KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

18 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f3bd418680507ed7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 3 HERDRUK1 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgaveblz.I.ALGEMEEN31.Aanleiding en doel van het wetsvoorstel31.1.Kenmerken van collectieve warmte61.2.Belangrijkste voorstellen van het wetsvoorstel71.3.Samenhang met andere maatregelen172.Opbouw van het wetsvoorstel182.1.Verbod om zonder aanwijzing warmte televeren of te transporteren192.2.Collectieve warmtevoorzieningen192.3.Kleine collectieve warmtesystemen en VvE’s enverhuurders202.4.Warmtetransportnetten212.5.Warmteproductie en restwarmte212.6.Tariefregulering212.7.Uitvoering, toezicht en handhaving222.8.Overgangsrecht bestaande situaties233.Collectieve warmtevoorzieningen233.1.Inleiding233.2.Samenhang met de wijkgerichte aanpak243.3.Verbod op transport en levering van warmtezonder aanwijzing293.4.Vaststelling van warmtekavel (zie stap 3 vanschema in paragraaf 3.2)303.5.Aanwijzing warmtebedrijf (zie stap 4 vanschema in paragraaf 3.2)323.6.Taken aangewezen warmtebedrijf493.7.Verplichtingen aangewezen warmtebedrijf534.Kleine collectieve warmtesystemen814.1.Algemeen814.2.Omvang klein collectief warmtesysteem824.3.Ontheffing834.4.Wijzigen, intrekken en overdragen ontheffing854.5.Taken871I.v.m. toevoeging paginering bij de inhoudsopgave kst-36576-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 31 4.6.Verplichtingen875.Verhuurders en VvE’s885.1.Ontheffing885.2.Ontheffingsprocedure895.3.Wijzigen, intrekken of overdragen van eenontheffing895.4.Verplichtingen VvE’s en verhuurders906.Warmtetransportnetten906.1.Aanwijzing van een warmtetransportbeheerder916.2.Taken warmtetransportbeheerder956.3.Verplichtingen warmtetransportbeheerder976.4.Verplichtingen derden1016.5.Noodprocedure1027.Warmteproductie1027.1.Restwarmte1027.2.Garanties van oorsprong1037.3.Wijziging in zeggenschap1048.Tariefregulering1058.1.Tariefregulering levering van warmte door eenaangewezen warmtebedrijf1058.2.Tariefregulering levering van warmte door eenaangewezen warmtebedrijf aan grootverbrui-kers1178.3.Tariefregulering kleine collectieve warmtesyste-men1188.4.Tariefregulering levering van warmte aan tenhoogste 10 kleinverbruikers1198.5.Tariefregulering voor verhuurders en VvE diewarmte doorleveren aan hun huurders en leden1198.6.Tariefregulering warmtetransportnetten1199.Informatieverstrekking en verwerking persoonsgege-vens1219.1.Informatieplicht1219.2.Verwerking persoonsgegevens12110.Toezicht en handhaving12210.1.Algemeen12210.2.Handhavingsbevoegdheden ACM12310.3.Handhavingsbevoegdheden van het college12310.4.Interventiebevoegdheden ACM12311.Geschilbeslechting12512.Rechtsbescherming12512.1.Rechtsbescherming tegen besluiten12512.2.Representatieve organisaties12612.3.Gevolgen voor de rechterlijke organisatie12613.Overgangsrecht12713.1.Algemeen12713.2.Aanwijzing bestaande warmtebedrijven envastststelling warmtekavel12713.3.Verplichting samenvoegen warmtekavels12813.4.Bepalen duur van de aanwijzing12913.5.Taken en verplichtingen aanwijzing bestaandewarmtebedrijven13013.6.Mogelijkheden bestaande warmtebedrijven enderdentoegang13013.7.Bestaande kleine collectieve warmtesystemen13213.8.Bestaande warmtelevering door verhuurders enVvE’s13213.9.Warmtewet nog tijdelijk van toepassing opbestaande warmtebedrijven13214.Mogelijkheden voor publieke infrastructuurbedrijven13314.1.Wijziging Energiewet133Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 32 14.2.Voorwaarden voor deelneming van eeninfrastructuurbedrijf in een aangewezenwarmtebedrijf13315.Onderzochte alternatieven marktordening collectievewarmtevoorzieningen13515.1.Algemeen13515.2.Keuze rechtsinstrument: aanwijzingsmodel ofconcessiemodel13515.3.Integraal warmtebedrijf of splitsing netbeheer/levering13615.4.Aan te wijzen warmtebedrijven voor eenwarmtekavel13615.5.Overige alternatieven13916.Flankerend beleid14216.1.Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransi-tie14216.2.Programma Versnelling VerduurzamingGebouwde Omgeving14316.3.Nationaal Programma Lokale warmtetransitie14316.4.Financiële instrumenten14316.5.Publieke realisatiekracht14417.Lessen buitenland14617.1.Algemeen14617.2.Marktordening14717.3.Tariefregulering15017.4.Duurzaamheid15017.5.Leveringszekerheid15118.Verhouding tot internationaal recht15118.1.Europeesrechtelijke aspecten15118.2.Europees Verdrag tot bescherming van deRechten van de Mens en de fundamenteleVrijheden16219.Gevolgen van het wetsvoorstel16819.1.Rijk en decentrale overheden16819.2.Regeldruk voor burgers en bedrijven16820.Consultatie, toetsing en adviezen17320.1.Consultatie17320.2.Advies Adviescollege toetsing regeldruk18120.3.Toets code interbestuurlijke verhoudingen18220.4.Maatschappelijke dialoog marktordening enbestaande initiatieven18320.5.Advies van de Autoriteit Persoonsgegevens18520.6.Advies Raad van de Rechtspraak18520.7.Uitvoerings- en handhavingstoets ACM186IIARTIKELEN194 I. ALGEMEEN 1. Aanleiding en doel van het wetsvoorstel Nederland staat voor de opgave in om 2050 klimaatneutraal te zijn. In hetKlimaatakkoord, dat de overheid, bedrijven en maatschappelijke organi-saties in 2019 hebben gesloten, is deze doelstelling onder meer vertaald ineen grote ambitie voor verduurzaming van de gebouwde omgeving inNederland. De warmtevoorziening van de gebouwde omgeving is met37% het grootste aandeel in het totale nationale energieverbruik.2Gegeven het doel van klimaatneutraliteit in 2050, vormt dit een grotemaatschappelijke uitdaging. Het vergt aanpassing van ruim 7,5 miljoen2RVO (2021), Monitor Energiebesparing Gebouwde OmgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 33 woningen en 1 miljoen andere gebouwen, veelal matig geïsoleerd envrijwel allemaal nog verwarmd met behulp van aardgas.De transitie in de gebouwde omgeving loopt langs twee fundamentelesporen: een individueel spoor waarbij in beginsel wordt aangesloten bijde natuurlijke momenten voor gebouweigenaren om iets aan hun gebouwte doen: een verhuizing, een verbouwing of de vervanging van installaties.Daarnaast wordt een collectief spoor bewandeld waarbij onder regie vangemeenten wijken stapsgewijs of in één keer vergaand worden verduur-zaamd, en waar nodig breder sociale en fysieke opgaven wordenaangepakt. In de meeste gevallen wordt ook de energie-infrastructuur inde wijk vernieuwd, bijvoorbeeld bij de aanleg van een warmtenet ofverzwaring van het elektriciteitsnet om de wijk klaar te maken voor detoekomst.Gemeenten spelen bij deze warmtetransitie een cruciale rol. Door wijkvoor wijk aan de slag te gaan, kunnen gemeenten samen met bewonersen gebouweigenaren een zorgvuldig proces doorlopen waarin eenafweging wordt gemaakt over wat per wijk het beste warmtealternatief isen wanneer woningen en gebouwen niet langer met aardgas wordenverwarmd. Per wijk en zelfs binnen wijken kan de optimale keuzeverschillen. Collectieve warmte-oplossingen zullen naar verwachting eensubstantieel aandeel hebben, naast volledige elektrificatie en de inzet vanduurzame gassen. Over collectieve warmte wordt ook wel gesproken alsstadsverwarming en warmtenetten, maar ook kleinere collectievewarmtesystemen zoals WKO (warmte-koude opslag) vallen hieronder.Ook in het coalitieakkoord van 2021 is benoemd dat erop wijkniveau, waarhet kosteneffectief kan, wordt ingezet op de realisatie van duurzamewarmtenetten. Met name in de stedelijke bestaande bouw, in wijken meteen relatief hoge bebouwingsdichtheid, bieden collectieve warmte-oplossingen vanuit maatschappelijk perspectief vaak de meest efficiënteoptie (energetisch en financieel) voor verduurzaming van de warmtevoor-ziening. Momenteel is ongeveer 6,4% van de Nederlandse huishoudensaangesloten op een collectieve warmtevoorziening.3 Hoewel de verwach-tingen uiteenlopen en veel afhangt van toekomstige beleidskeuzes, is hetduidelijk dat collectieve warmte voor een significant deel van degebouwde omgeving een duurzame strategie is.4Om de ambities ten aanzien van duurzame collectieve warmte waar temaken, zijn de bestaande regels voor deze systemen opnieuw tegen hetlicht gehouden. Hierbij is geconstateerd dat de Warmtewet niet meervoldoende aansluit bij het toenemende belang van collectieve warmtevoor de samenleving. Zo ontbreken er regels en bevoegdheden die dehierboven beschreven centrale rol van de gemeenten in de warmtetran-sitie mogelijk maken; op grond van de Warmtewet hebben gemeenten nute weinig grip op waar, wanneer en onder welke voorwaarden collectievewarmtevoorzieningen gerealiseerd worden.5Consumentenbescherming is een belangrijk onderdeel van de Warmtewetvanwege de monopoloïde kenmerken van collectieve warmte. Gebleken isdat de consumentenbescherming aanscherping en aanvulling behoeft.Een vergelijking is gemaakt met de aangescherpte bescherming vanverbruikers van elektriciteit en gas op grond van de Energiewet. Geblekenis dat de aanscherpingen voor deze verbruikers ook voor de (kwetsbare)3CBS (2023) StatLine – Energieverbruik particuliere woningen; woningtype, wijken en buurten,2022 (cbs.nl)4Startanalyse PBL (2020)5TNO (2019), Gemeentelijke besluitvorming warmtenetten, lessen op basis van casussenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 34 verbruikers van warmte relevant en van belang zijn. Verder gelden opgrond van de Warmtewet al regels ten aanzien van de tarieven voor dezogenaamde «gebonden verbruikers». De huidige warmtetarieven zijnechter gekoppeld aan de gemiddelde gasprijs, waardoor ze geenafspiegeling zijn van de werkelijke kosten die zijn gemoeid met dewarmtelevering. Dit wordt als ondoorzichtig ervaren door de verbruikers,die in hun tarieven geconfronteerd worden met fluctuaties in de gasprijsterwijl ze al «van het gas» zijn. De verbruiker is afhankelijk van eencollectieve warmtevoorziening, maar weet nu niet goed wat de onderlig-gende kosten zijn en hoe die doorwerken in de tarieven. Ook weerspie-gelen de warmtetarieven op geen enkele wijze de toenemende variatieaan (duurzame) warmtebronnen. In het verlengde daarvan ontbreekt in deWarmtewet een helder kader voor de verduurzaming van collectievewarmte.Weliswaar bevat de Warmtewet regels ten aanzien van de leveringsze-kerheid, maar de verantwoordelijkheidsverdeling binnen de warmteketen– van productie tot levering – leidt in de praktijk tot onduidelijkheden.Hierdoor is bij (risico op) uitval en calamiteiten onvoldoende helder wieaanspreekbaar is en wie op welk moment tot handelen moet overgaan.Ook wordt geen recht gedaan aan het toenemende vitale karakter van deinfrastructuur voor collectieve warmte en de publieke rol die daarbijpassend is. Tenslotte bevat de Warmtewet geen duidelijke regelgevingvoor zowel kleine collectieve warmtesystemen als grote warmtetransport-netten, terwijl deze eveneens van groot belang zijn voor de warmtetran-sitie.Met het voorliggende wetsvoorstel zijn voor bovengenoemde onder-werpen nieuwe regels opgesteld. De noodzaak tot verduurzaming van dewarmtevoorziening en de daarbij gewenste publieke sturing, in combi-natie met de gewenste hervorming van de tarieven en vereisten rondleveringszekerheid, vragen om een fundamentele hervorming van hetregelgevend kader voor collectieve warmte. Daarom is gekozen voor hetopstellen van een geheel nieuw wetsvoorstel: de Wet collectieve warmte.Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de warmtetransitie in met name degebouwde omgeving te bevorderen en tegelijkertijd de publieke belangenduurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid beter te borgen.Dit wetsvoorstel kent de volgende doelen:A.Vergroten van publieke sturing op (realisatie en exploitatie van)collectieve warmte, daar waar dat de gewenste verduurzamingsstrate-gie is voor de gebouwde omgeving.B.Ontwikkelen van collectieve warmte die geen broeikasgassen meeruitstoot in 2050.C.Aanscherping van de consumentenbescherming en betere borging vande leveringszekerheid van collectieve warmte.D.Introduceren van transparante en kostengebaseerde tariefreguleringvoor de gebonden verbruikers van collectieve warmte.De genoemde publieke belangen kunnen met elkaar op gespannen voetstaan. Zo kan bijvoorbeeld een hoge ambitie voor een betrouwbarewarmtevoorziening ten koste gaan van de betaalbaarheid. Het inzettenvan andere, duurzamere warmtebronnen kan mogelijk een risicobetekenen voor de leveringszekerheid, terwijl te veel nadruk op lagetarieven wellicht de aantrekkelijkheid van investeren in robuuste enduurzame warmtesystemen doet afnemen. Met dit wetsvoorstel isgetracht hierin een goede balans aan te brengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 35 1.1. Kenmerken van collectieve warmte Collectieve warmte kent specifieke geografische, technische, economischeen maatschappelijke kenmerken. In dit wetsvoorstel wordt hier zoveelmogelijk op aangesloten. Deze systeemkenmerken worden in dezeparagraaf toegelicht.Collectieve warmte: grote diversiteitWarmte wordt hoofdzakelijk benut voor ruimteverwarming en het makenvan warm tapwater. Onderdeel van de levering van warmte kan inbepaalde systemen bijvoorbeeld ook de levering van koude ten behoevevan koeling zijn. Er is een grote diversiteit aan collectieve warmtesys-temen, op basis van verschillende warmtebronnen en temperatuurni-veaus. Warmte wordt geleverd aan gebouweigenaren, huurders, bedrijvenen andere verbruikers.Geografisch: lokaal karakterCollectieve warmtesystemen hebben een (boven)lokaal karakter. Daarwaar gas en elektriciteit over grote afstanden kunnen worden getranspor-teerd, is dit bij warmte minder goed mogelijk vanwege de warmtever-liezen die optreden bij transport van warmte. Bovendien is bij collectievewarmtesystemen sprake van een gesloten systeem met aanvoer- enretourleidingen; het warme water komt afgekoeld weer terug bij de bron.Collectieve warmtesystemen zijn daardoor fysiek en geografischafgebakende systemen: ze kennen in Nederland de omvang van enkeletientallen tot enkele tienduizenden verbruikers (grotere stadsverwar-mingsnetten).Technisch: warmtebron, warmtenet en afgiftesysteem zijn onderlingafhankelijkGegeven de fysieke kenmerken kent een collectieve warmtevoorzieninggrote afhankelijkheden tussen de (kwaliteit van) productie, de benodigdeinfrastructuur en de vraag. Voor een optimale werking van het systeem ishet belangrijk dat bronnen, temperatuur (delta T), debiet, dimensioneringvan de infrastructuur en de vereiste installaties in gebouwen (hetafgiftesysteem) op elkaar worden afgestemd. De wisselwerking tussenwarmtevraag en -aanbod maken het handhaven van de systeemkwaliteitcomplex. Hydraulische stromen zijn bijvoorbeeld minder flexibel tebeheersen dan gas- en elektriciteitsstromen. Zo kan warmte maar éénrichting op stromen in het systeem en kunnen er ook niet «zomaar» overalin het systeem warmtebronnen worden aangesloten. Elke partijverbonden met het warmtenet beïnvloedt de kwaliteit van het systeem.Om het warmtesysteem efficiënt te laten werken en om de leveringsze-kerheid en de ontwikkeling van een duurzame bronnenmix te kunnengaranderen, is een integrale sturing op kwaliteitsparameters cruciaal.Economisch: de collectieve warmtemarkt kent een inherente vorm vanmarktfalenDe levering van warmte via collectieve warmtenetten heeft kenmerkenvan een natuurlijk monopolie. Er zijn grote verzonken investeringen meegemoeid, die over een lange termijn moeten worden terugverdiend. Vanconcurrentie tussen warmtebronnen is ook geen sprake, omdat de inzetvan bronnen hand in hand gaat met de (verwachte) warmtevraag, denoodzaak om redundantie in het warmteaanbod te hebben en uiteraardwordt bepaald door de lokale beschikbaarheid. Voor een optimale werkingis bovendien een complementaire inzet van warmtebronnen (voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 36 basislast, middenlast en pieklast) binnen het systeem vereist. Introductievan concurrentie tussen aanbieders op het net – zoals bij gas en elektri-citeit – is niet te verenigen met de omschreven integraliteit van warmte-systemen, bevordert de efficiëntie derhalve niet en leidt eerder tot hogerekosten. Als gevolg van deze factoren is ervoor de verbruiker geen reëlemogelijkheid om over te stappen op een ander warmtebedrijf. Deze«gebonden verbruiker» dient beschermd te worden tegen het risico vande mogelijke ongewenste effecten van dit type marktfalen, zoals hetuitblijven van prikkels voor de kwaliteit of de redelijkheid en transparantievan het warmtetarief.Maatschappelijk: warmtelevering is van vitaal belangBeschikken over voldoende warmte is een primaire levensbehoeftevergelijkbaar met de beschikbaarheid van drinkwater en elektriciteit.Leveringszekerheid van warmte is dan ook van groot maatschappelijkbelang. Tot dusver werd dit belang in Nederland hoofdzakelijk geborgddoor middel van de beschikbaarheid van de gasinfrastructuur. In detransitie naar een broeikasgasvrije warmtevoorziening moet die vanzelf-sprekende beschikbaarheid van aardgas gaandeweg losgelaten wordenen zal de warmtevoorziening op verschillende manieren worden geborgd.Het maatschappelijk belang van collectieve warmte neemt naarverwachting sterk toe. Ook collectieve warmtevoorzieningen en warmte-transportnetten dienen daarom geclassificeerd en gereguleerd te wordenals vitale infrastructuur.1.2. Belangrijkste voorstellen van het wetsvoorstel De belangrijkste voorstellen om de doelen van publieke regie, verduur-zaming, leveringszekerheid, consumentenbescherming en transparante enkostengebaseerde tariefregulering te realiseren worden hieronder korttoegelicht. Bij het uitwerken van de voorstellen is nadrukkelijk rekeninggehouden met de geografische, technische, economische en maatschap-pelijke kenmerken van collectieve warmte zoals hierboven beschreven.a. Lokale regie gemeente: vaststelling warmtekavel en aanwijzingwarmtebedrijf In dit wetsvoorstel wordt een heldere keuze gemaakt voor meer publiekesturing. Om de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te realiserenhebben burgers en bedrijven zekerheden en coördinatie nodig. Zo ookover de vraag waar, wanneer en door wie er een collectieve warmtevoor-ziening wordt gerealiseerd. De gemeente is de logische partij om hierregie op te voeren gezien haar kennis van de lokale omstandigheden enhaar contact met bewoners en bedrijven.Daarom wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld het college van burge-meester en wethouders (hierna: het college) de bevoegdheid te geven eenwarmtebedrijf voor een gebied – de warmtekavel – aan te wijzen, en ditaangewezen warmtebedrijf te belasten met de uitvoering van een dienstvan algemeen economisch belang (hierna: DAEB). Binnen de warmtekavelheeft het warmtebedrijf enerzijds het alleenrecht een collectieve warmte-voorziening aan te leggen en te exploiteren, anderzijds rusten op hetwarmtebedrijf taken en verplichtingen. Zo heeft het warmtebedrijf tot taakin de warmtekavel of een deel daarvan een collectieve warmtevoorzieningaan te leggen als het college heeft besloten dat verwarming vangebouwen met collectieve warmte daar de beste keuze is. Met ditwetsvoorstel wordt geborgd dat gemeenten kunnen sturen op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 37 ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen en daarbij beschikkenover voldoende bevoegdheden ten aanzien van het aangewezen warmte-bedrijf.b. Integraal verantwoordelijk warmtebedrijf Een door het college aangewezen warmtebedrijf draagt de integraleverantwoordelijkheid voor de collectieve warmtevoorziening. Dit betekentdat een aangewezen warmtebedrijf verantwoordelijk is voor de conti-nuïteit en kwaliteit van de collectieve warmtevoorziening binnen eenwarmtekavel en de daarvoor noodzakelijke productie, inkoop, transport enlevering van warmte. Een warmtebedrijf kan dus alleen door het collegeworden aangewezen indien dit warmtebedrijf in staat is om deze integraleverantwoordelijkheid te dragen voor de gehele warmteketen. Eenwarmtebedrijf kan wel via contracten werkzaamheden laten uitvoerendoor een derde, maar blijft zelf verantwoordelijk voor het eindresultaat.De keuze voor een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf biedtverbruikers een betere bescherming doordat het toezicht vereenvoudigtaangezien er één aanspreekpunt is. Ook voor de verbruiker is altijdduidelijk wie aanspreekbaar is.De hierboven geschetste ordening van de warmtemarkt kent een andereinvulling dan de ordening voor de elektriciteits- en gasmarkt, waarbijleveranciers produceren en leveren en met elkaar concurreren terwijl hettransport is belegd bij publieke systeembeheerders. Dat is een bewustekeuze. Gas- en elektriciteitsmarkten kennen onder meer een Europese ofzelfs mondiale schaal. Er is een grote beschikbaarheid van elektriciteit endit geldt in iets mindere mate ook voor gas. Producenten kunnen opvrijwel elk punt in het net invoeden en verschillende productielocatieskunnen met elkaar concurreren. Producenten van elektriciteit en gas zijnzodoende substitueerbaar. Elektriciteit en gas hebben als goed eennagenoeg uniform karakter, in tegenstelling tot het product warmte. Devoordelen van een scheiding van productie en levering enerzijds entransport (het net) anderzijds, zoals in de elektriciteit- en gasmarkt, wegennaar verwachting in de warmtemarkt niet op tegen de nadelen.6 Ook hetvooruitzicht dat de verschillende energiemarkten op termijn meer metelkaar verweven zullen raken, rechtvaardigt niet – ook gelet op het verschilin ontwikkelingsfase – een gelijksoortige regulering. Vanwege het lokalekarakter van collectieve warmte, de noodzaak tot integrale sturing vanwarmtebron tot aansluiting en het monopolie van het warmtebedrijf heeftcollectieve warmte eerder overeenkomsten met bijvoorbeeld de drinkwa-tervoorziening, waar ook sprake is van een integrale ketenverantwoorde-lijkheid.c. Warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang en warmtege-meenschap In het wetsvoorstel is voorgesteld dat het college voor een warmtekavelalleen een warmtebedrijf kan aanwijzen waarbij een meerderheidsbelangin handen is van één of meerdere publieke partijen. Een publieke partijheeft daardoor doorslaggevende zeggenschap in het warmtebedrijf. Ookkan het college een warmtegemeenschap aanwijzen. De bredereachterliggende afweging hierbij is dat de aard en de omvang van demaatschappelijke opgave bij collectieve warmte zodanig is dat meerpublieke zeggenschap in het aangewezen warmtebedrijf noodzakelijk is.6SEO (2018), Belang bij splitsing in de warmtemarktTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 38 Gelet op de voorziene opschaling van collectieve warmtevoorzieningen,staat de warmtemarkt op dit moment nog in de kinderschoenen. Nu dewarmtemarkt in transitie is, is een stevige publieke rol noodzakelijk. Meteen publieke partij als meerderheidsaandeelhouder in het warmtebedrijfzal het in kunnen spelen op mogelijke veranderingen in de nog groeiendewarmtemarkt. Ook kan een publieke partij het beleidsinstrumentarium enbedrijfseconomische beslissingen beter op elkaar afstemmen. Omvergelijkbare afwegingen is in het verleden vaker gekozen voor eenduidelijke regierol vanuit de overheid. Collectieve warmte, elektrificatie ende (groene) gasvoorziening zullen bovendien bij de energietransitie steedsmeer met elkaar interfereren en kunnen elkaar versterken. Publiekeaandeelhouders zullen er belang aan hechten om het bredere systeemper-spectief in ogenschouw nemen bij de ontwikkeling van collectievewarmte. Doordat een publieke partij kan handelen vanuit het perspectiefvan het integrale energiesysteem kan er gestuurd worden op eenenergietransitie tegen de laagste maatschappelijke kosten. Ook in onsomringende landen, waar collectieve warmte reeds een volwassen marktis, zijn warmtebedrijven veelal in publieke of coöperatieve handen (zieparagraaf 17.2 van de toelichting). Hierna wordt ingegaan op de meerspecifieke argumenten voor de keuze om een publiek meerderheidsbelangin warmtebedrijven voor te schrijven.1. Betere borging publieke belangen tijdens warmtetransitie In de eerste plaats wordt met het vereiste van een publiek meerderheids-belang beoogd de borging van de publieke belangen van eenbetrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem in de warmtetran-sitie te verstevigen. Voor de sleutelrol die medeoverheden hebben in dewarmtetransitie, zijn voldoende sturingsmogelijkheden op de publiekebelangen randvoorwaardelijk. Hier wordt allereerst invulling aan gegevendoor in dit wetsvoorstel het college de bevoegdheid te geven om eenwarmtekavel vast te stellen en daarvoor een warmtebedrijf aan te wijzen(zie paragraaf 1.2, onder a). Hierdoor kan het college bepalen waar enwanneer er een collectieve warmtevoorziening wordt aangelegd. Desturingsmogelijkheden voor de medeoverheden op grond van alleen deregulering zonder een publiek meerderheidsbelang voor te schrijven zijnechter onvoldoende, zoals ook is toegelicht in paragraaf 15.4, onder a.Door in aanvulling op de regulering een publiek meerderheidsbelang voorte schrijven, kan een publieke partij de koers van het warmtebedrijf vanbinnenuit bepalen en ervoor zorgen dat het warmtebedrijf proactiefhandelt in het publiek belang. Hierdoor kunnen overheden de belangenvan burgers optimaal beschermen. Deze hoogst mogelijke beschermingvan consumenten is noodzakelijk, omdat warmte een nutsvoorziening isen er sprake is van een natuurlijk monopolie waarvan de verbruikersafhankelijk zijn. De verbruiker die is aangesloten op een collectievewarmtevoorziening moet erop kunnen vertrouwen dat het warmtebedrijfde publieke belangen op het oog heeft en niet uit is op bijvoorbeeldwinstmaximalisatie. Door het voorschrijven van een publiek meerder-heidsbelang wordt dit ondervangen, omdat een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang uit eigen beweging publieke belangen alsconsumentenbescherming, duurzaamheid of betaalbaarheid zwaarder zallaten wegen dan commerciële belangen.Wanneer een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang hetbehalen van een rendement toch zou laten prevaleren boven het borgenvan publieke belangen, heeft dat hele directe gevolgen voor de burgers.Vanwege deze directe impact zullen burgers naar verwachting ook deinvulling van het aandeelhouderschap door medeoverheden kritischervolgen en via de democratische weg hier ook aandacht voor vragen. Er zalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 39 dus sterke democratische controle zijn op de invulling van het aandeel-houderschap door de medeoverheden. Anderzijds ligt het, zoals toegelichtin paragraaf 1.3, voor de hand dat er nieuwe (in meerderheid) publiekewarmtebedrijven op regionale of provinciale schaal zullen ontstaan. Doorde variëteit aan aandeelhouders die dit met zich meebrengt zal naarverwachting ook een zekere mate van publieke zakelijkheid ontstaan,waardoor er vanuit een integrale visie op het energiesysteem kan wordengestuurd en het mogelijke risico dat de lokale aandeelhouder eenzijdigelokale belangen laat prevaleren zal worden gecorrigeerd.2. Beperkte mogelijkheden om publieke belangen met regulering en hettoezicht af te dwingen Een tweede reden waarom een publiek meerderheidsbelang boven op deregulering noodzakelijk is, hangt nauw samen met het eerstgenoemdeargument. De effectiviteit van de regulering wordt grotendeels bepaalddoor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het toezicht enhandhaving daarop. De ervaring leert dat de heterogeniteit en het groteaantal collectieve warmtesystemen ervoor zorgen dat de toezichthouderer beperkt in slaagt alleen door toezicht en handhaving gewenst gedrag afte dwingen, terwijl de bewijslast bij de ACM ligt. Hierdoor zal bij collec-tieve warmte toezicht vaak een reactief karakter hebben. Eventuelecorrecties komen dan pas nadat de negatieve effecten zich al hebbenvoorgedaan. Door de doorslaggevende zeggenschap die ontstaat dankzijhet publiek meerderheidsbelang, vindt sturing aan de voorkant plaats.Tevens is het van belang dat warmtebedrijven in hun bedrijfsvoeringkeuzes maken die bijdragen aan het realiseren van de energietransitietegen de laagste maatschappelijk kosten. De ontwikkeling van nieuwecollectieve warmtevoorzieningen gaat bijvoorbeeld gepaard met groteverzonken investeringen in warmtenetten en een verdeling van veelalschaarse warmtebronnen waarbij de af te wegen belangen de warmte-kavel kunnen overstijgen. Dat vraagt van warmtebedrijven dat zij bijbedrijfseconomische beslissingen niet alleen rekening houden met debelangen binnen het eigen afzetgebied, maar ook rekening houden met deinvloed van die beslissingen om elders een betaalbare, betrouwbare enduurzame warmtevoorziening te realiseren. Ook hierbij geldt dat gewenstgedrag niet met regulering, en toezicht van de ACM hierop, is af tedwingen.3. Past bij vitale karakter van warmte en sluit aan bij benadering van gas,elektriciteit, drinkwater Ten derde past een publiek meerderheidsbelang bij het toenemende vitalekarakter van collectieve warmtevoorzieningen. Met de voorziene groei vancollectieve warmte zullen steeds meer verbruikers voor de levering vanwarmte volledig afhankelijk worden van collectieve warmtevoorzieningen.Er zijn immers geen of nauwelijks substituten beschikbaar op het momentdat er in een wijk of buurt een collectieve warmtevoorziening ligt. Om diereden is het borgen van de leveringszekerheid voor collectieve warmte-voorzieningen van wezenlijk belang. Met een publiek meerderheidsbelangkan bij acute noodsituaties sneller gehandeld worden en zijn er meerinterventiemogelijkheden. Een acute noodsituatie hangt vaak samen meteen (dreigend) faillissement. Een publieke aandeelhouder heeft een grootbelang om het niet zover te laten komen, omdat het gaat om de leverings-zekerheid van de eigen burgers.Ook in crisissituaties met een bredere impact op de energievoorziening,zoals de recente energiecrisis, biedt publiek aandeelhouderschap demogelijkheid om bedrijfseconomische afwegingen tijdelijk minder te latenwegen dan publieke belangen als betaalbaarheid en leveringszekerheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 310 Verder wordt met het voorschrijven van een publiek meerderheidsbelangongewenste buitenlandse zeggenschap in vitale warmte-infrastructuurvoorkomen. In de meest recente «Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijkder Nederlanden» is vanwege toegenomen risicovolle strategischeafhankelijkheden het beter beschermen van vitale infrastructuur als éénvan de speerpunten genoemd.7De benadering sluit dan ook aan bij het Nederlandse beleid ten aanzienvan andere vitale infrastructuren zoals gas, elektriciteit, drinkwater (enspoor). Voor gas en elektriciteit is in de Wet onafhankelijk netbeheerdestijds bewust gekozen om de publieke belangen niet alleen te borgenmet de regulering als zodanig, maar om aanvullend publiek eigendomvoor te schrijven.8 In de onderbouwing van deze keuze is erop gewezendat publieke aandeelhouders zich niet alleen laten leiden door commer-ciële overwegingen, maar ook oog hebben voor de publieke belangen diespelen rondom energie-infrastructuur. In de context van de Wet onafhan-kelijk netbeheer ging het hierbij met name om het publieke belang vanleveringszekerheid. Daarbij is er bijvoorbeeld op gewezen dat publiekaandeelhouderschap de mogelijkheid biedt om snel in te kunnen grijpenbij wanbeheer.9 Een belangrijke overweging was ook dat publiekeigendom een waarborg biedt dat vitale infrastructuur in Nederlandsepublieke handen blijft.10 In de toelichting op de keuze voor publiekeigendom bij drinkwater worden de publieke belangen van kwaliteit,toegankelijkheid, continuïteit en betaalbaarheid als reden genoemd omeigendomseisen in wetgeving te verankeren.11 Bij drinkwater is daarbij deoverweging dat het gaat om een natuurlijk monopolie van groot belanggeweest om publiek eigendom voor te schrijven. Met een keuze voor eenpubliek meerderheidsbelang wordt dus aangesloten bij wat gangbaar isbij andere vitale infrastructuren.124. Betere en directe afstemming tussen bestuurlijke keuzes warmtetran-sitie en bedrijfsvoering warmtebedrijf Ten vierde is een publiek meerderheidsbelang wenselijk gezien de hogemate van samenhang tussen bestuurlijke keuzes in de lokale warmtetran-sitie en bedrijfseconomische overwegingen van het aangewezenwarmtebedrijf. Gemeenten kunnen zowel door aandeelhouderschap inwarmtebedrijven als via beleidsinstrumentarium sturen op de realisatievan collectieve warmtevoorzieningen.De belangen en prikkels voor de gemeente als lokale overheid en publiekeaandeelhouder werken parallel in dezelfde richting, wat de besluitvormingover en realisatie van warmtenetten sterk kan bevorderen. Het publiekmeerderheidsbelang zorgt ervoor dat gemeenten hun bevoegdheden opgrond van dit wetsvoorstel en ook het wetsvoorstel Wet gemeentelijkeinstrumenten warmtetransitie (hierna: Wgiw) zodanig in zetten dat hetwarmtebedrijf zijn opgave kan realiseren op een bedrijfseconomischverantwoorde manier. Het aandeelhouderschap zorgt er bovendien voordat overheden zelf ook meedelen in de risico’s en in de voordelen die bijdie keuzes horen. Een belangrijk financieel risico voor een collectievewarmtevoorziening is bijvoorbeeld dat deze niet tijdig volloopt. In dit7De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023): https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/04/03/veiligheidsstrategie-voor-het-koninkrijk-der-nederlanden8Kamerstukken II 2006/07, 30 212, D, p. 26.9Kamerstukken II 2006/07, 30 212, D, p. 9.10Kamerstukken II 2006/07, 30 212, D, p. 21.11Kamerstukken II 2008/09, 30 895, D, p. 2.12Zie ook het advies van de landsadvocaat van 5 april 2023, Kamerstukken II 2022/23, 30 196,nr. 815, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 311 wetsvoorstel heeft de gemeente invloed op waar en wanneer er binnen dewarmtekavel een collectieve warmtevoorziening dient te wordenaangelegd. Keuzes die hierin worden gemaakt hebben grote impact op dehoogte van het vollooprisico. Verder zorgt een keuze door de gemeenteom op grond van de Wgiw in het omgevingsplan vast te stellen dat in eenbepaald gebied het gebruik van gas (op termijn) niet langer is toegestaanvoor een betekenisvolle beperking van het vollooprisico. Een gemeentezal sneller geneigd zijn om dit instrument in te zetten als deze ookpublieke aandeelhouder van het warmtebedrijf is die het financiële risicovoor een tijdige volloop draagt. Ook zal een gemeente als publiekeaandeelhouder nog sterker geprikkeld worden om het participatieproceszodanig vorm te geven dat burgers zoveel mogelijk aansluiten op eenvoorziene collectieve warmtevoorziening. Een gemeente zal als aandeel-houder van het aangewezen warmtebedrijf bij het maken van bestuurlijkekeuzes dus rekening houden met de impact die dat heeft op het warmte-bedrijf dat deze keuze moet vertalen naar concrete activiteiten. Dit zorgtvoor een zekere gelijkgerichtheid in het beleid van gemeenten en desturing als aandeelhouder en helpt ondoelmatige en inefficiënte gemeen-telijke besluiten voorkomen.Andersom is het aannemelijk dat een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang sneller geneigd zal zijn rekening te houden met debelangen van andere warmtebedrijven in aangrenzende gebieden in deregio en minder eenzijdig gewicht zal toekennen aan bedrijfseconomischeafwegingen als de lokale of regionale warmtetransitie hiermee gediend is(zoals ook hierboven betoogd). Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn alsschaarse warmtebronnen verdeeld moeten worden of samengewerktmoet worden om een regionale warmtebron te ontsluiten. Ook mag vanwarmtebedrijven met publieke aandeelhouders worden verwacht dat zijbij investeringsbeslissingen handelen in het maatschappelijk belang vanhet realiseren van de warmtetransitie tegen de laagste maatschappelijkekosten, met oog voor het lange termijn ontwikkelperspectief van eencollectieve warmtevoorziening.5. Biedt maatschappelijke voordelen financiering collectieve warmtevoor-zieningen Voorts kan publiek aandeelhouderschap maatschappelijke voordelenbieden met betrekking tot de financiering van het type investeringen dievoor collectieve warmtevoorzieningen kenmerkend zijn.Het is aannemelijker dat een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang genoegen kan nemen met een lager rendement dan hetvanuit private aandeelhouders gewenste rendement voor een privaatwarmtebedrijf. Tot op heden zijn het publieke warmtebedrijven die eendergelijke keuze hebben gemaakt. Ook zal een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang sneller geneigd zijn om (een deel) van zijnrendement te benutten voor herinvesteringen gericht op de versnellingvan de warmtetransitie. Hierbij dient wel bedacht te worden dat eenpubliek warmtebedrijf evenzeer oog dient te hebben voor een gezondebedrijfsvoering op de lange termijn en geen onverantwoorde risico’s kannemen.Verder is het ook de verwachting dat met een publiek meerderheidsbelanginvesteringen met een lange looptijd en de daarbij behorende risico’smakkelijker doorgang vinden. Aangenomen wordt dat in sommigesituaties publieke aandeelhouders tegen lagere rente kapitaal kunnenaantrekken en daarmee de kapitaallasten kunnen drukken. Tot slot heeftelke organisatie eigen beleid om investeringen te beoordelen, waarbij delooptijd alsmede de hurdle rate (hoe groot moet de winstgevendheid zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 312 gezien de noodzakelijke investering) van groot belang zijn. Het is deverwachting dat warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelanguitgaan van een lagere hurdle rate dan warmtebedrijven zonder eenpubliek meerderheidsbelang. Samengenomen kunnen de kosten van eenwarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang hierdoor uiteindelijklager uitvallen.6. Versterkt draagvlak voor collectieve warmte Een laatste overweging voor de keuze voor een publiek meerderheids-belang in een warmtebedrijf is dat hiermee tegemoet wordt gekomen aande nadrukkelijke en breed gedragen wens van gemeenten en provincies.Het is essentieel dat er bij deze overheden draagvlak is voor hetwetsvoorstel, gelet op het uitgangspunt dat zij in eerste instantieverantwoordelijk zijn voor de invulling van de publieke regie en het metinwoners vormgeven en uitvoeren van de warmtetransitie.Met het besluit van een gemeente om in een wijk een collectievewarmtevoorziening aan te leggen wordt ingegrepen in de huidigeenergievoorziening van burgers. Terwijl burgers in de huidige situatie nogde keuzevrijheid hebben tussen verschillende leveranciers van gas enverschillende warmteafgiftesystemen, worden zij bewogen over testappen naar een monopolist waarvan de tarieven worden gereguleerd.Aangezien met het publiek meerderheidsbelang een publieke partij dekoers van het warmtebedrijf van binnenuit kan bepalen, rekenengemeenten erop dat burgers meer vertrouwen zullen hebben in deborging van hun belangen bij het warmtebedrijf.Omdat burgers in dit wetsvoorstel de keuzevrijheid krijgen om al dan nietaan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, is dit vertrouwencruciaal voor de bereidheid om aan te sluiten op een collectieve warmte-voorziening. Deze bereidheid is nodig om de gewenste opschaling vancollectieve warmtevoorzieningen te realiseren in lijn met de doelstellingenvoor collectieve warmte in het Programma Versnelling VerduurzamingGebouwde Omgeving (hierna: PVGO). Aangezien de inhoud van het PVGOeen vertaalslag vormt van de reductiedoestellingen uit de Klimaatwetvoor de gebouwde omgeving, zal het uitblijven van deze opschaling ookgevolgen hebben voor de Nederlandse klimaatdoelstellingen.In de paragrafen 15.4 en 15.5 wordt ingegaan op de onderzochtealternatieven voor warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang.Dit wetsvoorstel voorziet ook in de mogelijkheid om warmtegemeen-schappen aan te wijzen voor een warmtekavel. Deze mogelijkheid is in lijnmet de bepalingen over energiegemeenschappen in de richtlijn2018/2001/EU van het Europees parlement en de Raad van 11 december2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbarebronnen (PbEU 2018, L 328) (hierna: richtlijn 2018/2001/EU). Daarbij geldtdat warmtegemeenschappen dezelfde aanwijzingsprocedure moetendoorlopen als warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang.Om tijd te geven aan de opbouw van de vereiste publieke realisatiekrachtvoor deze «publieke route» is een ingroeiperiode tot 7 jaar na inwerking-treding van dit wetvoorstel voorgesteld. Indien tijdens de ingroeiperiodezich geen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang ofwarmtegemeenschap aandient, kan het college onder voorwaarden ookandere warmtebedrijven aanwijzen voor een warmtekavel. Door dezetijdelijke mogelijkheid om van de hoofdregel af te kunnen wijken kan deontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen de komende jarenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 313 zoveel als mogelijk doorgaan en wordt mogelijke vertraging in deenergietransitie voorkomen.d. Duurzaamheidsnorm Dit wetvoorstel beoogt warmtebedrijven te verplichten om te voldoen aaneen pad voor verduurzaming door het instellen van een prestatienormvoor de maximale uitstoot van broeikasgassen per warmtekavel. Dezeverduurzamingsnorm fungeert als prikkel voor warmtebedrijven om overte stappen van (deels) fossiele warmteproductie naar broeikasgas-neutrale en hernieuwbare warmtebronnen. Het uiteindelijke doel is dat erin 2050 geen broeikasgassen meer worden uitgestoten voor warmtele-vering in de gebouwde omgeving. De verduurzamingsnormen zullen inlagere regelgeving worden uitgewerkt. Er zal sprake zijn van eenafbouwpad met de maximale uitstoot per geleverde eenheid warmte perjaar, rekening houdend met het doel van broeikasgasvrije warmte voor2050. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) ziet toe op deprestaties van de afzonderlijke collectieve warmtesystemen ten opzichtevan de normen en kan een warmtebedrijf in het geval van overtreding eenlast onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. In situatieswaar de verduurzaming van de warmtebron of het collectieve warmte-systeem niet uitvoerbaar is kan de ACM een ontheffing verlenen. Ook isverlenging van deze ontheffing mogelijk.e. Leveringszekerheid Leveringszekerheid is de achilleshiel van collectieve warmtevoorzieningenvanwege de lokale gesloten systemen en veelal beperkte beschikbaarheiden variatie in warmtebronnen. Zo is het bijvoorbeeld uitdagender dan bijelektriciteit en gas om een vervangende partij te vinden om de leveringover te nemen. Om deze reden is leveringszekerheid een belangrijkonderdeel van consumentenbescherming en wordt in dit wetsvoorstel eenaantal extra maatregelen geïntroduceerd.In dit wetsvoorstel wordt een combinatie van maatregelen voorgesteld tervoorkoming van de onderbreking van warmtelevering op korte termijn enhet waarborgen van structurele beschikbaarheid van voldoende warmteop de lange termijn. Voor het eerste aspect worden de bepalingen tenaanzien storingscompensatie aangescherpt. Voor het tweede aspect wordteen set aan maatregelen voorgesteld om de ACM als toezichthouder, metbehulp van het college, te allen tijde geïnformeerd te houden over hoe hetwarmtebedrijf de structurele beschikbaarheid van warmte kan garan-deren. Leveringszekerheid is een belangrijk criterium bij het vaststellenvan de warmtekavel door het college, is onderdeel van de aanwijzingspro-cedure van een warmtebedrijf en komt tijdens de aanleg- en exploita-tiefase van een collectief warmtesysteem herhaaldelijk terug doordat heteen verplicht onderdeel is van het door het warmtebedrijf op te stellenuitgewerkt kavelplan en investeringsplan. Daarnaast is elk warmtebedrijfdat een collectieve warmtevoorziening exploiteert verplicht jaarlijks eenleveringszekerheidsrapportage op te stellen en toe te sturen aan hetcollege en de ACM. Tot slot zal de keuze voor een verplicht publiekmeerderheidsbelang bijdragen aan de borging van de leveringszekerheid.Publieke partijen kunnen immers directer op hun verantwoordelijkhedenten aanzien van de leveringszekerheid worden aangesproken. Mochten eracute problemen ontstaan dan kan de ACM een noodprocedure in gangzetten, waarbij zij allereerst het warmtebedrijf opdrachten kan verstrekkenen vervolgens direct kan ingrijpen via een door de ACM aangewezenpersoon of door opdrachten te geven aan derde partijen die de leverings-zekerheid ten goede komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 314 f. Consumentenbescherming Door het monopoloïde karakter van collectieve warmte is de warmtecon-sument sterk afhankelijk van het warmtebedrijf waar de warmte van wordtafgenomen. Een goede bescherming van de «gebonden verbruiker» is éénvan de belangrijkste doelen van dit wetsvoorstel. Zowel bestaandeverbruikers van collectieve warmte als consumenten die voor de keuzestaan om aangesloten te worden op een collectief warmtesysteemmoeten kunnen vertrouwen op een kwalitatief goed, betrouwbaar enbetaalbaar product en degelijke dienstverlening.Om de warmteverbruiker te beschermen zijn diverse waarborgen in ditwetsvoorstel opgenomen ten aanzien van de ontwikkeling en exploitatievan een warmtekavel door een warmtebedrijf, de eigendom van warmte-bedrijven en de leveringszekerheid. In aanvulling op de bepalingen overconsumentenbescherming in het Burgerlijk Wetboek zijn in ditwetsvoorstel bepalingen uit de Warmtewet waarin verbruikers wordenbeschermd overgenomen en aangevuld. Consumenten moeten vooraf-gaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst goed geïnformeerdworden over allerlei aspecten met betrekking tot de levering van warmteopdat zij weloverwogen hierover een besluit kunnen nemen. In hetwetsvoorstel is expliciet geregeld dat een warmtebedrijf levert tegentransparante tarieven alsmede onder transparante en redelijkevoorwaarden. Waar relevant is de bescherming die de Energiewet aanconsumenten biedt in dit wetsvoorstel op vergelijkbare wijze verwerkt. Zozal ook alleen bij vaste contracten een opzegvergoeding in rekeningkunnen worden gebracht en dient het warmtebedrijf te voorzien in eeninterne klachtenprocedure. Vergelijkbaar met de huidige regelgevingzullen verbruikers beschermd worden tegen beëindiging van leveringwegens wanbetaling. In het bijzonder wordt met dit wetsvoorstel deovergang naar kostengebaseerde tariefregulering voorgesteld.Verbruikers worden zo beschermd tegen te hoge tarieven, met anderewoorden: tegen tarieven die hoger zijn dan de efficiënte kosten die eenwarmtebedrijf redelijkerwijs moet maken om in de warmtelevering aan deverbruiker te voorzien. Onderdeel van die regulering is meer openheidvan warmtebedrijven over de kosten van de warmtelevering. Zo weet deverbruiker beter waarvoor deze betaalt en kan de toezichthouder ACM hiermeer en beter op sturen.In de situatie van nieuwe aansluiting op een collectieve warmtevoor-ziening verzekeren de regels keuzevrijheid voor potentiële verbruikers.Warmtebedrijven doen gebouweigenaren in geval van aanleg ofuitbreiding van een warmtenet een aanbod om aangesloten te worden.Gebouweigenaren hebben de keuze dit aanbod al dan niet te aanvaarden.Niet is gekozen een aansluitplicht op de collectieve warmtevoorziening teintroduceren. In het geval gebouweigenaren van het gas af moeten, geldtdit aanbod pas als zij het (stilzwijgend) aanvaarden doordat zij niet binnende aangegeven termijn het aanbod verwerpen of geen gebruik maken vanhet ontbindingsrecht. Hiermee wordt enerzijds een continuïteit vanenergievoorziening geborgd maar anderzijds de consument zo goedmogelijk keuzevrijheid geboden. Het eindperspectief blijft daarbij wel datiedereen tijdig overstapt naar een broeikasgassen vrij alternatief voorfossiele verwarming, al dan niet zijnde een duurzame collectievewarmtevoorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 315 g. Aparte spelregels voor kleine collectieve warmtesystemen, verhuurdersen verenigingen van eigenaars Voor kleine collectieve warmtesystemen geldt een uitzondering op dehierboven geschetste regulering van aangewezen warmtebedrijven voorcollectieve warmtevoorzieningen. Onder kleine collectieve warmtesys-temen worden warmtesystemen verstaan met een omvang tot 1500aansluitingen. Vanwege proportionaliteits- en lastendrukoverwegingengeldt voor deze warmtesystemen een minder uitgebreide set aan regels.Zodoende hoeft voor kleine collectieve warmtesystemen geen aanwij-zingsprocedure te worden doorlopen en is een publiek meerderheids-belang niet vereist. In plaats daarvan kunnen warmtebedrijven met eenklein collectief warmtesysteem een ontheffing van het verbod om zonderaanwijzing warmte te transporteren of te leveren aanvragen bij hetcollege. Het college kan hierdoor beoordelen of een dergelijk kleincollectief warmtesysteem de ontwikkeling van een collectieve warmte-voorziening in een warmtekavel belemmert. Hiermee behoudt degemeente de regie op de ontwikkeling van de kleine collectieve warmte-systemen.De verbodsbepaling om zonder aanwijzing warmte te transporteren en televeren geldt ook voor verhuurders, verenigingen van eigenaars of eenvergelijkbare rechtsvorm (hierna: VvE’s) die warmte leveren aan haareigen leden of huurders. Het is voor het college mogelijk om eenontheffing te verlenen van dit verbod aan VvE’s en verhuurders die zelfeen collectief warmtesysteem (laten) aanleggen en zelf warmte leverenaan de leden en huurders. Bij het verlenen van deze ontheffing kan hetcollege beoordelen of de aanleg van een dergelijk collectief warmte-systeem de ontwikkeling van een collectieve warmtevoorziening in eenwarmtekavel belemmert. Voor verhuurders en VvE’s met een ontheffingom zelf warmte te leveren aan haar eigen huurder of leden gelden niet detaken en verplichtingen zoals die gelden voor aangewezen warmtebe-drijven en warmtebedrijven met een klein collectief warmtesysteem. Dit isniet nodig, omdat huurders al beschermd worden door het huurrecht enleden van VvE’s door de organisatiestructuur van de VvE. Een uitzon-dering wordt gemaakt voor de regels met betrekking tot de meetverplich-tingen en de facturering. Dit is in lijn met de regulering in de Warmtewet.h. Warmtetransportnetten In het specifieke geval waarin het aanbod van meerdere warmtebronnenin een regio de behoefte van een of meerdere warmtekavels structureeloverstijgt en zonder aanvullende maatregelen dit overschot niet of niet opmaatschappelijk optimale wijze beschikbaar gemaakt kan worden, wordtin dit wetsvoorstel voorgesteld de Minister voor Klimaat en Energie(hierna: de Minister) de mogelijkheid te geven een onafhankelijkewarmtetransportnetbeheerder aan te wijzen. In zo’n situatie wordt eenuitzondering gemaakt op het model van het integraal verantwoordelijkwarmtebedrijf zoals beschreven onder b. Het is van belang om tebenadrukken dat splitsing tussen productie, levering en netbeheer in hetgeval van een warmtetransportnet niet gericht is op het creëren van devoordelen die concurrentie op het warmtetransportnet zou kunnenhebben, maar om de grootschalige regionale uitdaging het hoofd tekunnen bieden. De warmtetransportbeheerder garandeert de beschik-baarheid van de infrastructuur en het transport van de warmte naar dediverse aangesloten warmtekavels. Het voor een specifiek warmtekavelaangewezen warmtebedrijf blijft verantwoordelijk voor het contracterenvan warmtebronnen volgens de gewenste beschikbaarheid enduurzaamheid. Voor de warmtetransportbeheerder zal eveneenskostengebaseerde tariefregulering gelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 316 i. Transparante en kostengebaseerde tarieven Gezien de monopoliepositie van een warmtebedrijf is het van belang detarieven voor warmte te reguleren. Duidelijk is dat de huidige tariefregu-lering op basis van de gasreferentie niet langer houdbaar is. Met ditwetsvoorstel wordt stapsgewijs een kostengebaseerde tariefreguleringmet een efficiëntieprikkel ingevoerd. Het voordeel van een kostengeba-seerde tariefregulering is dat het verbruikers de zekerheid biedt dat ze nietméér betalen voor hun warmte dan de kosten die redelijkerwijs gemaaktworden voor die warmtelevering. Een positief neveneffect daarvan is datde kostenverschillen tussen collectieve warmtevoorzieningen zichtbaarworden. Daarmee draagt een dergelijke methodiek bij aan het maken vanlokaal efficiënte keuzes in de wijkgerichte aanpak. Een voordeel isbovendien dat er stapsgewijs naar een systematiek toegewerkt wordtwaarbij de inkomsten en kosten van het warmtebedrijf meer aan elkaargerelateerd zijn. Hierdoor heeft het warmtebedrijf meer zekerheid dat dekosten die redelijkerwijs worden gemaakt, kunnen worden terugverdiend.Zo draagt de tariefregulering enerzijds bij aan betere consumentenbe-scherming door meer transparantie en herleidbare tarieven en anderzijdsaan meer investeringszekerheid voor warmtebedrijven door meerzekerheid over te verwachte inkomsten uit de tarieven.j. Verruimen mogelijkheden voor publieke infrastructuurbedrijven Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk gemaakt dat publieke infrastructuur-bedrijven (thans: netwerkbedrijven) een volwaardige rol kunnen spelen inde warmtetransitie. Infrastructuurbedrijven zijn publieke bedrijven metlange ervaring op het gebied van de aanleg en het beheer van energiesys-temen. Voorgesteld wordt infrastructuurbedrijven die deel uitmaken vaneen groep waartoe ook de systeembeheerder elektriciteit en gas behoortde mogelijkheid te geven een meerderheidsbelang te hebben in eenaangewezen warmtebedrijf. Hierdoor kan een infrastructuurbedrijf naastde aanleg en het beheer van de infrastructuur van warmte en hettransport van warmte ook actief zijn als aangewezen warmtebedrijf. Geletop de belangrijke en onafhankelijke rol van de systeembeheerder op deelektriciteit- en gasmarkten is deze mogelijkheid gebonden aanvoorwaarden. Met deze voorwaarden wordt bewerkstelligd dat desysteembeheerder elektriciteit en gas binnen de infrastructuurgroep nietwordt blootgesteld aan de financiële risico’s die de infrastructuurgroepdoor de deelneming in een warmtebedrijf zou lopen. Omgekeerd wordtmet deze voorwaarden beoogd om belangenverstrengeling en bevoor-deling van het warmtebedrijf door een systeembeheerder elektriciteit engas te voorkomen.1.3. Samenhang met andere maatregelen Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van een breder scala aan maatre-gelen. Allereerst wordt gewerkt aan de opbouw van de vereiste publiekerealisatiekracht (zie ook paragraaf 1.2, onder c). Daarbij geldt dat deregionale of lokale situatie en ambitie bepalen welke omvang enorganisatiestructuur de juiste is voor een warmtebedrijf en welke publiekeaandeelhouders deelnemen. Belangrijk