Beleidsreactie op brief TIB en CTIVD inzake criminele ondermijning
Brontekst
Versie 96979d89127a31ae · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202530 821DossiertitelNr. 270 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 maart 2025Bij deze doe ik u een brief toekomen van de Toetsingscommissie InzetBevoegdheden (TIB) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- enVeiligheidsdiensten (CTIVD) over het onderzoek van de AIVD naar dedreiging vanuit criminele netwerken tegen de nationale veiligheid. De TIBen de CTIVD hebben een aantal specifieke zorgpunten over dit onderzoekvan de AIVD en hebben mij verzocht deze te delen met uw Kamer.Ik wil graag van de gelegenheid gebruik maken om een toelichting tegeven op de belangrijke taak van de AIVD bij het onderzoek naar criminelenetwerken die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.Vervolgens zal ik ingaan op de zorgen van de TIB en CTIVD en mijnzienswijze op die punten geven.Taak AIVDDe kerntaak van de AIVD is het beschermen van de nationale veiligheid.Vanuit die taak doet de AIVD onderzoek naar personen en organisaties dieeen bedreiging vormen voor het voortbestaan van de democratischerechtsorde en de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.Zoals onder meer beschreven in het openbare AIVD jaarverslag 2023hebben enkele criminele netwerken de afgelopen jaren nietsontziendgeweld gebruikt in de openbare ruimte. Dit deden zij niet alleen om af terekenen met criminele rivalen. Als dat hun belangen diende pleegden zeook aanslagen op redacties, journalisten en advocaten. Een groot aantalofficieren van justitie, rechters, Kamerleden en bestuurders wordtmomenteel beveiligd. Deze functionarissen vervullen een cruciale rol inonze samenleving. Zij staan symbool voor de democratische rechtsstaaten het openbaar bestuur. Wie deze functionarissen tot doelwit maakt,ondermijnt de democratische rechtsorde en bedreigt de nationaleveiligheid. kst-30821-270ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2701 Sommige netwerken bedreigen de democratische rechtsorde ook doorinfiltratie en corruptie. Ze proberen mensen in cruciale functies bij deoverheid en bij bedrijven om te kopen en onder druk te zetten. Datverzwakt de overheid en de maatschappij van binnenuit, terwijl deintegriteit van het openbaar bestuur essentieel is voor het vertrouwen vanburgers in de overheid en voor het goed functioneren van de democra-tische rechtstaat.Het AIVD-onderzoek draagt bij aan het voorkomen van aanslagen en hetbeschermen van bedreigde personen. Daarnaast draagt het onderzoekook bij aan het ontdekken van systeemkwetsbaarheden bij de overheid enhet bedrijfsleven, zodat criminelen die niet kunnen misbruiken. In 2024heeft de AIVD bijvoorbeeld vastgesteld dat criminele netwerken die eenbedreiging vormen voor de nationale veiligheid vergaande, professionelecapaciteiten hebben om informatie te verzamelen over mensen die zij alseen bedreiging zien. De vaardigheden en technische mogelijkheden vangespecialiseerde onderdelen van criminele netwerken zijn soms tevergelijken met die van opsporings- en veiligheidsdiensten. Zo brengen zemet behulp van eigen volgteams en volgapparatuur woonadressen,werkadressen, verblijfplaatsen en sociale netwerken van hun doelwitten inkaart. Soms halen ze informatie uit overheids en bedrijfsdatabanken metpersoonsgegevens.Daarvoor kopen ze medewerkers om, of zetten die onder druk. Doorvanuit de AIVD de verantwoordelijke belangendragers te informeren overdergelijke dreigingen, kunnen zij maatregelen treffen om systeemkwets-baarheden weg te nemen.Onderscheid opsporing en inlichtingenHet Openbaar Ministerie (OM), de politie en de AIVD hebben verschillendetaken. De AIVD heeft de wettelijke taak om onderzoek te doen naarpersonen en organisaties waarbij aanleiding tot het ernstige vermoedenbestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democra-tische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of andere gewichtigebelangen van de staat. De AIVD doet dit veelal heimelijk en is daarbijbevoegd om inlichtingenmiddelen in te zetten. De opsporing van strafbarefeiten door de politie is een wezenlijk andere taak. Het onderzoek inverband met strafbare