Toezegging gedaan tijdens het commissiedebat civielrechtelijke onderwerpen van 23 oktober 2024, over het faillissementsrecht
Brontekst
Versie 12cf952e137bc3b4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 695FaillissementsrechtNr. 24 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 11 februari 2026Via deze weg informeer ik uw Kamer over twee onderwerpen die rakenaan het faillissementsrecht. Het betreft een schriftelijke reactie op eenartikel over aandeelhoudersleningen en het aanbieden van een advies vande Commissie Insolventierecht over toezicht door de rechter-commissaris.Helaas heeft opvolging van beide onderwerpen langer geduurd danoorspronkelijk voorzien. Reden is dat deze opvolging deel zou uitmakenvan een meeromvattende brief over modernisering en herziening van hetfaillissementsrecht. Gelet op de demissionaire status van het kabinet, achtik het echter opportuun om een dergelijke brief aan het volgende kabinette laten.Wettelijke regeling achterstelling aandeelhoudersleningenTijdens het Commissiedebat civielrechtelijke onderwerpen van 23 oktober2024 heeft mijn ambtsvoorganger aan toenmalig lid van uw Kamer,mevrouw Maatoug, toegezegd schriftelijk te reageren op een artikel vanprof. R.J. de Weijs over aandeelhoudersleningen.1 Bij aandeelhoudersle-ningen gaat het om aandeelhouders die niet (alleen) eigen vermogen,maar (ook) een lening verstrekken. Een aandeelhouder kan hierbij eenzekerheidsrecht bedingen. In dat geval gaat het om een gesecureerdeaandeelhouderslening. Aandeelhouders kunnen zelf beslissen op welkemanier zij een onderneming financieren.2 Die keuze vloeit voort uit hetprivaatrechtelijke uitgangspunt dat eenieder vrij is om zijn eigen rechtspo-sitie vorm te geven. Het is de vraag of er een zwaarwegende redenbestaat om deze vrijheid voor de aandeelhouder (al dan niet als zeker-heidsgerechtigde) te beperken.1Zie ook het verslag van het commissiedebat (Civielrechtelijke onderwerpen | Tweede Kamer derStaten-Generaal). Zie voor het artikel: R.J. de Weijs, «Aandeelhouders weer als «uiteindelijkerisicodragers»? De weging van argumenten voor en tegen achterstelling van aandeelhouders-leningen in faillissement», TvI 2023/6.2Zeker in het flexibele BV-recht. Zie Kamerstukken II 2006–2007, 31 058, nr. 3, p. 26–28. kst-33695-24ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 695, nr. 241 In het voornoemde artikel pleit De Weijs voor een dergelijke beperking, inde vorm van een wettelijke achterstelling van aandeelhoudersleningen. Bijde argumenten vóór een dergelijke regeling speelt de positie van deaandeelhouder in faillissement een belangrijke rol. Als verstrekker vaneigen vermogen zal een aandeelhouder zelden een vergoeding ontvangenvoor het waardeverlies van zijn aandelen. Bij verstrekking van (met namegesecureerde) leningen kan de positie van de aandeelhouder sterker zijn.Hij kan het onderpand dan uitwinnen om uit de opbrengst met voorrangde nog uitstaande lening voldaan te krijgen. Deze sterkere positie hangt infeite samen met de hoedanigheid van aandeelhouder als zekerheidsge-rechtigde.Het genoemde artikel bespreekt diverse argumenten voor een wettelijkeregeling van aandeelhoudersleningen. Daarbij wordt onder meerbeargumenteerd dat in het faillissement zowel de verdeling (onder de(gesecureerde) aandeelhouder als schuldeiser en andere (zwakkere)schuldeisers) als de governance (bijvoorbeeld de verhouding tussencurator en aandeelhouder) verstoord raken door het bestaan vanaandeelhoudersleningen. De (gesecureerde) aandeelhoudersleningenzouden het insolventierisico vergroten. Aandeelhouders met een sterkerepositie in faillissement zijn bereid meer risico te nemen. Onder meerschuldeisers die hun eigen positie niet kunnen aanpassen en werknemerskunnen echter lijden