is dat gemeenten en provincies,maar ook regionale energiefondsen of regionale netwerkbedrijven,gezamenlijk keuzes maken over de wijze van samenwerking endeelneming. Voor het bundelen van expertise, het delen van risico’s enopbouwen van voldoende uitvoeringskracht ligt het voor de hand dat ernieuwe (in meerderheid) publieke warmtebedrijven op regionale ofprovinciale schaal zullen ontstaan. Deze warmtebedrijven kunnenvervolgens deelnemen in het door het college aan te wijzen warmtebe-drijf. Voor de financiële opgave wordt nadrukkelijk gekeken naarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 317 gemeenten en provincies als aandeelhouder van warmtebedrijven. Geletop die investeringsopgave voor medeoverheden wordt onderzocht welkemogelijkheden er zijn om het benodigde eigen vermogen in warmtebe-drijven te verlagen. Ook wordt de mogelijkheid verkend van eendeelneming die op nationale schaal als aandeelhouder naast medeover-heden kan investeren in publieke warmtebedrijven. In paragraaf 16.5wordt deze versterking van de publieke realisatiekracht nader toegelicht.Verder moet dit wetsvoorstel worden gezien in het bredere licht van demaatregelen die zijn opgenomen in het Klimaatakkoord om de warmte-transitie in de gebouwde omgeving te bewerkstelligen. Zo heeft het PVGOals doel om de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving te realiseren envoor iedereen een duurzame woning binnen bereik te brengen. In datkader is op 1 januari 2023 het Nationaal Programma Lokale Warmtetran-sitie (hierna: NPLW) opgericht. Via het NPLW krijgen gemeenten demiddelen, instrumenten en ondersteuning die zij nodig hebben in dewarmtetransitie. Het NPLW bouwt verder op de ervaring en kennis van hetProgramma Aardgasvrije Wijken (hierna: PAW) en het ExpertisecentrumWarmte (hierna: ECW), die zijn overgaan in het NPLW.Om de kosten van (aanleg van) een collectieve warmtevoorziening tedrukken zijn diverse financieringsinstrumenten beschikbaar. Voor eeneventuele onrendabele top van de warmtebron van warmtenetten bestaatde Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (hierna:SDE++-regeling). Voor de onrendabele top van de infrastructuur warmtebestaat de Warmtenetten investeringssubsidie (hierna: WIS). Voor eendeel van de eventuele extra kosten in het gebouw na de afleverset bestaatde Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (hierna:de ISDE-regeling). Daarnaast is er subsidie op grond van de Stimulerings-regeling Aardgasvrije Huurwoningen (hierna: SAH-regeling) beschikbaarvoor verhuurders en gemengde VvE’s. Ook is er het Warmtefonds: eenlening waarmee eigenaar-bewoners energiebesparende investeringenvoor hun eigen woning kunnen financieren.Parallel aan dit wetsvoorstel is ook het wetsvoorstel Wgiw ontwikkeld. DeWgiw strekt ertoe gemeenten de instrumenten te geven waarmee zijbinnen hun gemeente gebieden kunnen aanwijzen waarvoor op termijngeldt dat zij voor de verwarming van gebouwen geen gebruik meermogen maken van fossiele brandstoffen en zullen overgaan op eenduurzame warmtevoorziening. Met deze bevoegdheid kan de gemeentedoor het stellen van lokale regels de transitie in de gebouwde omgevingvan aardgas naar duurzame alternatieven tot uitvoering te brengen. Degemeente kan hiertoe in het omgevingsplan wijken aanwijzen waar eenenergievoorziening met duurzame energie beschikbaar komt tervervanging van het aardgas, de zogenoemde aanwijsbevoegdheid.Hiermee kan de gemeente onder meer duidelijkheid bieden waarwarmtesystemen zullen komen, wanneer deze tot ontwikkeling wordengebracht en op welke termijn bijvoorbeeld het gasnet niet meerbeschikbaar zal zijn. Deze duidelijkheid is van belang om risico’s in deontwikkeling van collectieve warmte te verkleinen.2. Opbouw van het wetsvoorstel Dit wetsvoorstel bevat regels voor diverse typen warmtesystemen,betrokken partijen en specifieke onderwerpen. Het wetsvoorstel isopgebouwd uit meerdere hoofdstukken, waarvan de belangrijkstehieronder kort worden geïntroduceerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 318 2.1. Verbod om zonder aanwijzing warmte te leveren of tetransporteren Om invulling te geven aan de regierol van de gemeente voorziet ditwetsvoorstel in hoofdstuk 1 in een verbod op het transporteren of leverenvan warmte zonder aanwijzing van een warmtebedrijf door een college ofhet transporteren zonder aanwijzing van een warmtetransportbeheerderdoor de Minister. Kleine collectieve warmtesystemen en verhuurders enVvE’s kunnen een ontheffing van dit verbod aanvragen bij het college.Hiermee wordt voorkomen dat de regierol van de gemeente wordtondergraven. Zonder een dergelijk verbod zouden immers ook anderepartijen dan een door het college aangewezen warmtebedrijf zich bezigmogen houden met de ontwikkeling van collectieve warmte.Niet elke vorm van transport of levering van warmte valt onder dereikwijdte van dit wetsvoorstel. Zo is het verbod niet van toepassing op delevering van warmte voor industriële processen of productieprocessen,zoals de industriële verbruikers of de glastuinbouw. Ook de levering vanwarmte aan ten hoogste 10 kleinverbruikers is zonder aanwijzing van hetcollege toegestaan.2.2. Collectieve warmtevoorzieningen Hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel bevat regels omtrent de besluitvormingover, de totstandkoming van en de exploitatie van collectieve warmte-voorzieningen. Een collectieve warmtevoorziening is een collectiefwarmtesysteem of geheel van collectieve warmtesystemen. Een collectiefwarmtesysteem is een systeem waarbij één of meer warmtebronnen doormiddel van een warmtenet ontsloten worden voor de levering van warmteaan verbruikers. Verbruikers in dit wetsvoorstel zijn kleinverbruikers engrootverbruikers. Grootverbruikers zijn geen industriële verbruikers of deglastuinbouw.Een belangrijk uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel isde regierol van de gemeente. De invulling van de gemeentelijke regie isbelegd bij het college. Dit laat onverlet de bevoegdheid van de gemeen-teraad om het college bij de invulling van die regierol te controleren of bijte sturen. Waar in het navolgende wordt gesproken over taken enverplichtingen van het college wordt steeds bedoeld dat de invulling vandie taken en verplichting plaats vindt met in achtneming van de bevoegd-heden van de gemeenteraad.Het college bepaalt, als onderdeel van de wijkgerichte aanpak, waar enwanneer zij binnen haar gemeente mogelijkheden ziet voor een collec-tieve warmtevoorziening als alternatief voor een warmtevoorziening metbehulp van aardgas. Ten behoeve hiervan stelt het college een warmte-kavel vast. De warmtekavel wordt zo vastgesteld dat er een robuuste,zelfstandig opererende en efficiënte collectieve warmtevoorziening kanworden gerealiseerd: duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar. In ditwetsvoorstel zijn hiervoor criteria opgenomen. Het college kan ook methet college van andere gemeenten een warmtekavel vaststellen mettoepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Indien erbijvoorbeeld sprake is van een warmtekavel die de gemeentelijke grenzenoverschrijdt, kan de provincie hierop meekijken.Het college wijst voor de warmtekavel een warmtebedrijf aan. Zoalshiervoor toegelicht, is als hoofdregel voorgesteld dat alleen warmtebe-drijven met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschappenkunnen worden aangewezen, waarbij het gedurende een ingroeiperiodeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 319 van 7 jaar onder voorwaarden ook mogelijk is om een andersoortigwarmtebedrijf aan te wijzen.Het warmtebedrijf krijgt met de aanwijzing de exclusieve bevoegdheidbinnen de warmtekavel warmte te transporteren en te leveren aanverbruikers. Het betreft een wettelijk exploitatierecht voor de warmte-kavel. Op het aangewezen warmtebedrijf rusten taken en verplichtingen.Zo heeft het aangewezen warmtebedrijf de taak om een collectievewarmtevoorziening aan te leggen, te beheren en te onderhouden indieneen gemeente voor een warmtekavel of een deel daarvan besluit datwarmtevoorziening door middel van collectieve warmte daar de voor-keursoptie is. Het aangewezen warmtebedrijf is integraal verantwoordelijkvoor de realisatie en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening,waaronder het systeemontwerp, de bronnenstrategie, de leveringsze-kerheid, de verduurzaming en draagt ook het investeringsrisico. Tenbehoeve hiervan overlegt het aangewezen warmtebedrijf een globaalkavelplan, een uitgewerkt kavelplan en een investeringsplan. Hetaangewezen warmtebedrijf heeft ook de taak om gebouweigenarenbinnen de warmtekavel aan te sluiten. Gebouweigenaren mogen daarbijonder voorwaarden kiezen voor een andere verwarmingsoptie enaangeven geen gebruik te maken van een het aanbod om aangesloten teworden op de collectieve warmtevoorziening. In dit hoofdstuk zijn verderonder meer de verplichtingen van het warmtebedrijf uitgewerkt tenaanzien van de financiële situatie, leveringszekerheid en verduurzaming,evenals de rechten en plichten van verbruikers van warmte.2.3. Kleine collectieve warmtesystemen en VvE’s en verhuurders Hoofdstukken 3 en 4 van het wetsvoorstel zijn gewijd aan twee uitzonde-ringen op de regels voor collectieve warmtevoorzieningen. Kleinecollectieve warmtesystemen zijn systemen met maximaal 1500 kleinver-bruikers of huurders en leden van een VvE. De ontwikkeling van dergelijkekleinere warmtesystemen kan bijdragen aan de versnelling van dewarmtetransitie leiden, bijvoorbeeld als het gaat om snel te realiserenprojecten, om innovatieve projecten of om buurtinitiatieven die een grootdraagvlak hebben bij de bewoners. Vanwege hun relatief beperkteomvang zijn, met oog op de proportionaliteit, in dit wetsvoorstel apartebepalingen opgenomen voor kleine collectieve warmtesystemen.Voor een klein collectief warmtesysteem kan het college een ontheffingverlenen op het verbod om zonder aanwijzing van het college warmte tetransporteren of te leveren voor gebieden zowel binnen als buiten eenwarmtekavel. Ter voorkoming van het risico dat hierdoor vooral delucratieve projecten tot ontwikkeling komen («cherry-picking») moetenwarmtebedrijven een dergelijke ontheffing aanvragen. Het college moetaldus instemmen met de ontwikkeling van een klein collectief warmte-systeem en beoordelen of een dergelijk klein collectief warmtesysteem deontwikkeling van een collectieve warmtevoorziening in een warmtekavelbelemmert. Dit sluit aan bij de regierol van de gemeente. Met het oog opde uitvoeringslasten rusten op warmtebedrijven die een klein collectiefwarmtesysteem exploiteren minder verplichtingen. Zo hoeft een dergelijkwarmtebedrijf geen globaal of uitgewerkt kavelplan en een investe-ringsplan op te stellen. Ook gelden minder rapportageverplichtingen overde leveringszekerheid en duurzaamheid. Bovendien geldt de eis van eenpubliek meerderheidsbelang niet voor warmtebedrijven die kleinecollectieve warmtesystemen exploiteren.In hoofdstuk 4 zijn afzonderlijke regels opgenomen voor VvE’s enverhuurders, waaronder woningcorporaties. In het kader van de regierolvan de gemeente in de verduurzaming van de gebouwde omgeving is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 320 belangrijk dat het college kan beoordelen of de VvE of de verhuurder inaanmerking komt voor een ontheffing op het verbod zonder aanwijzingwarmte te transporteren of te leveren. Daarbij toetst het college ofdergelijk collectief warmtesysteem de ontwikkeling van een collectievewarmtevoorziening in een warmtekavel belemmert. Daarom is in ditwetsvoorstel opgenomen dat een VvE of een verhuurder zich bij hetcollege dient te melden als zij warmte wil leveren. Het college beslistvervolgens of de verhuurder of VvE hiervoor een ontheffing dient aan tevragen.De tariefregulering op grond van dit wetsvoorstel zal niet van toepassingzijn, omdat huurders al beschermd worden door het huurrecht en ledenvan de VvE door de organisatiestructuur van de VvE (er is geen sprakevan een «gebonden verbruiker»). Deze uitzondering is in lijn met deregeling in de Warmtewet.2.4. Warmtetransportnetten De regulering van collectieve warmtevoorzieningen sluit aan op het lokalekarakter van deze systemen, maar hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Inhoofdstuk 5 zijn aparte regels opgenomen voor regionale warmtetrans-portnetten. De regulering van warmtetransportnetten is erop gericht omin bepaalde uitzonderlijke situaties te borgen dat de warmtevoorziening inde regio maximaal bijdraagt aan de betaalbaarheid, duurzaamheid enleveringszekerheid van de warmtevoorziening. Het gaat hierbij omsituaties waarbij in een regio meerdere duurzame (rest)warmtebronnenbeschikbaar zijn voor meerdere (potentiële) warmtekavels. Onder meervanwege de investeringen die gemoeid zijn met de realisatie vangrootschalige infrastructuur en de noodzaak tot regionale coördinatie enafstemming kan de Minister een publieke warmtetransportbeheerder voorde desbetreffende regio aanwijzen in het geval warmtebedrijven daardoor onderlinge samenwerking zelf niet in slagen. De warmtetransportbe-heerder wordt met de aanwijzing onder meer belast met de taak om eenwarmtetransportnet te ontwikkelen en te beheren.2.5. Warmteproductie en restwarmte De benutting van restwarmte komt momenteel vaak lastig van de grond.Dit wetsvoorstel stimuleert in hoofdstuk 6 het nuttig gebruik vanrestwarmte in de gebouwde omgeving door warmtebedrijven het recht tegeven om restwarmte «op te halen» aan de poort van een producent vanrestwarmte. Het warmtebedrijf hoeft daarvoor niet meer te betalen dan deuitkoppelkosten, met andere woorden de daadwerkelijke kosten die nodigzijn om de restwarmte ter beschikking te stellen aan het warmtebedrijf.Hoofdstuk 6 geeft daarnaast regels voor garanties van oorsprong en dewijziging van zeggenschap in een installatie van een producent met eenvermogen van meer dan 20 MW.2.6. Tariefregulering Hoofdstuk 7 geeft de regels voor de overgang van de huidige leveringsta-rieven op basis van de gasreferentie naar een nieuwe tariefsystematiek.Deze alternatieve tariefsystematiek streeft er enerzijds naar datverbruikers de zekerheid hebben dat zij niet meer betalen dan nodig enanderzijds dat warmtebedrijven de zekerheid hebben dat zij hun(efficiënte) kosten inclusief een redelijk rendement redelijkerwijs kunnenterugverdienen. Het vinden van de juiste balans tussen deze tweebelangen is cruciaal om de doelen uit het Klimaatakkoord en de publiekewaarden betaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid terealiseren, en om de aanleg en de uitbreiding van collectieve warmtesys-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 321 temen te stimuleren. Stapsgewijs leidt dit naar een tariefsystematiek metkostengebaseerde tarieven waarbij warmtebedrijven een efficiëntieprikkelervaren en tariefdifferentiatie op basis van lokale omstandigheden istoegestaan. Belangrijke eerste stap is het verkrijgen van meer inzicht in dewerkelijke kosten van warmtelevering en de kostenbepalende factoren.Om hier zicht op te krijgen zal de ACM regulatorische accounting regels(hierna: RAR-regels) opstellen.De nieuwe tariefregulering zal in fases ingevoerd worden. Fase 1 van detariefregulering start met een correctie van het gasreferentietarief. Infase 2 worden voor de levering van warmte door de ACM tariefformulesvastgesteld, op basis waarvan warmtebedrijven de maximale tarievenkunnen berekenen. De ACM zal toezicht houden op de juiste toepassingvan de formules. Naar verwachting zullen in fase 2 de warmtetarievenvoor sommige verbruikers dalen in vergelijking met de gasreferentie envoor sommige stijgen. Duidelijke communicatie aan de verbruikers overde gevolgen van de stap naar fase 2 is dus onontbeerlijk. Het eindbeeld infase 3 is een tariefsystematiek op basis van toegestane of beoogdeinkomsten, mogelijk aangevuld met maatstafconcurrentie. Met dezestapsgewijze implementatie kunnen de ACM en warmtebedrijven zichgoed voorbereiden en wordt duidelijkheid gegeven aan de markt met hetoog op de benodigde investeringen en de groei van de warmtemarkt.Tegelijkertijd is duidelijk dat de huidige tariefregulering op basis van dekoppeling met de gasprijs op korte termijn aangepast moet worden omdraagvlak voor de transitie te behouden.Voor kleine collectieve warmtesystemen zal de tariefregulering in tweefases ingevoerd worden. Voorgesteld is de tariefregulering in fase 1 en 2voor collectieve warmtevoorzieningen ook te laten gelden voor kleinecollectieve warmtesystemen. Op de warmtetransportbeheerder zal directkostengebaseerde tariefregulering van toepassing zijn.2.7. Uitvoering, toezicht en handhaving Bij de invulling en uitwerking van hun regierol kunnen gemeentenondersteund worden door een landelijke organisatie waar zij met vragenterecht kunnen. Op dit moment gaat het daarbij om de NPLW.Het toezicht op de naleving van deze wet is gedeeltelijk belegd bij de ACMen gedeeltelijk bij het college van de gemeente waar de collectievewarmtevoorziening zich bevindt. In hoofdstuk 9 van dit wetsvoorstel isopgenomen op welke bepalingen de ACM respectievelijk het collegetoezicht houden. Het toezicht van de ACM richt zich met name op deuitvoering van de taken en verplichtingen van warmtebedrijven tenaanzien van de levering van warmte, de bepalingen met betrekking tot deleveringszekerheid, duurzaamheid, consumentenbescherming en op deverplichtingen van warmtebedrijven met betrekking tot de tariefregu-lering.Het toezicht van het college richt zich op het verbod om zonder aanwijzingwarmte te transporteren en te leveren. Daarnaast houdt het college ondermeer toezicht op de naleving van de voorschriften en beperkingen die zijnverbonden aan onder meer de aanwijzing, de instemming met eenuitgewerkt kavelplan en ontheffingen op grond van hoofdstukken 3 en 4.Voor het toezicht op de taken en bevoegdheden van het college geldt hetreguliere interbestuurlijke toezicht dat is geregeld in de Gemeentewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 322 2.8. Overgangsrecht bestaande situaties Hoofdstuk 12 bevat de regels voor bestaande situaties van collectievewarmtelevering. Uitgangspunt is om deze zoveel mogelijk één op éénonder de werking van dit wetsvoorstel te brengen. Bestaande afsprakentussen een gemeente en warmtebedrijf worden gerespecteerd voor zoverdeze afspraken niet in strijd zijn met hetgeen in dit wetsvoorstel isvastgelegd. Ook situaties waarbij er sprake is van feitelijke levering aanverbruikers, een besluit van de gemeente op basis waarvan eenwarmtenet mag worden aangelegd en een aansluitovereenkomst metverbruikers worden gerespecteerd. Voor deze bestaande situaties krijgthet college een jaar de tijd om een aanwijzing te verlenen. Wanneer ermeerdere aanwijzingen zijn voor iets wat als één collectief warmte-systeem functioneert wordt voorgeschreven dat warmtekavels samenge-voegd worden. De duur van de aanwijzing die op grond van hetovergangsrecht wordt verstrekt is ten hoogste 30 jaar en ten minste 14jaar. Op deze wijze kunnen bestaande warmtebedrijven hun investeringenterugverdienen. Bestaande kleine collectieve warmtesystemen krijgen eenaanwijzing als warmtebedrijf. Om onder de regulering van kleinecollectieve warmtesystemen in hoofdstuk 3 te vallen, kunnen zij eenontheffing aanvragen van het verbod om zonder aanwijzing warmte televeren of te transporten. Verhuurders en VvE’s die warmte leveren aanhun huurders of leden van de VvE melden dit binnen een half jaar nainwerkingtreding van deze wet aan het college. Ook zij komen hiermeeonder de werking van deze wet te vallen.De voorgestelde artikelen worden vervolgens per hoofdstuk nadertoegelicht.3. Collectieve warmtevoorzieningen 3.1. Inleiding Dit wetsvoorstel geeft regels over de totstandkoming en de exploitatie vancollectieve warmtevoorzieningen. De belangrijkste uitgangspunten dieaan deze regels ten grondslag liggen zijn:1.De gemeente voert regie op verduurzaming van de gebouwdeomgeving. Zij kunnen als onderdeel van een gebieds- of wijkgerichteaanpak bepalen waar en wanneer er gekozen wordt voor een collec-tieve warmtevoorziening als alternatief voor warmtevoorziening metbehulp van aardgas, zij stelt het gebied vast waarvoor een warmtebe-drijf kan worden aangewezen (de warmtekavel) en zij wijst daarvooreen warmtebedrijf aan. Het is met uitzondering van een aantal in ditwetsvoorstel benoemde situaties verboden om zonder aanwijzing vanhet college warmte te transporteren of te leveren.2.Het warmtebedrijf is integraal verantwoordelijk voor de continuïteit enkwaliteit van de collectieve warmtevoorziening binnen een warmteka-vel en het daarvoor noodzakelijke transport en de levering van warmteen de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan. Hetwarmtebedrijf is verplicht om verbruikers binnen de warmtekavel aante sluiten, tenzij een potentiële verbruiker te kennen geeft dat hij datniet wil. Daarnaast is het warmtebedrijf verantwoordelijk voor eenbetrouwbare, betaalbare en duurzame warmtelevering.Alvorens hieronder de vertaling van bovengenoemde uitgangspuntennaar de in dit wetsvoorstel voorgestelde bepalingen nader toe te lichtenwordt in paragraaf 3.2 eerst het bredere kader geschetst waarbinnen ditwetsvoorstel moet worden gezien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 323 3.2. Samenhang met de wijkgerichte aanpak In de Klimaatwet is vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatneutraalmoet zijn. In het Klimaatakkoord (2019) is deze doelstelling onder meervertaald in afspraken gericht op het broeikasgassen-vrij maken van degebouwde omgeving. Daartoe worden woningen en andere gebouwengeïsoleerd of aardgasvrij gemaakt. Uiterlijk in 2050 zal voor ruimte- entapwaterverwarming en kookvoorziening geen gebruik meer wordengemaakt van aardgas, met het oog op het broeikasgassen-arm maken vande gebouwde omgeving. Om dit doel te bereiken is (onder andere) eenwijkgerichte aanpak afgesproken waarbij gemeenten de regie hebben opde verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het college vult dezeregierol in met in achtneming van de bevoegdheden van de gemeen-teraad. Gemeenten geven daarbij sturing op basis van een warmtepro-gramma, (vrijwillige) uitvoeringsplannen en het omgevingsplan. Bij hetopstellen van deze plannen is participatie van bewoners en afstemmingmet andere stakeholders (zoals woningcorporaties, netbeheerders enwarmtebedrijven) van groot belang. Het is aan gemeenten zelf om hierinvulling aan te geven. Eisen terzake zijn opgenomen in de Omgevingswetin samenhang met de Wgiw. Dit wetsvoorstel stelt hier geen eisen aan.Via de verschillende plannen kiezen gemeenten voor een alternatief vooraardgas in de gebouwde omgeving. Het kan daarbij gaan om een keuzevoor een collectieve warmtevoorziening, maar ook andere alternatievenzijn mogelijk. Veelal zal ook het planmatig isoleren van woningen enandere gebouwen onderdeel uitmaken van de wijkgerichte aanpak.Dit wetsvoorstel bevat regels over een collectieve warmtevoorzieningvoor de gevallen waarin een gemeente daarvoor kiest. Om de uitvoer-baarheid van de wijkgerichte aanpak voor gemeenten en andere stake-holders, zoals warmtebedrijven, te borgen, sluit de gekozen ordening indit wetsvoorstel zo goed mogelijk aan op (het eindbeeld van) de wijkge-richte aanpak. De Omgevingswet en het wetsvoorstel Wgiw en de daaropgebaseerde regelgeving voorzien in andere benodigde regels enbevoegdheden voor de wijkgerichte aanpak. Er is derhalve sprake van eenstapsgewijze aanpassing van de relevante regelgeving, waardoor er overde komende jaren nieuwe bevoegdheden en mogelijkheden ontstaan voorhet broeikasgassen-vrij maken van de gebouwde omgeving. Om voor eenieder inzichtelijk te maken hoe dit wetsvoorstel functioneert binnen hettotaal van de wijkgerichte aanpak, is in deze toelichting de samenhanggeschetst met de andere stappen en instrumenten binnen de wijkgerichteaanpak. Daarbij geldt dat een deel van deze stappen en instrumenten inandere regelgeving zijn en zullen worden geregeld zoals hierboventoegelicht.In onderstaande figuur wordt de samenhang geschetst. Dit figuur bevateen gestileerde weergave van het proces. In de praktijk zullen de diversestappen een iteratief karakter kennen, meer dan de illustratie wellichtsuggereert. De diverse stappen kunnen met andere woorden elkaar in detijd overlappen (met uitzondering van stap drie en vier). Gemeentenkunnen (en zijn) met diverse in het schema genoemde en hierondertoegelichte stappen al voorafgaand aan de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel van start.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 324 In bovenstaand figuur gaat het bij de geel gekleurde elementen in deonderste laag om zaken die in dit wetsvoorstel worden geadresseerd. Indeze paragraaf worden alle elementen uit het schema kort toegelicht,waarna in de volgende paragrafen nader wordt ingegaan op de elementendie in dit wetsvoorstel worden geadresseerd.(1) Warmteprogramma (geen onderdeel van dit wetsvoorstel)Het besluitvormingsproces start met een door de gemeente op te stellenwarmteprogramma. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten,met betrokkenheid van stakeholders, een tijdpad bepalen voor eenstapsgewijze aanpak gericht op een aardgasvrije gebouwde omgeving.Afgesproken is dat dit wordt vastgelegd in de transitievisie warmte. Perwijk wordt in de transitievisie warmte in ieder geval aangegeven hoeveelwoningen en andere gebouwen (uitgedrukt in woningequivalenten)verduurzaamd zullen worden, welke alternatieve betaalbare, betrouwbareen duurzame energie-infrastructuren potentieel beschikbaar zijn(warmtenet, all-electric, hybride technieken die veel minder aardgas ofduurzaam gas verstoken als (tussen)oplossing, enzovoort) en welkwarmtealternatief de laagste nationale kosten heeft. De transitievisiewarmte zal met het wetsvoorstel Wgiw komen te gelden als een verplichtprogramma onder de Omgevingswet, genaamd het warmteprogramma.In lagere regelgeving zal worden geregeld dat het warmteprogramma inieder geval elke vijf jaar wordt geactualiseerd. Of een gemeente hetwarmteprogramma vaker actualiseert, bepaalt de gemeente zelf. In hetvolgende warmteprogramma wordt de komende periode in beeldgebracht. Uitgaande van vaststelling van het eerste verplichte warmtepro-gramma eind 2026, geeft het warmteprogramma in ieder geval de wijkenaan waar de gemeente in de periode tot en met 2035 aan de slag gaat.De (concept) warmteprogramma’s bieden inzicht in de warmtevraag vande gebouwde omgeving en hebben als zodanig een nauwe relatie met deRegionale Structuur Warmte (hierna: RSW), die in het kader van deRegionale Energiestrategieën (RES) worden opgesteld. De RSW fungeertals platform waar gemeenten en provincie afstemmen hoe bovenregi-onale warmtebronnen optimaal benut kunnen worden. Afstemmingtussen de RSW en de warmteprogramma’s in een zich herhalend iteratiefproces is dan ook van belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 325 (2) Participatieproces (geen onderdeel van dit wetsvoorstel)Het vroegtijdig betrekken van de omgeving in en rond de wijk zorgt ervoordat verschillende wensen, perspectieven, kennis en creativiteit snel optafel komen. Een goed ingericht participatieproces draagt op die manierbij aan kwalitatief betere besluitvorming en helpt in een latere fase ombewoners te motiveren om mee te doen aan de verduurzaming van hunwoning en wijk of buurt. Ook kan het leiden tot diverse buurtinitiatieven.Het participatieproces heeft zowel betrekking op bewoners als anderestakeholders, zoals warmtebedrijven, de netbeheerder, de waterbe-heerder, verhuurders zoals woningcorporaties en gebouweigenaren(inclusief de utiliteitsbouw). De proeftuinen uit het PAW laten zien dat eenhoge mate van participatie en instemming in de wijk de uitvoering van dewijkaanpak bespoedigen. Het belang van goede participatie is ingebed inde Omgevingswet. Bij de invulling van het warmteprogramma moet hetcollege zich verantwoorden of en op welke manieren er participatie heeftplaatsgevonden. Dit geldt ook voor de wijziging van het omgevingsplan.De gemeenteraad is het bevoegd gezag om uiteindelijk in te stemmen metde wijziging van het omgevingsplan. In het participatieproces zal degemeente rekening houden met de positie van de verschillende stake-holders. Zo zullen verhuurders de mogelijkheid moeten hebben om inoverleg te treden met hun huurders en waar nodig instemming teverkrijgen op uit te voeren wijzigingen aan de woning. Hetzelfde geldtvoor VvE’s waar het gaat om instemming van de appartementseigenaren.(3) Vaststelling warmtekavel (onderdeel van dit wetsvoorstel)Op basis van en gedeeltelijk gelijktijdig met het doorlopende participatie-proces kan het college een warmtekavel vaststellen. Een warmtekavel iseen aaneengesloten en afgebakend gebied binnen één of meerderegemeenten waarbinnen in ieder geval die wijken liggen waarvan degemeente voornemens is te kiezen voor een collectieve warmtevoor-ziening als alternatief voor aardgas. Het college is niet verplicht eenwarmtekavel vast te stellen. De mogelijkheid bestaat immers dat eencollectieve warmtevoorziening gelet op de lokale situatie geen doelmatigalternatief voor aardgas is.Bij een collectieve warmtevoorziening kan het gaan om één collectiefwarmtesysteem, maar kan het ook gaan om meerdere verschillendecollectieve warmtesystemen. Er kunnen ook wijken (of gebouwen) binneneen warmtekavel liggen waarover de gemeente nog geen keuze heeftgemaakt of waar uiteindelijk een ander alternatief voor aardgas wordtvoorzien. De definitieve keuze of een wijk of buurt een collectief warmte-systeem krijgt, als alternatief voor aardgas, wordt gemaakt in hetuitvoeringsplan en het omgevingsplan. De vaststelling van een warmte-kavel is de eerste in dit wetsvoorstel verankerde stap in het besluitvor-mingsproces. De volgende stap in dit besluitvormingsproces betreft hetvoor dit warmtekavel aanwijzen van een warmtebedrijf. Daarmee is devaststelling van een warmtekavel een voorwaarde die ingevuld moetworden alvorens de gemeente deze volgende stap kan zetten. Bij debesluitvorming over de vaststelling van een warmtekavel dient het collegerekening te houden met de criteria die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen(zie paragraaf 3.4).(4) Aanwijzing warmtebedrijf (onderdeel van dit wetsvoorstel)Na de vaststelling van een warmtekavel is het de taak van het college omeen warmtebedrijf aan te wijzen. Het aangewezen warmtebedrijf krijgt deexclusieve taak om binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoor-ziening aan te leggen, te beheren en te onderhouden en binnen datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 326 warmtekavel warmte te transporteren en te leveren, met in achtnemingvan de in dit wetsvoorstel opgenomen voorschriften voor eenbetrouwbare, betaalbare en duurzame warmtelevering. Tenzij er sprake isof gebruik wordt gemaakt van de in dit wetsvoorstel opgenomenuitzonderingen, is het een ieder verboden om warmte te transporteren ofte leveren zonder aanwijzing van het college. Daarmee wordt geborgd datde gemeente ook daadwerkelijk de regie heeft. Dit wetsvoorstel geeftregels voor de aanwijzing van een warmtebedrijf (zie paragraaf 3.5).(5) Uitgewerkt kavelplan (onderdeel van dit wetsvoorstel)In dit wetsvoorstel is voorgesteld dat het aangewezen warmtebedrijfintegraal verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening binnen de warmtekavel waarvoor hij isaangewezen. In dat kader worden in dit wetsvoorstel de taken enverplichtingen die voor het warmtebedrijf gelden geregeld. Alhoewel eengemeente reeds bij de vaststelling van de warmtekavel nagedacht moethebben over de mogelijkheden voor collectieve warmte binnen dat kavel,zal de exacte invulling en daarbij te hanteren timing pas plaats vinden nade aanwijzing van het warmtebedrijf. Op enig moment zal het college danmet betrokkenheid van het warmtebedrijf en andere belanghebbendepartijen en organisaties nader vaststellen wanneer voor de gehelewarmtekavel of voor een deel daarvan de daadwerkelijke overstap naarcollectieve warmte voor de hand ligt. Het college kan het aangewezenwarmtebedrijf opdragen voor dit gebied een uitgewerkt kavelplan op testellen. Het door het aangewezen warmtebedrijf opgestelde uitgewerktkavelplan behoeft instemming van het college. Dit biedt het college ondermeer de mogelijkheid om te toetsen of het uitgewerkt kavelplanvoldoende in lijn is met de uitkomsten van het participatieproces envoldoende rekening houdt met de inbreng van de stakeholders in ditproces Zie paragraaf 3.7.3).(6) Uitvoeringsplan (geen onderdeel van dit wetsvoorstel)Een gemeente kan ervoor kiezen om een uitvoeringsplan op te stellen. Hetuitgewerkt kavelplan zal daarvoor dan belangrijke input bevatten. Eenuitvoeringsplan beschrijft hoe de gemeente de wijkgerichte aanpak in eenspecifieke wijk of specifieke wijken wil uitvoeren. Het uitvoeringsplanbeschrijft voor één of meerdere wijken op welk (collectief) duurzaamalternatief voor aardgas deze wijk(en) overgaan en per wanneer. Verderbeschrijft het uitvoeringsplan welke maatregelen nodig zijn om tot degewenste situatie te komen. Het uitvoeringsplan biedt daarmee eentotaaloverzicht van welke stappen wanneer en door welke partijen moetenworden gezet om het gekozen alternatief voor een wijk te realiseren.Alhoewel een uitvoeringsplan zoals gezegd niet verplicht is ligt het mededaarom wel voor de hand dat een gemeente hiervoor kiest en hetuitvoeringsplan opstelt in samenwerking met stakeholders en partijenbetrokken bij de uitvoering, zoals de netbeheerder, het aangewezenwarmtebedrijf, bewoners, verhuurders, de bouwsector en vertegenwoor-digers van de utiliteitsbouw.(7) Omgevingsplan (geen onderdeel van dit wetsvoorstel)Door de Wgiw heeft de gemeente de bevoegdheid om in hetomgevingsplan te bepalen dat in een bepaald gebied op termijn hetgebruik van fossiele brandstoffen wordt beëindigd en verwarming dooreen collectieve warmtevoorziening als alternatief wordt aangewezen (ofeen ander alternatief). In het bovenstaande schema wordt er vanuitgegaan dat een gemeente gebruik maakt van deze bevoegdheid. Hetuitgewerkt kavelplan en het uitvoeringsplan zullen naar verwachtingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 327 belangrijke bouwstenen zijn voor de onderbouwing van de besluit-vorming over de inzet van deze bevoegdheid. Via de regels in hetomgevingsplan bepaalt de gemeente wanneer en hoe de wijk van hetaardgas afgaat en welk duurzaam alternatief voor aardgas wordt gekozen.Het is aan de gemeente om de samenhang van de regels in hetomgevingsplan te bewaken en om in dat kader te bezien of het nodig isom in het omgevingsplan ook andere regels op te nemen die bijdragenaan de realisatie van het alternatief voor aardgas. Daarbij kan bijvoorbeeldgedacht worden aan planologische keuzes die nodig zijn om de aanlegvan de collectieve warmtevoorziening mogelijk te maken of versterkingvan het elektriciteitsnet indien een deel van de gebouweigenaren kiestvoor all-electric als alternatief voor aardgas. Maar ook of bestaande regelsrondom het verwijderen van ongebruikte kabels en leidingen herover-weging vergen. Of dat er aanleiding bestaat om vervroegd te besluitenover de toekomst van gebouwen waarvan duidelijk is dat ze niet rendabelaardgasvrij gemaakt kunnen worden. In het Besluit gemeentelijkeinstrumenten warmtetransitie (hierna: Bgiw) zullen instructieregelsworden gesteld aan het wijzigen van het omgevingsplan.(8) Inventarisatie opt-out (onderdeel van dit wetsvoorstel)Als een gemeente gebruik maakt van haar bevoegdheid om de hierbovengenoemde regel in te zetten volgt de fase waarin het aangewezenwarmtebedrijf verplicht is om verbruikers in het betreffende gebied eenaanbod te doen om aangesloten te worden op de collectieve warmtevoor-ziening. Een verbruiker die niet aangesloten wil worden moet dit dan inreactie op dat aanbod aangeven. Als hij niet reageert wordt ervan uitgegaan dat hij aangesloten wil worden. Het gaat hier dus om een opt-outmogelijkheid (zie paragraaf 3.7.8). Door deze opt-out-regeling wordtvoorkomen dat verbruikers die om welke reden dan ook niet reageren ophet aanbod van het warmtebedrijf op een gegeven moment het risicolopen dat er voor hen niet langer een warmtevoorziening beschikbaar isals gevolg van het schrappen van aardgas als optie.Als een gemeente geen gebruik maakt van haar bevoegdheid ten aanzienvan de regel voor het uitfaseren van fossiele brandstoffen dan speelt ditrisico niet. In dat geval is het warmtebedrijf uitsluitend verplicht om eenverbruiker een leveringsaansluiting aan te bieden indien de verbruikerdaar zelf om vraagt. In die situatie geldt er geen opt-out-regeling en datbetekent dat een verbruiker die niet reageert niet aangesloten zal wordenop de collectieve warmtevoorziening.(9) Investeringsplan, aanleg collectieve warmtevoorziening enexploitatie (onderdeel van dit wetsvoorstel)Het aangewezen warmtebedrijf is op grond van dit wetsvoorstel verplichtom ter zake van de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectievewarmtevoorziening een investeringsplan op te stellen en dat plan tertoetsing aan de ACM voor te leggen (zie paragraaf 3.7.4). Zoals de naam alaangeeft dient een investeringsplan een gedetailleerde beschrijving tebevatten ten aanzien van de door het aangewezen warmtebedrijfvoorgenomen investeringen ten behoeve van de aanleg, de vervanging ofde uitbreiding van de collectieve warmtevoorziening waar het integraalverantwoordelijk voor is. Ook beschrijft het aangewezen warmtebedrijf inhet investeringsplan hoe de voorgenomen investeringen passen binneneen langetermijnvisie op de collectieve warmtevoorziening en geeft hetwarmtebedrijf een doorkijk over hoe het de komende 10–15 jaar deleveringszekerheid kan borgen en een beschrijving van de gevolgen vande investeringen op het bereiken van de normen voor de uitstoot vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 328 broeikasgassen). De ACM toetst dit plan. Vervolgens kan het warmtebe-drijf de in het investeringsplan opgenomen investeringen uitvoeren enstarten met de exploitatie van de collectieve warmtevoorziening en delevering van warmte. Daarbij gelden de in dit wetsvoorstel opgenomentaken en verplichtingen voor het aangewezen warmtebedrijf die in hetvervolg van deze toelichting worden toegelicht.Hierna worden de onderdelen in de figuur in paragraaf 3.2 die in ditwetsvoorstel zijn voorgesteld (de elementen in de onderste laag van defiguur) nader toegelicht, met vooraf een toelichting op het uitgangspuntdat het zonder aanwijzing van een warmtebedrijf of warmtetransportbe-heerder verboden is om warmte te transporteren of te leveren.3.3. Verbod op transport en levering van warmte zonderaanwijzing Het college wordt de bevoegdheid gegeven om een warmtekavel vast testellen en vervolgens voor dat warmtekavel een warmtebedrijf aan tewijzen die de exclusieve bevoegdheid krijgt een collectieve warmtevoor-ziening in dit kavel te ontwikkelen te exploiteren. De regierol van degemeente zou worden ondergraven indien zonder instemming van degemeente ook andere partijen dan het aangewezen warmtebedrijf zichbezig zouden mogen houden met de uitrol van collectieve warmte. Om ditte voorkomen voorziet dit wetsvoorstel in een verbod op het transpor-teren of leveren van warmte zonder aanwijzing van een warmtebedrijf ofeen warmtetransportbeheerder (artikel 1.2, eerste lid).Niet elke vorm van transport of levering van warmte is verboden. Hetverbod is niet van toepassing op het transport of de levering van warmtevoor industriële processen of productieprocessen (artikel 1.2, eerst lid,onderdeel a). Het gaat hier om warmtenetten waarmee warmte getrans-porteerd en geleverd wordt aan bijvoorbeeld de industrie of de tuinbouw.Het verbod is evenmin van toepassing op het transport van warmte in eengebouw, werk of het perceel van een producent of een producent vanrestwarmte (onderdeel b). Deze leidingen, installaties en hulpmiddelenworden geacht deel uit te maken van de warmtebron. Verder is het verbodniet van toepassing op situaties waarbij wordt getransporteerd engeleverd aan ten hoogste 10 kleinverbruikers gezamenlijk (onderdeel c) often hoogste 10 natuurlijke personen of rechtspersonen met elk eenindividuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kW die gezamenlijkwarmte afnemen van hun verhuurder of de VvE (onderdeel d). Hiermeewordt voorkomen dat ook voor zeer kleine warmtesystemen eenwarmtebedrijf moet worden aangewezen of gebruik moet wordengemaakt van de mogelijkheid om een ontheffing van het verbod teverlenen. Onderdelen e en f geven ten slotte een specifieke uitzonderingvoor situaties waar sprake is van doorlevering door een verhuurder ofVvE. In deze situatie zal het warmtebedrijf waarvan de verhuurder of deVvE de warmte ontvangt en die zij doorlevert door het college moeten zijnaangewezen of een ontheffing moeten hebben verkregen. Er is dus geenreden om deze doorlevering te verbieden.Naast de hierboven genoemde uitzonderingen voorziet het wetsvoorstelook in de bevoegdheid van het college voor kleine collectieve warmtesys-temen en verhuurders en VvE’s die zelfstandig warmte leveren aan hunhuurders respectievelijk leden een ontheffing van dit verbod te verlenen.Voor een toelichting op deze ontheffingsmogelijkheden wordt verwezennaar respectievelijk hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 van de toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 329 3.4. Vaststelling van warmtekavel (zie stap 3 van schema inparagraaf 3.2) In dit wetsvoorstel is voorgesteld dat de aanwijzing door een college vaneen warmtebedrijf betrekking heeft op een warmtekavel. Een warmtekavelis een aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeentenwaarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen (artikel 1.1). Inde praktijk zal het dan gaan om een gebied dat wijken of gebouwen omvatterzake waarvan de gemeente mogelijkheden ziet om te kiezen voorcollectieve warmte als alternatief voor aardgas. Een warmtekavel kan dusook wijken of gebouwen omvatten waarvoor de gemeente in een laterstadium toch niet kiest voor warmte, omdat er een ander alternatief isvoor aardgas.Met dit wetsvoorstel krijgt het college de bevoegdheid om alleen ofsamen met het college van andere gemeenten een warmtekavel vast testellen (artikel 2.1). Bij een gemeentegrens overstijgend warmtekavel kande Wet gemeenschappelijke regelingen worden toegepast. Gemeentenkunnen gebruik maken van de samenwerkingsvormen op grond van dezewet. Door de mandatering of delegatie van bevoegdheden, kunnen dezeworden uitgeoefend door (de organen van) een centrumgemeente, dooreen gemeenschappelijk orgaan of door het bestuur van een openbaarlichaam die voor dit specifieke doel is ingesteld.VoorprocesDe vaststelling van een warmtekavel markeert de start van het besluitvor-mingsproces dat kan uitmonden in de keuze en totstandkoming van éénof meer collectieve warmtesystemen binnen dat kavel. Zoals hierboventoegelicht ligt het voor de hand dat het college zich bij het vaststellen vaneen warmtekavel baseert op het vastgestelde warmteprogramma. Ook deRSW die in het kader van de Regionale Energiestrategieën wordtopgesteld kan betrokken worden bij het vaststellen van een warmtekavelen bij de afstemming daarover met het college van andere gemeenten.Het is van belang dat het besluitvormingsproces in goede samenhangwordt opgestart met het participatieproces dat wordt ingericht in hetkader van de besluitvorming over het omgevingsplan.Voorafgaand aan het vaststellen van een warmtekavel zal een gemeentenaar verwachting inventariseren welke mogelijkheden er zijn voor hetontwikkelen van collectieve warmte zodat zij de omvang van de warmte-kavel hierop aan kan passen. Het ligt voor de hand dat gemeenten bij dezeinventarisatie zullen kijken naar verschillende mogelijke combinaties vanwarmtebronnen, infrastructuur en afzet en de consequenties van dezecombinaties voor de (toekomstige) eindgebruikers in termen vanverschillen in eindgebruikerskosten en emissies.Verder ligt het voor de hand dat het college bij de voorbereiding van debesluitvorming over het vaststellen van een warmtekavel overleg voertmet alle relevante partijen waaronder potentiële warmtebedrijven enwarmtegemeenschappen. Dit maakt het mogelijk dat gemeenten bij devoorbereiding van de besluitvorming gebruik maken van de bij dezepartijen aanwezige kennis over de realisatie van een collectieve warmte-voorziening. Indien er bij de aanwijzing van een warmtebedrijf gebruikwordt gemaakt van de procedure voor een warmtebedrijf met publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap (zie paragraaf 3.5.3)mag ervan worden uitgegaan dat er in de praktijk maar één partijgeïnteresseerd zal zijn om te worden aangewezen. Mocht daarentegenblijken dat meerdere partijen interesse hebben om te worden aangewezendan volgt uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 330 gemeente geen voorkeur voor één van de partijen kan uitspreken. Inparagraaf 3.5.6 wordt toegelicht dat het niet aannemelijk is dat op grondvan artikel 2.5 meerdere partijen een aanvraag zullen indienen omaangewezen te worden. Tot slot is, zoals eerder toegelicht, het college nietverplicht om een warmtekavel vast te stellen als dit gelet op de lokalesituatie geen doelmatig alternatief voor aardgas is.CriteriaIn dit wetsvoorstel zijn criteria voorgesteld die het college dient tehanteren bij de vaststelling van een warmtekavel en de omvang daarvan(artikel 2.1, eerste lid). Uitgangspunt bij de vaststelling is dat er zicht is ophet binnen de warmtekavel kunnen realiseren van een duurzame,betaalbare en betrouwbare collectieve warmtevoorziening. Warmtekavelskunnen, afhankelijk van de lokale en regionale omstandigheden envoorkeuren, verschillend van omvang zijn. De bepaling van de omvangvan een warmtekavel is bovendien geen exacte wetenschap. De in ditwetsvoorstel voorgestelde criteria die het college bij de vaststelling vaneen warmtekavel moet hanteren, zorgen er evenwel voor dat zij debelangrijkste relevante aspecten dienen te betrekken bij hun besluit-vorming. De omvang van de warmtekavel is zodanig dat een aan te wijzenwarmtebedrijf binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoorzieningop een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren. Daarnaast wordtde grootte van de warmtekavel bepaald door de leveringszekerheid. Deomvang is zodanig dat de leveringszekerheid naar verwachting kanworden geborgd.Naast de bovengenoemde criteria zal het college in voorkomendegevallen bij het vaststellen van een warmtekavel rekening moeten houdenmet relevante factoren en ontwikkelingen die in nabijgelegen gemeentenspelen. Het gaat daarbij specifiek om:a.de beschikbaarheid en inzet van een warmtebron of een potentiëleschaarse warmtebron in een nabijgelegen gemeente, voor zover dezeaanwezig zijn;b.de mogelijke voornemens in een nabijgelegen gemeente om tekiezen voor collectieve warmtevoorziening, voor zover deze voorne-mens er zijn.Beoordeling en beantwoording van de vraag of in een hoeverre eraanleiding is om bij het vaststellen van een warmtekavel rekening tehouden met andere gemeenten kan plaatsvinden aan de hand van deRegionale Energiestrategieën.Bovengemeentelijke vraagstukkenVoor het geval er bovengemeentelijke verdelingsvraagstukken aan deorde zijn voorziet het wetsvoorstel in de verplichting voor het college hetontwerp van de vaststelling van een warmtekavel te zenden naargedeputeerde staten van de provincie of provincies op wiens grondgebiedde warmtekavel ligt. Er is sprake is van een bovengemeentelijk verdelings-vraagstuk indien een warmtekavel betrekking heeft op het grondgebiedvan meerdere gemeenten of in een warmtekavel zich een warmtebronbevindt die meerdere gemeenten van warmte kan voorzien. Mettoezending aan gedeputeerde staten is beoogd te borgen dat het collegebij het vaststellen van een warmtekavel in voldoende mate buiten degemeentegrenzen kijkt en rekening houdt met de daar spelende belangen.Gedeputeerde staten kunnen van oordeel zijn dat de warmtekavel niet inovereenstemming is met de hierboven toegelichte criteria voor devaststelling van een warmtekavel. Als dat het geval is kunnen zij binnen 8Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 331 weken hun zienswijze over het ontwerp kenbaar maken. In dat geval dienthet college bij de vaststelling van de warmtekavel te verantwoorden hoede zienswijze al dan niet heeft geleid tot aanpassing van de warmtekavel.Ook kunnen gedeputeerde staten gebruik maken van hun bevoegdhedenvoortvloeiend uit het interbestuurlijk toezicht. Hierbij kan wordenaangetekend dat er ook voorafgaand aan de hierboven geschetstevoorgestelde betrokkenheid van gedeputeerde staten overleg enafstemming kan plaatsvinden tussen de betrokken gemeente(n) enprovincie(s). Bijvoorbeeld via het overleg over en in het kader van deRSW.De vaststelling van de warmtekavel is een besluit in de zin van deAlgemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de rechtsbeschermingwordt het besluit tot vaststelling van de warmtekavel en de aanwijzingvan het warmtebedrijf aangemerkt als één besluit (artikel 11.5).3.5. Aanwijzing warmtebedrijf (zie stap 4 van schema inparagraaf 3.2) Na vaststelling van een warmtekavel is de volgende stap dat het collegeeen warmtebedrijf aanwijst voor de betreffende warmtekavel. Hetaangewezen warmtebedrijf krijgt met deze aanwijzing enerzijds deexclusieve bevoegdheid binnen de warmtekavel warmte te transporterenen te leveren aan verbruikers, anderzijds wordt het aangewezen warmte-bedrijf belast met de uitvoering van de in dit wetsvoorstel opgenomentaken zoals de aanleg, het beheer en het onderhoud van een collectievewarmtevoorziening en het realiseren van leveringsaansluitingen in dewarmtekavel. Met deze taken wordt het risico dat warmtebedrijven alleende voor de collectieve warmtevoorziening meest aantrekkelijke woningenof gebouwen aansluiten op de collectieve warmtevoorziening wegge-nomen. Ook zal het aangewezen warmtebedrijf de verplichtingen tenaanzien van bijvoorbeeld duurzaamheid, leveringszekerheid en consu-mentenbescherming in acht moeten nemen.3.5.1. Keuze aanwijzing In het wetsvoorstel is om een aantal redenen gekozen voor de figuur vaneen aanwijzing. Een aanwijzing creëert de beste sturingsmogelijkhedenvoor gemeenten, omdat met een aanwijzing een verticale relatie tussengemeente en warmtebedrijf ontstaat in plaats van een horizontale zoals bijhet verlenen van een concessie na een aanbesteding. Gemeenten hebbenaangeven te weinig sturingsmogelijkheden te hebben op de ontwikkelingvan bestaande collectieve warmtesystemen binnen hun gemeente-grenzen. In de praktijk worstelen zij met het vormgeven en uitvoeren vaneen meer sturende rol. Oorzaak hiervan is onder andere dat gemeenten inhet verleden nauwelijks of geen afspraken gemaakt hebben overtussentijdse sturing vanuit de gemeente of over een einddatum van deafspraken13. Met de aanwijzing krijgen gemeenten handvatten om betervoorbereid en meer gestructureerd invulling te geven aan hun regierol.Met de aanwijzing krijgt een warmtebedrijf bovendien een exclusievebevoegdheid (alleenrecht) om in een warmtekavel warmte te transpor-teren en te leveren maar ook de taak een collectieve warmtevoorzieningaan te leggen en te exploiteren als een gemeente daartoe heeft besloten.Dit maakt dat «cherry-picking» met een aanwijzing het beste voorkomenkan worden. Verder maakt een aanwijzing kostengebaseerde tariefregu-lering die volledig gebaseerd is op de kosten per warmtekavel mogelijk.Een aanwijzing sluit verder beter aan op de energietransitie, omdat deexacte condities waartegen het warmtebedrijf de collectieve warmtevoor-13TNO (2019), Gemeentelijke besluitvorming warmtenetten, lessen op basis van casussenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 332 ziening gaat aanleggen en exploiteren niet aan de voorkant bekendhoeven te zijn zoals bij een aanbesteding. Een gemeente kan gedurendede rit wijzigingen binnen de grenzen van de wet eenzijdig opleggen endaarover hoeft niet onderhandeld te worden met het warmtebedrijf ofopnieuw een aanbestedingsprocedure doorlopen te worden zoals bij eenconcessie. Veel ontwikkelingen in de warmtetransitie zijn op het momentvan besluitvorming nog onduidelijk en onzeker. De omvang, planning enuitvoerbaarheid van de maatschappelijke opgave van de warmtetransitiein de gebouwde omgeving vergt een doelgerichte en tevens flexibele enadaptieve uitvoering die niet op voorhand kan worden vastgelegd. Defiguur van een aanwijzing maakt het voor een gemeente mogelijk omeenzijdig binnen de grenzen van de wet in te spelen op veranderendeomstandigheden.De keuze voor een aanwijzing sluit tenslotte aan bij de regulering vansectoren zoals elektriciteit (aanwijzing netbeheerder landelijk hoogspan-ningsnet in artikel 10, tweede lid, Elektriciteitswet 1998), gas (aanwijzingnetbeheerder landelijk gastransportnet in artikel 2 Gaswet) en post(aanwijzing universele postdienst in artikel 15 van de Postwet).3.5.2. Integraal warmtebedrijf In dit wetsvoorstel is een warmtebedrijf gedefinieerd als een onder-neming die zich bezighoudt of voornemens is zich bezig te houden methet transport en de levering van warmte en de productie of inkoop vanwarmte ten behoeve daarvan. Zoals ook uit de definitie blijkt zal hetwarmtebedrijf dus in staat moeten zijn om de integrale verantwoorde-lijkheid te dragen voor de gehele warmteketen. Op grond van deaanwijzing krijgt het warmtebedrijf binnen het gebied van de definitiefvastgestelde warmtekavel naast rechten ook in dit wetsvoorstelopgenomen taken en verplichtingen.3.5.3. Hoofdregel: alleen aanwijzing van een warmtebedrijf metpubliek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap Hoofdregel van dit wetsvoorstel is dat het college alleen een warmtebe-drijf voor een warmtekavel kan aanwijzen als een of meerdere publiekepartijen een meerderheidsbelang in het warmtebedrijf hebben. Ook eenwarmtegemeenschap kan aangewezen worden (artikel 2.2, eerste lid).Warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangEen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang is een warmtebe-drijf waarvoor geldt dat meer dan 50% van de aandelen in handen is vanéén of meerdere publieke partijen. Het kan ook gaan om een warmtejoint-venture van een warmtenetbedrijf dat voor meer dan 50% inpublieke handen is en een warmteleveringsbedrijf. Binnen de warmtejoint-venture heeft het warmtenetbedrijf doorslaggevende zeggenschapals de warmte joint-venture een personenvennootschap is, of meer dan50% van de aandelen als de warmte joint-venture een rechtspersoon is.Onder een publieke partij wordt daarbij verstaan een partij waarbij deaandelen direct of indirect berusten bij de staat, een provincie, gemeenteof een ander openbaar lichaam.Om verder te borgen dat de zeggenschap over het warmtebedrijfdaadwerkelijk berust bij één of meer publieke partijen is voorgesteld dateen warmtebedrijf geen statutaire of contractuele afspraken mag makendie ertoe leiden dat de doorslaggevende zeggenschap in de praktijk nietbij een publieke partij ligt (artikel 2.3, eerste lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 333 Bescherming minderheidsaandeelhouder van een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelangEr zijn enkele uitzonderingen op het verbod op statutaire en contractueleafspraken mogelijk. Deze hebben als doel om de belangen van eenminderheidsaandeelhouder te beschermen tegen de risico’s die eenwarmtebedrijf loopt (artikel 2.3, tweede lid). In generieke zin wordt metdeze uitzonderingen beoogd te voorkomen dat investeringen van deminderheidsaandeelhouder in gevaar komen door onvoldoende zeggen-schap over grote investeringen en bepaalde essentiële beslissingen tenaanzien van het warmtebedrijf. Tegelijkertijd zal de publieke partij dedoorslaggevende zeggenschap hebben over de beslissingen over hetalgemene beleid van het warmtebedrijf en de keuze van het warmtebedrijfhoe bijvoorbeeld de leveringszekerheid te borgen, hoe de duurzaamheids-doelen bereikt zullen worden, welke tarieven in rekening gebracht zullenworden en andere operationele beslissingen. Doel van het wetsvoorstel isimmers dat een publieke partij op deze punten doorslaggevendezeggenschap heeft aangezien een publieke partij gelet op de publiekebelangen mogelijk andere keuzes zal maken dan een private partij.WarmtegemeenschappenIn richtlijn 2018/2001/EU zijn regels opgenomen met betrekking tothernieuwbare energiegemeenschappen, in dit wetsvoorstel gedefinieerdals warmtegemeenschappen. Een energiegemeenschap is een rechts-persoon of personenvennootschap die gebaseerd is op open en vrijwilligedeelname, autonoom is en daadwerkelijk wordt gecontroleerd dooraandeelhouders of leden die zijn gevestigd in de nabijheid van dehernieuwbare-energieprojecten die in eigendom zijn van en ontwikkeldzijn door die juridische entiteit. De energiegemeenschap is actief tenbehoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders en heeft alshoofddoel het bieden van milieuvoordelen of economische of socialevoordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan deplaatselijke gebieden waar ze werkzaam is. Verder is een energiegemeen-schap niet gericht op het maken van winst en maakt zij gebruik vanduurzame warmtebronnen. Nederland is verplicht om hernieuwbareenergiegemeenschappen toegang te geven tot geschikte energiemarkten,zowel rechtstreeks als door middel van aggregatie (artikel 22, tweede lid,aanhef en onderdeel c, van richtlijn 2018/2001/EU).In het wetsvoorstel is voorgesteld dat niet alleen warmtebedrijven meteen publiek meerderheidsbelang, maar ook warmtegemeenschappenkunnen worden aangewezen voor een warmtekavel.Hieraan ligt allereerst de overweging ten grondslag dat strikte toepassingvan het vereiste van een publiek meerderheidsbelang ertoe zou leiden datwarmtegemeenschappen in de zin van de richtlijn 2018/2001/EU nietaangewezen zouden kunnen worden als warmtebedrijf. Vanwege hetverbod op het transporteren of leveren van warmte zonder aanwijzing,zou het dan voor een warmtegemeenschap met meer dan 1500 aanslui-tingen niet mogelijk zijn om haar eigen opgewekte warmte te delen methaar leden, aandeelhouders of in de lokale gebieden waar zij actief is. Ditstaat op gespannen voet met richtlijn 2018/2001/EU. Om aangewezen teworden als warmtebedrijf zou een publieke entiteit een meerderheids-belang in de warmtegemeenschap moeten innemen. Ook dit is niet teverenigen met richtlijn 2018/2001/EU, die daadwerkelijke controle door deleden van of deelnemers aan de energiegemeenschap als uitgangspuntneemt: om een brede participatie te waarborgen, moeten hernieuwbare-energiegemeenschappen autonoom kunnen blijven ten aanzien vanindividuele leden en andere deelnemers die als lid of aandeelhouder in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 334 gemeenschap participeren of er via andere middelen, zoals investeringen,in participeren. Lokale openbare lichamen kunnen op basis van de richtlijn2018/2001/EU wel deelnemer zijn in een warmtegemeenschap, maar eenmeerderheidsbelang is hiermee niet te verenigen.Daarbij komt dat warmtegemeenschappen weliswaar geen publiekeentiteit zijn, maar dat hun bestaan en ontwikkeling doorgaans wel eenbreder maatschappelijk belang dient. De collectieve belangen die dewarmtegemeenschappen zonder winstoogmerk behartigen, zullendoorgaans geen spanning opleveren met de bredere publieke belangen.Een warmtegemeenschap wijkt bovendien ook op een aantal anderebelangrijke punten af van een commercieel warmtebedrijf. Zo is hetwarmtegemeenschappen niet toegestaan winst te behalen, gelden erstrikte regels voor het lidmaatschap (lidmaatschap is open en vrijwillig enleden hebben het recht de gemeenschap te verlaten) en moeten de ledenin nabije omgeving van de collectieve warmtevoorziening zijn gevestigd(artikel 2.3, derde lid).Voor warmtegemeenschappen geldt dezelfde aanwijzingsprocedure alsvoor warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang (artikel 2.5).Warmtegemeenschappen vallen hiermee volledig onder de regulering vanhoofdstuk 2 voor collectieve warmtevoorzieningen en daarmee onder deregie van de gemeente betreffende de verduurzaming van de gebouwdeomgeving en onder het toezicht van de ACM betreffende de naleving vande taken en verplichtingen en de tariefregulering. Hiermee wordtverzekerd dat ook bij warmtegemeenschappen sprake is van publiekesturing teneinde de publieke belangen zeker te stellen. Daarnaast kunnenwarmtegemeenschappen tot 1500 aansluitingen in aanmerking komenvoor een ontheffing voor een klein collectief warmtesysteem.3.5.4. Ingroeiperiode Ontwikkeling publieke realisatiekrachtDe regel dat alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelangvoor warmtekavels aangewezen kunnen worden kan in de praktijk alleenop een goede manier worden ingevuld indien de daarvoor benodigdepublieke realisatiekracht in voldoende mate beschikbaar is. Uit onderzoekdat aan de Tweede Kamer is aangeboden bij brief van 21 oktober 202214 isnaar voren gekomen dat deze voorwaarde op dit moment niet ingevuld is.Er zal tijd nodig zijn om de benodigde publieke financiële middelenbeschikbaar te krijgen en het benodigde publieke organisatievermogen totstand te brengen. Een belangrijke factor hierbij is het feit dat het overgrotedeel van de collectieve warmtesystemen in Nederland op dit moment inhanden is van private partijen, zonder (grote) betrokkenheid van publiekepartijen. Zoals in genoemde kamerbrief is aangegeven kan het ontbrekenvan voldoende publieke realisatiekracht in combinatie met het verplichtstellen van een publiek meerderheidsbelang een vertragend effect hebbenop de warmtetransitie. Om dit ongewenste effect zoveel mogelijk tevoorkomen voorziet het wetsvoorstel in een ingroeiperiode van 7 jaar nainwerkingtreding. Deze ingroeiperiode is als volgt ingevuld.IngroeiperiodeDirect na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geldt de hoofdregel dateen college uitsluitend een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap kan aanwijzen, maar gedurende deingroeiperiode heeft het college ook de tijdelijke bevoegdheid om eenwarmtebedrijf aan te wijzen dat niet voldoet aan de genoemde eisen ten14Kamerstukken II, 2022/23, 30 196, nr. 800.