Vervolg ruimtelijke samenhang windparken en mijnbouwactiviteiten op zee
Brontekst
Versie 49507eac19d8ba54 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202634 682Nationale Omgevingsvisie33 561Structuurvisie Windenergie op Zee (SV WoZ)32 849MijnbouwNr. 255 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 juli 2026De elektrificatie van het Nederlandse energiesysteem, en de verduur-zaming daarvan, is een van de speerpunten van dit kabinet. Tegelijkertijdis ook de leveringszekerheid van aardgas de komende decennia cruciaal.De Nederlandse Noordzee speelt een belangrijke rol in beide opgaven.Hier zal de ambitie voor windenergie op zee worden gerealiseerd, terwijlhet ook de aardgasvoorraden heeft waarmee Nederland zijn importafhan-kelijkheid kan beperken. Het inpassen van windparken en mijnbouwactivi-teiten op de Noordzee kent uitdagingen. In deze brief wordt ingegaan opde maatwerkaanpak-ontwikkelingen van de afgelopen jaren, de voorge-nomen wijzigingen van het juridisch instrumentarium die nodig zijn omregie te kunnen voeren op de gecombineerde ontwikkeling van windener-gielocaties en mijnbouwactiviteiten en de ontwikkelingen ten aanzien vanvliegprocedures om met minder ruimtegebruik veilig naar platforms tekunnen blijven vliegen. Met de gekozen oplossingsrichtingen wordt hetbeter mogelijk om op de Noordzee de uitrol van windenergie op zee, deversnelling van de gaswinning, en de ontwikkeling van ondergrondseopslag van CO2 zo optimaal mogelijk ruimtelijk vorm te geven.U bent in de Kamerbrief van 17 mei 20231 geïnformeerd over de toene-mende ruimtelijke uitdagingen op de Noordzee als gevolg van de uitrolvan windparken enerzijds en de aanwezige en toekomstige mijnbouwacti-viteiten anderzijds. Daarbij werd geconstateerd dat het huidige wettelijkinstrumentarium onvoldoende mogelijkheden biedt om deze belangentijdig tegen elkaar af te wegen en om zo regie te kunnen voeren opoptimaal ruimtegebruik. In diezelfde brief werd daarom: 1) een aanvullingop het juridische instrumentarium en 2) onderzoek naar ruimtebespa-rende manieren van vliegen van en naar mijnbouwinstallaties op zeeaangekondigd. Sindsdien is de ruimtelijke druk op de Noordzee verdertoegenomen, onder andere als gevolg van opgaven voor defensie, natuur1Kamerstukken II 2023/24, 34 682, nr. 161. kst-34682-255ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 682, nr. 2551 en een Europese verplichting2 voor de realisatie van CO2-opslagcapaciteit.Dit onderstreept dat tijdiger regie en het kunnen voorschrijven vanruimtebesparende (vlieg)technieken nodig zijn.Uitdagingen voor het inpassen van windparken op zee enmijnbouwactiviteitenWanneer activiteiten van nationaal belang stapelen in hetzelfde gebied,zoals windenergie en mijnbouw, is gecombineerd en ruimte-efficiëntgebruik het uitgangspunt. De afweging tussen windenergie en andere(nationale) belangen vindt als eerste plaats op planniveau wanneerwindenergiegebieden in het Programma Noordzee worden aangewezen.In dit Programma weegt het kabinet de belangen van bestaande envoorziene mijnbouwactiviteiten zorgvuldig af tegen het belang van ruimtevoor nieuwe windparken, zodat zowel windenergie als mijnbouw zoveelmogelijk ontwikkeld kunnen worden. De exacte ruimtelijke inpassing vande windparken ten opzichte van (voorgenomen) mijnbouwactiviteitenvindt plaats middels een maatwerkproces onder leiding van het Ministerievan Economische Zaken en Klimaat, in nauwe afstemming met demijnbouwoperators. Het kavelbesluit dat later volgt bepaalt de uiteinde-lijke begrenzing tussen een mijnbouwinstallatie(s) en een toekomstigwindpark.In de bovengenoemde Kamerbrief is echter geconstateerd dat eronvoldoende mogelijkheid is om als bevoegd gezag tot een belangenaf-weging te komen zolang een windenergiegebied in het ProgrammaNoordzee is aangewezen, maar daarbinnen nog geen kavel is aangewezenmet een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit3. Met het bestaandewettelijk instrumentarium kan een mijnbouwinitiatief, wat onvoorzien wastijdens de vaststelling van het Programma Noordzee, worden ontwikkeldin of nabij een aangewezen windenergiegebied. Dit kan de mogelijkhedenvoor de ontwikkeling van windenergie op die locatie inperken, zonder dater een bestuurlijke ruimtelijke afweging is gemaakt hoe de activiteiten hetbeste kunnen samengaan. Dit leidt tot onzekerheid over de mogelijkhedenom de doelen voor windenergie op zee te halen, maar ook tot risico’s voorinvesteringen in het bijbehorende net op zee, dat van TenneT vroegtijdigeinvesteringen vraagt. Mijnbouwondernemers kunnen eveneensonzekerheid ervaren over de beschikbaarheid van ruimte met de