw Heite (NSC):Ik wil hier toch even op doorvragen. Ik hoor de heer Van der Hoeff zeggendat er een heel dunne lijn zit tussen demonstraties en rellen. Is hij het metmij eens dat academische vrijheid juist ook betekent dat je je wél maglaten horen, dat je wél mag demonstreren en dat je het wél met elkaaroneens mag zijn? Is hij het met mij eens dat universiteitsterreinen zichdaar bij uitstek voor lenen?De heer Van der Hoeff (PVV):Kijk, de grondrechten en de academische vrijheid zijn bij ons gewoon ingoede handen. Maar u geeft uiteindelijk zelf aan ... Als je die dunne lijnhebt waarbij er na een demonstratie direct een geweldexplosie kanontstaan, dan ben ik het niet met u eens dat een universiteitsterrein daarjuist geschikt voor zou zijn. Dat is nou net wat ik bepleit. Ik vraag mewerkelijk af of onze universiteitsterreinen ... Ik merk dat ik het constantherhaal. Onze universiteitsterreinen zijn wat mij betreft niet geschikt voordemonstraties die uit kunnen lopen tot rellen. Je gaat gewoon naar deburgemeester, net als iedere andere burger in Nederland. Het is voor eenmetselaar en een leraar niet anders. Als je gaat demonstreren, ga jegewoon op het Malieveld staan of ergens in een grote stad op eengrasveld.De voorzitter:De heer Ergin van DENK heeft een interruptie.De heer Ergin (DENK):Ik heb goed meegepend met de uitspraken die de heer Van der Hoeff netheeft gedaan. Hij zei «iedere student moet zich veilig voelen» en «univer-siteiten zijn geen plek zijn om politieke propaganda te verspreiden». Hij zeizelfs waarde, belang, te hechten aan sociale veiligheid van studenten. Nubleek afgelopen week dat een persoon, een medewerker, een hoogleraarvolgens mij van een universiteit in Nederland propaganda van hetIsraëlische leger verspreidt, letterlijk de IDF retweet en alle Palestijnenwegzet als terroristen. Ik heb hier tientallen tweets voor me. Ik heb in deafgelopen week heel veel studenten aan de Erasmus Universiteitgesproken die zich hierdoor onveilig voelden, omdat ze niet alleen ziendat hun universiteitsbestuur niets doet om de samenwerking metIsraëlische universiteiten te beëindigen, maar er kennelijk ook zionistischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121314 propaganda van het Israëlische leger verspreid mag en kan worden.Erkent de PVV dat dat ook een vorm van sociale onveiligheid is? Erkent dePVV het gevoel van al die studenten die zich hier onveilig door voelen?De heer Van der Hoeff (PVV):Ik kan hier heel kort over zijn. Elke student in Nederland moet gewoonveilig zijn op de campus of hogeschool of wat dan ook. Dat geldttrouwens overal, maar ik zit in de Nederlandse politiek. Wat de heer Erginhier aangeeft, is net zo verwerpelijk als de tig voorbeelden ... U heeft watdingen uitgeprint. Die heb ik natuurlijk ook. Het is van beide kantensowieso verwerpelijk om je niet veilig te kunnen voelen op een school.Alles wat daaraan bijdraagt, is niet goed en verwerpelijk.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties meer, dus dan gaan we doormet het betoog van de heer ... O nee, wacht, dat is niet waar. De heer Vander Hoeff was nog bezig. Hij heeft nog 52 seconden, dus ik ga hem hetwoord geven om zijn betoog te vervolgen. Het gebeurt weleens dat eenspreker na een hele serie interrupties even niet meer weet waar hijgebleven was. Dat heb ik zelf ook vaker.De heer Van der Hoeff (PVV):Nee, ik heb een streepje gezet, voorzitter.Hoe gaat de Minister de bestuurders die dit verzuimgedrag toestaan ofzelfs faciliteren ter verantwoording roepen? Wat vindt de Minister van deuniversiteiten die samenwerkingen met Israël onder druk van deterreurverheerlijkende geweldplegers hebben stilgelegd? Is hij het metons eens dat dit de academische vrijheid schaadt?Dan de vervolgvraag. Kan dit wel binnen de Horizon-programma’s? Moetniet het hele consortium daarover beslissen? Daar zijn in Europeesverband ook vragen over gesteld door onze collega’s.Voorzitter. Dit parlement mag niet accepteren dat Joodse studenten huntoevlucht moeten nemen tot hun eigen meldpunten, omdat de instel-lingen zelf weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen. Dit is een brevetvan onvermogen voor de hele academische wereld. Ik zeg het duidelijk:wie antisemitisme en terreurverheerlijking naar binnen draagt, hoort nietthuis op een Nederlandse universiteit.Voorzitter. Mijn oproep aan de Minister is glashelder: toon leiderschap enpak de bestuurders die blijven wegduiken aan. Graag een reflectie van deMinister op deze oproep.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we meteen door met het betoog van de heer Erginvan DENK.De heer Ergin (DENK):Dank u wel, voorzitter. Nederland bungelt onderaan de internationaleranglijsten als het gaat om academische vrijheid. Dat is niet omdat onzewetenschappers minder goed zijn, niet omdat er weinig talent is, maaromdat er gewoon te weinig wordt geïnvesteerd in fundamenteelonderzoek. Dat is geen nieuws voor alle aanwezigen hier, maar het blijfteen grote zorg. We hebben de afgelopen tijd moeten constateren dat hetkabinet-Schoof in algemene zin weinig heeft bereikt, maar in één ding welheel goed is geweest, namelijk het kapotbezuinigen van het onderwijs. Diehonderden miljoenen aan bezuinigingen raken ook direct aan deacademische vrijheid. We hebben hier een nieuwe Minister. Het is een vanzijn eerste werkdagen. Ik ben benieuwd hoe hij kijkt naar de snoeihardebezuinigingen van zijn voorganger en de impact die dat op de acade-mische vrijheid heeft gehad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121315 Voorzitter. Vandaag gaat het niet alleen over geld, maar ook over lef. Nade inval van Rusland in Oekraïne zagen we binnen een paar dagen – inéén persbericht was het geregeld – dat de samenwerkingen metRussische instellingen werden gestopt. Een paar dagen en het wasgeregeld! Maar als het gaat om Gaza: twee jaar, tienduizenden doden ennog steeds gedragen universiteitsbesturen zich als een twijfelbrigade. Zeweten wat er in Gaza gebeurt, ze weten wat er onder hun studenten leeften ze weten wat de studenten vragen, namelijk moreel leiderschap. Enwat krijgen al die studenten? Uitstel, eindeloos polderen en traineren.Juist bij genocide, de zwaarste misdaad die er bestaat, kan een univer-siteit zich niet verschuilen achter neutraliteit. Dan is neutraliteit, om het intermen van academische vrijheid te houden, geen deugd meer, maarmorele verlamming. Dan is het geen moed, maar lafheid. Via deze wegroep ik ook alle universiteitsbesturen op om eindelijk verantwoorde-lijkheid te nemen en de samenwerking met Israëlische universiteiten testoppen, omdat ze intellectueel bijdragen aan de genocide.Voorzitter. Aan de ene kant zien we – dat zagen we net bij het betoog vande PVV – dat studenten en medewerkers die opkomen voor de Palestijnsezaak worden weggezet als crimineel, maar aan de andere kant zien we dathet onder de noemer van academische vrijheid kennelijk mogelijk is ompropaganda van Israël, met name als het gaat om genocide, teverspreiden. Ik heb net ook gerefereerd aan een aantal posts – het zijn ertientallen – waarin medewerkers van universiteiten dit verspreiden. Ik benbenieuwd hoe de Minister hiernaar kijkt. Valt het verspreiden vanboodschappen van het zionistische leger, dat zich schuldig maakt aangenocide, nou wel onder academische vrijheid of niet? Valt het collectiefwegzetten van Palestijnen als terroristen wel onder academische vrijheidof niet? Erkent de Minister op z’n minst het gevoel van onveiligheid bij destudenten aan de Erasmus Universiteit als ze deze tweets lezen? Ik benbenieuwd naar de visie van deze kersverse Minister op dit onderwerp.Voorzitter. Er zijn ook voorbeelden die hoop geven. Daar wil ik dan ookgraag mee afsluiten. We hebben namelijk gezien dat de UniversiteitMaastricht vorige week vijf studenten uit Gaza een beurs gaf, vijf jongemensen die nu toch een toekomst kunnen opbouwen. Dat is een vorm vanacademische verantwoordelijkheid. Zo zien wij ook dat er invullinggegeven kan en moet worden aan academische vrijheid. Daarom steunenwij volmondig en ondubbelzinnig deze actie. Palestijnen verdienen nietalleen onze steun in woorden, maar ook in daden. Ik roep de universi-teiten op om dit meer te doen en dit positiever te omarmen. Ik benbenieuwd hoe de Minister hierin staat. Zegt de Minister: universiteiten diedit willen, ga ik steunen en faciliteren? Wat is de reactie van de Ministerop dit punt?Voorzitter, tot slot. Academische vrijheid is wat DENK betreft een grootgoed. Die moeten we vooral koesteren en beschermen, maar voor ons iser wel een duidelijke grens. Het is geen vrijbrief voor het goedpraten vaneen genocide. Wie zwijgt, die kiest. Wie samenwerkt, die maakt zichmedeplichtig.Dank u wel, voorzitter.De heer Van der Hoeff (PVV):Ik heb een vraag over de kwestie waar de heer Ergin net naar verwijst.Bent u het met mij eens dat de professor in kwestie gewoon gebruik heeftgemaakt van haar vrijheid van meningsuiting?De heer Ergin (DENK):Iedereen mag en kan zeggen wat hij of zij wil. Tegelijkertijd hebbenwoorden ook gevolgen. Het gaat hier om studenten. We hebben het hierover academische vrijheid. Wat DENK betreft gaat het om studenten. Alsstudenten zich onveilig voelen door uitspraken die hun hoogleraren doen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121316 dan is het volgens mij een hele terechte vraag of dat past binnen deacademische vrijheid. Die vraag stel ik hier eigenlijk.De heer Van der Hoeff (PVV):Een van de gevolgen is bijvoorbeeld dat deze professor op dit momenternstig bedreigd wordt. Hoe kunt u dat dan rijmen? Wat vindt u daar danvan? Heeft u daar een reflectie op?De heer Ergin (DENK):Ik hoef niet te reflecteren op bedreigingen. Bedreigingen keuren wij altijdaf. Dit is een incident, een voorbeeld, maar de bredere discussie iseigenlijk dat de academische vrijheid heel nauw is als je opkomt voor derechten van de Palestijnen. Dan is vrijwel niks mogelijk. We hoorden dePVV net zelfs zeggen dat de studenten en docenten die dat doen niet eensthuishoren op een campus. Maar als het gaat om het goedpraten vandaden van Israël en het verspreiden van propaganda van Israël en hetIsraëlische leger, dan is alles mogelijk en halen we alles erbij om dat goedte praten. Daar wil ik eigenlijk op wijzen. Het gaat mij niet om de persoonin kwestie. Het gaat me ook niet per se om de universiteit in kwestie. Hetgaat mij om wat ik breder zie in de samenleving, namelijk dat vrijhedenworden misbruikt om Palestijnse studenten of studenten die opkomenvoor de rechten van de Palestijnen – dat zijn ook heel vaak Joodsestudenten – in een hoek van antisemitisme te duwen. Maar als iemandiets doet om daden van het Israëlische leger goed te praten, dan moet ikme uitspreken over bedreigingen, terwijl iedereen in deze zaal weet datDENK altijd tegen bedreigingen is.De voorzitter:We gaan door met een interruptie van mevrouw Rajkowski van de VVD.Mevrouw Rajkowski (VVD):Begrijp ik mijn collega Ergin dan goed dat er ingegrepen moet worden ophet moment dat studenten zich onveilig voelen door uitspraken vandocenten?De heer Ergin (DENK):Als wie dan ook zich op basis waarvan dan ook onveilig voelt, dan lijkt eengesprek ons daarbij het allerbelangrijkste. Als een gesprek valt onderingrijpen, dan ben ik daar zeker voorstander van. Ik wil erop wijzen – datheb ik net proberen toe te lichten – dat de academische vrijheid en alleandere vrijheden die wij in onze Grondwet hebben, worden ingezet tennadele van studenten die opkomen voor de rechten van de Palestijnen, endat we hier geen ophef zien als er aan de andere kant een voorbeeld is,bijvoorbeeld van die hoogleraar die letterlijk propaganda van hetIsraëlische leger verspreidt en retweet, geweld goedpraat en Palestijnencollectief wegzet als terroristen. Dan zien we hier niet de VVD die altijd deboer opgaat als er weer wat aan de hand is. Daar wil ik eigenlijk op wijzen.Mevrouw Rajkowski (VVD):Volgens mij had ik hier meerdere voorbeelden kunnen noemen vanuniversitair docenten of hoogleraren die voor misschien een van de tweekanten van deze zaak opkomen op een manier die ik zeer onwenselijkvind. Dat heb ik niet gedaan, dus het verwijt dat de heer Ergin mij netmaakt, klopt niet. Ik heb dat bewust niet gedaan, omdat ik het belangrijkvind, los van wat ik als mens of persoon vind en los van of ik me zelf welof niet veilig had gevoeld op een universiteit, dat die onderwijs-instellingen een vrijplaats zijn en blijven om ook tegendraads te kunnendenken en met elkaar scherp te discussiëren, maar binnen de regels vanfysieke en sociale veiligheid. Op het moment dat het te ver gaat, voorwelke zaak je ook opkomt, en studenten zich onveilig voelen doorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121317 uitspraken van docenten of andersom, heb je binnen onderwijs-instellingen een commissie omgangsvormen, een college van bestuur datallerlei onderzoeken kan instellen, een raad van toezicht et cetera, etcetera. Volgens de VVD is het probleem niet dat we die stappen niethebben. Ik ken ook voorbeelden waarbij al deze stappen doorlopen zijn,maar er niet ingegrepen werd op het moment dat het te ver ging, dus echtmet bezetten, rellen et cetera. Is de heer Ergin het met de VVD eens dat alswe deze academische vrijheid moeten waarborgen, een college vanbestuur en een raad van toezicht dan in moeten grijpen volgens hun eigenhuisregels op het moment dat onderwijsterreinen zodanig verstoordworden dat het echt om fysieke veiligheid, rellen en demonstraties gaat?De heer Ergin (DENK):Ik hoef niet heel lang te praten en na te denken over de vraag of ik geweldafkeur. Ik krijg in dit debat telkens eerst die vraag. Ik moet altijd eerstaangeven dat ik tegen bedreigingen en tegen geweld ben. Dat doe ik daneven hierbij, ook voor als er hierna andere interrupties volgen. Als hetgaat om academische vrijheid trek ik de grens bij het goedpraten vangenocide. Dat is voor mij de grens. Ik ben niet tegen een vrije discussieover de trends in de samenleving. Ik ben altijd voorstander van debat,altijd voorstander van praten, maar DENK trekt een grens als het gaat omhet goedpraten van een genocide. Dat is voor ons geen academischevrijheid, want de principes van hoe universiteiten invulling geven aanacademische vrijheid gaan over bijvoorbeeld het bevorderen van dedemocratische rechtsorde en integriteit. Als we de kernwaarden vanacademische vrijheid daadwerkelijk volgen, dan is de enige conclusie datje de samenwerking stopt met Israëlische universiteiten die intellectueelbijdragen aan een genocide. Als je dan ook nog eens voorbeelden hebtvan studenten, medewerkers of wie dan ook die dat goedpraten, dan stoptvoor ons de grens van de academische vrijheid.De voorzitter:Dank u wel. Daarmee hebben alle sprekers het woord gevoerd, behalveikzelf. Ik had natuurlijk ook graag aan het debat meegedaan, maar alsvoorzitter doe je dat natuurlijk niet. Ik kan wel mevrouw Rajkowski vragenom even het voorzitterschap over te nemen, zodat ik zelf ook nog eenbijdrage kan leveren aan het debat.Voorzitter: RajkowskiDe voorzitter:Dat is tricky, maar vooruit. Gaat uw gang. De heer Paternotte van D66.De heer Paternotte (D66):Voorzitter, dank. Felicitaties aan de Minister en welkom in deze commissie.Ik wil ook nog even Minister Bruins bedanken, die drie weken geledenineens is verdwenen. Ik heb volgens mij bakken kritiek op hem gehad,maar ik wil hem danken voor zijn inzet voor het onderwijs en de weten-schap. Ik wil ook even vaststellen dat Minister Bruins als het eropaankwam altijd wel ging staan voor de academische vrijheid en voor deinstellingen op het moment dat er heel veel kritiek op hen was. Dat isgoed. Ik hoop dat deze Minister die lijn wil doorzetten, want er komtvanuit de politiek nog weleens commentaar dat echt zo ver gaat als jebemoeien met wat er in de collegezaal gebeurt of als bepalen met welkeuniversiteiten je wel of niet zou mogen samenwerken. Daar moeten weecht heel voorzichtig mee zijn, want het gaat om de veiligheid van Joodsestudenten. Het gaat om demonstratievrijheid, een heel belangrijke vrijheidin Nederland. Artikel 9 van de Grondwet bepaalt dat je mag demon-streren. Er staat nergens in dat artikel of in de Wet openbare manifestatiesdat je niet op een universiteit zou mogen demonstreren. Dat hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121318 desondanks door de grootste partij in het parlement wordt voorgesteldom dat wel te gaan verbieden, vind ik totaal bizar. Ik hoop dat de Ministerdaar ook vol afstand van neemt.Voorzitter. Soms is een demonstratie vreedzaam, maar als idioten inbivakmutsen binnenkomen om de boel kort en klein te slaan, moet je daarnatuurlijk op handhaven. Ik wil de Minister vragen instellingen daarmee tehelpen. Zij geven bij mij aan dat ze heel vaak aangifte hebben willen doen,soms ook tegen studenten of zelfs medewerkers die zich niet aan deregels houden, maar dan van het OM horen dat het wel heel ergingewikkeld is en dat het OM geen tijd heeft om dat op te pakken. Datmaakt het nog een stukje lastiger om kritiek te uiten op instellingen dieecht hun best doen om een norm te stellen.Ondertussen zien we dat het risico dat de academische vrijheid wordtbeknot steeds groter wordt. Dat is niet alleen zo in Hongarije, Polen enSlowakije, landen waar we het vaak over hebben. Wat in Amerika gebeurt,is natuurlijk echt bij de beesten af. De conservatieve cancelcultuur houdtnu in dat woorden verboden worden, dat onderzoek verboden wordt endat vanuit de overheid op universiteiten gedrukt wordt om mensen teontslaan en onderzoek stil te zetten, met uitstraling naar Nederland, zoalswe hier net ook al hoorden, waar wetenschappers ineens vragenlijstenmoeten beantwoorden en bedrijven onder druk werden gezet omdiversiteitsbeleid te stoppen. Wat kunnen wij nou in zo’n situatie doen?Dat is gaan staan voor die instellingen en proberen hen te helpen. Wemoeten ervoor zorgen dat wij niet een fout maken en ineens de afstandtussen politiek, media en academie groot genoeg houden. We kunnen ookzeggen dat Nederland een centrum van academische vrijheid wil zijn. Inhet verleden is Nederland heel vaak een plek geweest waar onderzoekersen kunstenaars naartoe kwamen, omdat er zo weinig plekken in de wereldwaren waar die vrijheid bestond. Twintig jaar geleden was het nog zo datde helft van de onderzoekers werkte op een plek met academischevrijheid. Inmiddels is dat een op drie. De vrijheid neemt dus af. Laten weNederland nou neerzetten als een plek waar het wél kan, waar die vrijheidwél bestaat.Dan moet je alleen wel investeren in de wetenschap, want nu zijn erenorme bezuinigingen. We zien dat 70% van de lectoren op hogescholenaangeeft dat de bezuinigingen negatieve effecten hebben op hunonderzoek. Startersbeurzen gaan weg. Steeds meer onderzoekers moetenom steeds minder onderzoeksmiddelen strijden. We creëren in dewetenschap een soort Hunger Games. Dat maakt mensen ook nog eensmeer afhankelijk van buitenlandse financiering, terwijl wij weten dat datook slecht is voor de academische vrijheid.Ik zou de Minister willen vragen of we niet een voorbeeld zouden moetennemen aan wat onze buurlanden doen. Duitsland wil 1.000 Amerikaansewetenschappers naar het Max Planck Instituut halen. Frankrijk heeft zelfs600 miljoen euro uitgetrokken voor het aantrekken van internationaaltalent in reactie op de maatregelen van Trump. Die landen hebben eenenorme ambitie om ervoor te zorgen dat wij juist een sterkere wetenschapkrijgen, terwijl die aan de overkant van de oceaan onder druk staat.Wat doet Nederland? De vorige Minister heeft 50 miljoen euro verschovenvan het ene wetenschapsgeld naar het andere. Dat is niet alleen heelweinig, maar het is ook nog eens vestzak-broekzak. Wat is nou echt deambitie van deze Minister? Moeten we er niet voor zorgen dat Nederlandhet Harvard aan de Noordzee wordt? Moeten we niet iets leren van watonze buurlanden en ervoor zorgen dat we ook niet op achterstand komen,omdat dat slecht is voor onze economie. Wat is hier nou de concreteambitie? Wat gebeurt er nou eigenlijk? Is de Minister bereid om veel meerte gaan doen om ervoor te zorgen dat Nederland wetenschappers van deoverkant van de oceaan, die twijfelen of ze daar moeten blijven,hiernaartoe kan halen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121319 Voorzitter, ik zie dat ik zeventien seconden over de tijd ben, dus ik besluitmijn betoog.De voorzitter:U heeft braaf de inbrengtijd van de rest gevolgd, concludeer ik. Eeninterruptie van de heer Stultiens van GroenLinks-PvdA.