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 335 aanzien van een publiek meerderheidsbelang (artikelen 2.6 en 2.7). Omgedurende de ingroeiperiode af te mogen wijken van de hoofdregel zalhet college wel eerst moeten vaststellen dat het niet mogelijk is om dehoofdregel te volgen. Het college kan uitsluitend gebruik maken van degenoemde tijdelijke bevoegdheid als door middel van een openbareinventarisatie is vastgesteld dat er geen warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap aangewezen kan worden(artikel 2.4, zie paragraaf 3.5.6).Als een dergelijk warmtebedrijf niet aangewezen kan worden heeft hetcollege de mogelijkheid om gedurende de ingroeiperiode ook een anderwarmtebedrijf aan te wijzen, zoals een volledig privaat warmtebedrijf ofeen warmtebedrijf met een privaat meerderheidsbelang. Gelet op hetuitgangspunt van de gemeentelijke regie, zijn gemeenten niet verplichtom gebruik te maken van bovengeschetste mogelijkheid.Het wetsvoorstel voorziet gedurende de ingroeiperiode dan ook in tweeverschillende aanwijzingsprocedures: een aanwijzingsprocedure voor eenwarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtege-meenschap en een (tijdelijke) aanwijzingsprocedure voor een anderwarmtebedrijf.De keuze voor een ingroeiperiode van zeven jaar is ingegeven door deverwachting dat er daarna voldoende publieke realisatiekrachtbeschikbaar zal zijn om de warmtetransitie te continueren. Het Rijk zal zichhier in overleg met medeoverheden, publieke infrastructuurbedrijven,warmtebedrijven, publieke financiers en andere betrokken partijen actiefvoor inzetten. In paragraaf 16.5 wordt deze versterking van de publiekerealisatiekracht nader toegelicht. Na de ingroeiperiode zal de uitzonderingkomen te vervallen en zullen alle nieuw aan te wijzen warmtebedrijvenmoeten voldoen aan de eisen ten aanzien van een publiek meerderheids-belang. De tijdens de ingroeiperiode aangewezen warmtebedrijven zullendoor de in het wetsvoorstel gegeven looptijd van de aanwijzing (tussen 20en 30 jaar) de gelegenheid krijgen hun investeringen terug te verdienen.Daarmee wordt beoogd om warmtebedrijven die gedurende de ingroeipe-riode worden aangewezen de zekerheid te bieden dat investeringenkunnen worden terugverdiend.Twee jaar voorafgaand aan het einde van de ingroeiperiode zal wordenbezien of de benodigde publieke realisatiekracht in voldoende matebeschikbaar en voldoende tijdig beschikbaar is. Daartoe is in hetwetsvoorstel een evaluatiebepaling opgenomen (artikel 12.1, eerste lid).Een verslag daarover zal worden uitgebracht aan de Staten-Generaal.Indien uit de evaluatie volgt dat er nog onvoldoende warmtebedrijven meteen publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschappen beschikbaarzijn dan kan de bovengenoemde termijn van de ingroeiperiode met tenhoogste 3 jaar worden verlengd (artikel 2.6, derde lid). Het koninklijkbesluit waarmee deze verlenging kan worden bewerkstelligd zal nieteerder in werking treden dan nadat het ontwerp aan de Eerste en TweedeKamer is overlegd (artikel 11.7).3.5.5. Algemene kenmerken aanwijzingsprocedures In de paragrafen 3.5.5 tot en met 3.5.7 wordt het te doorlopen proces omte komen tot de aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap respectievelijk eenander warmtebedrijf gedetailleerder toegelicht. Daarbij wordt in dezeparagraaf ingegaan op aspecten die voor beide soorten aanwijzingengelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 336 Het is van belang dat elke stap in de procedure voor de aanwijzing vaneen warmtebedrijf onderbouwd en bewust wordt gezet. Dit borgt eenoptimale uitkomst voor gemeenten en maakt verantwoording achterafover gemaakte keuzes mogelijk. Op deze wijze wordt verzekerd dat hetaangewezen warmtebedrijf in staat is om de in dit wetsvoorstelbeschreven taken en verplichtingen uit te voeren. Een gestructureerdbesluitvormingsproces op lokaal niveau biedt tevens houvast vooroverheden, bedrijven en financiers om te kunnen investeren.Met de aanwijzing verkrijgt het warmtebedrijf een exclusief recht op hettransport en de levering van warmte binnen een vastgesteld warmtekavel.Uitzondering op dit exclusieve recht worden gevormd door de inparagraaf 3.3 beschreven situaties waarin het niet verboden is om warmtezonder aanwijzing te transporteren of te leveren (artikel 1.2, eerste lid).Het exclusieve recht geldt voor de volledige periode van de aanwijzing(minimaal 20 en maximaal 30 jaar geldend vanaf de aanwijzing). Hetaangewezen warmtebedrijf krijgt zo een prikkel om ook de langere termijnontwikkeling van de collectieve warmtevoorziening mee te wegen in zijnbeslissingen en dat is belangrijk vanuit het publieke belang. Bovendienwordt het aangewezen warmtebedrijf zo redelijkerwijs in staat gesteld omzijn investeringen terug te verdienen. Dit betekent tevens dat verbruikersdie beschikken over een leveringsaansluiting voor een langere periodegebonden zijn aan dit warmtebedrijf. Dit benadrukt het belang van eentransparante en goed onderbouwde aanwijzingsprocedure. Om tevoorkomen dat een warmtebedrijf zonder nadere en onderbouwdeafweging gebruik kan blijven maken van zijn exclusieve recht op transporten levering van warmte, voorziet het wetsvoorstel niet in de mogelijkheidom een aanwijzing na afloop van de aanwijzingstermijn te verlengen. Erzal dan opnieuw op basis van de aanwijzingsprocedure een warmtebedrijfmoeten worden aangewezen. Het is van belang dat gemeenten hier tijdigvoorafgaand aan het aflopen van de aanwijzingstermijn mee beginnen omzodoende de continuïteit te borgen.Hierna wordt allereerst ingegaan op de hoofdregel waarbij een warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapwordt aangewezen (paragraaf 3.5.6). Daarna zal worden ingegaan op demogelijkheid om gedurende de ingroeiperiode een ander warmtebedrijfaan te wijzen dat niet voldoet aan de eisen van een publiek meerderheids-belang of geen warmtegemeenschap is (paragraaf 3.5.7). Daarbij zal danvooral worden ingegaan op de elementen die afwijkend zijn ten opzichtevan de aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap.3.5.6. Aanwijzing van warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap Start aanwijzingsprocedure: inventarisatieAangezien gedurende de ingroeiperiode twee verschillende aanwijzings-procedures gelden – een aanwijzingsprocedure voor een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap(artikelen 2.4 en 2.5) en een (tijdelijke) aanwijzingsprocedure voor eenwarmtebedrijf dat daaraan niet voldoet (artikelen 2.6 en 2.7) – is de eerstestap in het proces een door het college te starten inventarisatie. Als uitdeze inventarisatie blijkt dat er een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang beschikbaar is om te worden aangewezen wordt deeerstgenoemde aanwijzingsprocedure doorlopen. Genoemde inventari-satie wordt door een gemeente gestart met een mededeling die in iedergeval in de Staatscourant dient te worden geplaatst. Met deze mededelingwordt een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 337 warmtegemeenschap de mogelijkheid geboden om binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn na de publicatie van demededeling kenbaar te maken dat zij een aanvraag om aangewezen teworden willen indienen. Zoals het zich nu laat aanzien zal het daarbij omeen termijn van maximaal 4 weken gaan. Het college geeft in demededeling ook aan binnen welke termijn het warmtebedrijf eenaanvraag moet indienen om daadwerkelijk te worden aangewezen.Indien een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of eenwarmtegemeenschap niet tijdig kenbaar maakt voornemens te zijn eenaanvraag in te dienen kan het college besluiten de aanwijzingsprocedureopgenomen in artikel 2.7 te starten en zo een ander warmtebedrijf degelegenheid geven een aanvraag in te dienen om aangewezen te wordenvoor de warmtekavel. De gemeente kan de aanwijzingsprocedure vanartikel 2.7 ook starten als een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap weliswaar het voornemenkenbaar heeft gemaakt maar niet of niet tijdig een aanvraag heeftingediend om aangewezen te worden of als een dergelijke aanvraag isafgewezen. Het college kan dan ook de (tijdelijke) aanwijzingsprocedurevan artikel 2.7 starten maar het college is hiertoe niet verplicht.AanvraagNadat een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of eenwarmtegemeenschap naar aanleiding van de inventarisatie tijdig kenbaarheeft gemaakt aangewezen te willen worden, moet dat warmtebedrijfdaarna binnen de door het college gestelde termijn een aanvraag omaangewezen te worden indienen. Het gaat dan om een aanvraag om teworden aangewezen voor het in de mededeling door het collegegenoemde warmtekavel.Toets ACMOm aangewezen te kunnen worden, overlegt het warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap bij de aanvraag inde eerste plaats een besluit van de ACM (artikel 2.5, vijfde lid) waarin deACM heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of warmtegemeenschap:1.voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid die noodzakelijk is voor de uitvoering van de in dezewet opgenomen taken voor een aangewezen warmtebedrijf;2.voldoende financieel in staat is om genoemde taken uit te voeren.Met dit vereiste wordt voorkomen dat er een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap kan wordenaangewezen waarvan de ACM heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf ofde warmtegemeenschap niet in staat is om de taken uit te voeren. Eendergelijke toets vooraf is van belang vanwege het belang van eenbetrouwbare warmtelevering.De verplichting om het besluit van de ACM bij de aanvraag te overleggenbetekent dat het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang ofwarmtegemeenschap voorafgaand aan zijn aanvraag om te wordenaangewezen bij de ACM een verzoek moet indienen om dit besluit tenemen.De verantwoordelijkheid voor deze toets is bij de ACM belegd zodat éénonafhankelijke partij zowel voorafgaand aan de aanwijzing als gedurendede looptijd van de aanwijzing verantwoordelijk is voor het toezicht op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 338 uitvoering van de taken door het aan te wijzen respectievelijk aangewezenwarmtebedrijf.ACM heeft binnen de regels die daarover in of op grond van ditwetsvoorstel worden voorgesteld de mogelijkheid om bij de invulling vande toets rekening te houden met specifieke omstandigheden. Daarbij kanworden gedacht aan het bij de invulling van de toets onderscheid makentussen bestaande en nieuwe warmtebedrijven met een publiek meerder-heidsbelang of warmtegemeenschappen. Nieuwe warmtebedrijvenkunnen immers geen resultaten en prestaties uit het verleden laten zien.Om te voorkomen dat daarmee de toegang van nieuwe warmtebedrijventot de aanwijzingsprocedure beperkt of onmogelijk wordt kan ACM metdie omstandigheid rekening houden. Bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur wordt deze toets nader ingevuld. Vooral voor de taakduurzaamheid is het hierbij van belang dat de ACM kan toetsen op delange termijn verduurzamingsstrategie van het warmtebedrijf.De ACM kan aan haar besluit voorschriften en beperkingen verbinden.Hiermee kan de ACM het warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffenten einde bijvoorbeeld de financiële situatie te verbeteren en wordt hetmogelijk dat het besluit van de ACM afhankelijk wordt gesteld van deinvulling door het warmtebedrijf van de door de ACM noodzakelijkgeachte voorschriften.Globaal kavelplanNaast het besluit van de ACM overlegt het warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap bij de aanvraag een globaalkavelplan. In dit globaal kavelplan dienen zij indicatief te beschrijven hoehet een collectieve warmtevoorziening in de warmtekavel verwacht aan teleggen en te exploiteren. Het gaat hier om een indicatieve beschrijvingvan de meeste elementen die ook dienen te worden opgenomen in eenuitgewerkt kavelplan. Voor een beschrijving van de in het globaal enuitgewerkt kavelplan op te nemen elementen wordt verwezen naarparagraaf 3.7.3. De in het globaal kavelplan op te nemen informatie zalgelet op de fase van het besluitvormingsproces noodzakelijkerwijs mindergedetailleerd zijn dan het uitgewerkt kavelplan. Het ligt daarbij voor dehand dat de uitwerking gedetailleerder is voor de delen van de warmte-kavel waarvoor op basis van bijvoorbeeld het warmteprogramma ten tijdevan de aanwijzing het meest aannemelijk is dat er warmte komt. Met ditvereiste wordt geborgd dat het college door middel van het globaalkavelplan de voor het besluitvormingsproces benodigde informatieontvangt.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere regelsworden gesteld over het globaal kavelplan. Hierbij kan worden gedachtaan de ontwikkeling van een format dat warmtebedrijven dienen in tevullen als onderdeel van het globaal kavelplan. Meer concreet kan wordengedacht aan het als onderdeel van dit format voorschrijven van een setvan rekenregels die warmtebedrijven dienen te hanteren om een indicatievan de kosten voor de realisatie van (delen van) de collectieve warmte-voorziening binnen de warmtekavel te geven.Een aanvraag waarbij het hierboven genoemde besluit van de ACM of eenglobaal kavelplan niet is bijgevoegd of niet voldoet aan de vereisten dientbuiten behandeling te worden gelaten. De aanvraag voldoet dan immersniet aan de betreffende wettelijke verplichtingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 339 ToetsingskaderBij de aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap is gekozen voor een zogenaamde«eerst-komt-eerst-maalt» systematiek. In deze systematiek krijgt het eerstebedrijf dat een aanvraag indient en aan alle criteria voldoet de aanwijzingvoor de warmtekavel. Het college beoordeelt een aanvraag op volgordevan ontvangst. Er is niet voor gekozen een selectiesystematiek voor teschrijven, omdat het niet aannemelijk is dat twee of meerdere warmtebe-drijven met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapmet elkaar in concurrentie treden om dezelfde aanwijzing om de volgenderedenen. In paragraaf 16.5 wordt beschreven dat het voor de hand ligt datwarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang veelal eenregionale of provinciale schaal zullen hebben. Mede met het oog op dewijze waarop reeds opgerichte publieke warmtebedrijven opereren, ligthet voor de hand dat warmtebedrijven met een publiek meerderheids-belang met name actief zullen worden in het geografische gebied waarook de aandeelhouders van het warmtebedrijf zich bevinden. Door alswarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang actief te worden inhet verzorgingsgebied van een ander warmtebedrijf wordt het beoogdepublieke belang niet voldoende gediend. Zoals eerder in deze toelichtinggeformuleerd, is er grote samenhang tussen bestuurlijke keuzes in delokale warmtetransitie en bedrijfseconomische overwegingen van hetaangewezen warmtebedrijf. Ook is concurrentie tussen een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang en een warmtegemeenschaponwaarschijnlijk. In de eerste plaats, omdat warmtegemeenschappenveelal een beperkte omvang zullen hebben en om die reden veelal onderhet regime van kleine collectieve warmtesystemen zullen vallen. In hetgeval een warmtegemeenschap een collectieve warmtevoorziening zalwillen ontwikkelen voor een specifiek gebied, ligt het niet in de lijn derverwachting dat een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangdit zal doorkruisen. Ten tweede, omdat er niet veel draagvlak zal zijn vooreen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang dat actief wordtin een gebied waar burgers het voornemen hebben om de warmtevoor-ziening in eigen hand te nemen.Een door het college ontvangen aanvraag van een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap wordt getoetstaan de in het wetsvoorstel opgenomen afwijzingsgronden (artikel 2.5,zesde lid). De afwijzingsgronden worden hieronder nader toegelicht.a. Uitvoerbaarheid voor de toekomstige verbruikers, verhuurders enVvE’s Zoals hierboven toegelicht dient het warmtebedrijf bij zijn aanvraag eenglobaal kavelplan te overleggen. Het is van belang dat de in het globaalkavelplan beschreven elementen redelijkerwijs uitvoerbaar zijn voor debetrokken partijen. Daarbij kan met name worden gedacht aan de in hetglobaal kavelplan te beschrijven indicatie van de warmtebehoefte van deop de collectieve warmtevoorziening aan te sluiten gebouwen waar hetwarmtebedrijf van uit gaat. De warmtebehoefte is bepalend voor de matewaarin woningen geïsoleerd moeten zijn en het ligt voor de hand dat ditvoor gebouweigenaren (eigenaar-bewoners, verhuurders en VvE’s)realistisch en uitvoerbaar moet zijn. Hetzelfde geldt voor de in het globaalkavelplan te beschrijven indicatie ten aanzien van de minimale eisenwaaraan de in woningen en gebouwen aanwezige binneninstallatiemoeten voldoen. Om deze reden is bepaald dat het college een aanvraagdient af te wijzen indien het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplanbeschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers, verhuurders en VvE’sof daarmee vergelijkbare rechtsvormen redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 340 Daarbij dient het college genoemde partijen als groep te beschouwen.Indien de in het globaal kavelplan beschreven elementen bijvoorbeeldalleen voor één of enkele verbruikers redelijkerwijs niet uitvoerbaar is danhoeft het college op grond daarvan de aanvraag niet af te wijzen.b. Uitvoerbaarheid voor het warmtebedrijf Naast de uitvoerbaarheid voor de betrokkenen is het vanzelfsprekend ookbelangrijk dat de in het globaal kavelplan beschreven elementen voor hetwarmtebedrijf zelf uitvoerbaar zijn. Daarom is bepaald dat het college eenaanvraag afwijst indien het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voorhet warmtebedrijf redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Daarbij beziet hetcollege in ieder geval of het bij de aanvraag gevoegde globaal kavelplantechnisch, financieel of organisatorisch uitvoerbaar is. Dit omvatbijvoorbeeld ook een toets of het warmtebedrijf voor dit specifieke kavelredelijkerwijs aan de duurzaamheidsnormen kan voldoen en de leverings-zekerheid kan borgen. Het college wijst een aanvraag af indien hetaannemelijk is dat het warmtebedrijf de collectieve warmtevoorzieningconform het globaal kavelplan technisch, organisatorisch of financieel nietkan aanleggen en exploiteren.Als geen van de hiervoor genoemde afwijzingsgronden van toepassingzijn op de aanvraag dan zal het college de aanwijzing verlenen. Tegen ditbesluit is bezwaar en beroep mogelijk. Voor de rechtsbescherming wordthet besluit tot vaststelling van de warmtekavel en de aanwijzing van hetwarmtebedrijf aangemerkt als één besluit (artikel 11.5).Het aanwijzen van een warmtebedrijf betreft een nieuwe taak voorgemeenten. Daarbij geldt dat een warmtebedrijf voor een lange periodewordt aangewezen. Het doorlopen van de aanwijzingsprocedure zal dusniet iets zijn waar gemeenten veel ervaring mee opdoen. Gemeentenkunnen zich bij de invulling van deze nieuwe taak vanzelfsprekend latenbijstaan door deskundigen en deskundige partijen en het is deverwachting dat gemeenten ook gebruik zullen maken van dezemogelijkheid.3.5.7. Aanwijzing van een ander warmtebedrijf In paragraaf 3.5.4 is toegelicht dat het wetsvoorstel gemeenten, onder dein die paragraaf genoemde voorwaarden, tot 7 jaar na inwerkingtredingvan dit wetsvoorstel de bevoegdheid geeft om een ander warmtebedrijfaan te wijzen dat geen warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap is (hierna aangeduid als een anderwarmtebedrijf). Het gaat hier om een bevoegdheid en geen verplichtingvoor het college.Start aanwijzingsprocedureHet college kan een aanwijzingsprocedure voor een ander warmtebedrijfstarten maar kan er ook voor kiezen om geen verdere stappen te nemen ofeen nieuwe inventarisatie ten aanzien van de beschikbaarheid van eenwarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang te starten.Als het college gedurende de ingroeiperiode gebruik maakt van demogelijkheid om een ander warmtebedrijf aan te wijzen dan start zij ditproces door kenbaar te maken dat een ander warmtebedrijf demogelijkheid heeft om binnen een door het college te bepalen termijn eenaanvraag om aangewezen te worden kan indienen. Het kenbaar makenvan deze mogelijkheid geschiedt via een mededeling in de Staatscouranten op een andere geschikte wijze. Het is warmtebedrijven met een publiekTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 341 meerderheidsbelang of warmtegemeenschappen niet toegestaan om naaraanleiding van genoemde mededeling een aanvraag om aangewezen teworden in te dienen. Daarmee wordt voorkomen dat er bij de aanwijzingconcurrentie ontstaat tussen warmtebedrijven met een publiek meerder-heidsbelang en warmtegemeenschappen enerzijds en andere warmtebe-drijven anderzijds.AanwijzingsprocedureDe aanwijzingsprocedure voor een ander warmtebedrijf is grotendeelsgelijk aan het proces ten aanzien van de aanwijzing van een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang en een warmtegemeenschap. Ookbij deze aanwijzingsprocedure moet het warmtebedrijf bij de aanvraageen besluit van de ACM overleggen waarin de ACM heeft vastgesteld dathet warmtebedrijf financieel, organisatorisch en technisch voldoende instaat is om zijn taken uit te voeren. Verder moet het warmtebedrijf bij deaanvraag ook een globaal kavelplan overleggen. Tevens gelden dezelfdeafwijzingsgronden als bij het proces van de aanwijzing van een warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang. Voor een nadere toelichting opdeze elementen wordt verwezen naar paragraaf 3.5.6.Een belangrijk verschil met de procedure ten aanzien van de aanwijzingvan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang is dat er bijde aanwijzing van een ander warmtebedrijf niet gekozen is voor een«eerst-komt-eerst-maalt»-model. Bij de aanwijzing van een anderwarmtebedrijf is het wel goed mogelijk dat er meerdere partijen inaanmerking willen komen voor een aanwijzing en daarom is het belangrijkdat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat de meest geschikte partij dande aanwijzing verkrijgt. Daarom voorziet de aanwijzingsprocedure inrangschikkingscriteria indien er meerdere aanvragen zijn ingediend dieniet op grond van de afwijzingsgronden zijn afgewezen.ToetsingskaderHet college dient de aanvragen dan te rangschikken. In dit wetsvoorstel isvoorgesteld dat een aanvraag hoger wordt gerangschikt als deze beterscoort op de hieronder toegelichte gronden.a. de mate waarin aannemelijk is dat de bij of krachtens artikel 2.20, eerstelid, gestelde regels over de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen zullenworden bereikt. b. de mate waarin aannemelijk is dat een doelmatige en kosteneffectieveaanleg en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening beter wordtgeborgd. Voor onder meer de betrouwbaarheid en kosten van de collectievewarmtevoorziening is het belangrijk dat het warmtebedrijf zijn takendoelmatig en kosteneffectief uitvoert. Een eerste indicatie ten aanzien vande invulling van deze aspecten zal naar voren komen uit de informatie diehet warmtebedrijf al dan niet verplicht overlegt bij de aanvraag. Op grondvan dit criterium zal een warmtebedrijf dat beter scoort op deze aspectenhoger worden gerangschikt.Het verwachte tarief van de warmtelevering is hierbij niet als rangschik-kingscriterium opgenomen. Het tarief dat een warmtebedrijf maximaal inrekening mag brengen wordt namelijk door ACM vastgesteld op basis vande eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen bepalingen rondomtariefregulering (zie hoofdstuk 8 van deze toelichting). Hierbij wordtaangetekend dat het warmtebedrijf wel verplicht is om als onderdeel vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 342 het globaal kavelplan een eerste indicatie van de tarieven van de televeren goederen en diensten in verband met de levering van warmte aante leveren (zie paragraaf 3.7.3 voor de inhoud van het globaal enuitgewerkt kavelplan).De verwachte kosten zijn wel relevant voor de selectie en dit rangschik-kingscriterium zorgt ervoor dat een warmtebedrijf beter scoort indien deverwachte kosten van aanleg en exploitatie van de collectieve warmte-voorziening lager zijn.c. de mate waarin aannemelijk is dat de leveringszekerheid beter wordtgeborgd. d. de mate waarin aannemelijk is dat de toekomstige verbruikers beterworden betrokken bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening. Eerder in deze toelichting is al gewezen op het belang van het zo goedmogelijk betrekken van de toekomstige gebruikers van collectievewarmte. Dit is niet alleen een taak van de overheid, maar onder meer ookvan het aangewezen warmtebedrijf. Op grond van dit criterium zal eenwarmtebedrijf dat beter scoort op dit aspect hoger worden gerangschikt.e. de mate waarin aannemelijk is dat de in het globaal kavelplanbeschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers, verhuurders en VvE’sbeter uitvoerbaar zijn. Het redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn van de in het globaal kavelplanbeschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers, verhuurders en VvE’sis al opgenomen als grond op basis waarvan de aanvraag dient te wordenafgewezen (zie de toelichting op de afwijzingsgronden hierboven).Ingediende aanvragen kunnen echter ook verschillen in de mate waarinhet aannemelijk is dat de gevolgen voor genoemde partijen beteruitvoerbaar zijn. Op grond van dit criterium zal een warmtebedrijf datbeter scoort op dit aspect hoger worden gerangschikt.f. de mate waarin het aannemelijk is dat het warmtebedrijf in staat is omhet bij de aanvraag gevoegde globaal kavelplan beter uit te voeren. Ook ten aanzien van dit als afwijzingsrond opgenomen aspect geldt dathet mogelijk is dat aanvragen die niet op dit aspect worden afgewezenwel verschillen in de mate waarin het aannemelijk is dat het warmtebedrijfhet globaal kavelplan kan uitvoeren. Op grond van dit criterium zal eenwarmtebedrijf dat beter scoort op dit aspect hoger worden gerangschikt.Om uitvoeringslasten voor gemeenten en deelnamelasten voor warmte-bedrijven zo laag mogelijk te houden, is er gekozen voor een landelijkuniforme procedure met een in de wet vastgelegde lijst rangschikkingscri-teria die ieder college verplicht moet hanteren. Verwacht wordt dat deuniforme procedure bijdraagt aan een vermindering van de uitvoerings-kosten en daarmee aan de betaalbaarheid van de collectieve warmtevoor-ziening. Het college kan als onderdeel van de procedure daarom geenadditionele rangschikkingscriteria stellen.Ingeval van deelname van meerdere warmtebedrijven aan de aanwijzings-procedure dient het college het warmtebedrijf aan te wijzen dat op grondvan de toepassing van de rangschikkingscriteria het hoogste wordtgerangschikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 343 Weging rangschikkingscriteriaEr is ruimte voor lokale invulling door het toepassen van door het collegebinnen een bandbreedte vast te stellen weging van de verschillenderangschikkingscriteria. Op deze wijze kunnen lokale voorkeuren enomstandigheden in de selectieprocedure tot uitdrukking worden gebracht.Deze mogelijkheid staat op gespannen voet met het eerder geschetstebelang van landelijke uniformiteit. Mede daarom is bepaald dat ieder vande bovengenoemde wettelijke rangschikkingscriteria voor minimaal 5% enmaximaal 50% meegewogen dient te worden. Met het hanteren van dezebandbreedte wordt voorkomen dat het college geen of juist alle wegings-punten zou toekennen aan één rangschikkingscriterium, waarmee feitelijkde uniformiteit van de aanwijzingsprocedure teniet gedaan zou worden.Ingeval van deelname van meerdere warmtebedrijven aan de aanwijzings-procedure zal het college het warmtebedrijf aanwijzen dat op grond vande toepassing van de rangschikkingscriteria en de weging van die criteriahet hoogste wordt gerangschikt.3.5.8. Wijziging van de aanwijzing Het wetsvoorstel bevat een aantal specifieke bepalingen over de wijzigingvan een aanwijzing die gepaard gaat met een vergroting of verkleiningvan de warmtekavel of een samenvoeging van twee warmtekavels vanhetzelfde warmtebedrijf. Voorgesteld is dat het college de aanwijzinguitsluitend ambtshalve kan wijzigen. Dit betekent dat het niet kan gaan omeen wijziging op verzoek van een andere partij zoals bijvoorbeeld hetaangewezen warmtebedrijf. De keuze om het in deze situaties onmogelijkte maken om een verzoek ten aanzien van de wijziging van de aanwijzingin te dienen is ingegeven door het uitgangspunt van gemeentelijke regiedat ten grondslag ligt aan dat wetsvoorstel. Vanuit dat uitgangspunt is hetuitsluitend aan het college en niet aan andere partijen om het initiatief tenemen ten aanzien van een wijziging van de warmtekavel. Vanzelf-sprekend mag het college zich bij de keuzes ten aanzien van een wijzigingvan een aanwijzing die tot een wijziging van de warmtekavel leidt wellaten adviseren door andere partijen en het ligt daarbij voor de hand datdit in ieder geval in nauwe afstemming en samenspraak met het aange-wezen warmtebedrijf plaats vindt.Voorgesteld is het college te verplichten om iedere wijziging van eenaanwijzing toe te zenden aan gedeputeerde staten van de provincie opwiens grondgebied de warmtekavel ligt. Dit biedt een provincie demogelijkheid de in de Gemeentewet gegeven interbestuurlijke bevoegd-heden toe te passen.a. wijziging van een aanwijzing waardoor een warmtekavel wordtvergroot Nadat een warmtebedrijf is aangewezen en daarmee de warmtekavel isvastgesteld kan er aanleiding zijn om de warmtekavel te vergroten en ookde aanwijzing van het warmtebedrijf te wijzigen. Als voorbeeld kanworden gedacht aan een situatie waarin blijkt dat voor een gebied dat nogniet tot de warmtekavel behoort het niet op efficiënte wijze mogelijk is omeen betrouwbaar en duurzaam warmtesysteem te realiseren.Bij een vergroting van een warmtekavel is het allereerst van belang dat dewarmtekavel nog steeds voldoet aan de criteria voor de vaststelling vande warmtekavel (artikel 2.1, zesde lid; zie paragraaf 3.4). Vergroting van dewarmtekavel brengt met zich mee dat de rechten en plichten die voor hetwarmtebedrijf golden op basis van de oorspronkelijke warmtekavel nuTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 344 ook gaan gelden voor de vergrote warmtekavel. Het is van belang dat hetaangewezen warmtebedrijf daartoe in staat is. Daarom is in de eersteplaats de voorwaarde opgenomen dat de ACM net als bij de oorspronke-lijke aanwijzing wederom bij besluit vaststelt dat het warmtebedrijfbeschikt over voldoende organisatorische en technische bekwaamhedenen ook financieel in staat is om de taken voor de vergrote warmtekavel uitte voeren. Het college zal de ACM verzoeken een dergelijk besluit tenemen. Het aangewezen warmtebedrijf is verplicht om de ACM de voordeze beoordeling benodigde gegevens en bescheiden te verstrekken.Verder is het voor onder meer de continuïteit van de collectieve warmte-voorziening van belang dat het rendement van het aangewezen warmte-bedrijf ook na de vergroting van de warmtekavel nog steeds voldoende isom de uitvoering van de taken en verplichtingen van het warmtebedrijfniet in gevaar te brengen. Daarom is als voorwaarde opgenomen dat hetwarmtebedrijf na de vergroting nog steeds een redelijk rendement kanbehalen of een ander voor het warmtebedrijf acceptabel rendement. Voorwat betreft het redelijke rendement wordt daarbij verwezen naar het doorde ACM in het kader van de tariefregulering vast te stellen redelijkerendement (zie hoofdstuk 8). In het kader van deze voorwaarde is het doorhet warmtebedrijf acceptabel geachte rendement alleen relevant indiendat lager is dan het door de ACM vastgestelde redelijke rendement. Indiendat niet het geval is geldt het genoemde redelijke rendement.Het is mogelijk dat als gevolg van de vergroting van een warmtekavel detarieven voor de op de collectieve warmtevoorziening aangeslotenverbruikers gaan stijgen. Dit zou het geval kunnen zijn indien devergroting van de warmtekavel relatief kostbare aansluitingen met zichmee brengt. Er is echter voor gekozen om een mogelijke wijziging van dewarmtetarieven niet als voorwaarde toe te voegen. Ook dit hangt samenmet het uitgangspunt dat de gemeente de regie heeft. Indien eengemeente van mening is dat een mogelijk effect op de warmtetarievenniet acceptabel is dan ligt het niet voor de hand een warmtekavel tevergroten.b. wijziging van een aanwijzing waardoor een warmtekavel wordtverkleind Naast een vergroting van de warmtekavel kan er ook aanleiding zijn omde warmtekavel te verkleinen en in dat verband de aanwijzing van hetwarmtebedrijf te wijzigen (artikel 2.8, vijfde lid). Ook bij een verkleining ishet van belang dat de warmtekavel nog steeds voldoet aan de criteriavoor de vaststelling van de warmtekavel (artikel 2.1, zesde lid; zieparagraaf 3.4). Bij een verkleining van de warmtekavel is het nietaannemelijk dat dit ertoe zou kunnen leiden dat het warmtebedrijf nietlanger voldoet aan de kwalificaties waarover de ACM voorafgaand aan deoorspronkelijke aanwijzing een besluit heeft genomen. Daarom is bij deverkleining van de warmtekavel geen besluit van de ACM hierover nodig.Een verkleining van de warmtekavel kan wel effect hebben op hetrendement van het aangewezen warmtebedrijf. Daarom geldt dehierboven bij een vergroting van de warmtekavel beschreven voorwaardeterzake het rendement ook bij een verkleining. Verder geldt alsvoorwaarde dat het aangewezen warmtebedrijf met deze verkleining moetinstemmen. Een verkleining heeft immers mogelijk gevolgen voor hetterugverdienen van de investeringen door het warmtebedrijf en detoekomstplannen van het warmtebedrijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 345 c. wijziging van een aanwijzing waardoor aan een warmtekavel een anderwarmtekavel wordt toegevoegd Er kan ook aanleiding zijn om twee warmtekavels samen te voegen. In depraktijk betekent dit dat het college een aanwijzing van een warmtebedrijfwijzigt waardoor aan de warmtekavel waarvoor het warmtebedrijf isaangewezen een ander warmtekavel wordt toegevoegd (artikel 2.8, zesdelid). Het samenvoegen van warmtekavels kan wenselijk zijn vanwegebestuurlijke overwegingen, zoals bijvoorbeeld de uitvoerbaarheid van dewijkgerichte aanpak en de mogelijkheid om de kosten te verdelen binneneen groter gebied en daarmee over meer op de collectieve warmtevoor-ziening aangesloten verbruikers. Samenvoeging is alleen aan de ordeindien voor beide warmtekavels hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen.Ook bij een samenvoeging is het van belang dat de warmtekavel na diesamenvoeging nog steeds voldoet aan de criteria voor de vaststelling vaneen warmtekavel (artikel 2.1, zesde lid, zie paragraaf 3.4).Voor het bepalen van de duur van de aanwijzing voor de samengevoegdewarmtekavels wordt gekeken naar de minst recente aansluitovereenkomstvan de laatste 10% van de bestaande leveringsaansluitingen of voorzieneleveringsaansluitingen (waarvoor een aansluitovereenkomst isafgesloten). Eerste stap is daarbij is dat wordt bepaald wat de laatste 10%van de bestaande leveringsaansluitingen of voorziene leveringsaanslui-tingen zijn. Ook leveringsaansluitingen die nog niet gerealiseerd, maarwel gecontracteerd zijn op het moment dat de warmtekavels wordensamengevoegd, tellen dus mee. Vervolgens wordt gekeken wat de minstrecente leveringsaansluiting is van de laatste 10%. De datum van deaansluitovereenkomst die gaat over deze leveringsaansluiting wordt alsstartpunt genomen voor het bepalen van de overgangstermijn. De duurvoor de aanwijzing kan worden berekend door een termijn van 30 jaar teverminderen met de duur van de periode tussen de datum van dezeaansluitovereenkomst en het moment dat de warmtekavels wordensamengevoegd. Voor overgangsrechtelijke situaties wordt dezelfdesystematiek toegepast (zie paragraaf 13.4).3.5.9. Intrekking van de aanwijzing Melding ACMEen belangrijk uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat een aangewezenwarmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voor de invulling van de takendie dit wetsvoorstel aan dit bedrijf opdraagt. Als een aangewezenwarmtebedrijf die taken niet langer kan uitvoeren kan de betaalbaarheid,betrouwbaarheid of duurzaamheid van de collectieve warmtevoorzieningin gevaar komen. Gelet op dat risico is voorgesteld dat de ACM eenaangewezen warmtebedrijf kan opdragen maatregelen te treffen indienredelijkerwijs kan worden voorzien dat het warmtebedrijf een taak nietlanger kan uitvoeren (artikel 2.13, derde lid, zie paragraaf 3.7.1). Indien hetwarmtebedrijf deze opdracht niet uitvoert of indien ACM tot de conclusiekomt dat het aangewezen warmtebedrijf niet in staat is om een taak uit tevoeren kan de ACM dit bij besluit vaststellen (artikel 2.13, zevende lid).Ook kan de ACM bij besluit vaststellen dat een warmtebedrijf vijf jaar nade eerste overschrijding van een norm voor de uitstoot van broeikas-gassen nog steeds niet voldoet aan die normen (2.20, vijfde lid). De ACMkan vervolgens aan het college die het betreffende warmtebedrijf heeftaangewezen melden dat zij één van de hiervoor genoemde besluiten heeftgenomen (artikel 2.9, eerste lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 346 IntrekkingsgrondenHet college is na ontvangst van een dergelijke melding verplicht om deaanwijzing van het warmtebedrijf in te trekken (artikel 2.9, tweede lid).Gelet op deze verplichting om de aanwijzing in te trekken zal de ACMalleen dan een melding van een door haar genomen besluit naar hetcollege sturen als zij van mening is dat het betreffende besluit eenintrekking van de aanwijzing rechtvaardigt. Dit is ook de reden waarom deACM niet verplicht is om ieder door haar genomen besluit op grond vanartikel 2.13, zevende lid, of artikel 2.20, vierde lid, aan het college temelden. Als de ACM eenmaal een melding heeft gedaan, zal het collegegelet op de ernst van de situatie de aanwijzing moeten intrekken. Door hettoezicht op de uitvoering van de taken door het aangewezen warmtebe-drijf bij de ACM te beleggen, wordt de uitvoerbaarheid voor individuelegemeenten vergroot en landelijke uniformiteit in de handhaving gewaar-borgd. Ook wordt op deze wijze gewaarborgd dat één partij voorafgaanden gedurende de looptijd van de aanwijzing verantwoordelijk is voor hettoezicht op de uitvoering van de taken door het aangewezen warmtebe-drijf. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat het college moet optredenrichting zijn eigen gemeentelijk warmtebedrijf indien deze is aangewezen.Het college is eveneens verplicht de aanwijzing van een aangewezenwarmtebedrijf in te trekken indien twee warmtekavels worden samenge-voegd (artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b). In dat geval moet voor desamengevoegde warmtekavel één aanwijzing gaan gelden. Eén van detwee aanwijzingsbesluiten dient dan gewijzigd te worden zodat deaanwijzing de nieuwe omvang van de warmtekavel omvat en insamenhang daarmee dient de andere aanwijzing te worden ingetrokken(zie ook paragraaf 3.5.8).Naast de bovenstaande situaties waarin het college verplicht is om eenaanwijzing in te trekken heeft het college op grond van dit wetsvoorstelvoor bepaalde situaties de bevoegdheid om de aanwijzing te kunnenintrekken. Redenen voor intrekking kunnen zijn dat een aangewezenwarmtebedrijf voorschriften of beperkingen aan een aanwijzing nietnakomt, het aangewezen warmtebedrijf bij de aanvraag om eenaanwijzing onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, deverplichting om op verzoek van het college een uitgewerkt kavelplan ofeen wijziging daarvan toe te zenden niet nakomt of het aangewezenwarmtebedrijf hierom verzoekt. Een warmtebedrijf dat verzoekt omintrekking van zijn aanwijzing dient de ACM hier zo spoedig mogelijk vanop de hoogte te stellen. Hiermee wordt geborgd dat de ACM bij deinvulling van haar toezichthoudende en handhavende taak hier rekeningmee kan houden.In deze situaties is het aan het college een belangenafweging te maken ende aanwijzing al dan niet in te trekken. Daarbij zal het college bijvoorbeeldbezien hoe zwaarwegend het niet nakomen van de voorschriften ofbeperkingen of het verstrekken van onvolledige of onjuiste informatie is.Ingeval van een verzoek van het aangewezen warmtebedrijf om deaanwijzing in te trekken speelt ook een belangenafweging en zou hetmogelijk ontstaan van leveringszekerheidsproblemen een reden kunnenzijn om het verzoek niet te honoreren.Aanwijzing nieuw warmtebedrijfOm de realisatie van de publieke belangen te borgen, is het van belangdat een aanwijzing niet wordt ingetrokken voordat een nieuw warmtebe-drijf is aangewezen. Dit geldt zowel voor het geval het college verplicht isom de aanwijzing in te trekken als voor het geval dat het college omtrentTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 347 de intrekking een eigen afweging mag maken. Daarom is voorgesteld datde aanwijzing niet kan worden ingetrokken voordat het college een anderwarmtebedrijf heeft aangewezen conform de eerder toegelichte aanwij-zingsprocedure. Dit betekent dat het oorspronkelijk aangewezen warmte-bedrijf verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van zijn taken enverplichtingen totdat er een nieuw warmtebedrijf is aangewezen. Om tevoorkomen dat er een situatie ontstaat dat gedurende een bepaaldeperiode twee verschillende warmtebedrijven voor dezelfde warmtekavelzijn aangewezen ligt het voor de hand dat de intrekking van de aanwijzingvan het oorspronkelijke warmtebedrijf en de aanwijzing van het nieuwewarmtebedrijf gelijktijdig en in samenhang met elkaar plaats vindt.Er kunnen zich situaties voordoen dat het niet lukt om een ander geschiktwarmtebedrijf aan te wijzen. Hierdoor blijft de oorspronkelijke aanwijzinggedurende een lange periode in stand, terwijl dat vanuit het belang vanleveringszekerheid zeer ongewenst kan zijn, omdat de ACM bijvoorbeeldheeft vastgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf niet langer in staat isom de leveringszekerheid te borgen.In een dergelijke situatie kan de ACM gebruik maken van haar in artikel 9.5opgenomen bevoegdheid om een andere partij dan het aangewezenwarmtebedrijf op te dragen om maatregelen te treffen om de leveringsze-kerheid te borgen. Een dergelijke opdracht kan inhouden dat een anderepartij de leveringstaak van het aangewezen warmtebedrijf (tijdelijk)overneemt en daarmee gaat optreden als noodwarmtebedrijf.Om zoveel mogelijk te voorkomen dat een situatie met een noodwarmte-bedrijf te lang voortduurt, omdat het bijvoorbeeld niet lukt om een anderwarmtebedrijf te vinden dat de aanwijzing kan of wil overnemen, voorzietdit wetsvoorstel in de verplichting voor het college om een plan op testellen waarin wordt beschreven hoe de levering van warmte in detussentijd kan worden verzekerd. Deze verplichting gaat in nadat een bijministeriële regeling te bepalen termijn is verstreken waarbinnen hetcollege een ander warmtebedrijf moet hebben aangewezen. De keuze omdeze verplichting neer te leggen bij het college vloeit voort uit het centraleuitgangspunt van gemeentelijke regie dat ten grondslag ligt aan hetwetsvoorstel.Voor een uitgebreide toelichting op het aspect leveringszekerheid wordtverwezen naar paragraaf 3.7.5.3.5.10. Overdragen van de aanwijzing Er kunnen situaties zijn waarbij een aangewezen warmtebedrijf zijnaanwijzing zonder inhoudelijke wijziging wil overdragen aan een anderwarmtebedrijf. Het warmtebedrijf kan daartoe een verzoek indienen bij hetcollege. Dit verzoek behoeft instemming van het college (artikel 2.10).Gelet op de hoofdregel dat het college uitsluitend een warmtebedrijf meteen publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap kan aanwijzenis voorgesteld dat een aangewezen warmtebedrijf de aanwijzing alleenmag overdragen aan een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap. Indien een dergelijk warmtebedrijfniet kenbaar heeft gemaakt de aanwijzing over te willen nemen kangedurende de eerder genoemde ingroeiperiode (tot 7 jaar na inwerking-treding van dit wetsvoorstel) de aanwijzing wel overgedragen worden aaneen ander warmtebedrijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 348 Net als bij de oorspronkelijke aanwijzing moet bij het verzoek aan hetcollege om in te stemmen met de overdracht een besluit van de ACMworden overlegd waarin de ACM heeft vastgesteld dat het warmtebedrijfwaaraan de aanwijzing wordt overgedragen voldoende beschikt over deorganisatorische en technische bekwaamheid en voldoende financieel instaat is om de taken uit te voeren. De aanvraag ten aanzien van dit besluitmoet bij de ACM worden ingediend door het warmtebedrijf dat zijnaanwijzing wil overdragen. Een aanvraag tot overdracht van de aanwijzingwaarbij een besluit van de ACM met een negatief oordeel over hetwarmtebedrijf is gevoegd is niet volledig en zal daarom niet in behan-deling worden genomen.Het college wijst een aanvraag tot overdracht van de aanwijzing af als heteen overdracht betreft aan een warmtebedrijf zonder een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap, tenzij er gedurende deingroeiperiode een dergelijk warmtebedrijf niet beschikbaar is. Vanzelf-sprekend zal het warmtebedrijf dat de aanwijzing wil overnemen akkoordmoeten zijn met de overdracht. Het college wijst de aanvraag ook af alshiervan geen sprake is.Om te waarborgen dat verbruikers als gevolg van een overdracht van deaanwijzing niet te maken krijgen met andere voorwaarden en tarieven isbepaald dat het andere warmtebedrijf de warmtelevering dient voor tezetten onder dezelfde voorwaarden die golden bij het warmtebedrijfwaarvan het de aanwijzing heeft overgedragen gekregen.3.6. Taken aangewezen warmtebedrijf Een aangewezen warmtebedrijf is integraal verantwoordelijk voor derealisatie en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening binnen dewarmtekavel waarvoor het door het college is aangewezen. Uit het eerdertoegelichte verbod om zonder aanwijzing warmte te leveren of transpor-teren vloeit voort dat het aangewezen warmtebedrijf met uitzondering vande in paragraaf 3.3 toegelichte situaties een exclusief recht heeft ombinnen de betreffende warmtekavel warmte te leveren en te transpor-teren. In het licht van die integrale verantwoordelijkheid en exclusiviteit ishet belangrijk dat er duidelijkheid wordt geboden over de taken die vooreen aangewezen warmtebedrijf gelden. In artikel 2.12 zijn de taken vaneen aangewezen warmtebedrijf benoemd. Om de gemeentelijke regie teborgen mogen deze taken niet verricht worden als daar geen uitgewerktkavelplan aan ten grondslag ligt waarmee het college heeft ingestemd. Ditbetekent dat een warmtebedrijf een collectieve warmtevoorziening moeten mag ontwikkelen in die delen van de warmtekavel waarvoor eenuitgewerkt kavelplan is opgesteld waarmee het college heeft ingestemd.Voor een nadere toelichting op het uitgewerkt kavelplan wordt verwezennaar paragraaf 