komstvan een windenergiegebied nabij hun activiteiten. Dit kan ook eenbelemmerend effect hebben op de benodigde investeringen van dezeactiviteiten. Kortom, partijen betrokken bij de ontwikkeling van beideactiviteiten zijn gebaat bij vroegtijdiger duidelijkheid.In dezelfde Kamerbrief is geconstateerd dat er nog onvoldoende kenniswas over de obstakelvrije ruimte die nodig is tussen windparken enmijnbouwplatformen om daar veilig naar toe te kunnen vliegen. Ditvergroot de onzekerheid voor de realisatie van windenergie of beperkt deinpassing van mijnbouwactiviteiten. Door het gezamenlijk ontwikkelenvan maatwerk voor een aantal concrete casussen is de laatste jaren meerinzicht ontstaan.De maatwerkaanpak-ontwikkelingen van de afgelopen jarenDe afgelopen twee jaar is er intensief samengewerkt met het Ministerievan Infrastructuur en Waterstaat, Energie Beheer Nederland (EBN),mijnbouwbedrijven, TenneT, helikopteroperators, aeronautische expertsen kennisinstellingen. Dit leidde onder andere tot succesvolle inpassing2Verordening (EU) 2024/17353als bedoeld in artikel 3, eerste lid, respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 682, nr. 2552 van bestaande en geplande mijnbouwactiviteiten in kavelbesluiten voorwindenergie op zee. De succesvolle afronding van twee maatwerktra-jecten is toegelicht in de Kamerbrief van 16 mei 20254. Dit heeft devolgende inzichten opgeleverd.•Een maatwerkoplossing start bij het vaststellen van een acceptabelehelikopterbereikbaarheid voor de mijnbouwoperator en vraagtvervolgens ruimtelijke en luchtvaart technische maatregelen om deluchtvaartveiligheid te waarborgen met een zo beperkt mogelijkruimtebeslag. Omdat de verschillende activiteiten op mijnbouwplat-forms ook een verschillende mate van helikopterbereikbaarheidvragen, is de benodigde ruimte rondom elk platform anders. Ditbetekent dat maatwerk voor elk platform nodig is.•De vliegprocedures die tot nu toe gebruikt worden om platforms veiligte bereiken nemen veel ruimte in beslag, wat de ruimte voor nieuwewindparken kan beperken. Daarom is er behoefte aan nieuweruimtebesparende vliegprocedures. Ik kom daar verderop op terug.•Vroegtijdige afstemming tussen mijnbouwoperators en het Rijk(windenergie) vergroot de ruimtelijke inpassingsmogelijkheden vanbeide. Naarmate verschillende activiteiten en plannen in tijd en ruimtevorderen, wordt het ingewikkelder en kostbaarder om tot een goederuimtelijke afstemming te komen.•Intensieve samenwerking tussen mijnbouwpartijen en het Rijk bij hetzoeken naar een maatwerkoplossing biedt een goed uitgangspunt omte komen tot creatieve, gedragen resultaten die voor alle partijenacceptabel zijn.•Het bestaande juridisch instrumentarium, te weten een omgevingsver-gunningplicht voor gebruik van de locatie als het voorbereidingsbe-sluit voor windparken is genomen, geeft marktpartijen – in het stadiumdat de besluitvorming voor windenergie al vergevorderd is – de juisteprikkel voor ruimtebesparing. Dit instrument stelt de overheid in staatom te besluiten over het al dan niet toestaan van nieuwe mijnbouwac-tiviteiten in het licht van de verenigbaarheid met het beoogdewindpark. Vanwege de timing geeft dit instrument momenteel geenruimtebesparende prikkel in situaties waarin de ontwikkeling vanwindenergie minder vergevorderd is.Voorgenomen wijziging juridisch instrumentariumVanwege bovenstaande inzichten zal een wijziging van het bestaandejuridisch instrumentarium uit het stelsel van de Omgevingswet in gangworden gezet. Het voornemen is om de omgevingsvergunningplicht vooreen mijnbouwlocatieactiviteit in de tijd naar voren te halen. Daarmeewordt het mogelijk om vroegtijdiger in het proces van windenergiespecifieke situaties te toetsen op de mate waarin en in welke vormmijnbouw en windenergie op zee samen kunnen gaan. Deze vroegtijdigeduidelijkheid moet de investeringszekerheid borgen voor zowel het net opzee als ook voor mijnbouwondernemers.De vergunningplicht zal gaan gelden vanaf het moment dat het windener-giegebied in de Omgevingsregeling is aangewezen. Hiervoor is het nodigom het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteitleefomgeving (Bkl) te wijzigen, en aansluitend ook de Omgevingsregeling.Gestreefd wordt naar internetconsultatie voor het concept-wijzigings-besluit medio 2026. De beoogde inwerkingtreding van het definitievewijzigingsbesluit is 1 januari 2028. Deze vergunningenplicht zal niet gaangelden voor al bestaande mijnbouwinstallaties en vergevorderdemijnbouwprojecten. In die situaties zal er, net als in afgelopen jaren, insamenspraak met mijnbouwondernemers maatwerkonderzoek plaats-4Kamerstukken II 2024/25, 33 561, nr. 84.