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik ben het eigenlijk helemaal eens met het betoog van de heer Paternotte.Ik heb één aanvullende vraag. De KNAW, Duitsland, GroenLinks-PvdA enook de SP zeggen eigenlijk: zou het niet goed zijn om de academischevrijheid toe te voegen aan de Grondwet? Hoe staat D66 hierin?De heer Paternotte (D66):Enerzijds heb ik net ook weer hier gehoord dat niets een Kamerlid ervanweerhoudt om gewoon iets te bepleiten wat tegen onze Grondwet ingaat,het inperken van de demonstratievrijheid. Blijkbaar hoeven TweedeKamerleden zich volgens de wetgeving überhaupt niet eens aan deGrondwet te houden. Anderzijds zeg ik dat wij willen dat Nederland zichneerzet als een plek waar de academische vrijheid hoogtij viert: komvooral hiernaartoe om je onderzoek te doen! Dat is het ideaal dat ik voormij zie. Het toevoegen van academische vrijheid aan de Grondwet zoudaar weleens een bijdrage aan kunnen leveren, dus ik vind dat een heelmooi pleidooi van de KNAW.De voorzitter:Oké. Dan draag ik het voorzitterschap terug over aan de heer Paternotte.Voorzitter: PaternotteDe voorzitter:Veel dank aan mevrouw Rajkowski voor haar hulp. De Minister wil30 minuten schorsen. Hij heeft die nodig voor de voorbereiding op devragen en ook om heen en weer te lopen naar de kamer waar hij zich kanvoorbereiden. Dat is altijd even een wandeling hier. Dat betekent dat westipt om 11.30 uur het debat hervatten.De vergadering wordt van 11.00 uur tot 11.28 uur geschorst.De voorzitter:Van harte welkom terug bij het commissiedebat van de vaste Kamercom-missie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over academische vrijheid.De Minister is op tijd in de zaal; dat wordt zeer gewaardeerd. Dat betekentdat wij weer kunnen beginnen met het debat, want ik zie ook praktisch alleKamerleden die deelnemen aan het debat alweer in de zaal. Ook iedereenop de tribune heeft denk ik, binnen twee seconden ongeveer, de kansgehad om een plek in te nemen.Dan ga ik het woord geven aan de Minister van OCW voor de beant-woording van de aan hem gestelde vragen.Minister Moes:Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de fracties voor de vragen. Wespreken met elkaar vandaag over een belangrijk onderwerp, namelijk datmedewerkers en wetenschappelijke instellingen vrij en veilig onderwijsmoeten kunnen geven, hun onderzoek moeten kunnen doen en dat ookmet elkaar moeten kunnen delen. Oftewel, we spreken met elkaar overacademische vrijheid. We hebben hier onlangs rapporten over ontvangenvan de KNAW, rectoren, de Vereniging Hogescholen, Universiteiten vanNederland en UNESCO. Ik wil hen daarvoor bedanken. Zij zeggen allemaaldat er continu aandacht en inzet nodig is, om ervoor te zorgen dat weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121320 onze veiligheid en vrijheid op de campus hooghouden. Dat is ook nodig,want academische vrijheid is een keiharde randvoorwaarde voor eengoed functionerende samenleving en een van de pijlers onder onzedemocratische rechtsstaat. We moeten in tijden van nepnieuws enpolarisatie onbelemmerd kunnen blijven onderzoeken wat waar is en watniet waar is. Academische vrijheid zorgt ervoor dat onze industrie weetwat werkt en wat niet werkt. Het zorgt ervoor dat wij onze maatschappe-lijke problemen kunnen herkennen en oplossen. Academische vrijheidschijnt licht op blinde vlekken. Dat gaat niet vanzelf; dat schuurt soms. Ikhoor de zorgen in uw Kamer. Ik denk dat we allemaal zien dat acade-mische vrijheid en veiligheid wereldwijd onder druk staan.Dat moet beter. Daar zijn we samen verantwoordelijk voor. We moetenzorgen voor een cultuur waarin ruimte is voor open dialoog en vrij debat,ook als het scherp, kritisch of hard is. Docenten en hoogleraren moetenzich bewust zijn van hun voorbeeldrol. Zij moeten hun petten alsonderzoeker en als burger kunnen scheiden. Dit hoort thuis in eengezonde academische omgeving. Dit kan alleen als het veilig is en alsiedereen zich houdt aan de regels, zoals huisregels en gedragscodes.Dat gaat niet altijd goed. Uw Kamer heeft vragen gesteld over deprotesten op de universiteiten. Voor de zomer zagen we het aantalprotesten weer toenemen. Ook vorige week bij de opening van hetacademisch jaar werd mensen het spreken onmogelijk gemaakt. Dat kanecht niet. Als je elkaar monddood maakt, is dat een directe bedreiging vande academische vrijheid. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voordemonstraties, ook op de onderwijsinstellingen. Dat spreekt voor zich ineen democratie. Maar dat moet wel binnen de grenzen van de wet en dehuis- en gedragsregels van de instellingen. Geweld, vernielingen,discriminatie en haatzaaiingen zijn strafbare feiten en hebben geen plekbij protesten. Dit is ontoelaatbaar. Dat gaat bovendien ten koste vananderen die hun protest- of demonstratiegeluid op een vreedzame enrespectvolle manier willen laten horen en van degenen die willenstuderen, onderwijzen en onderzoeken. Ook raakt het studenten endocenten, in het bijzonder de Joodse gemeenschap, die zich niet meerveilig of welkom weten op hun instelling. Al deze situaties van onvei-ligheid zijn volstrekt onacceptabel.De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taakom zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en hetdemonstratierecht alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Zijzijn hierop aanspreekbaar door de raden van toezicht en de medezeggen-schap. De inspectie houdt toezicht. In het uiterste geval kan ik ingrijpenrichting de raden van toezicht. Dit is hoe ons stelsel werkt. Ik weet dat debesturen hier elke dag hard mee bezig zijn. Het is belangrijk dat keuzesvoor het borgen van veiligheid zo veel mogelijk lokaal worden genomendoor de instellingsbestuurders, in nauwe samenspraak en samenwerkingmet de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan desituatie het beste worden ingeschat en kan worden ingeschat hoe hiermeemoet worden omgegaan.Ik heb de afgelopen weken met diverse bestuurders gesproken. Dat zal ikook blijven doen. Ik heb respect voor de lastige afwegingen die zij moetenmaken. We hebben gezien dat de instellingen dit wel steeds beter afgaat.Men is lerende. De weerbaarheid van instellingen tegen verstoringen ishet afgelopen jaar verhoogd, bijvoorbeeld door het stellen van heldereregels en richtlijnen, de inzet van risicogericht toegangsbeleid en de inzetop verbetering van de informatiedeling tussen de instellingen en de lokaledriehoek van burgemeester, Openbaar Ministerie en politie, zodat depolitie ook sneller kan optreden als het echt mis is.Het borgen van de veiligheid en de academische vrijheid is echter nooitaf. Ik doe hierbij dan ook een dringende oproep aan uw Kamer en aan desamenleving om samen de vrijheid en veiligheid van de wetenschap tekoesteren en te bewaken. Ik heb het hierbij niet alleen over de orde en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121321 fysieke veiligheid, maar ook over de sociale veiligheid. Hierbij moeten wemet elkaar de norm stellen. Zeker bij dit onderwerp is een gedeeldeverantwoordelijkheid voor ons allemaal cruciaal.Voorzitter. Ik heb daarmee volgens mij al een aantal vragen geadresseerd,maar ik wil ook graag nog even specifiek de vragen langsgaan. Ik doe datin vier blokjes. Ik begin met de vragen over de academische vrijheid.Een vraag van GroenLinks-PvdA: sta ik voor de academische vrijheid? Ja.Dat heb ik net volgens mij ook duidelijk aangegeven.De voorzitter:Minister, u kondigde vier blokjes aan. Dat maakt iedereen nieuwsgierignaar welke vier blokjes dat zijn. Kunt u die met ons delen?Minister Moes:O, excuus. Blokje één: academische vrijheid. Blokje twee: veiligheid enprotesten. Blokje drie: geopolitiek. Blokje vier: talent. Zo heb ik volgensmij een duidelijke clustering aangebracht.De voorzitter:Helder. Ik heb even meegeschreven: academische vrijheid, veiligheid enprotesten, geopolitiek, en talent. U was bezig met academische vrijheid.Gaat u verder met het beantwoorden van de vraag van GroenLinks-PvdA.Minister Moes:Dank u wel, voorzitter. De eerste vraag was of ik sta voor de academischevrijheid. Het antwoord daarop is kort en krachtig: ja.Dan heb ik een vraag van GroenLinks-PvdA en de SP over het verankerenvan de academische vrijheid in de Grondwet. De academische vrijheid isop dit moment wettelijk maar nog niet grondwettelijk geborgd. Ik heb deKNAW gevraagd om hierover te adviseren. Zij hebben mijn adviesaan-vraag ontvangen en gaan zich de komende periode buigen over deinvulling van het advies. Ik kom daar later op terug.De PVV had een vraag over demonstrerende docenten. Ik verwacht hierbijvan de instellingen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in de zorgvoor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers.Hierbij hebben zij een handelingsrepertoire, een escalatieladder. Daaroveris ook eerder een brief naar de Kamer gegaan. Dat is vanuit het arbeids-recht beschikbaar. Dat varieert van aanspreken en berispen tot en metontslag en zelfs aangifte. Het is verder aan de raden van toezicht om hierook toezicht op te houden. Zij houden toezicht op het handelen van hetcollege van bestuur. Evenals mijn ambtsvoorganger heeft gedaan, roep ikook alle universiteiten en hogescholen op om altijd aangifte te doen bijvermoedens van strafbare feiten. De instellingen hebben zelf ooktoegezegd dat te zullen gaan doen.De voorzitter:Er is een interruptie voor u van mevrouw Heite van NSC.Mevrouw Heite (NSC):Ik meende even te horen «dat zullen ze gáán doen». De universiteiten dieik heb gesproken, hebben al meerdere keren aangifte gedaan. Deaangiftes worden alleen niet opgevolgd. Kunt u daar eens uw licht overlaten schijnen?Minister Moes:Dat kan ik vanuit mijn rol als Minister van OCW niet. Die aangiften gaannaar het OM. Het is verder aan het Openbaar Ministerie hoe zij deaangiften oppakken. Ik weet wel dat het soms bij bijvoorbeeld gemas-kerde relschopperij lastig is om daadwerkelijk te weten ... Je doet danTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121322 aangifte, maar de opsporing is lastig. Er zijn ook weer uitdagingen op datgebied, maar daar ga ik verder niet over.Mevrouw Heite (NSC):Dat snap ik; u bent Minister van Onderwijs. Maar ik hoorde wel bijna eennoodkreet van bestuurders van universiteiten, namelijk: we doen aangifteen het wordt niet opgevolgd. Zou u eens kunnen aangeven of het niet eenidee is om daar interdepartementaal over in gesprek te gaan met uwcollega’s, bijvoorbeeld van JenV, om te kijken of dat toch niet beter kanworden opgevolgd? Is de Minister het met mij eens, zeg ik via devoorzitter, dat dit gewoon onacceptabel is en daarmee ook de zaak instand houdt?Minister Moes:Dat is inderdaad onacceptabel. Daarom is het ook goed dat instellingeninderdaad altijd aangifte doen. Ik ben ook blij dat ze dat doen. Ik benhierover in gesprek met JenV. Dat zal ik ook doorlopend blijven doen. Wemoeten er met elkaar de schouders onder zetten om hier werk van temaken.De voorzitter:Mevrouw Rajkowski wilde hier ook op doorgaan.Mevrouw Rajkowski (VVD):Heb ik de Minister goed begrepen? Hebben de onderwijsinstellingenaangegeven dat er altijd