3.7.3.De taken voor het aangewezen warmtebedrijf zijn:a. Doelmatige aanleg, beheer en onderhoud van de collectieve warmte-voorziening en doelmatige levering en transport van warmte De belangrijkste taken van een aangewezen warmtebedrijf zijn hetaanleggen, beheren en onderhouden van de collectieve warmtevoor-ziening en het transporteren en leveren van warmte aan de op decollectieve warmtevoorziening aangesloten verbruikers. In het verlengdevan deze taak heeft het aangewezen warmtebedrijf tevens tot taak om hetwarmtenet waarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebronnaar een gebied in de warmtekavel waarvoor het uitgewerkt kavelplan isopgesteld, op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 349 onderhouden (2.12, derde lid). Zonder goede invulling van deze taakontstaat het risico dat de op de collectieve warmtevoorziening aange-sloten verbruikers die voor hun warmtevoorziening afhankelijk zijn vanhet aangewezen warmtebedrijf geen of in onvoldoende mate warmtegeleverd krijgen. Daarom zijn genoemde taken in dit wetsvoorstelvastgelegd. Daarbij is bepaald dat de taken op een doelmatige manierdienen te worden uitgevoerd. Dit laatste is van belang om te waarborgendat er geen overbodige kosten worden gemaakt en dat is op zijn beurt vanbelang voor de betaalbaarheid van het systeem.b. betrouwbare levering, redelijke en transparante voorwaarden, goedekwaliteit en transparante tarieven Met dit wetsvoorstel wordt onder meer beoogd om de belangen van deop een collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruiker zo goedmogelijk te beschermen. De betrouwbaarheid van de warmtelevering isdaarbij een essentieel onderdeel. Dit geldt ook voor de borging van eengoede kwaliteit van dienstverlening door het warmtebedrijf en hethanteren van redelijke en transparante voorwaarden en transparantetarieven. Voor wat betreft de tarieven bevat dit wetsvoorstel inhoofdstuk 7 regels ten aanzien van de maximale tarieven die gehanteerdmogen worden. In dat hoofdstuk is eveneens voorgesteld te regelen datde tarieven transparant dienen te zijn. Omdat dit en de andere hiervoorgenoemde elementen vanuit het oogpunt van consumentenbeschermingessentieel zijn is ervoor gekozen om deze elementen expliciet als taak vanhet aangewezen warmtebedrijf te benoemen.c. Borging leveringszekerheid, veiligheid en duurzaamheid Het borgen van de leveringszekerheid van de warmtevoorziening viacollectieve warmtevoorzieningen is een belangrijk uitgangspunt van ditwetsvoorstel. Daarom is dit als taak voor het warmtebedrijf opgenomen.Uitgangspunt bij leveringszekerheid is dat de continuïteit van de leveringvan warmte dient te worden geborgd. Verblijfsruimten van verbruikersmoeten in voldoende mate kunnen worden verwarmd met de door hetaangewezen warmtebedrijf te leveren warmte. In dit wetsvoorstel wordtervan uitgegaan dat er sprake is van voldoende mate als de verblijfs-ruimten van een gebouw kunnen worden verwarmd tot een binnentempe-ratuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentempe-ratuur die niet lager is dan -10 graden Celsius. Om aan deze verplichtingte kunnen voldoen is het van belang dat een warmtebedrijf altijdvoldoende broncapaciteit (basislast, piek en back-up) en transportcapa-citeit tot zijn beschikking heeft om aan de opgetelde warmtevraag in zijnwarmtekavel te voldoen. Aangezien de bescherming tegen digitalecriminaliteit belangrijk is voor het borgen van de leveringszekerheid,maakt dit aspect deel uit van deze taak.Verder krijgt het aangewezen warmtebedrijf de taak om de veiligheid vande collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze te waarborgen.Hierbij kan worden gedacht aan het voorkomen van het lekken van heetwater, zeker op plaatsen waar mensen of dieren zijn of kunnen komen.Duurzaamheid is ook een belangrijk uitgangspunt van dit wetsvoorstel.Naast de meer specifiek op de beperking van de uitstoot van broeikas-gassen gerichte bepalingen in dit wetsvoorstel is voorzien in de meeralgemeen geformuleerde taak om de duurzaamheid van de collectievewarmtevoorziening te waarborgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 350 d. Realisatie van aansluiting op de collectieve warmtevoorziening Een belangrijke taak voor het aangewezen warmtebedrijf betreft hetrealiseren van een leveringsaansluiting op de collectieve warmtevoor-ziening. Daarbij worden twee situaties onderscheiden:1.de gemeente maakt gebruik van haar bevoegdheid om te bepalen datop termijn het gebruik van fossiele brandstoffen in een bepaald gebiedwordt beëindigd en verwarming door een collectieve warmtevoorzie-ning daarvoor in de plaats komt;2.de gemeente maakt geen gebruik van deze bevoegdheid.Dit onderscheid vloeit voort uit de in paragraaf 3.7.8 toegelichte keuze omeen aangewezen warmtebedrijf uitsluitend in de eerstgenoemde situatiete verplichten om een gebouweigenaar een aanbod te doen om te wordenaangesloten op de collectieve warmtevoorziening zonder dat daar eenverzoek van de gebouweigenaar aan ten grondslag ligt.In die situatie is het aangewezen warmtebedrijf verplicht om iederegebouweigenaar in het gebied waar de regel betrekking op heeft tevoorzien van een leveringsaansluiting tenzij de gebouweigenaar in reactieop het verplichte aanbod van het aangewezen warmtebedrijf heeftaangegeven dat hij niet wil worden aangesloten op de collectievewarmtevoorziening. In dat laatste geval bestaat de mogelijkheid dat degebouweigenaar die in eerste instantie heeft aangegeven niet te willenworden aangesloten in een latere fase hier op terug komt en alsnogaangeeft dat hij wil worden aangesloten. Dit kan zich zowel voordoen ophet moment dat de collectieve warmtevoorziening nog moet wordenaangelegd of uitgebreid als op het moment dat de collectieve warmte-voorziening reeds is aangelegd of uitgebreid.Voor beide situaties is in dit wetsvoorstel bepaald dat het aangewezenwarmtebedrijf ook dan de taak heeft om de gebouweigenaar aan tesluiten, tenzij:a.het aanbrengen van een leveringsaansluiting redelijkerwijs technischniet mogelijk is.Deze situatie kan zich onder meer voordoen als de levering vanwarmte met de voor de betreffende woning of gebouw benodigdetemperatuur niet mogelijk is, bijvoorbeeld door het ontbreken vanvoldoende warmtebronnen of de systeemeigenschappen van decollectieve warmtevoorziening.b.de leveringsaansluiting ertoe zou leiden dat de overige voor hetaangewezen warmtebedrijf geldende taken en verplichting niet kunnenworden uitgevoerd of nagekomen.Deze situatie zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als het aanbren-gen van de betreffende aansluiting ertoe zou leiden dat het warmtebe-drijf zijn taken en verplichtingen op het gebied van duurzaamheid enleveringszekerheid niet langer kan invullen.Indien de gemeente geen gebruik maakt van bovengenoemdebevoegdheid is het aangewezen uitsluitend verplicht om een gebouw-eigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien de gebouw-eigenaar hier zelf om heeft verzocht. In deze situatie is het aangewezenwarmtebedrijf namelijk niet verplicht om iedere gebouweigenaar eenaanbod te doen om te worden aangesloten. Ten aanzien van genoemdeverplichting om een gebouweigenaar te voorzien van een aansluiting alshij daarom heeft verzocht gelden dezelfde uitzonderingen als hierbovenonder a en b genoemd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 351 e. Afsluiting Een gebouweigenaar wiens gebouw is aangesloten op een collectievewarmtevoorziening van een aangewezen warmtebedrijf kan met inacht-neming van de relevante wettelijke bepalingen en de voorwaarden van demet het warmtebedrijf gesloten overeenkomst besluiten dat hij niet langergebruik wil maken van de warmtelevering door dit warmtebedrijf. Voordie situaties is bepaald dat het aangewezen warmtebedrijf als taak heeftom een verbruiker af te sluiten van het collectieve warmtesysteem op eendoelmatige manier en binnen een redelijke termijn nadat het aangewezenwarmtebedrijf het verzoek daartoe van de verbruiker heeft ontvangen.f. Gegevensverstrekking aan de verbruiker Het is van belang dat een verbruiker zo goed mogelijk in staat wordtgesteld om op een zuinige en efficiënte wijze gebruik te maken van dedoor het aangewezen warmtebedrijf geleverde warmte. Daarom krijgt hetaangewezen warmtebedrijf de taak om de gegevens en informatie diedaarvoor nodig zijn aan de verbruiker te verstrekken. Hierbij kan wordengedacht aan voldoende gespecificeerde gegevens over het daadwerkelijkeverbruik van warmte in vergelijking met het voor vergelijkbarehuishoudens geldende gemiddelde verbruik en tips om zuiniger enefficiënter om te gaan met de geleverde warmte.g. Ter beschikking stellen, beheren en onderhouden van warmtemeter ofwarmtekostenverdeler en het meten van het verbruik Het is van belang dat de hoeveelheid via een collectieve warmtevoor-ziening aan de verbruiker geleverde warmte goed gemeten kan worden.Daarom is het beschikbaar stellen van een warmtemeter als taak voor hetaangewezen warmtebedrijf opgenomen. Het warmtebedrijf heeft tot taakervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschiktover een door middel van verhuur ter beschikking gestelde warmtemeterof een warmtekostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn eenwarmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast. Verder is voorgestelddat het de taak is van het aangewezen warmtebedrijf om het verbruik vanwarmte van een op de collectieve warmtevoorziening aangeslotenverbruiker te meten. Tot besluit is ook het beheer en onderhoud van de bijeen verbruiker geïnstalleerde warmtemeter of warmtekostenverdeler alstaak voor het aangewezen warmtebedrijf opgenomen. De installatie en hetonderhouden van een warmtemeter is voorbehouden aan het aange-wezen warmtebedrijf of een installateur in opdracht van het aangewezenwarmtebedrijf (artikel 2.48).h. Beschikbaar stellen en onderhouden van een afleverset voor warmte Een afleverset vormt de verbinding tussen het warmtenet van eenwarmtebedrijf en de binneninstallatie van een verbruiker (individueleafleverset) of tussen het warmtenet en het inpandig leidingstelsel(collectieve afleverset). Afleversets worden gebruikt voor de levering vanwarmte ten behoeve van ruimteverwarming of ten behoeve van deverwarming van tapwater of een combinatie van beide. Met uitzonderingvan specifieke situaties waarin een afleverset niet noodzakelijk is voor delevering van warmte vormt de afleverset een essentieel onderdeel van deinfrastructuur die nodig is om verbruikers aan te sluiten op eenwarmtenet.Met uitzondering van situaties waarin een afleverset niet noodzakelijk isvoor de levering van warmte is gelet op het voorgaande in ditwetsvoorstel voorgesteld dat een aangewezen warmtebedrijf tot taakTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 352 heeft er zorg voor te dragen dat binnen een redelijke termijn eenafleverset voor warmte in gebruik kan worden genomen wanneer:a.een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen;b.een nieuwe afleverset voor warmte dient te worden geïnstalleerd ineen nieuw of bestaand gebouw.Daarnaast is het beheren en onderhouden van de door het aangewezenwarmtebedrijf geïnstalleerde afleverset eveneens als taak van hetaangewezen warmtebedrijf benoemd.De installatie en het onderhouden van een afleverset is voorbehouden aanhet aangewezen warmtebedrijf of een installateur in opdracht van hetwarmtebedrijf (artikel 2.48). In de motie Van der Lee15 is gevraagd om hetvrijgeven van de markt voor afleversets te heroverwegen. In het kader vanhet wetstraject heeft hier opnieuw interne besluitvorming over plaatsge-vonden, met als uitkomst dat de argumenten tegen het vrijgeven van demarkt zwaarder wegen dan de argumenten voor. Voordeel van hetvrijgeven van de markt is dat het keuzevrijheid voor de verbruikerintroduceert, wat een prijsdrukkend effect zou kunnen hebben. Devaststelling van een kostengebaseerd tarief voor de afleverset zorgt erechter voor dat warmtebedrijven geen onredelijk rendement kunnenmaken op de afleverset. Zo is als gevolg van de regulering van afleversetsop basis van gemiddelde kosten in de Warmtewet reeds een flinke dalingin de prijs van afleversets gerealiseerd. Het is zeer de vraag welkadditioneel voordeel het vrijgeven van de markt voor afleversets nog kangenereren. Bovendien staat er tegenover dit mogelijke voordeel een grootnadeel dat volgt uit de rol die de afleverset speelt in de systeemoptimali-satie van het collectieve warmtesysteem. Ondeugdelijk geïnstalleerde ofonderhouden afleversets kunnen nadelige gevolgen hebben voor andereverbruikers en het functioneren van het systeem in zijn geheel. Dit isonder andere het gevolg van het feit dat er in een collectief warmte-systeem sprake is van een retourstroom. Waar een warmtebedrijf eenprikkel ervaart om de afleverset op een zo optimaal mogelijke manier in teregelen, is deze prikkel voor individuele verbruikers minder sterkaanwezig, temeer omdat deze niet altijd direct nadeel ondervinden vaneen niet optimaal afgestelde afleverset.3.7. Verplichtingen aangewezen warmtebedrijf 3.7.1. Meldplicht warmtebedrijf Een aangewezen warmtebedrijf is verplicht om risico’s voor de uitvoeringvan zijn taken onmiddellijk te melden aan de ACM en het college en kortna die melding aan te geven welke maatregelen het aangewezenwarmtebedrijf heeft genomen en voornemens is te nemen om de taakweer uit te kunnen voeren (artikel 2.13). Ingeval van een voorgenomenmaatregel dient het warmtebedrijf daarbij aan te geven vanaf welkmoment hij de betreffende taak weer zal kunnen uitvoeren.De ACM kan het aangewezen warmtebedrijf opdragen maatregelen tetreffen indien redelijkerwijs kan worden voorzien dat het warmtebedrijfeen taak niet langer kan uitvoeren en het warmtebedrijf is dan verplichtdeze opdracht op te volgen. Genoemde bevoegdheid geldt ook indien deACM op een andere wijze dan naar aanleiding van een melding door het15Kamerstukken II 2017/18, 34 723, nr. 24. Motie Van der Lee c.s. (GL), dictum: «onderzoeken ofer in de toekomst kwalitatief goede afleversets door diverse partijen geproduceerd kunnenworden, die voldoen aan de juiste vereisten, inclusief veilige installatie en controle daarop,zodat mogelijk besloten kan worden tot de vermarkting van de afleversets.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 353 warmtebedrijf heeft vastgesteld dat redelijkerwijs wordt voorzien dat hetwarmtebedrijf één van zijn taken niet langer kan uitvoeren.Mocht de door het warmtebedrijf in opdracht van de ACM uitgevoerdemaatregelen onvoldoende effect hebben dan heeft de ACM debevoegdheid om bij besluit vast te stellen dat een warmtebedrijf niet instaat is om één of meer van zijn taken uit te voeren. Ook indien hetwarmtebedrijf een hierboven genoemde opdracht van de ACM nietuitvoert kan de ACM dit bij besluit vaststellen. In paragraaf 3.5.9 istoegelicht dat de ACM vervolgens de bevoegdheid heeft om bij hetcollege melding te maken van een dergelijk besluit en dat het collegevervolgens verplicht is om de aanwijzing van het warmtebedrijf in tetrekken. Gelet op de vergaande gevolgen van een dergelijke melding magervan worden uit gegaan dat de ACM dit alleen doet als de uitvoering van(één van) de taken ernstig in gevaar komt. Door het toezicht bij ACM tebeleggen wordt de uitvoerbaarheid voor individuele gemeenten vergrooten landelijke uniformiteit in de handhaving gewaarborgd. Bovendien isACM een onafhankelijke toezichthouder en wordt voorkomen dat eengemeente handhavend moet optreden tegen bijvoorbeeld zijn eigengemeentelijk warmtebedrijf.3.7.2. Financiële monitoring ACM Voordat een warmtebedrijf wordt aangewezen moet worden getoetst ofhet bedrijf financieel gezond is. Zoals eerder toegelicht dient eenwarmtebedrijf bij zijn aanvraag om te worden aangewezen een besluit vanACM te overleggen waaruit blijkt dat het warmtebedrijf voldoendebeschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid dienoodzakelijk is voor de uitvoering van de in dit wetsvoorstel opgenomentaken en voldoende financieel in staat is om deze taken uit te voeren.Daarvoor is het noodzakelijk dat de ACM niet alleen zicht heeft op definanciële gezondheid van het warmtebedrijf dat aangewezen wil wordenvoor een warmtekavel, maar ook de eventuele groep waar het warmtebe-drijf deel van uit maakt. Als het moederbedrijf in problemen is, heeft ditimmers effect op het functioneren van de dochterbedrijven.Ook als het warmtebedrijf eenmaal aangewezen is voor één of meerderewarmtekavels, is het noodzakelijk dat de ACM de organisatorische entechnische bekwaamheid en de financiële situatie van het warmtebedrijfen de groep waartoe het behoort blijft monitoren. De ACM kan dan tijdigingrijpen als door de verslechterde financiële situatie de uitvoering van detaken van het warmtebedrijf in geding komt. Dit wetsvoorstel voorzietdaarin door het aangewezen warmtebedrijf te verplichten om jaarlijksinformatie naar de ACM te zenden over de organisatorische en technischebekwaamheid en de financiële situatie van het warmtebedrijf en de groepwaartoe het warmtebedrijf behoort (artikel 2.14). Deze verplichting gaatgelden zodra het warmtebedrijf is aangewezen, dus ook als er nog geeninvesteringsplan is opgesteld. Deze toets wordt bij nieuwe warmtekavelsweliswaar van groter belang als er met betrekking tot de warmtekavel eeninvesteringsplan is opgesteld. Toch is het ook belangrijk dat de ACM in dedaaraan voorafgaande periode de financiële situatie en organisatorischeen technische bekwaamheid van het warmtebedrijf en de eventuele groepmonitort. Het warmtebedrijf dient deze informatie per warmtekavel aan televeren, maar mag het ook bundelen in één rapportage.Als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van het aange-wezen warmtebedrijf of de groep waartoe het warmtebedrijf behoortsignificant verslechtert, moet het warmtebedrijf dit onmiddellijk bij deACM melden (artikel 2.14, tweede lid). Indien de financiële situatie daartoenoopt, kan de ACM het warmtebedrijf of de groep waartoe het warmtebe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 354 drijf behoort, opdragen om een plan op te stellen of maatregelen tetreffen om de financiële situatie te verbeteren. Daarnaast kan de ACM hetaangewezen warmtebedrijf opdragen de organisatorische en technischebekwaamheid te verbeteren (2.14, derde lid). Voor toepassing vanartikel 2.14, derde lid, is niet vereist dat de ACM een melding heeftontvangen van het aangewezen warmtebedrijf. Nadat de ACM eenopdracht als bovenbedoeld heeft verstrekt, is het aangewezen warmtebe-drijf verplicht om deze op te volgen.3.7.3. Uitgewerkt kavelplan (zie stap 5 van schema in paragraaf3.2) Op enig moment nadat het college een warmtebedrijf voor een warmte-kavel heeft aangewezen, zal het college nadat er inbreng is gegeven doorhet aangewezen warmtebedrijf en andere belanghebbende partijen enorganisaties, nader vaststellen of voor de gehele warmtekavel of voor eendeel daarvan gekozen wordt voor collectieve warmte. Die keuze kangepaard gaan met het besluit in een omgevingsplan om in het betreffendegebied het gebruik van fossiele brandstoffen op termijn te beëindigen enover te gaan op verwarming door een collectieve warmtevoorziening. Eengemeente kan er echter ook voor kiezen om geen gebruik te maken vandeze bevoegdheid.In beide situaties kan het college het aangewezen warmtebedrijf vragenom een uitgewerkt kavelplan op te stellen voor het gebied in eenwarmtekavel waarvan het college van mening is dat de keuze voorverwarming door een collectieve warmtevoorziening voor de hand ligt(artikel 2.15). Het aangewezen warmtebedrijf is dan verplicht om eendergelijk uitgewerkt kavelplan op te stellen. Dit uitgewerkt kavelplanborduurt voort op het globaal kavelplan dat het warmtebedrijf bij zijnaanvraag om te worden aangewezen heeft overlegd, maar is concreter,omdat het zich primair toespitst op de wijken binnen de warmtekavelwaarvoor het college op grond van een nadere analyse en afweging heeftgeconcludeerd dat keuze voor een collectieve warmtevoorziening voor dehand ligt.Eén van de voordelen van het al in een vroeg stadium van het besluitvor-mingsproces aanwijzen van een warmtebedrijf betreft de mogelijkheid omde inbreng van het aangewezen warmtebedrijf te gebruiken bij hetverdere besluitvormingstraject van de gemeente (zie het schema en detoelichting daarop in paragraaf 3.2). Het uitgewerkt kavelplan vormtbelangrijke input voor het uitvoeringsplan van de gemeente, wat alsonderbouwing kan dienen voor de wijzigingen die worden aangebracht inhet omgevingsplan. Hiermee heeft het aangewezen warmtebedrijf eenbelangrijke ondersteunende rol voor de gemeente. Het warmtebedrijfdenkt mee over de mogelijkheden van een collectieve warmtevoorzieningop de warmtekavel en werkt deze concreet uit. Vanwege de fundamentelekeuzes die door de gemeente moeten worden gemaakt is het van belangdat het uitgewerkt kavelplan de daarvoor benodigde informatie bevat.Het uitgewerkt kavelplan en een wijziging daarvan behoeft instemmingvan het college (artikel 2.15, derde lid). Daarmee wordt niet alleengewaarborgd dat het college kan toetsen of het uitgewerkt kavelplanvoldoende in lijn is met hun wensen en met de uitkomsten van hetparticipatieproces en de inbreng van de stakeholders daarbij, maar wordtook geborgd dat het uitgewerkt kavelplan de informatie bevat die hetcollege nodig heeft voor de besluitvorming. Het college kan geeninstemming aan het uitgewerkt kavelplan onthouden gelet op de inzet vanwarmtebronnen en potentiële warmtebronnen voor de korte en langetermijn (artikel 2.15, tweede lid, onderdeel f, onder 3°). Uitgangspunt isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 355 dat het aangewezen warmtebedrijf, gezien de integrale verantwoorde-lijkheid voor de leveringszekerheid, duurzaamheid en betaalbaarheid vande collectieve warmtevoorziening, zelf de bronnenstrategie moet kunnenbepalen. Indien het aangewezen warmtebedrijf op het punt van debronnenstrategie afwijkt van het globale kavelplan moet hij dit motiveren.Het college mag instemming aan het uitgewerkt kavelplan onthouden alshet aangewezen warmtebedrijf de wijziging ten aanzien van de inzet vanwarmtebronnen of potentiële warmtebronnen op de lange of korte termijnten opzichte van het globale kavelplan onvoldoende heeft gemotiveerd(artikel 2.15, vierde lid, onder a).Het college mag instemming met het uitgewerkt kavelplan ook nietonthouden voor zover de wijziging van het uitgewerkt kavelplan noodza-kelijk is om een opdracht of bindende gedragslijn van de ACM uit kunnenvoeren respectievelijk op te kunnen volgen (artikel 2.15, vierde lid, onderb). Daarbij wordt aangetekend dat het voor de hand ligt dat de ACM hetcollege ervan op de hoogte stelt als een door haar genomen besluit totgrote gevolgen voor het uitgewerkt kavelplan leidt. Het college kan naaraanleiding van een aanvraag om instemming het aangewezen warmtebe-drijf opdragen het uitgewerkt kavelplan te wijzigen (artikel 2.15, vijfde lid).Er worden in dit wetsvoorstel mede gelet op de bovenstaande belangeneisen gesteld aan de minimale inhoud van het uitgewerkt kavelplan(artikel 2.15, tweede lid). Hieronder wordt daar verder op ingegaan.NetontwerpHet is de bedoeling dat het uitgewerkt kavelplan in de praktijk het ontwerpis voor het uiteindelijk te realiseren collectieve warmtevoorziening. In datkader voorziet dit wetsvoorstel in de verplichting om in het uitgewerktkavelplan een beschrijving en invulling van het voorgestelde netontwerpop te nemen.Het voorstel voor een netontwerp brengt vooral de fysieke kenmerken vanhet te realiseren systeem in kaart. Daarbij moet worden gedacht aan degebruikelijke bestanddelen van een netontwerp, zoals techniek, dimensio-nering, tracébepaling en temperatuurregime. Het is ook mogelijk ommeerdere systemen aan te leggen binnen een kavel (al dan niet met hetidee om ze later eventueel te verbinden). Een modulair systeem is ookmogelijk. Hoewel het uitgewerkt kavelplan gericht is op wijken binnen dewarmtekavel waarvoor het voornemen bestaat om op warmte over tegaan, is het van belang dat het netontwerp toekomstbestendig is, zodateventuele latere uitbreidingen van de collectieve warmtevoorziening opeen efficiënte en kosteneffectieve manier leiden tot het eindbeeld van decollectieve warmtevoorziening zoals omschreven in het globaal kavelplan.Verstrekken van inzicht in de planningHet is van belang dat het college en alle andere betrokken stakeholders,waaronder vanzelfsprekend de op het warmtesysteem aan te sluitenverbruikers, inzicht krijgen in de planning. Daarom dient het uitgewerktkavelplan een helder voorstel te bevatten voor de planning en faseringvan de aanleg van de collectieve warmtevoorziening. Dit verschaft degemeente de benodigde informatie om het gesprek met bewoners aan tegaan en biedt tevens inzicht in mogelijke koppelkansen, zoals eenkoppeling van de aanleg van het warmtenet met de vervanging van deriolering, teneinde de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk tehouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 356 Betrokkenheid van toekomstige verbruikersEen belangrijk element bij de totstandkoming van het uitvoeringsplan isde participatie van gebouweigenaren en -gebruikers. In het verlengdehiervan wordt het aangewezen warmtebedrijf verplicht om in hetuitgewerkt kavelplan aandacht te besteden aan de wijze waarop toekom-stige verbruikers betrokken worden bij de aanleg, ontwikkeling enexploitatie van de collectieve warmtevoorziening. Dit ondersteunt enversterkt het participatieproces van de gemeente in het kader van dewijkgerichte aanpak en draagt daardoor naar verwachting bij aan meerdraagvlak.Indicatief inzicht in kosten, tarieven en voorwaardenHoewel de omvang van de totale maatschappelijke kosten hetuitgangspunt vormen voor de besluitvorming omtrent het alternatief vooraardgas, zullen gemeenten met het oog op het draagvlak ook de kostenvoor verbruikers mee laten wegen in hun keuze. Inzicht in de kosten vanhet te realiseren collectieve warmtevoorziening is daarbij essentieel. Eenindicatie van de kosten van de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening dient daarom opgenomen te worden in hetuitgewerkt kavelplan. Daarnaast dient in het uitgewerkt kavelplan ook eenindicatie van de tarieven die het aangewezen warmtebedrijf in rekeningdenkt te gaan brengen voor de levering van warmte te wordenopgenomen en tevens de door het warmtebedrijf te hanterenvoorwaarden ten aanzien van de levering van warmte.Aandacht voor duurzaamheid en leveringszekerheidHet is heel belangrijk dat collectieve warmtevoorzieningen op eenduurzame en betrouwbare manier worden gerealiseerd. De besluit-vorming over de aanleg van nieuwe collectieve warmtevoorzieningen ofuitbreiding van bestaande warmtevoorzieningen zijn hierbij cruciaal,omdat op dat moment bepalende keuzes worden gemaakt voor detoekomst. Het verzorgingsgebied dat gekozen wordt is medebepalendvoor de warmtebronnen die (op termijn) aangesloten kunnen worden.Ook zal reeds bij de aanleg en dimensionering van warmtenetten al zoveel mogelijk rekening gehouden moeten worden met de kenmerken vande (potentiële) broeikasgassen-vrije warmtebronnen (temperatuur,potentieel, volume en locatie), en de (toekomstige) kenmerken van dewoningen en gebouwen (zoals energiebehoefte nu en in de toekomst,afgiftesystemen in het gebouw, bebouwingsdichtheid). Dit verschilt persituatie en vraagt dus om lokaal maatwerk.Gelet op het voorgaande beschrijft het aangewezen warmtebedrijf in hetuitgewerkt kavelplan hoe hij de leveringszekerheid denkt te gaan borgenen te beschrijven op welke wijze hij de normen voor de uitstoot vanbroeikasgassen zal bereiken.Voor wat betreft de leveringszekerheid zal het aangewezen warmtebedrijfdaarbij in ieder geval aandacht moeten besteden aan de mogelijk tenemen maatregelen in noodsituaties waarbij er acute risico’s ontstaanvoor de borging van de leveringszekerheid. Voor die situaties moet hetaangewezen warmtebedrijf dan tevens aangeven welke partijen, gelet opde karakteristieken van de collectieve warmtevoorziening, ingeschakeldzouden kunnen worden indien de leveringszekerheid niet langer door hemzelf kan worden geborgd. Dit zal nader worden geregeld in de algemenemaatregel van bestuur op grond van het elfde lid van artikel 2.15. Indiennodig kan de ACM van deze informatie gebruik maken bij het verlenenvan opdrachten aan andere partijen in het kader van de in paragraaf 3.7.5Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 357 toegelichte noodprocedure (artikel 9.5). De keuze om deze taak neer teleggen bij het aangewezen warmtebedrijf is ingegeven door het feit datdeze bij uitstek beschikt over de locatie- en situatie-specifieke kennis diehiervoor nodig is. Zie in dit verband ook de toelichting in de paragrafen3.7.5 en 3.7.6.Warmtebehoefte en kenmerken van de binneninstallatieHet uiteindelijke doel van de levering van warmte door middel van eencollectieve warmtevoorziening is dat daarmee de gebouwen die op ditsysteem zijn aangesloten:a.in voldoende mate kunnen worden verwarmd, enb.kunnen worden voorzien van warm tapwater met minimaal eentemperatuur die gelet op de wettelijke bepalingen omtrent hetvoorkomen van legionellabesmettingen vereist is.De invulling van deze twee elementen is niet alleen afhankelijk van dekwaliteit van de geleverde warmte, maar ook van de mate van isolatie vanhet gebouw, de kenmerken van de in het gebouw aanwezige binneninstal-latie, ventilatie en het gedrag van de gebouweigenaar.Het aangewezen warmtebedrijf kan in dat kader gelet op zijn taak alleenverantwoordelijk worden gesteld voor het borgen van de kwaliteit van degeleverde warmte (temperatuur en hoeveelheid) en niet voor de anderegenoemde aspecten.Voor deze andere aspecten is de gebouweigenaar verantwoordelijk. Het isdaarbij echter wel van belang dat het voor een gebouweigenaar duidelijkis wat de warmtebehoefte van gebouw moet worden en aan welkekenmerken de binneninstallatie moet voldoen om de geleverde warmte involdoende mate te kunnen verwarmen en van tapwater te kunnenvoorzien met minimaal de wettelijk vereiste temperatuur.Daarom voorziet dit wetsvoorstel in de verplichting voor het aangewezenwarmtebedrijf om in het uitgewerkt kavelplan duidelijkheid te bieden overzowel de warmtebehoefte als de kenmerken van de binneninstallatie dievanuit technisch oogpunt nodig zijn om de gebouwen die zullen wordenaangesloten op de collectieve warmtevoorziening in voldoende mate tekunnen verwarmen en van warm tapwater te kunnen voorzien. Met dedoor het aangewezen warmtebedrijf te leveren warmte. In ditwetsvoorstel wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van voldoende mateals de verblijfsruimten van een gebouw kunnen worden verwarmd tot eenbinnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van eenbuitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius. Daarbij heefteen gebouweigenaar ook een eigen verantwoordelijkheid. Hierbij kanworden gedacht aan het op koude dagen niet langdurig openzetten vanramen of deuren. In dat geval zou een gebouw immers wel in voldoendemate verwarmd kunnen worden, maar zorgt de gebouweigenaar er doorzijn gedrag voor dat dit toch niet gebeurd.Deze in het uitgewerkt kavelplan op te nemen informatie betekent niet dathet warmtebedrijf eisen kan stellen ten aanzien van de warmtebehoeftevan een gebouw of aan de binneninstallatie. De verplichting is bedoeldom vooraf aan de verbruiker of gebouweigenaar duidelijk te maken onderwelke voorwaarden het warmtebedrijf in staat is om de leveringszekerheidte garanderen. De in het uitgewerkt kavelplan op te nemen informatiebiedt gemeenten, gebouweigenaren, projectontwikkelaars en anderebetrokken partijen de mogelijkheid om voorafgaand aan de aansluiting opde collectieve warmtevoorziening maatregelen te treffen indien de aan tesluiten gebouwen niet aan de hiervoor genoemde minimale waarden enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 358 kenmerken voldoen. Daarbij kan worden gedacht aan het uitvoeren vanisolatiemaatregelen of aan het aanpassen van de in gebouwen aanwezigeafgiftesystemen van warmte, zoals radiatoren. De informatie kan ookaanleiding zijn voor de gemeente om af te zien van de keuze voor eencollectieve warmtevoorziening in specifieke situaties binnen de warmte-kavel, bijvoorbeeld als de kosten voor de benodigde aanpassing van dewoningen of gebouwen erg hoog zouden zijn. Voor wat betreft deondersteuning van gebouweigenaren in dit kader wordt verwezen naarparagraaf 3.7.8.3.7.4. Investeringsplan (zie stap 9 van schema in paragraaf 3.2) Zoals beschreven in paragraaf 3.2 (processtap 9) is voorgesteld dat eenaangewezen warmtebedrijf voorafgaand aan de start van de aanleg vaneen nieuwe collectieve warmtevoorziening allereerst een investeringsplanopstelt (artikel 2.16). Omdat het aangewezen warmtebedrijf zijn takenovereenkomstig het uitgewerkt kavelplan moet uitvoeren (artikel 2.15,zevende lid) moet het investeringsplan in lijn zijn met het uitgewerktkavelplan, waarmee het college heeft ingestemd.Ingeval van een bestaande collectieve warmtevoorziening is het aange-wezen warmtebedrijf verplicht om periodiek een nieuw of wijziging vaneen investeringsplan op te stellen (artikel 2.16). Om aansluiting bijinvesteringsmomenten mogelijk te maken en tegelijkertijd zicht te houdenop de realisatie van doelen voor bijvoorbeeld de leveringszekerheid enreductie van broeikasgassen is het immers wenselijk om inzicht te krijgenin de investeringsplannen van aangewezen warmtebedrijven. Aange-wezen warmtebedrijven krijgen de ruimte om zelf de investeringsmo-menten te bepalen, maar er moet ook een mogelijkheid zijn om hen uit tedagen zo ambitieus mogelijke doelen te stellen. Omdat keuzes ten aanzienvan leveringszekerheid, betaalbaarheid, duurzaamheid en het groeitempovan de collectieve warmtevoorziening onderling sterk samenhangenmoeten deze integraal meegenomen worden in het investeringsplan. Inhet periodiek op te stellen investeringsplan worden de voorgenomeninvesteringen voor de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectievewarmtevoorziening beschreven en opgenomen en wordt beschreven hoede voorgenomen investeringen passen binnen een langetermijnvisie opde collectieve warmtevoorziening. Daarnaast geeft het aangewezenwarmtebedrijf een doorkijk over hoe hij de komende 10–15 jaar deleveringszekerheid kan borgen en een beschrijving van de gevolgen vande investeringen op het bereiken van de normen voor de uitstoot vanbroeikasgassen (artikel 2.16, tweede lid).Het investeringsplan biedt inzicht in de benodigde investeringen en deonderliggende kosten en leidt daarmee tot meer transparantie. Met hetplan wordt meer inzicht verkregen in de haalbaarheid van de doelen voorleveringszekerheid en reductie van broeikasgassen. Ook biedt hetaangewezen warmtebedrijven de mogelijkheid om inzicht te bieden inrandvoorwaarden, gevolgen en risico’s van verschillende keuzes.Bij het voorgaande geldt dat een investeringsplan een clustering mag zijnvan investeringen van alle warmtekavels van een aangewezen warmtebe-drijf, zolang de informatie maar per warmtekavel wordt weergegeven. Ditverlaagt de administratieve lasten voor zowel het aangewezen warmtebe-drijf als de ACM. Nieuwe collectieve warmtesystemen leveren eeninvesteringsplan op, zodra dat voor hun planning nodig is. Daarna lopenze mee in de reguliere cyclus.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 359 Voorgesteld is dat het ontwerp-investeringsplan getoetst wordt door deACM (artikel 2.16, vierde lid). Het college kan een zienswijze ten aanzienvan het ontwerp-investeringsplan bij de ACM indienen (artikel 2.16, derdelid). De ACM betrekt deze zienswijze bij haar toetsing. Om de uitvoe-ringslast van de ACM te beperken, zal in de lagere regelgeving wordengeregeld dat de start van de monitoring van de investeringsplannen nietvoor alle aangewezen warmtebedrijven in hetzelfde jaar zal beginnen.De toetsende rol van de ACM draagt tevens bij aan het door de ACMverkrijgen van inzicht in de kosten die het aangewezen warmtebedrijfmoet maken voor aanleg, onderhoud, vervanging en uitbreiding van decollectieve warmtevoorziening.In dat licht is het van belang dat de ACM toetst of de in het planopgenomen investeringen noodzakelijk zijn voor het doelmatig uitvoerenvan de taken en of het aangewezen warmtebedrijf anderszins inredelijkheid tot het ontwerp-investeringsplan heeft kunnen komen(artikel 2.16, vierde lid). In dat verband beoordeelt de ACM onder meer ofmet deze investeringen het aangewezen warmtebedrijf aan zijnleveringszekerheids- en duurzaamheidsvereisten kan voldoen. Als deinvesteringen ondoelmatig zijn, zal dit op het moment dat de tarievenmeer op kosten gebaseerd gaan worden, een negatieve invloed hebbenop de tarieven. Omdat het investeringen met een lange afschrijvings-termijn betreft, is het noodzakelijk dat de ACM hier direct al op toetst, ookal zullen de tarieven pas over een aantal jaren op kosten gebaseerd zijn(zie verder de toelichting in hoofdstuk 8).Indien de ACM verwacht dat het aangewezen warmtebedrijf niet aan deleveringszekerheids- of duurzaamheidsvereisten kan voldoen, kan zij hetaangewezen warmtebedrijf hiervoor waarschuwen, eventueel verscherpttoezicht houden en handhaven zodra er sprake is van overtreding van debepalingen uit de wet.Na ontvangst van de toetsing van de ACM stelt het aangewezen warmte-bedrijf het investeringsplan vast. Daarbij dient het te verantwoorden hoede resultaten van de toetsing zijn verwerkt. De toets van de ACM op hetinvesteringsplan is belangrijk, omdat de investeringskosten een groot deeluit maken van de totale kosten van het warmtebedrijf. Het is belangrijk dateen warmtebedrijf daar al in een vroeg stadium verantwoording overaflegt. Het aangewezen warmtebedrijf dient de in het investeringsplanopgenomen investeringen uit te voeren.3.7.5. Leveringszekerheid Bij de levering van warmte is noodzakelijk dat de continue beschik-baarheid daarvan wordt gewaarborgd. Daarbij wordt in dit wetsvoorstelonderscheid gemaakt tussen maatregelen gericht op het zoveel mogelijkvoorkomen van verstoring van de warmtelevering gedurende korteperiodes en maatregelen die zich richten op het waarborgen van eenstructurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de langere termijn.Bij het eerstgenoemde element gaat het niet om structurele problementen aanzien van de beschikbaarheid van voldoende warmtebronnen, maarom tijdelijke onderbrekingen van de warmtelevering die veelal technischeoorzaken hebben. Het gaat dan om tijdelijke verstoringen, bijvoorbeeld alsgevolg van lekkages of uitval van pompen of afleversets, die in zijnalgemeenheid door reparatie en herstelwerkzaamheden kunnen wordenopgelost. Voor dit element voorziet dit wetsvoorstel in bepalingenwaarmee een aangewezen warmtebedrijf wordt geprikkeld om storingenzo snel mogelijk op te lossen. Dit wordt bereikt door warmtebedrijven teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 360 verplichten om bij storingen aan verbruikers een financiële compensatieuit te keren. Dit element wordt verder toegelicht in paragraaf 3.7.6.Bij het tweede element gaat het met name om het voor de langere termijnborgen van de beschikbaarheid van voldoende warmtebronnen waarmee,afgezien van tijdelijke storingen, de continue levering van warmte aan deop de collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruikers zeker kanworden gesteld. Dit element is dermate belangrijk dat in dit wetsvoorstelervoor is gekozen om de hieronder genoemde bij een collectievewarmtevoorziening betrokken partijen vanaf het begin van de besluit-vorming te verplichten om hier aandacht aan te besteden.Definitie leveringszekerheidAllereerst is in artikel 2.17, tweede lid, een definitie van het begripleveringszekerheid opgenomen. Daarmee wordt duidelijk waar debepalingen ten aanzien van leveringszekerheid op aangrijpen.Bij de definitie van leveringszekerheid is als uitgangspunt gekozen dat dedoor het warmtebedrijf geleverde warmte voldoende moet zijn om indienvan toepassing de verblijfsruimtes van alle op een collectieve warmte-voorziening aangesloten verbruikers continu te kunnen verwarmen totminimaal 20 graden Celsius en indien van toepassing continu tapwater tekunnen leveren of te kunnen bereiden met een temperatuur die voldoetaan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteldenorm. Het gaat bij dit laatste om de legionellanorm die op dit moment inartikel 6.13, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is opgenomen. Zoalseerder toegelicht in paragraaf 3.7.3 is de mogelijkheid om een verblijfs-ruimte voldoende te kunnen verwarmen of van warm tapwater te kunnenvoorzien niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van geleverde warmtemaar ook van de mate van isolatie zoals deze tot uiting komt in dewarmtebehoefte van een gebouw en de kwaliteit van de binneninstallatie.Daarom wordt in de definitie uitgegaan van de informatie over dewarmtebehoefte van een gebouw en de kenmerken van de binneninstal-latie, die in het uitgewerkt kavelplan of de leveringsovereenkomst moetworden opgenomen. Zie verder de toelichting op de warmtebehoefte enkenmerken van de binneninstallatie in paragraaf 3.7.3.Toetsing en borging van de leveringszekerheid in verschillende fasesDat het aangewezen warmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voor decollectieve warmtevoorziening is van groot belang met het oog op hetzeker stellen van de leveringszekerheid. Die verantwoordelijkheid ziet opde collectieve warmtevoorziening aangesloten warmtebronnen, deaanleg, het beheer en onderhoud van de collectieve warmtevoorzieningen de levering van warmte aan verbruikers. Dit uitgangspunt is vastgelegdin artikel 2.12, eerste lid, onderdeel e.Het wetsvoorstel voorziet in waarborgen voor de leveringszekerheid inalle relevante fases die worden doorlopen bij de besluitvorming over eencollectieve warmtevoorziening en de realisatie en exploitatie daarvan.a.Dit proces begint bij de vaststelling van een warmtekavel door hetcollege. In deze fase stelt het college de omvang van de warmtekavelzodanig vast dat de leveringszekerheid naar verwachting voldoendekan worden geborgd (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b). Daarbij kanworden gedacht aan het in kaart brengen van reeds beschikbare enpotentiële warmtebronnen rekening houdend met de in de wetopgenomen bepalingen ten aanzien van onder meer de duurzaamheid.Daarnaast kan ook worden gedacht aan een visie ten aanzien van debinnen de warmtekavel aan te sluiten verbruikers en de warmtebe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 361 hoefte die deze verbruikers met in achtneming van mogelijk nog uit tevoeren gebouwmaatregelen (isolatie, wijziging binneninstallatie) naarverwachting zullen hebben. Met dit criterium wordt bewerkstelligd dater later geen problemen ontstaan die door een beter onderbouwdeinitiële keuze hadden kunnen worden voorkomen.b.Na de vaststelling van de warmtekavel volgt als volgende stap in hetproces de aanwijzing door het college van het warmtebedrijf. In dezefase stelt de ACM op verzoek van het warmtebedrijf vast of eraanleiding is om aan te nemen of het warmtebedrijf organisatorisch,technisch en financieel onvoldoende in staat is de taken – waaronderhet waarborgen van de leveringszekerheid – voor de betreffendewarmtekavel uit te voeren (artikel 2.5, derde lid, en 2.7, derde lid).Daarmee is geregeld dat de ACM onder andere de borging van deleveringszekerheid beoordeelt.Verder is het warmtebedrijf verplicht om bij zijn aanvraag om teworden aangewezen een globaal kavelplan te overleggen. In ditglobaal kavelplan dient het warmtebedrijf een eerste indicatie te geventen aanzien van de borging van de leveringszekerheid.Tot besluit is in deze fase van het proces geregeld dat het collegeingeval meerdere warmtebedrijven een aanvraag voor de warmtekavelhebben ingediend de mate waarin het warmtebedrijf de leveringsze-kerheid kan borgen mee moet laten wegen in de rangschikking(artikel 2.7, zevende lid, onderdeel c).c.Nadat het college een warmtebedrijf voor een warmtekavel heeftaangewezen rust op dit warmtebedrijf de eerder genoemde integraleverantwoordelijkheid voor de leveringszekerheid. In artikel 2.15 isvoorgesteld dat en wanneer een aangewezen warmtebedrijf eenuitgewerkt kavelplan moet opstellen. Het aangewezen warmtebedrijf isverplicht om in het uitgewerkt kavelplan te beschrijven op welke wijzede leveringszekerheid zal worden geborgd (artikel 2.15, tweede lid,onderdeel a). Het aangewezen warmtebedrijf zal daarbij in ieder gevalaandacht moet besteden aan de mogelijk te nemen maatregelen innoodsituaties waarbij er acute risico’s ontstaan voor de borging van deleveringszekerheid. Voor die situaties moet het aangewezen warmtebe-drijf dan tevens aangeven welke partijen gelet op de karakteristiekenvan de collectieve warmtevoorziening ingeschakeld zouden kunnenworden indien de leveringszekerheid niet langer door het warmtebe-drijf kan worden geborgd. Indien nodig kan de ACM van dezeinformatie gebruik maken bij het verlenen van opdrachten aan anderepartijen in het kader van de noodprocedure. De keuze om deze taakneer te leggen bij het aangewezen warmtebedrijf is ingegeven doorhet feit dat zij bij uitstek beschikt over de locatie- en situatie-specifiekekennis die hiervoor nodig is.Verder wordt een aangewezen warmtebedrijf in het kader van dehiervoor toegelichte definitie van leveringszekerheid verplicht om inhet uitgewerkt kavelplan informatie op te nemen over de warmtebe-hoefte van gebouwen en kenmerken van de binneninstallatie waarbijhet mogelijk is om verblijfsruimten te kunnen verwarmen tot eenbinnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius en te kunnenvoorzien in de levering van warm tapwater met minimaal de wettelijkvereiste temperatuur (artikel 2.15, tweede lid, onderdelen c en d).Het uitgewerkt kavelplan behoeft instemming van het college.Daarmee wordt geborgd dat het college ook in deze fase zicht houdtop het aspect leveringszekerheid en wordt tevens geborgd dat degenoemde eisen ten aanzien van warmtebehoefte en kwaliteit van debinneninstallatie in overeenstemming zijn met de uitgangspunten vande gemeente ten aanzien van de kwaliteit van de aan te sluitenwoningen en gebouwen.d.Als volgende stap in het proces wordt de daadwerkelijke aanleg van denieuwe collectieve warmtevoorziening of de uitbreiding van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 362 bestaande collectieve warmtevoorziening door het aangewezenwarmtebedrijf in een door hem op te stellen investeringsplanuitgewerkt (artikel 2.16). Ook in dit investeringsplan dient het aangewe-zen warmtebedrijf te beschrijven op welke wijze de leveringszekerheidzal worden geborgd. Omdat het investeringsplan concreter is dan hetdaaraan voorafgaande uitgewerkt kavelplan zal ook de borging van deleveringszekerheid in dit investeringsplan concreter moeten wordeningevuld.e.Als een collectieve warmtevoorziening (in delen) is gerealiseerd en erverbruikers op deze voorziening zijn aangesloten begint de exploita-tiefase. In deze fase is het van belang om steeds goed zicht te houdenop de invulling van de leveringszekerheid, mogelijke risico’s voor deleveringszekerheid en maatregelen om die risico’s weg te nemen. Hetgaat dus in deze fase om enerzijds verplichtingen voor het aangewe-zen warmtebedrijf ten aanzien van het monitoren van en rapporterenover de leveringszekerheid en anderzijds verplichtingen voor hetaangewezen warmtebedrijf om voorziene problemen en risico’s tenaanzien van de leveringszekerheid op te lossen. Het wetsvoorstelvoorziet in een verplichting voor het warmtebedrijf om jaarlijks aan hetcollege en de ACM te rapporteren over de leveringszekerheid(artikel 2.17, eerste lid). Daarbij moet in ieder geval aandacht zijn voorde wijze waarop de leveringszekerheid de komende drie jaar wordtgeborgd, de risico’s die zich daarbij kunnen voordoen en de wijzewaarop die risico’s zullen worden ondervangen.De ACM kan ambtshalve of op advies van het college het aangewezenwarmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijnopdragen de leveringszekerheidsrapportage te wijzigen (artikel 2.17,derde lid). Het aangewezen warmtebedrijf is vervolgens verplicht omde opdracht van ACM op te volgen en de in een leveringszekerheids-rapportage opgenomen maatregelen uit te voeren.Het is mogelijk dat de al dan niet in opdracht van de ACM in deleveringszekerheidsrapportages opgenomen maatregelen ter borgingvan de leveringszekerheid het noodzakelijk maken om het uitgewerktkavelplan te wijzigen. Daarom zal een aangewezen warmtebedrijf ditmoeten nagaan (artikel 2.17, zesde lid). Indien deze situatie zichvoordoet dan mag het college haar instemming met de wijziging vanhet uitgewerkt kavelplan ten aanzien van deze elementen nietweigeren (zie artikel 2.15, vierde lid, onderdeel b). Daarmee wordtvoorkomen dat een gemeente maatregelen die noodzakelijk zijn voorde borging van de leveringszekerheid kan verbieden door niet in testemmen met een daarvoor noodzakelijke wijziging van het uitgewerktkavelplan.f.Als de ACM op basis van de leveringszekerheidsrapportage van hetaangewezen warmtebedrijf of op basis van andere informatie vast steltdat een aangewezen warmtebedrijf niet langer in staat is om zijn taakten aanzien van het borgen van de leveringszekerheid uit te voerendan kan de ACM dit melden aan het college (artikel 2.9, eerste lid). Hetcollege is dan verplicht om de aanwijzing van het warmtebedrijf in tetrekken (zie ook de toelichting in paragraaf 3.5.9). Vanzelfsprekend zaldeze maatregel in het licht van de borging van de leveringszekerheidpas worden ingezet als blijkt dat het aangewezen warmtebedrijf echtniet langer in staat is om de leveringszekerheid te borgen.Naast het voorgaande is het warmtebedrijf tevens verplicht om ACMieder jaar te informeren over zijn organisatorische en technischebekwaamheid en zijn financiële situatie en geeft genoemd artikel ACMde bevoegdheid om indien nodig door middel van opdrachten aan hetwarmtebedrijf in te grijpen (artikel 2.14).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 363 NoodprocedureMet de hiervoor beschreven bepalingen en verplichtingen wordt beoogdte voorkomen dat er onverwachte en acute problemen voor de leverings-zekerheid ontstaan. Desondanks blijft de mogelijkheid bestaan dat zichtoch op korte termijn leveringszekerheidsproblemen voordoen. Ook voordeze situatie bevat het wetsvoorstel een aantal bevoegdheden voor deACM om bij onverwachte en acute problemen te kunnen interveniëren(artikelen 2.9, 2.13, 9.5, 9.6 en 9.7). Zie ook de toelichting in paragraaf 10.4.a. Warmtebedrijven opdragen maatregelen te treffen In de eerste plaats is het warmtebedrijf verplicht om direct aan het collegeen de ACM te melden als hij voorziet dat hij één van zijn taken, waaronderhet borgen van de leveringszekerheid, niet langer kan uitvoeren(artikel 2.13). Daarbij is het warmtebedrijf verplicht om aan te geven welkemaatregelen het heeft genomen of zal gaan nemen om de leveringsze-kerheid te blijven borgen. Het belangrijkste verschil tussen deze meldingen de hiervoor genoemde verplichte jaarlijkse rapportage is dat het hiergaat om een acuut dreigend risico, terwijl bij de verplichte jaarlijkserapportage daarvan geen sprake is.De ACM is bevoegd het warmtebedrijf een opdracht te geven maatregelente treffen indien de ACM op basis van de hiervoor genoemde melding ofop basis van andere informatie redelijkerwijs kan voorzien dat hetwarmtebedrijf de leveringszekerheid onvoldoende kan borgen endaarmee een taak niet langer kan uitvoeren. Het warmtebedrijf is verplichtde opgedragen maatregelen op te volgen. Er is voor gekozen om debevoegdheid tot ingrijpen bij de ACM te leggen en niet bij het college,omdat de daarvoor benodigde specifieke kennis en deskundigheid insterkere mate aanwezig is bij de ACM. Ook zorgt dit voor eenduidigheiden uniformiteit in de handhaving.b. Stille bewindvoerder Naast het verstrekken van opdrachten aan het warmtebedrijf op grondvan artikel 2.13 heeft de ACM de bevoegdheid om het warmtebedrijf teverplichten om opdrachten op te volgen van een door haar aangewezenpersoon indien door de bedrijfsvoering van het aangewezen warmtebe-drijf de leveringszekerheid onvoldoende geborgd wordt en direct ingrijpennoodzakelijk is om de leveringszekerheid te verzekeren (artikel 9.6).Genoemde persoon is niet bevoegd tot het verrichten van rechtshande-lingen uit naam van het bedrijf, maar hij is wel bevoegd om eenbestuurder van het warmtebedrijf een opdracht te geven tot het verrichtenvan een rechtshandeling (bijvoorbeeld het ondertekenen van eenovereenkomst ten aanzien van de inkoop van warmte). Het aangewezenwarmtebedrijf is verplicht om de opdrachten van de door de ACMaangewezen persoon op te volgen.c. Vervanging van het bestuur Naast bovengenoemde bevoegdheden heeft de ACM de bevoegdheid omeen of meer personen aan te wijzen die het bestuur of de leiding van eenwarmtebedrijf, vervangt dan wel vervangen, indien direct ingrijpennoodzakelijk is om de leveringszekerheid te borgen en de aanwijzing vande persoon op grond van artikel 9.6 onvoldoende effect zal hebben(artikel 9.7). Deze ingrijpende bevoegdheid is gerechtvaardigd vanwegehet grote belang van de leveringszekerheid voor verbruikers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 364 d. Intrekking aanwijzing Indien zich een situatie zoals hierboven onder de noodprocedurebeschreven voordoet mag ervan worden uitgegaan dat de ACM op grondvan artikel 2.13, zevende lid, heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf nietlanger in staat is om zijn taak ten aanzien van de borging van deleveringszekerheid uit te voeren en dat de ACM dit aan het college heeftgemeld (artikel 2.9, eerste lid). Het college is dan verplicht om deaanwijzing van het aangewezen warmtebedrijf in te trekken en hetintrekkingsproces te starten (artikel 2.9, tweede lid). Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteldover de procedure en de vereisten die gelden bij de intrekking van eenaanwijzing.e. Opdragen maatregelen aan een derde Ondanks het feit dat het warmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voorde leveringszekerheid kunnen zich situaties voordoen dat ingrijpen bij hetwarmtebedrijf door het opdragen van te treffen maatregelen onvoldoendeof niet effectief is om de leveringszekerheid te borgen. Daarbij kanbijvoorbeeld worden gedacht aan een producent die niet langer zijncontractuele verplichtingen ten aanzien van het aan het warmtebedrijfbeschikbaar stellen van warmte nakomt. Voor alle situaties waarbij hetniet mogelijk is om de leveringszekerheid te borgen door middel vanopdrachten aan het warmtebedrijf heeft de ACM de bevoegdheid om ookiedere andere partij een opdracht te geven indien de opdracht noodza-kelijk is om de leveringszekerheid te borgen (artikel 9.5). De partij aan wiede ACM de opdracht verstrekt is dan verplicht om deze op te volgen.f. Noodwarmtebedrijf In een situatie dat het warmtebedrijf in surséance van betaling offaillissement verkeerd en om die reden de levering van warmte niet meerkan garanderen, kan de ACM een ander warmtebedrijf de opdracht gevende levering van het warmtebedrijf over te nemen (artikel 9.5, vijfde lid). Deopdracht van de ACM betekent dan in de praktijk een opdracht om op tetreden als noodwarmtebedrijf. In die situatie is iedereen inclusief hetaangewezen warmtebedrijf verplicht om medewerking te verlenen aan ditnoodwarmtebedrijf voor zover dit redelijkerwijs kan worden verlangd.Mede gelet op de hiervoor beschreven regeling die beoogt om reeds ineen vroegtijdig stadium mogelijke problemen te signaleren en op telossen, mag ervan worden uitgegaan dat de bevoegdheid om een derdeopdrachten ter borging van de leveringszekerheid te geven slechts in zeeruitzonderlijke situaties zal worden ingezet.g. Gemeentelijke noodplan In een situatie dat een noodwarmtebedrijf de levering van het aange-wezen warmtebedrijf heeft overgenomen zal waarschijnlijk gelijktijdig eenintrekkingsprocedure lopen van de aanwijzing van het aangewezenwarmtebedrijf dat niet meer in staat is de levering te garanderen. Deaanwijzing kan echter pas worden ingetrokken nadat aan een anderwarmtebedrijf een aanwijzing of ontheffing is verleend. Het is van belangom zoveel mogelijk te voorkomen dat een situatie met een noodwarmte-bedrijf gedurende lange tijd voortduurt. Daarom is voorgesteld dat, indiener binnen een bij een ministeriële regeling te bepalen termijn geen anderwarmtebedrijf kan worden aangewezen, het college een plan dient op testellen waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikersvan het aangewezen warmtebedrijf kan worden gewaarborgd. GenoemdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 365 verplichting is bij het college belegd, omdat dit aansluit bij het aan ditwetsvoorstel ten grondslag liggende uitgangspunt van gemeentelijkeregie. Daarnaast zullen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelsworden gesteld over de procedure waarbinnen het college een anderwarmtebedrijf aanwijst. Mocht het niet lukken binnen deze termijn eengeschikt ander warmtebedrijf te vinden dat de levering (structureel) kanovernemen, dan is in het wetsvoorstel voorgesteld dat het college eenplan opstelt waarin is beschreven hoe de levering van warmte aandegenen die een leveringsaansluiting hebben op de collectieve warmte-voorziening van het warmtebedrijf kan worden gewaarborgd (artikel 2.9,zesde lid). Genoemde verplichting is bij het college belegd, omdat ditaansluit bij het aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggende uitgangspuntvan gemeentelijke regie.Tot besluit is het belangrijk dat wordt voorkomen dat de hierbovenbeschreven verplichtingen en bevoegdheden in het kader van denoodprocedure ook gelden bij tijdelijke en via herstelwerkzaamhedenoplosbare onderbrekingen van de warmtelevering. Daarom is in dedefinitie van leveringszekerheid in een uitzondering opgenomen voor eentijdelijke onderbreking van de levering van warmte die naar verwachtingniet langer dan 5 dagen zal duren en incidenteel is (2.17, tweede lid). Ditzorgt ervoor dat voor dergelijke tijdelijke onderbrekingen de bepalingendie gaan over de leveringszekerheid niet van toepassing zijn. De termijnvan 5 dagen wordt daarbij als een redelijke begrenzing gezien. Tijdelijkeonderbrekingen die vaker dan incidenteel voorkomen worden ook als eenleveringszekerheidsprobleem gezien en dat betekent dat ervoor dergelijkeniet incidentele tijdelijke onderbrekingen wel aanleiding is om bepalingenomtrent leveringszekerheid van toepassing te laten zijn.3.7.6. Onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers De artikelen 2.18 en 2.19 bevatten bepalingen die gericht zijn op debescherming van verbruikers bij een onderbreking van de levering vanwarmte. Uitgangspunt is dat het aangewezen warmtebedrijf binnen zijnverantwoordelijkheden alles doet om onderbrekingen van warmteleveringallereerst te voorkomen en ten tweede zo snel mogelijk op te lossen. Ookmoet de verbruiker goed geïnformeerd worden door tijdig mogelijkonderhoud door te geven en storingen te registreren en publiceren. Omwarmtebedrijven te stimuleren om de onderbreking van de levering vanwarmte zoveel mogelijk te voorkomen is er een compensatieregeling voorverbruikers bij een ernstige storing.In de meeste artikelen wordt grotendeels voortgebouwd op hetgeenhierover bepaald is in de Warmtewet. Een goede bescherming vanverbruikers is van groot belang voor het vertrouwen in collectievewarmte. Gebleken is dat op deze onderdelen de bescherming vanverbruikers versterking behoeft. Met name de thans voorgeschrevenstoringsregistratie en de daarbij behorende regeling voor storingscom-pensatie geven nog onvoldoende de gewenste prikkel om het aantalstoringen tot een minimum te beperken. Problemen hieromtrent lijkenzich met name voor te doen bij wat oudere warmte-koude opslagsys-temen. Hierna is een omschrijving gegeven van de voornaamsteknelpunten die worden ervaren en is toegelicht op welke punten ditwetsvoorstel de bescherming van de verbruiker verbetert.Eerlijke storingscompensatieTen eerste zijn er aanpassingen gedaan in de storingscompensatie.Storingscompensatie wordt in de Warmtewet voorgeschreven bij eenonderbreking van de levering van warmte die kwalificeert als een ernstigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 366 storing. In de huidige Warmteregeling is de duur van een ernstige storingvastgesteld op 8 uur. Door verbruikers kan echter ook veel hinder wordenervaren van meerdere terugkerende storingen. Zolang deze korter durendan 8 uur zijn daar voor het warmtebedrijf voor wat betreft de storings-compensatie geen consequenties aan verbonden. Ook in het geval dit zichfrequent voordoet. Het is wenselijk om warmtebedrijven ook te stimulerenom dergelijke opeenvolgende kortere storingen te voorkomen. Om diereden zal in de lagere regelgeving worden uitgewerkt dat storingen vanlanger dan 1 uur die bij elkaar in één maand boven het aantal uuruitkomen waarvoor de compensatieplicht geldt ook onder de compensa-tieplicht vallen. Een ander knelpunt in de huidige regelgeving is dat er ingeval van verminderde levering, waarbij een verbruiker niet in staat is omverblijfsruimten of het warmtapwater in zijn huis voldoende teverwarmen, niet wordt gedefinieerd als een storing, met als gevolg dat erbij verminderde levering van warmte geen compensatieplicht bestaatvoor het warmtebedrijf. Besloten is daarom om de definitie van storing uitte breiden zodat niet alleen een onderbreking van de levering van warmte,maar ook een afwijking van de minimumtemperatuur van de geleverdewarmte zoals deze is opgenomen in de leveringsovereenkomst, alsstoring dient te worden beschouwd. Voor de in de leveringsovereenkomstop te nemen temperatuurranges als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid,onderdeel a, onder 1°, geldt dat deze overeen moeten komen met detemperatuurranges die staan opgenomen in het uitgewerkt kavelplan(artikel 2.15, tweede lid). Tot slot is de uitzondering, dat een warmtebedrijfgeen storingscompensatie hoeft te betalen als de storing minder dan 24uur duurt en het de eerste storing is in een jaar, geschrapt.Betrouwbare storingsregistratieVerder is gesignaleerd dat er onvoldoende zicht is op de mate waarinwarmtebedrijven hun storingsregistratie op orde hebben. Niet alleenbewoners, maar ook de ACM heeft deze constatering gedaan in het kadervan de handhaving van de Warmtewet. Gelet op het feit de storingsregis-tratie het fundament is van de storingscompensatieregeling, is het vanwezenlijk belang dat er waarborgen zijn voor een betrouwbare volledigestoringsregistratie. In artikel 2.18 is daarom een delegatiebepalingopgenomen die het mogelijk maakt om nadere regels te stellen over destoringsregistratie. Bij de uitwerking zal in ieder geval worden voorge-schreven dat de datum en het tijdstip van de aanvang van de storing, dedatum en het tijdstip waarop de storing is verholpen, de oorzaak van destoring, de collectieve warmtevoorziening waar de storing plaatsvond(inclusief het aantal getroffen verbruikers), onderdeel uit moeten makenvan de storingsregistratie. Op grond van artikel 2.18, vierde lid,onderdeel b, zal tevens in de lagere regelgeving een verplichting wordenuitgewerkt tot het inrichten van een actuele online storingsregistratie(hiervan wordt een storing in de afleverset uitgezonderd).3.7.7. De uitstoot van broeikasgassen Broeikasgassen-normDe uitrol van collectieve warmtevoorzieningen leidt alleen tot klimaatneu-traliteit in de gebouwde omgeving als deze uiterlijk in 2050 ookbroeikasgassen-vrije warmte leveren. Warmtebedrijven zullen wordenverplicht om te voldoen aan een minimaal pad voor verduurzaming doorhet instellen van een prestatienorm voor de maximale uitstoot vanbroeikasgassen per warmtekavel. Artikel 2.20 biedt een grondslag om inlagere regelgeving deze normen voor de reductie van broeikasgase-missies voor een aangewezen warmtebedrijf uit te werken. Daarbij is hetde ambitie om bij 2050 de uitstoot van broeikasgassen op 0 kgCO2-equivalent te brengen. De broeikasgassen zullen worden uitgedruktTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 367 in hoeveelheid CO2-equivalenten. Het betreft hier kooldioxide (CO2),methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gehalogeneerdefluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s) enzwavelhexafluoride (SF6). De verduurzaming van collectieve warmtevoor-zieningen kan uiteraard door het aansluiten van broeikasgassen-arme of-vrije warmtebronnen en het afsluiten van fossiele warmtebronnen. Eentweede cruciale verduurzamingsstrategie is het verhogen van deefficiëntie van het warmtesysteem. Dat laatste kan bijvoorbeeld door hetverlagen van energieverliezen. Wat de meeste geëigende route is om opeen kosteneffectieve wijze tot verduurzaming van een warmtevoorzieningte komen, is niet in algemene zin aan te geven. De benodigde investe-ringen worden gedaan voor de lange termijn en er gelden lange terugver-dientijden.Om invloed uit te oefenen op de investeringsmomenten zodat deze benutworden om duurzame warmtebronnen te ontsluiten, is het nodigduidelijkheid op de lange termijn te bieden: een stip aan de horizon in2050. Hierdoor weten aangewezen warmtebedrijven waar ze aan toe zijnen kunnen zij zich tijdig voorbereiden. Daarnaast kan de duurzaamheidworden bevorderd door te sturen op broeikasgassen-reductie in de geheleketen en op maatschappelijk zo kostenefficiënt mogelijke investeringen.Dit stimuleert warmtebedrijven om bij natuurlijke momenten na te denkenof aanvullende maatregelen nodig zijn. Ook kan dan overwogen wordenom investeringsmomenten naar voren te halen om meekoppelkansen tebenutten. Uitgangspunt daarbij is dat er sprake is van een gelijk speelveldvoor diverse broeikasgassen-arme of vrije oplossingen. Door een norm testellen voor de maximale broeikasgassen-uitstoot die gemoeid is met dewarmtelevering worden aangewezen warmtebedrijven verplicht tot eenprestatie voor de verduurzaming. De klimaatdoelen voor 2030 en 2050worden via deze norm geborgd. De broeikasgassen-norm zal in lagereregelgeving zo vastgesteld worden dat deze haalbaar maar wel dwingendis. Daarmee wordt tevens invulling gegeven aan de doelen uit de richtlijn2018/2001/EU waarbij lidstaten verplicht worden om maatregelen tenemen die bijdragen aan het behalen van het beoogde aandeelhernieuwbare energie. De broeikasgassennormering zal in de lagereregelgeving vastgesteld worden in het licht van Europese en nationaleregelgeving. Waarbij ook de effecten van normering op de kosten, hetinvesteringspotentieel en de technische haalbaarheid in kaart wordengebracht. Daarnaast zal elke vijf jaar geëvalueerd worden of bovenge-noemde afwegingscriteria nog voldoende worden meegenomen. Ook isde mogelijkheid opgenomen dat de normering voor nieuwe en bestaandecollectieve warmtevoorzieningen kan verschillen. De bestaande collec-tieve warmtevoorzieningen kunnen extra moeilijkheden ondervinden voorverduurzaming, die voor nieuwe collectieve warmtevoorzieningen nietvan toepassing zijn. De nieuwe collectieve warmtevoorzieningen kunnenimmers ontworpen worden met de broeikasgassennormering alsvoorwaarde.Een aangewezen warmtebedrijf stoot ten gevolge van de levering vanwarmte aan verbruikers niet meer broeikasgassen uit dan de norm die bijof krachtens algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald. Denorm is gericht op de partij die de meeste invloed kan uitoefenen op dekeuze voor duurzame investeringen: het aangewezen warmtebedrijf.Binnen een collectieve warmtevoorziening is er een nauwe samenhangtussen investeringen in en gebruik van de warmtebron(nen), hetwarmtenet en afgiftesysteem. Warmtebronnen worden bovendienidealiter zo dicht mogelijk bij de opweklocatie benut. De afstand van dewarmtebron tot de verbruikers heeft grote impact op de kostprijs voor delevering van warmte vanwege de transportkosten en de invloed op dewarmteverliezen (afhankelijk van de temperatuur van het systeem). HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 368 aangewezen warmtebedrijf kan dit soort overwegingen bij elkaar brengenen integraal een afweging maken bij onder andere het netontwerp,bronkeuze en systeemoptimalisatie. In deze context is de sturing opduurzaamheid het meest effectief op systeemniveau. Het aangewezenwarmtebedrijf heeft het overzicht over de gehele keten en kan daardoorde meest efficiënte keuzes maken. Een jaarlijks reductiepad biedtduidelijkheid over de ontwikkeling in de verduurzaming die door hetwarmtebedrijf wordt verwacht. Indien de uitstoot van broeikasgassenmeer is dan de vastgestelde norm meldt het warmtebedrijf dit bij de ACM.De ACM ziet toe op de naleving van deze normen. De ACM kan naaraanleiding van de eerste overschrijding van de norm een bestuurlijkeboete dan wel een last onder dwangsom opleggen. Gedurende de eerstevijf jaren na de eerste overschrijding van deze norm heeft de ACM dezebevoegdheid niet om een ongewenste stapeling van handhavingsbe-sluiten te voorkomen. Met het voorgestelde broeikasgassen-reductie padkunnen warmtebedrijven zelf tot een efficiënte verduurzamingstrategiekomen.Ontheffing broeikasgassen-normVoorgesteld is de ACM de bevoegdheid te geven om warmtebedrijven eenontheffing van de bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde normente verlenen indien dat bijdraagt aan de ontwikkeling van een nieuweduurzame warmtebron (artikel 2.21, eerste lid). Bij de ontwikkeling vaneen nieuwe duurzame warmtebron kan het namelijk voorkomen dat erniet altijd direct voldoende aansluitingen kunnen worden gerealiseerd omde warmtebron rendabel te kunnen exploiteren. Tijdens deze eerste fasekunnen er bijvoorbeeld tijdelijke mobiele gasketels nodig zijn om dewarmtevraag te dekken. In deze fase kan het dan moeilijk zijn om devastgestelde norm te halen. Zonder deze ontheffingsmogelijkheid zou derealisatie van nieuwe duurzame warmtebronnen ten behoeve van nieuwecollectieve warmtevoorzieningen of uitbreidingen wellicht niet of alleentegen aanzienlijke hogere kosten tot stand kunnen komen, waardoor deverduurzaming zou stokken. De ontwikkeling van een nieuwe duurzamewarmtebron zonder dat er genoeg aansluitingen zijn, kan leiden totdisproportionele hoge kosten. Het aangewezen warmtebedrijf datontheffing aanvraagt, moet aantonen dat het overschrijden van de normnog niet uitvoerbaar is.Een tweede ontheffingsmogelijkheid is voorgesteld voor de verduur-zaming van bestaande collectieve warmtevoorzieningen. Een aangewezenwarmtebedrijf kan de ACM om een tijdelijke uitzondering verzoeken voorbestaande collectieve warmtesystemen die de norm niet kunnen halen.Dit geldt met name indien de collectieve warmtevoorziening afhankelijk isvan een niet-duurzame warmtebron die de collectieve warmtevoorzieningvoor een groot deel in warmte voorziet. Voor bepaalde collectievewarmtesystemen zal het in zo’n situatie technisch uitdagend zijn om opafzienbare termijn een duurzame warmtebron in de nabijheid te ontwik-kelen.16 Dat is onder meer het geval voor bestaande – veelal kleinere –warmtesystemen op basis van een collectieve aardgasketel. Ook minderefficiënte WKO-systemen, waarbij de pieklastketel op aardgas in grotedelen van de totale warmtevraag voorziet, zullen mogelijk de duurzaam-heidsnorm niet altijd kunnen halen. Vaak bevinden die systemen zich instedelijk gebied waar er weinig ruimte is om alternatieve warmtebronnente ontwikkelen, zoals een additionele warmtepomp of een biomassa ketel.Voor de betreffende WKO-systemen kan soms een verlaging van deaanvoertemperatuur helpen of aanpassingen in de binneninstallaties en16Greenvis (2020), Inventarisatie duurzaamheid warmtenetten: Normstelling CO2-emissie Wetcollectieve Warmtevoorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 369 isolatie van gebouwen. Mogelijk kan gekozen worden voor het aanleggenvan een geheel nieuwe collectieve warmtevoorziening of om in detoekomst aan te sluiten op een nabijgelegen collectieve warmtevoor-ziening of warmtetransportnet. Het streven is om een realistische termijnvast te stellen voor de ontheffing in de lagere regelgeving waarbij deuitdagingen zoals aansluiting op een andere warmtebron of aanpassingenaan de woning gerealiseerd kunnen worden. Ook heeft de ACM demogelijkheid om op aanvraag de ontheffing te verlengen indien later blijktdat het warmtebedrijf meer tijd nodig heeft. De ontheffingsgrondenblijven in het geval van de verlenging hetzelfde.Handhaving broeikasgassen-normHet aangewezen warmtebedrijf maakt elk jaar aan verbruikers informatieopenbaar over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van delevering van warmte. Indien de ACM twijfels heeft over de betrouw-baarheid van de duurzaamheidsrapportage kan ACM een warmtebedrijfom een accountantsverklaring vragen. De ACM houdt toezicht op hetbehalen van de op grond van artikel 2.20 vastgestelde normen. Eenaangewezen warmtebedrijf heeft op grond van artikel 2.20, vierde lid, deverplichting een overschrijding van de norm onmiddellijk bij de ACM temelden. De ACM kan een last onder dwangsom opleggen als hetaangewezen warmtebedrijf de norm voor het eerst overschrijdt teneindete bewerkstelligen dat het aangewezen warmtebedrijf debroeikasgassen-norm het jaar daarna wel in acht neemt (artikel 9.3, eerstelid). Ook kan de ACM een bestuurlijke boete opleggen (artikel 9.4, tweedelid). Deze bevoegdheid geldt niet gedurende de eerste vijf jaren na deeerste overschrijding van een norm tenzij de overtreder inmiddels weervoldoet aan deze normen en er opnieuw een overtreding plaats vindt. Inde situatie dat handhavend optreden niet leidt tot in achtneming van debroeikasgassen-norm bestaat ten slotte de mogelijkheid dat de ACM aanhet college meldt dat de ACM heeft vastgesteld dat het aangewezenwarmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van debroeikasgassen-norm nog steeds meer uitstoot dan vastgestelde norm.Het college is gehouden de aanwijzing vervolgens in te trekken (artikel 2.9,tweede lid, onderdeel a).Het doel van de handhaving is om een prikkel af te geven richting hetovertredende warmtebedrijf om alsnog aan de normstelling ten aanzienvan de broeikasgassen-uitstoot te voldoen, herhaling van de overtredingte voorkomen en in het uiterste geval een mogelijkheid te creëren dat eenaanwijzing wordt ingetrokken en een ander warmtebedrijf dat wel in staatwordt geacht om aan de broeikasgassen-norm te voldoen, kan wordenaangewezen. Hiermee wordt geborgd dat de broeikasgassen-doelstellingen voor de gebouwde omgeving voor 2030 en uiteindelijk2050 bereikt zullen worden.Informatie over duurzaamheid op de factuur van verbruikersTransparantie over de duurzaamheidsprestaties van warmtenetten is vanbelang voor het draagvlak in de warmtetransitie en daarmee ook hetrealisatietempo. Verbruikers die kiezen voor een aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening willen ervan verzekerd zijn dat demaatregelen die zij moeten nemen om tot een alternatief te komen voorde cv-ketel ook daadwerkelijk minder broeikasgassen uitstoot ten opzichtevan de cv-ketel veroorzaken. In de Warmtewet is een eerste stap gezet ineisen aan de duurzaamheid van warmtenetten door via een rapportage-verplichting in het bestuursverslag meer inzicht te genereren over dehuidige prestaties van netten en de warmtebronnen voor de warmtele-vering. In dit wetsvoorstel wordt in artikel 2.22 en 2.23 voortgebouwd opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 370 de lijn die is ingezet. Daarnaast worden eisen gesteld aan het openbaarmaken van de informatie zodat verbruikers makkelijk en frequent toeganghebben.3.7.8. Aansluiten op of afsluiten van een collectieve warmtevoor-ziening (zie stap 8 van schema in paragraaf 3.2) Aanbod van het warmtebedrijfOm in staat te zijn een gefundeerde beslissing te kunnen nemen over hetal dan niet aansluiten op de collectieve warmtevoorziening voorziet ditwetsvoorstel in een verplichting voor het aangewezen warmtebedrijf om,voordat de gebouweigenaar gebonden is aan een overeenkomst totaansluiting op deze collectieve warmtevoorziening, op duidelijke enbegrijpelijke wijze de daarvoor minimaal benodigde informatie aan degebouweigenaar (zowel kleinverbruikers als grootverbruikers) toe tezenden (artikel 2.24, eerste en tweede lid). Het gaat daarbij onder meer omeen omschrijving van de te leveren goederen en diensten door hetwarmtebedrijf (temperatuur en soort van de te leveren warmte en detarieven), de technische eisen waaraan de binneninstallatie en dewarmtebehoefte van het gebouw moet voldoen en de te verwachtendatum waarop de levering zal aanvangen. Het aanbod als zodanig moetaltijd voldoen aan de voorwaarden van leveringszekerheid. Dit betekentdat de aanvoertemperatuur altijd zodanig moet zijn dat de verblijfsruimtevan de verbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur vanminimaal 20 graden Celsius bij een buitentemperatuur die niet lager isdan -10 graden Celsius onder voorwaarde dat de warmtebehoefte van hetgebouw en de kenmerken van de binneninstallatie voldoen aan dehiervoor genoemde door het warmtebedrijf te verstrekken eisen. Niet hetwarmtebedrijf maar de gebouweigenaar is verantwoordelijk voor hetvoldoen aan deze eisen. Indien het gebouw of de binneninstallatie nietvoldoet aan deze eisen dan bestaat de mogelijkheid dat de verblijfs-ruimten met de door het warmtebedrijf geleverde warmte niet altijd tot 20graden Celsius verwarmd kunnen worden. In dat geval is dit niet deverantwoordelijkheid van het warmtebedrijf. Zie de definitie vanleveringszekerheid voor meer details (artikel 2.17, tweede lid). Gelet ophet belang van genoemde eisen moet het warmtebedrijf duidelijkeinformatie verstrekken over wat het warmtebedrijf aanbiedt en wat degebouweigenaar zelf moet regelen. Gebouweigenaren kunnen voorondersteuning een beroep doen op diverse informatiebronnen, zoals dewebsite verbeterjehuis.nl en de via die website te vinden gemeentelijkeenergieloketten. Voor financiële ondersteuning kunnen gebouweigenarenen bewoners een beroep doen op regelingen als de ISDE-regeling en hetWarmtefonds. Daarnaast zal een gemeente in het stakeholdersprocesrondom de besluitvorming over de warmtetransitie en een mogelijkekeuze voor collectieve warmte ook goed moeten communiceren over demogelijke gevolgen voor gebouweigenaren en hen daarbij indien nodigondersteunen. Op deze wijze zal rekening gehouden kunnen worden methet verschil in doenvermogen van gebouweigenaren en bewoners. Ditsluit aan bij het uitgangspunt van gemeentelijke regie dat ten grondslagligt aan dit wetsvoorstel.Indien het aanbod gedaan wordt op een moment dat de collectievewarmtevoorziening nog moet worden aangelegd of uitgebreid, hoeft hetwarmtebedrijf niet de tarieven in het aanbod op te nemen maar mag hetwarmtebedrijf volstaan met een bandbreedte van de minimale enmaximale tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband metde levering van warmte die het warmtebedrijf de eerste 3 jaar na aanvangvan de levering van warmte in rekening zal kunnen brengen. Deze moetenworden berekend op grond van de daadwerkelijk verwachte kosten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 371 Opt-out voor gebouweigenaren van aansluiting op collectieve warmteEen gemeente kan in haar omgevingsplan vaststellen dat in een bepaalddeel van het door het college vastgestelde warmtekavel zal wordenvoorzien in levering van warmte door middel van een collectievewarmtevoorziening en dat op termijn het gebruik van fossiele brand-stoffen in dat gebied wordt beëindigd. In een dergelijke wijk of dergelijkgebied wordt vervolgens een collectieve warmtevoorziening aangelegd enzal op termijn de aardgasvoorziening worden beëindigd. Een gebouwei-genaar heeft in dat geval wel de mogelijkheid om in plaats van aansluitingop de collectieve warmtevoorziening te kiezen voor een alternatief,bijvoorbeeld een duurzame individuele warmtevoorziening. Dit zal voorde ene gebouweigenaar aantrekkelijker zijn dan voor de andere, afhan-kelijk van de wijk en het type woning. Een gebouweigenaar kan dus zijneigen afweging maken en is niet onvoorwaardelijk verplicht om zijngebouw aan te sluiten op de collectieve warmtevoorziening. De keuze-vrijheid die de gebouweigenaar wordt geboden, vergroot naarverwachting het maatschappelijk draagvlak voor de collectieve warmte-voorziening. In de artikelen 2.25 tot en met 2.28 zijn voor deze situatieregels gegeven.Het aangewezen warmtebedrijf dat een collectieve warmtevoorzieninggaat aanleggen binnen de warmtekavel moet op een bepaald momentweten hoeveel aansluitingen erop het warmtesysteem komen. Voordat hetaangewezen warmtebedrijf aan zijn definitieve en gedetailleerde ontwerpbegint, moet duidelijk zijn wie wel en wie niet aansluit. Als er daarna noggebouweigenaren afhaken of bijkomen, kloppen het systeemontwerp ende geschatte kosten mogelijk niet meer. Daardoor kan de collectievewarmtevoorziening voor de overige verbruikers veel duurder worden danvoorzien. Ook moet voorkomen worden dat de gebouweigenaar onver-hoopt in de kou komt te zitten als hij wordt afgesloten van een gasvoor-ziening. De gemeente verplicht hem immers het gebruik van fossieleenergie op termijn te beëindigen. De artikelen 2.25 tot en met 2.28 spelenin op deze risico’s door allereerst het aangewezen warmtebedrijf teverplichten in deze situatie de gebouweigenaar van een gebouw dat zichbevindt binnen een warmtekavel waarvoor in het omgevingsplan regelszijn gesteld over het beëindigen van het gebruik van aardgas en hetaanleggen van een collectieve warmtevoorziening, een aanbod te doenom te worden aangesloten op deze collectieve warmtevoorziening. Degebouweigenaar krijgt dan een bepaalde termijn om dit aanbod niet teaanvaarden. Indien hij het aanbod aanvaardt dan wel – door verloop vantermijn – het aanbod stilzwijgend aanvaardt, is in artikel 2.27 geregeld dateen gebouweigenaar de aansluitovereenkomst niet kan beëindigen tot 3jaar na aanvang van de levering van warmte van de collectieve warmte-voorziening. Hieronder zal nader in worden gegaan op deze voorschriften.Het aangewezen warmtebedrijf doet aan de gebouweigenaren vangebouwen die op termijn verplicht van het gas af gaan een aanbod omaangesloten te worden op de collectieve warmtevoorziening (artikel 2.25,eerste lid). Bij de in reactie op dit aanbod door de gebouweigenaar tenemen beslissing kan deze de informatie betrekken die het aangewezenwarmtebedrijf ingevolge artikel 2.24, eerste en tweede lid, en artikel 230m,van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek moet verstrekken. Het warmtebe-drijf doet het aanbod uiterlijk op een door het college vast te stellentijdstip nadat bij regels in het kader van het omgevingsplan is bepaald datin de wijk of het gebied waarin het betreffende gebouw is gelegen optermijn de aardgasvoorziening wordt beëindigd en verwarming door eencollectieve warmtevoorziening is aangewezen. Als de gebouweigenaar hetaanbod al dan niet stilzwijgend aanvaardt wordt hij voor tenminste driejaar aangesloten op de collectieve warmtevoorziening. Voor de ontwik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 372 keling van de collectieve warmtevoorziening is het daarbij vanzelf-sprekend van belang dat het aanbod voldoende aantrekkelijk is voorgebouweigenaren. Naarmate het aantal gebouweigenaren dat niet wenstte worden aangesloten toeneemt, zal het gelet op het feit dat de kostendan over een kleiner aantal partijen worden verdeeld immers voor deoverige gebouweigenaren steeds minder aantrekkelijk worden om aan tesluiten op de collectieve warmtevoorziening. Hier ligt een gezamenlijkbelang van de gemeente die in het omgevingsplan heeft gekozen voorcollectieve warmte en het warmtebedrijf dat hiervoor is aangewezen. Hetal dan niet aansluiten van grootverbruikers, waaronder verhuurders ofVvE’s die de van het warmtebedrijf te ontvangen warmte doorleveren aande (eigenaar-)bewoners van appartementen in een gebouw, is van extragroot belang voor de haalbaarheid van de collectieve warmtevoorzieningin de warmtekavel. Daarom ligt het voor de hand dat het aangewezenwarmtebedrijf en de gemeente al in een stadium dat voorafgaat aan hetdaadwerkelijke aanbod bij dergelijke grootverbruikers peilen of zijinteresse hebben in een aansluiting op de collectieve warmtevoorzieningen dat deze grootverbruikers actief worden betrokken bij de totstand-koming van een uitvoeringsplan inzake de collectieve warmtevoorziening.Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat het warmtebedrijf bij deopt-out-inventarisatie voor onaangename verrassingen komt te staan.De gebouweigenaar heeft zoals opgemerkt de mogelijkheid om voor eenalternatieve individuele warmtevoorziening te kiezen. Hij kan ervoorkiezen het aanbod van het warmtebedrijf niet te aanvaarden. De gebouw-eigenaar zal een ruime termijn krijgen waarbinnen hij kan aangeven nietaangesloten te willen worden op de collectieve warmtevoorziening engebruik wil maken van de opt-out. Deze termijn zal bij ministeriëleregeling worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat voor degebouweigenaar duidelijk is dat hij in plaats van de door de gemeenteverkozen collectieve warmtevoorziening ook voor een individueleoplossing kan kiezen en dat hij een redelijke termijn krijgt om hierover eenbesluit te nemen. Om zeker te stellen dat een gebouweigenaar zichbewust is van de gevolgen van zijn keuze is in artikel 2.25, vierde lid,bepaald dat het aangewezen warmtebedrijf de gebouweigenaar voorzietvan informatie over de gevolgen van zijn keuze. Daarbij zal het warmtebe-drijf de gebouweigenaar er in ieder geval op wijzen dat het niet gebruikmaken van het aanbod betekent dat de gebouweigenaar zelf verantwoor-delijk wordt voor een alternatieve warmtevoorziening en dat het niet tijdignemen van beslissingen terzake er mogelijk toe kan leiden dat het gebouwop termijn na het uitfaseren van de inzet van aardgas niet meer verwarmdkan worden.Na afloop van de termijn zal de gebouweigenaar die geen gebruik heeftgemaakt van de opt-out er door het aangewezen warmtebedrijf opgewezen worden dat hij stilzwijgend het aanbod van het warmtebedrijfom aangesloten te worden op de collectieve warmtevoorziening heeftaanvaard. Indien hij het aanbod stilzwijgend heeft aanvaard door determijn te laten verlopen, moet het aangewezen warmtebedrijf degebouweigenaar de gelegenheid geven binnen 14 dagen de overeen-komst zonder opgave van redenen en kosteloos te ontbinden (opt-out). Nadit moment kan de aansluitovereenkomst de eerste drie jaar, rekenendvanaf de aanvang van de warmtelevering, niet ontbonden worden, omdater kosten worden gemaakt op basis van de verwachte deelname. Ditbetekent dat gebouweigenaren de eerste drie jaar verplicht zijn aange-sloten op de collectieve warmtevoorziening. Daarnaast mag ook deverbruiker die warmte geleverd krijgt in een gebouw waarvan degebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden als bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, zijnleveringsovereenkomst de eerste drie jaar na aanvang van de warmtele-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 373 vering niet opzeggen (artikel 2.34). Het aangewezen warmtebedrijf heeftdan in ieder geval een periode van drie jaar waarin een deel van de kostenkunnen worden terugverdiend en heeft drie jaar de tijd om zijn kwaliteitvan dienstverlening te bewijzen aan de verbruikers.Overigens geldt de opt-out regeling en de aansluitplicht van drie jaar ookvoor nieuw op te richten gebouwen (zowel grootverbruikers als kleinver-bruikers) die zich bevinden binnen een warmtekavel waar een collectievewarmtevoorziening wordt aangelegd of al aanwezig is en gebouweige-naren verplicht van het gas moeten afgegaan (artikel 2.28).Na de periode van drie jaar kan de gebouweigenaar op verzoek en tegenbetaling van een afsluitvergoeding worden afgesloten van de collectievewarmtevoorziening (artikel 2.29). Het aangewezen warmtebedrijf maghiervoor een door de ACM vastgesteld afsluittarief in rekening brengen.Als het een afsluiting van een grootverbruiker met een individueleaansluiting betreft, kan het aangewezen warmtebedrijf op grond vanartikel 2.29, tweede lid, een op zijn verzoek door de ACM vast te stellenextra tarief in rekening brengen. De ACM kan dit extra tarief vaststellenindien naar het oordeel van de ACM het aangewezen warmtebedrijf doordeze afsluiting structureel geen redelijk rendement kan behalen of deafsluiting leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor deresterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening. Ingeval vanafsluiting van een grootverbruiker met een centrale aansluiting kan ergeen extra tarief in rekening worden gebracht. Het gaat dan immers omeen situatie waarin er uiteindelijk via de centrale aansluiting wordtgeleverd aan individuele huurders of leden van een VvE. Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastge-steld over de wijze waarop de ACM het tarief berekent. Daarbij wordtgedacht aan een verhoging van de tarieven vanaf 5 tot 10% per jaar. Metdeze bepaling wordt rekening gehouden met de hiervoor genoemde groteimpact van het aansluiten en daarmee ook afsluiten van grootverbruikersop de businesscase van de collectieve warmtevoorziening.Opt-inNaast de opt-out is ook gekeken naar de mogelijkheid van een actieveopt-in. Bij een opt-in bepaling kan de gebouweigenaar alleen wordenaangesloten op de collectieve warmtevoorziening als hij dit explicietkenbaar maakt («nee, tenzij»). Een opt-in zou voor de hand liggen als eengebouweigenaar – en zijn omgeving – relatief weinig hinder ondervindtwanneer zijn individuele keuze verkeerd uitpakt, bijvoorbeeld omdat ervoldoende alternatieven voorhanden zijn. Bij het proces rondomcollectieve warmtevoorzieningen ligt dat anders. De gemeente heeft – naeen zorgvuldig besluitvormingsproces waar participatie met toekomstigeverbruikers deel van uitmaakt – bepaald dat in een wijk een collectievewarmtevoorziening (als beste alternatief om de wijk te verduurzamen)aangelegd wordt en op termijn de aardgasvoorziening wordt beëindigd.Indien een gebouweigenaar in die situatie afziet van het aanbod omaangesloten te worden op de collectieve warmtevoorziening, dan moetdat een bewuste individuele keuze zijn waarvan hij de consequenties involdoende mate kan overzien. In het geval dat hij die keuze niet kan of wilmaken, prevaleert de collectieve warmtevoorziening. De opt-outmogelijkheid («ja, tenzij») sluit hierop aan. Een opt-in bepaling leidtmogelijk ook tot het uitstellen van keuzes. Dat leidt tot twee problemen.Ten eerste dat de gebouweigenaar geen alternatief heeft voor verwarmingop gas op het moment dat deze optie wegvalt. Ten tweede moet erop enigmoment voldoende zekerheid zijn over het aantal aansluitingen om decollectieve warmtevoorziening goed te kunnen ontwerpen en exploiteren.De opt-out laat onverlet dat het aanbod om aan te sluiten op de collec-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 374 tieve warmtevoorziening voldoende aantrekkelijk zal moeten zijn. Is datniet het geval, dan zullen er immers te veel gebouweigenaren het aanbodniet aanvaarden en van de opt-out gebruik maken, waardoor dehaalbaarheid van het collectieve aanbod afneemt.Alternatief voor de collectieve warmtevoorzieningIn plaats van de aansluiting op de collectieve warmtevoorzieningwaarvoor de gemeente in het omgevingsplan heeft gekozen kan eengebouweigenaar kiezen voor een alternatieve, individuele warmtevoor-ziening. Gebouweigenaren zijn namelijk niet verplicht om aan te sluitenop het collectieve alternatief voor aardgas dat de gemeente kiest. Eenalternatieve oplossing is, mits het aan de regels van Besluit bouwwerkenleefomgeving voldoet, toegestaan om zo de keuzevrijheid te waarborgen.In de basis hebben alle gebouweigenaren de mogelijkheid om, binnen dealgemene regels die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgevinggelden voor de energieprestatie van voorzieningen voor ruimtever-warming en warm tapwater, te kiezen voor een andere voorziening dan dedoor de gemeente aangeboden voorziening. Het transport van aardgasnaar alle woningen en gebouwen zal echter gelet op de genoemde keuzein het omgevingsplan wel worden beëindigd.In dit wetsvoorstel wordt in artikel 2.26 geregeld dat het warmtebedrijfeen gebouweigenaar een nieuw aanbod voor een aansluiting dient tedoen, indien een gebouweigenaar die eerder heeft aangegeven nietaangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breidencollectieve warmtevoorziening alsnog verzoekt om een aansluiting.De gebouweigenaar kan dus terugkomen op een opt-out. Bijvoorbeeld alsde gebouweigenaar toch geen individueel alternatief wil realiseren ofindien is gebleken dat het alternatief dat de gebouweigenaar wil reali-seren niet voldoet aan de regels van het Besluit bouwwerken leefom-geving en dus niet is toegestaan. Het warmtebedrijf hoeft een dergelijkaanbod niet te doen indien het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is deleveringsaansluiting aan te brengen of door de leveringsaansluiting deoverige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken enverplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden.Geen opt-out regeling als gemeente ervoor kiest geen regels op te stellenmet betrekking tot de uitfasering van fossiele brandstoffen.De artikelen 2.25 tot en met 2.28 gelden alleen voor de situatie waarin degemeente in haar omgevingsplan heeft bepaald dat er in een bepaaldgebied op termijn het gebruik van fossiele brandstoffen wordt beëindigden een collectieve warmtevoorziening is aangewezen. Denkbaar is datgemeenten wel een warmtekavel hebben vastgesteld en een warmtebe-drijf hebben aangewezen, maar ervoor kiezen om geen gebruik te makenvan de bevoegdheid om bewoners te verplichten de aardgasvoorzieningte beëindigen. Het aangewezen warmtebedrijf kan dan wel een collectievewarmtevoorziening realiseren op de warmtekavel als het college instemtmet het uitgewerkt kavelplan, maar de artikelen 2.25 tot en met 2.28,waaronder de opt-out regeling, zijn dan niet van toepassing. Achter-liggend idee is dat als er ook nog een aardgasvoorziening in dat gebied is,het niet voor de hand ligt om gebouweigenaren door een stilzwijgendeaanvaarding te binden aan het aanbod van het warmtebedrijf. Ook is hetniet wenselijk om gebouweigenaren in dat geval te verplichten om deeerste drie jaar warmte af te nemen van de collectieve warmtevoor-ziening. De gebouweigenaar kan op het moment dat hij het aanbod vanhet warmtebedrijf krijgt, immers nog niet inschatten of warmte voor hemde voordeligste optie is ten opzichte van aardgas op het moment dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 375 warmtelevering van start gaat. Warmtebedrijven staat het uiteraard welvrij om de gebouweigenaren een aanbod voor een aansluiting op dewarmtevoorziening te doen, die de gebouweigenaren actief kunnenaanvaarden. Dit aanbod moet de elementen omvatten zoals opgenomenin artikel 2.24.3.7.9. Consumentenbescherming Consumentenbescherming is één van de belangrijkste uitgangspuntenvan dit wetsvoorstel. Gezien het monopoloïde karakter van collectievewarmte zijn waarborgen in dit wetsvoorstel opgenomen ten aanzien vande eigendom van warmtebedrijven, de tariefregulering, leveringsze-kerheid en is de rechtspositie van de verbruiker ten opzichte van dewarmtebedrijven in aanvulling op de huidige bescherming aangescherpt.Hierdoor wordt beter ingespeeld op de kwetsbare positie die verbruikersvan warmte als gebonden verbruikers hebben. In de eerste plaats geldt deverplichting van een publiek meerderheidsbelang. Deze verplichting isonder andere ingegeven met het oog op een betere borging van publiekebelangen. De verwachting is dat hierdoor bescherming van verbruikersbeter is verankerd. Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel kostengeba-seerde tariefregulering voorgesteld, waardoor verbruikers wordenbeschermd tegen tarieven die hoger zijn dan de efficiënte kosten die eenwarmtebedrijf maakt. Ook kent fase 1 van de tariefregulering nog eenadditionele rendementstoets. Verder is meer openheid van kostenverplicht ten behoeve van de verbruiker en voor handhavingsdoeleinden.Zo weet de verbruiker beter waarvoor deze betaalt en kan de ACM hiermeer en beter op sturen. In het beleid rondom leveringszekerheid zijn ookmeerdere waarborgen in dit wetsvoorstel opgenomen om te voorkomendat de verbruiker in de kou komt te zitten. Er is gekozen voor zowel eenstrenge controle bij de aanwijzing, rapportageverplichtingen tijdens deaanwijzing en mogelijkheden tot ingrijpen bij acute leveringszekerheids-problemen.Verbruikers worden verder beschermd door de bepalingen over consu-mentenbescherming in het Burgerlijk Wetboek. In aanvulling op dezeconsumentenbescherming zijn in dit wetsvoorstel bepalingen uit deWarmtewet waarin verbruikers worden beschermd overgenomen enaangevuld. Consumenten moeten voorafgaand aan het sluiten van eenleveringsovereenkomst goed geïnformeerd worden over allerlei aspectenmet betrekking tot de levering van warmte opdat zij weloverwogenhierover een besluit kunnen nemen. In het wetsvoorstel is explicietgeregeld dat een warmtebedrijf levert tegen transparante tarievenalsmede onder transparante en redelijke voorwaarden. Waar relevant isde bescherming die de Energiewet aan consumenten biedt in ditwetsvoorstel op vergelijkbare wijze verwerkt. Zo zal ook alleen bij vastecontracten een opzegvergoeding in rekening kunnen worden gebracht endient het warmtebedrijf te voorzien in een interne klachtenprocedure.Vergelijkbaar met de huidige regelgeving zullen verbruikers beschermdworden tegen beëindiging van levering wegens wanbetaling.Zoals toegelicht in paragraaf 3.7.6 zijn ook de bepalingen ten aanzien vande onderbreking van de levering van warmte op onderdelen aange-scherpt. Deze aanscherpingen betreffen met name een eerlijker storings-compensatie en ook zijn de eisen aan de storingsregistratie strengergeworden. In het wetsvoorstel wordt hiermee ten opzichte van deWarmtewet beter toegezien op kwaliteit van de geleverde warmte.In de situatie van nieuwe aansluiting op een collectieve warmtevoor-ziening verzekeren de regels een keuzevrijheid van potentiële verbruikers.Warmtebedrijven doen gebouweigenaren in geval van aanleg ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 376 uitbreiding van een warmtenet een aanbod om aangesloten te worden.Gebouweigenaren hebben de keuze dit aanbod te aanvaarden. Er isdaarmee voor gekozen geen aansluitplicht op de collectieve warmtevoor-ziening te introduceren. In het geval gebouweigenaren van het gas afmoeten geldt dit aanbod pas als (stilzwijgend) aanvaard als zij niet binnende aangegeven termijn het aanbod verwerpen of geen gebruik maken vanhet ontbindingsrecht. Hiermee wordt enerzijds een continuïteit vanenergievoorziening geborgd maar anderzijds de gebouweigenaar zo goedmogelijk een keuzevrijheid geboden. In andere gevallen hebben gebouw-eigenaren actief de mogelijkheid om het aanbod om aangesloten teworden op een collectieve warmtevoorziening al dan niet te aanvaarden.3.7.10. Het meten van het verbruik van warmte In artikel 2.40 tot en met 2.42 zijn regels voorgesteld ten aanzien van hetmeten van het verbruik van warmte. Een aangewezen warmtebedrijfbaseert de aan de verbruiker in rekening te brengen kosten voor hetverbruik van warmte op een warmtemeter, warmtekostenverdeler of eengebruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek (artikel 2.40,eerste lid).Bij de warmtelevering van een aangewezen warmtebedrijf ten behoevevan verbruikers in individuele woningen of gebouwen zal het verbruik vanwarmte gemeten worden met een warmtemeter. In dat geval is hetimmers niet voorstelbaar dat een individuele warmtemeter niet technischhaalbaar of kostenefficiënt zou zijn. In appartementsgebouwen enmultifunctionele gebouwen met meerdere afzonderlijke eenheden leverenwarmtebedrijven soms ook direct aan verbruikers met een eigenwarmtemeter. Wanneer er in dergelijke gebouwen geen gemeenschappe-lijke ruimten (waaronder bijvoorbeeld gangen en trappen) zijn dieverwarmd moeten worden, baseert een warmtebedrijf zich voor de aan deverbruiker in rekening te brengen kosten voor de levering van warmteenkel op het geregistreerde gebruik van de warmtemeter.Het meten van warmte in appartementsgebouwen en multifunctionelegebouwen, zoals kantoorgebouwen en winkelcentra, wordt het verbruikvan warmte gemeten met behulp van een warmtekostenverdeelsyste-matiek, dat wil zeggen door middel van een combinatie van een warmte-meter, een warmtekostenverdeler of een verbruiksonafhankelijkeverdeling. Hierbij geldt als uitgangspunt dat in beginsel gebruik gemaaktdient te worden van een warmtemeter. Als dat niet technisch haalbaar ofniet kostenefficiënt is, dient gebruik gemaakt te worden van warmtekos-tenverdeler die het warmteverbruik per radiator registreert. Alleen in hetuitzonderlijke geval dat warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt zijn,kan gebruik gemaakt worden van enkel een verbruikonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek. Bij een verbruiksonafhankelijkeverdeling worden de kosten verdeeld naar rato van één of meer constanteverdeelgrondslagen zoals per perceel, vloeroppervlak, inhoud van dewoning zonder gebruik te maken van een warmtemeter of een warmte-kostenverdeler.De verplichting dat het installeren van een warmtemeter het uitgangspuntvormt (en dat deze op afstand uitleesbaar moet zijn) volgt uit richtlijn2012/27/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2012betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en2006/32/EG (PbEU 2012, L 315) (hierna: richtlijn 2012/27/EU) en richtlijn2018/2002/EU van het Europees parlement en de Raad van 11 december2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PbEU 2018, L 328) (hierna: richtlijn 2018/2002/EU). In deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 377 Warmtewet zien de meetverplichtingen alleen op kleinverbruikers vanwarmte. Artikel 6a van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie op de meetverplichtingen is van toepassing op grootverbruikersvan warmte. Aangezien deze verplichting nagenoeg gelijk zijn is ervoorgekozen om in dit wetsvoorstel de verplichtingen te laten gelden voorzowel kleinverbruikers als grootverbruikers.3.7.11. Toegang van warmtebronnen Er zijn verschillende typen toegangsregulering te onderscheiden. Zo is ereen onderscheid te maken tussen het stellen van regels voor hetaansluiten van meerdere warmteproducenten op een warmtenet en regelsvoor het toelaten van meerdere bedrijven die warmte leveren aanverbruikers. Vervolgens kan nog de vraag gesteld worden of die toegang(in meer of mindere mate) verplichtend moet worden voorgeschreven.Uitgangspunt is dat regulering voor toegang alleen zinvol is als hetdaadwerkelijk leidt tot een beter functionerende warmteketen, gelet op debetaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid.Toegang van warmtebronnenToegang voor warmteproducenten tot de collectieve warmtevoorziening iswenselijk. Het tot ontwikkeling brengen en aansluiten van diverse lokaleduurzame warmtebronnen kan de verduurzaming versnellen en deefficiëntie en betrouwbaarheid van de warmtelevering binnen eenwarmtekavel bevorderen. Het is daarom goed als warmtebronnen diebeter presteren ten opzichte van alternatieven ten aanzien van deduurzaamheid, betaalbaarheid of leveringszekerheid worden benut voorde warmtelevering. Deze warmtebronnen kunnen in eigendom zijn vanhet warmtebedrijf, maar kunnen ook van derden zijn. Door de regels in ditwetsvoorstel over duurzaamheid en leveringszekerheid en door detariefregulering heeft een aangewezen warmtebedrijf sterke prikkels omook de best beschikbare warmtebronnen te gebruiken.De vraag welke mix van warmtebronnen het beste is voor de invulling vande taak van het aangewezen warmtebedrijf is daarentegen niet eenduidigte beantwoorden. De voorwaarden waaronder een warmtebron kanworden aangesloten op een warmtesysteem worden in belangrijke matebepaald door de technische eigenschappen van de collectieve warmte-voorziening. In dit wetsvoorstel zijn regels opgenomen over de toegangvan producenten van warmte en restwarmte tot de collectieve warmte-voorziening (artikel 2.43). Een warmtebedrijf dient op verzoek van eenwarmteproducent allereerst informatie te verstrekken over de vraag naarproductiecapaciteit nu en in de toekomst. Het kan daarbij bijvoorbeeldgaan om additionele duurzame productiecapaciteit waarvoor hetaangewezen warmtebedrijf mogelijk een warmtebron zoekt. Indien ervraag is naar productiecapaciteit verstrekt het aangewezen warmtebedrijfook informatie over de kenmerken hiervan. Bijvoorbeeld of het gaat ombasislast, pieklast of back-up. Verder dient het aangewezen warmtebedrijfop basis van het verzoek van de warmteproducent ook informatie teverstrekken over de technische kenmerken van de collectieve warmtevoor-ziening, waaronder de druk, de temperatuur, de duurzaamheid van dewarmte en het debiet. Tot slot wordt ook informatie over het afname-profiel en de jaarlijkse afname van het betreffende warmtesysteem opaanvraag overlegt aan de warmteproducent.Indien een aangewezen warmtebedrijf niet kan ingaan op een verzoek vanwarmtebron over het gebruik van de warmtebron, dan dient dezeafwijzing gemotiveerd te worden. Toegang tot warmtetransportnetten iseen aparte casus. Het wettelijk kader voor de warmtetransportbeheerderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 378 borgt hier toegang voor warmteproducenten en warmtebedrijven ondergelijke condities.Vanwege de specifieke eigenschappen van elk systeem zullen generiekeregels voor verplichte toegang voor warmtebronnen tekortschieten. Eenverplichting zou zich ook slecht verhouden tot de integrale verantwoorde-lijkheid van een aangewezen warmtebedrijf. Het warmtebedrijf zoudesondanks gedwongen kunnen worden bepaalde warmtebronnen tegaan gebruiken, waardoor inbreuk wordt gedaan op die verantwoorde-lijkheid. Regels resulterend in verplichte toegang van warmtebronnenkunnen het functioneren en de uitbreiding van warmtesystemen mogelij-kerwijs zelfs ondermijnen doordat het tot verdringing van bestaandewarmtebronnen zou kunnen leiden, met toenemende investeringsonze-kerheid als gevolg voor warmtebedrijven en warmteproducenten. In ditwetsvoorstel wordt daarom niet voorzien in verplichte toegang voorwarmtebronnen tot een collectieve warmtevoorziening. Ook in deverplichte toegang van een warmtebron ten behoeve van het transpor-teren van warmte naar een andere partij dan het aangewezen warmtebe-drijf wordt niet voorzien.Toegang tot een collectieve warmtevoorziening van een warmtebedrijfArtikel 2.43 ziet enkel op toegang van warmtebronnen. Hoewel er geenregels worden voorgesteld over de toegang van het ene warmtebedrijf totde collectieve warmtevoorziening van een ander warmtebedrijf (metuitzondering van overgangsrechtelijke situaties), staat het wetsvoorstel ditniet in de weg. Uitgangspunt is dat het verlenen van toegang nooit kanbetekenen dat meerdere warmtebedrijven actief zijn op één collectievewarmtevoorziening om in concurrentie op het warmtesysteem warmte televeren. Met een aanwijzing verkrijgt een warmtebedrijf immers eenexclusief recht op het transport en de levering van warmte binnen eenvastgesteld warmtekavel. Wel bestaat er een mogelijkheid dat hetaangewezen warmtebedrijf van het ene warmtekavel zijn collectievewarmtevoorziening ter beschikking stelt voor het transport van warmtenaar een ander warmtekavel. Het is aan de aangewezen warmtebedrijvenom hier onderling uit te komen. Van belang is dat in het geval aange-wezen warmtebedrijven hiervoor kiezen, zij invulling kunnen blijven gevenaan hun taken als aangewezen warmtebedrijf op het punt van bijvoor-beeld leveringszekerheid en duurzaamheid. Een warmtebedrijf dient altijdvoldoende broncapaciteit (basislast, piek en back-up) en transportcapa-citeit tot zijn beschikking te hebben om aan de opgetelde warmtevraag inzijn warmtekavel te voldoen. Verder is het ook toegestaan dat decollectieve warmtevoorziening van een aangewezen warmtebedrijfingezet wordt om warmte naar de glastuinbouw of industrie te transpor-teren. In zo’n situatie gelden de taken en verplichtingen die het aange-wezen warmtebedrijf heeft op grond van dit wetsvoorstel alleen voor hetdeel waarmee wordt geleverd aan verbruikers.3.7.12. Eigendom warmtenet Integrale verantwoordelijkheid en eigendom warmtenetEen belangrijk uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat het aangewezenwarmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voor een efficiënte(betaalbare) en betrouwbare warmtelevering binnen een specifiekwarmtekavel. Het is daarmee niet gezegd dat alle activiteiten binnen deketen ook door één warmtebedrijf uitgevoerd moeten worden. Het staathet warmtebedrijf vrij om activiteiten binnen het systeem te beleggen bijandere partijen (artikel 2.12, vijfde lid). Denk aan de warmteproductie,netaanleg en -onderhoud of facturering en klantenservice. Er blijftderhalve een ruime variatie aan samenwerkingsverbanden mogelijk. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 379 aangewezen warmtebedrijf moet echter in alle gevallen volledigaanspreekbaar zijn op de continuïteit en kwaliteit van de warmteleveringin zijn warmtekavel.Om op een goede manier invulling te kunnen geven aan deze integraleverantwoordelijkheid is voorgesteld dat het aangewezen warmtebedrijfbeschikking moet hebben over de eigendom van het warmtenet van decollectieve warmtevoorziening waarop diens aanwijzing betrekking heeft.Immers, als de aansluiting eenmaal gemaakt is, bepaalt het warmtenethoe een gebouw of wijk verwarmd wordt. De inzet van warmtebronnenkan veelal in de loop der jaren nog wisselen. De warmtenetten vertegen-woordigen doorgaans ook de grootste financieringslast en kennen eenlevensduur die dat van warmtebronnen meestal overschrijdt. Om de juisteeconomische keuzes te kunnen maken voor een optimale werking van decollectieve warmtevoorziening zal het aangewezen warmtebedrijf zowelde korte termijn operationele rol («system operator») als lange termijninvesteringen in het warmtesysteem (waaronder in de verduurzamingervan) moeten kunnen overzien.De voorgestelde regel dat de eigendom van het warmtenet berust bij hetaangewezen warmtebedrijf betekent dat het aangewezen warmtebedrijfdirect over alle activa en toebehoren beschikt en die beslissingen kannemen die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de taken. In deuitvoering en financiering van zijn taken kan het aangewezen warmtebe-drijf op deze wijze in voldoende mate zelfstandig opereren. Het warmtebe-drijf is in deze vorm in staat om de taken naar behoren uit te voeren. Hetkan hiervoor bijvoorbeeld zelf externe financiering aantrekken. Hetaangewezen warmtebedrijf is daarmee in staat de kwaliteit van decollectieve warmtevoorziening en de warmtelevering binnen de warmte-kavel in stand te houden en te optimaliseren. Indien de eigendom niet bijhet aangewezen warmtebedrijf zelf, wordt het warmtebedrijf voorbijvoorbeeld de financiering en de uitvoering van zijn taken afhankelijkvan een derde partij. Deze afhankelijkheid kan ertoe leiden dat hetaangewezen warmtebedrijf niet (tijdig) in staat wordt gesteld de taken uitte voeren, terwijl het warmtebedrijf volledig verantwoordelijk is voor dejuiste uitvoering van de taken. Dit moet met het oog op de leveringsze-kerheid voor verbruikers te allen tijde worden voorkomen.Eigendom van warmtebronnen en inkoop van warmteGegeven het belang van warmtebronnen in een collectieve warmtevoor-ziening is het de vraag of een aangewezen warmtebedrijf niet ook deeigendom van de warmtebronnen in handen zou moeten hebben. Ookaan de aanbodzijde zien we immers vaak een sterke afhankelijkheid vaneen beperkt aantal warmtebronnen (de facto monopolie). In diversesituaties, bijvoorbeeld bij WKO’s, is de warmtebron logischerwijs ook inhanden van het aangewezen warmtebedrijf. Warmtebron en installatie zijndan praktisch niet goed los te koppelen. Een wettelijke vereiste rondom deeigendom van warmtebronnen stuit echter op meerdere bezwaren. Teneerste zijn er diverse productie-installaties van warmte die niet alleenwarmte produceren. Zo is restwarmte uitsluitend een restproduct van eenprimair productieproces. Bij een warmtekrachtcentrale (WKC) is er ooksprake van elektriciteitsproductie. Een afvalverbrander die warmte levert,verwerkt in de eerste plaats afval. Het vereiste van eigendom verhoudtzich in deze situaties niet tot het doel, namelijk dat het warmtebedrijfzelfstandig kan voldoen en aangesproken kan worden op zijn taken. Voorhernieuwbare warmtebronnen, zoals geothermie en aquathermie, isbovendien een markt die nog sterk in ontwikkeling is. Voor het behalenvan de klimaatdoelen is het belang van voldoende investeringen in dezeduurzame productiecapaciteit evident. Het niet toelaten van andereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 380 partijen en investeerders dan aangewezen warmtebedrijven tot dezemarkt zou die ontwikkeling beperken. Dat zou het doel van een verderegroei van duurzame warmtesystemen frustreren. Dat neemt niet weg datde integrale verantwoordelijkheid van het aangewezen warmtebedrijf bijde inkoop van warmte dwingt om selectief te zijn met welke externeproducent en onder welke voorwaarden een contract wordt gesloten enom goede en gedetailleerde afspraken te maken over de technische eneconomische afstemming met distributie en levering. Bovendien moet hetaangewezen warmtebedrijf in zijn investeringsplannen laten zien hoe hetomgaat met de afhankelijkheid van een bepaalde warmtebron, nu en in detoekomst. Om de toegang tot warmtebronnen tegen de juiste condities tebevorderen zijn aanvullende regels gesteld in artikel 2.43 (zie paragraaf3.7.11).4. Kleine collectieve warmtesystemen 4.1. Algemeen De vaststelling van een warmtekavel is maatwerk. Idealiter doet het rechtaan de lokale variatie ten aanzien van type warmtebronnen enverbruikers. Het creëert het juiste schaalniveau waarop een efficiëntebedrijfsvoering van de collectieve warmtevoorziening en een efficiënteinzet van beschikbare warmtebronnen mogelijk wordt. Warmtekavels vaneen grotere omvang kunnen in het algemeen tot economische schaalvoor-delen leiden. Indien er meerdere warmtebronnen aangesloten kunnenworden op een collectieve warmtevoorziening kan dat ook de leveringsze-kerheid vergroten. Bovendien bieden grotere warmtekavels demogelijkheid om naast de voor collectieve warmte aantrekkelijkegebouwen ook voor collectieve warmte minder aantrekkelijke gebouwenaan te sluiten op de collectieve warmtevoorziening en kosten hierbij teverevenen. «Cherry-picking» waarbij alleen de voor collectieve warmteaantrekkelijke gebouwen worden aangesloten op een collectievewarmtevoorziening wordt daarmee voorkomen.Dit neemt niet weg dat ook de ontwikkeling van kleine collectievewarmtesystemen wenselijk is en tot versnelling van de warmtetransitie zalleiden. Een klein collectief warmtesysteem is een warmtesysteem datwarmte levert aan een beperkt aantal verbruikers en personen (maximaal1500 verbruikers of huurders en leden van een VvE in één bepaalde wijkof buurt of zelfs in één enkel appartementencomplex). Bij kleine collec-tieve warmtesystemen kan het gaan om buurtinitiatieven, zoals energie-coöperaties, die zijn opgericht om warmte voor en in een buurt of wijk teproduceren en te leveren. Het kan echter ook gaan om andersoortigeprojecten, zoals kleinschalige private WKO-systemen.In zijn algemeenheid geldt voor kleine collectieve warmtesystemen dat zijminder profiteren van de hiervoor genoemde voordelen die groteresystemen bieden. Aan de andere kant geldt dat de overwegingen die tengrondslag liggen aan de keuze in dit wetsvoorstel dat alleen een warmte-bedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapaangewezen kunnen worden voor nieuwe warmtekavels bij kleinecollectieve warmtesystemen minder zwaar wegen.Gelet op het voorgaande is voorgesteld dat voor kleine collectievewarmtesystemen een ontheffing verleend kan worden van het verbodopgenomen in artikel 1.2, eerste lid, waardoor deze systemen zonderaanwijzing ontwikkeld kunnen worden. Warmtebedrijven kunnen hierdoorkleine collectieve warmtesystemen eenvoudiger en met minder adminis-tratieve lasten aanleggen en exploiteren. De ontheffing kan daarmee voorkleine collectieve warmtesystemen compensatie bieden voor het nadeelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 381 dat in mindere mate geprofiteerd kan worden van de bovengenoemdevoordelen voor de grote collectieve warmtevoorzieningen. Het blijftdaardoor aantrekkelijk om ook deze kleine warmtesystemen te ontwik-kelen hetgeen in het belang van de warmtetransitie is.Om te voorkomen dat als gevolg van de ontheffing de met ditwetsvoorstel beoogde borging van de betrouwbaarheid, betaalbaarheiden duurzaamheid van collectieve warmte in gevaar komt is voorgesteldom belangrijke regels voor aangewezen warmtebedrijven ook – maarsoms in een iets lichtere vorm – van toepassing te laten zijn voorwarmtebedrijven met een ontheffing. Zo gelden voor het warmtebedrijfdezelfde taken als voor een aangewezen warmtebedrijf en is het betref-fende warmtebedrijf ook net als een aangewezen warmtebedrijf verplichtom de ACM via een rapportage te voorzien van informatie over haarorganisatorische en technische bekwaamheid, de financiële situatie en deborging van de leveringszekerheid en duurzaamheid. Om de administra-tieve lasten die voortvloeien uit deze verplichte rapportages te beperken isvoorgesteld dat een warmtebedrijf met een ontheffing deze rapportageseens in de drie jaar in plaats van jaarlijks opstelt. De informatie in het planleveringszekerheid en duurzaamheid kan bovendien op bedrijfsniveauaangeleverd worden, dit hoeft niet uitgesplitst te worden naar elk kleincollectief warmtesysteem. Ten slotte bestaat voor het warmtebedrijf meteen ontheffing niet de verplichting om een uitgewerkt kavelplan en eeninvesteringsplan op te stellen en is de ontheffingsprocedure eenvoudigerdoordat er geen globaal kavelplan overlegd hoeft te worden. Hiermeewordt bereikt dat voor warmtebedrijven die een klein collectief warmte-systemen exploiteren de administratieve lasten minder zwaar zijn danvoor een aangewezen warmtebedrijf terwijl tegelijkertijd de belangen vande op het klein collectief warmtesysteem aangesloten verbruikers en debetrouwbaarheid en duurzaamheid geborgd worden.4.2. Omvang klein collectief warmtesysteem Een klein collectief warmtesysteem levert warmte aan een beperkt aantalverbruikers en personen. Voorgesteld is de grens te leggen op de leveringaan maximaal 1500 verbruikers, waarbij voor deze telling ook huurders enVvE-leden aan wie warmte wordt door geleverd worden betrokken. Er isgekozen voor het opnemen van een grens, omdat het achterwege latenvan een grens er in potentie toe kan leiden dat grote groepen verbruikersonder het voor kleine collectieve warmte systemen geldende lichtereregime gaan vallen. Vanuit het oogpunt van proportionaliteit is ervoorgekozen om de grens op een niveau vast te zetten zodat voor eenbetekenisvolle hoeveelheid kleine collectieve warmtesystemen deregeldruk wordt beperkt. Uit gegevens van de Rijksdienst voor Onder-nemend Nederland (RVO) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)blijkt dat momenteel tussen de 11% en 22% van alle aansluitingengerealiseerd zijn door een collectief warmtesysteem met minder dan 1500aansluitingen. Het vaststellen van een grens boven de 1500 aansluitingenis echter maatschappelijk gezien onaanvaardbaar om een aantal redenen.In de eerste plaats, omdat de beperkte bescherming van de verbruiker dieis aangesloten op een klein collectief warmtesysteem dan niet meer inverhouding zou staan tot de omvang van het systeem. Er is immersminder vergaande bescherming vanwege het feit de rapportageverplich-tingen rondom leveringszekerheid en duurzaamheid minder streng zijn.Ook geldt dat er geen sprake is van een warmtebedrijf met een verplichtpubliek meerderheidsbelang, waardoor de voordelen hiervan voor debescherming van de consument achterwege blijven. Verder is hetmogelijk dat een warmtebedrijf dat een klein collectief warmtesystemenexploiteert actief is binnen de warmtekavel van een aangewezenwarmtebedrijf. Met een grens van meer dan 1500 aansluitingen zal naarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 382 verwachting in veel gevallen het aangewezen warmtebedrijf door deontheffing structureel geen rendement meer kunnen behalen of zal sprakezijn van een significante verhoging van de tarieven. Dit zou ook opgespannen voet staan met wat is beoogd met artikel 2.1, eerste lid,onderdeel a. Een warmtekavel dient zodanig te worden vastgesteld dateen warmtebedrijf binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoor-ziening op een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren. Wanneernaderhand te grote delen van de warmtekavel worden uitgezonderd dooreen ontheffing zal dit gedurende de aanwijzingsperiode een doelmatigeaanleg en exploitatie alsnog in de weg kunnen staan.4.3. Ontheffing Voorgesteld is het college de bevoegdheid te geven op aanvraag van eenwarmtebedrijf voor een klein collectief warmtesysteem een ontheffing teverlenen van het verbod van artikel 1.2, eerste lid, om zonder aanwijzingwarmte te transporteren of te leveren (artikel 3.1). In de ontheffing wordtdoor het college bepaald voor welk gebied deze ontheffing geldt. Het zalhier gaan om het gebied waar het klein collectief warmtesysteem wordtvoorzien. Uit de systematiek van artikel 3.1, eerste lid, volgt dat indien eenaanvraag wordt ingediend deze ook als eerste zal worden beoordeeld.Toets ACMAllereerst zullen warmtebedrijven hun voornemen om een ontheffing aante vragen melden bij de ACM. In reactie op die melding zal de ACMaangeven of zij het nodig acht de organisatorische, technische enfinanciële kwaliteit van het warmtebedrijf te toetsen. Ook als de ACM vanmening is dat deze toets niet noodzakelijk is en het aan het college is omdeze aspecten te toetsen, zal de ACM dit aan het warmtebedrijf melden.Het gaat hier om een toets die vergelijkbaar is met de toets die istoegelicht in paragraaf 3.5.6. Een aanvraag om een ontheffing zal alleendan in behandeling worden genomen als de ACM heeft vastgesteld dathet warmtebedrijf over de vereiste kwaliteiten beschikt ofwel heeftaangegeven een toets niet nodig te achten (artikel 3.1, derde en vijfde lid).Met deze regeling wordt de ACM in de gelegenheid gesteld om indien zijdit nodig acht voorafgaand aan de ontheffing de kwaliteit van hetwarmtebedrijf te toetsen. Dit is van belang in het licht van de voorgesteldehandhavende bevoegdheden van de ACM ten aanzien van warmtebe-drijven die een klein collectief warmtesysteem exploiteren.ToetsingskaderIn artikel 3.1, zesde lid, zijn de afwijzingsgronden opgenomen als hetontheffingsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft in een warmte-kavel van een aangewezen warmtebedrijf ligt. Het college dient eenaanvraag voor een ontheffing af te wijzen als één of meer van dezeafwijzingsronden van toepassing is. Om landelijke uniformiteit te bereikenen willekeur bij de beoordeling van aanvragen te voorkomen is voorge-steld dat een aanvraag uitsluitend op grond van deze afwijzingsgrondenmag worden afgewezen.Hieronder worden de afwijzingsronden benoemd en toegelicht.a.Allereerst wordt een aanvraag afgewezen indien het college tot deconclusie komt dat het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over deorganisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor deuitvoering van de taken in het gebied waarvoor ontheffing is aange-vraagd en het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is detaken uit te voeren (onderdelen a en b). Dit is belangrijk, omdat ookeen klein collectief warmtesysteem gebonden verbruikers heeft dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 383 voor de levering van hun warmte afhankelijk zijn van een warmtebe-drijf. Dat warmtebedrijf moet daarom wel voldoende bekwaam ensolvabel zijn. Deze afwijzingsgronden zijn alleen van toepassing als deACM deze aspecten niet reeds heeft getoetst (artikel 3.1, achtste lid).b.Een aanvraag moet ook worden afgewezen indien het klein collectiefwarmtesysteem onlosmakelijk verbonden is met een ander kleincollectief warmtesysteem en deze systemen gezamenlijk geen kleincollectief warmtesysteem zijn (onderdeel c). Hiermee wordt voorko-men dat een collectief warmtesysteem dat eigenlijk geen kleincollectief warmtesysteem is door opsplitsing in twee of meer delengebruik kan maken van de ontheffingsmogelijkheid, terwijl deze nietvoor een dergelijk groter systeem bedoeld is.c.Verder wordt een aanvraag afgewezen indien aannemelijk is dat opkorte termijn het collectief warmtesysteem waarvoor ontheffing wordtaangevraagd geen klein collectief warmtesysteem meer zal zijn(onderdeel d). Daarbij zal het meestal gaan om de verwachting dat hetaantal verbruikers op korte termijn groter dan 1500 zal worden.Evenals bij de hiervoor genoemde afwijzingsgrond wordt ook met dezeafwijzingsgrond beoogd te voorkomen dat warmtebedrijven dekavelsystematiek en aanwijzingsprocedure opgenomen in hoofdstuk 2van het wetsvoorstel kunnen ontlopen.d.Een ontheffing van een klein collectief warmtesysteem op eenwarmtekavel mag de verduurzaming van de gebouwde omgeving inde rest van de warmtekavel waarbinnen het ontheffingsgebied ligt nietbelemmeren. Het college wijst daarom de ontheffingsaanvraag af alshet voor dit warmtekavel aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeftgemaakt dat het door de ontheffing structureel geen redelijk rende-ment meer kan behalen (onderdeel e). In de eerste jaren na deinwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal de ACM de maximumtarie-ven baseren op de gasreferentie met een correctie. In deze eerste fasevan de tariefregulering zal een verkleining van de afname van warmtedoor het verlenen van een ontheffing voor een klein collectiefwarmtesysteem niet direct leiden tot een wijziging in de maximumta-rieven voor de verbruikers. Dit kan echter wel leiden tot een lagerrendement van het aangewezen warmtebedrijf, omdat zijn collectievewarmtevoorziening in de toekomst mogelijk minder efficiënt wordtgeëxploiteerd. Indien het voor het aangewezen warmtebedrijfstructureel niet meer mogelijk is om een redelijk rendement tebehalen, dient de ontheffing te worden afgewezen. Het is aan hetaangewezen warmtebedrijf om dit aan te tonen.e.Ook wijst het college een aanvraag af als het warmtebedrijf dat isaangewezen voor de warmtekavel waarbinnen het ontheffingsgebiedligt aannemelijk heeft gemaakt dat de ontheffing leidt tot een signifi-cante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikers vanzijn collectieve warmtevoorziening (onderdeel f). Hiermee wordtvoorkomen dat door de ontheffing een collectieve warmtevoorzieningniet rendabel is en de daarop aangesloten verbruikers significantenadelen daarvan zullen ondervinden. Deze afwijzingsgrond zal relevantzijn in de fase dat de tarieven van verbruikers worden vastgesteld aande hand van door de ACM vastgesteld toegestane inkomsten perwarmtekavel. In die fase kan een verkleining van de afname vanwarmte door een ontheffing wel gevolgen hebben voor de tarievenvan de overige verbruikers in de warmtekavel van het aangewezenwarmtebedrijf. Ook hier is het aan het aangewezen warmtebedrijf omdit aan te tonen.f.Tenslotte wijst het college de ontheffingsaanvraag af als het aanneme-lijk is dat de in de aanvraag beschreven gevolgen voor verbruikers dieop het klein collectief warmtesysteem worden aangesloten redelijker-wijs niet uitvoerbaar zijn (onderdeel g). Hierbij kan bijvoorbeeldgedacht worden aan te hoge kosten voor gebouweigenaren als gevolgTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 384 van noodzakelijke extra isolatie van het gebouw of aanpassing van debinneninstallatie als gevolg van een lage temperatuur van degeleverde warmte.Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanvraag voor een ontheffingwordt ingediend voor een gebied dat buiten een warmtekavel ligt. In dezegevallen is voorgesteld dat het college de aanvraag tot ontheffing afwijstals door de ontheffing het moeilijk of onmogelijk wordt in dat gebied eencollectieve warmtevoorziening door een nog aan te wijzen warmtebedrijfaan te leggen (artikel 3.1, zevende lid). Daarbij geldt dat het waarschijnlijkmoet zijn dat in de toekomst voor dat gebied een warmtebedrijf zalworden aangewezen. Het feit dat in de toekomst waarschijnlijk eencollectieve warmtevoorziening zal worden aangelegd kan blijken uit hetwarmteprogramma. Het realiseren van een collectieve warmtevoorzieningin een gebied buiten een warmtekavel kan bijvoorbeeld moeilijk ofonmogelijk worden als het door de verminderde afzet niet meer rendabelis om bepaalde warmtebronnen te realiseren of als het voor een nog aante wijzen warmtebedrijf naar verwachting structureel niet meer mogelijk isom een redelijk rendement te behalen of als de verwachte tarieven voorde overige verbruikers in het gebied significant hoger zullen uitpakken alsgevolg van de ontheffing. Hiermee kan voorkomen worden dat een kleincollectief warmtesysteem de verduurzaming van de gebouwde omgevingin een bepaald gebied in de voorziene toekomst zal belemmeren. Hetcollege moet dit aantonen en onderbouwen. Hoe verder het college is inhet proces en hoe concreter de plannen zijn, hoe gemakkelijker het voorhet college zal zijn om deze onderbouwing te geven. Tenslotte zijn in dezesituatie ook de onder punten a, b, c en f toegelichte afwijzingsgronden vantoepassing.4.4. Wijzigen, intrekken en overdragen ontheffing 4.4.1. Wijziging van de ontheffing De ontheffing kan worden gewijzigd (artikel 3.2). Het zal dan vrijwel altijdgaan om een aanvraag tot wijziging van de omvang van de ontheffing(het aantal verbruikers of de omvang van het gebied). Bij de beoordelingvan de aanvraag zal het college dezelfde afwijzingsgronden hanteren alsbij de beoordeling van de oorspronkelijke aanvraag tot ontheffing. Eenwijziging van een ontheffing kan er niet toe leiden dat de ontheffing nawijziging betrekking heeft op meer dan 1500 verbruikers. In dat geval gaathet immers niet langer om een klein collectief warmtesysteem en kan ergeen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een ontheffingaan te vragen.4.4.2. Intrekken van de ontheffing Het college is in een aantal situaties verplicht de ontheffing in te trekken.Het gaat hier allereerst om de situatie dat het college een melding van deACM heeft ontvangen waarin de ACM heeft vastgesteld dat er grond is deontheffing in te trekken, omdat het warmtebedrijf niet langer in staat iseen taak uit te voeren of vijf jaar na een eerste overschrijding van eenduurzaamheidsnorm nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan istoegestaan. Ook wordt de ontheffing ingetrokken als de ACM het collegeheeft gemeld dat het warmtebedrijf een opdracht van de ACM om doorhaar noodzakelijk geachte maatregelen te treffen niet is nagekomen. Hetgaat hier om situaties die zodanig ernstig zijn dat intrekking van deontheffing gerechtvaardigd is gelet op de publieke belangen vanbetrouwbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid (artikel 3.3, tweede lid,onderdeel a).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 385 Het college is ook verplicht de ontheffing in te trekken als het aantal ophet klein collectief warmtesysteem aangesloten verbruikers is gestegenboven het maximum van 1500 (artikel 3.3, tweede lid, onderdeel b).Hierdoor is er geen sprake meer van een klein collectief warmtesysteem.De warmtelevering zal dan niet langer onder de regulering vanhoofdstuk 3 vallen, maar onder de regulering van hoofdstuk 2. Voor diesituatie is geregeld dat het warmtebedrijf van rechtswege een aange-wezen warmtebedrijf wordt voor het gebied waarvoor de oorspronkelijkeontheffing gold (artikel 3.3, zesde lid). Het warmtebedrijf hoeft hiervoorniet opnieuw de aanwijzingsprocedure te doorlopen. Dit gebied wordt dangeacht een warmtekavel te zijn. Een dergelijke situatie zou zich kunnenvoordoen wanneer binnen het ontheffingsgebied nieuwe woningenworden gerealiseerd waarvoor het in de rede ligt dat ze worden aange-sloten op het klein collectief warmtesysteem, maar waardoor het aantalverbruikers boven de grens van 1500 uitkomt. Het moet dan wel gaan omeen uitbreiding die op het moment van het verlenen van de ontheffingnog niet voorzien was. Indien de uitbreiding wel voorzien was zou deaanvraag tot ontheffing immers afgewezen hebben moeten worden.Naast bovengenoemde twee situaties waarin het college verplicht is deontheffing in te trekken heeft het college de bevoegdheid om eenontheffing in te trekken als het warmtebedrijf de aan de ontheffingverbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt, het warmtebedrijf inde aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of hetwarmtebedrijf hierom verzoekt (artikel 3.3, derde lid). Bij de invulling vandeze bevoegdheid is het aan het college om een afweging te makentussen het belang van de intrekking en de gevolgen van deze intrekkingvoor onder meer de publieke belangen betrouwbaarheid, betaalbaarheiden duurzaamheid. Deze intrekkingsgronden zijn limitatief.Voorgesteld is dat een ontheffing pas kan worden ingetrokken als aan eenander warmtebedrijf voor hetzelfde gebied een ontheffing is verleend ofals een ander warmtebedrijf door het college is aangewezen (artikel 3.3,vierde lid). Daarmee wordt de continuïteit van de warmteleveringgeborgd. Het kan voorkomen dat het niet lukt om een ander geschiktwarmtebedrijf aan te wijzen of een ontheffing te verlenen. Hierdoor blijftde oorspronkelijke ontheffing gedurende een lange periode in stand,terwijl dat vanuit het belang van leveringszekerheid zeer ongewenst kanzijn, omdat de ACM bijvoorbeeld heeft vastgesteld dat het warmtebedrijfniet langer in staat is om de leveringszekerheid te borgen.In een dergelijke situatie kan de ACM gebruik maken van de in artikel 9.5opgenomen bevoegdheid om een andere partij dan het warmtebedrijf opte dragen maatregelen te treffen om de leveringszekerheid te borgen. Eendergelijke opdracht kan inhouden dat een andere partij de leveringstaakvan het warmtebedrijf (tijdelijk) overneemt en daarmee gaat optreden alsnoodwarmtebedrijf. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat een situatiemet een noodwarmtebedrijf te lang voortduurt, is het college verplichteen plan op te stellen waarin wordt beschreven hoe de levering vanwarmte in de tussentijd kan worden verzekerd. Deze verplichting gaat innadat een bij ministeriële regeling te bepalen termijn is verstrekenwaarbinnen het college een ander geschikt warmtebedrijf moet hebbengevonden (artikel 3.3, vijfde lid).4.4.3. Overdragen van de ontheffing Een ontheffing kan met instemming van het college worden overgedragenaan een ander warmtebedrijf (artikel 3.4). Het college wijst een aanvraagom instemming af als het andere warmtebedrijf onvoldoende beschiktover de organisatorische en technische bekwaamheid die noodzakelijk isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 386 voor de uitvoering van zijn taken of onvoldoende financieel in staat is omdeze taken uit te voeren. Net als bij het verlenen van de oorspronkelijkeontheffing kan de ACM naar aanleiding van een verplichte melding doorde houder van de ontheffing aangeven dat zij de bekwaamheid enfinanciële situatie van het andere warmtebedrijf wil toetsen. Bij deaanvraag om overdracht van de ontheffing overlegt het warmtebedrijfvervolgens de reactie van de ACM op de melding en, indien vantoepassing, het besluit van de ACM waarin is vastgesteld dat het anderewarmtebedrijf over de vereiste kwaliteiten beschikt. In dat laatste gevalblijft een toetsing door het college op de bekwaamheden en financiëlesoliditeit van het andere warmtebedrijf achterwege. Zie ook de toelichtingop de toetsing door de ACM in paragraaf 4.3. Ook wijst het college deaanvraag af als het warmtebedrijf aan wie de ontheffing wordt overge-dragen niet heeft ingestemd met de overdracht.4.5. Taken De taken van het warmtebedrijf met een ontheffing voor een kleincollectief warmtesysteem zijn gelijk aan de taken die gelden voor eenaangewezen warmtebedrijf (artikel 3.6). Voor een nadere toelichtinghierop wordt verwezen naar paragraaf 3.6 waarin de gelijkluidende takenvoor het aangewezen warmtebedrijf zijn toegelicht.4.6. Verplichtingen 4.6.1. Financiële monitoring Zoals toegelicht in paragraaf 4.1 zijn een groot aantal verplichtingen diegelden voor een aangewezen warmtebedrijf ook verplicht voor eenwarmtebedrijf met een ontheffing (artikel 3.7).Daarnaast is het warmtebedrijf met een ontheffing eens per drie jaarverplicht in een plan in te gaan op haar organisatorische en technischebekwaamheid en haar financiële situatie (artikel 3.8). Afgezien van defrequentie van drie jaar komt deze verplichting overeen met deverplichting die voor een aangewezen warmtebedrijf geldt. Dit geldt ookvoor de verplichting om een verslechtering van de financiële situatie temelden en de bevoegdheden voor de ACM om in te grijpen indien zij ditnodig acht. Kortheidshalve wordt verwezen naar de betreffendetoelichting in paragraaf 3.7.2.4.6.2. Plan leveringszekerheid en duurzaamheid Verder is een warmtebedrijf met een ontheffing verplicht om in een plante beschrijven hoe zij invulling geeft aan haar taken ten aanzien van hetborgen van de leveringszekerheid en de duurzaamheid (artikel 3.9). Om delasten van deze verplichting ten opzichte van een aangewezen warmtebe-drijf te verminderen is ook voorgesteld dat dit plan niet ieder jaar, maareens in de drie jaar moet worden opgesteld. Het warmtebedrijf is verplichtdit plan op verzoek van de ACM of het college te verstrekken. De ACM kanambtshalve of op advies van het college het warmtebedrijf opdragen hetplan te wijzigen.4.6.3. Normen voor de uitstoot van broeikasgassen Een warmtebedrijf dat een klein collectief warmtesysteem exploiteert zalmoeten voldoen aan dezelfde duurzaamheidsnormen die gelden vooraangewezen warmtebedrijven (artikel 2.20 gelezen in samenhang metartikel 3.5). Uit onderzoek is gebleken dat voor bestaande kleine collec-tieve warmtesystemen die als warmtebron een WKO-systeem of eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 387 gasketel hebben de verduurzaming van de warmtebron technischemoeilijk is en daardoor leidt tot disproportionele kosten. Dat komt doordatdeze systemen zich vaak bevinden in steden waar onvoldoende ruimte isvoor de ontwikkeling van nieuwe warmtebronnen. Met het oog hierop isde ACM de bevoegdheid gegeven om op aanvraag voor een periode eenontheffing te verlenen van deze normen zodat een warmtebedrijf ruimerde tijd heeft aan deze normen te voldoen (artikel 3.10). De ACM kan determijn waarvoor ontheffing geldt bepalen. De ACM heeft daarnaast demogelijkheid om de ontheffing te verlengen.4.6.4. Noodprocedure Er kunnen situaties van acute financiële of technische problemen ontstaanwaardoor de leveringszekerheid bij de levering van warmte aan een kleincollectief warmtesysteem in gevaar komt. Mocht dit het geval zijn danheeft de ACM verschillende mogelijkheden tot ingrijpen. Allereerst kan deACM het warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen (artikel 2.13,derde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.7). Daarnaast kan de ACMeen stille bewindvoerder aanstellen om de leveringszekerheidssituatie teherstellen (artikel 9.6). Mocht dit onvoldoende soelaas bieden dan kan deACM om de leveringszekerheid te borgen ook het bestuur vervangen(artikel 9.7). De ACM kan ten slotte een derde opdragen maatregelen tetreffen indien deze opdracht noodzakelijk is om de leveringszekerheid tewaarborgen, en de leveringszekerheidsproblemen niet opgelost kunnenworden door het warmtebedrijf op te dragen maatregelen te nemen. Hetkan hier onder andere gaan om het aanwijzen van een noodwarmtebedrijf(artikel 9.5). Zie ook paragraaf 3.7.5 waar de noodprocedure voorcollectieve warmtevoorzieningen en paragraaf 10.4 waar de interventiebe-voegdheden van de ACM zijn toegelicht.5. Verhuurders en VvE’s 5.1. Ontheffing Artikel 1.2, eerste lid, voorziet in een verbodsbepaling waardoor het voorverhuurders en VvE’s of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm (zoals eencoöperatieve vereniging) verboden is warmte te transporteren of televeren aan hun huurders respectievelijk hun leden. Deze verbodsbe-paling is opgenomen om te waarborgen dat de gemeente de regie houdt.Het gaat in deze situaties vaak om woningcomplexen (flatgebouwen) methuur of koopwoningen. Dergelijke woningcomplexen kunnen voor eenaangewezen warmtebedrijf belangrijk zijn voor de haalbaarheid van decollectieve warmtevoorziening. Het wegvallen daarvan als gevolg van hetfeit dat een verhuurder of VvE zelf warmte produceert en levert aan haarhuurders of leden kan de gewenste realisatie van een collectievewarmtevoorziening binnen de door het college vastgestelde warmtekavellastiger of zelfs onmogelijk maken. Er kunnen natuurlijk ook situaties zijnwaarin dit niet het geval is. Daarom zijn in hoofdstuk 4 van ditwetsvoorstel bepalingen opgenomen die het voor het college mogelijkmaken om een ontheffing te verlenen van het verbod.Het gaat hier om VvE’s en verhuurders die zelf een collectief warmte-systeem (laten) aanleggen en zelf warmte leveren aan hun leden ofhuurders die niet afkomstig is van een warmtebedrijf. Als de VvE ofverhuurder warmte die zij heeft ontvangen van een warmtebedrijfdoorlevert aan haar eigen leden of huurders, is die doorlevering toege-staan en is daarvoor geen ontheffing nodig (zie artikel 1.2, eerste lid,onderdelen e en f).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 388 5.2. Ontheffingsprocedure MeldingOm de uitvoeringslasten voor gemeenten zoveel mogelijk te beperken isvoorgesteld dat een VvE of een verhuurder het voorgenomen transport ende voorgenomen levering van warmte meldt aan het college (artikel 4.1,eerste lid). Het college beslist vervolgens of de verhuurder of VvE eenontheffing moet aanvragen. Een verhuurder of VvE wordt geacht eenontheffing van het verbod in artikel 1.2, eerste lid, verkregen te hebbenindien het college binnen een in bij ministeriële regeling bepaalde termijnniet reageert op de melding van de verhuurder of VvE (artikel 4.1, derdelid).ToetsingskaderAls het college heeft besloten dat een ontheffing nodig is, beoordeelt hetcollege de aanvraag. Het toetsingskader vertoont grote gelijkenis met datvoor het verlenen van een ontheffing voor een klein collectief warmte-systeem. Ook bij de ontheffing voor de voorgenomen warmteleveringdoor een verhuurder of VvE zal het college beoordelen of er ongewensteeffecten zijn op de huidige of toekomstige collectieve warmtevoorzieningvan een aangewezen warmtebedrijf.Het gebied waar de aanvraag om een ontheffing op ziet kan in eenwarmtekavel van een aangewezen warmtebedrijf liggen. Het college is ineen dergelijke situatie verplicht de aanvraag af te wijzen als het aange-wezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffinghet aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement meerkan behalen (artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a). Een afwijzing is ook aande orde als het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt datdoor de ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van decollectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijfsignificant verhoogd zullen moeten worden (artikel 4.2, tweede lid,onderdeel b).Het gebied waar de aanvraag om een ontheffing op ziet kan ook buiteneen warmtekavel liggen. Het college wijst de aanvraag in een dergelijkesituatie alleen af als door de ontheffing het moeilijk of onmogelijk wordtin dat gebied een collectieve warmtevoorziening door een nog aan tewijzen warmtebedrijf aan te leggen (artikel 4.2, derde lid). Wel moet hetwaarschijnlijk zijn dat in de toekomst voor dat gebied een warmtebedrijfzal worden aangewezen. Het is aan het college om dit te onderbouwen.Het college zal dit moeten doen op basis van inschattingen aangezien ernog geen collectieve warmtevoorziening is aangelegd, nog geenwarmtebedrijf is aangewezen en misschien zelfs nog niet eens eenwarmtekavel is vastgesteld. Daarbij geldt dat hoe concreter de plannenzijn, hoe gemakkelijker het voor het college zal zijn om deze afwijzings-grond te onderbouwen.5.3. Wijzigen, intrekken of overdragen van een ontheffing Een significante wijziging van het warmtesysteem van een verhuurder ofVvE moet worden gemeld bij het college (artikel 4.3). Het college kan danbesluiten dat de verhuurder of VvE alsnog een ontheffing moet aanvragenof dat een wijziging van een reeds bestaande ontheffing moet wordenaangevraagd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 389 Het college kan de ontheffing intrekken (artikel 4.4). Om de continuïteitvan de warmtevoorziening te waarborgen mag het college een ontheffingpas intrekken als een andere verhuurder of VvE een ontheffing is verleendof een ander warmtebedrijf verantwoordelijk is voor de levering vanwarmte op grond van hoofdstuk 2 of 3 van dit wetsvoorstel. De ontheffingkan ook worden overgedragen. Overdracht aan een andere verhuurder,VvE of daarmee vergelijkbare rechtsvorm is alleen mogelijk als deze partijwarmte levert en transporteert waarop de oorspronkelijke ontheffingbetrekking had (artikel 4.5).5.4. Verplichtingen VvE’s en verhuurders Voor VvE’s en verhuurders gelden alleen de regels opgenomen inhoofdstuk 4. Het is onwenselijk dat een VvE of verhuurder die eenontheffing heeft gekregen, de taken en verplichtingen krijgt die voorwarmtebedrijven gelden op grond van de hoofdstukken 2 en 3. Huurdersworden immers al beschermd door het huurrecht en de leden van de VvEworden beschermd door de organisatiestructuur van de VvE. De keuze omeen VvE of verhuurder niet te reguleren als een warmtebedrijf is gemaaktbij de Wet van 4 juli 2018 tot wijziging van de Warmtewet (wijzigingennaar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet) (Stb. 2018, 311). Deaanleiding hiervoor was dat zowel verhuurders als VvE’s die warmteleverden aangaven dat zij als gevolg van de Warmtewet geconfronteerdwerden met hoge en disproportionele administratieve lasten en extrakosten. Ook gaven zowel verhuurders als huurders aan dat er eensamenloop is met bescherming van de warmtelevering door deverhuurder aan de huurder in zowel het Burgerlijk Wetboek als hethuurrecht. Dit leidde tot onduidelijkheid over de rechtspositie van zowelverhuurder als huurder. Deze verwarrende situatie werd door beidepartijen als onwenselijk ervaren. Verbruikers die warmte afnamen van eenVvE waarvan zij tevens lid zijn hebben toen aangegeven dat zij deWarmtewet ervaren als overbodige bescherming tegen zichzelf.Waar warmtebedrijven die voor een klein collectief warmtesysteem eenontheffing hebben verkregen op grond van artikel 3.1 wel zullen moetenvoldoen aan een groot deel van de taken en verplichtingen op grond vanhoofdstuk 2, geldt dit om voornoemde reden niet voor VvE’s enverhuurders. Ook de tariefreguleringssystematiek voor kleine collectievewarmtesystemen is niet van toepassing op de levering van warmte doorVvE’s en verhuurders aan hun leden respectievelijk hun huurders.Een uitzondering wordt gemaakt voor de regels met betrekking tot demeetverplichtingen en de facturering, welke voortvloeien uit de richtlijn2012/27/EU. Deze zijn mede gelet op het dwingende karakter van Europeserichtlijnen wel van toepassing op de VvE’s en verhuurders die warmteleveren aan hun leden respectievelijk huurders (artikel 4.6). Dat alleendeze verplichtingen van toepassing zijn is in lijn met artikel 1a, tweede lid,van de Warmtewet.6. Warmtetransportnetten In hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel zijn regels voorgesteld voor warmte-transportnetten. Een warmtetransportnet is een transportnet ten behoevevan het transport van warmte dat van belang is voor de regionalewarmtevoorziening. Het warmtetransportnet zorgt voor het transport vanwarmte tussen warmtebronnen enerzijds en collectieve warmtevoorzie-ningen van aangewezen warmtebedrijven en andere afnemers vanwarmte van een warmtetransportnet anderzijds. De regulering vanwarmtetransportnetten is erop gericht om in uitzonderlijke situaties teborgen dat een overschot aan duurzame warmte in de regio door middelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 390 van grootschalige warmtetransportinfrastructuur maximaal bijdraagt aande betaalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid van de warmte-voorziening. De kern van de regulering ziet toe op het creëren enreguleren van taken voor de beheerder van een warmtetransportnet, dewarmtetransportbeheerder. Bij het opstellen van deze regulering isrekening gehouden met bestaande initiatieven en voorziene initiatievenvoor het transporteren van warmte over langere afstand.In dit hoofdstuk wordt eerst een toelichting gegeven op de aanwijzing vande warmtetransportbeheerder (6.1). Daarna worden de taken van dewarmtetransportbeheerder toegelicht (6.2) en daaropvolgend deverplichtingen die op de warmtetransportbeheerder rusten (6.3). Tot slotwordt toegelicht welke verplichtingen er gelden voor derde partijen (6.4).6.1. Aanwijzing van een warmtetransportbeheerder 6.1.1. Alleen aanwijzing warmtetransportbeheerder bij specifiekegrootschalige regionale uitdaging Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat het zonder aanwijzing van eenaangewezen warmtebedrijf of aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder verboden is warmte te leveren of te transporteren.Alleen bij een specifieke grootschalige regionale uitdaging wordt voorziendat de aanwijzing van een onafhankelijke warmtetransportbeheerder doorde Minister proportioneel is en een betere waarborg biedt voor deduurzaamheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid van de warmtevoor-ziening dan het wettelijk regime voor collectieve warmtevoorzieningen(hoofdstuk 2). Het gaat hier om een situatie waarin het aanbod vanmeerdere duurzame warmtebronnen de lokale warmtebehoefte struc-tureel overstijgt en waarbij zonder betrokkenheid van een onafhankelijkepartij het overschot aan warmte niet of niet op maatschappelijke optimalewijze beschikbaar kan worden gemaakt voor de regio. Maatschappelijkoptimaal wil zeggen dat keuzes voor wat betreft dimensionering, traceringen fasering van de infrastructuur die nodig is voor het ontsluiten van hetwarmteoverschot aansluiten bij een efficiënte warmtetransitie in de regio.Maatschappelijk optimaal wil ook zeggen dat dergelijke infrastructuur nauitrol tegen non-discriminatoire voorwaarden beschikbaar is voor alleafnemers. Alleen bij deze specifieke regionale uitdaging in combinatie metde grootschaligheid van de voorziene infrastructuur die nodig zal zijn omhet warmtebronnencluster te ontsluiten wegen de voordelen van hetaanwijzen van onafhankelijk warmtetransportbeheerder (gesplitst model)op tegen de nadelen. De splitsing tussen productie en levering enerzijdsen netbeheer anderzijds die in dit hoofdstuk wordt voorgeschreven is dusniet gericht op het creëren van de voordelen die concurrentie op hetwarmtetransportnet zou kunnen hebben. Om te waarborgen dat eenwarmtetransportbeheerder alleen wordt aangewezen wanneer sprake isvan genoemde grootschalige regionale uitdaging is in het wetsvoorsteleen toetsingskader opgenomen (artikel 5.1, zesde lid). Het aanwijzen vaneen warmtetransportbeheerder is nadrukkelijk niet bedoeld als laagdrem-pelige oplossing voor regionale afstemmingsvraagstukken in hetalgemeen en ook niet voor situaties waarbij enkel sprake is van eenmeerdere duurzame warmtebronnen waarvoor geldt dat het wenselijk isals deze beschikbaar gemaakt worden voor meerdere afnemers in deregio (of om concurrentie op het net te introduceren). De regulering vanhoofdstuk 2 biedt immers voldoende mogelijkheden om door onderlingesamenwerking zonder het aanwijzen van een onafhankelijk warmtetrans-portbeheerder warmtebronnen regionaal te ontsluiten. Een aangewezenwarmtebedrijf dat voor het ontsluiten van warmtebronnen warmte overlangere afstand transporteert kan bijvoorbeeld ook ten behoeve van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 391 ander aangewezen warmtebedrijf voor één of meerdere warmtekavelswarmte transporteren. Van het aanwijzen van een warmtetransportbe-heerder kan in zo’n situatie alleen sprake zijn als de benodigde infra-structuur niet of niet op maatschappelijk optimale wijze tot stand kankomen.6.1.2. Aanwijzing De aanwijzing geschiedt door de Minister op aanvraag van een onder-neming voor een bepaald gebied (artikel 5.1, eerste lid). Gekozen is vooreen zogenaamd «eerst-komt-eerst-maalt» systeem, omdat slechts weinigondernemingen in staat zullen zijn de taken van een warmtetransportbe-heerder uit te voeren. Uit de systematiek van artikel 5.1, eerste lid, volgtdat indien een aanvraag wordt ingediend deze ook als eerste zal wordenbeoordeeld. Het is echter vrijwel uitgesloten dat meerdere partijenvoornemens zullen zijn een aanvraag in te dienen om aangewezen teworden in hetzelfde gebied. Er gelden immers strikte voorwaarden vooronafhankelijk netbeheer (5.11), toegestane activiteiten (artikel 5.12) envolledig publiek eigendom (artikel 5.14). Voorts is de schaalgrootte vaneen warmtetransportnet dusdanig groot, dat ruime ervaring met deaanleg en het beheer van omvangrijke energie-infrastructuur vereist is ominvulling te kunnen geven aan deze rol. Tot slot zijn de financiële lastendie gepaard gaan met het realiseren van een warmtetransportnetaanzienlijk. Het aantal partijen die hiervoor in aanmerking komt is dus zeerbeperkt. Het is daarom vrijwel uitgesloten dat meerdere partijenvoornemens zullen zijn een aanvraag in te dienen om aangewezen teworden in hetzelfde gebied. Om deze reden dient een selectieproceduretussen verschillende ondernemingen geen doel. Met de aanwijzing krijgtde warmtetransportbeheerder de exclusieve bevoegdheid binnen het inde aanwijzing aangeduide gebied de in de wet opgenomen taken(artikel 5.6) uit te voeren. Voorgesteld is de aanwijzing voor minimaal 20en maximaal 30 jaar te verlenen gezien het langjarige karakter van deinvesteringen voor warmte(transport)infrastructuur.De aanleg van andere warmtenetten waardoor warmte wordt getranspor-teerd ten behoeve van een collectieve warmtevoorziening blijft mogelijkbinnen het gebied waarvoor de warmtetransportbeheerder is aange-wezen. Zo is het transporteren van warmte door een aangewezenwarmtebedrijf ten behoeve van de warmtelevering in een warmtekavelbinnen dit gebied bijvoorbeeld toegestaan. Ook is het transporteren vanwarmte voor industriële processen en productieprocessen en anderevormen van transport van warmte toegestaan (artikel 1.2, eerste lid,onderdelen a tot en met f). Voor andere partijen dan de warmtetransport-beheerder is het echter verboden om binnen het aanwijzingsgebied vande warmtetransportbeheerder netten aan te leggen en te exploiteren diehet karakter hebben van een warmtetransportnet. Ook laat het exclusieverecht van de warmtetransportbeheerder onverlet dat de warmtetransport-beheerder werkzaamheden door een derde kan laten uitvoeren. Dewarmtetransportbeheerder blijft evenwel verantwoordelijk voor deuitvoering van deze werkzaamheden (artikel 5.6, tweede lid).6.1.3. Aanwijzingsprocedure Toets ACMOm voor een aanwijzing in aanmerking te komen dient een ondernemingtechnisch en organisatorisch voldoende bekwaam te zijn en financieel instaat om de taken opgenomen in artikel 5.6 uit te voeren. De aanleg,onderhoud en exploitatie van warmtetransportnetten is complex. Er isvoldoende technische expertise nodig om de taken uit te kunnen voerenen eigen afwegingen te maken, zonder volledig afhankelijk te zijn vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 392 externe expertise. Daarnaast is (financiële) kennis en expertise vangrootschalige infrastructurele projecten nodig om de omvang encomplexiteit van dit soort projecten op een goede manier te kunnenbeheersen. Vanwege de inherent grote omvang van een warmtetrans-portnet zal het ook altijd grote investeringen vergen, die gegeven hetkarakter van een warmtetransportnet, over een lange tijd terugverdiendmoeten worden. De warmtetransportbeheerder dient dus zowelvoldoende financiële middelen tot zijn beschikking te hebben alsfinancieel gezond te zijn omwille van de continuïteit van de organisatie ende uitvoering van de taken. Met het oog hierop toetst de ACM of deonderneming die een aanvraag heeft ingediend om aangewezen teworden voldoende beschikt over de noodzakelijke technische en organisa-torische bekwaamheid en financieel voldoende in staat is de taken uit tekunnen voeren (artikel 5.1, tweede lid). Ook toetst de ACM of het gaat omeen partij die voldoende onafhankelijk is om de rol van warmtetransport-beheerder te kunnen vervullen (artikel 5.11, 5.12) en of voldaan wordt aande eigendomseisen (artikel 5.14).Advies gemeenten en provinciesVerder geldt dat voordat een onderneming kan worden aangewezen, deMinister advies zal inwinnen bij de gemeenten en provincies in debetreffende regio en deze adviezen meeweegt in het besluit (artikel 5.1,vijfde lid). Met deze adviezen kan de Minister toetsen of er draagvlak isvoor een aanwijzing van een warmtetransportbeheerder en een dergelijkeaanwijzing in de ogen van de gemeenten en provincies ook een oplossingbiedt voor de betreffende uitdagingen van de warmtetransitie in die regio.Toetsingskadera. Grootschalig aanbod warmtebronnenVoorgesteld is dat de Minister een onderneming alleen aanwijst alswarmtetransportbeheerder indien er sprake is van een grootschaligaanbod van meerdere warmtebronnen die de lokale warmtebehoeftestructureel overstijgt en die met regionale warmte-infrastructuur op demeest doelmatige wijze kan worden ontsloten. Dat betekent dat hetoverschot aan duurzame warmte niet lokaal kan worden ingezet. Het isimmers in beginsel niet doelmatig om beschikbare duurzame warmte dielokaal kan worden ingezet regionaal te transporteren. Verder dient hetsurplus aan duurzame warmte naar verwachting met grote zekerheidbeschikbaar te zijn gedurende de gehele levensduur van de (eventuele)infrastructuur waarmee de warmte voor de regio wordt ontsloten. Voortsis de doelmatigheid en maatschappelijke meerwaarde van de regionalewarmte-infrastructuur afhankelijk van welke lokale alternatieven er in eenregio zijn. Het is niet doelmatig als de infrastructuur leidt tot structureleverdringing van goedkopere, lokale duurzame alternatieven. Eenwarmtetransportnet is dus alleen doelmatig als daarmee warmtebeschikbaar wordt gemaakt op plekken in de regio waar er geen warmte-bronnen beschikbaar zijn of deze schaars of minder kostenefficiënt zijn.b. Breed potentieel aan afzonderlijke afnemersTen tweede wijst de Minister een onderneming uitsluitend aan indien naarverwachting meerdere afzonderlijke afnemers van warmte in verschil-lende gemeenten in de regio warmte van het warmtetransportnet zullenafnemen. Met afnemers worden bijvoorbeeld warmtebedrijven, deglastuinbouw en de industrie bedoeld. Met het warmtetransportnet wordtniet direct aan verbruikers geleverd. Logischerwijs kenmerkt de regio zichals een stedelijk gebied met dichte bebouwing en is de inzet van collec-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 393 tieve warmte in veel gebieden het alternatief voor aardgas met de laagstemaatschappelijke kosten. Het gaat dus om een gebied met veel afzetpo-tentie waarbij geldt dat de lange termijn vraagontwikkeling zich noggeheel of voor een groot deel moet vertalen naar concrete afspraken overafname.c. Maatschappelijk optimale infrastructuur komt zonder onafhankelijkepartij niet tot standTen derde wordt een warmtetransportbeheerder uitsluitend aangewezenals de ontsluiting van de warmtebronnen niet leidt tot een efficiëntewarmtetransitie in de regio door samenwerking tussen warmtebedrijvenmaar alleen door de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder. Erkan dus sprake zijn van een situatie waarbij de onderlinge samenwerkingtussen partijen in de regio die een belang hebben bij het ontsluiten vanhet warmtebronnencluster helemaal niet tot stand komt en waardoor hetoverschot aan duurzame warmte niet beschikbaar komt voor de regio. Ditleidt niet tot een efficiënte regionale warmtetransitie.Een achterliggende reden hiervoor kan zijn dat partijen in de regio hetbelang wel zien van de aanleg van de infrastructuur, maar dat partijen eenafwachtende houding blijven innemen of zich strategisch opstellen. Ookkan aan de orde zijn dat partijen in de regio die een belang hebben bij hetontsluiten van het warmteoverschot, voornemens zijn alleen ofgezamenlijk maatschappelijk suboptimale infrastructuur aan te leggen(qua dimensionering, tracering, fasering), waardoor op lange termijn eensubstantieel deel van het beschikbare warmteoverschot onbenut blijft.Een voorbeeld hiervan is dat één van de partijen die een belang heeft bijhet ontsluiten van het warmtebronnencluster bij de realisatie vaninfrastructuur die daarvoor nodig is enkel de vraagontwikkeling van zijneigen afzetgebied in ogenschouw neemt en keuzes rondom dimensio-nering, tracering en fasering van de infrastructuur daarop afstemt.Verdere groei van de infrastructuur wordt daarmee belemmerd met alsgevolg dat een deel van de maatschappelijke potentie van het warmte-bronnencluster onbenut blijft.Ook kan aan de orde zijn dat partijen in de regio die een belang hebben bijhet ontsluiten van het warmteoverschot, voornemens zijn alleen ofgezamenlijk maatschappelijk suboptimale infrastructuur aan te leggentegen veel hogere maatschappelijke kosten dan nodig wordt ontsloten.Een voorbeeld hiervan is dat meerdere partijen in de regio met eigeninfrastructuur het warmtebronnencluster ontsluiten ten behoeve van huneigen afzetgebied, waarbij de maatschappelijke kosten veel hogeruitvallen dan wanneer een onafhankelijke partij met een integraal ontwerpvoor een maatschappelijke optimaal warmtetransportnet de aanleg en hetbeheer van de infrastructuur op zich zou nemen. In zo’n situatie kanworden geconstateerd dat het maatschappelijk optimaal ontsluiten vanhet warmtebronnencluster niet zonder betrokkenheid van een onafhan-kelijk warmtetransportbeheerder tot stand kan komen.Wanneer voldaan is aan de criteria uit het toetsingskader zal naarverwachting sprake zijn van een regionale uitdaging waarbij het optimali-satievraagstuk alleen kan worden opgelost door het aanwijzen van eenonafhankelijke warmtetransportbeheerder. Hoewel de omvang van de(voorziene) infrastructuur als zodanig niet bepalend is of het aanwijzenvan een warmtetransportbeheerder al dan niet wenselijk is, impliceert hettoetsingskader dat het aanwijzen van een warmtetransportbeheerderalleen aan de orde is als sprake is van grootschalige voorziene warmte-vraag of grootschalige warmte-infrastructuur. In het kader van dewarmtetafel is in 2017 door stakeholders uit de warmtemarkt destijds deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 394 grens van 100.000 woningequivalenten genoemd als een indicatie voor deschaal voor warmtetransportnetten. Dit betekent niet dat er geen situatieskunnen zijn waarbij het aanwijzen van een warmtetransportbeheerdervoor een net met minder dan 100.000 woningequivalenten aan de orde zalzijn. Wel is de verwachting dat in geval de voorziene infrastructuur slechtseen beperkte omvang heeft de voordelen van de aanwijzing van eenwarmtetransportbeheerder naar verwachting niet opwegen tegen dekosten. Coördinatievraagstukken die mogelijk kunnen spelen bij eenkleinere vraagomvang en waarbij meerdere warmtekavels zijn betrokkenkunnen naar verwachting worden opgelost door onderlinge samen-werking. Coördinatievraagstukken op kleinere schaal kunnen bovendienmogelijk