KamerkringInloggen
Kamerbrief

Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen

4 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 161ee794f34ae82e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 820Nieuwe visie cultuurbeleid31 482CultuursubsidiesNr. 521 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUREN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 april 2024De Kamer heeft mij gevraagd om een beleidsvisie op het terrein vanimmaterieel erfgoed, waarin ik inga op versterkingsmogelijkheden1 enwaarin ik inga op immaterieel erfgoed als onderdeel van het cultuur-beleid.2Immaterieel erfgoed als ingang tot cultuurImmaterieel erfgoed is het erfgoed van alledag, dat mensen zelf maken ensamen beoefenen. Tradities, gebruiken en ambachten geven beoefenaarsen deelnemers een gevoel van houvast, continuïteit en sociale verbon-denheid. We vinden het soms «gewoon» en doen er vaak onbewust aanmee. Maar ondertussen is immaterieel erfgoed essentieel voor onzeidentiteit; het geeft uitdrukking aan wie we zijn.De culturele waarde van immaterieel erfgoed is zichtbaar dicht bij huis,zoals onze streektalen, de dorpskermissen of schaatsen op natuurijs. Maarook bij tradities met een nationale uitstraling, zoals Koningsdag, deAmsterdam Pride, Keti Koti, Dodenherdenking en Bevrijdingsdag.Immaterieel erfgoed heeft daarmee een brede reikwijdte en de drempelom eraan deel te nemen is laag. Voor veel mensen is het de eerste ingangtot het beoefenen van of deelnemen aan cultuur. Via immaterieel erfgoedkomen veel mensen ook in aanraking met andere vormen van cultuur,denk bijvoorbeeld aan de fanfare die zo belangrijk is bij de schutterijtra-ditie of om kennis te maken met symphonie-orkesten. Dit maakt datimmaterieel erfgoed een belangrijke plaats in het cultuurbeleid inneemten daar wordt bewust ruimte voor gecreëerd.1Motie van de leden Van Strien, Werner en Kwint, brede visie volkscultuur, Kamerstuk 36 200VIII, nr. 412Motie van de leden Van Strien en Werner, nieuwe visie cultuurbeleid, Kamerstuk 32 820, nr. 506 kst-32820-521ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5211 Hierbij staat voorop dat de mensen die immaterieel erfgoed maken of hetbeoefenen – de immaterieel erfgoedgemeenschappen – daar zelfverantwoordelijk voor zijn. En dat moet vooral zo blijven. De tradities,rituelen en ambachten blijven juist levend doordat het eigenaarschap bijde gemeenschappen ligt. Deze mensen vormen de drijvende kracht achterhun immaterieel erfgoed, niet in de laatste plaats omdat zij het ook weerdoorgeven aan nieuwe generaties.De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed strekt ertoe dat het derandvoorwaarden aanwezig laat zijn, waardoor alle gemeenschappen inheel Nederland hun immaterieel erfgoed kunnen uitoefenen. Het zijn degemeenten en daarnaast de provincies die voor erfgoedgemeenschappenals eerste overheden in beeld moeten komen. Immers, immaterieelerfgoed wordt vooral lokaal en regionaal uitgeoefend. In de alledaagsepraktijk is de rol van OCW ten opzichte van de andere overheden beperkt.De rol op rijksniveau richt zich met name op ondersteuning van gemeen-schappen, het bevorderen van samenwerking tussen gemeenschappen enandere betrokken partijen. En daarnaast op het delen van kennis.Zo voel ik mij ook verantwoordelijk om partijen samen te brengen, zoals ikin mijn appreciatie van de motie schutterijen3 reeds heb aangegeven.Daarnaast vervolg ik de bestaande lijn om het Kenniscentrum ImmaterieelErfgoed Nederland te subsidiëren, een subsidieregeling voor gemeen-schappen te financieren en mij in te zetten voor het versterken van hetimmaterieel erfgoedveld in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dezemaatregelen kunnen in het licht van bovenstaande rolverdeling en-opvatting worden gezien.Gezien de notie dat immaterieel erfgoed in het cultuurbeleid goedgeborgd moet zijn, ga ik in deze brief nader in op de punten waarop ik ziedat vanuit mijn rol versteviging noodzakelijk is. Ik kondig twee concreteacties aan; het opzetten van een samenwerkingsnetwerk en het makenvan bestuurlijke afspraken