aangifte zal worden gedaan en de politie zalworden gebeld op het moment dat er stafbare feiten worden gepleegd ophun instellingen, zoals lokaalvredebreuk?Minister Moes:Zij hebben toegezegd om bij vermoedens van strafbare feiten altijdaangifte te doen. Dat is dus nog een stapje verder, want dat geldt nietalleen als je zeker weet dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Ik ga ervan uitdat zij die toezegging natuurlijk ook gewoon gestand doen.De voorzitter:Ik had hier zelf ook naar gevraagd. Er is natuurlijk eerder een plenair debatgeweest met uw voorganger over ditzelfde onderwerp. Daarbij kwamhetzelfde probleem aan de orde, namelijk dat het OM zegt de capaciteitniet te hebben. Wanneer kan de commissie iets verwachten van u over degesprekken die u blijkbaar heeft met de Minister van JenV over hoeervoor gezorgd wordt dat die aangiften wel ergens toe kunnen leiden?Minister Moes:Bij de begrotingsbehandeling kunt u dat verwachten.De voorzitter:Dan is de toezegging dat dat in de brief voorafgaand aan de begrotingsbe-handeling wordt gemeld. Dank u wel. Dan kunt u verdergaan.Minister Moes:Er waren ook vragen over bezuinigingen en over de relatie tussen debezuinigingen op het onderwijs en de academische vrijheid. De acade-mische vrijheid staat en blijft staan, ongeacht of je dat met veel of weiniggeld moet doen; de academische vrijheid blijft hetzelfde. Het is niet vanelkaar afhankelijk. De keuzes die daarin gemaakt worden zijn ook niet aande overheid, maar aan de instellingen zelf.NSC had een interessante vraag over een eventueel apart fonds om meerruimte te krijgen voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek en om alswetenschap zo nodig tegen de stroom in te kunnen gaan zwemmen. Dat isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121323 juist ook een essentieel onderdeel van de academische vrijheid, die wevandaag bespreken. Ik heb goed nieuws: dat is al onderdeel van hethuidige financieringsstelsel. Dat is dus ook al wettelijk geborgd bij dewetenschapsfinancier NWO. Die heeft de taak om ook vernieuwend enkwalitatief hoogstaand onderzoek te financieren. Dat is daarin geborgd.Een apart fonds lijkt me daarom niet nodig, hoewel ik de gedachtedaarachter volledig onderschrijf.Mevrouw Beckerman (SP):Ik wil ingaan op het vorige punt. De Minister zegt: de academische vrijheidstaat, of je het nou met meer of minder geld moet doen. Maar eigenlijkzeggen alle rapporten die vandaag voorliggen, of ze nou van UNESCO, deKNAW of de universiteiten zelf komen: als er steeds minder ruimte is voorongebonden onderzoek en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek,dan zet dat de academische vrijheid onder druk. Academische vrijheid isnamelijk juist als wetenschapper zelf keuzes kunnen maken in vragen dieje stelt. Bezuinigingen en het wegnemen van financiering hebben daardaadwerkelijk directe invloed op. Hoe kan de Minister dan zeggen dat deacademische vrijheid staat, of je nou wel of geen geld hebt?Minister Moes:De hoeveelheid geld zelf is geen bepalende factor in hoe vrij de weten-schap is. Dat is hier mijn punt. Natuurlijk kunnen bezuinigingen hardbinnenkomen. Natuurlijk kan er dan ook in zijn totaliteit minder gedaanworden. Dat spreekt voor zich. Maar de academische vrijheid, dus dekeuzes die gemaakt worden over wat wel en niet onderzocht wordt enwaar de financiering naartoe gaat, blijft gewoon compleet vrij. Dat moetons stelsel ook garanderen.Mevrouw Beckerman (SP):Dan zou je dus zelfs met nul euro financiering kunnen zeggen: nee hoor,maar u bent helemaal vrij. Dit is gewoon onzin. Dat laten heel veelrapporten zien. Ik haalde bijvoorbeeld het voorbeeld aan dat onderzoekgefinancierd door de fossiele industrie, de olie- en gasindustrie, op eenandere manier spreekt, en dat wetenschappers zich op een andere manieruitlaten, over aardgas, dan fundamenteel en onafhankelijk onderzoek datdoet. Er is daadwerkelijk een invloed. Dat is niet een soort theoretischewerkelijkheid. De Minister en ik komen beiden uit Groningen. Dat betekentdat als er problemen zijn die veroorzaakt zijn door de gaswinning en jedaar een wetenschappelijk antwoord op wil, het uitmaakt of de gasin-dustrie of de overheid betaalt. Dit is geen theoretisch idee van acade-mische vrijheid, ook als je nul euro hebt. Dit is de werkelijkheid. Ik wilgraag vragen of de Minister daar een reflectie op heeft, ook met ditvoorbeeld in het achterhoofd.Minister Moes:Gelukkig is er geen sprake van nul euro. Er is nog steeds sprake vanfinanciering voor wetenschappelijk onderzoek. De hoogte van definanciering is een andere kwestie dan de academische vrijheid. Dieacademische vrijheid blijft gewoon staan.Dan kom ik op het andere punt. Die beantwoording is een mooi bruggetjenaar de volgende vraag, namelijk over de financieringsstromen en inhoeverre die invloed hebben op de academische vrijheid. Ja, financieringkan invloed hebben op uitkomsten. Dat laten diverse onderzoekeninderdaad ook zien. Daarom is het juist een groot goed dat we diversegeldstromen hebben in de financiering van het wetenschappelijkonderzoek. Het zou ook niet goed zijn wanneer alleen de overheidfinancier is, want dat brengt ook weer eigen risico’s met zich mee tenaanzien van de academische vrijheid. Wij als overheid en ik als Ministerhebben daarin wel een rol om het stelsel zo in te richten dat zoveelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121324 mogelijk gegarandeerd wordt, ook wettelijk, dat de financiering losstaatvan de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek.Dan was er een vraag over de transparantie van nevenfuncties. Om detransparantie van nevenfuncties te vergroten, hebben de universiteiten opverzoek van mijn ambtsvoorganger een register van nevenwerkzaam-heden van hoogleraren gemaakt. Dat register heeft ook de transparantievan de nevenfuncties vergroot.DENK vroeg of het verspreiden van boodschappen onder academischevrijheid valt. Voor iedereen in Nederland geldt gewoon de vrijheid vanmeningsuiting. Dat is een grondrecht. Academische vrijheid is juridischvastgelegd in artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en weten-schappelijk onderzoek. Daar heb ik het net ook al eventjes over gehad. Dievrijheid geldt alleen bij de uitvoering van academische taken diegekoppeld zijn aan de status van wetenschapper, docent en student. Nietiedereen kan dus zomaar een beroep doen op de academische vrijheid. Jekan bij het verkondigen van onwaarheden, leugens en desinformatie ookgeen beroep doen op academische vrijheid.Voorzitter. Dan ben ik aangekomen bij blokje twee. Dat gaat over protestenen sociale veiligheid.De voorzitter:Maar niet voordat de heer Stultiens van GroenLinks-PvdA een interruptieheeft geplaatst.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dit was het blokje academische vrijheid. Ik vind het goed om te zien dat deMinister zegt dat hij daarvoor staat. De woorden zijn goed. Dat is stap één.Nu is de vraag: wat worden de daden en wat is er de afgelopen maandengebeurd? We hebben hier voor de zomer heel veel wetenschappers opbezoek gehad bij een rondetafelgesprek. Die zeggen: we hebben nu alzelfcensuur, we durven bepaalde woorden niet meer te gebruiken, wekunnen bepaalde databases niet meer in en we krijgen vragenlijsten. Datgebeurt allemaal nu al. Mijn concrete vraag is: wat heeft dit kabinetgedaan en wat gaat het nog doen om deze wetenschappers tebeschermen?Minister Moes:Ik kom nog terug op de vraag over de internationale druk van buitenaf.De voorzitter:Bij het blokje geopolitiek zeker?Minister Moes:Ja. Dus daar kom ik nog even op terug, als dat oké is, voorzitter.De voorzitter:De vraag van de heer Stultiens ging niet alleen over die vragenlijsten, alsik hem goed begreep.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Het is breder, maar als het bij geopolitiek aan de orde komt, dan wacht ikeven daarop. Maar het is inderdaad breder dan alleen de vragenlijsten.De voorzitter:Oké, dan komen we daar straks op terug.De heer Ergin (DENK):Ik kreeg net antwoord op mijn vraag. Het was eigenlijk een soort vanarbeidsrechtelijke analyse van wat iemand mag zeggen. Maar mijn vraagging over de gevolgen daarvan. Als we het over sociale veiligheid hebben,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121325 dan heeft de Minister het over maatregelen die zijn genomen. Volgens mijnoemde hij de escalatieladder. Ik heb de Minister net ook weer horenbevestigen dat hij sociale veiligheid belangrijk vindt. Ik ben niet op zoeknaar AI-chatbotantwoorden, maar ik wil gewoon de visie van de Ministerhoren en horen of hij erkent dat als een hoogleraar zich zo gedraagt, heteffect heeft op de sociale veiligheid. Hoe ziet hij zijn eigen rol daarin? Daarzou ik graag iets meer over willen horen.De voorzitter:Ik sta de AI-chatbotvergelijking even toe, maar we gaan de Minister hiergeen AI-chatbot noemen.Minister Moes:Ik sta voor de academische vrijheid. Ik heb in mijn inleiding ook al eerdergenoemd dat de veiligheid om je ook vrij te kunnen uiten een harderandvoorwaarde is voor de academische vrijheid, zeker juist op deacademies. Daar moet het gesprek kunnen plaatsvinden. Dat kan nietaltijd zonder dat daar ook wat ongemak bij ontstaat of dat het schuurt. Datis juist kenmerkend voor een open debat. Ik erken zeker dat uitspraken vaneen persoon, zeker wanneer dat bijvoorbeeld een docent of hoogleraar is,schuring kunnen veroorzaken. Dat zou zelfs zo ver kunnen gaan dat ergevoelens van sociale onveiligheid ontstaan. Het is niet aan mij alsMinister om te bepalen wat daarin precies de grens is en wat wel en nietgezegd kan worden. Ik ben verantwoordelijk voor het stelsel. Daar sta ikvoor. De universiteiten en instellingen zelf gaan over het handhaven enuitvoeren van dat stelsel.De heer Ergin (DENK):Dit is dan weer een antwoord met iets meer kleur. Dat is waar dit debatvoor bedoeld is. Ik wilde de Minister niet wegzetten als wat dan ook, maarhet antwoord leek echt op de vergelijking die ik maakte en die ik van devoorzitter niet mag maken. Het gaat mij erom welke rol de Minister voorzichzelf ziet. We hebben hier een kersverse Minister. Het is volgens mij heteerste onderwijsdebat dat we met deze Minister voeren. We hebben altwee jaar een discussie over sociale veiligheid. Dat raakt ook deels aanacademische vrijheid. We hadden hiervoor een Minister die daar eigenlijkheel afzijdig en afstandelijk mee omging. Gaat de kersverse Minister dielijn voortzetten, of komt hij met een andere inkleding van zijn eigen rol omhet aan te pakken? Hij noemde net even geopolitieke kwesties. Daar ben ikook benieuwd naar.Minister Moes:Ik zie dat de academische vrijheid onder druk staat. Ik zie ook dat de drukop ons stelsel en op de manier waarop we dat hebben ingeregeld,toeneemt. Iedereen kan zien dat dat uitdagingen oplevert. De vrijheid vanonderwijs en de academische vrijheid aan de ene kant staan ergens opgespannen voet met de grondrechten van het demonstratierecht en devrijheid van meningsuiting. Dat is nou eenmaal zo; die vrijheden staan opgespannen voet met elkaar. Wat ik al zei, is de manier waarop je daarmeeomgaat primair aan de instellingen. Ik heb mijn verantwoordelijkheid inde inrichting van het stelsel. Maar zeker ook omdat we zien dat er echt watgaande is, probeer ik natuurlijk wel te doen wat ik kan, omdat dit mij echtaan het hart gaat vanuit mijn rol. Daarom ben ik doorlopend in contactmet de colleges van bestuur, met de instellingen, met de raden vantoezicht en met andere betrokken partners om hier daadwerkelijk wat aante doen en om te kijken hoe we dit nou gezamenlijk kunnen oppakken,zodat ik het niet alleen bij mijn eigen smalle verantwoordelijkheid hou ende rest aan de instellingen laat, maar zodat we het juist met elkaaroppakken, dwars door alle lijnen heen, en zodat we dit probleem gewoonop gaan lossen, want daar gaat het uiteindelijk om.