Versterking voor een circulaire economie juni 2026
Brontekst
Versie 75f5fd8ca12e240f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 852Grondstoffenvoorzieningszekerheid30 872Landelijk afvalbeheerplanNr. 406 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 juni 2026Een tijdige transitie naar een circulaire economie draagt niet alleen bij aande klimaatopgave maar is door het belang van strategische grondstoffenin de huidige geopolitieke situatie alleen maar urgenter geworden. Hetkabinet streeft omwille van verduurzaming, concurrentiekracht enweerbaarheid naar een volledig circulaire economie in 2050. In hetcoalitieakkoord heeft het kabinet daarom de ambitie neergelegd om hetNationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) te versterken.In deze brief informeer ik u over de focus die het kabinet de komendejaren wil aanbrengen om die versterking vorm te geven. Ik zal alscoördinerend Minister voor het circulaire-economiebeleid met mijncollega’s in het kabinet in gesprek gaan over de uitwerking en u hieroverlater dit jaar informeren. Daarnaast schets ik in deze brief enkele ontwikke-lingen ten aanzien van o.a. doorontwikkeling van beleidsinstrumenten enuitgevoerde onderzoeken.Kiezen voor opschalingVan pilots, first of a kind-installaties en koploperbedrijven naar dereguliere economie in Nederland: in de transitie naar een circulaireeconomie is een schaalsprong nodig. Dat is de conclusie van velegesprekken met het bedrijfsleven en menig rapportage. De transitie naareen circulaire economie is een systeemtransitie, met omvangrijketechnologische, economische en sociale vraagstukken: van productenanders ontwerpen en produceren, zodat we producten langer (kunnen)gebruiken, naar het overstappen op nieuwe businessmodellen.Voor opschaling of het mainstreammaken van een circulaire economiemoet een economische propositie ontstaan waardoor partijen circulairkunnen ondernemen.Dat vraagt om een structurele vraag naar circulaire producten, wetgevingdie een stip op de horizon biedt via doelen en normen, kennis van ketens, kst-32852-406ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4061 versterkt instrumentarium en bereidheid om de lineaire economie uit tefaseren.Voor een doeltreffende opschaling is het nodig met enkele productketenste starten. Omdat ze van grote economische waarde zijn voor Nederland,in de ketens zelf al een krachtige beweging richting circulariteit is ontstaanen deze dus klaar zijn voor een schaalsprong. In de komende jaren wil hetkabinet het NPCE versterken met meer focus op de uitvoering enopschaling van circulaire oplossingen in de praktijk en een gelijk speelveldcreëren door knelpunten weg te nemen. We benutten onze sterkeuitgangspositie in de circulaire economie, met kansen voor circulairebouw, groene chemie (waaronder circulair plastic), en elektronica. Dezezijn verbonden aan (maatschappelijke) urgente opgaven waarvoorcirculariteit oplossingen biedt en betreffen (kritieke) grondstoffen waarvande leveringszekerheid op het spel staat. Ook bestaan er al samenwerkings-vormen op deze drie onderwerpen die het mogelijk maken een volgendestap te zetten.Uiteraard blijven we daarnaast kansen verkennen en pakken in anderesectoren, in het bijzonder waar deze bijdragen aan het verlagen van onzeCO2-voetafdruk.Samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ende Minister van Infrastructuur en Waterstaat, die verantwoordelijk zijnvoor de bouwsector, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,vanuit onze gedeelde verantwoordelijkheid voor secundaire bouwstoffenen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, vanuit onzegedeelde verantwoordelijkheid voor elektrische en elektronischeapparaten, wil ik, ook vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de chemie-sector, de handen hiervoor ineenslaan. Onderstaande ontwikkelingen enonderzoeken kunnen we daarbij goed benutten.Voor het einde van het jaar zult u nader geïnformeerd worden over destand van zaken en welke stappen we willen zetten om tot opschaling tekomen. Ook zal worden aangegeven hoe we de verwachte effecten ervanzullen meten.Werken aan een circulaire economieHieronder schets ik ontwikkelingen, ook de uitvoering van enkeleNPCE-maatregelen, die de beweging naar een circulaire economieondersteunen. Ik wil benadrukken dat het een actuele stand van zakenbetreft van slechts een deel van wat er gebeurt voor de transitie.Groene chemie1.Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstof2.Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAMBouw3.Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWW4.Milieuprestatie-eisen voor de Grond-, Weg- en Waterbouw5.MKI-ondersteuningspunt6.Toezegging PCB’s in gebouwenElektrische en elektronische apparaten7.Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voorelektrische en elektronische apparatuur in KaderverordeningEcodesign8.Stand van zaken Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronischeapparatenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4062 Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)9.Ketentafels NPCE10.Nationale circulaire doelen voor productgroepen11.Toezegging overzicht budgetten en instrumenten circulaireeconomieEuropees beleid en wet- en regelgeving12.Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire Voertuigenverorde-ning13.Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)14.Beleidsagenda emissiereductie productketenKaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer15.Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenginguitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval16.Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzakeCMP17.Stand van zaken Werkprogramma storten18.Internetconsultatie Kaderwet Circulaire EconomieProductbeleid19.Vervolgonderzoek reparatiebonus20.Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheidvoor meubels21.Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel tebeperken22.Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmaliggebruik23.Verkenning inzameldoelstellingen VerpakkingenverordeningSociaaleconomisch24.Onderzoek circulaire arbeidsmarkt25.Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitieGroene chemieOm de chemische industrie te verduurzamen is het niet alleen nodig dater wordt overgestapt op duurzame energie, maar moet ook in het belangvan onze strategische onafhankelijkheid het grondstoffengebruik zoveelmogelijk van fossiel af. Dit betekent dat de chemie voor haar grondstof-fengebruik moet overstappen van koolstof uit fossiele bronnen zoals olieof aardgas, naar duurzame koolstof op basis van secundaire grondstoffenuit (plastic) recycling, duurzame biogrondstoffen of niet-fossiele CO2. Hetgewenste grondstoffengebruik van de chemie van 2050 en de route daarnaartoe is beschreven in de kabinetsvisie op Duurzame Koolstof in deChemische Industrie.1 In de transitie naar een circulaire en klimaatneutraleeconomie zijn duurzame biogrondstoffen onmisbaar. Deze zijn ookschaars. Daarom moeten keuzes gemaakt worden over de inzet vanduurzame biogrondstoffen. Het Duurzaamheidskader biogrondstoffen2geeft hier richting aan. In de EU wordt voor de zomer gestart met deimplementatie van het Strategisch kader voor een concurrerende enduurzame bioeconomie in de EU3.Een belangrijke pijler in de opschaling van circulaire plastics zijn deGroeifonds programma’s CPNL en Biobased Circular. Van het programmaBiobased Circular heb ik namens een breed consortium een briefontvangen waarin ik verzocht word om de overheidssteun voor de1https://open.overheid.nl/documenten/0f65d08e-cc22-4668-ad7b-8c29d48de98a/file2Kamerstukken 32 813 en 31 239, nr. 617 en Kamerstukken 32 813 en 31 239, nr. 10393EUR-Lex - 52025DC0960 - EN - EUR-LexTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4063 opschaling van biomaterialen te continueren. Ik zal hierover met mijncollega’s in het kabinet in gesprek gaan.1. Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstofIn de Kamerbrief Duurzame Chemie4 is geconstateerd dat groenevraagcreatie, bij voorkeur op Europees niveau, essentieel is voor detransitie van fossiele naar duurzame koolstof in de chemische industrie.Om die reden is er een onderzoek uitgevraagd naar de productgroependie het meest geschikt zijn om de toepassing van duurzame koolstof in dechemische industrie te stimuleren middels vraagcreatie in Europeesbeleid. In het rapport «From Why to How: Creating Market Demand forSustainable Carbon» van Haskoning (bijlage 1), worden op basis vanEuropese productievolumes van chemische producten en door te kijkennaar de kosten, technologische volwassenheid en milieueffecten van eenselectie van duurzame alternatieven, geadviseerd om minimum aandelenvan duurzame koolstof te verplichten in productgroepen in textiel enverpakkingen. Deze aanbeveling is ondersteunend aan en wordt gebruiktvoor de inzet van het kabinet binnen onder andere de ESPR en PPWR enin de werkgroep gericht op groene vraagcreatie in de Critical ChemicalAlliance.2. Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAMHet rapport «Verkenning mogelijkheden voor de uitbreiding van hetCBAM naar de kunststofsector» van Ecorys (bijlage 2) onderzoekt hoe hetEuropese Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) kan wordenuitgebreid naar plastics. Het doel van het CBAM is om koolstoflekkage tevoorkomen door een koolstofprijs te heffen op ingevoerde goederen uitlanden van buiten de Europese Unie. Het rapport identificeert drieuitdagingen om het CBAM voor de kunststofsector goed uit te voeren: hetmeten van ingebedde emissies, de administratieve lasten, en risico’s opfraude. De onderzoekers concluderen dat het CBAM het meest effectiefwerkt als het instrument voor de gehele kunststofketen geldt. Eengedeeltelijke invoering voor basischemicaliën, monomeren en polymerenbinnen specifieke chemische waardeketens lijkt beter uitvoerbaar, maarkent een weglekrisico via downstream producten. Dit betekent dat hetonder CBAM brengen van deze producten nu niet realistisch lijkt vanwegecomplexe uitvoering.Dit neemt niet weg dat in de tussentijd naar andere mogelijkhedengekeken moet worden. Daar waar CBAM geen bescherming kan biedenvoor het tegengaan van oneerlijke concurrentie, blijft Nederland zich inEuropees verband inzetten voor betere en effectievere instrumenten omkoolstoflekkage tegen te gaan. Zo werkt Nederland binnen de CriticalChemical Alliance aan voorstellen voor het stimuleren van de vraag naargroene chemie. Ook zet Nederland zich richting de aanstaandeETS1-herziening in voor een herverdeling van de toewijzing van gratisrechten en verbeterde investeringsstimulans voor ETS-sectoren. Ten slotteis Nederland betrokken bij de Circular Plastics Alliance (CPA) en haarwerkgroepen. De Commissie heeft de CPA eerder dit jaar opnieuw in hetleven heeft geroepen met als doel het versterken van het mondiale gelijkespeelveld voor Europese plasticbedrijven. In samenwerking met de sectorwordt er gewerkt aan het in kaart brengen van de belangrijkste marktont-wikkelingen, uitdagingen en prioriteiten om zo mogelijke handelsmaatre-gelen te identificeren.4Kamerstukken II 2025–2026, 32 813, nr 1540Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4064 BouwDe woningbouw is een van de grote maatschappelijke opgaves voor ditkabinet en ook voor de infrastructuur ligt er een grote opgave. Er gaanenorme hoeveelheden grondstoffen en materialen in de bouw om.Daarom is de toepassing van andere, meer duurzame, bouwmaterialeneen belangrijke pijler in de transitie naar een circulaire bouweconomie,met winst voor circulariteit, klimaat en milieu.3. Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWWEind 2023 is de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) gelanceerd.De NABB heeft als doel een markt voor biobased bouwen te ontwikkelen.Het programma is een samenwerking tussen de Ministeries VRO, EZK enLVVN. Binnen de NABB wordt gewerkt aan de opzet en opschaling van dehele biobased bouwketen, van de productie van vezelgewassen tot en metde toepassing van eindproducten in de bouw (zowel de burgerlijke enutiliteitsbouw (B&U) als de GWW). Voor de NABB is € 200 miljoenbeschikbaar gesteld uit het Klimaatfonds. Dit geld is verdeeld over deverschillende betrokken ministeries. Met het in procedure brengen van denormerende maatregel (het wetsvoorstel «Milieuprestatie-eisen voor deGWW» – zie punt 4 hieronder) komt het laatste deel van de stimulerings-middelen voor de GWW uit het Klimaatfonds beschikbaar (het gaat om€ 10,6 miljoen). Binnen de NABB worden de middelen tot en met 2030ingezet om de toepassing van biobased producten in de GWW op teschalen.De opschaling moet resulteren is schaalvoordelen zodat investeringen vanondernemers terugverdiend kunnen worden. Daarnaast moeten opdracht-gevers in de GWW de transitie maken naar het uitvragen en toepassenvan andere (bouw-) materialen. Het doel is een zelfstandig werkendemarkt voor biobased bouwmaterialen aan het einde van de NABB.Het merendeel van het geld komt terecht bij bedrijven in de GWW die eenbiobased product optimaliseren en testen, zodat deze op grote schaalcommercieel kan worden toegepast. Een mooi voorbeeld is een innovatie-partnerschap naar bioverrijkt asfalt, dat in het najaar van 2025 is gestart.In bioverrijkt asfalt wordt het bitumen dat uit aardolie wordt gewonnen(deels) vervangen door natuurlijke producten die onder andere uit de teeltvan gewassen kunnen worden gemaakt. Door deze vervanging wordt deCO2-impact van het asfalt significant verlaagd. Een coalitie van 16publieke opdrachtgevers trekt binnen het innovatiepartnerschapgezamenlijk op. De eerste fase van het innovatiepartnerschap is gericht oponderzoek en ontwikkeling van het asfalt. In het najaar van 2026 worden,verspreid over de 16 opdrachtgevers, proefvakken aangelegd metbioverrijkt asfalt. Door intensief te testen en monitoren worden onderandere de levensduur en kwaliteit van het asfalt bepaald. De tweede fasevan het innovatiepartnerschap is de commerciële fase. Hierin worden deontwikkelde producten toegepast in werken die worden uitgevoerd bij deverschillende opdrachtgevers.In 2025 is ook een Innovation Impact Challenge (IIC) gestart op het gebiedvan biobased geotextiel en drainagebuizen. Deze IIC is een innovatiecom-petitie die wordt uitgevoerd door RVO in opdracht van het MinisterieIenW. Binnen deze competitie worden ondernemers uitgedaagd om hunbiobased producten verder te ontwikkelen richting producten die rijp zijnvoor de markt. Vanuit de NABB is geld beschikbaar om ontwikkelkosten tevergoeden.In de loop van 2026 worden nog meer innovatiepartnerschappenopgestart. In de eerste helft van 2026 start het innovatiepartnerschapTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4065 biobased geluidschermen (in samenwerking met Rijkswaterstaat) en latervolgen biobased oeverbescherming en biobased brugonderdelen.Biobased grondstoffen die in deze producten worden toegepast zijn onderandere hout, miscanthus, vlas en wilg. De productie van deze grond-stoffen is bij toenemende vraag voldoende op te schalen.Ook wordt de mogelijkheid van een launching customer-regelinguitgewerkt, waarbij aanbesteders éénmalige (meer-)kosten vergoedkunnen krijgen. Ondernemers worden zo geholpen bij het vergroten vanhet aanbod van biobased producten. Het NABB richt zich ook op deopdrachtgevers in de GWW. Door hen actief te betrekken bij de ontwik-keling van biobased producten in de GWW, wordt het voor hen meerstandaard om biobased producten uit te vragen en toe te passen. Met decombinatie van de gekozen instrumenten is beoogd om het grootstmogelijke effect met beperkte financiële middelen te bereiken. Dit allesmoet er toe leiden dat aan het eind van het programma (2030) zowel devraag naar als het aanbod van biobased producten in de GWW isopgeschaald.4. Milieuprestatie-eisen voor de grond-, weg- en waterbouwHet Ministerie van EZK werkt aan een wijziging van de Wet milieubeheerom de milieu-impact van de Grond-, Weg-, en Waterbouwsector (GWW) teverlagen en eenduidigheid in inkoop te realiseren.5 Met het wetsvoorstelkomt er een verplichting voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven om milieuprestatie-eisen mee te nemen in aanbeste-dingen in de GWW. De milieuprestatie wordt mede bepaald aan de handvan de milieukostenindicator (MKI). Het wetsvoorstel regelt de volgendetwee onderwerpen:1)Aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven worden verplichtom minimumeisen aan de milieuprestatie van de meest impactvollematerialen (beton en asfalt) te stellen.De prestatie-eisen zijn erop gericht om het minder goed presterendedeel van de markt te verbeteren. Door een ondergrens voor milieu-prestatie in de markt te hanteren neemt de milieu-impact van dematerialen af. De uniforme ondergrens zorgt voor een gelijk speelveldvoor ondernemingen en biedt een duidelijk perspectief voor hetinvesteren in verduurzaming van de productie.2)Bij de aanbesteding van grote werken moet milieuprestatie wordenmeegewogen in de gunning.Deze maatregel heeft als doel om partijen structureel uit te blijvendagen. Door milieuprestatie