KamerkringInloggen
Kamerbrief

Aanscherpingen wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders

3 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f0e1adb83fce7212 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 686Wijziging van de Wet marktordeninggezondheidszorg, de Wet toetredingzorgaanbieders, de Jeugdwet en enige anderewetten in verband met de integriteit van debedrijfsvoering van zorg- enjeugdhulpaanbieders (Wet integerebedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders)Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juli 2026Dit kabinet heeft verantwoord ondernemerschap in de zorg en jeugdhulphoog in het vaandel staan. Dit is ondernemerschap dat daadwerkelijkbijdraagt aan goede, toegankelijke en betaalbare zorg en jeugdhulp, nu enin de toekomst. Zodat elke euro die naar de zorg gaat goed terecht komten de belangen van patiënten en jeugdigen centraal staan.Om verantwoord ondernemerschap in de zorg te bevorderen, en daarmeemisbruik van geld dat bedoeld is voor de zorg zoveel mogelijk tegen tegaan, wil het kabinet:•Dezelfde eisen stellen aan alle aanbieders van zorg- en jeugdhulp;ontwijkconstructies lonen niet meer. Er mogen bescheiden winstuitke-ringen worden gedaan, maar alleen als zij niet hoger zijn dan eenmaximumpercentage en voldoen aan strenge voorwaarden.•De regels voor bedrijfsvoering van zorg- en jeugdhulpaanbiedersverder aanscherpen, zodat deze daadwerkelijk bijdragen aan verant-woord ondernemerschap.Het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaan-bieders (Wibz) dat in januari 2025 aan uw Kamer is gezonden, steltrandvoorwaarden aan (financiële) bedrijfsvoering, winstuitkering envergunningverlening en -intrekking voor aanbieders van zorg enjeugdhulp. Dit wetsvoorstel is een stap in de goede richting.Maar er is meer nodig, vindt het kabinet. Uit de reacties op ditwetsvoorstel vanuit de Kamer blijkt dat de voorgestelde normen strenger,duidelijker en meer handhaafbaar kunnen en moeten zijn.Het kabinet wil daarom dit wetsvoorstel aanvullen met strengere normen,zodat voor hoge winstuitkeringen of zelfverrijking in de zorg of jeugdhulpgeen plaats is. kst-36686-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 91 Daarom richt het voorstel zich op het aangeven van grenzen, waarbijwelwillende aanbieders ruimte behouden om hun bedrijfsvoering in terichten op een manier die past bij de aard van de zorg of de jeugdhulp diezij verlenen en de omgeving waarin zij verkeren. De grote opgaven in dezorg, zoals personeelstekorten en wachtlijsten, zijn immers ook gebaat bijvernieuwende ontwikkelingen die de zorg en jeugdhulp ook in detoekomst toegankelijk en beschikbaar houden. Dit vraagt om inves-teerders die gericht zijn op een houdbaar toekomstperspectief voor dezorg en jeugdhulp en die belang hechten aan de kwaliteit van zorg enjeugdhulp en het belang van patiënt en cliënt. De aangescherpte normendie het kabinet voorstelt en toelicht in deze brief zijn gericht op een beterebalans tussen ruimte voor ondernemerschap en een duidelijke normeringaan de voorkant. Daardoor wordt duidelijk wat we van aanbieders in dezorg en jeugdhulp verwachten en wat we normaal vinden, zodat excessenkunnen worden voorkomen.Het is van belang dat de normen voor (financiële) bedrijfsvoering enwinstuitkering duidelijk en handhaafbaar zijn. Daartoe zijn ook verdereaanscherpingen in het wetsvoorstel nodig. Deze aanscherpingen nemenbestaande onduidelijkheden en ongelijkheden weg en voorkomenontwijkconstructies. En zorgen ervoor dat er geen oneerlijke verschillentussen aanbieders ontstaan. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan deverschillende reacties van de Tweede Kamer, aanbieders, toezichthoudersen diverse andere partijen op het wetsvoorstel. Bovendien wordtduidelijkheid verschaft over de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod,mede naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht-spraak Raad van State (de Afdeling).1Hieronder worden de aanscherpingen verder toegelicht. De opbouw vandeze brief is als volgt: als eerste worden de verschillende onderdelen vanhet wetsvoorstel die het kabinet wil aanscherpen toegelicht. Dit zijnachtereenvolgens: 1) aanscherpingen met betrekking tot normen voorwinstuitkering, 2) strengere en duidelijkere normen voor bedrijfsvoering,en 3) een tweetal overige aanscherpingen. Daarna geeft het kabinet eenreactie op een aantal moties en toezeggingen die samenhangen met deonderwerpen van het wetsvoorstel en die hiermee worden afgedaan.Het kabinet bereidt momenteel een nota van wijziging voor, waarin de indeze brief geschetste wijzigingen worden opgenomen. Deze nota vanwijziging zal voor toetsing naar diverse uitvoeringsinstanties wordengestuurd. Vervolgens gaat de nota van wijziging voor advies naar deAfdeling Advisering van de Raad van State, waarna deze aan uw Kamerkan worden aangeboden. Vooruitlopend daarop informeert het kabinet uin deze brief alvast over de voorgenomen wijzigingen.1. Aanscherping normen winstuitkering De huidige regels over winstuitkering in de zorg schieten op een aantalonderdelen tekort. Ten eerste zijn er op dit moment voor veel aanbiedersen sectoren geen grenzen gesteld aan de mate waarin winst kan wordenuitgekeerd. Het risico daarvan is dat er aanbieders zijn bij wie het uitkerenvan winst boven het leveren van goede zorg wordt gesteld. En dat pastniet bij de collectieve financiering en het grote maatschappelijk belangvan de zorg. Daarom wil het kabinet hier grenzen aan stellen. Dezeaanvullende voorwaarden om winst uit te keren worden toegelichtonder 1.1.1ABRvS, 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5089Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 92 Ten tweede zijn de huidige regels over winstuitkering onvoldoende eerlijken handhaafbaar. Het huidige onderscheid tussen wie wel of niet winstmag uitkeren is niet logisch meer. De regels voor winstuitkering zijnverschillend per sector of leveringsvorm, en deze verschillen zijn nietmeer goed uit te leggen. Dit blijkt ook uit de praktijk, signalen vantoezichthouders en de uitspraak van de Afdeling. Het kabinet wil de regelsvoor winstuitkering daarom voor iedereen gelijktrekken: alle aanbiedersvan zorg- en jeugdhulp kunnen een bescheiden winst uitkeren, onderstrenge voorwaarden die voor alle aanbieders gelden. Dan maken deregels geen onderscheid meer tussen hoofd- en onderaannemers. Dit leidter toe dat er geen ontwijkconstructies meer mogelijk zijn en ook geenoneerlijke verschillen meer zijn tussen sectoren. Tevens maakt dit toezichten handhaving van de regels eenvoudiger, waardoor deze in de praktijkmeer effect hebben. De toelichting op deze wijzigingen staat onder 1.2.1.1 Aanvullende voorwaarden winstuitkering Hoewel het huidige wetsvoorstel al diverse randvoorwaarden stelt aanwinstuitkeringen, zoals goede kwaliteit van zorg en een goede financiëlegezondheid van de aanbieder, acht het kabinet verdere aanscherpingennodig om excessieve winstuitkeringen te voorkomen.Beoogd wordt de volgende onderdelen in de nota van wijziging op tenemen of om hierin op wetsniveau een grondslag te creëren om het inlagere regelgeving vast te leggen:a. Maximum percentage winstuitkering Een winstuitkering mag niet hoger zijn dan een maximum percentage vanhet geïnvesteerd vermogen. Met deze eis wil het kabinet duidelijkheidverschaffen over een acceptabel niveau aan winstuitkering in de zorg. Hetkabinet laat nader onderzoek doen naar de hoogte van het maximumper-centage. Met deze aanscherping kunnen aanbieders of investeerders eenbescheiden maar voldoende aantrekkelijk rendement behalen. Tegelij-kertijd heeft de zorg hierdoor minder aantrekkingskracht op malafideaanbieders en investeerders die uit zijn op excessief financieel gewin.Door deze maatregel zullen excessieve winstuitkeringen tot de verledentijd behoren.b. Voldoen aan jaarverantwoordingsplicht De openbare jaarverantwoording is een noodzakelijk instrument voor deNederlandse Zorgautoriteit (NZa) om te kunnen controleren of eenaanbieder een winstuitkering heeft gedaan en geeft inzicht of deaanbieder voldoet aan de voorwaarden