over immaterieel erfgoed.Het belang van immaterieel erfgoedImmaterieel erfgoed gaat vaak om het gezamenlijke maakproces en nieteens zozeer om het resultaat. Denk aan het Zomercarnaval in Rotterdam,waar het samen maken van de kostuums en maanden oefenen alsdansgroep minstens even waardevol is als de parade. Of het maken vande bloemen- en fruitcorsowagens, waarbij een heel dorp wekensamenwerkt.Het gaat ook om kennis van vroeger voor een duurzame toekomst.Graslandbevloeiing bijvoorbeeld, een ingenieuze methode om water uitsloten over een weiland te laten lopen. Dit zorgt voor een natuurlijkebemesting en een betere verhouding tussen te nat en te droog. Ook gaantradities mee met hun tijd. Kievitseieren zoeken is een voorbeeld. Vroegerwerden de eieren gezocht om ze te eten, maar nu om de nesten tebeschermen.Sommige vormen van immaterieel erfgoed roepen emoties op en kunnende aanleiding zijn voor maatschappelijke discussies. Immaterieel erfgoedtoont zo hoe wij als samenleving naar de wereld kijken en de veleperspectieven daarop. Het biedt daarmee de mogelijkheid om eendoorlopend gesprek te voeren over hoe wij onze maatschappijvormgeven.3Motie van de leden Van der Velde, Wilders, Schutterijen, Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 105 enKamerstuk 36 410 VIII, nr. 56Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5212 De hierboven genoemde voorbeelden maken zichtbaar dat immaterieelerfgoed voor veel mensen een grote culturele waarde heeft, maar ook eenbelangrijk instrument is voor maatschappelijke opgaven als socialecohesie, leefbaarheid of duurzaamheid. Dit tezamen maakt dat immate-rieel erfgoed een belangrijke plaats in het cultuurbeleid heeft.Levend erfgoedHet begrip immaterieel erfgoed is inmiddels redelijk ingeburgerd,maar veel mensen blijven de term onduidelijk vinden. De moties-VanStrien spreken bijvoorbeeld over «volkscultuur» en «hartencultuur».Een synoniem dat veel landen en Unesco gebruiken is «levenderfgoed». De term benadrukt dat het gaat om erfgoed dat mensen inhet heden beoefenen en dat zich ontwikkelt.De basis ligt in verdragenTwee verdragen vormen de basis voor het Nederlandse immaterieelerfgoedbeleid. In de eerste plaats is dat het Unesco-verdrag inzake debescherming van het immaterieel cultureel erfgoed. In de tweede plaats isdat het Verdrag van Faro, de waarde van cultureel erfgoed voor desamenleving. Zie bijlage 1 voor een bondige omschrijving van beideverdragen.Een centrale positie in de uitvoering van het Unesco-verdrag immaterieelerfgoed wordt ingenomen door het Kenniscentrum Immaterieel ErfgoedNederland (KIEN). Het KIEN wordt gefinancierd door OCW. Zie voorverdere toelichting bijlage 1.Wat beide verdragen verbindt is dat ze als doel hebben dat mensen zogoed mogelijk in staat zijn hun erfgoed te beoefenen, waarbij ze de menscentraal zetten. Ook delen beide verdragen een aantal centrale uitgangs-punten. Om te beginnen dat het samen beoefenen van erfgoed onderdeelis van het sociale cement van onze samenleving. En dat erfgoedgemeen-schappen zelf bepalen wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen enoverdragen. Ook hebben beide verdragen als doel dat overheden enerfgoedinstellingen zich inzetten dat erfgoedgemeenschappen zo goedmogelijk hun erfgoed kunnen uitoefenen.In de komende jaren speelt de ratificatie door Nederland van het Verdragvan Faro. Ik ga verkennen hoe de nauw verbonden beleidsterreinenimmaterieel erfgoed en het Verdrag van Faro samen verder bestendigdkunnen worden in het cultuur- en erfgoedbestel.Versterkingsmogelijkheden: verbeterpunten en mijn inzet daaropIn de motie «Brede visie volkscultuur» heeft de Kamer mij gevraagdinzicht te geven in de versterkingsmogelijkheden op het terrein vanimmaterieel erfgoed. Om zicht te krijgen op de knelpunten die in depraktijk bestaan, heeft onderzoeksbureau Cultural Motion de opdrachtgekregen om onderzoek te doen naar het beleid voor immaterieel erfgoedin Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk. De onderzoekersspraken met ongeveer honderd mensen die actief zijn binnen gemeen-schappen