mee te laten wegen in de gunning van eenwerk, maken partijen die op dit gebied verder gaan dan anderen meerkans om een opdracht te winnen. Voor partijen in de sector is hethiermee aantrekkelijk om te innoveren.Milieuprestatie-eisen worden op dit moment nog maar deels meege-nomen in aanbestedingen van GWW-werken. Ook is de wijze vantoepassing verschillend per opdrachtgever. Door uniforme eneenduidige eisen te verplichten ontstaat een duidelijk perspectief voorde markt en weten partijen waarin ze in kunnen gaan investeren. Meeruniformiteit en eenduidigheid is een breed gedragen wens binnen debouwsector.Er is brede steun voor het wetsvoorstel onder brancheorganisaties,bedrijven en overheden. Dat blijkt ook uit de reacties op de internetconsul-tatie en stakeholderconsultaties die de afgelopen tijd zijn georganiseerdom input op te halen voor het wetsvoorstel. Het voornemen is om hetwetsvoorstel voor het zomerreces in te dienen bij de Tweede Kamer.5Kamerstukken II 2023/24, 32 813, nr. 1397 en Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1520Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4066 Daarnaast wordt momenteel in een algemene maatregel van bestuur hetwetsvoorstel nader uitgewerkt. Hierin wordt omschreven voor welkematerialen de minimumeisen gaan gelden en wanneer een groot werkonder de verplichting valt. Ook bevat het besluit nadere regels over debeoordelingsmethodiek. Het voornemen is om de internetconsultatie vande algemene maatregel van bestuur in juli te starten.5. MKI-ondersteuningspuntUit stakeholderconsultaties komt naar voren dat met name kleineaanbestedende diensten ondersteuning kunnen gebruiken bij devoorbereiding op de wetgeving «milieuprestatie-eisen voor de GWW».Daarom is in maart 2026 een MKI-ondersteuningspunt opgericht bijPIANOo (het expertisecentrum aanbesteden bij de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO)6). Het MKI-ondersteuningspunt gaatdiverse kennisinstrumenten ontwikkelen om ondersteuning te bieden,zoals handreikingen, voorbeeldteksten en projectervaringen. De inzet vanhet MKI-ondersteuningspunt is er zoveel mogelijk op gericht om deaanbestedende diensten te helpen om te werken met MKI en hen zo voorte bereiden om te voldoen aan de wet en hen zodoende in staat te stellenversneld de milieu-impact van hun projecten te verlagen.6. Toezegging PCB’s in gebouwenOp verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeftTAUW in 2024 een inventariserend onderzoek gedaan om meer zicht tekrijgen op de toepassing van polychloorbifenylen (PCB’s) in gebouwen enbouwwerken. PCB’s zijn al enkele decennia geleden verboden vanwege deschadelijkheid van deze stoffen voor het milieu en de gezondheid, maarzijn voorafgaand aan dat verbod toegepast in gebouwen of bouwwerken.De conclusie van Tauw was dat een aanvullend meetonderzoek nodig wasom tot wetenschappelijk solide conclusies te kunnen komen ten aanzienvan mogelijke blootstellingsrisico’s aan PCB’s in gebouwen. Deverwerking van PCB-houdend afval moet milieuhygiënisch verantwoorden conform de Arbeidsomstandighedenwetgeving plaatsvinden.PCB-houdend afval moet krachtens de verordening van persistenteorganische verontreinigingen (POP’s) worden vernietigd. In het CirculairMaterialenplan zijn voor PCB-houdend afval specifieke richtlijnenopgenomen om mens en milieu te beschermen. De bevindingen uit hetinventariserend onderzoek zijn zoals toegezegd aan de Kamer onder deaandacht gebracht van de Ministeries van BZK en SZW. Eventuelevervolgstappen naar aanleiding van het onderzoek kunnen door dezeministeries worden genomen. Met bovenstaande is de toezeggingafgedaan.Elektrische en elektronische apparatenIn veel elektrische en elektronische apparaten (EEA) zijn kritieke grond-stoffen verwerkt. Met de geopolitieke ontwikkelingen zijn we er steedsmeer van doordrongen dat we voor de beschikbaarheid van kritiekegrondstoffen minder afhankelijk moeten zijn van andere landen. Circula-riteit kan bijdragen om strategische autonomie te bereiken. Er zijncirculaire doelen vastgesteld voor EEA en er bestaat, ook vanuit de EU,handelingsperspectief voor producenten en consumenten. Er ligt eenbelangrijke relatie tussen EEA en batterijen, die ik in de beleidsagendaCirculariteit kritieke grondstoffen uitlicht. Hierover wordt de Kamergeïnformeerd in een brief over de Nationale Grondstoffenstrategie.6Milieukostenindicator (MKI) | PIANOo - Expertisecentrum AanbestedenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4067 7. Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voorelektrische en elektronische apparatuur in Kaderverordening EcodesignHet rapport «Minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voorEEA in de ESPR» van Ecorys (bijlage 3) onderzoekt de mogelijkheden omeen minimumaandeel gerecycled plastic en biogebaseerde plastics inelektrische en elektronische apparaten (EEA) te verplichten onder deEuropese Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten (ESPR).Het onderzoek stelt dat het in principe mogelijk is om een eis voortoepassing van recyclaat en een eis voor toepassing van biogebaseerdeplastics vast te stellen in een horizontale Ecodesign eis. De onderzoekersraden aan om een gecombineerde eis te hanteren, zodat producenten demogelijkheid hebben om de verdeling tussen recyclaat en biobased tebepalen. Dit is voor productie en verwerking van belang omdat zowel demarkt voor plastic recyclaat als voor biogebaseerd plastic nog inontwikkeling is. De onderzoekers geven aan dat tussen de EEA catego-rieën – en zelfs binnen deze categorieën – verschillen bestaan in detoegepaste hoeveelheden plastic en het potentieel voor een eis voorrecyclaat en biogebaseerd plastic. De clustering van productgroepen vooreen horizontale eis is daarmee een aandachtspunt. Het verplichten vaneen recyclaatseis in combinatie met een eis voor biogebaseerd plastic inEEA is in elk geval mogelijk in productspecifieke Ecodesign Verorde-ningen. De bevindingen uit dit onderzoek worden betrokken in deNederlandse inzet voor aankomende Ecodesign-eisen.8. Update Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronische apparatenIn de afgelopen jaren is gewerkt aan een afgifteplicht voor afgedankteelektrische en elektronische apparaten. Deze afgifteplicht moet eraanbijdragen dat de lekstroom van circa 100.000 ton afgedankte elektrischeen elektronische apparaten (AEEA) per jaar wordt gedicht. Deze productenkomen nu in het grijze circuit terecht als oud «ijzer». Hierdoor wordenbelangrijke (kritieke) grondstoffen onvoldoende benut en ontstaat eenrisico op onjuiste verwerking, met mogelijke milieuschade tot gevolg. Ditis onwenselijk voor het milieu en staat haaks op het streven naar eencirculaire elektronicaketen.Op 23 mei 2025 is de voorhang van het Ontwerpbesluit tot wijzigingBesluit activiteiten leefomgeving (Bal), etc. m.b.t. het afgeven vanafgedankte elektrische en elektronische apparatuur gestart.7 Op 18 juniheeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaatschriftelijke vragen gesteld, die op 8 september 2025 zijn beantwoord.8 Op16 oktober 2025 is de voorpublicatie gestart. Deze liep tot en met12 november 2025. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpbesluitvoor de Afgifteplicht is op 21 oktober 2025 genotificeerd bij de EuropeseCommissie onder nr. 2025/0638/NL. De Europese Commissie heeft geenopmerkingen gemaakt over de afgifteplicht. De afgifteplicht is ook gedeeldmet en toegelicht aan de Raad van State. De Raad heeft haar advies op30 maart jl. gepubliceerd.9 Inhoudelijke opmerkingen zullen nog wordenverwerkt. De komende maanden worden ook niet-juridische aanpassingengedaan die noodzakelijk zijn om de afgifteplicht te implementeren. Het ishierdoor niet meer mogelijk het besluit per 1 juli 2026 in werking te latentreden.7Kamerstukken II 2024/25, 30 872, nr. 3138Kamerstukken II 2025/26, 30 872, nr. 3189Wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen engevaarlijke afvalstoffen over het afgeven van afgedankte elektrische en elektronischeapparatuur. - Raad van StateTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4068 Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)9. Ketentafels NPCEIn het NPCE is opgenomen dat een aantal ketentafels wordt ingericht metals doel om met de betrokken partijen de transitie te versnellen. Denationale doelen geven hiervoor structuur. We kiezen bewust voorproductgroepniveau vanwege de specifieke uitdagingen en partijen dieaan tafel moeten zitten. We vinden het belangrijk dat alle ketenschakels(koplopers én peloton) en andere relevante stakeholders zoals NGO’svoldoende zijn vertegenwoordigd.Deze productgroepen zijn bouw, textiel, verpakkingen, elektrische enelektronische apparaten en meubels. Met die partijen wordt verderuitgewerkt welke stappen nodig zijn om een productgroep circulair temaken en af te spreken wie wat doet om de keten te sluiten. Waarmogelijk wordt gebruik gemaakt van bestaande overleggen, die alsketentafels kunnen fungeren.