om winst uit te keren, zoals definanciële ratio’s2. Voorgesteld zal worden dat het niet voldoen aan dezeverplichting reden is om een winstuitkering te verbieden.c. Geen overtreding normale marktvoorwaarden of onverantwoorderisico’s In het huidige wetsvoorstel zijn twee normen voor bedrijfsvoeringopgenomen waar aanbieders aan moeten voldoen: i) de norm voor hethanteren van normale marktvoorwaarden bij grote transacties met2Een van de voorwaarden voor het uitkeren van winst is dat de financiële gezondheid van deaanbieder op orde is in de zin dat na het doen van winstuitkering de aanbieder zal kunnenblijven voortgaan met het voldoen van de opeisbare schulden en met het leveren van goedezorg c.q. jeugdhulp. Hiervoor worden concrete eisen gesteld in de vorm van vier financiëleratio’s/percentages: EBITDA(R)-marge, rentabiliteit, current ratio en weerstandsvermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 93 verbonden partijen en ii) het verbod op onverantwoorde risico’s bij hetaantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen.Het kabinet vindt het niet passend om een winstuitkering toe te staan alseen aanbieder niet aan deze normen voldoet. Daarom neemt het kabinetin de nota van wijziging de voorwaarde op, dat voor het uitkeren vanwinst ook aan deze normen over bedrijfsvoering in het wetsvoorstelvoldaan moet zijn.1.2 Duidelijker en handhaafbare regels voor winstuitkering De regels voor winstuitkering verschillen op dit moment tussen verschil-lende soorten aanbieders en sectoren, ze zijn onvoldoende eerlijk,duidelijk en handhaafbaar. Er geldt nu een algemeen winstuitkerings-verbod in de zorg, waarvan een aantal specifieke sectoren of leverings-vormen zijn uitgezonderd. Grofweg geldt dit winstuitkeringsverbod voorhoofdaannemers in de intramurale Zvw- en Wlz-zorg, en in de extra-murale medisch specialistische zorg (MSZ). Aanbieders die extramuralezorg leveren (denk bijvoorbeeld aan huisartsenzorg, kraamzorg,mondzorg, paramedische zorg, extramurale GGZ), onderaannemers enjeugdhulpaanbieders mogen wel winst uitkeren3. In de praktijk blijktechter dat in de sectoren waar een winstuitkeringsverbod geldt toch winstwordt uitgekeerd.4 Aanbieders maken bijvoorbeeld gebruik van demogelijkheid om door middel van een onderaannemer winst uit te keren,omdat onderaannemers namelijk niet onder het huidige winstuitkerings-verbod vallen. Een veel gebruikte constructie is de oprichting van eenstichting, waaronder één of meerdere BV’s vallen.Voorbeeld: Een stichting (hoofdaannemer) besteedt de zorg uit aanverschillende BV’s, die zorg verlenen in onderaanneming voor destichting. De winst kan vervolgens via de BV’s worden uitgekeerd,ook in sectoren waar een winstuitkeringsverbod geldt.Een andere methode is dat verschillende vormen van zorg die door éénaanbieder worden geleverd in verschillende entiteiten worden onderge-bracht, waardoor het winstuitkeringsverbod alleen van toepassing is opde entiteit die zorg levert die onder het winstuitkeringsverbod valt, en erwel winst wordt uitgekeerd via de andere entiteiten.Naast de constatering dat in de praktijk winst wordt uitgekeerd in sectorenwaarvoor als uitgangspunt een winstuitkeringsverbod geldt, weegt hetkabinet de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling in de zaakRadiology zwaar mee bij de afwegingen omtrent het vormgeven van eentoekomstbestendige regulering van winstuitkeringen in de zorg enjeugdhulp. De Afdeling heeft in deze zaak geoordeeld dat de Minister hetwinstuitkeringsverbod niet coherent en consistent heeft toegepast:onderaannemers mogen wel winst uitkeren en hoofdaannemers niet. Ditverschil, en waarom dat mag, is onvoldoende gemotiveerd. Dat geldttevens voor het onderscheid tussen «complexe» en «niet-complexe» zorg.De Afdeling oordeelde dat de toepassing van deze regels in de zaak vanRadiology in strijd is met Europees recht. Deze uitspraak zorgt nu vooronduidelijkheid over de toepasbaarheid en handhaafbaarheid van hethuidige winstuitkeringsverbod in de zorg.3Artikel 3.1 Uitvoeringsbesluit Wtzi4Uit