Media (CD d.d. 11/04)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
bce35750-157a-41a3-8c19-2da11ac8ffae
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.
Geschenken en reizen
Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.
Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Voorzitter, dank u wel. Voordat ik aan de dertien moties toekom, is er volgens mij één vraag gesteld door de D66-fractie over de door de beoogde coalitiepartners beoogde btw-verhoging. Zoals u zich misschien kunt voorstellen, lijkt het mij niet heel erg verstandig dat ik hier, vanuit deze positie, het hoofdlijnenakkoord ga recenseren. Ik denk ook dat het voor een deel aan uw Kamer zelf is om dat in het debat morgen te doen. In die zin heb ik dus vooral kennisgenomen van de btw-verhoging. Vorig jaar heeft er een evaluatie van het verlaagde btw-tarief plaatsgevonden door de staatssecretaris van Financiën. Die evaluatie is ook naar de Kamer gestuurd. Daarin zitten onder andere een hoop fiches, waarbij de verschillende specifieke effecten van de btw-verhoging of -verlaging geduid zijn. Daarmee heeft uw Kamer ook die informatie gekregen. De informatie waarom mevrouw Rooderkerk vroeg, is aanwezig bij uw Kamer. Die kunt u dus vinden in de stukken die gingen over het btw-tarief. De effecten ervan zijn lastig in te schatten. Uit die evaluatie is gebleken dat er inderdaad wel gezegd kan worden dat de mate waarin de doelmatigheid en doeltreffendheid van het middel van verlaagde btw effectief kan zijn om de beoogde doelstellingen te halen, twijfelachtig zijn. Tegelijkertijd stelt die evaluatie ook dat wanneer er overgegaan wordt tot een btw-verhoging, er wel andere maatregelen nodig zouden zijn om de effecten die we daarmee beogen, bijvoorbeeld de toegankelijkheid van de media, op andere wijze in te vullen. Nou heb ik, net als u waarschijnlijk, het hoofdlijnenakkoord ook bestudeerd en ik ben daarin nog geen alternatieve maatregelen tegengekomen. Maar ik heb ook geconstateerd dat het hoofdlijnenakkoord nog verder uitgewerkt moet worden. Aangezien vele fracties het belang dat zij hechten aan de onafhankelijke mediapositie hier geuit hebben, ga ik er dus eigenlijk van uit dat er nagedacht gaat worden over welke compenserende maatregelen daarvoor nodig zijn. Dat zou ik in ieder geval voor de hand liggend vinden. Maar uiteindelijk ga ik daar waarschijnlijk niet over. Daar zal mijn opvolger zich over moeten buigen. Voorzitter. Dan kom ik bij moties. De eerste motie van de VVD, de motie op stuk nr. 302 van mevrouw Martens, lees ik zo dat er behoefte is aan aanvullende informatie. Volgens mij kan die altijd geleverd worden. Ik zal daar in die zin met oordeel Kamer op reageren. Op het moment dat de Kamer om meer informatie vraagt, proberen wij daar immers altijd zo zorgvuldig mogelijk mee om te gaan. Dan kom ik op de motie op stuk nr. 303. Het is misschien goed om eerst een kleine correctie op de motie te geven. Ik vind dat wat ingewikkeld, maar tegelijkertijd is het in dit geval wel belangrijk. In de motie wordt gesproken over de huidige concessieperiode en dat díe afloopt in 2026. Dat klopt niet. Het gaat om de huidige erkenningsperiode. Die loopt af in 2026. De motie verzoekt dus om het verlengen van de huidige concessieperiode. Dat lijkt mij niet wat mevrouw Martens beoogt. Het gaat om de verlenging van de erkenningsperiode. Anders zou immers de erkenningsperiode ook niet verlengd worden, maar alleen de concessie als geheel. Volgens mij is dat niet wat beoogd wordt, als ik de motie zo lees. Dan ga ik in op de inhoud zelf, namelijk de verlenging met één jaar. Ik heb in de brief die ik u op 5 april heb gestuurd, aangegeven waarom het noodzakelijk is om die erkenningsperiode met minimaal twee jaar te verlengen. Er is een proces gaande waarin, op het moment dat wij niet overgaan tot verlenging, over een halfjaar de volgende erkenningsperiode ingaat. Wil je dat uitstellen en komen tot een volledig nieuwe wet, dan vraagt dat tijd en zorgvuldigheid. En zeker gezien de discussie die we daarover met elkaar gehad hebben, vraagt dat om nogal fundamentele wijzigingen van de Mediawet. Ik denk dat het voor mijn opvolger niet doenlijk is om in zeer korte tijd zo'n fundamentele wetswijziging door te voeren. Dat doet geen recht aan behoorlijk bestuur. Ook doet dat geen recht aan het proces. Dat is ook precies de reden waarom ik in de brief heb aangegeven dat er een minimale termijn van twee jaar noodzakelijk is voor het verlengen van de erkenningsperiode als je de Mediawet wil aanpassen. Om die reden ontraad ik deze motie dan ook. Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 304. Deze motie heeft vergaande gevolgen en loopt vooruit op het debat dat we nog met elkaar moeten voeren. Het zou raar zijn om daar nu richtinggevende uitspraken over te doen in de demissionaire staat waarin ik mij begeef. Ik kan mij voorstellen dat dit onderdeel is van de discussie die uw Kamer gaat voeren naar aanleiding van de bouwstenen, waarbij u gaat kijken welke elementen u daarin essentieel en belangrijk vindt. Maar ik denk ook dat het nu al uitspreken van deze motie voor een deel dat debat al kan belemmeren. Om die reden ontraad ik deze motie.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: De Kamer heeft mij gevraagd om dit debat zo open mogelijk en met bouwstenen voor te bereiden, zodat uw Kamer op een goede en open wijze het debat over het toekomstige mediastelsel kan voeren. Op het moment dat u nu deze motie zou aannemen, zou u het mij onmogelijk maken om in die openheid die bouwstenen voor u voor te bereiden. Dat zou om die reden niet wenselijk zijn. Daarom ontraad ik deze motie, maar uiteindelijk besluit uw Kamer altijd zelf over de moties. Maar ik geef u mee dat wanneer u mij vraagt om een open debat voor te bereiden, zodat uw Kamer ook echt in de positie is om dat mediadebat goed te kunnen voeren, deze motie daar op dit moment te vroeg voor komt.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: De motie op stuk nr. 305 is inderdaad aan de Kamer. Dan de motie op stuk nr. 306. Deze roept op om vooruitlopend op de nieuwe Mediawet al afspraken te maken. Het is goed voor uw Kamer om te weten dat ik regelmatig en met grote intensiteit gesprekken voer met de NPO over dit onderwerp. Want het belang ervan is groot, zoals ook in de bijdrage werd aangegeven. Ik heb u toegezegd dat ik u bij de Mediabegrotingsbrief zal informeren over de uitkomsten daarvan en ook zal bezien in hoeverre het mogelijk is om daar bij meer programma's helderheid over te geven. As ik de motie zo mag lezen dat ik u daarbij, conform de toezegging die ik gedaan heb in het debat, zou informeren, kan ik het oordeel over de motie aan de Kamer laten, in de wetenschap dat er sowieso tot 2026 budget beschikbaar is. Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 307. Ook daar hebben we in het debat een goede discussie over gevoerd met elkaar. De heer Krul verwees daar ook naar in de opmerkingen over het laaghangend fruit. We herkennen dat ook. We zijn om die reden zowel met de NLPO, de Nederlandse Lokale Publieke Omroepen, als met het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek in gesprek om te kijken welk aanvullend instrumentarium nodig is om ervoor te zorgen dat de lokale omroepen de overstap naar de streekomroepen kunnen maken en gaan maken en dat zij daar daadwerkelijk klaar voor zijn. In die zin kan ik het oordeel over deze motie aan de Kamer laten. Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 308. Ik snap de inzet van mevrouw Van Vroonhoven; laat ik daarmee beginnen. Uiteindelijk is het van groot belang dat de controle op de publieke omroep vanuit de politiek zo minimaal mogelijk is. Ik denk ook dat dit een reden is waarom het instrumentarium waarnaar verwezen wordt in de motie, zeer terughoudend gebruikt wordt. Sinds het begin van het Commissariaat voor de Media, ruim 35 jaar geleden, is er slechts één keer sprake van geweest dat een staatssecretaris of een minister gebruik heeft gemaakt van de genoemde bevoegdheid. Dat is ook een heel belangrijk iets. Tegelijkertijd komt deze bepaling niet voort vanuit de Mediawet, maar