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121326 De voorzitter:Daarmee zijn we aan het einde van het blokje academische vrijheidgekomen. De Minister gaat verder met het blokje veiligheid en protesten.Minister Moes:Dank, voorzitter. NSC vroeg of ik bereid ben de universiteiten er nadruk-kelijk aan te houden vrijheid van meningsuiting en sociale veiligheidallebei te waarborgen. Ja, daar ben ik doorlopend mee aan de slag. Datheb ik net eigenlijk ook al gezegd.De PVV vroeg naar het aanspreken van universiteitsbesturen. Deinstellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak omzowel de academische vrijheid als de vrijheid van meningsuiting en hetdemonstratierecht en overkoepelend de veiligheid op de campus tegaranderen. Dat is een hele precaire en lastige balans. Ik ondersteundaarin volledig de colleges van bestuur. Nogmaals, ik heb daarin eenstelselverantwoordelijkheid, maar ik ben ook aan de slag om hier samenmet alle betrokken partners de schouders onder te zetten, want dieveiligheid moet gewoon gegarandeerd worden. Iedere Nederlander moetgewoon gebruik kunnen maken van die vrijheden.De PVV vroeg ook hoe ik ervoor ga zorgen dat daders, oproerkraaiers,extremisten en relschoppers met honderd procent zekerheid van deuniversiteiten verdwijnen. De instellingen stellen zelf huis- en gedrags-regels op. Als zij die niet meer kunnen handhaven, dan schakelen zij metde lokale driehoek van burgemeester, politie en OM. Zij zijn de eerste lijn.Ik gaf al eerder aan dat ze bij vermoedens van strafbare feiten altijdaangifte doen. Het uitvoeren van opsporingstaken is een taak van deoverheid die wordt uitgevoerd door de politie onder het gezag van hetOM. Ik heb daar zelf geen directe taak, anders dan de stelselverantwoor-delijkheid.NSC stelde vragen over acties voor de veiligheid van Joodse studenten enmedewerkers. Alle studenten en medewerkers moeten zich veilig voelenen welkom weten op hun onderwijsinstelling. Het is verschrikkelijk dat ditvoor veel Joodse studenten en medewerkers op dit moment niet zo is.Eerder deze week sprak ik ook met een Joodse medewerker en eenstudent, een rabbijn. Hun ervaringen en verhalen hebben mij echt geraakt.Antisemitisme en elke andere vorm van onveiligheid is volstrekt onaccep-tabel. Samen met de instellingen zet ik mij in voor de veiligheid vanJoodse studenten en medewerkers. Zo worden er bijvoorbeeld op kortetermijn handreikingen voor vertrouwenspersonen, docenten en leidingge-venden ontwikkeld voor het herkennen van en omgaan met antisemi-tisme. Ook verschijnt er binnenkort een onderzoek naar het verbeterenvan klacht- en meldvoorzieningen op instellingen, met specifieke aandachtvoor deze groep. Dit onderzoek en mijn reactie over de opvolging hiervanstuur ik binnenkort aan uw Kamer. Op de middellange termijn komt deTaskforce Antisemitismebestrijding begin 2026 met een advies over demaatregelen ten behoeve van de veiligheid van Joodse studenten enmedewerkers van hogescholen en universiteiten. Op de lange termijn benik bezig met de ontwikkeling van de wettelijke zorgplicht veiligheid, dievoorziet in de versterking van het toezicht op het veiligheidsbeleid vaninstellingen. Daarnaast ben en blijf ik natuurlijk in gesprek met deNationaal Coördinator Antisemitismebestrijding en, zoals ik ook eerderaangaf, met Joodse studenten, medewerkers en andere organisaties. Alser naar aanleiding van het advies van de taskforce extra maatregelen opstelselniveau nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten enmedewerkers te borgen, ben ik uiteraard bereid die te nemen.Mevrouw Heite (NSC):Het is heel fijn dat de Minister deze vraag zo uitgebreid beantwoordt. Hetis heel fijn dat deze stappen worden gezet. Ik heb nog even één vraag terconcretisering. Ik begreep van Joodse studenten dat ze heel erg deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121327 behoefte hebben aan een eigen vertrouwenspersoon, juist omdatantisemitisme een heel specifiek monster is, om het maar zo te zeggen.Kan de Minister aangeven of hij ook daarover in gesprek is met deinstellingen en wat daarvan de stand van zaken is?De voorzitter:Minister, bent u hierover in gesprek?Minister Moes:Specifiek op deze vraag kom ik straks even terug.De voorzitter:Uitstekend. Dan kunt u verdergaan.Minister Moes:De VVD vroeg of ik wilde reflecteren op het idee dat de Minister zelfbestuurders weg zou moeten kunnen sturen als het uit de hand loopt. Ikben het met de VVD eens dat het belangrijk is dat de verantwoordelijkheidvoor de veiligheid zo veel mogelijk lokaal wordt genomen en dat deproblematiek binnen de instellingen door de daarvoor verantwoordelijkenwordt aangepakt en opgelost. Verder is het wel echt aan de raad vantoezicht om in die situaties op te treden. Het stelsel kent daarmee ook eenduidelijke escalatieladder; u vroeg hier ook naar. Deze escalatieladderheeft mijn voorganger u voor de zomer toegestuurd als bijlage bij de briefover veiligheid op de universiteiten. Indien nodig ga ik het gesprek aanmet de raad van toezicht, als het echt uit de hand loopt. In uiterstegevallen kan ik optreden richting de raden van toezicht. In het alleruiterstegeval kan ik overgaan tot het geven van een aanwijzing. Dat is echt hetultimum remedium, zeg maar. Dat kan ook het ontslaan van eenbestuurder inhouden.Mevrouw Rajkowski (VVD):Ik kan me natuurlijk voorstellen dat het eigenlijk geen situatie is waarin deMinister zich zou willen bevinden, maar ik kan me ook voorstellen dat ersituaties kunnen ontstaan waarbij dat helaas wel zou kunnen gebeuren, aldan niet schaars. Dit is mijn eerste debat over OCW. Bij het inlezen opspecifiek dit onderwerp verbaasde het mij eigenlijk dat dit een sector isdie geen algemene veiligheidswet of basisregels over veiligheid heeft.Eigenlijk op elk dossier dat je bekijkt, zijn er basisregels over fysieke ensociale veiligheid. Als het gaat om veiligheid in onderwijsinstellingen hebje wel het strafrecht, maar universiteiten en instellingen gaan er zelf overof er dan huisregels zijn, welke maatregelen ze nemen, of ze aansprakelijkof verantwoordelijk zijn en wat de werkgeversrol eigenlijk precies is; denkaan allemaal dat soort voorbeelden. Ik ben dus een beetje op zoek naareen antwoord op de vraag of we eigenlijk al wel genoeg middelen op dieonderwijsinstellingen hebben om echt te kunnen zeggen dat zo’nescalatieladder goed genoeg werkt, omdat er overal huisregels zijn enerop geacteerd wordt.Minister Moes:Dank voor de vraag. Het stelsel is zo ingericht dat de instellingen zelfinderdaad verantwoordelijk zijn voor hun eigen beleid daarop. Wij richtenhet stelsel in met daarin de randvoorwaarden en de kaders; de instel-lingen zelf implementeren dan inderdaad het veiligheidsbeleid, dewerkgever-werknemerrelatie en al die dingen meer. Dat is er dus wel,maar dat is echt aan de individuele instellingen zelf. Ik kan wel melden datook de instellingen samen bezig zijn om te kijken of ze niet meer collectiefnaar een aanpak toe kunnen gaan, zodat ze dat meer als eenheid vanuniversiteiten of hogescholen gaan uniformiseren, maar zodat ze ook vanelkaar gaan leren wat er nou werkt in de aanpak om de fysieke veiligheid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121328 de orde en de sociale veiligheid zo veel mogelijk te borgen op deuniversiteiten. Men leert daarin dus ook van elkaar. Dat juich ik van hartetoe.Mevrouw Rajkowski (VVD):Dat vind ik heel erg fijn om te horen. Dan hoeft ook niet iedereen zelf hetwiel opnieuw te vinden. Het is dus fijn dat onderwijsinstellingen bezig zijnom meer naar uniformiteit te gaan als het gaat om sociale en fysiekeveiligheid. Ik hoop dat daar ook de kennis van het Ministerie van OCW envan veiligheidsprofessionals bij betrokken wordt. Ik zou het fijn vinden omhier als Kamer over geïnformeerd te worden. Wanneer zouden wij hiereen update over kunnen ontvangen?De voorzitter:Mag ik daar een vraag aan toevoegen? Geldt dit voor de universiteiten ende hogescholen, of geldt het dan ook voor de mbo-instellingen?Minister Moes:Die informatie zullen we ook geven in de brief voor de begrotingsbehan-deling.Sorry, voorzitter, wat vroeg u nog?De voorzitter:U zegt dat de instellingen samen aan het kijken zijn, maar over welkeinstellingen gaat het dan? Gaat het dan om de universiteiten, of gaat ookom de hogescholen en om de mbo-instellingen?Minister Moes:Ik weet dat het in elk geval gaat om universiteiten. Het zou me nietverbazen als het ook gaat over hogescholen en mbo’s. Daar ga ik evennaar kijken en daar kom ik daarin ook op terug.De voorzitter:Dat komt ook terug in de brief voor de begroting.De heer Van der Hoeff (PVV):Ik heb een vraag aan de Minister. Stel dat u zover bent dat er een situatieontstaat waarin u daadwerkelijk een aanwijzing zou geven richting eenbestuurder. Wat gebeurt er op dat moment? Mag de onderwijsinspectiedan een onderzoek gaan instellen? Zijn het de bestuurders zelf die eenonderzoek moeten instellen? Wat gebeurt er in die fase van de escalatie-ladder, als het ware?De voorzitter:Wat gebeurt er als u een aanwijzing geeft, Minister?Minister Moes:Ten eerste moeten we alles in het werk stellen om daar niet te komen. Deinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de handhaving; de raden vanbestuur zijn verantwoordelijk. De inspectie ziet daar ook op toe; dat is derol van de inspectie. Je bent echt een aantal treden van de escalatieladderop als het zover moet komen dat ik als Minister moet ingrijpen bij de raadvan toezicht om daar een aanwijzing te geven. Laten we dus hopen dathet nooit zover komt. Als het wel zover komt, heb ik dus de aanwijzingsbe-voegdheid om de raden van toezicht een aanwijzing te geven van wat ermoet gebeuren. Dat kan onder andere het wegsturen van iemand uit hetcollege van bestuur zijn, maar dat kan ook iets anders zijn.