de Informatiekaart Dividenduitkeringen in de zorg 2025 van de Nederlandse Zorgautoriteitblijkt dat ook in deze sectoren waarvoor een winstuitkeringsverbod geldt, dividend wordtuitgekeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 94 Het kabinet ziet noodzaak om te voorzien in een meer consistent encoherent systeem van winstuitkering in de zorg. Een systeem dat strikteris dan de huidige praktijksituatie, met strengere voorwaarden.Gekozen is voor regels die de hoogte van de winstuitkering normeren envoorwaarden stellen in welke situaties winst mag worden uitgekeerd. Hetkabinet creëert hiermee een gelijk speelveld voor alle aanbieders: alleaanbieders mogen tot maximaal een acceptabel niveau winst uitkeren,mits wordt voldaan aan strikte voorwaarden. Deze regels gelden voor alleaanbieders in alle sectoren, ongeacht leveringsvorm. Voor hoofd- enonderaannemers. Ontwijkconstructies hebben geen zin meer. Dit isbelangrijk met het oog op conformiteit met het EU-recht. Hoewel hetwinstuitkeringsverbod hiermee komt te vervallen, wordt het beleid en depraktijk rondom winstuitkeringen vanwege de gestelde voorwaardenstrenger dan de huidige, diffuse situatie met een gedeeltelijk winstuitke-ringsverbod.Andere mogelijkheden om winst in de zorg te reguleren hebben volgensdit kabinet niet het gewenste resultaat. Een algeheel winstuitkerings-verbod heeft een ongewenst effect op beschikbaarheid van kapitaal voorhuidige en toekomstige investeringen in de zorg. In diverse sectorenhebben verschillende partijen, als banken en individuen, investeringengedaan die hebben geleid tot efficiënte inzet van mensen of middelen incombinatie met kwalitatief goede zorg. Voorbeelden daarvan zijn tevinden bij bepaalde zelfstandige behandelcentra, passende zorg voorpsychiatrische patiënten aan huis, voorkomen van ziekteverzuim bijmedewerkers en de inzet van digitale ondersteuning en slimme softwarebijvoorbeeld in de back office of bij triage. Ook bij bedrijfsopvolging zijnsoms investeerders nodig. Waar het ook gebruikelijk is een vergoeding tevragen voor het beschikbaar stellen van hun kapitaal: ze lopen immersook het risico dat het géén goede investering is.Met een algeheel verbod op winstuitkeringen zal een groot deel van ditaanbod van investeerders verdwijnen. Als gevolg zullen toekomstigeinvesteringen, die vanwege de grote opgaven in de zorg zoals personeels-tekorten en wachtlijsten juist zo hard nodig zijn, verdwijnen. Dit heeft eendirect effect op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van zorg.Een systeem waarbij per sector of leveringsvorm wordt gekeken ofwinstuitkering mogelijk zou moeten zijn, leidt ook tot ongewenstegevolgen. Als eerste is het moeilijk op grond van voldoende objectievegegevens het onderscheid te maken tussen verschillende sectoren voorwinstuitkering, dit maakt een dergelijk stelsel juridisch kwetsbaar.Daarnaast leidt elk onderscheid dat tussen sectoren wordt gemaakt, totoneigenlijke organisatorische constructies om het verbod te ontwijken. Ditkan ook de gewenste samenwerking over sectoren heen in gevaarbrengen.Concluderend leidt een dergelijk systeem, waarbij onderscheid gemaaktwordt tussen sectoren niet tot een consistent, coherent en toekomstbe-stendig systeem.2. Strengere en duidelijkere normen voor bedrijfsvoering In het huidige wetsvoorstel zijn twee normen voor bedrijfsvoeringopgenomen: normen voor i) het hanteren van normale marktvoorwaardenbij grote transacties met verbonden partijen en ii) om geen onverant-woorde risico’s te nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen ofvreemd vermogen. Uit de reacties op het wetsvoorstel, onder andere inhet verslag van de Tweede Kamercommissie voor Volksgezondheid,Welzijn en Sport en het rondetafelgesprek op 24 maart 2025 in de TweedeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 95 Kamer, blijkt dat ook deze normen aanpassing vergen. Enerzijds gaat ditover de duidelijkheid van de normen, voor zowel aanbieders als toezicht-houder. Anderzijds gaat het ook over de mogelijkheid om strengerenormen te