of organisaties die betrokken zijn bij immaterieel erfgoed.Volgend op het rapport heb ik ronde tafels georganiseerd om gemeen-schappen, erfgoedorganisaties en andere overheden te betrekken bij devorming van deze brief.In deze brief is ook meegenomen het advies On(ver)vangbaar, deinnovatieve kracht van the culture van de Nederlandse UnescoTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5213 Commissie. Het advies biedt inzicht in de wensen en kracht van groepenuit the culture, met als bekendste uitingsvorm hiphop. Veel van dezecultuuruitingen vallen binnen de Unesco-definitie van immaterieelerfgoed. Het rapport doet aanbevelingen hoe dit type groepen betererkend en gesteund kan worden door onder andere gesubsidieerdeerfgoedinstellingen en overheden.In het onderstaande zet ik op vier terreinen uiteen welke knelpunten enverbeterpunten ik constateer naar aanleiding van de onderzoeken en deronde tafels. Het gaat daarbij om de terreinen van de erfgoedgemeen-schappen, van de samenwerking tussen de overheidslagen, van desamenwerking met het Caribisch deel van het Koninkrijk en van desubsidieverlening. Tevens ga ik in op de wijze waarop versterking kanworden aangebracht.Versterken van de erfgoedgemeenschappenDe kracht van erfgoedgemeenschappen zit in het eigen organisatiever-mogen, maar soms geeft een gemeenschap aan hulp nodig te hebben. Bijhet maken van verbinding met het onderwijs of erfgoedinstellingen, hetwerven van nieuwe vrijwilligers of bestuursleden, het verjongen van devereniging, digitalisering of contact met overheden of fondsen. Velegemeenschappen weten bij dit soort vragen niet de weg naar passendeondersteuning te vinden. Terwijl die er wel is. Denk hierbij aan organi-saties als KIEN en het Fonds voor Cultuurparticipatie die vanuit het Rijkworden gefinancierd en aan de provinciale erfgoedhuizen, musea,archieven, koepelorganisaties van gemeenschappen en de vele histo-rische verenigingen en andere lokale organisaties die Nederland rijk is.Ook wordt de geboden ondersteuning niet altijd als adequaat ervaren. Datheeft onder andere te maken met (fysieke) afstand, de capaciteit bij deondersteuners en een ondersteuningsaanbod dat niet altijd aansluit bij debehoefte.Daarnaast wordt onvoldoende samengewerkt door deze nationale,provinciale en lokale organisaties die gemeenschappen ondersteuningbieden. Hierdoor wordt niet efficiënt gebruik gemaakt van de beschikbarecapaciteit. Om gemeenschappen en beoefenaars – van klompenmakers totAnansi vertellers – goed te helpen bij de waaier aan ondersteunings-vragen is kennisopbouw door een verscheidenheid aan ondersteunendeinstellingen nodig. Verbetering van de kennisverspreiding en kennisuit-wisseling is nodig, richting gemeenschappen en tussen ondersteunendeorganisaties. Ook op het gebied van onderzoek en kennis ontbreekt hetaan structurele samenwerking, waardoor kennis uit nationale en interna-tionale netwerken nog te weinig zijn weg vindt naar de gemeenschappen.Soms speelt mee dat bepaalde ondersteunende organisaties die dicht opde gemeenschappen zitten of er soms onderdeel van zijn, zich niet erkendvoelen binnen het professionele immaterieel erfgoedveld.Tot slot ervaren gemeenschappen vaak een gebrek aan vertrouwen vanuitfondsen, overheden of professionele instellingen bij het aanvragen vansubsidies, het verlenen van vergunningen of het samenwerken metprofessionele instellingen. Ook blijkt dat een deel van de immaterieelerfgoedbeoefenaars zich op dit moment niet of minder gerepresenteerdvoelt door en verbonden is met het immaterieel erfgoedveld. Denk aangemeenschappen uit de jongerencultuur, migrantencultuur, maar ookgemeenschappen uit bepaalde regio’s zoals Zeeland. Hieraan verbondenblijkt dat binnen het immaterieel erfgoedveld sprake is van verschillende«eilanden» van type gemeenschappen en daaraan verbonden organi-saties. Deze staan onvoldoende met elkaar in verbinding, maar uit degesprekken werd duidelijk dat verbinding wel gewenst is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5214 Netwerk Levend ErfgoedOm deze inzet te bereiken adviseert het