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121329 Ik vind het positief om te horen dat deze Minister zegt dat hij gaat staanvoor het college van bestuur. Volgens mij is dat belangrijk voor eenMinister, zeker met partijen hier in de Kamer die dat proberen te onder-mijnen. Ik wil heel even kijken naar een reflectie van de Minister opeerdere uitspraken van hemzelf en van zijn eigen partij. Ik hoop dat hij danzegt: daar neem ik afstand van; dat is inderdaad niet meer passend. Hij zeibijvoorbeeld zelf over de rector van de UvA dat die een warm pak boter is.Zijn eigen partij zei aan het begin van dit jaar dat er een mars door deinstituties nodig is. Dat was een tweet van uw collega van BBB. Ik hoopdat hij vandaag kan zeggen: dat is inderdaad ongepast; dat moeten weniet willen met elkaar.Minister Moes:Ik heb sowieso als Minister geen mening over wat verder de partijstand-punten zijn of niet. Daar ga ik als Minister niet over. Ik ga ook niet overuitspraken van anderen. Als ik mij in het verleden als privépersoon hebgeuit, dan is dat destijds ook gewoon een mening geweest, in die contexten situatie. Ik heb natuurlijk als Minister een hele andere rol. Ik zalbinnenkort ook kennismaken met de desbetreffende persoon. Ik ga ervanuit dat dat onze relatie niet in de weg staat en dat het helemaal goedkomt.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Laat ik zeggen: ik ben blij met de woorden die hij in ieder geval nu gaatuiten als Minister. Ik hoop wel dat als in de toekomst deze uitsprakenopnieuw worden gedaan, ook door zijn eigen partij, hij er dan fermafstand van neemt, want van een partij hier in deze Kamer vind ikuitspraken als «een mars door de instituties» zeer zorgelijk.Minister Moes:Nogmaals, ik ga niet over uitspraken van Kamerleden.Dan was er een vraag van de VVD over een eenduidig veiligheidsprotocol.O, wacht, die heb ik volgens mij zojuist beantwoord; excuus.Dan kom ik bij een vraag van de VVD over de veiligheid van weten-schappers. Het waren twee vragen: welke extra maatregelen zijn er deafgelopen jaren genomen en is het ook mogelijk om in gesprek te gaanmet de instellingen om te bekijken hoe wetenschappers wat beterbeschermd kunnen worden? De verantwoordelijkheid voor het bewakenvan de veiligheid van wetenschappers ligt, zoals eerder gezegd, primairbij de instellingen als hun werkgever. Om de instellingen hierin teondersteunen is in 2022 WetenschapVeilig opgezet, een landelijk platformen expertisecentrum voor de aanpak van haat, bedreiging en intimidatierichting wetenschappers. Ik ben in overleg met UNL, NWO, KNAW enandere relevante organisaties voor de continuering van WetenschapVeiligin verband met het programma na de afloop van de subsidie in 2026. Ikzal de Tweede Kamer in 2026 informeren over een plan van aanpakhiervoor.Dan kom ik op de vraag van D66 hoe ik de instellingen ga helpen bij hetaanpakken van individuen bij uit de hand gelopen demonstraties. Ik voerhierover regelmatig gesprekken met de bestuurders en vertegenwoor-digers van de veiligheidsketen. Zoals gezegd, bij vermoedens vanstrafbare feiten doen instellingen altijd aangifte. Het uitvoeren van deopsporingstaken gebeurt door de politie onder het gezag van het OM. Inmijn antwoord op schriftelijke vragen van de VVD over het verhalen vanschade op demonstranten is ook ingegaan op de samenwerking tusseninstellingen en de justitiële keten. Als Minister van OCW doe ik geenuitspraak over de wijze waarop het OM opvolging geeft aan aangiften vaninstellingen an sich.DENK vroeg of ik het gevoel van onveiligheid erken van studenten aan deErasmus Universiteit als ze bepaalde tweets lezen. Nogmaals, het isbelangrijk dat iedereen zich veilig voelt binnen de instelling. De instellingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121330 is echt verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving van allestudenten en medewerkers. Ik ben verantwoordelijk voor het stelsel. Ikstimuleer en help instellingen hierbij. Ik doe dat op verschillendemanieren. Zo werk ik aan een wettelijke zorgplicht veiligheid, zoals eerdergenoemd, van studenten en stel ik de komende drie jaar jaarlijks 4 miljoeneuro beschikbaar voor een landelijk subsidieprogramma, waarmeeuniversiteiten, hogescholen en studie- en studentenverenigingengestimuleerd worden om samen te werken aan het vergroten van desociale veiligheid.Er was nog een vraag over de sociale veiligheid. Dat was eigenlijk eenoproep aan de universiteiten. Gevraagd werd of ik toe wil zeggen dat ik deuniversiteiten hierin wil steunen. Het kabinet gaat over het beleid tenaanzien van Israël en Gaza en niet mijn ministerie. Ik verwijs daarom naarmijn collega-Minister van Buitenlandse Zaken en de brief die hij daargisteren over heeft gestuurd aan uw Kamer.Voorzitter, ik ben toe aan blokje drie.Mevrouw Beckerman (SP):Sorry, excuus, ik zat even te twijfelen. Dat komt door het volgende. Ik hebheel lang op de universiteit rondgelopen. Ik heb daar heel lang gestudeerden gewerkt. Een van de momenten waarop ik mij het minst veilig voelde,was toen ik tussen archeologie, waar ik werkte, en de universiteitsbiblio-theek liep. Dat kwam vooral door de plek. De universiteit is een plek waarje je veilig moet voelen. Toen ik daar liep, hield iemand, een man, mijechter vast. Hij wilde me niet meer loslaten. Het was seksuele intimidatie.De reden waarom ik dat nu aanhaal, is omdat het een heftige tijd is,waarin dit veel voorkomt. Jonge meisjes, vrouwen en trouwens ookmannen en transgenderpersonen maken dit te vaak mee en voelen zichdaardoor onveilig. Excuus dat deze interruptie wat langer duurt, maar erworden veel oude tweets van de heer Moes aangehaald. Ik zag een tweetover een nieuwsbericht waarin gezegd werd dat heel veel jongemannenniet weten hoe ze in moeten grijpen. De heer Moes vroeg zich daarbij af ofje nog wel kunt ingrijpen. Hij zei: ik weet niet meer hoe dat moet, want indeze tijd wordt «man zijn» ook ter discussie gesteld. Ik vind dit een heellastige situatie. Ik wil eigenlijk niet ingaan op heel oude tweets, maar ikdenk dat heel veel mensen zich onveilig voelen. Daar gaat dit debat ookover. Zij willen dat mannen ingrijpen in dat soort situaties. Zou deMinister daarop kunnen reflecteren? Volgens mij moet het vanuit hetministerie heel duidelijk zijn dat niet alleen de politie moet ingrijpen, maarjuist ook medestudenten en juist ook docenten. Dat is ook wel echt eenpunt is waar we aandacht voor moeten vragen in dit debat.Minister Moes:Dank voor de vraag. Dit is een heel terechte en goede vraag denk ik. Het isgoed dat dit aan de orde wordt gesteld. Precies daarover ging die tweet. Ikheb eerder in mijn introductie benoemd dat de samenleving eencollectieve verantwoordelijkheid heeft om te normeren. Daar hoort hetgedrag van iedereen bij. Als eerste moet iedereen zich gewoon fatsoenlijkgedragen. Gaat er iets mis en zie je dat, dan draagt iedereen de verant-woordelijkheid om daar wat aan te doen. Mensen moeten er dus nietalleen bij staan en ernaar kijken, het filmen of wat dan ook. Iedereen heeftdan de verantwoordelijkheid om daadwerkelijk actie te ondernemen, 112te bellen of wat dan ook. De tweet van destijds ging erover dat het somseen ingewikkelde balans is. Dat wordt door mannen ook wel zo ervaren,want aan de ene kant wil je graag helpen, maar aan de andere kant twijfelje erover of je hulp wel gewenst is. Je wilt natuurlijk niet je hulpaanbieden, terwijl later blijkt dat je op dat moment precies het verkeerdehebt gedaan. Dat is een lastige balans. Ik denk dat het hiervoor ontzettendbelangrijk is dat iedereen gewoon met elkaar het gesprek aangaat overwat je in zo’n situatie doet. Wat vindt men prettig? Dat kan ook verschillenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121331 per individu. Juist daarom moeten we met elkaar het gesprek overveiligheid blijven aangaan. Op die manier voelt iedereen zich comfortabelom daadwerkelijk in te grijpen wanneer er iets aan de hand is.Mevrouw Beckerman (SP):Dank voor dit heldere antwoord. Wat ik pijnlijk vond aan die tweet, wasdat er stond: hoe moet je nog man zijn in deze verwarrende tijden? Datbericht ging erover dat 77% niet ingrijpt. Ik weet van heel veel mensen ...Dit is natuurlijk vaker gebeurd. Ik zeg «natuurlijk», omdat alle vrouwen ditvaker meemaken. Dit was zo pijnlijk, omdat het op de plek gebeurde waarje je het meest veilig voelt. En niemand doet iets! De ervaring datniemand iets doet, maken heel veel meisjes en vrouwen mee. Zeggen dathet verwarrende tijden zijn om man te zijn, is natuurlijk een heel pijnlijkereactie, omdat het ook hele moeilijke tijden zijn om vrouw te zijn – hetoverkomt overigens niet alleen vrouwen, maar ook jongens en transgen-derpersonen – en omdat het heel eenzaam en pijnlijk voelt.Het gaat er echter niet alleen om dat we even Twitter recenseren. Nu zit deheer Moes in deze positie als Minister. Er zijn meer mensen zijn die hetverwarrend vinden en zich afvragen wat ze moeten doen. De Ministerzegt: ga het onderlinge gesprek aan. Dat is heel goed. Een van deopbrengsten van MeToo en van de dolle mina’s die weer in opkomst zijn,is dat mensen het gesprek aangaan en dat ook mannen het gesprekaangaan. Wat wil de Minister hier specifiek aan bijdragen? Want dit moetniet verwarrend zijn. Als 77% niet meer ingrijpt, zorgt dat alleen maar voorveel meer leed. Wat zou de Minister extra willen doen, juist nu dit debatweer zo actueel is?Minister Moes:Ik begrijp dit heel goed en ik denk dat we hierin aan dezelfde kant staan.We belichten allebei een ander perspectief van hetzelfde probleem. Juistdaarom is mijn oproep om hierover in gesprek te blijven gaan. Uiteindelijkheb ik als Minister een stelselverantwoordelijkheid voor het onderwijs envoor cultuur en wetenschap. We moeten echt even kijken wat daarin mijnverantwoordelijkheid als Minister is, maar natuurlijk ben ik van hartebereid om te doen wat ik kan doen vanuit mijn rol om de veiligheid, metname van vrouwen, te waarborgen en te verbeteren. Dit is een heelbelangrijk onderwerp.De voorzitter:Dank u wel. U kunt verdergaan met de beantwoording.Minister Moes:Voorzitter. Ik was toegekomen aan geopolitiek. DENK deed de oproep omde samenwerking met Israëlische universiteiten stop te zetten. Universi-teiten gaan niet over het boycotten van landen. Dat is aan het kabinet.Maar universiteiten hebben wel de vrijheid om een individueleafwegingen te maken over met welke universiteiten zij al dan nietsamenwerken. Daar hebben zij ook ethische commissies voor. Dat is dusprimair aan de instellingen zelf. Instellingen kunnen dus niet collectief desamenwerking met landen opzeggen. Nogmaals, mijn collega, de Ministervan Buitenlandse Zaken, heeft gisteren ook een brief gestuurd aan uwKamer met het laatste kabinetsbeleid ten aanzien van Israël.Dan een vraag van de PVV, ook over het stopzetten van de samenwerkingmet universiteiten in Israël. Nogmaals, universiteiten gaan zelf over deindividuele afweging met welke instellingen zij wel of niet samenwerken.Dat geldt gewoon voor alle internationale samenwerkingen, waaronderook met Israëlische instellingen. Over de deelname van Israël aan HorizonEurope heeft mijn collega, de Minister van Buitenlandse Zaken, uw Kamergisteren geïnformeerd.Dat was het blokje geopolitiek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121332 De voorzitter:Een interruptie van de heer Stultiens, GroenLinks-PvdA.