KamerkringInloggen
Kamerbrief

Appreciatie twee aangehouden moties (Kamerstuk 33576-531 en Kamerstuk 33576-532) en reactie op verzoek commissie over de wolf

30 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 578de69eaf58f7f7 · officiële bron

Geachte Voorzitter, Op 1 september jl. heeft uw Kamer twee moties ingediend die op mijn verzoek zijn aangehouden. Met deze brief informeer ik u nader over mijn appreciatie van deze moties. Tevens beantwoord ik het verzoek van uw Kamer om een reactie op de brief van Werkgroep Wolf Leusden d.d. 30 augustus 2026 (Kamerstuk II, 2026-2027, 2026Z17519/2026D42546). Motie-Beckerman De motie van het lid Beckerman (Kamerstuk II, 2026/27, 33576, nr. 531) verzoekt de regering onderzoek te laten doen naar de invloed van preventieve maatregelen op de ontwikkeling van het aantal wolven en roedels in Nederland. Zoals ik tijdens het plenaire debat heb aangegeven, is het niet eenvoudig om de effecten van een bepaalde preventieve maatregel op een populatie duidelijk te maken. Hiervoor zijn specifieke gegevens nodig over de toegepaste maatregelen en het causale verband met de wolven in een roedel. Momenteel zijn nagenoeg geen individuele wolven geïdentificeerd, waardoor het in de motie gevraagde onderzoek in de breedte die de motie lijkt te vragen, naar alle waarschijnlijkheid niet goed uitvoerbaar zal blijken. Ik wil mijn inzet op onderzoek daarom op een andere manier vormgeven. In relatie tot de motie zie ik mogelijkheden binnen de verdere ontwikkeling van kennis en expertise in het kader van mijn wolvenbeleid. Daar werk ik aan de oprichting van het onderzoekconsortium “WolfNL”. Hierin zijn de relevante universiteiten en onderzoeksinstellingen op het gebied van wolvenonderzoek bij elkaar gekomen om onderzoek uit te gaan voeren naar het gedrag van wolven in Nederland. Het consortium bereidt een onderzoeksvoorstel voor waarmee kennisvragen die door mijn ministerie en de provincies zijn voorgelegd, zullen worden beantwoord. Het onderzoek zal met name bestaan uit zenderonderzoek. Ik verwacht dat het consortium begin 2027 van start kan gaan. Door Wageningen Environmental Research wordt momenteel een protocol opgesteld dat als basis kan dienen voor de onderbouwing van zenderonderzoeken door het consortium. Ik zal mij ervoor inzetten dat dit onderzoek ook informatie gaat opleveren over de effecten van preventieve maatregelen. Ik verzoek uw Kamer in te stemmen met de in het voorgaande beschreven invulling van de motie. Motie-Flach c.s. De motie van het lid Flach c.s. (Kamerstuk II, 2026/27, 33576, nr. 532) verzoekt de regering het Besluit bescherming wolf en goudjakhals (amvb) in overleg met provincies zo aan te passen dat de opgestelde criteria voor de aanwijzing van probleemwolven en -situaties een niet-limitatief karakter krijgen, zodat provincies meer afwegingsruimte hebben. Allereerst wijs ik erop dat die afwegingsruimte van het bevoegd gezag met deze amvb niet is ingeperkt. De in de amvb opgenomen mogelijkheden voor het verlenen van een vergunning voor het doden of vangen van een wolf zijn namelijk aanvullende mogelijkheden in de instrumentenkoffer van het bevoegd gezag die het kan toepassen bij de vergunningverlening. Artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de reguliere regels voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De nieuwe specifieke beoordelingsregels die de amvb met artikel 8.74la Bkl biedt, zijn gekoppeld aan het wettelijk bewijsvermoeden. Dat houdt in dat als sprake is van de in de amvb omschreven situatie, in beginsel wordt vermoed dat aan twee vereisten is voldaan, namelijk dat er geen sprake is van alternatieven en dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Bij de vergunningverlening hoeft dan alleen nog te worden gemotiveerd dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Dit kan de vergunningverlening versnellen. Dat sprake is van een bewijsvermoeden betekent ook dat het bevoegd gezag in een concreet geval een nadere afweging kan maken en dat ruimte blijft behouden voor tegenbewijs en om af te wijken van dit wettelijk vermoeden. Als er reden is van het wettelijk bewijsvermoeden af te wijken, of als de betreffende situatie niet voldoet aan de in de definitie omschreven situatie, kan het bevoegd gezag ook tot reguliere vergunningverlening overgaan met toepassing van de