onderzoek van Cultural Motionom een Netwerk Levend Erfgoed op te zetten. Bij de ronde tafels was erveel steun voor deze aanbeveling. Het Netwerk moet de samenwerkingverbeteren tussen gemeenschappen, vrijwilligersorganisaties en deprofessionele partners. Vanuit de basisgedachte dat iedereen die bezig ismet levend erfgoed van elkaar kan leren. Het Netwerk werkt vanuitgelijkwaardigheid en wederkerigheid. Waarbij het eigenaarschap enzeggenschap bij de deelnemers ligt. Door meer en beter samen te werkenkan beter toegesneden ondersteuning aan gemeenschappen wordengeboden, kan kennis gemeenschappen beter bereiken en kunnengemeenschappen beter worden doorverwezen naar organisaties die doorhen gewenste kennis of ondersteuning in huis hebben.Ik ga de partijen die het Netwerk willen vormen uitnodigen om samen hetdoel, de organisatievorm en de activiteiten van het Netwerk LevendErfgoed te onderzoeken. Van belang is dat het Netwerk Levend Erfgoeddaadwerkelijk een netwerk wordt van, voor, door en met alle partijen uithet brede immaterieel erfgoedveld. Daarbij worden ze gefaciliteerd doortwee door mij gefinancierde onafhankelijke kwartiermakers.De kwartiermakers hebben als taak de verschillende «eilanden» vangemeenschappen en daaraan verbonden organisaties te verbinden in hetNetwerk. Ook krijgen zij als opdracht actief gemeenschappen te betrekkendie zich nu nog niet verbonden voelen met ondersteunende organisaties,maar deze behoefte wel hebben. Daarmee gaat het Netwerk bijdragen aanhet versterken van de representatie en erkenning van alle soortengemeenschappen en hun levende erfgoed.De kwartiermakersfase is vormgegeven rond twee of drie concreteactiviteiten, bijvoorbeeld rond het verbinden van gemeenschappen aanscholen, of een gezamenlijk project van gemeenschappen en overhedenom knelpunten rond regelgeving aan te pakken. Het doel hiervan is omwerkende weg tot samenwerkingen te komen tussen de aangeslotengemeenschappen en organisaties. Ik stel een werkbudget beschikbaarvoor deze activiteiten.Rond de uitvoering van het Verdrag van Faro ontwikkelt zich momenteeleen netwerk dat complementair zal zijn aan het te vormen NetwerkLevend Erfgoed. Daarom gaan deze netwerken samenwerken en kennisuitwisselen. Ten slotte ga ik professionele instellingen, het onderwijs engemeenschappen binnen het Netwerk Levend Erfgoed aanmoedigen omeen kennisagenda op te zetten. Hierdoor komen kennisontwikkeling enpraktijk beter bij elkaar en kunnen kennisvragen die in het veld spelenbeter worden geadresseerd.Versterken van samenwerking tussen de overhedenProvincies en gemeenten hebben als medeoverheden een belangrijke rolin de uitvoering van het Unesco-verdrag. Zoals eerder vermeld zijn voorgemeenschappen met name gemeenten de overheid waar ze het meestmee te maken hebben. Daar zit ook de kennis over lokale omstandig-heden.Voor een toekomstbestendig immaterieel erfgoed zijn dus vooral degemeenten en ook de provincies aan zet. Echter, er zijn maar weiniggemeenten en provincies die beleid hebben ontwikkeld voor immaterieelerfgoed. Ook de kennis over de culturele en maatschappelijke waarde vanimmaterieel erfgoed is bij gemeenten en provincies slechts sporadischTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5215 aanwezig. Gemeenten en provincies onderschatten daardoor watgemeenschappen bijdragen aan maatschappelijke opgaven in hun wijk,dorp of regio. En daarnaast soms ook de toeristische en economischewaarde van immaterieel erfgoed. Vanwege de maatschappelijke betekenisdie veel gemeenschappen hebben, is een actief immaterieel erfgoedbeleiddoor gemeenten en provincies dus zeker ook in het belang van demedeoverheden zelf.Veel erfgoedgemeenschappen vinden de toegenomen regeldruk encomplexe regelgeving voor bijvoorbeeld vergunningen belastend. Regelszijn vaak ontworpen voor grote professionele organisaties. Beoefenaarsvan levend erfgoed zijn vaak vrijwilligers. Hierdoor missen ze kennis overregelgeving en weten vaak niet bij wie ze terecht moeten binnen degemeente of provincie.De betekenis van gemeenschappen voor gemeenten: eenvoorbeeldVeel