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik hoop dat deze niet telt. Mijn vraag in blokje één werd doorverwezennaar blokje drie over geopolitiek. Ik heb het antwoord nog niet gehoord.De voorzitter:Ik neem aan dat dit nog komt.Minister Moes:Ja. We hebben zorgen over de situatie in de Verenigde Staten. De situatiedaar – u heeft in uw inbreng volgens mij scherp verwoord hoe die situatieis – heeft ook impact op de academische vrijheid in Nederland. Die vormtdaadwerkelijk een bedreiging. We spreken hier regelmatig over metonderzoekers, instellingen en collega’s. Ook op Europees niveau pakkenwe dit aan. We zijn als Nederland zelf te klein om hier een krachtigweerwoord tegen te hebben, dus dat doen we op Europees niveau.Instellingen hebben individueel ook besloten om geen vragenlijsten in tevullen. Er zijn geen gevallen bekend waarin dit heeft geleid tot hetstopzetten van financiering vanuit de VS, maar het is wel een zorgelijkeontwikkeling, die we ook in de gaten houden. Nogmaals, wij zoeken deoplossing hier ook in Europese samenwerking.De voorzitter:Een interruptie van de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat het Europees gaat, vind ik goed. Volgens mij is het inderdaad hetsterkst als je het met z’n allen doet. Maar ik mis veel meer moed, veelmeer publieke verontwaardiging. De universiteiten zelf laten zich metelkaar horen. De wetenschap laat zich horen. Maar het is eigenlijk muisstilvanuit de politiek, terwijl vanuit Amerika onze wetenschap gewoongesloopt wordt. Ik roep de Minister op om samen met collega’s harder tezeggen: blijf van onze wetenschappers af; kom niet met vragenlijsten aan,zet die databases gewoon open, houd op met die censuur van termen. Ikvind het belachelijk dat hier jarenlang alles wat met cancel culture temaken had een hot topic was, maar nu er daadwerkelijk wordt gecancelden je als wetenschapper niet eens meer kunt zeggen dat je onderzoek doetnaar vrouwen of lhbt, de politiek veel te stil is. En inderdaad, het liefst doeje het samen met andere landen, maar ik verwacht ook dat we ons publiekharder uitspreken richting Amerika en zeggen: blijf af van onzewetenschappers.Minister Moes:Ik heb zojuist ook aangegeven wat wij als kabinet daarvan vinden en datwe dat zorgelijk vinden. Ik bestrijd wel dat vanuit Amerika de Nederlandsewetenschap gesloopt wordt. Dat is niet zo. Het is een bedreiging voor deacademische vrijheid in Nederland, maar de Nederlandse wetenschap iseen goed functionerende tak van sport. Wij kunnen internationaal goedconcurreren. Wij zijn niet volstrekt afhankelijk van Amerika daarin. Het isniet zo dat onze volledige wetenschap gesloopt zou worden; zeker niet.De voorzitter:Gaat u verder met de beantwoording.Minister Moes:Dank u wel, voorzitter. Dan de vraag van D66 over wetenschappershierheen halen. Het topniveau van de Nederlandse wetenschap werkt nueigenlijk al als een magneet voor talent. Het zojuist geopende Tulp Fonds,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121333 dat internationale topwetenschappers zal aantrekken, geeft daar nog eenseen extra impuls aan. Ik blijf me natuurlijk ook inzetten om de aantrek-kingskracht van de Nederlandse wetenschap hoog te houden. Ik vond hetook een warm pleidooi om de Nederlandse cultuur van academischevrijheid dusdanig hoog te houden met elkaar dat ook dat als een magneetgaat werken voor de internationale wetenschap.Daarmee ben ik aan het einde van de beantwoording van de vragen,voorzitter.De voorzitter:U had nog een blokje talent. Dat was dus een beknopt blokje met alleendit antwoord op mijn vraag? Oké, check. Dat brengt ons bij de tweedetermijn van de zijde van de Kamer. Ik geef als eerste het woord aanmevrouw Rajkowski. Alle Kamerleden hebben 80 seconden te besteden inhun tweede termijn. Mevrouw Rajkowski gaat daar meteen mee beginnen.Mevrouw Rajkowski (VVD):Dank, voorzitter. Ook dank voor de toezegging dat wij voor de begrotings-behandeling geïnformeerd gaan worden over de gesprekken die lopenover uniforme veiligheidsafspraken. Ik wil nog wel het volgendemeegeven. Eigenlijk zou er al voor de zomer een veiligheidsprotocolkomen. Ik begrijp dat deze Minister er nog maar net zit, dus daar ga ik nietal te moeilijk over doen, maar ik spreek natuurlijk ook heel veel studentenen docenten die zich misschien niet altijd gesteund voelen, ook niet intern,door hun colleges van bestuur of raden van toezicht. Ik wil daarommeegeven dat we het hiermee over de verkiezingen tillen, een paarmaanden verder, maar dat voor de VVD uitstel geen afstel betekent. Wijwillen voor de begrotingsbehandeling dus echt een heel duidelijke briefover wat er gaat gebeuren.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. De begrotingsbehandeling zal waarschijnlijk in december ofjanuari plaatsvinden. Ik hoor nu zelfs «februari»; dat duurt nog wel heellang. De heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat is nuttige informatie om te weten.Laat ik positief beginnen. Ik ben blij dat de Minister, in elk geval quawoordgebruik, aan de goeie kant staat. Hij staat op voor de wetenschapen de academische vrijheid. We verschillen nog van mening over deurgentie en daadkracht die het kabinet ook publiekelijk zou kunnen tonendoor hiervoor te gaan staan. Daarom wil ik een motie indienen in eentweeminutendebat, nog voor het reces.De voorzitter:Er is een tweeminutendebat aangevraagd. De kans is groot dat ditingepland gaat worden op 2 oktober, maar dan wel in de nacht van 2 op3 oktober.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Wij zijn er klaar voor.Tot slot het punt over de Grondwet. Goed dat er een onderzoek komt vande KNAW. Ik denk inderdaad dat dit belangrijk is; zie Duitsland en deoproepen.Echt tot slot. Er is veel gepraat over bezuinigingen. Volgende week komtde begroting. Ik houd mijn hart vast. Ik ben bang dat de bezuinigingen dieal stonden nog steeds blijven staan. We gaan het volgende week zien.Anders wordt dat nog een groot topic in het najaar, of zelfs pas in februari.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121334 De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Heite, Nieuw Sociaal Contract.Mevrouw Heite (NSC):Dank u wel, voorzitter. Allereerst bedankt voor de beantwoording van devragen. Even nog een heel korte vraag over mijn vraag om te komen meteen fonds voor tegendraads onderzoek. Uiteraard zijn er op dit moment alwel fondsen; daar wordt al deels in voorzien. Ik ben echt op zoek naar eenfonds dat tegendraads onderzoek financiert en dat het juist de zeernieuwsgierig gedreven wetenschappers mogelijk maakt om zonder allerleivoorwaarden onderzoek te kunnen doen. Eigenlijk is dat niet hetzelfde alswaar de Minister het net over had. Zou hij dus toch nog even heel goednaar die vraag kunnen kijken en daar nog wat meer op kunnen ingaan?Dat is eigenlijk het belangrijkste. Dank.De voorzitter:Dank u wel. Een interruptie van de heer Stultiens, GroenLinks-PvdA.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ja, een korte vraag. Is het pleidooi van NSC nou meer extra geld in ditnieuwe fonds – dan vind ik het interessant – of moet het geld wordenweggehaald bij ander onderzoek?Mevrouw Heite (NSC):Ja, dat is een goeie vraag. Ook ik maak me zorgen over de bezuinigingenop het onderwijs – dat moge duidelijk zijn – ondanks het feit dat NSC zelfin het kabinet heeft gezeten en daar onderdeel van was. We hebben daaral wel heel vaak over gediscussieerd met elkaar. Zonder dat ik er eenvestzak-broekzakdiscussie van wil maken, ben ik wel benieuwd inhoeverre de Minister bereid is binnen zijn beschikbare middelen tebekijken of hij desnoods met een herverkaveling hieraan tegemoet kankomen. Ook ik zie de nieuwe kabinetsperiode en de huidige begroting metzorg en ook wel nieuwsgierigheid tegemoet. Dus ik hoop dat er nietverder bezuinigd gaat worden op onderwijs. Laat ik dat, ook namens mijnpartij, duidelijk maken.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we door naar mevrouw Beckerman. Zij spreektnamens de SP.Mevrouw Beckerman (SP):Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de Minister voor zijn eerste commis-siedebat hier. Het is goed dat er een tweeminutendebat is aangevraagd.Het is namelijk heel mooi om na te denken over het verankeren vanacademische vrijheid in de Grondwet en het is heel mooi dat de acade-mische vrijheid bestaat, maar die bezuinigingen en de impact die diehebben op de academische vrijheid, bijvoorbeeld omdat de ruimte voorongebonden onderzoek afneemt, blijven een hele grote zorg voor mijnpartij.Dan het punt waar ik als laatste op interrumpeerde, de veiligheid vanmeisjes en vrouwen, maar ook van mannen en transgenderpersonen. Hetis goed dat de Minister op deze manier antwoordt, maar het is ook pijnlijkdat daar natuurlijk nog weinig daden uit voortkomen en we ook geenpraktisch antwoord krijgen op de vraag wat we daaraan kunnen doen. DeMinister zei in een eerdere tweet dat het misschien verwarrend is om mante zijn, maar ik vind het verwarrend dat we hier anno 2025 nog steeds destraat voor op moeten, nog steeds in actie moeten komen. Van de PVVmag dat niet op universitaire terreinen, maar het is wel nodig. Ik vind datheel pijnlijk. We zullen nadenken over voorstellen op dit punt.