onder de situatie waarin een faillissement eenaantrekkelijke optie wordt voor een aandeelhouder. Het ondernemers-risico van de aandeelhouder zou daarmee in feite kunnen wordenafgewenteld op de schuldeisers.Daar waar voorstanders van een wettelijke regeling beargumenteren datgewaakt moet worden voor te opportunistisch handelen door aandeel-houders, wordt anderzijds door tegenstanders gewaarschuwd voorterughoudendheid wanneer een reddingsoperatie nog mogelijk is.Aandeelhoudersleningen zijn een flexibel financieringsinstrument. Tegeneen wettelijke achterstelling pleit dat een dergelijke regeling reddingspo-gingen door aandeelhouders kan ontmoedigen. Uit eerder verrichtWODC-onderzoek blijkt dat er in Duitsland en Oostenrijk, landen metwettelijke achterstellingsregelingen, tijdens de COVID-19 pandemie redenwerd gezien om op punten van deze regeling af te wijken om efficiëntereddingspogingen te stimuleren. Uit ditzelfde onderzoek blijkt dat debuitenlandse regelingen technisch en complex zijn.3 Ook voor deinvoering van een dergelijke regeling in de Nederlandse wet voorzie ikeen complexe wetgevingsoperatie, die op gespannen voet zou staan methet streven de regeldruk te verminderen.4Hoewel voorstanders van een wettelijke regeling hebben gewezen openkele grote faillissementen waarin (gesecureerde) aandeelhoudersaanzienlijke uitkeringen op hun vorderingen ontvingen, bestaat er geenbeeld dat de faillissementspraktijk veelvuldig te maken krijgt metfaillissementen waarin dergelijke problematiek speelt.5 Voor gevallenwaarin dit wel zo is, bestaan in het Nederlands recht andere mogelijk-heden om benadeling van schuldeisers aan te pakken, zoals de onrecht-matige daadsactie en de faillissementspauliana (op grond waarvanrechtshandelingen – zoals de vestiging van zekerheidsrechten – kunnenworden vernietigd). Deze acties kennen open normen, die de rechter deruimte bieden om achteraf vast te stellen of bijvoorbeeld een reddings-3Zie het WODC-rapport «De positie van concurrente schuldeisers in faillissement» uit 2021,p. 46–48 en p. 52–56.4Zie de brief van de Minister van Economische Zaken over ondernemingsklimaat w.o. nieuweaanpak regeldruk voor ondernemers (Kamerstuk 32 637, nr. 706).5Deze indruk werd gedeeld door de commissie insolventierecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 695, nr. 242 poging in de rede lag. Bij de invulling van deze open normen zie ik enkelerelevante Europese ontwikkelingen, die van invloed zullen zijn op hettoepassingskader.6Hoewel ook ik meen dat er aandacht uit moet gaan naar een juiste balanstussen betrokkenen bij een faillissement, waarin ook de aandeelhoudereen rol speelt, acht ik de nadelen van een wettelijke regeling vanaandeelhoudersleningen groter dan de voordelen. Ik zie thans dan ookgeen aanleiding om de positie van aandeelhouders met (gesecureerde)leningen aan te passen.Advies toezicht door de rechter-commissarisVan de gelegenheid van deze brief maak ik ook gebruik om een advies vande Commissie insolventierecht over toezicht door de rechter-commissarisaan uw Kamer aan te bieden. Het advies treft u in de bijlage bij deze brief.Een reactie op dit advies laat ik aan een volgend kabinet.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. Rutte6Daarbij kan gedacht worden aan de richtlijn harmonisatie van bepaalde aspecten van hetinsolventierecht, waar recent een politiek akkoord over is bereikt. De richtlijn bevat zowel eennieuw juridisch kader voor de faillissementspauliana als nieuwe regels die het belang van degezamenlijke schuldeisers vooropstellen bij het handelen van bestuurders die bekend rakenmet de insolventie van de onderneming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 695, nr. 243
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.