KamerkringInloggen
Kamerbrief

Maatregelen in de landbouw vanwege de droogte

26 aug 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7ccc0fcd94995723 · officiële bron

28625 Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 27625 Waterbeleid Nr. 385 Brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 26 augustus 2026 De aanhoudende droogte zorgt voor problemen op het boerenerf. Ik besef dat deze weersomstandigheden de agrarische praktijk bemoeilijken. Met deze Kamerbrief neem ik een aantal maatregelen naar aanleiding van de droogte, te weten: Uitrijperiode dierlijke mest op grasland; Maatregelen GLB en/of eco-regeling Minimaal bedekken van de bodem Vroeg rooigewassen van het land te halen 1. Uitrijperiode dierlijke mest Naar aanleiding van de langdurige droogte hebben verschillende sectororganisaties mij gevraagd dit jaar de uitrijdperiode voor dierlijke mest op grasland te verlengen. Ook heeft het lid Van der Plas in Kamervragen van 5 augustus 2026 over de gevolgen van de droogte voor het uitrijden van mest (kenmerk 2026Z16690), hiertoe verzocht[voetnoot 1]. In de beantwoording van de Kamervragen heb ik aangegeven een advies te vragen aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) over de mogelijkheden en impact van de verlenging van de uitrijddatum voor dierlijke drijfmest op grasland[voetnoot 2]. De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bewerkstelligen. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden biedt de regelgeving de mogelijkheid om hiervan af te wijken, indien hiertoe een landbouwkundige noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn (voor waterkwaliteit en andere emissies). Ik heb daarom de CDM op 12 augustus gevraagd een analyse uit te voeren naar de landbouwkundige noodzaak en milieukundige effecten van een eventuele verlenging van de uitrijddatum van dierlijke mest op grasland. De CDM heeft op mijn verzoek gekeken naar het effect van droogte op de uit- en afspoeling van nutriënten naar het grond- en oppervlaktewater. Ook is gekeken naar het effect van een verlenging van de uitrijddatum op andere milieuaspecten (ammoniak- en lachgasemissies naar de lucht). Tenslotte is een beoordeling gemaakt van de landbouwkundige noodzaak voor een mogelijke verlenging van de uitrijddatum, daarbij is ook een beoordeling gemaakt van de verwachte aanwezigheid van nutriënten in de bodem en de mogelijke nawerking hiervan die invloed kan hebben op de uit- en afspoeling van nutriënten. Advies CDM Op 24 augustus jl. heeft de CDM haar advies opgeleverd (zie bijlage). De CDM geeft aan dat de zomer van 2026 wordt gekenmerkt door uitzonderlijke droogte. Het neerslagtekort behoort tot de hoogste ooit gemeten en is vergelijkbaar met dat van 2018. De droogte heeft geleid tot sterk verminderde grasgroei, opbrengstverliezen en droogtestress op grasland, met name in Zeeland, West-Brabant, Limburg, Texel en delen van de Achterhoek. Door de aanhoudende droogte in juli en in de eerste helft augustus zijn één à twee grassnedes verloren gegaan en de verwachting is ook dat de maïsoogst dit jaar aanzienlijk lager zal uitvallen. Veel melkveehouders zullen daarom streven naar een zo hoog mogelijke opbrengst en kwaliteit van de laatste grassnede (september tot begin oktober) om voldoende ruwvoer voor de komende periode te produceren. Het toedienen van dierlijke mest aan een nog niet herstelde graszode kan leiden tot schade aan zode en leiden tot een lagere opbrengst. Wanneer de mogelijkheid tot het uitrijden van dierlijke mest wordt verruimd tot half september, kan de stikstof uit mest beter worden benut door een herstelde graszode. Vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig perspectief verdient dit de voorkeur boven een versnelde toediening eind augustus. Indien de uitrijdperiode niet verlengd wordt, zal in de resterende dagen van augustus de resterende hoeveelheid dierlijke mest uitgereden kunnen worden. Het uitrijden van (veel) mest op verdroogde grond brengt echter risico’s voor uit- en afspoeling met zich mee, terwijl een verlenging van de uitrijdperiodes voor dierlijke mest op grasland