–BouwOp 5 november jl. is het bouwmaterialenakkoord ondertekend door deMinisteries VRO, IenW en KGG, brancheorganisaties in de bouw envertegenwoordigers van 13 materiaalketens (waaronder beton, gips enstaal). Ook is het Transitieteam Circulaire bouweconomie t/m 2026actief. Deze tafels kunnen worden gezien als ketentafels. Het is dan ookniet nodig hier nieuwe ketentafels naast te plaatsen.–Elektrische en elektronische apparatenDe eerste ketentafel vond plaats op 9 juni jl. Daar is o.a. de opzet vande ketentafel en de aanstaande herziening van de Richtlijn AfgedankteElektrische en Elektronische Apparatuur besproken. Andere belangrijkethema’s voor de toekomstige ketentafel-bijeenkomsten zijn bijvoor-beeld: een langetermijnagenda om de elektronicaketen te sluiten en deontwikkeling van Ecodesign eisen voor elektronica. De circulariteit vankritieke grondstoffen in elektronica komt ook aan bod. Aan deketentafel nemen allerlei partijen uit de keten deel. Van ngo’s enproducenten, tot verwerkers van (kritieke) materialen uit elektronica.–TextielDe ketentafel textiel wordt ingevuld door het bestaande «netwerkover-leg textiel» waarin het in 2024 uitgebrachte «beleidsprogrammatextiel» als langetermijnagenda geldt. Op verzoek van partijen uit desector en de Kamer is naast de Ketentafel voor textiel een tijdelijkeTextieltafel ingericht om knelpunten op korte termijn rondominzameling, hergebruik en recycling op te pakken. De uitkomsten enlessen uit deze tijdelijke tafel worden meegenomen in de permanentestructuur.–MeubelsDe eerste bijeenkomst van de ketentafel Meubels is op 9 januari 2026gehouden, waarbij als pilot de bijdrage van de specifieke productgroepaan de nationale doelen inzichtelijk wordt gemaakt. Als dit succesvolis, kan dit ook voor andere productgroepen worden gedaan.–VerpakkingenDe start van de Verpakkingentafel volgt later in 2026. De onderlingeafhankelijkheid van ketenpartijen om de doelstellingen van de PPWR tebereiken is daar een centraal thema.De in 2025 opgerichte tijdelijke Circulaire Plastictafel heeft verschillendevoorstellen gedaan. Die worden op dit moment verder uitgewerkt doorhet kabinet. De tafel komt voor de zomer van 2026 nog eenmaal bij elkaarom de implementatie van de voorstellen te monitoren. Daarna zal inconsultatie met de tafelleden worden besloten over het vervolg. De opzetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4069 en werkwijze van de verschillende ketentafels zal het ministerie begin2027 evalueren.10. Nationale circulaire doelen per productgroepEerder heeft mijn voorganger u toegezegd u te informeren over denationale circulaire doelen per productgroep.10 In 2025 heb ik in deactualisatie van het NPCE aan de Kamer de nationale CE-doelen gepresen-teerd. Daarbij heb ik aangegeven dat het van belang is om die doelendoor te vertalen naar productgroepdoelen zodat het voor bedrijven,medeoverheden en andere betrokken duidelijk wordt welke bijdrage zekunnen leveren aan de nationale doelen.We zijn dit jaar gestart met een pilot om te bepalen welke bijdrage deproductgroep meubels kan leveren aan de nationale doelen. Het is eenpilot om ook te kunnen leren hoe de methodiek die gebruikt is bij denationale doelen, het beste toegepast kan worden op productgroepniveauen wat er aanvullend nodig is, bijvoorbeeld op het gebied van data, om debijdrage van een productgroep te kunnen bepalen. In het najaar verwachtik hier zicht op te hebben en is het streven om met die lessen ook debijdrage voor elektrische en elektronische apparaten te bepalen. Dit doenwe in samenspraak met de ketentafels en zo nodig met andere stake-holders die niet deelnemen aan de ketentafel. Bij het bepalen van debijdrage betrekken we uiteraard ook de bestaande Europese en/ofnationale productgroepdoelen. Het streven is dat we op den duur vooralle productgroepen een doorvertaling hebben op een vergelijkbaremanier zodat we die doelen van de productgroepen bij elkaar kunnenoptellen om de balans op te maken en te bepalen waar we nog extra opmoeten sturen.11. Overzicht budgetten en instrumenten circulaire economieNaar aanleiding van een toezegging aan het lid Kostic´11 dat de Kamervoor de zomer over de stand van zaken rond het overzicht van benodigdebudgetten om de doelen voor de transitie naar een circulaire economie tehalen, het volgende. EZK werkt aan een notitie die inzicht moet geven inde mogelijkheden om kosten en effectiviteit van beleid in beeld tebrengen, en heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagdhierbij input te geven. Het in kaart brengen van budgetten en instru-menten is een complexe opgave. De transitie naar een circulaireeconomie vraagt immers om een fundamenteel systeemingrijpen dat quaschaal en impact vergelijkbaar is met de energietransitie. Doelbereik,kosten en baten zijn in hoge mate afhankelijk van ketens, productgroepenen de gekozen instrumentenmix. Daarnaast is de benodigde kennis- endatabasis over de kosten en effectiviteit van deze instrumenten nog inontwikkeling. Op basis van de notitie zal worden bepaald langs welkelijnen het gevraagde overzicht verder vorm krijgt. Ik zal de Kamer naafronding van deze fase nader informeren over de uitkomsten en hetvervolgproces.12. Reactie op brief NVCE-coalitie 1,5 miljard voor de circulaire economieOp verzoek van het lid Zalinyan reageer ik op de brief van een coalitie vanNVCE, FME, de Jonge Klimaatbeweging, de Koninklijke Metaalunie,Natuur en Milieu, VNCE VNO-NCW en MKB Nederland. In de brief, gerichtaan de Minister van Economische Zaken en mijzelf, roepen zij op10TZ202601-072,11TZ202601-075Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40610 structureel € 1,5 miljard per jaar in de circulaire economie te investerendoor bestaande middelen slim te benutten.Het kabinet ziet het als buitengewoon waardevol dat een brede coalitie,van het brede bedrijfsleven tot milieuorganisaties, elkaar weet te vindenin het belang van de circulaire economie. Samenwerking met het bredestakeholderveld is een voorwaarde voor gedragen transitie, op 27 mei jl.hebben de Minister van Economische Zaken en ik met deze coalitiegesproken en dit ook sterk benadrukt.In hun brief doet de coalitie een aantal voorstellen voor gerichte publiekeinvesteringen, regelingen om de onrendabele top te financieren en opandere manieren te zorgen voor actieve vraagcreatie van circulaireproducten.Een centraal punt in de oproep is om bestaande regelingen beter geschiktte maken voor circulariteit. Op dit punt gebeurt al het nodige: de DEI+ gaatin juni opnieuw open met een aparte DEI+-CE openstelling, die wordtverruimd zodat demonstratieprojecten in de circulaire economie beterkunnen worden ondersteund; daarnaast wordt de scope verbreed naarCE-projecten in de voedingsindustrie en de productie van veenver-vangers. Ook zijn via DEI, VEKI en NIKI in eerdere openstellingen aldiverse grote circulaire investeringen ondersteund, waaronder textielrecy-cling en plasticrecycling; daarnaast worden bedrijven ondersteund bijaanvragen voor het Europese Innovation Fund. Op dit moment is hetvanwege aflopende budgetten voor meerdere regelingen nog nietduidelijk of deze na 2027 nog opengesteld worden. Het voorstel van decoalitie om een deel van de klimaatmiddelen (zoals de SDE++) in te zettenvoor circulaire projecten laat ik dan ook nader verkennen en ik neem ditmee in de voorjaarsbesluitvorming van 2027. Zoals de NVCE- coalitie ookal stelt: dit is uiteindelijk een prioriteringsvraagstuk, wat is een goedebalans in de stimulering van de energie- en de grondstoffentransitie?Dit jaar wordt de Agenda Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven enInkopen Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI)2026–2030 met de Kamer gedeeld. Hierin wordt via inkoop ingezet op eenselectie prioritaire productketens waar inkopende partijen de meesteimpact mee kunnen maken ten aanzien van o.a. de circulaire economie. Inhet bijbehorende Uitvoeringsprogramma MVOI, worden de concreteactiviteiten om inkopende partijen te stimuleren en ondersteunenuiteengezet. Hierbij wordt aangegeven hoe per productketen de bijdrageaan een duurzame markttransformatie wordt gemonitord. Daarnaastwordt dit jaar een onderzoek uitgezet naar de meest optimale vorm vanhet normeren van circulair inkopen. Daarmee wordt de vrijwilligheid vanhet toepassen van circulair inkopen geadresseerd. Dit onderzoek gebeurtin samenwerking met BZK-Rijksinkoop en de koepels van medeover-heden.Voor de NII en de Nadi verwijs ik naar aparte kamerbrieven die wordenverstuurd in het kader van de Taskforce Toekomstige Welvaart enVerdienvermogen.Europees beleid en wet- en regelgeving13. Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire VoertuigenverordeningHet Commissievoorstel voor een Circulaire Voertuigenverordening12 werdop 13 juni 2023 gepubliceerd. Deze verordening vervangt twee bestaanderichtlijnen en is een belangrijke stap voorwaarts in de verduurzaming en12Proposal for a Regulation on circularity requirements for vehicle design and on managementof end-of-life vehicles - EnvironmentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40611 circulariteit van voertuigen. Het voorstel omvat de gehele levenscyclusvan een voertuig, van ontwerp tot afvalfase, en jaagt de transitie naar eencirculaire economie aan. De Kamer is kort na publicatie van het voorstelvan de Europese Commissie per BNC-fiche over het voorstel en deNederlandse inzet geïnformeerd13.Op 11 december 2025 werd een voorlopig akkoord bereikt in de onderhan-delingen, waarna de lidstaten op 25 februari jl. hebben ingestemd met hetonderhandelingsresultaat. Nadat het Europees Parlement heeft ingestemdmet het eindresultaat zal dit door de Raad worden bekrachtigd. Na devertaling en juridische opschoning van de tekst wordt de Verordeningofficieel gepubliceerd. De Verordening zal vervolgens 24 maanden napublicatie in werking treden.Het kabinet is positief over het onderhandelingsresultaat van de CirculaireVoertuigenverordening, in het bijzonder over de circulariteitseisen en deuitbreiding van de scope naar onder andere bussen, vrachtwagens enmotoren en het doel om 30% plastic uit voertuigen te recyclen. Nederlandheeft in samenwerking met gelijkgestemde landen geijverd voorambitieuze en realistische doelen voor de verplichte toepassing vanplasticrecyclaat in voertuigen. Hierdoor wordt een vraag naar plasticrecy-claat gegarandeerd en wordt de concurrentiepositie ten opzichte vannieuw plastic versterkt. In de onderhandelingen is uiteindelijk het tijdspadvan deze doelen verzwakt ten opzichte van het Commissievoorstel,namelijk 15% na 6 jaar en 25% na 10 jaar, daar waar de Commissie 25% na6 jaar had voorgesteld. Desondanks is de ambitie hoog gehouden doorpre-consumer recyclaat niet mee te laten rekenen voor deze recyclaattoe-passing, in lijn met het Joint Statement met betrekking tot de plasticrecycling sector14.De verordening voorziet ook in een helder onderscheid tussen eengebruikt voertuig en een autowrak. Hierdoor kunnen bijvoorbeeldvermiste voertuigen of illegale export worden voorkomen, wat tevens zalresulteren in meer beschikbare secundaire grondstoffen uit dezevoertuigen. Ondanks dat dit onderscheid minder scherp is gesteld danNederland graag had gezien, is het resultaat acceptabel, zeker in het lichtvan de significante stap die hiermee wordt gezet richting een circulairevoertuigenketen. Het kabinet verwelkomt daarom het bereikte akkoord dateen belangrijke bijdrage levert aan de transitie naar een circulaireeconomie, met oog voor harmonisatie en een gelijk speelveld.14. Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)Tijdens het tweeminutendebat over het Schriftelijk Overleg van deMilieuraad van december jl. heeft de Minister van Infrastructuur enWaterstaat toegezegd een nadere toelichting te geven op de Nederlandseinzet om een gelijk speelveld tussen circulaire en niet-circulaire productente creëren, specifiek in het kader van de Europese Circular Economy Act(CEA). Hierbij wordt tegemoet gekomen aan deze toezegging.Zoals ook opgenomen in het Nederlandse non-paper over de CEA15,bepleit het kabinet via een aantal manieren een gelijk speelveld te creëren.Dit vereist maatregelen langs alle onderdelen van de R-ladder, met een13fiche 1 - Circulaire voertuigen | Vergaderstuk | Rijksoverheid.nl14Joint Statement on the necessity of measures supporting the plastics recycling sector.Supported by Austria, Belgium, France, Luxembourg, Spain and the Netherlands | TweedeKamer der Staten-Generaal15Kamerstukken II 2025/26, 21 501–08, nr. 1009Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40612 inzet op verminderen, vervangen, verlengen en verwerken16. Eenbelangrijk instrument is bijvoorbeeld Europees productbeleid, waarmeecirculariteitseisen kunnen worden verplicht voor alle producten binneneen productgroep die op de Europese markt worden gebracht. Daarbij kangedacht worden aan verplichte percentages recyclaat, of eisen aanrepareerbaarheid, herbruikbaarheid en recyclebaarheid van producten. Deaankomende jaren worden dergelijke producteisen voor verschillendeproductgroepen uitgerold onder de Kaderverordening Ecodesign ofsectorale productregelgeving, wat ervoor zorgt dat circulaire productenuiteindelijk de norm worden. De Europese Commissie heeft in april 2025het Ecodesign en Energielabel werkplan vastgesteld voor de periode2025–2030. In dit werkplan is opgenomen aan welke producten dekomende jaren ontwerpeisen worden gesteld en voor welke producteneen energielabel verplicht wordt.17 Zie hiervoor ook de verzamelbriefcirculaire economie september 2025.18 Het kabinet zal ervoor blijvenpleiten dat deze uitrol onverminderd doorgaat en dat de CEA dit onder-steunt en waar mogelijk verder versnelt.Daarnaast vereist dit ook inzet op verschillende randvoorwaarden. Zo ishet nodig dat het functioneren van de Europese interne markt voorsecundaire materialen wordt versterkt, bijvoorbeeld door uniformeeinde-afval-criteria. Dit zal bijdragen aan een gelijk speelveld voorsecundaire materialen en het eenvoudiger en aantrekkelijker maken omdeze materialen toe te passen in nieuwe producten. Ook is het van belangdat Europese secundaire materialen op een eerlijke manier kunnenconcurreren met (secundaire) grondstoffen van buiten Europa. Dit vereisteffectieve toezicht en handhaving, om te controleren dat producten vanbuiten de EU ook voldoen aan de Europese normen. Verder dienenoneerlijke handelspraktijken te worden bestreden en dient aan consu-menten de juiste informatie over de duurzaamheid van hun producten teworden aangeboden.Naast deze inzet in het kader van de CEA, onderzoekt tenslotte het kabinetook slimmere financiële prikkels, zoals investeringsaftrekken en fiscalevoordelen, die circulaire ondernemers helpen. In dit kader is het ook goedom te verwijzen naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën overfiscale prikkels om de circulaire transitie te versnellen19. Over de circulairehefboom is de Kamer geïnformeerd, meest recentelijk in de Kamerbriefover de stand van zaken van de voorstellen van de Plastictafel vandecember 2025.20Daarbij heb ik ook toegezegd de Kamer voorafgaand aan het zomerreceste zullen informeren over de onderzoeksresultaten en de conclusies diehet kabinet daaruit trekt.De verwachting is dat de Commissie de CEA zal presenteren in het derdekwartaal van dit jaar. In aanloop hier naartoe vraagt Nederland actiefaandacht voor bovenstaande inzet. Waar relevant en mogelijk doetNederland dit met gelijkgezinde lidstaten, zowel ambtelijk als politiek, inlijn met de motie Buijsse21. Momenteel is de precieze vorm en inhoud vande CEA nog onduidelijk. De Commissie heeft wel al benadrukt dat de CEAin ieder geval moet bijdragen aan het versterken van de interne marktvoor secundaire materialen. Wanneer de Commissie het voorstel16Zie ook Actualisatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE 2025), Kamerstukken II2025–2026, 32 852, nr. 39217https://environment.ec.europa.eu/document/5f7ff5e2-ebe9-4bd4-a139-db881bd6398f_en18Kamerstukken II 2025/26, 32 852, nr. 37619Kamerstukken II, 2024/25, 32 852, nr. 27820Kamerstukken II 2025/26, 32 852, nr. 39721Motie Kamerstuk 21501–08, nr. 982Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40613 publiceert, zal blijken in hoeverre de Nederlandse inzet in dit dossierdaadwerkelijk wordt weerspiegeld in het voorstel. De Kamer zal napublicatie van het voorstel zoals gebruikelijk via een BNC-fiche wordengeïnformeerd over de kabinetspositie.15. Beleidsagenda emissiereductie productketenNaar aanleiding van het Klimaatplan 2025–2035 heeft het kabinetonderzoek laten uitvoeren naar de potentiële meerwaarde van eenEU-broeikasgasvoetafdrukdoel. Het rapport hierover is in september 2025naar de Kamer gestuurd. Hieruit is gebleken dat een voetafdrukdoel deprikkel geeft om te investeren in emissiereducties in de keten of in hetbuitenland. Daarmee kan een dergelijk doel meerwaarde hebben voor hetbeleid gericht op klimaat, energie en circulaire economie.Het kabinet zal binnenkort beslissen hoe invulling wordt gegeven aan deaanbevelingen uit dit rapport. Hiervoor wordt momenteel de Beleids-agenda Emissiereductie Productketens uitgewerkt, met daarin zowelnationale als EU-acties. Deze acties zijn er niet alleen op gericht omketenemissies beter te meten, rapporteren en reduceren, maar ook om deconcurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te versterken en koolstof-lekkage waar mogelijk te voorkomen. De beleidsagenda zal ik deze zomernaar de Kamer sturen.Kaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer16. Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenginguitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk AfvalIn de recente actualisatie van het NPCE is de vormgeving van tweenieuwe uitvoeringsprogramma’s aangekondigd binnen het Van Afval NaarGrondstof (VANG)-programma. In het kader van het VANG-programmawerkt het Rijk samen met gemeenten, bedrijven en inzamelaars naar meeren betere afvalscheiding en afvalpreventie. Met deze programma’s wordtbijgedragen aan de hoogwaardige verwerking van afvalstoffen.Het uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis (bijlage 4) ondersteuntbedrijven en organisaties om toe te werken naar meer en betere afval-scheiding en afvalpreventie in de kantoren-, winkel-, en dienstensector. Inhet nieuwe uitvoeringsprogramma22 ligt de nadruk van de activiteiten ophet breder verspreiden en overdragen van de kennis die tijdens deuitvoering van het vorige uitvoeringsprogramma is opgedaan. Dit met alsdoel om meer bedrijven en organisaties in staat te stellen om zelfstandig,toekomstbestendig en circulair te opereren met als resultaat minder afval,beter gescheiden afval en meer recycling.Via het uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval ondersteunt hetRijk sinds 2015 gemeenten in het uitvoeren van hun wettelijke taak omhuishoudelijk afval gescheiden in te zamelen. In aanvulling daarop looptmomenteel een verkenning naar de (on)mogelijkheden van meerlandelijke standaardisering van afvalscheiding en -inzameling. Inafwachting van de resultaten van deze verkenning is besloten om hethuidige uitvoeringsprogramma, dat in 2025 zou aflopen, met een jaar teverlengen.22Gepubliceerd via: https://afvalcirculair.nl/vang-buitenshuis/actueel/nieuws/nieuw-uitvoeringsprogramma-vang-buitenshuis/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40614 17. Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzake CMPOp 17 december 2025 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur enWaterstaat verzocht om een schriftelijke reactie op het advies «CirculairMaterialenplan» van de Commissie voor de milieueffectrapportage(hierna: Commissie mer).23 Tevens is tijdens het commissiedebatcirculaire economie van 16 april 2025 toegezegd om het advies van deCommissie mer goed te bekijken en te bezien of er aanpassingen nodigzijn van het milieueffectrapport (MER).24 De vaste commissie heeft op24 april 2025 een gelijksoortig schriftelijk verzoek gedaan om reactie ophet advies van de Commissie mer.25 In reactie hierop heeft de Kamer op3 september een brief ontvangen waarin is gereageerd op het advies vande Commissie mer en hoe hieraan opvolging wordt gegeven.26 Met dezebrief is voldaan aan zowel het commissieverzoek als de toezegging vanapril 2025. Voor een inhoudelijke reactie op de belangrijkste bevindingenvan de Commissie mer, conform het commissieverzoek van december2025 verwijs ik daarom ook naar deze brief. Daarnaast kan voor eengedetailleerde reactie op alle punten van de Commissie mer ook dereactienota worden geraadpleegd, die als bijlage is meegestuurd bij deKamerbief over de vaststelling van het Circulair Materialenplan op1 december.27 Deze reactienota is ook te vinden opwww.circulairmaterialenplan.nl/cmp/verandert-cmp/.18. Stand van zaken Werkprogramma stortenZoals vermeld in de Kamerbrief van 11 juni 2024 wordt uitvoeringgegeven aan een Werkprogramma Storten 2024–2029 om tot eentoekomstbestendig stortstelsel te komen. In een circulaire economie is hetstorten van afval zoveel mogelijk beperkt, maar zullen er ook afvalstromenzijn die niet op een veilige manier hoogwaardiger verwerkt kunnenworden en dus gestort moeten worden. Het is daarom noodzakelijk omhet storten van afval goed te borgen en te zorgen dat storten betaalbaaren beschikbaar blijft. Er is toegezegd de Kamer jaarlijks te informeren overde voortgang van het werkprogramma28. In het kader van het werkpro-gramma worden verschillende onderzoeken uitgevoerd, onder meer naarhet nazorgstelsel, de technische richtlijnen voor stortplaatsen en hetmoratorium op stortcapaciteit29.Met betrekking tot het nazorgstelsel is een scenariostudie uitgevoerd naarmogelijke (stelsel)wijzigingen en de gevolgen hiervan. Deze studie heeftgekeken naar zowel financiële als bestuurlijke verantwoordelijkhedenbinnen het nazorgstelsel en benodigde wijzigingen om de werking van hetnazorgstelsel te verbeteren (bijlage 5). Daarnaast is een onderzoekafgerond naar de technische richtlijnen waar stortplaatsen aan moetenvoldoen. Deze technische richtlijnen moeten worden gemoderniseerd omte zorgen dat zij toekomstbestendig zijn en nieuwe innovaties niet in deweg zitten. Het onderzoek heeft in kaart gebracht hoe de technischerichtlijnen verankerd zijn in de Omgevingswet en welke richtlijnenvernieuwd dienen te worden (bijlage 6). In de loop van 2026 zal tevens hetonderzoek starten naar de benodigde uitbreiding van het moratorium opstortcapaciteit, zodat er voldoende stortcapaciteit beschikbaar blijft.23Kenmerk: 30 872-321/2025D5279724TZ202505-14225Kenmerk: 2025Z07242/2025D1876126Kamerstuk 30 872, nr. 31727Kamerstuk 30 872, nr. 32128https://open.overheid.nl/documenten/dpc-3b018f7d7288b6fed5fa86d3c5d5656af7ac5856/pdf29Het moratorium op stortcapaciteit betreft een vastgestelde hoeveelheid stortcapaciteit diebeschikbaar is. Met elke ton afval die gestort wordt, neemt de beschikbare capaciteit binnenhet moratorium af.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40615 Op basis van de bevindingen uit de studies omtrent het nazorgstelsel ende technische richtlijnen zal de komende maanden worden besloten welkevervolgstappen gewenst zijn. De Kamer zal hier naar verwachting in hetvierde kwartaal van dit jaar over worden geïnformeerd.19. Internetconsultatie Kaderwet Circulaire EconomieIn april 2024 is de Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnennotitie voor debeoogde Circulaire Economie-wet.30 Inmiddels ligt het concept-voorstelvoor de Kaderwet Circulaire Economie in internetconsultatie, van 18 junitot en met 13 augustus. Deze Wijzigingswet van de Wet milieubeheer(Wm) geeft uitvoering aan de wens van de Tweede Kamer (motie Hagen)om in wetgeving sterker te sturen op circulair grondstoffengebruik.31 Metdit voorstel wordt de Wm toekomstbestendig gemaakt voor wat betreft deartikelen die gaan over stoffen, producten en afvalstoffen. De wetverbetert de mogelijkheden om te sturen op duurzaam grondstoffenge-bruik, onder meer door het introduceren van een overkoepelendedoelbepaling van de circulaire economie. Ook worden de circulariteitsstra-tegieën uit het NPCE opgenomen. Verder wordt in het nieuwe hoofdstuk10 van de Wm de structuur van de wet zo aangepast dat de gehelemateriaalcyclus, van productie tot afvalfase, kan worden gereguleerd. Hetgaat hierbij om een beleidsarme omzetting, waarbij geen nieuweverplichtingen worden geïntroduceerd.Productbeleid20. Vervolgonderzoek reparatiebonusDe motie Bamenga e.a.32 verzoekt de mogelijkheid in kaart te brengen omnaar Oostenrijks voorbeeld reparatievouchers in te voeren in Nederland.Ook bij het Commissiedebat van 16 april 2025 is toegezegd33 om deKamer te informeren over de mogelijkheid van reparatiebonnen. Onlangsis de verkenning naar de mogelijkheden om een reparatiebonussysteemin te voeren afgerond, waarbij ook naar reparatievouchers is gekeken.Hierbij wordt in reactie op de motie Bamenga en de genoemdetoezegging dit onderzoek met de Kamer gedeeld (bijlage 7).In de Kamerbrief van 24 juni 2024 over reparatie in de circulaireeconomie34, is het beleid ter bevordering van reparatie uiteengezet. Kortgezegd komt het erop neer dat het kabinet inzet op:1)beter productontwerp door het stellen van Europese