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 682, nr. 2553 vinden. Daarbij is het aan het Rijk om een aanvaardbare oplossing tefaciliteren. Naast deze wijziging van het juridisch instrumentarium wordenmomenteel de (mogelijk toekomstige) mijnbouwlocaties in kaart gebrachtzodat hier rekening mee kan worden gehouden bij het eventueelaanwijzen van de nieuwe windenergiegebieden. Dit draagt bij aan hetvoorkomen van inpassingsproblemen.Andere actiesNaast de bovengenoemde initiatieven zijn ook de volgende actiesuitgevoerd of gestart om de windenergie op zee en mijnbouwactiviteitenbeter ruimtelijk met elkaar te verenigen:In samenwerking met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heb ikeen proefproject gestart voor de toepassing van een innovatieveruimtebesparende vliegprocedure op zee: de Point in Space (PinS)vliegprocedure. Het doel van de hierbij toegepaste navigatietechniek isom met minder ruimte veilig naar platforms te kunnen vliegen. Detechnische resultaten van de vliegtesten zijn tot nu toe veelbelovend.Ruimtelijk, zien we dat de PinS-vliegprocedure per mijnbouwplatform kanleiden tot een ruimtebesparing van een factor 5 tot 7 ten opzichte vanconventionele vliegprocedures. Dit betekent al snel een paar honderdvierkante kilometer ruimtewinst die vrijkomt voor ander gebruik,bijvoorbeeld voor windenergie op zee5.Het streven is om eind dit jaar de eerste PinS-vliegprocedure goedgekeurdte krijgen om deze daarna in gebruik te nemen. Vanwege het innovatievekarakter bestaat het risico op vertraging in de goedkeuringsprocedure. Ditzou kunnen leiden tot vertraging in de kavelbesluiten en daarmee de uitrolvan windenergie op zee. Om dit risico te beperken leg ik daarom hetontwerpkavelbesluit Nederwiek I-b ter inzage parallel aan de goedkeu-ringsprocedure. Het ontwerpkavelbesluit bevat echter een voorbehoud dathet definitieve kavelbesluit pas kan worden vastgesteld als degoedkeuring succesvol is afgerond.De ontwikkeling van PinS is een mooi voorbeeld van samenwerkingtussen verschillende partijen waardoor innovatieve oplossingen tot standkomen.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat werkt op basis van deopgedane kennis en ervaring aan een proceskader waarin wordt uitge-werkt welke stappen en onderzoeken gedaan moeten worden om deluchtvaartveiligheid van een ruimtelijk ontwerp te beoordelen.EBN heeft waardevolle inlichtingen verschaft over de bestaande enmogelijk toekomstige mijnbouwactiviteiten, waarmee vroeger inzichtelijkwerd welke gebieden meer en minder geschikt zullen zijn voor derealisatie van windparken. Dit heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij deidentificatie van nieuwe zoekgebieden voor windenergie in de notitiereikwijdte en detailniveau voor het Programma Noordzee 2028–2033.Daarnaast heeft EBN ook kritisch gekeken naar de noodzaak voorbereikbaarheid van verschillende typen operaties per helikopter.Er zijn afspraken met de mijnbouwsector gemaakt in het Sectorakkoordgaswinning in de Energietransitie om te komen tot een zo efficiëntmogelijk ruimtegebruik bij de opsporing en winning van koolwaterstoffenen de ontmanteling van mijnbouwinstallaties.65Elke honderd vierkante kilometer biedt ruimte aan ongeveer 1 GW windenergie op zee6https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/04/23/sectorakkoord-gaswinning-in-de-energietransitieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 682, nr. 2554 TNO onderzoekt in opdracht van het Ministerie van Economische Zakenen Klimaat de mogelijkheden voor ruimtebesparende monitoringstech-nieken voor CO2-opslagvoorkomens. Onder andere wordt de toepas-baarheid van glasvezelkabels op de zeebodem als monitoringsinstrumentonderzocht. Indien dit een succes blijkt, zal de monitoring vanCO2-opslaglocaties met aanzienlijk minder ruimte af kunnen.VervolgDe bovenstaande inzichten en reeds in gang gezette acties krijgen onderandere een uitwerking in het Programma Noordzee 2028–2033, waarvoorde voorbereiding inmiddels is gestart. Door het vroegtijdig en proactiefinventariseren van bestaande en toekomstige mijnbouwinitiatieven enbijbehorende belangen, de voorgenomen aanvulling van de juridischesturingsinstrumentarium en het inzetten van nieuwe ruimtebesparendevliegprocedures voor helikopters, wordt de uitrol van windenergie op zee,de versnelling van gaswinning en de ontwikkeling van ondergrondseopslag van CO2 op de Noordzee zo optimaal mogelijk ruimtelijkvormgeven.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der MeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 682, nr. 2555
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.