Eerste voortgang modernisering vorderingenbeleid
Brontekst
Versie d84ec25bfabb9e35 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202617 050Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebiedvan belastingen, sociale zekerheid en subsidiesNr. 615 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE-GENHEID EN VAN WERK EN PARTICIPATIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 7 juli 2026Met de sociale zekerheid wordt gestreefd naar sociale rechtvaardigheid.Daarbij wordt ingezet op de volledige benutting van de potentie vanmensen op de arbeidsmarkt en in de samenleving, en het bieden vanondersteuning hierbij wanneer dat nodig is. Waar betaald werken niet(meer) mogelijk of passend is, voorziet SZW in de bestaanszekerheid voormensen via socialezekerheidsregelingen. De rol van de overheid in desociale zekerheid is om deze bestaanszekerheid en inkomensonder-steuning te waarborgen. Dit doen we met wetgeving en de uitvoeringdaarvan, met oog voor de menselijke maat. Ook mensgerichte dienstver-lening en passende handhaving, waarbij vertrouwen als uitgangspuntwordt genomen, horen bij deze waarborgen. Het schept de voorwaardenvoor burgers om gestalte te kunnen geven aan hun leven1.Er worden soms fouten gemaakt in de uitvoering van sociale zekerheid.Het herstellen van de rechtmatige situatie is dan belangrijk. Dat betekentdat mensen die een te hoog bedrag aan uitkering hebben ontvangen, ditin principe moeten terugbetalen. Mensen die een te laag bedrag hebbenontvangen, krijgen dit over het algemeen alsnog uitbetaald. De rechtma-tigheid van uitkeringen bewaken door middel van terugvorderingen ennabetalingen is essentieel voor het maatschappelijk draagvlak. Ook draagtdit bij aan de betaalbaarheid en houdbaarheid van het stelsel van socialezekerheid.In de Kamerbrief van 29 september 20252 over de kabinetsreactie en deaanbieding van het onderzoeksrapport «Effecten van het terugvorderings-beleid» is een modernisering van het vorderingenbeleid aangekondigd.Hierbij wordt gestreefd naar een evenredig vorderingenbeleid. Graaginformeren wij u met deze brief over de voortgang van de trajecten die1SZW Meerjarige handhavingskoers 2026–20292Kamerstukken II, 2025/26, 17 050, nr. 612. kst-17050-615ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 17 050, nr. 6151 onderdeel zijn van de modernisering van het vorderingenbeleid. Ditbetreft het wetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleid, de Regelingterugvordering geringe bedragen en de pilot bruto/netto problematiek.Het wetsvoorstel dat wordt voorbereid heeft als doel om een wettelijkkader te bieden voor het herzien en nabetalen van uitkeringen bij eigenfouten van de uitkeringsinstantie, een oplossing voor ongewensteketeneffecten door bepaalde nabetalingen en een verduidelijking van hetwettelijk kader van vorderingen op erfgenamen. Daarnaast doen wij detoezegging aan het lid Neijenhuis3 gestand om voor de zomer terug tekomen op het standaardiseren van een vergoedingsregeling en ketenef-fecten daarbij mee te nemen.Wetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleidMet het wetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleid dat wordtvoorbereid, worden zowel op het gebied van herziening en nabetaling alsop het gebied van terugvorderingen wijzigingen doorgevoerd. Hieronderzijn de belangrijkste onderwerpen waarop wijzigingen in het wetsvoorstelvoorzien zijn, uiteengezet.Een wettelijk kader voor het nabetalen van uitkeringen bij eigen foutenvan de uitkeringsinstantieIndien een uitkeringsinstantie vaststelt dat een betrokkene onterecht geenof te weinig uitkering heeft ontvangen, herziet zij de uitkering altijd voorde toekomst en in de regel ook met terugwerkende kracht. Uitkeringsin-stanties zijn echter niet altijd wettelijk gebonden