ook worden opgelost binnen de warmtekavel. Bijvoorbeeld doorhet vergroten van de warmtekavel door de gemeente. De bovenstaanderegionale uitdaging in combinatie met de omvang van de (voorziene)infrastructuur doet zich op dit moment in ieder geval voor in de regioZuid-Holland.6.2. Taken warmtetransportbeheerder 6.2.1. Regie en coördinatie in de regio De warmtetransportbeheerder is de centrale regiepartij bij de uitrol en hetgebruik van het warmtetransportnet. Er is een grote samenhang tussenhet ontstaan van nieuwe vraag (met name de uitrol van collectievewarmtevoorzieningen), aansluiten van nieuwe warmtebronnen (bijvoor-beeld het uitkoppelen van industriële restwarmte) en de uitrol en hetgebruik van het warmtetransportnet. Om te komen tot een efficiënte engecoördineerde ontwikkeling van het warmtetransportnet zal de warmte-transportbeheerder zich actief moeten inzetten om te coördineren tussen(potentiële) warmtebronnen en (potentiële) afnemers en als afgeleidehiervan het structurele overschot van warmte en de lange termijnvraagontwikkeling in de regio in beeld dienen te brengen. De warmte-transportbeheerder maakt op basis hiervan een doorvertaling naar eenintegraal ontwerp voor een maatschappelijk optimaal warmtetrans-portnet.6.2.2. Taken warmtetransportbeheerder De taken van de warmtetransportbeheerder (opgenomen in artikel 5.6)zien in hoofdlijnen op drie onderdelen: het netbeheer, de systeemoperatieen de rol van marktmeester.NetbeheerOnder netbeheer vallen de taken van het aanleggen, onderhouden enbeheren van het warmtetransportnet en het voorzien van partijen (diedaarom verzoeken) van een warmtetransportaansluiting (artikel 5.6, eerstelid, onderdelen a, b en c). De warmtetransportbeheerder dient dit op eenefficiënte en doelmatige wijze te doen, zodat de veiligheid en betrouw-baarheid van het warmtetransportnet geborgd zijn en dat het afgestemd isop de warmtevraag en -aanbod in de regio (artikel 5.6, eerste lid,onderdelen d en e). De warmtetransportbeheerder maakt voor de aanlegvan het warmtetransportnet – binnen de kaders van de taken – eigen-standig keuzes en afwegingen. Bij de uitrol van het warmtetransportnetmoeten er keuzes gemaakt worden over de dimensionering, tracering enfasering van de uitrol, alsmede naar welke gebieden er al dan geenleidingen worden aangelegd. Het is niet in algemene zin te zeggen welkekeuze leidt tot de meest doelmatige ontsluiting van de het overschot aanwarmtebronnen. Per regio en situatie kan het verschillen welke typewarmtebronnen en afnemers er zijn en daarmee ook hoe het publiekTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 395 belang van een efficiënte regionale warmtetransitie het beste geborgd kanworden. In dit wetsvoorstel wordt deze verantwoordelijkheid daarom bijde warmtetransportbeheerder neergelegd. De warmtetransportbeheerderzal bij verzoeken tot aansluiten in de regio dus ook continu moetenafwegen hoe deze investeringen voor het uitbreiden van het warmtetrans-portnet en het aansluiten van nieuwe partijen zich verhouden tot debetaalbaarheid, betrouwbaarheid en efficiëntie van het systeem alsgeheel, ook in het licht van de verdere doorgroei van het systeem.SysteemoperatieDe warmtetransportbeheerder is daarnaast verantwoordelijk voor desysteemoperatie. Onder systeemoperatie vallen de taken die gericht zijnop het dagelijks gebruik van het netwerk. Hieronder vallen de taken vanhet transporteren van warmte, het verdelen van transportcapaciteit, hetvaststellen van een temperatuurregime voor invoeden en afnemen,handhaven van de balans op het systeem en het vaststellen van hetprogramma (artikel 5.6, eerste lid, onderdelen f tot en met k). Ook hiervoorgeldt dat het sterk afhankelijk is van de situatie welke keuzes leiden toteen efficiënt en doelmatig gebruik van het transportnet. Dus ook hier dientde warmtetransportbeheerder zelfstandig keuzes te maken. Ditwetsvoorstel voorziet in de randvoorwaarden die moeten borgen dat dewarmtetransportbeheerder deze keuzes goed kan maken en verplich-tingen die maken dat de keuzes transparant en controleerbaar zijn.MarktmeesterTenslotte heeft een warmtetransportbeheerder ook een taak als markt-meester (artikel 5.6, eerste lid, onderdeel l). Een warmtetransportnet heeftper definitie meerdere gebruikers (warmtebronnen en afnemers) en wordtbeheerd door de warmtetransportbeheerder. Dat betekent dat er regels enafspraken moeten zijn hoe deze partijen onderling samenwerken op hetwarmtetransportnet. Deze regels worden het marktmodel genoemd: hetgeheel aan regels en randvoorwaarden waarbinnen partijen komen totafspraken (contracten) voor de realisatie en het gebruik van het warmte-transportnet.Het aantal partijen (warmtebronnen en afnemers) dat gebruik zal makenvan een warmtetransportnet zal naar verwachting in aantal relatiefoverzichtelijk zijn. Wel kunnen deze partijen in hoge mate verschillen inomvang, onderhandelingsmacht en in de mate van ervaring en expertiseop een dergelijke markt. De beoogde marktordening voor collectievewarmtevoorzieningen voorziet immers in een verscheidenheid aanmogelijke warmtebedrijven, van grootschalige tot kleinschalige. Vanuitmaatschappelijk oogpunt is het wenselijk dat al deze warmtebedrijvenonder redelijke voorwaarden en non-discriminatoir gebruik kunnen makenvan het warmtetransportnet.De warmtetransportbeheerder beperkt zich tot de taken gerelateerd aantransport van warmte. Partijen zullen dus met de warmtetransportbe-heerder een overeenkomst moeten afsluiten voor een aansluiting en voorhet transport van warmte. Aangesloten partijen (warmtebronnen ofafnemers) zijn daarnaast in beginsel zelf verantwoordelijk voor het sluitenvan overeenkomsten voor de inkoop en verkoop van warmte. Met namevoor kleinere partijen kan het aantrekkelijk zijn om gezamenlijk op tetrekken om zo een betere onderhandelingspositie te verkrijgen en omtransactiekosten te verminderen. Kleinere partijen zouden bijvoorbeeldkunnen overwegen om een gezamenlijk inkooporganisatie op te richten.Het is uiteraard wel van belang dat er samenhang is tussen de transport-contracten en de warmtecontracten. Dit is zowel in het belang van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 396 afnemers en warmtebronnen, als in het belang van het warmtetrans-portnet als geheel. Als een afnemer warmte contracteert bij eenwarmtebron, willen deze partijen natuurlijk ook zeker weten dat dezewarmte getransporteerd kan worden. Hier is dus afstemming nodig. Alsdeze afstemming goed verloopt, zal ook het warmtetransportnet alsgeheel efficiënter gebruikt kunnen worden, zodat er zo min mogelijkongebruikte warmtetransportcapaciteit is bij warmtebronnen en afnemersin staat zijn hun afname uit het systeem zo precies mogelijk af te stemmenop hun lokale collectieve warmtevoorziening.De rol van marktmeester van de warmtetransportbeheerder zoals die isneergelegd in artikel 5.6, eerste lid, onderdeel l, is erop gericht omwarmtebronnen en afnemers zo goed als mogelijk te verbinden zodat hetsysteem als geheel efficiënt benut kan worden. Dit verbinden van partijenziet enerzijds op het borgen dat partijen weten «wat er te krijgen is» ophet warmtetransportsysteem en anderzijds dat de contractvorming voortransport (bij de warmtetransportbeheerder) en voor warmte (tussenafnemers en warmtebronnen) zoveel als mogelijk in samenhang verloopt.Dit vereist dus een proactieve houding van de warmtetransportbeheerderdie in de regio kijkt hoe in de regio waar de aanwijzing op gericht is,partijen het beste verbonden kunnen worden. Tegelijkertijd gaat het omeen louter faciliterende rol, waarbij de warmtetransportbeheerder op geenenkele wijze als partij onderdeel uitmaakt van de onderhandelingentussen warmtebronnen en afnemers. Door de warmtetransportbeheerderwordt dus geen tussenpositie ingenomen anders dan als loket om tevoorzien in de informatiebehoefte van partijen. Dit kan bijvoorbeeld hetopzetten van een marktplaats zijn, het voorzien in diensten om overeen-komsten op elkaar af te stemmen en het voorzien in de informatiebe-hoefte van partijen. Om te borgen dat de warmtetransportbeheerder instaat is deze rol goed te vervullen, rust op de warmtetransportbeheerdereen aantal informatieverplichtingen (zie paragraaf 6.3.5. van dezetoelichting).6.3. Verplichtingen warmtetransportbeheerder 6.3.1. Meldplicht niet nakomen taken Voorgesteld is een warmtetransportbeheerder te verplichten de Ministeren de ACM onmiddellijk te melden als redelijkerwijs te voorzien is dat dewarmtetransportbeheerder niet langer een taak kan uitvoeren. Op kortetermijn na de melding moet de warmtetransportbeheerder onder meeraangeven welke maatregelen de warmtetransportbeheerder heeftgenomen en voornemens is te nemen om de taak weer uit te kunnenvoeren. De ACM kan de warmtetransportbeheerder opdragen maatre-gelen te treffen indien redelijkerwijs kan worden voorzien dat de warmte-transportbeheerder een taak niet langer kan uitvoeren. Mocht dit nietvoldoende zijn en de ACM stelt vast dat de warmtetransportbeheerderniet langer in staat is een taak uit te voeren of in strijd met een opdrachtom maatregelen te treffen handelt dan kan de ACM dit bij besluitvaststellen en dit melden aan de Minister. De Minister dient dan deaanwijzing in te trekken (artikel 5.3, tweede lid).6.3.2. Financiële monitoring ACM Voordat een warmtetransportbeheerder wordt aangewezen, moet wordengetoetst of de onderneming niet financieel ongezond is. Zoals toegelichtin paragraaf 6.1.2. dient een onderneming bij haar aanvraag om teworden aangewezen een besluit van ACM te overleggen waaruit blijkt datde onderneming voldoende beschikt over de organisatorische entechnische bekwaamheid die noodzakelijk is voor de uitvoering van de inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 397 dit wetsvoorstel opgenomen taken en onvoldoende financieel in staat isom deze taken uit te voeren. Daarvoor is het noodzakelijk dat de ACM nietalleen zicht heeft op de financiële gezondheid van de onderneming, maarook de eventuele groep waar deze onderneming deel van uit maakt. Alsde moedermaatschappij in problemen is, heeft dit immers effect op hetfunctioneren van de dochtermaatschappijen.Ook als de warmtetransportbeheerder eenmaal aangewezen is, is hetnoodzakelijk dat de ACM de organisatorische en technische bekwaamheiden de financiële situatie van de warmtetransportbeheerder en de groepwaartoe het behoort blijft monitoren. De ACM kan dan tijdig ingrijpen alsdoor de verslechterde financiële situatie de uitvoering van de taken van dewarmtetransportbeheerder in geding komt. Dit wetsvoorstel voorzietdaarin door de warmtetransportbeheerder te verplichten om jaarlijksinformatie naar de ACM te zenden over de organisatorische en technischebekwaamheid en de financiële situatie van de warmtetransportbeheerderen de groep waartoe de warmtetransportbeheerder behoort (artikel 5.8).Als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van de warmte-transportbeheerder of de groep waartoe de warmtetransportbeheerderbehoort significant verslechtert, moet de warmtetransportbeheerder ditonmiddellijk bij de ACM melden. Indien de financiële situatie daartoenoopt, kan de ACM de warmtetransportbeheerder of de groep waartoe dewarmtetransportbeheerder behoort, opdragen om een plan op te stellenof maatregelen te treffen om de financiële situatie te verbeteren.Daarnaast kan de ACM de warmtetransportbeheerder opdragen deorganisatorische en technische bekwaamheid te verbeteren.6.3.3. Warmtetransportinvesteringsplan en exploitatieplan Zoals toegelicht in paragraaf 6.2 is voorgesteld de warmtetransportbe-heerder de taak te geven keuzes te maken omtrent de aanleg en exploi-tatie van het warmtetransportnet. (Potentiële) gebruikers van hetwarmtetransportnet zijn afhankelijk van deze keuzes. De verantwoorde-lijkheid voor deze keuzes is belegd bij de warmtetransportbeheerder die,mede door zijn onafhankelijkheid van specifieke belangen, deze keuzeskan maken gericht op de doelmatigheid en efficiëntie van het systeem alsgeheel. Het is van belang dat de manier waarop deze keuzes zijn gemaakten de onderbouwing van de keuzes op een transparante en toetsbarewijze geschied. Hierbij zijn het warmtetransportinvesteringsplan enexploitatieplan van belang.WarmtetransportinvesteringsplanVoorgesteld is dat de warmtetransportbeheerder periodiek een warmte-transportinvesteringsplan opstelt (artikel 5.9). Het warmtetransportinves-teringsplan ziet op de investeringen die noodzakelijk zijn voor hetuitvoeren van de taak, betreffende de aanleg, uitbreiding of vervangingvan het warmtetransportnet. In dit plan moet de warmtetransportbe-heerder toelichten welke investeringen noodzakelijk zijn, de noodzake-lijkheid en efficiëntie van deze investeringen onderbouwen (onder meerdoor te beschrijven welke alternatieven zijn overwogen) en hoe deinvesteringen passen in de lange termijnvisie van de warmtetransportbe-heerder op het warmtetransportnet. Dit warmtetransportinvesteringsplandient rekening te houden met de in de regio aanwezige warmteplannen,waarbij het gaat om wettelijk vastgestelde plannen (een omgevingsplan,een omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van deOmgevingswet, of een provinciale omgevingsvisie als bedoeld inartikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 398 Dit wetsvoorstel voorziet in een consultatieprocedure waardoor partijenmet een warmtetransportaansluiting, de betrokken gemeenten enprovincies een zienswijze op het investeringsplan kunnen indienen. DeACM toetst vervolgens onder meer of de warmtetransportbeheerderinvesteringen doet die noodzakelijk zijn voor het op een doelmatige wijzeuitvoeren van zijn taken. De verantwoordelijkheid van keuzes en investe-ringen ligt bij de warmtetransportbeheerder die de zienswijzen uit deconsultatie en de toets van de ACM kan gebruiken om zijn plannen zogoed als mogelijk af te stemmen op de op de warmtetransportbeheerderopgelegde taken. De warmtetransportbeheerder is daarbij verplicht in hetinvesteringsplan te verantwoorden op welke wijze de zienswijzen en toetsvan de ACM al dan niet hebben geleid tot wijziging van het plan.ExploitatieplanHet exploitatieplan (artikel 5.10) is gericht op het gebruik van hetwarmtetransportnet. Voorgesteld is de warmtetransportbeheerder deverplichting op te leggen in een dergelijk plan toe te lichten welke keuzeser worden gemaakt met betrekking tot de taken omtrent de systeemope-ratie en de rol van marktmeester. Het gaat hier met name om hettransparant maken en onderbouwen van keuzes die invloed hebben op(potentiële) gebruikers van het systeem. Hier kan gedacht worden aan debeschikbare transportproducten, -tarieven en -voorwaarden, het gehan-teerde temperatuurregime, capaciteitsmanagement, balanshandhaving ende vormgeving van bijvoorbeeld een marktplaats om partijen met elkaarte verbinden. Met deze plannen weten (potentiële) gebruikers waar ze aantoe zijn en waarom de voorwaarden zijn zoals ze zijn.Daarnaast stelt het exploitatieplan de ACM beter in staat om te contro-leren of het gebruik van het warmtetransportsysteem overeenkomt metde taken van de warmtetransportbeheerder. Het exploitatieplan dientcontinu afgestemd te blijven op de specifieke omstandigheden in enrondom het warmtetransportnet (zoals het aantal en type afnemers,warmtebronnen, de omvang van het systeem). De toezichthouder ACMheeft de bevoegdheid de warmtetransportbeheerder op te dragen hetexploitatieplan te wijzigen indien door de in dit plan beschreven maatre-gelen de uitvoering van de taken van de warmtetransportbeheerder in hetgeding kan komen.6.3.4. Waarborgen onafhankelijkheid warmtetransportbeheerder Geen belang in productie, handel of levering warmteKeuzes die de warmtetransportbeheerder maakt, hebben invloed oppartijen en gemeenten in de regio. De mogelijkheden of aantrekkelijkheidvoor partijen om aan te sluiten op het warmtetransportnet zijn afhankelijkvan hoe het warmtetransportnet wordt aangelegd en geëxploiteerd. Zo zalde warmtetransportbeheerder keuzes moeten maken over bijvoorbeeldhet temperatuurregime, de dimensionering, tracering en fasering van deaanleg, het aansluiten van partijen, de manier waarop congestie wordtafgehandeld. Deze keuzes dienen, overeenkomstig de taken voor eenwarmtetransportbeheerder, gericht te zijn op het efficiënt en doelmatigontsluiten van de beschikbare warmtebronnen aan de regio. Een partij isbeter in staat haar keuzes hier op te in te richten als de partij onafhankelijkis van specifieke belangen bij warmtebronnen of afnemers in de regio.Zijn deze belangen er wel – bijvoorbeeld als de warmtetransportbeheerderook eigenaar zou zijn van een aantal warmtebronnen – dan heeft dezepartij (mogelijk) een inherente prikkel om haar eigen activiteiten tebevoordelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 399 Daarnaast is het ook vanuit het perspectief van de gebruikers (warmte-bronnen en afnemers) van belang dat alle partijen in de regio onderdezelfde non-discriminatoire voorwaarden gebruik kunnen maken van hetwarmtetransportnet. Ook hiervoor geldt dat dit lastiger te borgen is indiende warmtetransportbeheerder afhankelijk is van een specifiek belang in dewarmtemarkt. Nog los van de daadwerkelijke keuzes die de warmtetrans-portbeheerder maakt, draagt onafhankelijkheid van specifieke belangenbij aan breed draagvlak in de regio. Dit draagvlak is nodig om op eengoede manier samen te werken aan een gezamenlijke regionale aanpak inde regionale energiestrategieën en afstemming van gemeentelijkeplannen voor de warmtetransitie.Zowel vanwege de invloed van de keuzes van de warmtetransportbe-heerder op de algemene publieke belangen in de regionale warmtetran-sitie, als om te borgen dat partijen in de regio kunnen rekenen op eennon-discriminatoire behandeling door een monopolist, is het noodzakelijkdat de warmtetransportbeheerder onafhankelijk is van specifiekebelangen in de productie, handel of levering van warmte. Met het ooghierop is voorgesteld dat het de warmtetransportbeheerder verboden is inhet gebied waarvoor deze is aangewezen een belang te hebben in deproductie, handel of levering van warmte (artikel 5.11).Beperking nevenactiviteitenVanwege het vitale karakter van de taak van de warmtetransportbeheerderis het van groot belang dat er langjarige zekerheid is dat de warmtetrans-portbeheerder aan zijn taken kan blijven voldoen. Om te borgen dat dewarmtetransportbeheerder niet naast zijn taken, ook activiteiten ontplooitdie (op termijn) een risico vormen voor deze taken, zijn de nevenactivi-teiten beperkt tot die activiteiten die in lijn liggen met de gevraagdeexpertise en een vergelijkbaar risicoprofiel kennen (artikel 5.12). Het staateen warmtetransportbeheerder wel vrij om bijvoorbeeld activiteiten teontplooien die de warmtemarkt in de regio ondersteunen, zoals hetoprichten van een marktplaats voor warmte of ondersteuning bieden in deadministratieve processen rondom de contractvorming tussen partijen ophet warmtetransportnet. Daarnaast is het een warmtetransportbeheerdertoegestaan om infrastructuur- en transportactiviteiten te ontplooien voorandere energiedragers, zoals elektriciteit, gas, waterstof en CCS.6.3.5. Informatieverplichtingen Om te borgen dat de warmtetransportbeheerder in staat is de taak vanmarktmeester (artikel 5.6, eerste lid, onderdeel l) goed te vervullen, zijnwarmtebronnen die aangesloten willen worden op het warmtetrans-portnet verplicht aan de warmtetransportbeheerder kenbaar te makentegen welke voorwaarden en tarieven zij kunnen leveren aan afnemers.Hierdoor is de warmtetransportbeheerder in staat is aan afnemers eenintegraal overzicht te schetsen (transport en warmte) onder welkevoorwaarden zij kunnen aansluiten en warmte kunnen afnemen(artikel 5.13).6.3.6. Eigendom warmtetransportnet en warmtetransportbe-heerder Eigendom van de warmtetransportbeheerderDe belangrijkste reden voor het aanwijzen van een warmtetransportbe-heerder voor een regio is dat de aanleg van een warmtetransportnet alsnoodzakelijk wordt gezien voor de warmtetransitie aldaar en dat partijenin de regio door onderlinge samenwerking de warmtebronnen regionaalniet kunnen ontsluiten. De rol en taak van de warmtetransportbeheerder isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3100 dus nadrukkelijk gericht op het voeren van regie in de regio. Deze regieroldient niet alleen keuzes met betrekking tot de aanleg en exploitatie vanhet warmtetransportnet, maar moet ook partijen in de regio de duide-lijkheid bieden die nodig is om investeringen in de keten te kunnen doen(zoals de aanleg en uitbreiding van collectieve warmtevoorzieningen). Metdeze regierol vervult deze partij een vitale rol in het realiseren van dewarmtetransitie en daarmee ook het borgen van de publieke belangen vande warmtelevering in de regio. Het warmtetransportnet is voor dewarmtevoorziening ook van vitaal belang. Binnen deze context ligt publiekeigendom van de warmtetransportbeheerder voor de hand (zie ookparagraaf 18.1.6). Om deze redenen schrijft dit wetsvoorstel voor dat deaandelen van de warmtetransportbeheerder (direct of indirect) in handenmoet zijn van een openbaar lichaam (artikel 5.14).Eigendom van een warmtetransportnetEen warmtetransportnet is een samenhangend geheel en om tot efficiënteinrichting en exploitatie te kunnen komen moet de infrastructuur integraalbeheerd kunnen worden. Om diezelfde reden zijn de taken van netbeheer,systeemoperatie en marktmeester bij de warmtetransportbeheerderbelegd. Dit betekent ook dat de warmtetransportbeheerder volledigezeggenschap moet hebben over het gebruik van het warmtetransportnet.Met het oog hierop is voorgesteld de eigendom van het warmtetrans-portnet in alle gevallen bij de warmtetransportbeheerder te leggen(artikel 5.15).6.4. Verplichtingen derden 6.4.1. Warmtetransportcapaciteit alleen voor eigen gebruik Voorgesteld wordt regels te geven over de overdracht van transportcapa-citeit om zoveel als mogelijk te voorkomen dat partijen een onredelijkvoordeel kunnen halen uit hun marktpositie. Deze regels moeten eraanbijdragen dat alle partijen (ook kleinere partijen) onder goedevoorwaarden gebruik kunnen maken van het warmtetransportnet. Alsuitgangspunt geldt dat partijen alleen warmtetransportcapaciteit kunnencontracteren ten behoeve van eigen gebruik (artikel 5.17). Dit is om tevoorkomen dat partijen transportcapaciteit contracteren om – in deverwachting dat er schaarste zal optreden op enig moment – deze vooreen hogere prijs of tegen ongunstiger voorwaarden door te verkopen. Hetoverdragen van transportcapaciteit is alleen mogelijk via de warmtetrans-portbeheerder. Ongebruikte capaciteit kan, in geval van schaarste, door dewarmtetransportbeheerder opnieuw in de markt worden aangeboden.Zolang er nog geen sprake is van schaarste zal de warmtetransportbe-heerder geen gebruik maken van deze bevoegdheid. De tarieven voor detransportcapaciteit worden niet dubbel in rekening gebracht, maar alleenaan de partij die er daadwerkelijk over kon beschikken.6.4.2. Afnemers blijven integraal verantwoordelijk Het is in beginsel aan afnemers van het warmtetransportnet zelf welkewarmtebronnen worden gecontracteerd. Dit betekent dat ze ook zelfafspraken maken over de duurzaamheid en beschikbaarheid van dewarmte. Het voordeel hiervan is dat het partijen in staat stelt om de ketenals geheel efficiënt in te richten (bijvoorbeeld de afstemming tussen dewarmte die een partij uit het warmtransportnet haalt en de warmte dielokaal wordt opgewekt) en dat het aansluit bij het uitgangspunt dat hetwarmtebedrijf de integrale verantwoordelijkheid draagt voor de leverings-zekerheid en verduurzaming. De warmtetransportbeheerder heeft dus alszodanig zelf geen verplichtingen ten aanzien van de duurzaamheid van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3101 warmte op het warmtetransportsysteem. De warmtetransportbeheerder isverantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van het warmtetransportnet(het systeem is beschikbaar) en voor het transport (de gecontracteerdetransporten kunnen worden uitgevoerd) en de afnemers zijn in beginselzelf verantwoordelijk voor het contracteren van de juiste duurzaamheid,volume en beschikbaarheid van warmtebronnen.6.5. Noodprocedure Er kunnen situaties van acute financiële of technische problemen ontstaanwaardoor de betrouwbaarheid van warmtetransport in gevaar komt.Mocht dit het geval zijn dan heeft de ACM verschillende mogelijkheden totingrijpen. Allereerst kan de ACM haar bevoegdheid op grond vanartikel 5.7, derde lid, toepassen en de warmtetransportbeheerderopdragen maatregelen te treffen. Indien de maatregelen niet voldoendezijn kan de ACM een derde opdragen maatregelen te nemen indien dezeopdracht noodzakelijk is om de betrouwbaarheid te waarborgen, en debetrouwbaarheid niet voldoende verzekerd kan worden door de warmte-transportbeheerder op te dragen maatregelen te treffen (artikel 9.5). Eenieder is verplicht deze opdracht op te volgen. Deze opdracht zou ook hetaanwijzen van een noodwarmtetransportbeheerder kunnen betreffen.Daarnaast kan de ACM een stille bewindvoerder instellen om de betrouw-baarheid van het warmtetransport te herstellen (artikel 9.6). Mocht ditonvoldoende soelaas bieden dan kan de ACM om de betrouwbaarheidvan warmtetransport te borgen ook het bestuur vervangen (artikel 9.7). Inparagraaf 10.4 is een toelichting op de inventiebevoegdheden van deACM gegeven.7. Warmteproductie 7.1. Restwarmte De in dit wetsvoorstel opgenomen regeling over restwarmte heeft tot doelom de nuttige inzet van restwarmte te stimuleren door het stellen vanduidelijke eisen en kaders ten aanzien van de relatie tussen een warmte-bedrijf en producent van restwarmte (artikel 6.1 en 6.2). Op basis van dedefinitie in artikel 1 gelden ervoor thermische energie twee voorwaardenom onder de definitie van restwarmte te vallen. Ten eerste moet dethermische energie een onvermijdelijk restproduct zijn die overblijft bijindustriële of andere bedrijfsprocessen. Ten tweede moet gelden dat dezethermische energie zonder een aansluiting op een warmtenet onbenutblijft, doorgaans doordat de warmte in de lucht of op het oppervlakte-water wordt geloosd.De artikelen 6.1 en 6.2 helpen faciliteren dat een warmtebedrijf en eenproducent van restwarmte tot een constructieve dialoog komen over dewensen en kansrijkheid van restwarmtebenutting, en waar dat mogelijkblijkt tot een heldere overeenkomst te komen die beide partijen voldoendezekerheden biedt.Restwarmte is een warmtebron met een significant potentieel om bij tedragen aan duurzame warmtenetten in Nederland, maar de aard van debron maakt deze ook inherent onzeker. Onderdeel van de onzekerheid ishet feit dat de partijen vaak niet goed weten in welke mate restwarmte dievandaag op een locatie beschikbaar is, dat over een aantal jaar nog steedsis. In bepaalde sectoren en bedrijfsprocessen kunnen verduurzamings-maatregelen zoals elektrificatie of hergebruik van reststromen ertoe leidendat de restwarmtestroom afneemt in omvang, leveringsprofiel oftemperatuur. Er blijft dan minder warmte ongebruikt over. De kans daaropTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3102 wordt bepaald door technologische ontwikkelingen, prijsontwikkelingenen veranderingen in wetgeving, beleid en richtlijnen.Restwarmtelevering aan een warmtebedrijf en interne efficiencyverbe-tering staan daarmee mogelijk op gespannen voet met elkaar. Decorrelatie zal per geval verschillen. Het «ophaalrecht», zoals de bepaling inartikel 6.2 kan worden aangeduid, moet handvatten bieden om dezeonzekerheden hanteerbaar te maken. Het stimuleert restwarmteprodu-centen om in kaart te brengen welke verduurzamingsmaatregelen zij in detoekomst mogelijk kunnen (of te zijner tijd moeten) nemen en wat hetverwachte gevolg daarvan is op de omvang van de restwarmtestroom.Zodoende kunnen zij zich met meer zekerheid committeren aan eenleveringsovereenkomst van de verwachte langjarige restwarmte, watwarmtebedrijven ook de zekerheid geeft die nodig is om een robuustebusiness case en warmtebronnenmix vorm te geven.Als gevolg van de gehanteerde definitie van restwarmte zijn afvalverbran-dingsinstallaties (AVI) en installaties waarin via zogenaamde warmte-krachtkoppeling (WKK) gelijktijdig warmte en elektriciteit wordt geprodu-ceerd, waaronder elektriciteitscentrales, geen restwarmtebronnen en isdaarom ook het «ophaalrecht» niet van toepassing op deze warmte-bronnen. Met deze installaties wordt warmte geleverd en daarom is degeproduceerde warmte niet als restwarmte te classificeren. Uitzonderinghierop is warmte die kan worden teruggewonnen uit de emissies vanvoornoemde installaties. Die warmte is wél een onoverkomelijk bijproductwelke zonder benutting zou worden geloosd naar de omgeving en geldtderhalve wel als restwarmte. Ook de resterende thermische energie in heteffluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties, dus in de fase tussen hetzuiveringsproces en de lozing op het oppervlaktewater, kan wordenaangeduid als restwarmte.7.2. Garanties van oorsprong Garanties van oorsprong zijn het exclusieve bewijs dat energie uit eenhernieuwbare bron is opgewekt. Bewijs over deze herkomst draagt bij aande ontwikkeling van deze vorm van energieopwekking en transparantievan energieopwekking in het algemeen.De introductie van verschillende typen garanties van oorsprong wasoorspronkelijk een nationale keuze en is inmiddels uitgegroeid tot eenverplicht Europees systeem, dat volgt uit verschillende richtlijnen. Hetbegon met voorlopers van garanties van oorsprong voor elektriciteit uithernieuwbare bronnen en garanties van oorsprong voor hoogrenderendewarmtekrachtkoppeling (HR-WKK). De verplichte garantie van oorsprongvoor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is vervolgens opgenomenin richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie. Voor de anderesoorten garanties van oorsprong staat de verplichting voor lidstaten omverschillende typen garanties van oorsprong in te voeren in artikel 19 vanrichtlijn 2018/2001/EU. Deze richtlijn verplicht lidstaten om een systeemvoor gas (met inbegrip van waterstof), warmte en koude uit hernieuwbarebronnen in stand te houden, aanvullend op een systeem van garantiesvan oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen.De taken en bevoegdheden van de certificering van elektriciteit, warmteen gas uit hernieuwbare energiebronnen is in Nederland op eenzelfdewijze geregeld. De bepalingen over het uitgeven en innemen vangaranties van oorsprong komen grotendeels overeen. Voor de verschil-lende soorten garanties van oorsprong geldt eenzelfde elektronischsysteem dat VertiCer (voorheen: CertiQ en Vertogas) in mandaat van deMinister uitvoert. Een producent kan voor een hoeveelheid geproduceerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3103 energie onder bepaalde voorwaarden garanties van oorsprongaanvragen. Een voorwaarde voor het aanvragen van garanties vanoorsprong is dat een meetbedrijf vaststelt of een installatie en meetin-richting geschikt zijn voor de productie van thermische energie uithernieuwbare bronnen. Garanties van oorsprong kunnen verhandeldworden en moeten binnen één maand na levering aan een verbruikerworden afgeboekt. Afboeken wil zeggen dat de garanties van oorsprongvan de desbetreffende rekening gehaald worden en niet meer opnieuwkunnen worden ingezet.Aangezien het praktisch niet uitvoerbaar is om te bepalen of thermischeenergie van een bepaalde temperatuur wordt ingezet voor verwarming ofverkoeling is ervoor gekozen om één type garantie van oorsprong temaken voor warmte en koude. Dit wordt een garantie van oorsprong voorthermische energie uit hernieuwbare bronnen genoemd. Dit type garantievan oorsprong betreft hernieuwbare thermische energie die ten behoevevan verwarming of verkoeling van ruimten of processen wordt geleverddoor middel van het transport van water of een andere vloeistof.Met garanties van oorsprong voor thermische energie kunnen produ-centen van thermische energie hun opgewekte energie als hernieuwbareenergie verkopen en warmteleveringsbedrijven van thermische energieaantonen dat de geleverde thermische energie afkomstig is uithernieuwbare bronnen. Van belang is daarbij om te benadrukken dat dehandel in garanties van oorsprong voor thermische energie is beperktdoor artikel 25a, onderdeel b, van de Regeling garanties van oorsprong encertificaten van oorsprong. Garanties van oorsprong voor thermischeenergie uit hernieuwbare bronnen dienen slechts als bewijs voor leveringaan verbruikers die op dezelfde collectieve warmtevoorziening zijnaangesloten als waarop de thermische energie is ingevoed. Voorts geldtdat voor de communicatie aan de verbruiker over de duurzaamheid vande geleverde warmte nadere regels zullen worden gesteld over onderandere een warmte-etiket waarbij meer inzicht wordt gegeven in deduurzaamheid van de geleverde warmte (artikel 2.22). Waar garanties vanoorsprong toezien op de inzet van hernieuwbare energie wordt met hetwarmte-etiket transparant gemaakt wat de uitstoot van broeikasgassen isvan de geleverde warmte.7.3. Wijziging in zeggenschap In artikel 6.3, eerste en tweede lid, van de Energiewet is een meldplichtvoor productie-installaties voor elektriciteit en voor een LNG-installatie ofLNG-bedrijf opgenomen. Hiermee is beoogd ongewenste overnames tevoorkomen zodat de publieke belangen worden geborgd. Het borgen vandeze publieke belangen is voor warmte ook belangrijk. Met het oog hieropis voorgesteld dat een wijziging van zeggenschap in een installatie vaneen producent van warmte met een vermogen van meer dan 20 MW dooréén van de betrokken partijen gemeld moet worden aan de Minister(artikel 6.10). Omdat het niet altijd evident is wie de ontvangende partij isgekozen voor een meldplicht voor één van de betrokken partijen. Dezemeldplicht is in lijn met de gekozen nadruk op preventie van leveringsze-kerheidsproblemen in dit wetsvoorstel.Om de publieke waarden te waarborgen kan de Minister op grond vanoverwegingen van openbare veiligheid, de leveringszekerheid of debetrouwbaarheid op twee manieren interveniëren. De Minister kan dewijziging verbieden of maatregelen opleggen aan de producent. Om zekerte stellen dat de melding geschied en bovenstaande interventies nietvrijblijvend zijn is voorgesteld dat rechtshandelingen die in strijd zijn metde melding, het bovenstaande verbod of de maatregelen, vernietigbaarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3104 zijn. Omdat het weinig zinvol is om deze verplichting op te leggen aanrelatief kleine partijen geldt deze meldplicht alleen voor productie-installaties van warmte met een vermogen van meer dan 20 MW. Met degekozen grens worden enkel de grote productie-installaties van warmte inNederland geïncludeerd en bovendien sluit deze afbakening aan bij eenbegrenzing die in Europese wetgeving, zoals in richtlijn 2012/27/EU, vakerwordt gekozen.8. Tariefregulering 8.1. Tariefregulering levering van warmte door een aangewezenwarmtebedrijf 8.1.1. Hoofdlijnen van de nieuwe tariefregulering collectievewarmtevoorzieningen De tariefregulering van de Warmtewet op basis van de gasreferentie is,zoals in paragraaf 1.2, onder i, is toegelicht, in de context van de energie-transitie op de lange termijn niet houdbaar. In dit wetsvoorstel wordtdaarom voorgesteld dat de tarieven niet meer zullen worden gebaseerdop de gasreferentie, maar dat er stapsgewijs zal worden overgegaan naarkostengebaseerde tarieven. De overgang naar kostengebaseerde tarievenheeft tot doel ervoor te zorgen dat de tarieven die verbruikers betalenbeter aansluiten bij de kosten van de collectieve warmtevoorziening.Verbruikers krijgen hierdoor meer zekerheid dat de tarieven niet hogerliggen dan noodzakelijk is om te voorzien in de warmtelevering. Hetwarmtebedrijf kan rekenen met inkomsten die zich meer direct verhoudentot de kosten die hij maakt, kosten waar het bedrijf ook zelf op kan sturen.Hierdoor ontstaat de zekerheid dat (efficiënte) kosten, inclusief een redelijkrendement, zich redelijkerwijs kunnen terugverdienen. Die duidelijkheid iseen belangrijke voorwaarde voor het doen van verdere investeringen. Bijde opzet van de tariefregulering moet daarom rekening worden gehoudenmet verschillende doelstellingen:a.De tariefreguleringsmethode moet over- en onderrendementenvoorkomen. Overrendementen moeten worden voorkomen, omdatdeze ten koste van de betaalbaarheid voor verbruikers gaan. Onderren-dementen moeten worden voorkomen, omdat op die manier ervoorkan worden gezorgd dat investeringen in collectieve warmtevoorzie-ningen (naar verwachting) rendabel zijn.b.De tariefreguleringsmethode moet een efficiëntieprikkel geven. Eenefficiëntieprikkel is nodig om ervoor te zorgen dat warmtebedrijvenniet meer kosten maken dan nodig. Een tariefreguleringsmethode diegeen efficiëntieprikkel geeft kan bedrijven ertoe aanzetten om dekosten onnodig op te laten lopen, ten koste van de betaalbaarheid voorverbruikers.Daarnaast is relevant dat de tariefreguleringsmethode rekening houdt metandere beleidsdoelen, zoals de leveringszekerheid en duurzaamheid vancollectieve warmtevoorzieningen. De tariefreguleringsmethode is echterniet het (enige) beleidsinstrument om de realisatie van deze doelstellingente stimuleren. Dat kan ook door normering, beprijzing en subsidiëring. Detariefregulering moet dan wel op een logische manier rekening houdenmet de extra kosten als gevolg van normering en beprijzing ofopbrengsten van subsidies.Er is een afruil tussen de doelstelling van de tariefregulering om over- enonderrendementen te voorkomen en de doelstelling dat de tariefregule-ringsmethode zorgt voor een efficiëntieprikkel. Een tariefreguleringsme-thode geeft bijvoorbeeld een sterke prikkel tot kostenefficiëntie als detarieven die een aangewezen warmtebedrijf in rekening mag brengenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3105 volledig onafhankelijk zijn van de kosten die het warmtebedrijf realiseert.Elke verlaging van de kosten leidt dan namelijk tot een stijging van dewinst. Echter, als de tarieven volledig onafhankelijk zijn van de kosten, danis er een groot risico op over- of onderrendementen. De huidige tariefre-gulering op basis van de gasreferentie laat deze afruil goed zien. Eenstijging of daling van de kosten van collectieve warmtevoorzieningenheeft geen direct effect op de gasreferentie en dus ook niet op demaximale leveringstarieven die een aangewezen warmtebedrijf inrekening mag brengen. Dit geeft warmtebedrijven een sterke prikkel totkostenefficiëntie. Er is echter ook een groot risico op over- en onderrende-menten, omdat de gasreferentie geen gelijke tred houdt met de kostenvan collectieve warmtevoorzieningen. Uit de rendementsmonitoring vande jaren 2021/2022 blijkt bijvoorbeeld dat het gewogen gemiddelderendement van warmtebedrijven binnen redelijke marges blijft, maar dater uitschieters zijn naar boven en naar beneden. In 2021 en 2022 was ereen flinke spreiding te zien in individuele rendementen.Het andere uiterste is een tariefreguleringsmethode die volledig de kosten(inclusief een redelijk rendement) van het warmtesysteem volgt (ook wel:cost-plus methode). Elke stijging of daling van de kosten (terwijl hetrendement op geïnvesteerd vermogen is gemaximeerd) leidt dan tot eenhoger of lager tarief. Zo’n tariefreguleringsmethode voorkomt het risicoop over- en onderrendement, maar geeft geen efficiëntieprikkel. Sterkernog: een warmtebedrijf hoeft helemaal niet op de kosten te letten, wantalle kosten die het bedrijf maakt, kunnen worden terugverdiend via detarieven.De overgang van de gasreferentie naar kostengebaseerde tarieven heefttot doel om het risico op over- en onderrendementen te verkleinen, maartegelijkertijd is het belangrijk om een efficiëntieprikkel te behouden. Metkostengebaseerde tarieven wordt dus geen cost-plus tariefreguleringsme-thode bedoeld, maar een tariefreguleringsmethode die ervoor zorgt dat detarieven beter aansluiten bij de onderliggende kosten van collectievewarmtevoorzieningen en tegelijkertijd een efficiëntieprikkel behoudenblijft. Voor de tariefmethodieken voor bijvoorbeeld de transmissie- ofdistributiesysteembeheerders op grond van de Energiewet (thans:netbeheerders van de gas- en elektriciteitsnetten) gelden soortgelijkeuitgangspunten.8.1.2. Stapsgewijze implementatie Er zijn meerdere redenen die pleiten voor een geleidelijke invoering vaneen op kosten gebaseerde tariefregulering. Allereerst moeten de ACM enwarmtebedrijven voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden. DeACM moet het nieuwe reguleringskader uitwerken en implementeren. Zomoet de ACM over de juiste data van warmtebedrijven beschikken. Ditvergt van warmtebedrijven dat zij hun organisatie en hun boekhoudingzodanig inrichten dat ze de door de ACM gevraagde informatie op hetjuiste detailniveau kunnen opleveren en onderbouwen.Ten tweede is het verstandig om gedurende de energietransitie te kiezenvoor een methodiek die voldoende ruimte voor flexibiliteit laat omaangepast te worden op basis van de specifieke wensen en omstandig-heden van dat moment. Op deze manier wordt voorkomen dat een (te)rigide methodiek in dit wetsvoorstel wordt vastgelegd wat tussentijdsbijsturen bemoeilijkt.De inzet van dit wetsvoorstel is om tot een stapsgewijze implementatievan op kosten gebaseerde tarieven te komen, waarbij de tarieven steedsmeer en preciezer rekening houden met de verschillen in lokale omstan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3106 digheden, de kosten van verschillende collectieve warmtevoorzieningenen waarbij het voorkomen van onder- en overrendementen steeds beterverenigd kan worden met efficiëntieprikkels. Onderdelen die nu al kunnenworden gestart, waaronder het opstellen van RAR-regels, kunnen zo snelmogelijk in gang worden gezet. Bovendien is het belangrijk omverbruikers en aangewezen warmtebedrijven voor de korte en de langeretermijn voldoende zekerheid te bieden, zodat zij weten waar ze aan toezijn. Het voorziene verloop van de regulering is daarom opgenomen in hetwetsvoorstel en wordt verder uitgewerkt in lagere regelgeving.Fase 0: verzamelen kosteninformatie op grond van de WarmtewetIn de periode voorafgaand aan inwerkingtreding van de tariefregulerings-bepalingen in dit wetsvoorstel worden de leveringstarieven conform debepalingen van de Warmtewet bepaald op basis van de gasreferentie. Eenaantal tarieven (zoals de tarieven voor aansluitingen, afsluitingen enafleversets) worden nu al gereguleerd op basis van de gemiddelde kosten.De ACM heeft door de inwerkingtreding van artikel 7, tweede tot en metvierde lid, van de Warmtewet (Stb. 2021, 459) aanvullende bevoegdhedengekregen om in te grijpen indien de ACM constateert dat leveranciers alsbedoeld in de Warmtewet (hierna: warmtebedrijven) hogere rendementenbehalen dan de ACM redelijk acht (de rendementstoets). Dit biedt de ACMmogelijkheden om een start te maken met het verzamelen van gedetail-leerde kosteninformatie. Deze informatie heeft de ACM nodig om in hetlicht van haar bevoegdheden op grond van artikel 7 van de Warmtewet tekunnen vaststellen of er sprake is geweest van een meer dan redelijkrendement. Tegelijkertijd kan de ACM deze informatie ook benutten tenbehoeve van het proces richting een steeds meer op kosten gebaseerdetariefregulering zoals die met dit wetsvoorstel wordt voorzien. Op dezemanier wordt een eerste stap in het bereiken van meer kostengebaseerdetarieven op de warmtemarkt reeds gezet voorafgaand aan de inwerking-treding van dit wetsvoorstel en de bepalingen ten aanzien van tariefregu-lering.Voorkomen van over- en onderrendementen en efficiëntieprikkel in fase 0De ACM stelt maximum leveringstarieven vast op basis van de gasrefe-rentie. Doordat het maximum tarief niet gebaseerd is op de onderliggendekosten van collectieve warmtevoorzieningen maar op basis van deonderliggende kosten van aardgas bestaan er risico’s voor warmtebe-drijven en verbruikers. Voor warmtebedrijven zullen deze zien op hetterugverdienen van de kosten. Voor verbruikers bestaat het risico dat er teveel wordt betaald. Artikel 7, tweede tot en met vierde lid, van deWarmtewet geeft de ACM de bevoegdheid om in te grijpen op te hogerendementen die ontstaan binnen het door de ACM vastgesteldemaximumtarief op basis van de gasreferentie. De efficiëntieprikkel bestaatdoordat warmtebedrijven die hun kosten weten te verlagen deze winstmogen behouden, zolang het niet tot een onredelijk hoog rendement leidt.In de toepassing van de bepalingen uit artikel 7 zal er een goede balansmoeten zijn tussen enerzijds het (tijdelijke) behoud van efficiëntiewinstdoor het warmtebedrijf en anderzijds het voorkomen van overwinsten.Fase 1: Vaststelling maximale tarieven kleinverbruikers op basis van eencorrectie op de gasreferentie of kostengebaseerd referentietariefOp het moment dat de bepalingen omtrent tariefregulering van ditwetsvoorstel in werking treden, worden de maximale tarieven door deACM vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf7.1.2. Voor de eerste fase worden de leveringstarieven berekend op grondvan een correctie van het gasreferentietarief (artikel 7.2, tweede lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3107 onderdeel a). Voor de tariefonderdelen die nu al op basis van de kostenworden gereguleerd, zal de ACM kostengebaseerde tarieven blijvenvaststellen (artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b). De gasreferentie wordtdan in die zin losgelaten dat de verhogingen van de kosten voor aardgasdie geen enkel verband houden met de kosten van collectieve warmte nietworden meegenomen bij het vaststellen van de maximumprijs. Dit is in deeerste plaats de wijziging van de energiebelasting voor aardgas. Zonderdeze correctie zou als gevolg van verhoging van de belasting op aardgashet variabele aardgastarief toenemen. Hierdoor stijgen de kosten in degasreferentie, ondanks dat er geen directe relatie is tussen deze stijgingen de kosten van een collectieve warmtevoorziening. Daarnaast is hetdoel van de verhoging van de energiebelasting van aardgas om hetgebruik ervan minder aantrekkelijk te maken ten opzichte van meerduurzame alternatieven, waaronder warmte. Als de stijging van energie-belasting ook doorwerkt in de tarieven voor warmte, zal dit beoogde effectniet bereikt worden. Deze correctie betreft het bevriezen van de hoogtevan de energiebelasting in toekomstige jaren op het niveau van eenpeiljaar, zodat de stijging in de energiebelasting van aardgas nietdoorwerkt in de stijging van het gasreferentie-tarief. Deze correctie heeftalleen impact op het variabele leveringstarief. Bij algemene maatregel vanbestuur zullen hier nadere regels over worden gesteld.In het wetsvoorstel Wgiw is onder meer de Warmtewet gewijzigd17waardoor het mogelijk wordt om op grond van de Warmtewet al opkortere termijn een correctie toe te passen op de gasreferentie. Hiermeewordt fase 1 van de tariefregulering naar voren gehaald. De correctiewordt nader uitgewerkt in een wijziging van het Warmtebesluit.Voorkomen van over- en onderrendementen en het zorgen voor eenefficiëntieprikkel in fase 1Wijzigingen van warmtetarieven die geen verband houden met de kostenvan collectieve warmte zouden kunnen leiden tot over- of onderrende-menten bij warmtebedrijven. Dit risico wordt beperkt door de rendement-stoets en door de voorgestelde correcties. Omdat leveringstarieven infase 1 nog steeds niet op kosten zijn gebaseerd, blijft het risico op over- enonderrendementen echter nog relatief hoog. De efficiëntieprikkel uitfase 0, die volgt uit het feit dat er maximumtarieven worden vastgesteld,wordt gehandhaafd.Fase 2: vaststellen van maximale tarieven kleinverbruikers op basis vankostengebaseerde tariefformulesHet streven is om zo snel mogelijk over te kunnen stappen op detariefmethodiek van fase 2 (kostengebaseerde tarieven voor alle tariefon-derdelen). Fase 2 tariefregulering treedt in werking bij klein koninklijkbesluit. Voorafgaand aan dit besluit zal de uitwerking van de kostengeba-seerde tariefsystematiek in relatie tot het flankerend beleid en deresulterende eindgebruikerskosten moeten worden bezien.In fase 2 worden maximale tarieven berekend in overeenstemming methet bepaalde in paragraaf 7.1.3. Voor de tariefonderdelen die nu al opbasis van de kosten worden gereguleerd (zoals aansluitingen, afsluitingenen afleversets) zal de ACM kostengebaseerde tarieven blijven vaststellen(artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a). Daarbij kan de ACM, net als onder deWarmtewet, verschillende tarieven vaststellen voor verschillendesubcategorieën van goederen en diensten, zoals bijvoorbeeld voorverschillende types afleversets. Voor leveringstarieven wordt in deze fase17Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3108 niet meer uitgegaan van een gecorrigeerd gasreferentietarief. De tarievenworden bepaald op basis van de onderliggende kosten van collectievewarmtevoorzieningen. Met dit doel zal de ACM kostengebaseerdetariefformules vaststellen (artikel 7.3, tweede lid, onderdeel b). Tarieven entariefformules worden zo vastgesteld dat zij warmtebedrijven stimulerenom efficiënte kosten te maken, een betrouwbare, betaalbare en duurzamewarmtevoorziening waarborgen en de ontwikkeling van collectievewarmte, dat wil zeggen aanleg en uitbreiding van collectieve systemen,bevorderen.De ACM kan verschillende tariefformules vaststellen voor verschillendetypen collectieve warmtevoorzieningen. Dit betekent dat de ACMcollectieve warmtevoorzieningen in categorieën in kan delen, bijvoorbeeldop basis van de gebruikte warmtebron, waarvoor verschillende tarieffor-mules worden vastgesteld die de kostenstructuur in desbetreffendecategorie reflecteren. Daarnaast kunnen er andere tariefformules wordenvastgesteld voor nieuwe systemen, waarvan de (kosten)gegevens vanafhet begin volgens de RAR-regels worden geregistreerd. De gegevens vandeze nieuwe systemen zullen dus direct bruikbaar zijn voor tariefregu-lering, anders dan voor oude systemen waarvoor vaak minder informatiebeschikbaar zal zijn. Naast verschillende formules voor verschillendecategorieën collectieve warmtevoorzieningen kunnen er ook voorverschillende types warmte, zoals verschillende temperaturen, en voorkoude, verschillende formules worden vastgesteld.De warmtebedrijven zullen zelf hun maximale tarieven berekenen door indeze formules op de door de ACM voorgeschreven wijze hun eigengegevens in te vullen. Het kan dan gaan om kostengegevens maar ookgegevens over belangrijke kostenbepalende factoren, bijvoorbeeld hetaantal aansluitingen of de hoeveelheid geleverde warmte. Bij hetvaststellen van de formules wordt ook rekening gehouden met verleendesubsidies aan het aangewezen warmtebedrijf en de ontvangen kostendek-kingsbijdragen. De maximale tarieven kunnen dus per collectievewarmtevoorziening verschillen. Naar verwachting zullen de warmteta-rieven voor sommige verbruikers dalen in vergelijking met de gasrefe-rentie, en voor sommige stijgen. Doordat de ACM per categorie collec-tieve warmtevoorzieningen kostengebaseerde tariefformules vaststelt inplaats van tarieven, kan er beter rekening worden gehouden metverschillen tussen collectieve warmtevoorzieningen, terwijl tariefregu-lering uitvoerbaar blijft. De ACM heeft in haar uitvoeringstoets gewezenop de grote verschillen tussen collectieve warmtevoorzieningen, die doorhet onderzoek van TNOaan het licht kwamen.18 Door deze verschillen zouhet vaststellen van kostengebaseerde tarieven die op alle collectievewarmtevoorzieningen uit een bepaalde categorie van toepassing zoudenzijn, leiden tot een aanzienlijk risico op onder- en overrendementen. Ditomdat dan onvoldoende rekening kan worden gehouden met juist despecifieke kenmerken van de collectieve warmtevoorziening die de grotekostenverschillen veroorzaken. Gezien het grote aantal warmtekavels zouhet vaststellen van het tarief per warmtekavel tot een grote uitvoeringslastbij de ACM leiden. Door het vaststellen van tariefformules wordt dezeuitvoeringslast beperkt, omdat de warmtebedrijven de formules zelftoepassen. Uiteraard zal de ACM toezicht houden op de juiste toepassingvan de formules, en zal de ACM de mogelijkheid hebben om bij deonjuiste toepassing van de tariefformules in te grijpen. Ook worden deaangewezen warmtebedrijven verplicht om de berekeningen van demaximumtarieven te publiceren. De ACM zal toezicht houden op hetopenbaar maken van deze informatie.18TNO (2023), Review Gegevens rendementsmonitor – Toezicht op kostengebaseerde tarievenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3109 De kostengebaseerde methode van tariefregulering kan, naarmate deACM beschikt over meer informatie over de kosten, steeds fijnmazigerworden. De mogelijkheid ontstaat zo om tarieven vast te stellen die eennauwkeurigere afspiegeling vormen van de onderliggende kosten van decollectieve warmtevoorziening waarop de verbruikers zijn aangesloten,waarbij tegelijk prikkels tot efficiëntie worden behouden. Bij algemenemaatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld over deuitwerking van deze systematiek (artikel 7.3, zevende lid).Voorkomen van over- en onderrendementen en zorgen voor een efficiën-tieprikkel in fase 2Door een betere aansluiting op de kosten van collectieve warmtevoorzie-ningen en de toepassing van tariefformules wordt in fase 2 het risico opover- en onderrendementen steeds meer beperkt. Het risico wordt steedskleiner naarmate de methode fijnmaziger wordt en deze de onderliggendekosten reflecteert. Tegelijkertijd kan de efficiëntieprikkel blijven bestaan,bijvoorbeeld als de ACM de tariefformules (deels) op een benchmarkbaseert, door voor bepaalde kosten uit te gaan van gemiddelde kostenvan collectieve warmtevoorzieningen van hetzelfde type. Daardoorkunnen de maximumtarieven lager of hoger zijn dan de werkelijke kostenvan een specifieke collectieve warmtevoorziening, afhankelijk van deefficiëntie van het aangewezen warmtebedrijf. In de eerste jaren vanfase 2, als de methode nog niet voldoende fijnmazig is, zal het vaakmoeilijk zijn om het voorkomen van onder- en overrendementen teverenigen met het behoud van efficiëntieprikkels en zal daarin eenafweging gemaakt moeten worden. Bij deze afweging zal de ACMrekening houden met de doelen van tariefregulering. In de loop van fase 2wordt de tariefregulering naar verwachting meer fijnmazig zodat hetvoorkomen van over- of onderrendementen beter verenigd kan wordenmet efficiëntieprikkels. Doordat in fase 2 tarieven steeds beter de efficiëntekosten zullen gaan benaderen, wordt het risico op overrendementen klein.Daarom is het ook niet nodig dat de rendementstoets blijft bestaan. Hetvoortbestaan van de rendementstoets zou de efficiëntieprikkels die in detariefregulering worden ingebouwd sterk verminderen. Ook leidt decombinatie van tariefregulering en de rendementstoets tot een asymme-trisch reguleringsrisico, waarbij het warmtebedrijf wel het risico oponderrendement draagt, maar daarvoor niet wordt gecompenseerd meteen kans op een hoger rendement. Dit verlaagt de investeringsprikkels enheeft daarmee een negatieve impact op de ontwikkeling van collectievewarmte. Om deze reden wordt de rendementstoets tegelijkertijd met destart van fase 2 van de tariefregulering afgeschaft.Fase 3: vaststelling maximale tarieven op basis van toegestane ofbeoogde inkomstenGedurende fase 1 en 2 kan de ACM zich voorbereiden op het hanteren vande meest fijnmazige vorm van kostengebaseerde tariefregulering;vaststelling van tarieven op basis van beoogde of toegestane inkomsten.Op het moment dat de ACM voldoende informatie beschikbaar heeft, kanworden besloten om tot deze fase van tariefregulering over te gaan en dedaarvoor relevante artikelen bij koninklijk besluit in werking te latentreden. In paragraaf 7.1.4 van het wetsvoorstel zijn de regels voor fase 3neergelegd.Bij deze manier van reguleren stelt de ACM de tarieven vast op eendusdanig niveau dat het aangewezen warmtebedrijf haar efficiënte kosten,inclusief een redelijk rendement op geïnvesteerd vermogen, terugver-dient.