feiten vindt plaats onder gezag van de officier vanjustitie. Het opsporingsonderzoek en dus ook de toepassing vanbijzondere opsporingsbevoegdheden is gericht op het verzamelen vanbewijs op grond waarvan al dan niet tot strafrechtelijke vervolging wordtovergegaan. Dit verschil in taakstelling zorgt voor een afbakening tussenenerzijds de opsporing en anderzijds de AIVD.De dreiging tegen de nationale veiligheid bestaat uit een gekend en eenongekend deel. Voor het gekende deel, bijvoorbeeld in geval van concreteinformatie over een crimineel kopstuk die een aanslag wil laten plegen opeen specifiek moment, door bepaalde uitvoerders en op een specifiekdoelwit zijn het OM en de politie primair aan zet. Het OM en de politiekunnen via strafrechtelijk onderzoek de betrokken personen opsporen enaanhouden, en daarmee de aanslag voorkomen. In veel gevallen staatzo’n aanslagdreiging niet op zichzelf en is er een «ongekend» deel: watzijn de intenties van het criminele kopstuk? In hoeverre zijn meerbelangendragers doelwit? Welke capaciteiten brengt het netwerk bijeen?Welke activiteiten ontplooit het netwerk nog meer? De AIVD heeft eenprimaire taak in dit ongekende deel.Ik wil benadrukken dat het hier gaat om een relatief nieuw onderzoeks-gebied van de AIVD, dat eind 2021 gestart is. De inlichtingen- en veilig-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2702 heidsdiensten, de TIB en CTIVD, de departementen en de verantwoordelijkbewindspersonen vormen gezamenlijk met elkaar een stelsel. Ik vind deinbreng van de TIB en CTIVD van groot belang voor de legitimiteit van deactiviteiten van de diensten. Een constructieve dialoog met de TIB enCTIVD helpt in het proces van het verder afbakenen van het onderzoekvan de AIVD naar de dreiging vanuit criminele netwerken tegen denationale veiligheid.Ik zal in het vervolg van deze brief ingaan op de specifieke thema’s in debrief van de TIB en CTIVD. Deze zorgpunten zijn het onderwerp geweestvan meerdere gesprekken die ik de afgelopen periode heb gevoerd met deTIB en CTIVD. Ik stel vast dat er geen verschil van opvatting bestaat overhet wettelijk kader. Wel bestaat er een verschil van inzicht over dereikwijdte van dit onderzoek en de inzet van middelen bij dit onderzoek.Samenloop tussen opsporing en inlichtingenDe TIB en CTIVD wijzen in de brief op het risico van sfeervermengingtussen de terreinen van nationale veiligheid en opsporing. Zij hebben opdit punt geen onrechtmatigheden in het onderzoek geconstateerd.Hoewel ik het signaal van de TIB en CTIVD serieus neem, ben ik er vanovertuigd dat in het huidige systeem voldoende waarborgen bestaan omhet risico op ongewenste neveneffecten van de samenloop tussenopsporing en inlichtingen te voorkomen. Daarom wil ik u in reactie opdeze zorg in deze brief graag een schets geven van het relevante wettelijkkader voor de AIVD in de verhouding tot de opsporing, de lijn in dejurisprudentie en hoe op dit moment in de praktijk het recht op een eerlijkproces geborgd wordt.Wettelijk kader AIVDIn het Nederlandse bestel kennen wij een strikte scheiding tusseninlichtingen en opsporing. Om het principiële karakter van deze scheidingte benadrukken is in artikel 13, lid 1 Wiv 2017 geëxpliciteerd dat deambtenaren van de AIVD en MIVD geen bevoegdheid hebben tot hetopsporen van strafbare feiten.Tegelijkertijd is de samenloop tussen de twee domeinen van inlichtingenen opsporing, in die zin dat de activiteiten van de I&V-diensten en deactiviteiten van de opsporingsinstanties elkaar wederzijds kunnen raken,een vaststaand gegeven in ons bestel. Activiteiten die een dreiging voorde nationale veiligheid kunnen zijn, zijn namelijk in veel gevallen ookstrafbaar gesteld, zoals het verspreiden van jihadistische propaganda, dedeelname aan een terroristische organisatie of het lekken vanstaatsgeheimen.De wetgever heeft dit onderkend en daarom ook de informatie-uitwisseling tussen inlichtingen en opsporing mogelijk gemaakt, in beiderichtingen. De AIVD kan in een inlichtingenonderzoek op informatiestuiten waarbij strafrechtelijk ingrijpen aangewezen is, zoals een ophanden zijnde terroristische aanslag. Dan informeert de AIVD het OMdaarover door middel van een ambtsbericht op grond van