gemeenschappen leveren een belangrijke bijdrage aanmaatschappelijke opgaven. Deze bijdrage sluit aan bij de betekenisen activiteiten van hun levend erfgoed. Een voorbeeld is de SintMaartenviering in Utrecht. Het Sint Maarten verhaal gaat over delenen saamhorigheid. Vanuit dit verhaal zet de gemeenschap zich invoor sociale cohesie, positieve gezondheid en burgerschap. Doorverschillende groepen en scholen via het immaterieel erfgoed metelkaar te verbinden. De gemeente biedt allerhande raad en daad, omde gemeenschap bij te staan hun maatschappelijk waardevolleactiviteiten uit te voeren.De drie overheidslagen moeten richting gemeenschappen meer als éénoverheid acteren. Waarbij duidelijk is welke overheid waarvoor verant-woordelijkheid is. Veel van de knelpunten die gemeenschappen ervaren,vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten, denk aanvergunningverlening.Ik ga met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovin-ciaal Overleg (IPO) en de cultuurregio’s bestuurlijke afspraken maken overimmaterieel erfgoed. Uit gesprekken met de VNG en IPO is mij duidelijkgeworden dat zij ook het belang zien van het maken van afspraken overknelpunten die op lokaal of regionaal niveau ervaren worden doorimmaterieel erfgoedgemeenschappen, zoals over regelgeving ofondersteuning. Op dit moment ben ik met de provincies, de schutterijenen de provinciale erfgoedhuizen van Limburg, Noord-Brabant enGelderland en KIEN aan het onderzoeken wat nodig en mogelijk is vooreen toekomst van de schutterijen.4Onderdeel van deze gesprekken over bestuurlijke afspraken wordt eenverkenning naar het nut en de wenselijkheid van gemeentelijke immate-rieel erfgoedlijsten. Deze verkenning ga ik samen met de VNG en KIENuitvoeren. Deze lijst kan van waarde zijn omdat deze zicht biedt op deculturele, maatschappelijke, economische of toeristische waarde van hetlevende erfgoed in een gemeente. Gemeenten kunnen de lijst ookgebruiken om een match te vinden tussen gemeenschappen en de eigenbeleidsdoelen.Ook wil ik twee bestaande bewegingen bij gemeenten en provinciesbenoemen. De eerste betreft het actief betrekken van erfgoedgemeen-schappen bij het opstellen van provinciale of gemeentelijke omgevings-4Motie van de leden Van der Velde, Wilders, Schutterijen, 36 410 VIII, nr. 105Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5216 en erfgoedvisie. Veel levend erfgoed wordt in de openbare ruimtebeoefend. Dit geeft deze plekken betekenis. In een Omgevingsplan kunnenregels over bijvoorbeeld geluid, parkeren of markten worden opgenomen.Dit zorgt voor minder regeldruk bij gemeenschappen. IPO, VNG, KIEN ende Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gaan in gesprek met geïnteres-seerde gemeenten om hen de handvatten te bieden om gemeenschappenvroeg in het ontwikkelproces van deze visies en plannen te betrekken.De tweede beweging waarvoor ik mijn waardering uitspreek en die ik metkennis verder wil stimuleren is het ontwikkelen van een aanspreekpuntvoor gemeenschappen bij gemeenten. Verschillende gemeenten hebbenpositieve ervaringen met een aanspreekpunt voor erfgoedgemeen-schappen, voor materieel en immaterieel erfgoed. Zo’n aanspreekpunthelpt vrijwilligersorganisaties door de complexe wereld van overheden,instellingen en subsidieregelingen. Een aanspreekpunt verkleint deafstand tussen overheid en gemeenschap en vergroot het wederzijdsvertrouwen. De VNG, KIEN en de Rijksdienst gaan gemeenten die eengemeentelijk aanspreekpunt willen opzetten met raad en daad bijstaan.Versterken van samenwerking met het Caribisch deel van hetKoninkrijkImmaterieel erfgoed is een belangrijk onderdeel van de culturele rijkdomvan het Caribisch deel van het Koninkrijk. De Werkgroep immaterieelerfgoed met leden uit alle delen van het Koninkrijk voert de Intentiever-klaring Immaterieel Cultureel Erfgoed5 uit. In de Intentieverklaring staatbeschreven dat ik mij met de Werkgroep onder meer inzet voor hetversterken van het immaterieel erfgoedveld op de eilanden. Dit betreffende organisaties die gemeenschappen kunnen bijstaan in het beoefenen,ontwikkelen