om een uitkering metterugwerkende kracht te herzien en een nabetaling te verstrekken. Eén vande beginselen van behoorlijk bestuur is dat de overheid in haar beleidmoet streven om mensen in vergelijkbare situaties gelijk te behandelen.Het wetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleid beoogt hieraan bij tedragen door te bezien hoe wettelijk geregeld kan worden dat herzien ennabetaald wordt in gevallen waar de uitkeringsinstantie een fout heeftgemaakt.De overheid gaat uit van vertrouwen en dienstverlening met de mense-lijke maat en zal met het wetsvoorstel meer duidelijkheid en rechtsze-kerheid faciliteren in dit proces. Door een wettelijk kader te bieden voorherziening en nabetaling bij fouten van de uitkeringsinstantie zelf, kunnenonduidelijkheid en willekeur in het beleid rondom nabetalen wordenvoorkomen.Oplossing keteneffecten door nabetalingenAls een uitkeringsinstantie een beschikking met betrekking tot eenuitkering herziet en een nabetaling verstrekt, kan deze nabetaling nadeligegevolgen hebben voor het recht op en de hoogte van andere inkomensaf-hankelijke regelingen die de betrokkene ontvangt (zogenoemde «ketenef-fecten»). Dit betekent voor mensen bijvoorbeeld dat zij door de nabetalingminder of geen recht op toeslagen hebben of te maken krijgen met hogereinkomensafhankelijke eigen bijdrages. Keteneffecten kunnen optredenwanneer nabetalingen betrekking hebben op één of meerdere voorgaandekalenderjaren. Dit komt doordat er door een nabetaling een ongewoneverhoging van het inkomen ontstaat in het jaar waarin de nabetalingwordt ontvangen (het zogenoemde «piekinkomen»). Dit piekinkomen ishet toetsingsinkomen dat gebruikt wordt om het recht op en de hoogtevan inkomensafhankelijke regelingen vast te stellen. Mensen kunnendaardoor financieel (veel) minder overhouden dan waar zij recht op3Kamerstukken II, 2025/26, 26 448, nr. 867.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 17 050, nr. 6152 hadden gehad als de uitkering wel direct goed was vastgesteld. Ditknelpunt is eerder beschreven in de Kamerbrief van 11 juli 20254 over deHervormingsagenda inkomensondersteuning.Om keteneffecten zoveel mogelijk te voorkomen, wordt een voorsteluitgewerkt om bepaalde nabetalingen van uitkeringen uit te zonderen vanhet toetsingsinkomen. Er zijn middelen vrijgemaakt voor zowel destructurele kosten als de implementatiekosten van de beoogde oplossingvoor keteneffecten door nabetalingen. Deze kosten worden gezamenlijkgedekt door SZW, BZK en VWS.Door de voorgenomen wijziging om bepaalde nabetalingen van uitke-ringen uit te zonderen van het toetsingsinkomen, worden keteneffectenvan nabetalingen structureel opgelost. Hierdoor leiden nabetalingenvolgend uit fouten van de uitkeringsinstantie niet langer tot keteneffectenen hebben zij dus ook geen nadelige gevolgen meer voor de betrokkene.Daarmee wordt voorkomen dat in dit soort gevallen een incidenteleoplossing moet worden gerealiseerd.Verduidelijking van het wettelijk kader van vorderingen op erfgenamenIn het kader van het wetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleid wordtook gekeken naar de wijze waarop wordt omgegaan met het terugvor-deren van en nabetalen aan erfgenamen van overleden uitkeringsgerech-tigden.TerugvorderingenDe mogelijkheden voor een uitkeringsinstantie om uitkeringsschulden nahet overlijden van een uitkeringsgerechtigde te verhalen, wordengereguleerd door zowel het algemene erfrecht uit Boek 4 van hetBurgerlijk Wetboek (BW) als bepaalde bepalingen binnen de socialezeker-heidswetten.Binnen deze socialezekerheidswetten wordt echter verschillend omgegaanmet het terugvorderen van schulden na overlijden. Sommige socialezeker-heidswetten bevatten een juridische bepaling betreffende het terugvor-deren van schulden in een