tot half september niet leidt tot een betekenisvolle toename van de uit- en afspoeling van nitraat ten opzichte van de reguliere uitrijdperiode. Besluit In lijn met het advies van de CDM besluit ik daarom vanwege extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak en vanuit een milieukundig perspectief, om de uitrijdperiode voor dierlijke mest op grasland te verruimen. Dit betekent dat de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland op alle grondsoortregio’s wordt verlengd tot en met 15 september aanstaande. De uitrijdperiode voor vaste dierlijke mest op graslandpercelen gelegen op zand- en lössgronden wordt ook verlengd naar 15 september van dit jaar. Het besluit tot verlenging van bovengenoemde uitrijdperiodes zal zo snel mogelijk bekend worden gemaakt in de Staatscourant. Gelet op het regelmatiger voorkomen van extreme weersomstandigheden, zoals droge of natte periodes, wordt klimaatadaptief handelen en daarmee het weerbaarder maken van agrarische bedrijfsvoering voor extreme weersomstandigheden steeds belangrijker, iets waarop ook wordt ingezet in de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). 2. Maatregelen GLB en/of eco-regeling Door de weersomstandigheden en het watergebruik kunnen boeren de inspanning voor enkele voorwaarden binnen de eco-regelingen nu niet voltooien. Het is namelijk in veel gevallen niet uitvoerbaar om de bedekkingsgraad van de bodem te handhaven. Op verschillende plekken in het land is de onttrekking van grond- en oppervlaktewater niet toegestaan of beperkt. Besluit De Europese GLB-verordeningen bieden ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Ik heb daarom ook besloten om overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling: Voor de conditionaliteiten wordt overmacht toegekend voor twee voorwaarden met betrekking tot minimale bodembedekking. Voor de eco-regeling vallen onder overmacht de minimale zichtbare bedekking voor eco-activiteiten groene braak en onderzaai vanggewas. Voor de eco-activiteit ‘vroeg ras rooigewas’ wordt de uiterste rooidatum van 1 september gelijkgesteld met de huidige uiterlijke inzaaidatum van vanggewassen op zand of lössgrond van 1 oktober. Uitwerking Als gevolg van de overmacht zullen deze voorwaarden, ongeacht wat er naar voren komt bij een eventuele controle, als voldaan worden beschouwd. Voor de conditionaliteitsvoorwaarden gaat het om de goede landbouw en milieuconditie 6 (GLMC) Minimale bodembedekking en de onderdelen daarbinnen die een minimale bodembedekking voorschrijven van 80 procent. In de zomer voor percelen die uit productie zijn gehaald en voor kleigronden de minimale periode voor de herfst bedekking die begint vanaf 1 augustus Ook bij de eco-activiteit groene braak gaat het om de voorwaarde om een minimale zichtbare bedekking te hebben van 80 procent. Voor de eco-activiteit onderzaai vanggewas gaat het ook om de voorwaarde voor een minimale zichtbare bedekking van 80 procent en de voorwaarde dat deze aanwezig moet zijn direct na de oogst van de hoofdteelt. Onder normale omstandigheden gaat de eco-regeling uit van een resultaatverplichting. Gezien de extreme weersomstandigheden is er een risico om deelnamebereidheid aan de eco-regeling te verliezen, als het in dit geval het volledig wordt gezien als ondernemersrisico. Daarom kies ik ervoor om met de huidige droogte de inspanning wel te vergoeden, om zo ook de deelnamebereidheid aan de eco-regeling niet in het geding te laten komen. Ten slotte Ik acht het namelijk van belang dat het beleid blijft aansluiten op de praktijk. Met deze maatregelen hoop ik daarin de sector onder deze uitzonderlijke omstandigheden tegemoet te komen. De omstandigheden onderstrepen tegelijkertijd het belang van de weerbaarheid van de agrarische bedrijfsvoering tegen extreme weeromstandigheden. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen Kamerstukken 2026Z16690 Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 2666; 2026D36269

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b7133fc6620e270f

14 okt 2026 · efb2c647793da66b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.