en doorgeven aan volgende generaties. Ook gaat het over hetontwikkelen en bijhouden van inventarissen op de eilanden en overduurzame beleidsvorming door de overheden op de eilanden. Met delanden en de openbare lichamen wil ik een Samenwerkingsovereenkomstvoor immaterieel erfgoed realiseren, zoals vastgesteld in de Intentiever-klaring.Ik heb een specifieke verantwoordelijkheid voor de eilanden Bonaire, Sabaen Sint Eustatius. Voor deze openbare lichamen is het Cultuurconvenant2022–2025 Caribisch Gebied richtinggevend. Daaraan verbonden zet ik mijervoor in dat immaterieel erfgoed onderdeel wordt van de cultuur-agenda’s op de drie eilanden.Nominatie van Tambú voor de internationale Unesco-lijstIk werk samen met het Caribisch deel van het Koninkrijk, KIEN en deUnesco Commissies aan het nomineren van immaterieel erfgoed voor deinternationale lijsten van het Unesco-verdrag. Tijdens het ministeriëleVierlandenoverleg van 2023 is besloten dat Tambú/Barí de volgendenominatie door het Koninkrijk der Nederlanden is voor de RepresentatieveLijst van het Unesco-verdrag is. Tambú is de trom die een centrale rolspeelt in deze muzikale traditie, maar ook de muziekvorm zelf, debijbehorende dans, de zang en het feest. Er zijn gemeenschappen opAruba, Bonaire, Curaçao en in Nederland. Curaçao is trekker van hetproces van de nominatie. Een door de gemeenschappen opgestelderfgoedzorgplan vormt de basis van het nominatiedossier.5Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Intentieverklaring Immaterieel CultureelErfgoed, 2019Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5217 Verbetering van de toegang tot subsidies voor immaterieelerfgoedSubsidieregelingen worden door een deel van de gemeenschappenervaren als ontoegankelijk, bijvoorbeeld door taalgebruik, lastigeaanvraagprocedures of onduidelijkheid waar welke subsidie aan te vragenis. Deze gemeenschappen geven aan als vrijwilligersorganisatie dezespecialistische kennis te missen. Soms hebben ze het idee dat ze moetenconcurreren met professionele instellingen en de administratieve last nietaltijd opweegt tegen de opbrengst. Gemeenschappen geven ook aanbehoefte te hebben aan andere soorten methoden om subsidies aan tevragen, bijvoorbeeld het geven van een presentatie voor gemeen-schappen die minder gewend zijn formulieren in te vullen.Op dit moment draag ik bij aan het beoefenen van immaterieel erfgoeddoor jaarlijks 1 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het beoefenen,ontwikkelen en doorgeven van immaterieel erfgoed door gemeen-schappen. Deze middelen zijn via de regeling Erfgoed Maken bij het Fondsvoor Cultuurparticipatie (FCP) beschikbaar voor gemeenschappen.Het FCP gaat volgend jaar de subsidieregeling voor immaterieel erfgoedvernieuwen. De doelen en criteria van deze nieuwe regeling wordensamen met gemeenschappen uit het hele Koninkrijk opgesteld. Daarmeewordt een subsidieregeling gemaakt die goed past bij de gemeen-schappen. De regeling wordt verbonden aan het Netwerk Levend Erfgoed.Daarnaast gaat het FCP gemeenschappen helpen bij hun aanvragen,onder andere via het Netwerk Levend Erfgoed. Ten slotte werkt het FCPaan de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de immaterieel erfgoedre-geling in het Caribisch deel van het Koninkrijk.Samen naar een toekomstbestendig levend erfgoedveldDeze brief biedt een stevig fundament om het immaterieel erfgoedveld alsbasis voor ons cultuurbeleid te versterken. Dat doe ik niet alleen, maarsamen met de gemeenten en provincies en het brede immaterieelerfgoedveld. Ieder vanuit zijn rol zet zich in voor de cultuur die iedereenbeoefent. Met als gezamenlijk doel dat alle gemeenschappen dezelfdemogelijkheden hebben hun levende erfgoed uit te oefenen, te ontwikkelenen door te geven aan volgende generatie.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,F.Q. Gräper-van KoolwijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 820, nr. 5218

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2f68ee99590a9f61

14 okt 2026 · d1a53b8fba9fd6f8

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.