dergelijke situatie, andere wetten bevattengeen juridische bepaling hieromtrent. Daarnaast is vastgesteld datuitkeringsinstanties tegen verschillende uitvoeringsproblemen aanlopenbij het verhalen van schulden na het overlijden van de betrokkene. Dezeknelpunten stroken niet met de politieke en maatschappelijke wens omhet socialezekerheidsstelsel te vereenvoudigen en dragen niet bij aan debegrijpelijkheid en duidelijkheid van het stelsel vanuit zowel burger- alsuitvoeringsperspectief.Gelet op het voorgaande wordt in het kader van het wetsvoorstelModernisering vorderingenbeleid onderzocht op welke wijze het wettelijkkader geüniformeerd en vereenvoudigd kan worden.NabetalingenUitkeringen zijn bedoeld om de persoon die recht heeft op de uitkering tevoorzien van inkomensondersteuning. Een uitkering eindigt dan ook bijoverlijden van de betrokkene. Uit diverse bepalingen in de socialezeker-heidswetten en de toelichting daarbij blijkt dat het niet de bedoeling vande wetgever is geweest om uitkeringen en daarmee nabetalingen bij4Kamerstukken II, 2024/25, 26 448, nr. 849.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 17 050, nr. 6153 anderen dan de betrokkene zelf terecht te laten komen5. De socialezeker-heidswetten expliciteren echter niet dat niet nabetaald wordt aan eenerfgenaam. Gebleken is dat hierdoor in de praktijk onduidelijkheid isontstaan of een nabetaling verstrekt mag worden aan een erfgenaam. Wijzijn daarom voornemens middels het wetsvoorstel Moderniseringvorderingenbeleid te verduidelijken dat in het geval van te laag verstrekteuitkeringen in beginsel niet nabetaald wordt aan erfgenamen.Regeling terugvordering geringe bedragenIn het kader van de modernisering van het vorderingenbeleid is inseptember 2025 de evaluatie van de Regeling terugvordering geringebedragen aangekondigd in de Kamerbrief «Kabinetsreactie en aanbiedingonderzoeksrapport «Effecten van het terugvorderingsbeleid»6. DeRegeling terugvordering geringe bedragen geeft uitkeringsinstanties debevoegdheid om af te zien van verplichte terugvordering, mits het terug tevorderen bedrag een door de Minister vastgesteld maximumbedrag nietoverschrijdt. In 1997 werd dit maximumbedrag vastgesteld op 250 guldenper kalenderjaar. Bij de invoering van de euro is het grensbedrag in 2002louter technisch omgezet naar € 113, zonder aanvullende beleidsmatigeheroverweging. Dit bedrag is sindsdien ongewijzigd gebleven. In het lichthiervan, en ter bevordering van een doelmatige uitvoering en eenduidelijker stelsel voor burgers, is een aanpassing van de regelingwenselijk. Concreet worden twee aanpassingen onderzocht.Allereerst wordt verkend of het wenselijk is om de gestelde voorwaarde«op jaarbasis» in de huidige regeling te laten vervallen. De huidige wetgaat uit van een systematiek waarbij vorderingen per kalenderjaar wordenvastgesteld en kwijtgescholden. Dit betekent dat het totale bedrag aanvorderingen binnen één kalenderjaar onder de grens van € 113 moetblijven om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. In de uitvoeringleidt dit tot knelpunten, omdat vooraf niet duidelijk is of later in hetzelfdekalenderjaar nog aanvullende vorderingen zullen ontstaan. Hierdoorblijven vorderingen langer openstaan en wordt efficiënte, geautomati-seerde verwerking bemoeilijkt. Door het criterium «op jaarbasis» te latenvervallen, wordt het proces aanzienlijk vereenvoudigd. Vorderingen ondereen bepaald bedrag kunnen dan direct worden kwijtgescholden, zonderrekening te hoeven houden met mogelijke latere vorderingen. Debeoordeling vindt daarmee niet langer per kalenderjaar, maar perafzonderlijke vordering plaats.Indien wordt besloten de voorwaarde «op jaarbasis» te laten vervallen,dan is het noodzakelijk om het vastgestelde drempelbedrag van € 113 inde regeling te