stellen bij ongewenste financieringsconstructies (bijovernames), zoals onder andere door sommige private equity partijengebruikt worden. Dergelijke constructies kunnen immers tot risico’s voorde continuïteit van zorg- en jeugdhulp op de korte of lange termijn leiden.Daarom wordt nu gewerkt aan verbreding van de delegatiegrondslag voordeze normen voor bedrijfsvoering. Op deze manier ontstaat ruimte om denormen verder te concretiseren en te verduidelijken. Hieronder wordendeze aanscherpingen toegelicht.2.1 Normale marktvoorwaarden bij grote transacties met verbondenpartijen Zowel de Tweede Kamer als aanbieders hebben aangegeven datonduidelijk is wat wordt verstaan onder de termen «verbonden partijen»en «van betekenis zijnde transacties». Zij geven aan dat als duidelijk is watonder deze termen wordt verstaan, ook meer duidelijkheid ontstaat overwanneer de gestelde voorwaarden van toepassing zijn. Dit kabinet wil inde algemene maatregel van bestuur (amvb) deze termen uitwerken enverduidelijken. Het opnemen van een delegatiegrondslag in hetwetsvoorstel biedt die mogelijkheid. Doel van de aanpassing is om denorm voor van betekenis zijnde transacties eenvoudiger te maken voorzorg- of jeugdhulpaanbieders. Door vereenvoudiging wordt bovendien deuitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor de NZa vergroot. Ook zorgteen duidelijkere afbakening er voor dat goedwillende zorg- of jeugdhulp-aanbieders zich niet overmatig maatschappelijk gaan verantwoorden omaan de wet te voldoen. Dit kan daarmee ook de administratieve lastenverlagen.Op basis van een bredere delegatiegrondslag kunnen ook extra randvoor-waarden aan van betekenis zijnde transacties worden gesteld. In dat kaderis het de bedoeling om bij amvb een meldplicht op te nemen voorvastgoedtransacties. Op grond van deze meldplicht moeten aanbiedersdie een vastgoedtransactie aangaan met een verbonden partij dit voorafmelden bij de NZa.2.2 Onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigenof vreemd vermogen Uit reacties op het wetsvoorstel van de Tweede Kamer en aanbieders isgebleken dat de norm dat bij het aantrekken of terugbetalen van eigen ofvreemd vermogen geen onverantwoorde risico’s mogen wordengenomen, als onduidelijk wordt ervaren. Daarom is het de bedoeling ombij nota van wijziging een delegatiegrondslag aan deze bepaling toe tevoegen. Daarmee kan duidelijkheid worden gegeven wat als onverant-woorde risico’s worden gezien.Op basis van deze delegatiegrondslag kunnen dan ook extra voorwaardenaan financieringsconstructies worden gesteld. De aanscherping die hetkabinet wil opnemen is het beperken van schulden, aangegaan door deaankoper, die bij een overname worden afgewenteld op de zorg- ofjeugdhulpaanbieder. Veel private equity partijen of andere investeerdersgaan een lening aan om een overname te financieren. Deze lening zettenzij vervolgens op de balans van de overgenomen zorg- of jeugdhulpaan-bieder. Deze constructie geeft (continuïteits)risico’s voor de aanbieder,omdat deze nu aansprakelijk is voor het terugbetalen van deze schulden.Dit kan leiden tot bijvoorbeeld een te grote productieprikkel om voldoendeomzet te behalen of het snijden in de kwaliteit van zorg of jeugdhulp omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 96 kosten te verminderen. Met deze constructie kan het rendement voor deinvesteerder toenemen, maar neemt tegelijkertijd de kwetsbaarheid vanzorg- of jeugdhulpaanbieders bij tegenvallende financiële resultaten toe.Met deze aanscherping wil het kabinet de uitwassen van private equityinperken, en de financiële risico’s voor zorg- en jeugdhulpaanbiedersbeperken.3. Overige aanscherpingen Tot slot is het kabinet voornemens om, naar aanleiding van signalen vantoezichthouders, ook nog twee andere aanscherpingen op te nemen in denota van wijziging. De eerste is een «stopregeling». Dit wordt nadertoegelicht onder 3.1. En de tweede betreft het opnemen van een extraintrekkingsgrond voor de Wtza-vergunning, namelijk de eis van hetvoldoen aan de verplichting tot jaarverantwoording. Deze