Ecodesign-eisen;2)versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap; en3)stimuleren dat consumenten hun producten (laten) repareren.Een eventuele reparatiebonus zou vallen in deze laatste categorie en isspecifiek gericht op het verlagen van de kosten van reparatie. Een hogeprijs van reparatie is immers een van de factoren die consumentenontmoedigt te kiezen voor reparatie. Er zijn daarnaast andere belemme-rende factoren zoals onzekerheid over de reparatiekosten en de reste-rende levensduur, de rompslomp die komt kijken bij de organisatie vanreparatie, de beschikbaarheid van kundige reparateurs en reserveonder-delen, de beperkte repareerbaarheid, etc.30Kamerstuk 32 852, nr. 31031Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XII, nr. 5632Kamerstuk 32 852, nr. 305 (t.v.v. Kamerstuk 32 852, nr. 296)33Toezegging TZ202505-14134Kamerstuk 32 852, nr. 316Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40616 De verkenning naar de mogelijkheden van een reparatiebonussysteemheeft niet alleen naar het Oostenrijkse vouchersysteem gekeken, maar ooknaar de bonussystemen in Frankrijk en in de Duitse deelstaat Thüringen,aangevuld met informatie uit literatuur en interviews. Uit de internationalevergelijking komt naar voren dat ongeveer één derde van de gedanereparaties onder een bonussysteem additioneel is. Dat wil zeggen datdeze zonder de bonus niet zouden zijn uitgevoerd. Er zijn echter geensignalen dat door de bonus de reparateursmarkt op korte termijnverandert. Omdat de bonussystemen nog relatief nieuw zijn, is het nogonduidelijk of het gedragseffect bij consumenten blijvend is zodra debonus wegvalt. De milieuwinst als gevolg van extra reparaties wordtgeraamd op 3,3 tot 25,3 miljoen kg vermeden CO2-equivalent35 per jaar.De kosten worden geraamd tussen de 10 en 100 miljoen euro per jaar,afhankelijk van de hoogte van de bijdrage, het aantal reparaties en decommunicatie- en systeemkosten. Daarmee kost de reparatiebonus tussende € 2.600 en € 4.200 per vermeden ton CO2-eq en wordt beoordeeld alsonvoldoende doelmatig. Het bedrag benodigd voor een bonussysteem isop dit moment geen onderdeel van de rijksbegroting.Het kabinet onderschrijft het belang van het structureel bevorderen vanreparatie. Daarom zal verder worden onderzocht hoe belemmeringen voorreparatie in brede zin weggenomen kunnen worden. De reductie van dekosten zijn daarbij een belangrijke factor. In dat kader wordt bij dedoorontwikkeling van de UPV’s onderzocht hoe reparaties financieelgestimuleerd kunnen worden. Een reparatiefonds is daarbij een optie.Daarnaast zal het kabinet mede in dit kader onderzoeken hoe financieringeffectief en goed uitvoerbaar kan bijdragen aan meer reparatie en debevindingen hierover vóór de zomer met de Kamer delen. Hiermee zaltevens invulling worden gegeven aan de motie Grinwis36. Het streven isom effectieve en doelmatige oplossingen te vinden die reparatiebevorderen, zowel financieel als anderszins. Daarbij zal ook de visie vanrelevante stakeholders worden meegenomen.21. Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voormeubelsHet NPCE 2023–2030 voorziet dat er voor meubels uiterlijk in 2030, insamenwerking met de relevante spelers in de keten, een UPV isontwikkeld die eraan bijdraagt dat meubels beter ingezameld, hergebruikt,opgeknapt, gerepareerd en gerecycled worden. Rebel heeft een adviesuitgebracht over het opzetten van uitgebreide producentenverantwoorde-lijkheid (UPV) voor meubels (bijlage 8).De onderzoekers hebben een uitgebreide consultatie gedaan onder eenbrede groep ketenpartijen en gegevens bijeengezocht over aantallen vande diverse meubeltypen die worden verkocht, worden ingezameld,gerepareerd of vernieuwd («refurbishing»), worden gedemonteerd voorrecycling, dan wel worden verbrand. Die gegevens bleken nog te beperktvoor het bepalen van haalbare en tevens voldoende ambitieuze verplichtepercentages voor bijvoorbeeld heel-inzamelen van meubels en reparatieof vernieuwing met het oog op hergebruik, of recycling van materiaal uitmeubels. Daarom adviseren de onderzoekers om een wettelijkeUPV-regeling op te zetten die producenten in eerste instantie alleen35Andere relevante milieuvoordelen zijn in deze studie niet gekwantificeerd. De onderzoekersverwachten dat de reparatie van EEA leidt tot een vermeden impact in grondstoffengebruik(mineralen en metalen, evenals fossiele grondstoffen) en tot een lagere bijdrage aanfijnstofvorming en verzuring. Daarnaast kan reparatie van EEA ook bijdragen aan verminderdeafhankelijkheid van kritieke grondstoffen.36Kamerstuk 36 812, nr. 97Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40617 verplicht tot rapportage van gegevens waarover nog onvoldoende bekendis: aantallen meubels die nieuw worden verkocht, na afdanking op diversemanieren worden ingezameld, na reparatie of refurbishing opnieuwworden verkocht, worden gerecycled, of worden verbrand. Op basis vandeze monitoring zouden dan (vanaf 2030) alsnog doelstellingen voorinzamelen, voorbereiden voor hergebruik en recycling bepaald moetenworden.De bespreking van de ontwikkeling van de wettelijke UPV is voortgezetaan de Ketentafel meubels, die op 9 januari jl. een eerste bijeenkomstheeft gehad. Onder de ketentafel zijn twee op UPV gerichte werkgroepeningesteld. Het uitgangspunt is zo spoedig mogelijke instelling van eenwettelijke UPV met een brede reikwijdte die zowel losstaande meubels alsinterieurbouw omvat (zoals ook Rebel adviseerde).In de werkgroepen worden mogelijkheden gezocht om op korte termijngegevens te verkrijgen waarmee in de UPV-regeling al vanaf het begindoelpercentages opgenomen kunnen worden (om niet te hoevenafwachten of twee jaar monitoring onder de UPV-regeling die gegevensoplevert). De brancheorganisaties van meubelproducenten hebbenonlangs een enquête onder hun leden uitgezet om het marktaanbod vanmeubels scherper te krijgen. Het ministerie heeft inmiddels een onder-zoeksopdracht lopen die ook de gang van afgedankte meubels beter inbeeld brengt.Met de verkregen resultaten verwacht ik in het najaar een eerste opzet vande UPV-regeling aan de ketentafel te kunnen voorleggen die de brancheor-ganisaties van de producenten voldoende duidelijkheid geeft over deopgave die de producenten krijgen, waarmee zij aan de oprichting vaneen producentenorganisatie (PRO) kunnen gaan werken. Een gedegenopzet van de PRO, inclusief afspraken met ketenpartijen die men nodigheeft, vraagt tijd en is essentieel voor een effectieve UPV. In het najaar zalik de Kamer weer over de ontwikkelingen van de UPV informeren.22. Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel tebeperkenMicroplastics die vrijkomen bij het dragen en wassen van textiel zijn eensignificante bron van vervuiling voor de leefomgeving. Het RIVM deed inopdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzoeknaar de meest effectieve mitigerende maatregelen. In februari 2026publiceerden zij het rapport «Possibilities for reducing microplasticsemissions from textiles» (bijlage 9). Daarin zijn de volgende ketenbredemaatregelen naar voren gekomen: verbeterde ontwerpeisen voor textielvoor het verbeteren van vezelvastigheid door fabrikanten, de overstap vanplastic naar natuurlijke materialen, het stimuleren van langer kledingge-bruik en het terugdringen van fast fashion en het stimuleren vanwasprogramma’s met minder frictie, zoals lagere centrifugesnelheden. Debelangrijkste conclusie is dat samenwerking binnen de gehele ketennoodzakelijk is om de uitstoot van microplastics uit textiel effectief tekunnen terugdringen. Vrijwillige maatregelen hebben daarbij mindereffect dan wettelijke verplichtingen en duidelijke normen. Deze uitkomstenworden meegenomen in de Nederlandse inzet voor de EuropeseKaderverordening Ecodesign voor duurzame producten (ESPR) op hetgebied van textiel en bij de uitvoering van het beleidsprogramma circulairtextiel 2025–2030.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40618 23. Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruikZoals eerder gedeeld met de Kamer kijkt het kabinet naar mogelijkealternatieven voor de lastenverzwarende maatregelen binnen het domeinvan afvalverwerking te weten in de vorm van een verhoging van deafvalstoffenbelasting en de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstal-laties, zoals aangekondigd in de voorjaarsbesluitvorming 202537. In ditkader is onderzoek gedaan naar twee soorten verpakkingenbelastingen(bijlage 10). Bij de eerste belasting, een belasting op kunststof verpak-kingen voor eenmalig gebruik, wordt er belasting geheven op kunststofverpakkingen voor eenmalig gebruik die voor het eerst op de Nederlandsemarkt worden gebracht. In de effectberekening van CE Delft is bij dezebelasting uitgegaan van een vrijstelling voor verpakkingen die voorminimaal 50% uit recyclaat bestaan en zijn twee tarieven doorgerekend:een laag tarief van € 0,25 per kilogram en een hoog tarief van € 0,80 perkilogram. Daarnaast is onderzoek gedaan naar een belasting op deinzameling van kunststof drankflessen en blikjes. Hierbij is een variantdoorgerekend met een tarief dat geldt per verpakkingseenheid en lineairafneemt naarmate het collectieve inzamelpercentage stijgt, van ongeveer3 eurocent per verpakking bij 80% inzameling tot 0 eurocent perverpakking bij 95% inzameling.De effecten van de eerste belasting met een hoog tarief zijn een opbrengstvan € 0 tot 150 miljoen in 2035, een vermeden CO2-uitstoot van 0,15 tot0,51 Mt in 2035, extra recyclaatinzet van 5 tot 20% in 2035 en eenafvalreductie-effect van 15 kt per jaar. De effecten voor de tweedebelasting bij een lichte groei qua inzamelingspercentage zijn eenopbrengst van 55 tot 80 miljoen EUR in 2030, een vermeden CO2-uitstootvan 0,005 tot 0,012 Mt in 2030 en een afvalreductie-effect van 1,1 tot 1,3 ktin 2030. Verder verwachten de onderzoekers zeer beperkte verschuivings-effecten, zowel richting andere materialen als richting herbruikbareverpakkingen. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen inde besluitvorming over de begroting bij Prinsjesdag. Het kabinet zal deKamer met Prinsjesdag ook informeren over de appreciatie en weging vande alternatieve voorstellen die de Werkgroep Afvalsector heeft gedaanvoor het beprijzingspakket voor afvalverbrandingsinstallaties.24. Verkenning inzameldoelstellingen VerpakkingenverordeningOp 12 februari 2025 is de Europese Verpakkingenverordening (Packagingand Packaging Waste Regulation, PPWR) in werking getreden. Demaatregelen die in de PPWR staan, zijn vanaf 12 augustus 2026 vantoepassing, tenzij een afwijkende datum is vermeld. Voor de implemen-tatie van de verordening dienen nationaal nog enkele keuzes gemaakt teworden over zaken met betrekking tot uitvoering, toezicht en handhaving.Zo dienen lidstaten uiterlijk 1 januari 2029 verplichte inzameldoelstel-lingen voor de inzameling van verpakkingen vast te stellen38. In dezecontext heeft het ministerie onderzoeksbureau Rebel gevraagd een eersteinschatting te doen van de benodigde inzameldoelstellingen op basis vande recyclingdoelstellingen en het verplichte minimumgehalte aangerecycled materiaal in kunststof verpakkingen die in de PPWR zijnvastgelegd (bijlage 11)39. De belangrijkste conclusie is dat vooral voor37Kamerstukken II, 2025–26, 32 813, nr. 1556.38Verordening (EU) 2025/40, artikel 4939Bijlage 11 bevat naast het onderzoek naar de inzameldoelstellingen ook onderzoeken naar detoepassing van de uitzonderingsgronden uit het besluit GIHA door gemeenten en eentoetsingskader voor bron- en nascheiding van pmd-afval. In deze brief wordt alleen ingegaanop de inzameldoelstellingen. Over de andere onderdelen wordt de Kamer op een latermoment geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40619 kunststof verpakkingen een hoge inzameldoelstelling nodig is om derecyclingdoelstellingen te kunnen halen. Voor die stroom raadt hetonderzoeksbureau daarom aan ook te kijken naar hoe de verliezen tusseninzameling en recycling kunnen worden teruggedrongen. Deze bevin-dingen zullen worden meegenomen in de verdere implementatie van dePPWR. Daarnaast zal dit knelpunt specifiek aandacht krijgen aan deKetentafel Verpakkingen.Sociaaleconomisch25. Onderzoek circulaire arbeidsmarktDe onderzoekers van het Platform Talent voor Technologie (PTvT)concluderen in het rapport «Circulaire arbeidsmarkt, Versnelling van detransitie door gerichte sturing op Leven Lang Ontwikkelen» (bijlage 12),dat arbeidskrapte in technologische en uitvoerende beroepen eenmogelijk risico vormt voor het realiseren van een circulaire economie. Hetaanbod van (beroeps-)onderwijs en Leven Lang Ontwikkelen (LLO) sluitnog niet in alle sectoren en beroepen aan. Het tegengaan van versnip-pering en bevorderen van regionale samenwerking biedt kansen om dit teverbeteren. In bedrijfstakken waar het grondstoffenverbruik hoog is,wordt dit doorgaans wel opgepakt; voorbeelden daarvan zijn de bouw,textiel, meubilair en de zorg. In de logistieke sector is er nog minderscholingsaanbod voor de circulaire economie, bijvoorbeeld hoe regionaalkringlopen te sluiten.De onderzoekers adviseren te werken aan het vergroten van de markt-vraag naar circulair opgeleide professionals. LLO kan hierin een hefboom-functie vervullen. Het loont daarbij om in een sector of keten te kijkenwelke bestaande infrastructuren er zijn en hoe kennis het beste (ook lokaalen regionaal) gedeeld kan worden, bijvoorbeeld via beroepsverenigingen.Zij adviseren verder LLO modulair en zo mogelijk meertalig aan te bieden.Dit maakt het gemakkelijker om in verschillende situaties passend aanbodvoor diverse doelgroepen te creëren. Ten slotte merken zij op, dat er nogweinig wordt gedaan aan het afbouwen of omvormen van lineaireopleidingen. Dat gebeurt binnen het reguliere onderwijs al steeds meer,voor LLO is dit lang niet altijd het geval. Deze aanbevelingen zullenworden meegenomen in het verdere programma, in samenhang met desectorale ontwikkelpaden van het Ministerie van SZW.4026. Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitieBinnen de Klimaattransitie levert circulariteit op meerdere vlakken eenbelangrijke bijdrage. Circulariteit verlaagt de uitstoot, maakt ons minderafhankelijk van fossiele en kritieke grondstoffen, en draagt bij aan eengezonde leefomgeving. Wat tot nu toe relatief weinig aandacht heeftgekregen, is de potentie van circulariteit om de kosten van investeringenin de energietransitie te verlagen. Dit is onderzocht door CE Delft enTrinomics (bijlage 13). Jaarlijkse kostenbesparingen kunnen oplopen tot€ 2,8 mld. in 2050 door gebruik te maken van verschillende circulairestrategieën (weigeren, verminderen, hergebruiken) in de sectorengebouwde omgeving, mobiliteit, plasticindustrie (productie), en staalin-dustrie. Deze strategieën drukken de (groeiende) vraag naar energie-intensieve producten en diensten. Hierdoor hoeft er minder geïnvesteerdte worden in het energiesysteem dan anders het geval zou zijn. Ditonderzoek biedt een aanvullende manier voor het beoordelen vancirculaire maatregelen naar de effecten op de energietransitie (en mogelijk40Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hervormingen-arbeidsmarkt/meer-geschikt-personeel-en-blijven-ontwikkelen-tijdens-werkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40620 ook andere beleidsterreinen) door kostenbesparing op de langere termijninzichtelijk te maken. Onderzocht wordt op welke manier dit meegenomenkan worden in het besluitvormingsproces voor circulaire maatregelen.Tot slotBovenstaande laat zien dat de transitie naar een circulaire economie opstoom begint te komen. Er zijn in veel sectoren ontwikkelingen gaande diekunnen bijdragen aan de groei van de concurrerende economie, eenversterking bieden van onze onafhankelijkheid en weerbaarheid tegenverstoringen én bijdragen aan het terugdringen van broeikasgassen.Al deze ontwikkelingen komen, net als in de transitie naar hernieuwbareenergie, nog niet zelf tot wasdom. Dat ligt aan een ongelijk speelveld. Dejuiste prikkels kunnen de ontwikkeling naar een circulaire economie welversterken, zo laten de verschillende onderwerpen duidelijk zien.Hierover ga ik graag met uw Kamer in gesprek tijdens het komendcommissiedebat.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der MeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40621
Gerelateerde bronnen
- Voor de zomer ontvangt de Kamer een overzicht van de budgetten om de doelen voor de transitie naar een circulaire economie te halen, welke instrumenten daarvan
Voor de zomer ontvangt de Kamer een overzicht van de budgetten om de doelen voor de transitie naar een circulaire economie te halen, welke instrumenten daarvan afhankelijk zijn en hoeveel budget daaraan vasthangt.
- Eind dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de mogelijkheid van reparatiebonnen.
Eind dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de mogelijkheid van reparatiebonnen.
- Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de nationale circulaire doelen per productgroep.
Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de nationale circulaire doelen per productgroep.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.