heroverwegen, omdat dit bedrag is afgestemd op eenjaarlijkse beoordelingssystematiek. Welk bedrag hiervoor gekozen moetworden, wordt nog onderzocht. Dit komt de duidelijkheid en begrijpe-lijkheid van het stelsel voor de burger ten goede.Pilot bruto/netto problematiekIn de Kamerbrief van 29 september 20257 werd de Kamer ook geïnfor-meerd over de praktische invulling van het kabinet om terug te vorderenter hoogte van het nettobedrag. Het knelpunt ontstaat doordat uitkeringenna afdracht van loonheffing netto worden uitbetaald aan de burger. Als er5Zie bijvoorbeeld de bepalingen in de socialezekerheidswetten inzake de onvervreemdbaarheidvan het recht op uitkering (onder andere artikel 80 WIA, artikel 46 Participatiewet en artikel 26AOW).6Kamerstukken II, 2025/26, 17 050, nr. 612, p. 4.7Kamerstukken II, 2025/26, 17 050, nr. 612.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 17 050, nr. 6154 te veel is uitgekeerd, wordt echter bruto teruggevorderd zodra eenterugvordering de jaargrens passeert. Het verschil, de loonheffing, heeftde betrokkene niet op zijn rekening ontvangen. Meestal krijgen menseneen vergelijkbaar bedrag terug nadat de terugbetaling wordt opgegevenals negatief inkomen bij de aangifte inkomstenbelasting. Dit vindenmensen complex, zij moeten soms lang wachten tot teruggave en zijkrijgen niet altijd een even hoog bedrag terug. In 2022 ging het om zo’n50.000 terugvorderingen, veruit het grootste deel bij UWV. De hogeaantallen bij UWV komen door de relatief hoge uitkeringen en hettijdelijke karakter ervan.Doordat deze problematiek vooral bij UWV voorkomt, was het voornemenom bij UWV een pilot uit te voeren om vorderingen te matigen met dehoogte van de loonheffing. Daarnaast werd een structurele oplossingverkend. Bij de voorjaarsbesluitvorming 2026 zijn de incidentele middelenvoor de pilot vanwege noodzakelijke budgettaire afwegingen andersbestemd. Hierdoor kan de pilot niet doorgaan. Op de korte termijnbetekent dit dat niet verder gewerkt wordt aan dit onderwerp. Hetknelpunt blijft wel op de Hervormingsagenda inkomensondersteuning. Deoverheidsbrede inspanningen op vorderingen en schulden8 verkleinenmogelijk de omvang van de problematiek rond bruto vorderingen. Overeen paar jaar wordt daarom bezien wat dan de omvang en ernst van deproblematiek is.AfsluitendMet de modernisering van het vorderingenbeleid wordt gestreefd naareen evenredig vorderingenbeleid. Een evenredig vorderingenbeleid houdtrekening met de verschillende belangen en effecten van dit beleid. Zo sluithet vorderingenbeleid beter aan op de veranderde visie op vorderingensinds de toeslagenaffaire. Waarbij belang wordt gehecht aan het feit datmensen krijgen waar zij recht op hebben, maar ook oog is voor depersoonlijke omstandigheden van betrokkenen.Het streven is om de modernisering te realiseren middels hetwetsvoorstel Modernisering vorderingenbeleid en de wijziging van deRegeling terugvordering geringe bedragen. Het wetsvoorstel en deregeling zullen nader worden uitgewerkt. Momenteel vinden gesprekkenplaats met de uitvoering. Verder streven we naar internetconsultatie enuitvoeringstoetsen in de tweede helft van 2026. Burgers worden specifiekgeconsulteerd in de vorm van een onderzoek dat gepland staat voor hetnajaar. In een volgende voortgangsbrief wordt uw Kamer in de eerste helftvan 2027 geïnformeerd over de verdere uitwerking van het wetsvoorstelen de regeling, de uitkomsten van de internetconsultatie en de uitvoe-ringstoetsen en de resultaten van het onderzoek.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. VijlbriefDe Minister van Werk en Participatie,A.A. Aartsen8Kamerstukken II, dossier 36 785.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 17 050, nr. 6155
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.