maatregelonderstreept het belang van de openbare jaarverantwoording voor deNZa om te kunnen controleren of een aanbieder voldoet aan devoorwaarden voor (financiële) bedrijfsvoering en winstuitkering. Dezeaanscherping wordt beschreven onder 3.2.3.1 Stopregeling Momenteel geldt dat als een aanbieder stopt met het leveren van zorg ofjeugdhulp, zij niet meer aan de wettelijk definitie voldoen van zorgaan-bieder of jeugdhulpaanbieder. Het gevolg daarvan is dat deze voormaligeaanbieders niet langer verplicht zijn om de bepalingen van de Wetmarktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Jeugdwet na te leven. Voorniet-integere aanbieders kan dit een route zijn om de regels te ontwijkenen er bijvoorbeeld met onrechtmatig uitgekeerde winsten vandoor tegaan.5Een voorbeeld: Aanbieder A B.V. doet een winstuitkering in strijd metde wet (Wmg of Jeugdwet). Vervolgens stopt aanbieder A B.V. methet aanbieden van zorg. De NZa kan hem dan niet meer verplichtenom de winstuitkering terug te halen bij de ontvangers daarvan. Ookkan de NZa A B.V. niet meer verplichten om een jaarverantwoordingin te dienen, waarmee ook de integriteit van de bedrijfsvoering overhet laatste jaar niet meer goed zichtbaar is.De stopregeling, die geldt als een anti-misbruikbepaling, regelt datvoormalige zorg- en jeugdhulpaanbieders moeten blijven voldoen aan deverplichtingen die bestaan op grond van de Wmg of de Jeugdwet, zoalsde administratieverplichtingen, openbare jaarverantwoording envoorwaarden voor winstuitkeringen. Dit geldt over de periode dat zij eenzorg- of jeugdhulpaanbieder waren. De rechtsopvolger, of als deze er nietis, de (voormalig) bestuurders blijven daarop dus ook aanspreekbaar doorde NZa. Een voormalige aanbieder kan een onderzoek of een maatregelvan de NZa na invoering van de stopregeling niet meer ontwijken door dezorg- of jeugdhulpaanbieder snel op te heffen. Een voorbeeld is dat devoormalige zorg- of jeugdhulpaanbieder op grond van de Wmg of deJeugdwet verplicht blijft om onrechtmatige winstuitkeringen terug tehalen bij de ontvangers ervan. Op die manier kan de NZa nog eenhandhavende maatregel jegens de voormalige aanbieder (of diens(voormalig) bestuurder, als er geen opvolger is) opleggen. Verder wordt5Een veel gebruikte toepassing om een rechtspersoon te beëindigen is een turboliquidatie. Zievoor een nadere toelichting het rapport van het Informatieknooppunt Zorgfraude: «Turboliqui-daties en voortzettingen in de zorg».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 97 op grond van dezelfde wetgeving een slot-jaarverantwoording verplichtgesteld.In het voorbeeld: Door de nieuwe «stopregeling» blijft A. B.V. opgrond van de Wmg of de Jeugdwet verplicht een jaarverant-woording in te dienen en ten onrechte gedane winstuitkering terugte vorderen over het jaar waarin hij nog zorg- of jeugdhulpaanbiederwas. Als A. B.V. niet meer bestaat kunnen haar rechtsopvolger ofanders iedere voormalig bestuurder door de NZa aangesprokenworden op het (alsnog) naleven van de wettelijke verplichtingen.3.2 Jaarverantwoording toevoegen als intrekkingsgrondtoelatingsvergunning Door middel van een openbare jaarverantwoording kunnen alle zorg- enjeugdhulpaanbieders worden aangesproken op de continuïteit van dezorgverlening, integriteit en professionaliteit van de bedrijfsvoering. Deopenbare jaarverantwoording is daarom onder andere een noodzakelijkinstrument voor het extern toezicht op de Wibz door de NZa en IGJ. Alseen aanbieder de verplichting tot het openbaar maken van de jaarverant-woording niet naleeft, kunnen bestuursrechtelijke sancties door de NZaworden opgelegd. Ondanks deze bestuursrechtelijke sancties die de NZaoplegt zijn er aanbieders die meerdere boekjaren achter elkaar onjuist,onvolledig of niet (tijdig) een jaarverantwoording openbaar hebbengemaakt. In dat geval is er een bewuste keuze door de aanbieder gemaaktom niet-transparant te zijn naar de maatschappij, stakeholders of externetoezichthouders. Omdat het kabinet dit een onwenselijke situatie vindt,wordt in de nota van wijziging