reguliere beoordelingsregels uit artikel 8.74l van het Bkl. Er is bij de toepassing van de reguliere beoordelingsregels geen sprake van gebondenheid aan de limitatief omschreven situaties waarvoor een beroep kan worden gedaan op het wettelijke bewijsvermoeden. Dat houd ook in dat als het dus niet zo’n situatie als bedoeld in de amvb is, geen beroep kan worden gedaan op het wettelijke bewijsvermoeden, dan moet dus wel worden onderbouwd dat het doden of vangen van de betrokken probleemwolf noodzakelijk is in het licht van een van de genoemde rechtvaardigingsgronden en dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn. Daarbij kunnen de provincies hun kaders en definities en interventierichtlijnen blijven hanteren, zoals opgenomen in het provinciaal Wolvenplan 2025. Bovenstaande is ook in de nota van toelichting bij de amvb benadrukt, om tegemoet te komen aan zorgen van de provincies dat zij beperkt zouden worden in hun mogelijkheden. In het eerste advies over het ontwerpbesluit heeft de Raad van State indringend aangegeven dat de specifieke beoordelingsregels die waren gekoppeld aan het bewijsvermoeden te ruim waren. De Raad van State adviseerde daarom de beoordelingsregels tot die situaties te beperken. In het advies over het gewijzigde ontwerpbesluit heeft de Raad van State opgemerkt dat de door mij aangepaste reikwijdte van de definities het risico verkleint dat geoordeeld kan worden dat sprake is van strijdigheid met de Habitatrichtlijn. Het geven van een niet-limitatief karakter aan de opsomming van situaties waarvoor het bewijsvermoeden geldt, zoals in de motie wordt voorgesteld, staat haaks op het advies van de Raad van State en brengt een reëel risico met zich dat de avmb in een juridische procedure geheel of gedeeltelijk onverbindend wordt verklaard. Mijn inzet is juist om zoveel mogelijk juridische zekerheid te bieden wanneer moet worden opgetreden tegen probleemwolven. Op 22 september jl. is bovenstaande opnieuw ambtelijk met de provincies besproken. In dit gesprek is nogmaals de steun van mijn ministerie aangeboden bij vergunningverlening en eventuele juridische procedures naar aanleiding van de amvb. Tevens is in antwoord op vragen van de provincies aangegeven dat met artikel 8.74lb, eerste lid, van het Bkl – dat o.a. betrekking heeft op de identificatie van de individuele wolf – enkel is beoogd een aanvullende regel te stellen voor het geval toepassing wordt gegeven aan de specifieke regels met betrekking tot het bewijsvermoeden van artikel 8.74la van het Bkl. Dit volgt uit de context en de nota van toelichting (Stb. 2026, 186; blz. 5, 6, 19 en 22). Gezien de in het voorgaande beschreven verstrekkende juridische onzekerheid die ontstaat door het in de motie gevraagde, verzoek ik uw Kamer om deze motie niet in stemming te brengen. Brief Werkgroep Wolf Leusden In de brief van de Werkgroep Wolf Leusden wordt verzocht om een reactie op de brief van 21 mei 2026 onder kenmerk 2026Z09907/2026D23751 en een reactie op de beantwoording van de vragen van het lid Ten Hove over het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam (Kamerstuk II 2025-2026, 2026Z16412). In mijn recente brief aan uw Kamer over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025-2026, 33576, nr. 519) heb ik mijn reactie gegeven op de genoemde brief van de werkgroep. De beantwoording van de vragen van het lid ten Hove heb ik gebaseerd op de mij beschikbare informatie en op mijn beleid zoals ik dat met uw Kamer heb gedeeld. Dat de Werkgroep Wolf Leusden een andere mening is toegedaan, leidt voor mij niet tot een aanpassing van mijn beantwoording. Hoogachtend, Silvio P.A. Erkens Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Pagina 1 van 3 Pagina 1 van 1 Directoraat-generaal Natuur en Visserij DGNV / 108296610 Directoraat-generaal Natuur en Visserij Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001858272854000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/lvvn Ons kenmerk DGNV / 108296610 > Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD  DEN HAAG Datum 30 september 2026 Betreft Appreciatie twee aangehouden moties over de wolf

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1d3be489df21bc34

16 okt 2026 · 4d5ed52be3fdeca1

14 okt 2026 · aa6fdaa9a9b98630

13 okt 2026 · 5a146d6e90b7566e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.