vanuit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. In die Wet zbo is aangegeven dat, omdat er nu eenmaal ook politieke verantwoordelijkheid bij een bewindspersoon ligt, die bewindspersoon ook een instrument moet hebben om invulling te geven aan die politieke verantwoordelijkheid. Op het moment dat uw Kamer bijvoorbeeld bij misstanden zou willen dat de bewindspersoon iets zou doen bij zo'n zbo, dan moet die ook een instrumentarium hebben. Op het moment dat deze motie aangenomen wordt, past dat inderdaad in de intentie die mevrouw Van Vroonhoven heeft, maar betekent dat wel dat het ingrijpen bij misstanden een stuk ingewikkelder wordt. Er is dan immers geen instrumentarium meer. De noodzaak tot het zo min mogelijk gebruikmaken van dit instrumentarium is klip-en-klaar. Ik denk ook dat uw Kamer daar terecht vaak op toeziet. In de huidige vorm lijkt de motie mij onwenselijk. Om die reden zou ik de motie dus willen ontraden.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Dat is volgens mij precies de reden dat we het Commissariaat voor de Media hebben. Dat houdt in eerste instantie het toezicht. Zoals ik zonet al aangaf, is het sinds de oprichting van het commissariaat slechts één keer voorgekomen dat er gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid. Dat is dus zeer minimaal. En op het moment dat u vindt dat een bewindspersoon onterecht gebruikmaakt van deze bevoegdheid, heeft u ook de mogelijkheid om de minister of de staatssecretaris daarover ter verantwoording te roepen. Op het moment dat u dit eruit haalt, heeft de bewindspersoon geen instrumentarium meer om te handelen als er misstanden plaatsvinden. Ik kan mij voorstellen dat dat een instrument is dat de Kamer wil bewaren, maar uiteindelijk is dat een afweging van uzelf. Wij ontraden deze motie in de wetenschap dat wij net als u vinden dat een bewindspersoon buitengewoon terughoudend moet zijn met het toepassen van dit instrument.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: U heeft er natuurlijk gelijk in dat u bewindspersonen te allen tijde over alles naar de Kamer kunt halen, maar als u vervolgens van die bewindspersoon iets vraagt wat zij vanuit de wet niet meer kan, is het voor de bewindspersoon wel buitengewoon ingewikkeld om te handelen. Met de bepaling die er nu in zit, is er een handelingsmogelijkheid. Op het moment dat een bewindspersoon die handelingsmogelijkheid te pas en te onpas zou inzetten, bent u er waarschijnlijk buitengewoon snel bij om die bewindspersoon naar de Kamer te roepen en aan te geven dat u dat niet wil. Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 309, van de heer Eerdmans. Deze motie roept ertoe op om in gesprek te gaan met de NPO. Dat is een vrij specifieke invulling, misschien voor een deel ook vooruitlopend op een stelselherziening. Ik ga met veel plezier het gesprek met de NPO aan als de Kamer daar behoefte aan heeft. In die zin laat ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 310. Ook deze motie roept op tot iets wat vanzelfsprekend verwacht mag worden van het kabinet, namelijk om uiterst zorgvuldig om te gaan met informatie. Ik denk dat wij dat per definitie doen. Wij gaan uiterst zorgvuldig met zaken om. Ik hecht er wel aan om hier in ieder geval aan te geven dat ik niet het beeld herken dat de commissie-Van Rijn onzorgvuldig was. Maar zorgvuldig omgaan met informatie doen wij altijd. Om die reden zou ik deze motie graag aan het oordeel van de Kamer laten. Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 311, van D66. Deze motie roept ertoe op om vrij specifiek een grondslag toe te voegen aan een artikel in het Burgerlijk Wetboek. Dat is niet aan mij als staatssecretaris. Het is aan de minister voor Rechtsbescherming om te beoordelen of het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast zou moeten worden. Tegelijkertijd is er een Europese anti-SLAPP-richtlijn aangenomen en zijn we op dit moment aan het kijken op welke wijze we die moeten implementeren. Die implementatie is voor een deel wel het specifieker beschermen van journalisten en media tegen misbruik van het procesrecht. In die zin zit het dus al in het proces om te komen tot de wens in deze motie. Als ik de motie zo mag lezen dat het aan het kabinet is om te kijken op welke wijze deze wens goed meegenomen kan worden in de implementatie, zou ik deze motie aan de Kamer willen laten. Ik zie de motie ook als een aanmoediging om daar snel en voortvarend mee aan de slag te gaan.