opgenomen dat de toelatingsvergunningkan worden ingetrokken bij meerjarige overtreding van de verplichting totaanlevering van de jaarverantwoording.Moties en toezeggingenHieronder geeft het kabinet in het verlengde van bovenstaande haarreactie op enkele aangenomen moties welke betrekking hebben op deaanscherpingen van de Wibz. Deze worden met deze brief afgedaan.Motie Bushoff – terugvorderen uitgekeerde winstenDe motie van het lid Bushoff betreffende het terugvorderen van zorggeldbij een uitgekeerde winst wordt meegenomen in de aanscherpingen vande Wibz in de vorm van de zogenoemde stopregeling welke hierbovenverder is toegelicht. Hierbij beschouwt het kabinet deze motie alsafgedaan.6Motie Dobbe en Westerveld – centraal register private equity in de zorgDe motie van de leden Dobbe en Westerveld die vraagt om een centraalregister voor private equity partijen die actief zijn binnen zorg- enjeugdhulpaanbieders acht het kabinet niet wenselijk7. Een dergelijkregister heeft geen directe invloed op het gedrag van deze partijen en ookpakt het de excessen van private equity niet aan. Het kabinet is welvoornemens om, zoals eerder in deze brief toegelicht, voorwaarden testellen aan financieringsconstructies, om daarmee de uitwassen ennegatieve gevolgen van private equity daadwerkelijk in te perken.Bovendien is het juridisch niet te onderbouwen waarom enkel privateequity partijen geregistreerd moeten worden, en niet andere type6Kamerstukken II, 2024/2025, 33 578, nr. 1587Kamerstukken II, 2023/2024, 36 410 XVI, nr. 101Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 98 investeerders (zoals andere commerciële partijen of banken). Temeeromdat uit onderzoek vooralsnog niet blijkt dat er aantoonbare negatieveverschillen zijn in kwaliteit, toegankelijkheid, en betaalbaarheid van zorgtussen private equity gefinancierde instellingen en andere aanbieders.8Een private equity register kan ook werken als een zwarte lijst metnegatieve gevolgen voor aanbieders die een investering van privateequity partij ontvangen, terwijl er geen andere aanleiding hoeft te zijn omdeze investeerders negatief te bejegenen. Tot slot verhoogt dezemaatregel de administratieve lasten. Het kabinet vindt opvolging van dezemotie om bovenstaande redenen niet wenselijk. De motie wordt hiermeebeschouwd als afgedaan.Motie Bushoff en Dijk – inperken van de lijst uitzonderingen winstuitke-ringsverbodDe motie van de leden Bushoff en Dijk verzoekt om het inperken van delijst met uitzonderingen op het winstuitkeringsverbod en enkel zorgaan-bieders uit te zonderen van het winstuitkeringsverbod waarvan kanworden onderbouwd dat een winstoogmerk noodzakelijk is voor deverlening van zorg.9 Het inperken van een winstoogmerk heeft te veelnegatieve gevolgen voor de toegankelijkheid en continuïteit van zorg. Hetinperken van de lijst met uitzonderingen op het winstuitkeringsverbodacht dit kabinet niet wenselijk. Dit kabinet wil de benodigde investeringenin de zorg en jeugdhulp stimuleren en neemt daarom de mogelijkheid opom een bescheiden winstuitkering te doen en stelt strikte voorwaardenaan winstuitkering. En zoals in deze brief aangegeven, is het juridischlastig te onderbouwen waarom voor sommige aanbieders winst uitkerennoodzakelijk is en voor anderen niet. Dat blijkt ook uit de uitspraak van deRaad van State betreffende het huidige winstuitkeringsverbod. Gezien denoodzaak om een winstuitkeringsverbod consistent en coherent toe tepassen, acht het kabinet deze motie niet uitvoerbaar. Maar door strikterevoorwaarden te stellen aan winstuitkering wordt het beleid en de praktijkrondom winstuitkeringen duidelijker en strenger dan de huidige, diffusesituatie met een gedeeltelijk winstuitkeringsverbod.Motie Dijk – aansprakelijkheid private equity bedrijven voor veroorzaakteschadeDe motie van het lid Dijk verzoekt eigenaren van private equity bedrijvenaansprakelijk te stellen voor de schade die zij veroorzaken.10 Het aanspra-kelijk stellen van bedrijven of personen voor schade die zij veroorzaken, isreeds mogelijk op grond van het civiele