artikel 66, lid 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2703 Wiv 2017. De CTIVD kan vanuit haar toezichtstaak onderzoek doen naar derechtmatigheid van de activiteiten van de AIVD op dat vlak.1De wetgever heeft ook op een andere wijze de afstemming tussenopsporing en inlichtingen mogelijk gemaakt. Artikel 93, lid 2 Wiv 2017biedt de basis voor het afstemmingsoverleg tussen het OpenbaarMinisterie en de AIVD, onder leiding van de Landelijk Officier van Justitie(LOvJ). Dit is het Afstemmingsoverleg Terrorisme (AOT). Deze werkwijzeis op het gebied van terrorismebestrijding al vele jaren staande praktijk enis uitgebreid naar onder andere cyber, spionage en criminele onder-mijning. Deze afstemming is nodig, al is het maar voor deconflictie tussenlopende operaties vanuit opsporing en inlichtingen. Dit betekent dat in hetAOT diverse waarborgen zijn ingericht, om risico’s van ongewenstevermenging tussen beide domeinen te beperken. Zo staat het AOT altijdonder leiding van de LOvJ, nemen vanuit de politie en het OM geenpersonen deel die op zaaksniveau betrokken zijn bij het opsporingson-derzoek, wordt van alle overleggen verslag gemaakt en vindt het overlegaltijd plaats onder geheimhouding, conform artikel 135 Wiv 2017. DeCTIVD kan tot slot toezicht houden op het rechtmatig optreden van deAIVD in het AOT.2JurisprudentieDe Wiv 2017 kent verschillende wettelijke waarborgen voor het gebruikvan AIVD-informatie in het strafproces, zoals hierboven geschetst.Daarnaast geldt de regeling voor afgeschermde getuigen (artikel 226m t/m226s) in het Wetboek van Strafvordering, op basis waarvan medewerkersvan de AIVD als getuige in een strafproces kunnen worden gehoord.Vanaf 2006 is een bestendige lijn bepaald door de Hoge Raad over hetgebruik van AIVD-informatie in het strafproces. Deze lijn wordt tot opheden in de rechtspraak gehanteerd. Die lijn geeft de rechter handvattenom te toetsen of voldaan is aan de eisen van een eerlijk proces bij hetgebruik van AIVD-informatie.3Een belangrijke waarborg wordt in de rechtspraktijk gezien in de rol vande LOvJ, die op basis van artikel 66, lid 4 Wiv 2017 inzage heeft in deonderliggende stukken bij een ambtsbericht, maar ook met een strafvor-derlijke blik naar deze gegevens kan kijken.4 Indien de LOvJ van oordeelzou zijn dat belangrijke voorschriften of rechtsbeginselen geschonden zijndoor de AIVD, dan wordt het ambtsbericht niet aan de opsporingverstrekt.Mocht de strafrechter constateren dat het recht op een eerlijk proces vande verdachte in concreto toch is geschonden door de betrokkenheid van1De CTIVD heeft in het verleden ook meerdere malen onderzoek hiernaar gedaan. Dit betreft inelk geval de volgende rapporten: Toezichtsrapport 9a over de door de AIVD uitgebrachteambtsberichten in de periode van januari 2004 tot oktober 2005, CTIVD 2006; Toezichtsrapport29 over de door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten in de periode van oktober 2005 tot enmet mei 2010, CTIVD 2010; Toezichtsrapport 57 over de gegevensuitwisseling door de AIVDover (vermeende) jihadisten, CTIVD 2018. Ook is onderzoek gedaan naar andere vormen vanverstrekkingen vanuit de AIVD: Toezichtsrapport 67 over de gegevensverstrekking door AIVDover het Cornelius Haga Lyceum, CTIVD 2019 en Toezichtsrapport 68 over het handelen van deAIVD in het kader van intrekking van het Nederlanderschap, CTIVD 2020.2De CTIVD heeft in het verleden al gerapporteerd over het functioneren van het AOT: Toezichts-rapport 12, paragraaf 9.2 (p. 28), Toezichtsrapport 57, paragraaf 7.4 (p. 41–44).3Onder andere: ECLI:NL:HR:2007:BA2553 (Eik), ECLI:NL:HR:2011:BP7544 (Piranha),ECLI:NL:HR:2015:768 en ECLI:NL:HR:2024:8144Hof Den Haag, 7 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:936 (Orem), r.o. 4.