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Als de Kamer dat verzoek doet, geleiden we dat volgens mij door naar het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dan zou dat ministerie mogelijkerwijs met een appreciatie komen. Ik geef in ieder geval aan dat de motie oordeel Kamer krijgt, als ik die motie zo mag lezen als ik net omschreven heb.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: De motie op stuk nr. 312 is weer een spreekt-uitmotie.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 313. Na het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2019 over de doelmatigheid bij de landelijke publieke omroep heeft de publieke omroep gelukkig een groot aantal verbeteringen doorgevoerd, onder andere op het gebied van de intake en de verantwoordingsprocessen. Dat maakt dat er nu zowel vooraf als achteraf op uniforme wijze inzage gegeven wordt in de verwachte en de gerealiseerde kosten. Dat biedt ook mogelijkheden om al lopende eigenlijk al die deepdives te doen. In die zin is deze motie ondersteuning van wat er op dit moment al plaatsvindt en kan ik die oordeel Kamer geven. Voorzitter. Ten slotte kom ik bij de motie op stuk nr. 314. Ik zal eerlijk zeggen dat ik wat worstel met deze motie, maar niet omdat ik vind dat de publieke omroep racistische complottheorieën moet kunnen verspreiden. Volgens mij hebben we hier al vaak een debat over gevoerd. Dat is iets wat absoluut niet kan. Het is immers in het strafrecht vastgelegd dat dat niet mag. In die zin is dat in de wet gewoon al geregeld, weliswaar niet in de Mediawet, maar wel in het strafrecht. De vraag is alleen of dat meteen tot intrekking van de omroeplicentie moet leiden. Ik denk dat dat een vergaand ingrijpen door een bewindspersoon is op basis van iets wat door de strafrechter moet worden beoordeeld. Het zegt ook niet meteen per definitie iets over al het werk van die omroep, maar over een bepaalde activiteit van de omroep. We hebben het met elkaar gehad over het belang van de journalistieke code. Ik kan mij voorstellen dat er ook gekeken moet worden naar de wijze waarop die journalistieke code op een goede manier geborgd kan en moet worden in de Mediawet. We hebben met elkaar besproken dat dit onderdeel is van de discussie over het nieuwe stelsel in de Mediawet. In die zin zou ik de heer Ergin willen aanraden om deze motie aan te houden en ons de mogelijkheid te geven om dit mee te nemen bij de nieuwe stelselherziening.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Dat zit voor een deel al in de huidige Mediawet. Het is nu al zo dat er toezicht gehouden wordt op de journalistieke code. Daar wordt deze afweging ook al in meegenomen. Intrekking van de licentie is een van de uiterste instrumenten die daar al in zitten. De vraag is dan wat de bedoeling is. Volgens mij is de intentie duidelijk. Wij hebben geconstateerd dat het goed kunnen borgen van de journalistieke code onderdeel is van de zoektocht waar we nu in zitten op weg naar een nieuw stelsel. Mijn voorganger heeft dat in de brief van december over Ongehoord Nederland en de licentie voor Ongehoord Nederland laten weten. Als ik de motie zo duid en de motie dus op die manier gelezen moet worden, dan zit dat ook al in het proces. Als u mij vraagt om dit nu echt op deze manier te bewerkstelligen, dan denk ik dat we daar eigenlijk te veel op vooruitlopen en dat het ook een heel zwaar instrumentarium is. Ik zeg dit in de wetenschap dat racistisch optreden an sich ook al via het strafrecht bestraft kan worden.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Dat klopt, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Gräper-van Koolwijk: Tot zover.
Bron, video en gesprek →