recht. Er is geen aanleiding om teveronderstellen dat de huidige regels van het aansprakelijkheidsrecht nietvoldoen. Zo zijn er bijvoorbeeld op grond van Boek 2 van het BurgerlijkWetboek (BW) reeds mogelijkheden om bestuurders om toezichthoudersaansprakelijk te stellen, dit kan ook als overeenkomsten met investeerderszijn aangegaan die ertoe leiden dat de rechtspersoon in financiëleproblemen komt.11 Het kabinet ziet geen aanleiding om specifiek voorprivate equitybedrijven andere aansprakelijkheidsregels op te stellen. Welzet het kabinet in op het tegengaan van uitwassen van onder meerinvesteringen door private equitybedrijven. Bijvoorbeeld door hetbeperken van schulden, aangegaan door de aankoper, die bij eenovername worden afgewenteld op de zorg- of jeugdhulpaanbieder. Dit isin deze brief reeds aan de orde geweest.8https://rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/04/08/onderzoek-private-equity-in-de-zorg9Kamerstukken II, 2023/2024, 36 410 XVI, nr. 14410Kamerstukken II, 2024/2025, 33 578, nr. 14711Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 17 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 99 Motie Dijk – overname- en fusiestop voor private equity bedrijvenOver de motie van het lid Dijk betreffende een overname- en fusiestop inde zorg voor private-equity bedrijven12 wordt het volgende opmerkt.Private equity partijen kunnen een belangrijke rol spelen bij de opvolgingvan zorgaanbieders. Een volledige overname- en fusiestop voor privateequity bedrijven zou de toegankelijk van zorg en jeugdhulp in gevaarbrengen. Dit is niet wenselijk. Ook is er op dit moment geen dragendemotivering waarom een overname- en fusiestop bij private equitybedrijven nodig is en waarom dat niet zou gelden voor niet-private equitygefinancierde overnames en fusies in de zorg. Dit maakt een dergelijkemaatregel juridisch zeer kwetsbaar. Bovendien gaat een dergelijkemaatregel de onwenselijke praktijken van een bepaald type investeerderniet tegen. Deze onwenselijke gedragingen komen namelijk niet alleenvoor bij private equity investeerders. Daarom richt het kabinet zich op hettegengaan van uitwassen, die bij allerlei soorten investeerders voorkunnen komen en niet enkel op uitwassen door investeringen van privateequity partijen. De aanscherpingen die het kabinet in dat kader voorsteltzijn toegelicht in deze brief.Daarnaast wil het kabinet fusies en overnames in de zorg strengertoetsen. Dit doet het kabinet met het wetsvoorstel zorgspecifiekefusietoets13. De motie betreffende een overname- en fusiestop acht hetkabinet daarom niet uitvoerbaar.Motie Bushoff – onderzoek naar private equity bedrijven in de zorgsectorEr is in 2024 onderzoek gedaan naar private equity in de zorg. Het kabinetziet daarom geen aanleiding tot een nieuw onderzoek naar private equityin de gehele zorgsector, waar de motie van het lid Bushoff betreffende hetonderzoeken van private-equity bedrijven in de gehele zorgsector14 omvraagt. Het is bovendien de vraag of een nieuw onderzoek veel nieuweinzichten oplevert. Voor de aanscherpingen in de Wibz is met veelverschillende partijen gesproken over private equity en winstuitkeringenin de zorg en jeugdhulp en daarbij een goed beeld gevormd van depraktijk. Aanvullend onderzoek brengt kosten met zich mee, maar leidtnaar verwachting niet tot nieuwe inzichten.Vervolg wetsvoorstel WibzKomende periode vindt toetsing van en advisering op de nota vanwijziging plaats. Na afronding hiervan zendt het kabinet de nota vanwijziging op het wetsvoorstel en de nota naar aanleiding van het verslagzo spoedig mogelijk naar de Kamer.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. Sterk12Kamerstukken II, 2024/2025, 33 578, nr. 14813Kamerstukken II, 2024/2025, 31 765, nr. 89914Kamerstukken II, 2024/2025, 33 578, nr. 150Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 686, nr. 910

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bf5db1e15e86ceb6

14 okt 2026 · eb9a55e3d741e1c8

12 okt 2026 · 59b8fa58f1b4231d

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.