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2704 de AIVD, dan kan de rechter consequenties verbinden aan een eventueleonrechtmatige handeling jegens een verdachte.5Tot slotConcluderend stel ik vast dat de samenloop tussen opsporing eninlichtingen een gegeven is in de huidige inrichting van ons bestel,waarvoor de wetgever bewust ruimte heeft gecreëerd en die ruimte zelfsnoodzakelijk acht. Het is in bepaalde gevallen immers onvermijdelijk datzowel de opsporing als de AIVD in het kader van de eigen wettelijke taakonderzoek doet naar dezelfde personen. Dit doet zich niet alleen voor bijonderzoeken naar de dreiging van criminele netwerken tegen de nationaleveiligheid, maar bij nagenoeg alle onderzoeken van de AIVD.Bedreigingen voor de nationale veiligheid zijn immers ook vaak gedra-gingen die strafbaar zijn gesteld.Op basis van de arresten van de Hoge Raad is er voor de strafrechter eenafwegingskader beschikbaar om het recht op een eerlijk proces in hetindividuele geval te toetsen, als er sprake is van AIVD-informatie in hetstrafproces. Ook heeft de rechter mogelijkheden om in te grijpen, mochtdat nodig zijn. Als sluitstuk hebben we het stelsel van toetsing en toezichtop de AIVD en de parlementaire controle, zowel openbaar als geheim.Daarmee voorziet het huidige systeem in voldoende waarborgen om hetrisico op ongewenste neveneffecten van deze samenloop te voorkomen.Het begrip «non-target»Op verschillende plekken in de brief wordt het begrip «non-target»gebruikt door de TIB en de CTIVD. Ik vind het belangrijk om te verduide-lijken dat een non-target een specifieke betekenis heeft vanuit de Wiv2017. Een non-target is iemand die geen target is en waarbij inzet op hetnon-target ertoe kan leiden dat de informatiepositie ten aanzien van eentarget van de AIVD wordt verbeterd.6De TIB en CTIVD stellen in hun brief dat de AIVD alleen bevoegdhedenjegens een non-target zou kunnen inzetten als voldoende gemotiveerd isdat via dat non-target zicht kan worden verkregen op intenties, capaci-teiten en activiteiten van criminele netwerken waar een dreiging vanuitgaat.Dit vereiste vloeit niet voort uit de wet en vindt evenmin steun in dewetsgeschiedenis. De AIVD houdt als uitgangspunt dat een inzet van eenbijzondere bevoegdheid op een non-target alleen geschiedt als deze inzetertoe kan leiden dat de informatiepositie ten aanzien van een target wordtverbeterd. Dit omvat meer dan het zicht krijgen op intenties, capaciteitenen activiteiten.Daarbij blijft leidend dat er voor het target zelf altijd een aanleiding tot eenernstig vermoeden van een dreiging voor de nationale veiligheid moetzijn.NormbeeldonderzoekenMet de normbeeldonderzoeken naar criminele ondermijning wil de AIVDonder meer zicht krijgen op de dreiging tegen de nationale veiligheid dieuitgaat van infiltratie en corruptie bij overheden of bedrijven doorcriminele netwerken. Leidend voor de AIVD is altijd dat onderzoek gedaan5Zie de recente uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en dievan 15 november 2011, ECL:NL:HR:2011:BP75446Kamerstukken II 2016/17, 34 599, nr. 3, p. 128 (MvT).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2705 moet kunnen worden naar activiteiten en intenties van criminelenetwerken die aanleiding geven tot een ernstig vermoeden van eendreiging voor de nationale veiligheid.In hun brief geven de TIB en CTIVD aan het onrechtmatig te vinden dat deAIVD binnen deze normbeeldonderzoeken personen als target aanmerktdie gelet op de motivering geen activiteiten zouden verrichten diedaadwerkelijk aanleiding geven voor het ernstig vermoeden dat dieactiviteiten een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.Uit de gesprekken die ik hierover gevoerd heb met de TIB en CTIVD blijktduidelijk dat er op dit moment een verschil van inzicht bestaat over hoe defeiten gewogen zouden moeten worden. Dat verschil van inzicht manifes-teert zich in de door de TIB afgewezen toestemmingsverzoeken van deAIVD, waarbij de afwijzingsgrond stoelt op het volgens de TIB ontbrekenvan voldoende onderbouwing. De TIB heeft de afgelopen periode eenaantal toestemmingen voor de inzet van bijzondere bevoegdheden in denormbeeldonderzoeken naar criminele ondermijning als niet rechtmatigbeoordeeld. Als de TIB oordeelt dat de toestemming van de Minister vooreen bijzondere bevoegdheid niet rechtmatig is gegeven, mag debevoegdheid niet worden ingezet. De TIB spreekt dan van een onrechtma-tigheidsbeslissing. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld.Deze geconstateerde onrechtmatigheid van de TIB is mijns inziens danook een uiting van een systeem van toetsing en toezicht dat werkt. In mijngesprekken met de TIB en CTIVD is ook uitgesproken dat het hier gaat omeen relatief nieuw onderzoeksveld, waarbij de balans gezocht moetworden tussen enerzijds de bescherming van grondrechten en anderzijdsde wettelijke taak van de AIVD voor het verrichten van onderzoek naar dedreigingen tegen de nationale veiligheid.Het verschil van inzicht heeft wel tot gevolg dat de AIVD minder inlichtin-genmiddelen kan inzetten dan noodzakelijk wordt geacht voor hetnormbeeldonderzoek. Het bereiken van de doelstellingen zal dan ookaanzienlijk meer tijd kosten. De AIVD zal het normbeeldonderzoekvoortzetten, waarbij de CTIVD toezicht kan houden op het rechtmatigoptreden van de AIVD in dit onderzoek.Geheimhouders/verschoningsgerechtigdenTot slot vragen de TIB en CTIVD in hun brief aandacht voor de verwervingen verwerking van vertrouwelijke informatie van geheimhouders/verschoningsgerechtigden. Ik deel het zorgpunt van de TIB en CTIVD dathet te lang onduidelijk is gebleven hoe de AIVD hier mee zou omgaan.Indien de AIVD bij de uitvoering van een bijzondere bevoegdheid stuit opgegevens die betrekking hebben op vertrouwelijke communicatie tusseneen advocaat en diens cliënt, dan moeten die terstond worden vernietigd.Als de verdere verwerking noodzakelijk is voor het onderzoek door deAIVD, dan kan de rechtbank Den Haag daar toestemming voor verlenen,zo bepaalt art. 27, lid 2 Wiv 2017.Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat deze noodzakelijketoestemming bij alle onderzoeksterreinen van de AIVD aan de orde kanzijn en zich niet beperkt tot dit specifieke onderzoek.De Wiv 2017 biedt echter geen uitsluitsel over de vraag of deze vertrouwe-lijkheid tussen advocaat en cliënt kan komen te vervallen op het momentdat ofwel de advocaat ofwel de cliënt tegenover iemand anders (eenderde) aangeeft wat in vertrouwelijkheid is besproken tussen hen beiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2706 De TIB en CTIVD zijn van oordeel dat bij twijfel het uitgangspunt moet zijndat het algemeen verschoningsrecht van toepassing is.7 Naar aanleidingvan dit signaal heeft overleg plaatsgevonden met onder meer deLandsadvocaat en de rechtbank Den Haag.De uitkomst is dat de AIVD als uitgangspunt neemt dat ook in dezegevallen van communicatie met derden een verzoek aan de rechtbank DenHaag zal worden gedaan, als de AIVD dergelijke gegevens moetverwerken. Het interne beleid van de AIVD zal hier op worden aangepast.De verhouding tussen de Wiv 2017 en het algemeen verschoningsrecht zaldaarnaast ook worden meegenomen in het herzieningstraject van de Wiv2017.Tot slotDe AIVD zal in het openbaar jaarverslag 2024 rapporteren over deactiviteiten in dit onderzoek het afgelopen jaar. Dit wordt op korte termijnmet uw Kamer gedeeld. Daarnaast werkt de AIVD aan een open publicatieover de bevindingen van de eerste drie jaar van het onderzoek naar dedreiging vanuit criminele netwerken tegen de nationale veiligheid, ook omeen publiek debat over dit onderzoek te kunnen faciliteren. Het streven isom in het derde kwartaal van 2025 te publiceren. Een dergelijke openpublicatie van de AIVD biedt ook uw Kamer de gelegenheid om kennis tenemen van de eerste inzichten uit het onderzoek van de AIVD.Tot slot wil ik het aanbod doen voor een vertrouwelijke technische briefingop korte termijn voor de vaste Kamercommissies van Binnenlandse Zakenen Justitie en Veiligheid over dit onderzoek en de verhouding tusseninlichtingen en opsporing.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.J.M. Uitermark7Toezichtsrapport 46 inzake de inzet van de afluisterbevoegdheid en van de bevoegdheid tot deselectie van sigint door de AIVD, pag. 8, CTIVD 2016; Toezichtsrapport 52 over de inzet vanbijzondere bevoegdheden jegens advocaten en journalisten door de AIVD en de MIVD, bijlageII, pag. 4, CTIVD 2017.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2707
Documentversies en bestanden
Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.
Historische bestandscontext niet beschikbaar. De gekozen brontekst blijft ongewijzigd.
Bijlagen
Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.
Bij dit hoofddocument
Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Verder bij de Tweede Kamer
Externe officiële informatie