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121335 De voorzitter:Dank u wel. De heer Van der Hoeff, PVV.De heer Van der Hoeff (PVV):Ik wil de Minister bedanken voor het beantwoorden van de vragen in ditvoor hem eerste debat. Dat was het.De voorzitter:De heer Ergin, DENK.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank u wel. Ik heb nog een openstaande vraag. Die ging overde aankondiging van Maastricht University dat ze vijf studenten uit Gazaaan een studiebeurs gaan helpen, omdat er in Gaza geen universiteit meeris. Alles is kapotgebombardeerd door Israël. Mijn vraag aan de Minister isof hij dit initiatief steunt en of hij positief tegenover het idee staat datmeer universiteiten hieraan gaan deelnemen.De voorzitter:Dank u wel. Dan wil ik nog een keer een beroep op mevrouw Rajkowskidoen om interim-voorzitter te zijn.Voorzitter: RajkowskiDe voorzitter:Ja. Dan geef ik het woord aan de heer Paternotte voor zijn tweede termijn.De heer Paternotte (D66):Dank u wel. Dank aan de Minister. Ik vind het goed dat hij duidelijkaangeeft: ik sta voor dat stelsel en ik zie ook mijn verantwoordelijkheid alsstelselverantwoordelijke om niet zelf in een strijd met die instellingenterecht te komen.Ik kreeg net antwoord op mijn pleidooi en de vragen die ik stelde over watNederland nu eigenlijk concreet doet om die Amerikaanse weten-schappers te faciliteren en hierheen te halen, en hoe dat zich verhoudt totDuitsland en Frankrijk. De Minister vatte dat samen met de woorden dathij dat een warm pleidooi vond en dat de Nederlandse wetenschap vanzulke goede kwaliteit is dat die al werkt als magneet voor talent. Dan denkik: volgens mij moet de Minister wat dit betreft nog wel wat meeringewerkt worden. Waar baseert hij het op dat we nu al werken alsmagneet voor talent? Hoeveel mensen komen er dan nu hiernaartoe?Ik hoor alleen maar dat er wetenschappers vertrekken door de bezuini-gingen en doordat het taalbeleid wordt aangescherpt en het in Nederlandlastiger wordt om bijvoorbeeld in het Engels te doceren en dus ookonderzoek te doen. Ik krijg de indruk dat Nederland echt veel minder doetdan Duitsland en Frankrijk en ik zie dat ook aan de bedragen die wordenuitgetrokken door de Duitse en Franse overheid. Dat komt niet alleendoordat we een iets kleiner land zijn dan die twee. Ook relatief is het veelminder. Ik zou de Minister willen vragen om daar wat concreter op in tegaan. Ik kan me voorstellen dat dat misschien niet nu in de tweede termijnkan, maar zou hij ons dan misschien een brief kunnen sturen waarin hijaangeeft hoe het nu gaat met de inzet op het binnenhalen van talent,welke resultaten we daarvan zien en wat we eigenlijk concreet doen?Mijn 1 minuut 20 is voorbij, dus ik geef mevrouw Rajkowski het woord.De voorzitter:Nou, dan kan ik het woord weer aan u geven.Voorzitter: PaternotteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121336 De voorzitter:Dank u wel. Dan kijk ik even of de Minister direct kan antwoorden ofmisschien nog even een paar minuten nodig heeft. Hij heeft twee minutennodig. Dat lijkt me zeer schappelijk. Ik schors voor een enkel ogenblik.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Ik wil graag de vergadering weer starten, want de Minister staat tepopelen om te antwoorden in tweede termijn, dus ik ga hem daar hetwoord voor geven.Minister Moes:Dank u hartelijk, voorzitter. Ik heb nog vier vragen geteld in de tweedetermijn. Ik kom nog een keer terug op dat fonds voor tegendraadsonderzoek. Er zijn diverse geldstromen. We hebben de eerste, tweede enderde geldstroom. Daarbinnen is er echt ruimte voor tegendraads eneigenzinnig onderzoek van wetenschappers. Het is ook aan de weten-schap zelf om met een goed plan te komen en goed uiteen te zettenwaarom ze dat onderzoek willen doen. Dat mag. Sterker nog, in onsstelsel is ook geborgd dat dat tegendraads moet kunnen zijn en dat daarfinanciering voor is. Binnen het huidige stelsel is daar echt in voorzien.Daar is geen apart fonds voor nodig.D66 vroeg nog een keer naar de aantrekkingskracht van Nederland. Iknoemde daarbij ook nog het Tulp Fonds. Dit is ook echt een kwestie vansamenwerking met diverse landen in Europees verband. Nederland doetdaar echt goed aan mee, maar ik wil daar best nog op terugkomen in debrief die voor de begrotingsbehandeling komt, om hier nog even watgedetailleerder op in te kunnen gaan. Dat is geen probleem.DENK vroeg terecht nog een keer hoe het kabinet kijkt naar de studie-beurzen voor Gazanen die de Universiteit Maastricht beschikbaar heeftgesteld. Dat is echt aan de instellingen zelf. Daar ga ik niet over. Daar gaatde overheid niet over. Het is vrij gebruikelijk dat universiteiten zelf bepalenaan wie zij studiebeurzen willen verstrekken.De VVD vroeg nog even door over de brief over de uniforme veiligheids-aanpak. Daar is eerder ook een brief over geweest. Daarin is ook gewaggemaakt van de escalatieladder. Maar ook hier kom ik nog even op terugin de brief die voor de begrotingsbehandeling komt.De voorzitter:Ik ga eerst even naar mevrouw Rajkowski en dan naar de heer Ergin.Mevrouw Rajkowski (VVD):Als ik de beantwoording van de Minister in de eerste termijn goed hebbeluisterd, begrijp ik dat er nu een stap extra gezet gaat worden doordatde onderwijsinstellingen ook met elkaar in gesprek zijn over de uniformeregels, bijvoorbeeld over sociale en fysieke veiligheid. Er wordt in iedergeval verkend of er uniforme regels kunnen komen. Ik heb de briefgelezen waar de Minister naar verwijst. Ik constateer alleen dat we er nogniet zijn op de onderwijsinstellingen. Begrijp ik goed dat ik straks in debrief die voor de begrotingsbehandeling komt geen herhaling krijg vanwat er in eerdere brieven stond, maar dat er ook extra stappen gezetzullen gaan worden?Minister Moes:We gaan een update geven over die gezamenlijke aanpak. Daar is voor heteerst gewag van gemaakt in die brief. Die had betrekking op de stand vanzaken toen en ging onder andere over de escalatieladder. Daar komt eenupdate van. Ik weet uit mijn hoofd niet wat nu exact de status is, maar deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121337 universiteiten zijn doorlopend met elkaar in gesprek, dus ik verwacht dater wel nieuwe ontwikkelingen te melden zullen zijn.De heer Ergin (DENK):Ik kreeg antwoord op de vraag of universiteiten studiebeurzen mogenverstrekken. Dat was niet mijn vraag. Universiteiten mogen studiebeurzenverstrekken. De vraag was of deze Minister de universiteiten die studentenuit Gaza willen helpen, gaat faciliteren en steunen in wat ze doen. Dat wasde vraag. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen.Minister Moes:De instellingen hebben die vrijheid en zijn dus al ondersteund doordat zegebruik kunnen maken van die vrijheid en de rechten die ze daarinhebben. Ik zie geen aanleiding om daar nog extra ondersteuning bij tebieden.De voorzitter:Dank. Als u mij toestaat, wilde ikzelf nog even wat vragen. De Ministerzegt: dat wil ik best even meenemen bij de brief die komt voor debegrotingsbehandeling. Tegen die tijd, heb ik net begrepen, is DonaldTrump alweer meer dan een jaar president en zijn we weer een halfjaarverder, terwijl in ieder geval wat mij betreft de urgentie heel groot is. Mijnvraag is of die brief niet bijvoorbeeld in november kan komen. Hetantwoord daarop is ja, zie ik.Minister Moes:Het antwoord daarop is ja.De voorzitter:Dat is mooi. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit commissie-debat. Er is een tweeminutendebat aangevraagd door de heer Stultiens.We zullen bij de Griffie aangeven dat we dat graag ook nog ingeplandwillen zien voor het verkiezingsreces. Anders kan het wel even duren.Bovendien weten we natuurlijk niet hoe de Kamer er dan uitziet.Er zijn ook een aantal toezeggingen gedaan door de Minister. Die zal ikeven opnoemen.–De Minister heeft de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Akademie vanWetenschappen, gevraagd om een advies te geven over het opnemenvan de academische vrijheid in de Grondwet en zal de Kamer hier opeen later moment over informeren.Wat is dat latere moment? Kan de Minister daar nog iets over zeggen?Minister Moes:Het onderzoek loopt. We weten niet wanneer dat onderzoek klaar is.Wanneer dat onderzoek is afgerond, kan ik de Kamer informeren.De voorzitter:Kunt u dan misschien uitzoeken tot wanneer dat onderzoek loopt en deKamer daarover informeren? Dan hebben we een toezegging dat determijn later gecommuniceerd wordt.Minister Moes:Akkoord.De voorzitter:Dank.–De Minister gaat in gesprek met zijn collega van JenV over deopvolging van aangiftes die zijn gedaan naar aanleiding van vermoe-dens van strafbare uitingen. De Minister zal de Kamer hier vooraf-gaand aan de begrotingsbehandeling over informeren. Daarbij wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121338 ook ingegaan op de uniformiteit van de aanpak van sociale en fysiekeveiligheid op universiteiten en mogelijk ook op hogescholen en mbo’s.Voor de kijkers thuis: dat is Minister van Oosten. Dat is ook een nieuweMinister.–De Minister verwacht de herziene Nederlandse gedragscode weten-schappelijke integriteit begin volgend jaar, begin 2026, aan de Kamerte doen toekomen.Klopt dat? Ja.–De handreiking voor vertrouwenspersonen over antisemitismebestrij-ding is binnenkort afgerond en zal door de Minister openbaar wordengemaakt.–In 2026 wordt de Kamer geïnformeerd over een plan van aanpak voorde structurele continuering van WetenschapVeilig.Er stond «in 2026». Kan dat, gezien het feit dat de begrotingsbehandelingook in 2026 zal plaatsvinden, rond of voorafgaand aan de begrotingsbe-handeling gebeuren, aangezien het gaat om financiering?Minister Moes:Dat gaat niet lukken.De voorzitter:Oké. Ik zie dat de commissie er genoegen mee neemt dat dit uitgezochtgaat worden, dus dan hopen we daar snel iets over te horen. Dat komtdus in ieder geval in 2026, maar zo mogelijk graag eerder.–In november 2025 komt de Minister terug op het Tulp Fonds en dewijze waarop wetenschappelijk talent wordt aangetrokken.Dank u wel. Dank aan de deelnemers. Dank aan de ambtelijke onder-steuning. Dank aan de Minister. Dank aan de mensen op de tribune en dekijkers thuis. Ik wens u allen nog een productieve dag.Sluiting 12.38 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 121339
Gerelateerde bronnen
- Academische vrijheid
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 september 20225, over Academische vrijheid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.