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3110 In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de ACM in het methodebesluitkan kiezen voor een reguleringssystematiek met omzetregulering of vooreen reguleringssystematiek zonder omzetregulering. Bij omzetreguleringheeft het aangewezen warmtebedrijf de garantie op het behalen van eenbepaald niveau van inkomsten. De ACM stelt in dat geval de toegestaneinkomsten per aangewezen warmtebedrijf of per warmtekavel vast opbasis van de methode. Als de omzet hoger of lager uitvalt dan verwacht,wordt dit betrokken bij de berekening voor een volgend jaar. Bij eenreguleringssystematiek zonder omzetregulering zijn de inkomsten van hetaangewezen warmtebedrijf afhankelijk van de ontwikkeling van devolumes. De inkomsten van het aangewezen warmtebedrijf kunnen danafwijken van de beoogde inkomsten in het geval dat de volumeontwik-keling afwijkt van de ontwikkeling van de rekenvolumes. In het geval vaneen reguleringssystematiek zonder omzetregulering stelt de ACM naast debeoogde inkomsten ook de rekenvolumes vast op basis van de methode.In fase 3 verandert de manier waarop de tarieven worden vastgesteld. DeACM stelt geen tariefformules of referentietarieven meer vast. Hetaangewezen warmtebedrijf maakt een tariefvoorstel op basis van door deACM vastgestelde beoogde of toegestane inkomsten. Dit tariefvoorstelmoet vervolgens door de ACM goedgekeurd worden. Net als in fase 2,kunnen tarieven dus per warmtevoorziening verschillen. Fase 3 biedtechter meer mogelijkheden om maatwerk toe te passen in het vaststellenvan de (efficiënte) kosten die het aangewezen warmtebedrijf magterugverdienen op elk van zijn kavels. Daarnaast krijgt het aangewezenwarmtebedrijf meer vrijheid om zelf de tariefstructuur te bepalen.De beoogde of toegestane inkomsten kunnen op verschillende manierenworden berekend, zoals bijvoorbeeld op basis van de gerealiseerde kostenvan een collectieve warmtevoorziening, op basis van de inkomstengebaseerd op maatstafconcurrentie of op basis van complexere vormenvan benchmarking van de kosten. Een voordeel van maatstafconcurrentieis dat het een sterke efficiëntieprikkel bevat voor aangewezen warmtebe-drijven. Dit omdat warmtebedrijven binnen deze methode eventuele winstdie ontstaat, doordat zij beter presteren (lagere kosten maken) danvergelijkbare aangewezen warmtebedrijven binnen de maatstaf, mogenbehouden.Gegeven de complexiteit van de methodiek en de hoge informatiebe-hoefte, gekoppeld aan de heterogeniteit van collectieve warmtevoorzie-ningen, zal met deze fase pas na een aantal reguleringsperiodes kunnenworden gestart.Voorkomen van over- en onderrendementen en het zorgen voor eenefficiëntieprikkel in fase 3Voor fase 3 geldt dat in de tarieven nog beter rekening kan wordengehouden met lokale omstandigheden. Dit voorkomt onder- en overrende-menten. Het baseren van tarieven op werkelijke kosten kan echter ook deefficiëntieprikkels verminderen. De efficiëntieprikkels kunnen wordenbehouden door bijvoorbeeld het gebruik van maatstafconcurrentie ofbenchmarking. In de vormgeving van de regulering is er continu sprakevan een zoektocht naar de optimale balans tussen het uitlokken vaninvesteringen bij aangewezen warmtebedrijven zodat verbruikersbetrouwbare en duurzame warmte geleverd krijgen, het voorkomen van(structurele) overwinsten bij aangewezen warmtebedrijven zodatverbruikers niet onnodig veel betalen voor hun warmte en het zorgenvoor prikkels om efficiënt te investeren en opereren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3111 8.1.3. Tariefdifferentiatie tussen warmtekavels vanaf fase 2 Mogelijke verschillende maximale tarieven per warmtekavel vanaf fase 2Door het toepassen van kostengebaseerde tariefformules ontstaan ervanaf fase 2 verschillen tussen de maximale tarieven en daarmee ook degehanteerde tarieven tussen verschillende warmtekavels. Hiermeeontstaat het risico op grote tariefverschillen tussen warmtekavels en hetrisico op stijgingen van de tarieven op het moment dat fase 2 van detariefregulering in werking treedt. Het is niet eenvoudig op voorhand eengoede inschatting te maken van de mate waarin deze risico’s zich zullenvoordoen. Het uitgangspunt is dat gemeenten in hun warmteprogrammaalleen in die wijken zullen kiezen voor collectieve warmte waar ditmaatschappelijk gezien de meest efficiënte oplossing is. Dit betekent inprincipe dat het risico op onaanvaardbaar hoge kosten voor deverbruikers worden beperkt. De tariefsystematiek van fase 2 zou er echterop sommige plaatsen toe kunnen leiden dat de warmtetarieven inbestaande warmtekavels met relatief hoge efficiënte kosten toenemen.Voor bestaande warmtekavels met relatief lage efficiënte kosten geldt hetomgekeerde. Het is op dit moment niet mogelijk om volledig in teschatten hoe groot de verschillen zullen zijn. Dit komt doordat eronvoldoende inzicht is in de kosten van verschillende collectievewarmtevoorzieningen, en omdat het nog niet zeker is in hoeverre detarieven de onderliggende kostenverschillen zullen reflecteren. Idealiterworden alleen de kostenverschillen buiten de invloed van het warmtebe-drijf weerspiegeld in de tariefverschillen, terwijl de verschillen die hetgevolg zijn van de mate efficiëntie, niet tot verschillende tarieven leiden.Op dit moment is er nog onvoldoende inzicht in de oorzaken van dekostenverschillen. Ook is de precieze uitwerking van de tariefregulering endaarmee de mate waarin kostenverschillen tot tariefverschillen zullenleiden, nog niet bekend.Enig inzicht in de financiële impact van kostengebaseerde regulering opverbruikers kan verkregen worden op basis van de data uit de rende-mentsmonitor van de ACM. Volgens het onderzoek dat de TNO op de datauit de rendementsmonitor voor het jaar 2021 heeft uitgevoerd, kunnen dekosten tussen warmtesystemen met factor vier-vijf verschillen.19 Op basisvan de verdere analyse van deze data is de eerste, zeer voorlopigeindicatie dat ongeveer de helft van de verbruikers van bestaandewarmtevoorzieningen, 45%-64%, onder kostengebaseerde tariefreguleringminder zal gaan betalen voor warmte dan het «niet meer dan anderstarief» (hierna: NMDA-tarief). Een beperkter aantal verbruikers (ongeveer5% á 10%) zal op basis van deze voorlopige analyse meer dan 50% meerbetalen dan gemiddeld. Voor 1%-3% van de verbruikers kunnen detarieven meer dan twee keer de gemiddelde warmteprijs bedragen.Zonder aanvullend flankerend beleid zou een dergelijke stijging voorsociaal kwetsbare huishoudens kunnen leiden tot een verhoging van deenergie-armoede. Deze cijfers hebben slechts beperkte waarde omdat dekostendata uit de rendementsmonitor niet verzameld zijn met het doel omprecieze inschatting te geven van kosten per warmtenet, maar met hetdoel om een globaal beeld te kunnen geven van de rendementen in degehele warmtesector. Daarom is de kwaliteit van de kostendata uit derendementsmonitor beperkt. Daarnaast is de precieze uitwerking van dekostengebaseerde tarieven nog niet bekend, waardoor het nog nietduidelijk is of alle kostenverschillen ook tot tariefverschillen zullen leiden.Een deel van de verschillen is mogelijk veroorzaakt door de verschillen inde wijze waarop de boekhouding wordt gevoerd. In 2021 golden er noggeen RAR-regels die een uniforme boekhouding voorschrijven. Dit zal19TNO (2023), Review gegevens rendementsmonitor, p. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3112 veranderen wanneer de nieuwe regels ten aanzien van tariefreguleringworden ingevoerd. Daarnaast zullen niet alle kostenverschillen in depraktijk leiden tot tariefverschillen, zoals hierboven toegelicht. Dehierboven geschetste variatie in de warmtetarieven die in de Nederlandsesituatie zou kunnen optreden sluit aan bij wat kan worden verwacht opbasis van de praktijk in andere landen. In Denemarken bijvoorbeeldbetalen de klanten van de duurste warmtesystemen ongeveer drie à vierkeer zo veel als klanten van de goedkoopste warmtesystemen.20 Ook inFinland en Zweden zijn de tariefverschillen tussen warmtesystemenaanzienlijk. De tariefverschillen zijn een directe consequentie van de keuzevoor kostengebaseerde tarieven en zijn ook nodig voor het bestaan van dejuiste prikkels. Waar kosten relatief laag zijn, zal het vaak ook maatschap-pelijk gewenst zijn dat er een collectieve warmtevoorziening tot standkomt, terwijl op locaties waar de kosten van collectieve warmte relatiefhoog zijn, andere duurzame warmtoplossingen vanuit het maatschap-pelijk perspectief vaak meer gewenst zijn. Tarieven die lokale kostenreflecteren zorgen ervoor dat de gemeenten deze kosten meenemen inhun besluitvorming om op bepaalde locaties wel of geen collectievewarmtevoorzieningen aan te leggen. Het creëren van deze prikkels is eenvan de redenen waarom is gekozen voor kostengebaseerde tarieven perwarmtekavel en niet per aangewezen warmtebedrijf. Een ander nadeelvan tarieven per aangewezen warmtebedrijf is dat bij de overdracht vaneen aanwijzing naar een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang, de tarieven sterk zouden kunnen wijzigen. Verder zoudenkostengebaseerde tarieven per aangewezen warmtebedrijf leiden totongelijkheid tussen verbruikers van grote warmtebedrijven met meerderewarmtekavels die hun tarieven kunnen middelen en verbruikers van kleinewarmtebedrijven die dat niet kunnen. Daarmee zouden grote warmtebe-drijven worden bevoordeeld en kleine, bijvoorbeeld gemeentelijke ofcoöperatieve warmtebedrijven, worden benadeeld.In landen waar tariefverschillen al langer bestaan, lijken deze geaccep-teerd te zijn. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat tariefdifferen-tiatie in die landen tot maatschappelijke discussies leidt. Denemarken enZweden behoren ondanks de aanzienlijke tariefverschillen tot de landenwaar men het meest tevreden is over de tarieven van en collectievewarmte in het algemeen.21 In Nederland is momenteel nog 95% van dehuishoudens aangesloten op aardgas en betalen de huishoudensdaarvoor, afhankelijk van het zelfgekozen energiecontract, redelijkvergelijkbare tarieven. Ook zijn de verschillen in tarieven die verbruikersvoor warmtelevering betalen klein omdat de regulering op de gasrefe-rentie is gebaseerd. Het is dan ook onzeker of grote tariefverschillen voorcollectieve warmte in Nederland, zeker als de tarieven op bepaaldewarmtekavels erg hoog zijn, als maatschappelijk aanvaardbaar zullenworden gezien. Dit zal wellicht ook afhankelijk zijn van de koopkracht vande verbruikers.Instrumenten in wetsvoorstel en Wgiw die tariefdifferentiatie en extreemhoge tarieven beperkenDit wetsvoorstel en de voorgenomen uitwerking van tariefregulering infase 2 in de lagere regelgeving bevatten enkele instrumenten om detariefdifferentiatie en het risico op extreem hoge prijzen voor warmte tebeperken. Ten eerste zal de ACM RAR-regels vaststellen, die ertoe zullenleiden dat warmtebedrijven hun kosten op een uniforme manier zullenregistreren. Dit beperkt de verschillen in de gerapporteerde kosten en de20Danish Energy Agency (2023)21Billerbeck, A. et al (2023) Perception of district heating in the context of price regulation, 202319th International Conference on the European Energy.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3113 mogelijkheden voor warmtebedrijven om hun kosten kunstmatig teverhogen. Ten tweede is het voornemen om in lagere regelgeving aan deACM de mogelijkheid te geven om in fase 2 de kosten in het tariefformule-besluit gedeeltelijk te normeren op basis van de kosten die voor eengemiddelde collectieve warmtevoorziening met gegeven kenmerkenkunnen worden verwacht. Dit betekent dat niet alle kostenverschillen zichzullen vertalen in tariefverschillen. De normering en de voorgesteldevereisten ten aanzien van transparantie zullen ook leiden tot efficiëntie-prikkels. De verwachting is daarom dat op termijn de tarieven de efficiëntekosten zullen benaderen, waardoor ook de verschillen in tarieven wordenbeperkt. In fase 3 zal naar verwachting meer gedetailleerde controle op deefficiëntie van de kosten van specifieke warmtevoorzieningen mogelijkzijn.In sommige gevallen kunnen echter ook efficiënte kosten heel hoog zijn.Voor nieuw aan te leggen collectieve warmtevoorzieningen beperkt hetproces rondom de aanwijzing van het warmtebedrijf het risico op lokaalhele hoge tarieven. Bij de aanvraag om een aanwijzing zal het warmtebe-drijf een globaal kavelplan moeten overleggen. Onderdeel daarvan is eenbeschrijving op hoofdlijnen van de onderdelen van een uitgewerktkavelplan en derhalve zal het op hoofdlijnen informatie moeten bevattenover indicatieve tarieven. Een aangewezen warmtebedrijf moetvervolgens een uitgewerkt kavelplan opstellen met daarin opgenomeneen indicatie van kosten en tarieven. In lagere regelgeving zal wordenopgenomen dat warmtebedrijven hiervoor een door de ACM vastgesteldformat en rekenmodellen moeten gebruiken. De indicatieve tarievenworden dan onderbouwd met de kostencomponenten waaruit deze zijnopgebouwd en, indien deze beschikbaar zijn, met de bijbehorendeindexatie-indices of openbare marktcijfers. De tarieven kunnen op dezewijze voorspelbaar meebewegen gedurende de periode tussen hetvaststellen van het uitgewerkt kavelplan en het doen van een aanbod omaan te sluiten en de leveringsovereenkomsten. Het college kan weigerenmet een uitgewerkt kavelplan in te stemmen als het deze (indicatie van de)kosten en tarieven maatschappelijk onaanvaardbaar acht. Daarnaast zal inlagere regelgeving aan de ACM de mogelijkheid worden gegeven om infase 2 de indicatie van de vaste kosten, zoals opgenomen in het uitge-werkt kavelplan, op te nemen als norm in de tariefformule voor detransport- en leveringstarieven. Hiermee komt de indicatie zoals weerge-geven in het uitgewerkt kavelplan ook tot uiting in de gereguleerdetarieven, wat in ieder geval meer zekerheid biedt over het toekomstigevaste tarief. Ten slotte kunnen de potentiële verbruikers ervoor kiezen omniet op een collectieve warmtevoorziening aan te sluiten, maar eenalternatieve duurzame warmteoplossing te realiseren in de woning of hetgebouw.De Wgiw regelt dat de gemeente de betaalbaarheid moet borgen als zij,naast het aanwijzen van de warmtekavel, ook in het omgevingsplanopneemt dat het transport van aardgas op termijn wordt beëindigd en erin het aangewezen gebied een verbod op het gebruik van fossielebrandstoffen wordt geïntroduceerd (de zogenoemde aanwijsbe-voegdheid). Bij het wijzigen van het omgevingsplan moeten gemeenteninzicht geven in de betaalbaarheid van de verduurzamingsmaatregelenvoor de verschillende gebouweigenaren en -gebruikers in de wijk. Bij deoverstap op een collectieve warmtevoorziening heeft de gemeente deinformatie uit het uitgewerkt kavelplan nodig om die kosten te kunnenschetsen. De gemeente zal hierbij ook de beschikbare subsidies voor deverbruiker en voor het warmtebedrijf betrekken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3114 In het ontwerp-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitieworden instructieregels opgenomen ten aanzien van wanneer de overstapop een collectieve warmtevoorziening voor het overgrote deel van de wijkbetaalbaar is en wanneer dus de aanwijsbevoegdheid ingezet magworden. Gemeenten moeten hieraan voldoen bij de wijziging van hetomgevingsplan. Dit geldt dus alleen voor situaties waarbij een collectievewarmtevoorziening in een gebied wordt aangelegd waar ook de aanwijs-bevoegdheid wordt gebruikt en men dus over moet stappen op eenduurzame energievoorziening.Aanvullende instrumentenOok bestaan er buiten dit wetsvoorstel instrumenten die ingezet kunnenworden om het risico op hoge tarieven te beperken (zie ook paragraaf16.4.). Zo zijn er subsidies beschikbaar voor warmtebronnen (SDE++-regeling), de aanleg van warmtenetten (de WIS). Op dit moment zijn dezesubsidies vooral bedoeld om de businesscase rendabel te maken.Naarmate tarieven steeds meer op kosten zijn gebaseerd, is deverwachting dat de onrendabele top steeds meer verdwijnt en het doelvan subsidies zal verschuiven naar het borgen van betaalbaarheid.Daarnaast zijn er verschillende instrumenten beschikbaar voor gebouwei-genaren om zich op collectieve warmte aan te sluiten, bijvoorbeeld deISDE-regeling, SAH-regeling, Subsidieregeling verduurzaming voorverenigingen van eigenaars (SVVE) en het Warmtefonds. Deze instru-menten verminderen de kosten die een verbruiker maakt bij overstap naarwarmte en verhogen daarmee de betaalbaarheid. Daarnaast zijn erverschillende nieuwe financieringsinstrumenten in voorbereiding zoalseen waarborgfonds en een nationale deelneming, die het risico voorwarmtebedrijven (waaronder het vollooprisico) verder beperken. Dezefinancieringsinstrumenten moeten leiden tot een verlaging van definancieringskosten en als gevolg daarvan ook een verlaging van detarieven. Ten slotte kan het publiek meerderheidsaandeel in aangewezenwarmtebedrijven ook bijdragen aan de betaalbaarheid, omdat naarverwachting een warmtebedrijf met publiek meerderheidsbelang uit eigenbeweging publieke belangen als consumentenbescherming,duurzaamheid of betaalbaarheid zwaarder zal laten wegen dan commer-ciële belangen.Ondanks deze mechanismes die het risico op lokaal hoge tarievenbeperken, wordt het risico op hoge tarieven niet volledig weggenomen.Niet binnen dit wetsvoorstel en ook niet met de op dit moment bestaandebeleidsinstrumenten die met name zien op nieuwe collectieve warmte-voorzieningen. Bestaande collectieve warmtevoorzieningen kunnen doorhistorische ontwikkeling of calamiteiten relatief hoge efficiënte kostenhebben. Daarnaast kunnen bestaande collectieve warmtevoorzieningenniet met terugwerkende kracht gebruik maken van later inwerkinggetreden subsidieregelingen en flankerend beleid. Bij de overstap naarkostengebaseerde tarieven zijn er dus minder mogelijkheden om bij testuren op de maatschappelijke aanvaardbaarheid van kostengebaseerdetarieven voor bestaande collectieve warmtevoorzieningen dan dat die erzijn voor nieuwe collectieve warmtevoorzieningen. Ook zullen bestaandecollectieve warmtevoorzieningen veelal een verduurzamingsopgavehebben. Het is dus mogelijk dat aanvullende instrumenten nodig zullenzijn om tariefstijgingen voor sommige consumenten als gevolg van deinvoering van kostengebaseerde tarieven te dempen en om een eventueletoename van energie-armoede te voorkomen. Het is op dit moment nietmogelijk om met zekerheid te berekenen hoe groot de veranderingen inde warmtetarieven zullen zijn, en dus hoeveel het zou kosten omplaatselijk hoge tarieven voor een deel van de verbruikers te voorkomen.Dit wordt veroorzaakt door een onvolledig inzicht in de kosten vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3115 warmtebedrijven, doordat het deels om nieuwe collectieve warmtevoor-zieningen zal gaan waarvoor de aantallen en de kosten nog niet bekendzijn en omdat het bedrag afhankelijk is van de gekozen maatstaf vanbetaalbaarheid.8.1.4. Regulatorische accountingregels (RAR-regels) Essentieel voor een kostengebaseerde tariefregulering is dat de ACM overvoldoende robuuste en kwalitatieve informatie over kosten, volumes,factoren die de kosten bepalen en andere noodzakelijke gegevens beschiktom daadwerkelijk in staat te zijn om middels deze methodes kostengeba-seerde tarieven of tariefformules vast te kunnen stellen. De ACM zalvooruitlopend op elke reguleringsfase beginnen met het verzamelen vandeze informatie, zodat zij op het moment waarop de desbetreffende fasein werking treedt de methodiek van deze fase kan toepassen. Onderdeelvan de reguleringssystematiek en de stapsgewijze implementatie ervan ishet vaststellen van de RAR-regels door ACM en het aan warmtebedrijvenkunnen verzoeken om informatie op basis van deze regels (artikel 7.8).Hiermee kunnen de warmtebedrijven juiste en eenduidige informatieaanleveren bij de ACM voor het vaststellen van de kosten. Dit vereisttevens dat warmtebedrijven hun interne organisatie, in het bijzonder hunboekhouding, hierop hebben aangepast, zodat de juiste informatieaangeleverd kan worden. Daarom schrijft artikel 7.9 van dit wetsvoorstelvoor dat warmtebedrijven voor gereguleerde diensten een afzonderlijkeboekhouding moeten houden.8.1.5. Behoud van adaptatievermogen In dit wetsvoorstel is geen expliciete datum vastgelegd waarop er overwordt gegaan van fase 1 van de tariefregulering naar fase 2 en vervolgensfase 3. Alleen in geval van robuuste onderbouwing op basis van solidekostengegevens kan een volgende fase in de tariefregulering wordeningezet. Een te vroege overgang, zonder die onderbouwing, leidt tot eentoename van onzekerheid voor warmtebedrijven en verbruikers. Tegelij-kertijd kan een te late overgang naar een fijnmazige methodiek leiden totoverrendementen waardoor verbruikers benadeeld worden of onderren-dementen waardoor er onvoldoende wordt geïnvesteerd.Op dit moment wordt verwacht dat de overgang van de huidige tarief-stelling op basis van een correctie van de gasreferentie of een kostenge-baseerd referentietarief (fase 1) en tariefformules (fase 2) naar eenkostengebaseerde tariefmethodiek waarbij de ACM toegestane ofbeoogde inkomsten vaststelt (fase 3) rond 2033 zal zijn afgerond (drie totvier reguleringsperiodes) met de wetenschap dat ook daarna steedsbijstellingen en actualisatie nodig zullen zijn.Een (te) rigide methodiek vastgelegd in dit wetsvoorstel bemoeilijkttussentijdse sturing. Om die reden wordt er in dit wetsvoorstel eenmethodiek voor de tariefregulering voorgesteld die voldoende flexibiliteiten adaptatievermogen met zich meebrengt om rekening te kunnenhouden met de specifieke wensen en omstandigheden die zich tijdens detransitie kunnen voordoen. Zoals hiervoor toegelicht kan gedurende hettransitieproces op het moment dat op basis van de dan beschikbareinformatie de tijd daarvoor rijp is, worden besloten om over te stappennaar een andere tariefreguleringssystematiek. Daarnaast voorziet hetwetsvoorstel in de mogelijkheid om in de lagere regelgeving nadereregels vast te stellen, waarmee de invulling van de tariefregulering naderkan worden vorm gegeven en geconcretiseerd. Dat biedt de mogelijkheidom op het moment dat die regels worden ingevuld rekening te houdenmet de op dat moment meest actuele situatie en de behoeftes enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3116 voorkeuren die op dat moment bij de verschillende belanghebbendepartijen bestaan.8.1.6. Transparantiebepalingen Tariefregulering is niet het enige instrument dat gebruikt kan worden omverbruikers te beschermen tegen onredelijk hoge kosten en tarieven. Eénvan de alternatieve of aanvullende instrumenten is het stellen vantransparantie-vereisten over de gehanteerde tarieven en de kosten.Transparantie daarover stelt verbruikers in staat om warmtebedrijven aante spreken als er sprake is van relatief hoge kosten en tarieven. Daaromvoorziet dit wetsvoorstel in een aantal transparantiebepalingen.In de eerste plaats worden aangewezen warmtebedrijven verplicht om degehanteerde tarieven openbaar te maken. Hiermee kunnen verbruikers engemeenten de daadwerkelijk gehanteerde tarieven van verschillendewarmtebedrijven en van verschillende warmtekavels met elkaar verge-lijken.Een tweede onderdeel van deze transparantiebepalingen betreftopenbaarheid over de kosten van de collectieve warmtevoorziening. Alsde tariefregulering zich in fase 2 bevindt, berekenen aangewezenwarmtebedrijven zelf hun maximale leveringstarieven met gebruik van dedoor de ACM vastgestelde formule. Om verbruikers transparantie tebieden over de onderliggende kosten waarop deze tarieven zijngebaseerd, dienen warmtebedrijven deze berekeningen te publiceren voorzover dit geen bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Voor die goederenof diensten waarvoor de ACM kostengebaseerde maximumtarievenvaststelt, publiceert de ACM de berekening van die tarieven voor zover hetgeen bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft.In de eerste fase van de tariefregulering (correctie op de gasreferentie) zijnde leveringstarieven nog niet gebaseerd op de kosten van collectievewarmte en is het daarom voor de ACM niet mogelijk om de onderliggendekosten waarop de tarieven zijn gebaseerd openbaar te maken. Wel voertde ACM elke twee jaar een rendementsmonitor uit en verkrijgt daarmeeinzicht in het behaalde rendement per aangewezen warmtebedrijf. Om deverbruikers in ieder geval op bedrijfsniveau inzicht te geven in debehaalde rendementen, is in dit wetsvoorstel opgenomen dat de ACMvoor alle warmtebedrijven die zijn meegenomen in de rendementsmo-nitor het behaalde rendement over de gemonitorde jaren publiceert. DeMinister zal in de lagere regelgeving uitwerken welke groep warmtebe-drijven moet worden meegenomen in de rendementsmonitor enwaarvoor het behaalde rendement door de ACM wordt gepubliceerd. Tenslotte kan de ACM alle gegevens die ze verzamelt ten behoeve vantariefregulering publiceren in een marktmonitor voor zo ver het geenbedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Een dergelijke monitor kanbijvoorbeeld informatie bevatten over tarieven, aantal aansluitingen,volumes van geleverde warmte, gebruikte warmtebronnen, leeftijd vanwarmtenetten of kosten van warmtebedrijven.8.2. Tariefregulering levering van warmte door een aangewezenwarmtebedrijf aan grootverbruikers De tarieven voor grootverbruikers worden gedurende de eerste fase vande tariefregulering niet gereguleerd. Deze gehanteerde tarieven komen totstand door onderhandeling tussen de grootverbruiker en het aangewezenwarmtebedrijf. Hierbij geldt dat het aangewezen warmtebedrijf de eerstedrie jaar na aanvang van de warmtelevering niet een hoger tarief inrekening mag brengen dan het maximale tarief dat hij op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3117 artikel 2.29, tweede lid, onderdeel a, onder 3, heeft gemeld ten behoevevan de inventarisatie van de opt out, indien deze heeft plaatsgevonden.Vanaf het moment dat de ACM kostengebaseerde tariefformules voorleveringstarieven gaat vaststellen, hoeven deze tarieven niet direct ook teworden vastgesteld voor grootverbruikers. Het is niet vanzelfsprekend omde grootverbruikerstarieven meteen te reguleren zodra fase 2 in gaat. Hetis heel complex om bij regulering in fase 2 voldoende differentiatie intarieven aan te brengen om rekening te houden met de diversiteit van degrootverbruikers als het gaat om de kosten die het leveren van warmteaan grootverbruikers met zich meebrengt en de producten en diensten dieze afnemen. Het hanteren van generieke tariefformules die onvoldoenderecht doen aan deze diversiteit kan ertoe leiden dat warmtebedrijvenverliezen leiden en dat het leveren van warmte aan sommige grootver-bruikers verliesgevend wordt, waardoor deze grootverbruikers niet meerworden bediend. De artikelen waarin de regels over de tariefreguleringvoor grootverbruikers zijn opgenomen, kunnen op een later bij een bijkoninklijk besluit bepaald moment in werking treden dan de tweede fasevan de tariefregulering voor aangewezen warmtebedrijven die ziet op delevering van warmte aan kleinverbruikers. Dit zorgt voor flexibiliteit zodatmet het reguleren van de grootverbruikerstarieven door de ACM kanworden gestart wanneer de fase 2-regulering voldoende inzicht biedt in deproducten en diensten die grootverbruikers afnemen en de kosten diedaarmee gemoeid zijn. Hetzelfde geldt voor tarieven voor grootver-bruikers die zijn aangesloten op een klein collectief warmtesysteem.8.3. Tariefregulering kleine collectieve warmtesystemen De tariefregulering voor kleine collectieve warmtesystemen zal opdezelfde wijze plaatsvinden als bij collectieve warmtevoorzieningen, zoalsomschreven in paragraaf 8.1, met dien verstande dat de tariefregulerings-systematiek voor kleine collectieve warmtesystemen zich niet zalontwikkelen tot een systematiek met toegestane of beoogde inkomstenper klein collectief warmtesysteem (fase 3). Dit zou leiden tot te hogeuitvoeringslasten voor de ACM. De regulering van leveringstarieven voorkleine collectieve warmtesystemen start met een correctie op de gasrefe-rentie, waarna wordt overgegaan op kostengebaseerde tariefformules.Het is goed denkbaar dat het juiste moment om over te stappen van fase 1naar fase 2 voor kleine collectieve warmtesystemen later zal zijn dan voorde collectieve warmtevoorzieningen op de warmtekavel. Momenteel zijner slechts enkele tientallen warmtesystemen met meer dan 1.500aansluitingen. Daarentegen zijn er honderden kleine collectieve warmte-systemen, die wellicht meer tijd nodig hebben om hun boekhouding aante passen aan de boekhoudkundige regels en waarvoor het voor de ACM– vanwege de omvang van het aantal kleine collectieve warmtesystemen –lastiger is om data te verzamelen. Dit wetsvoorstel maakt het daarommogelijk om de overgang van fase 1 naar fase 2 voor kleine collectievewarmtesystemen op een later moment plaats te laten vinden.Afhankelijk van de boekhoudkundige informatie waar de ACM over kanbeschikken bij kleine collectieve warmte systemen zullen de kostengeba-seerde tariefformules steeds meer worden verfijnd. Om de administra-tieve lasten te beperken, kan de ACM andere RAR-regels vaststellen voorkleine collectieve warmte systemen (artikel 7.15, zevende lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3118 8.4. Tariefregulering levering van warmte aan ten hoogste 10kleinverbruikers Het verbod om warmte te leveren of te transporteren ingevolge artikel 1.2,eerste lid, geldt niet voor het transport en de levering van warmte dooreen warmtebedrijf door middel van één collectief warmtesysteem aan tenhoogste 10 kleinverbruikers gezamenlijk.Ook deze kleinverbruikers zijn gebonden aan een monopolist en dienendaarom beschermd te worden tegen te hoge tarieven. Huurders wordenbeschermd door het huurrecht en VvE-leden door de VvE-structuur, maaroverige kleinverbruikers hebben een dergelijke bescherming niet. Inartikel 7.22 wordt hierin voorzien met een aparte tariefreguleringsyste-matiek voor deze allerkleinste collectieve warmtesystemen.Het warmtebedrijf mag zelf de tarieven vaststellen (artikel 7.22, eerste lid).De tarieven reflecteren de werkelijke kosten. De berekeningsmethode ende tarieven zijn transparant, non-discriminatoir en gaan uit van eenredelijk rendement. Als kleinverbruikers van mening zijn dat het tarief tehoog is, kunnen zij de ACM verzoeken om de methodiek die het warmte-bedrijf hanteert voor het vaststellen van het tarief te toetsen (artikel 7.22,derde lid). Er geldt voor deze warmtebedrijven een versimpelde vorm vanRAR-regels, zodat de ACM in staat is om deze tarieventoets uit te voeren.De dreiging van ingrijpen door de ACM zou het risico op overwinstenmoeten verkleinen.8.5. Tariefregulering voor verhuurders en VvE die warmtedoorleveren aan hun huurders en leden Op basis van de Warmtewet worden als gevolg van een beperking van dereikwijdte van de Warmtewet geen tarieven vastgesteld voor warmtele-vering door verhuurders aan hun eigen huurders en warmtelevering doorVvE’s aan de bij hen aangesloten leden. Wel worden er maximumtarievenvastgesteld voor warmtelevering aan verhuurders of VvE’s die de warmtedoorleveren aan hun huurders respectievelijk leden. De grondslaghiervoor is opgenomen in de Warmtewet, maar de uitwerking vindt plaatsin het Warmtebesluit. Bij die uitwerking in het Warmtebesluit is ervoorgekozen om het niveau van tariefbescherming voor warmtelevering aandoorleverende verhuurders en VvE’s gelijk te stellen aan het niveau vantariefbescherming voor warmtelevering aan kleinverbruikers. In ditwetsvoorstel is in artikel 7.23 voorgesteld deze lijn in de Warmtewet overte nemen en de lagere regelgeving op vergelijkbare wijze uit te werken alsin het Warmtebesluit.8.6. Tariefregulering warmtetransportnetten Voor warmtetransportnetten is in dit wetsvoorstel een eigen systematiekvan tariefregulering opgenomen (paragraaf 7.6). De uitgangspunten voortariefregulering zijn vergelijkbaar met die van collectieve warmtevoorzie-ningen. Er is in beide situaties sprake van een monopolie. Enerzijds moetde regulering daarom waarborgen dat verbruikers de zekerheid hebbendat zij niet meer betalen dan nodig is. Anderzijds moet een warmtetrans-portbeheerder de zekerheid hebben dat (efficiënte) kosten inclusief eenredelijk rendement zich redelijkerwijs kunnen terugverdienen.De systematiek zoals voorzien voor collectieve warmtevoorzieningen, diestapsgewijs toegroeit naar een kostengebaseerde tariefsystematiek, ligtvoor warmtetransportnetten echter niet voor de hand. Er wordt immersgestart vanuit een geheel nieuwe situatie, die zich leent voor een aanpakdie direct aansluit bij de bovengenoemde uitgangspunten. Een tweedeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3119 verschil is dat de warmtetransportbeheerder is aangewezen omuitsluitend in het regionaal transport van warmte te voorzien. De scopevan de tariefregulering voor warmtetransportnetten is daarmee minderomvattend dan bij een aangewezen warmtebedrijf met een integraleverantwoordelijkheid, die naast warmtetransport ook warmteproductie en-levering omvat. Tegelijk maakt het verwachte geringe aantal warmte-transportnetten maatwerk in de regulering ervan mogelijk. Dat voordeelkent tevens zijn beperking. Een kostenvergelijking met andere warmte-transportnetten is bijvoorbeeld praktisch lastig vorm te geven. Ookinternationaal zijn er naar verwachting onvoldoende vergelijkbaresystemen om een goede vergelijking mogelijk te maken.De basis van de tariefregulering is, zoals gezegd, dat de warmtetransport-beheerder de efficiënte kosten en een redelijk rendement in rekening magbrengen bij de gebruikers. De systematiek zoals die in dit wetsvoorstel isopgenomen gaat uit van het door de ACM vastgestelde inkomsten-plafond, de toegestane inkomsten, en het uitgangspunt de warmtetrans-portbeheerder de ruimte te geven deze inkomsten te verdienen metverschillende producten en diensten. Dit biedt de ruimte die nodig is omper warmtetransportsysteem door de warmtetransportbeheerder – alspartij die het beste zicht heeft op de kosten en de efficiëntie van hetsysteem – producten en diensten met bijbehorende tarieven te ontwik-kelen die leiden tot efficiënter en doelmatiger gebruik van het systeem.De ACM stelt eerst voor een transportreguleringsperiode van minimaaléén en maximaal vijf jaar de methode vast, waarmee de toegestaneinkomsten worden vastgesteld. Vervolgens worden met deze methode detoegestane inkomsten vastgesteld voor dezelfde reguleringsperiode, opbasis van de efficiënte kosten en een redelijk rendement. Hierover kunnenin lagere regelgeving nog nadere regels worden gesteld, onder andereover de manier en mate waarop in deze methode ook een efficiëntie-prikkel voor de warmtetransportbeheerder wordt opgenomen. Eenwarmtetransportbeheerder dient minimaal één keer per jaar en maximaaléén keer in de vijf jaar een transporttariefvoorstel in. Over de frequentiewaarmee het transporttariefvoorstel dient te worden ingediend kunnennadere regels worden gesteld.De warmtetransportbeheerder kan tarieven verschillend vaststellen voorverschillende categorieën producten indien dit gerechtvaardigd is dooreen verschil in kosten of risico’s voor het warmtetransportsysteem. Hetgaat hier bijvoorbeeld om het vaststellen van verschillende tarieven envoorwaarden voor klanten die in een vroeg stadium commitment afgeven,zogenoemde «launching customers», voor een nog aan te leggenwarmtetransportnet of bij een warmtetransportnet behorende nieuw aante leggen leidingonderdelen. Het risico dat het beoogde warmtetrans-portnet of bij een warmtetransportnet behorende nieuw aan te leggenleidingonderdelen uiteindelijk niet tijdig of volledig benut worden, wordtdaar immers mee verkleind, waardoor ook de kosten van het systeemafnemen. De tariefdifferentiatie is dus gebaseerd op objectief te verklarenkostenverschillen en tarieven blijven non-discriminatoir, oftewel: gelijkegevallen worden gelijk behandeld.Het tariefvoorstel van de warmtetransportbeheerder bevat ten minste eenvoorstel voor een tarief voor het aansluiten, afsluiten en het transport vanwarmte. De ACM heeft de bevoegdheid om aanpassingen te vragen in hettariefvoorstel indien het de toegestane inkomsten overschrijdt of indiende onderbouwing van het tariefvoorstel onjuiste gegevens bevat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3120 9. Informatieverstrekking en verwerking persoonsgegevens 9.1. Informatieplicht De in artikel 8.1 voorgestelde informatieplicht is van wezenlijk belang vooreen goede uitvoering van deze wet. De Minister en het college zijn in ditwetsvoorstel (handhavings)bevoegdheden toegekend en om deze naarbehoren uit te kunnen oefenen is het van belang dat gegevens ofinlichtingen van partijen verlangd kunnen worden. De informatieplichtmoet ruim worden opgevat. Voldoende is dat de door de Minister of hetcollege gevraagde gegevens of inlichtingen redelijkerwijs nodig zijn voorde uitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegd-heden. Onder de informatieplicht valt ook het verschaffen van bedrijfsver-trouwelijke gegevens. Het wetsvoorstel waarborgt dat de verkregengegevens en inlichtingen uitsluitend worden gebruikt voor de uitoefeningvan de bevoegdheden op grond van deze wet.9.2. Verwerking persoonsgegevens De verwerking van persoonsgegevens door de Minister, ACM en hetcollege mag alleen plaats vinden voor zover dat nodig is voor deuitoefening van de bevoegdheden die zij op grond van dit wetsvoorstelhebben (artikel 8.2). Dit biedt een waarborg dat deze bestuursorganengeen oneigenlijk gebruik maken van de persoonsgegevens door deze ookvoor andere doeleinden dan de uitoefening van hun bevoegdheden tegebruiken. De verwerking van de persoonsgegevens door warmtebe-drijven is ingeperkt tot de verwerking die noodzakelijk is voor deuitvoering van taken en verplichtingen op grond van dit wetsvoorstel. Demaximale bewaartermijn van de persoonsgegevens zal bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.Gegevensbeschermings-effectbeoordeling (DPIA)Gezien de aard van dit wetsvoorstel is in de fase van beleidsontwikkelingeen gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd. Met behulphiervan is de noodzaak onderzocht van de voorgenomen verwerking vanpersoonsgegevens en zijn op gestructureerde wijze de gevolgen enrisico’s van de maatregelen en het systeem voor gegevensbescherming inkaart gebracht. Hierbij is in het bijzonder aandacht besteed aan debeginselen van transparantie, gegevensminimalisering, doelbinding, hetvereiste van een goede beveiliging en de rechten van de betrokkenen.Uit de volgende bepalingen zal naar verwachting een verwerking vanpersoonsgegevens voortvloeien:a.artikel 8.1 op basis waarvan de Minister of het college gegevens ofinlichtingen kan verlangen die redelijkerwijs nodig zijn voor deuitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdhe-den. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om het opvragen van gegevensten behoeve van het toezicht op de naleving van dit wetsvoorstel;b.artikel 2.24, derde lid, waarin is bepaald dat het aangewezen warmte-bedrijf bij het kadaster de naam en adres van een gebouweigenaar kanopvragen om de gebouweigenaar een schriftelijk aanbod te doen vooraansluiting op een collectieve warmtevoorziening;c.artikelen 4.1 (meldplicht verhuurder), 4.2 (verlenen van een onthef-fing), 4.4 en 4.5 (intrekken en overdragen van een ontheffing) en 12.12(meldplicht bestaande verhuurders). Aangezien verhuurders natuur-lijke personen kunnen zijn worden door deze bepalingen door deverhuurder persoonsgegevens verstrekt en worden deze bewaard doorhet college;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3121 d.artikel 2.25 op basis waarvan het warmtebedrijf mogelijk moetbijhouden welke gebouweigenaren wel en welke niet gebruik hebbengemaakt van de opt-out procedure;e.verscheidene overige bepalingen in het wetsvoorstel waarin rechtsper-sonen gegevens moeten aanleveren, waarbij eventueel een zakelijke-mailadres kan worden verstrekt dat te herleiden is tot een natuurlijkpersoon.In de gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt geconcludeerd datde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bescherming van depersoonsgegevens in verhouding staat tot de verwerkingsdoeleinden. Deverwerkingsdoeleinden kunnen niet op een andere voor de betrokkeneminder nadelige wijze worden verwezenlijkt.Over verwerking van persoonsgegevens bij het gebruik van een slimmeenergiemeter zijn reeds diverse adviezen gegeven door de AutoriteitPersoonsgegevens. Aanvullende beveiligingseisen voor de verwerkingvan persoonsgegevens zullen worden uitgewerkt in de lagere regelgeving.Hiervoor is een grondslag opgenomen in artikel 2.42, vijfde lid, die bepaaltdat er nadere regels kunnen worden gesteld over de beveiliging vanmeetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die opafstand uitleesbaar zijn. Verder kunnen in zijn algemeenheid nog in lagereregelgeving nadere regels worden opgesteld over de eisen en functionali-teiten waaraan warmtemeters en warmtekostenverdelers moetenvoldoen, het collecteren en valideren van en het vaststellen van meetge-gevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstanduitleesbaar zijn. Ten behoeve van deze lagere regelgeving zal een DPIAworden opgesteld. Omdat dit nog moet worden uitgewerkt in lagereregelgeving ziet de DPIA niet op het onderwerp metingen (artikelen 2.40tot en met 2.42).10. Toezicht en handhaving 10.1. Algemeen Het toezicht op de naleving van deze wet is gedeeltelijk belegd bij de ACMen gedeeltelijk bij het college van de gemeente waar de collectievewarmtevoorziening zich bevindt. In artikel 9.1 van dit wetsvoorstel isopgenomen op welke bepalingen de ACM respectievelijk het collegetoezicht houden. De toezichtsbevoegdheden van de ACM en van hetcollege overlappen niet.Het toezicht van de ACM richt zich met name op de uitvoering van detaken en verplichtingen van warmtebedrijven ten aanzien van de leveringvan warmte, de bepalingen met betrekking tot de leveringszekerheid enduurzaamheid en op de verplichtingen van warmtebedrijven op grond vande tariefregulering.Het toezicht van het college richt zich op het verbod van artikel 1.2, eerstelid, om warmte te transporteren of te leveren zonder aanwijzing van eenwarmtebedrijf of aanwijzing van een warmtetransportbeheerder.Daarnaast houdt het college toezicht op de naleving van de voorschriftenen beperkingen die zijn verbonden aan onder meer de aanwijzing,instemming met een uitgewerkt kavelplan en ontheffingen op grond vande hoofdstukken 3 en 4. Indien er sprake is van een gemeentegrensover-schrijdend warmtekavel waarvoor meerdere gemeenten gezamenlijk eenwarmtebedrijf hebben aangewezen, liggen de toezichthoudende bevoegd-heden bij de gezamenlijke gemeenten. Hierbij kunnen gemeenten gebruikmaken van de Wet gemeenschappelijke regelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3122 10.2. Handhavingsbevoegdheden ACM Voor de handhaving beschikt de ACM over verschillende instrumenten. Inde eerste plaats kan de ACM ingevolge artikel 12j van de InstellingswetAutoriteit Consument en Markt een bindende aanwijzing opleggen.Daarnaast kan de ACM voor alle bepalingen waarop zij toezicht houdt eenbindende gedragslijn opleggen (artikel 9.2, eerste lid). Het verschil tusseneen bindende gedragslijn en een bindende aanwijzing is dat bij eenbindende gedragslijn geen sprake hoeft te zijn van een vastgesteldeovertreding, maar bij een bindende aanwijzing wel. Door het opleggenvan een bindende gedragslijn kunnen aan een warmtebedrijf verplich-tingen worden opgelegd om bepaalde handelingen te verrichten ternaleving van de wettelijke voorschriften. Beide zijn een last in de zin vanartikel 5.2 van de Awb. Ten derde beschikt de ACM over de mogelijkheideen last onder dwangsom op te leggen voor zover het hier eenovertreding betreft waarop de ACM toezicht houdt (artikel 9.3, eerste lid).Tot slot kan de ACM een bestuurlijk boete opleggen voor de in artikel 9.4,eerste lid, genoemde artikelen.10.3. Handhavingsbevoegdheden van het college De meest ingrijpende bevoegdheid van het college is het intrekken vaneen aanwijzing of ontheffing. Dit kan een te vergaande maatregel zijn bijovertreding van een bepaling van dit wetsvoorstel. Daarom krijgt hetcollege de beschikking over een handhavingsinstrumentarium om tekunnen ingrijpen bij overtredingen. Het college krijgt de bevoegdheid omeen bindende gedragslijn op te leggen voor alle bepalingen waarop hetcollege toezicht houdt (artikel 9.2, tweede lid). Daarnaast krijgt het collegede mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen voor zover hethier een overtreding betreft waarop het college toezicht houdt (artikel 9.3,derde lid) of een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 9.4, vierde envijfde lid).10.4. Interventiebevoegdheden ACM Het kan voorkomen dat er onverwachte en acute leveringszekerheidspro-blemen ontstaan bij de levering van warmte door een collectievewarmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem. Ook debetrouwbaarheid van het warmtetransport door een warmtetransportbe-heerder kan ernstig en plotseling in het geding zijn. Ook voor deze situatiebevat het wetsvoorstel een aantal bevoegdheden voor de ACM om bijonverwachte en acute problemen te kunnen interveniëren (artikelen 9.5,9.6 en 9.7).Opdragen maatregelen aan een derdeAls het niet mogelijk is om de leveringszekerheid of de betrouwbaarheidvan het warmtetransport te herstellen door opdrachten van de ACM aanhet warmtebedrijf respectievelijk de warmtetransportbeheerder te geven,heeft de ACM de bevoegdheid om ook iedere andere partij een opdrachtte geven indien de opdracht noodzakelijk is om de leveringszekerheid ofde betrouwbaarheid van het warmtetransport te borgen (artikel 9.5, eersteen tweede lid). De partij aan wie de ACM de opdracht verstrekt is verplichtom deze op te volgen waarbij de ACM voor de uitvoering van dieopdracht een redelijke vergoeding vaststelt. De kosten van dezevergoeding komen daarbij voor rekening van het warmtebedrijf respectie-velijk de warmtetransportbeheerder. Het geven van een opdracht aan eenderde kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien een producent niet langerzijn contractuele verplichtingen om warmte leveren aan het warmtebedrijfnakomt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3123 In een situatie dat het warmtebedrijf in surséance van betaling offaillissement verkeerd en om die reden de levering van warmte niet meerkan garanderen, kan de ACM een ander warmtebedrijf de opdracht gevende levering van het warmtebedrijf over te nemen (artikel 9.5, vijfde lid). Deopdracht van de ACM betekent dan in de praktijk een opdracht om op tetreden als noodwarmtebedrijf. In die situatie is iedereen verplicht ommedewerking te verlenen aan dit noodwarmtebedrijf voor zover ditredelijkerwijs kan worden verlangd.De ACM kan ook een noodwarmtetransportbeheerder opdragen hetwarmtetransport van een warmtetransportbeheerder over te nemen(artikel 9.5, zesde lid).Mede gelet op het de in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen diebeogen om reeds in een vroegtijdig stadium mogelijke problemen tesignaleren en op te lossen, mag ervan worden uitgegaan dat debevoegdheid om een derde opdrachten te geven slechts in zeer uitzonder-lijke situaties zal worden ingezet.Stille bewindvoerderDe ACM heeft ook de bevoegdheid om het warmtebedrijf te verplichtenom opdrachten op te volgen van een door haar aangewezen persoonindien door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringsze-kerheid onvoldoende geborgd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk isom de leveringszekerheid te verzekeren (artikel 9.6). Een gelijkluidendebevoegdheid heeft de ACM ook ten aanzien van een warmtetransportbe-heerder indien de betrouwbaarheid van het warmtetransport onvol-doende geborgd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is.Genoemde persoon is niet bevoegd tot het verrichten van rechtshande-lingen uit naam van het bedrijf, maar hij is wel bevoegd om eenbestuurder van het warmtebedrijf of warmtetransportbeheerder eenopdracht te geven tot het verrichten van een rechtshandeling (bijvoor-beeld het ondertekenen van een overeenkomst ten aanzien van de inkoopvan warmte).Het warmtebedrijf of warmtetransportbeheerder is verplicht deopdrachten van de door de ACM aangewezen persoon op te volgen. Alshet warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder of één van zijnbestuurders de opdrachten van de aangewezen persoon niet uitvoert danis het bedrijf of de bestuurder in overtreding en kan de ACM op grond vanartikel 9.4 een bestuurlijke boete opleggen. De door de ACM aangewezenpersoon is niet aansprakelijk voor de schade ten gevolge van de door hemverstrekte opdrachten.Vervanging van het bestuurNaast bovengenoemde bevoegdheden heeft de ACM de bevoegdheid omeen of meer personen aan te wijzen die het bestuur of de leiding van eenwarmtebedrijf, vervangt dan wel vervangen, indien direct ingrijpennoodzakelijk is om de leveringszekerheid te borgen en de aanstelling vaneen stille bewindvoerder op grond van artikel 9.6 onvoldoende effect zalhebben (artikel 9.7). Deze ingrijpende bevoegdheid is gerechtvaardigdvanwege het grote belang van de leveringszekerheid voor verbruikers.Ook hier geldt dat een gelijkluidende bevoegdheid van de ACM tenaanzien van een warmtetransportbeheerder voorgesteld indien debetrouwbaarheid van het warmtetransport in gevaar is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3124 11. Geschilbeslechting Voorgesteld is een warmtebedrijf op te dragen een onafhankelijkegeschillencommissie in te stellen, zodat een verbruiker de mogelijkheidheeft een geschil met een warmtebedrijf over de leveringsovereenkomstaan deze commissie voor te leggen (artikel 10). Ook kan een gebouw-eigenaar een geschil voorleggen over de toepassing van de taak van hetwarmtebedrijf een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaan-sluiting. Het gaat hier om een laagdrempelige onafhankelijke geschillen-commissie waarbij de procedure snel, transparant, eenvoudig engoedkoop is. Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat het verbruikers engebouweigenaren vrij staat om een rechtsmiddel aan te wenden.Het recht om een verzoek om geschilbeslechting in te dienen is voorbe-houden aan verbruikers en gebouweigenaren. Door de Wet van 4 juli 2018tot wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van deevaluatie van de Warmtewet) (Stb. 2018, 311) vallen verhuurders en VvE’sdie zelf warmte leveren niet langer onder de reikwijdte van de Warmtewet.Huurders en andere leden van de VvE die warmte afnemen van hunverhuurder of VvE kunnen dus geen geschil voorleggen aan een onafhan-kelijke geschillencommissie. Zij worden reeds op grond van debepalingen van het huurrecht beschermd tegen mogelijk machtsmisbruikvan de verhuurder die warmte levert. Leden van een VvE wordenbeschermd op grond van de structuur van de VvE.12. Rechtsbescherming 12.1. Rechtsbescherming tegen besluiten De rechtsbescherming tegen besluiten van de ACM op grond van deWarmtewet is geregeld in de in Bijlage 2 opgenomen Bevoegdheidsre-geling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) van de Awb. In debevoegdheidsregeling is in artikel 4 bepaald dat tegen alle besluitengenomen op grond van de Warmtewet beroep in eerste aanleg kanworden ingesteld bij het College van Beroep voor Bedrijfsleven (hierna:CBb). Uitzondering hierop zijn de handhavingsbesluiten van de ACMgenomen op grond van artikel 18 van de Warmtewet. Artikel 7 van debevoegdheidsregeling schrijft voor dat beroep tegen een handhavingsbe-sluit mogelijk is bij de rechtbank Rotterdam. Op grond van artikel 11 isvervolgens hoger beroep bij het CBb voorgeschreven.In dit wetsvoorstel is in artikel 12.20 voorgesteld aan te sluiten bij de wijzewaarop in de Warmtewet de rechtsbescherming is geregeld. Dit betekentvoor de besluiten van de ACM dat beroep in eerste aanleg bij het CBbmogelijk zal zijn. Dit geldt niet voor handhavingsbesluiten genomen opgrond van de artikelen 9.3 en 9.4. Daarvoor geldt het uitgangspunt datberoep open staat bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij hetCBb.Dit wetsvoorstel voorziet in de wettelijke verankering van de regierol vangemeenten. Teneinde gemeenten te faciliteren bij het uitvoeren van hunwettelijke rol op grond van dit wetsvoorstel worden het college additi-onele bevoegdheden gegeven om in verschillende fases van de totstand-koming en tijdens de exploitatie van de collectieve warmtevoorziening(handhavings)besluiten te nemen. Met het oog op de reeds opgedaneexpertise van het CBb en de rechtbank Rotterdam met de behandeling vaneen beroep op een besluit genomen op grond van de Warmtewet wordtvoorgesteld dat ook voor alle gemeentelijke besluiten op grond van dezewet in eerste aanleg beroep open staat bij het CBb. Dit geldt echter nietvoor handhavingsbesluiten genomen op grond van de artikelen 9.3 en 9.4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3125 Daarvoor geldt het uitgangspunt dat beroep open staat bij de rechtbankRotterdam. Tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam staatvervolgens hoger beroep open bij het CBb.12.2. Representatieve organisaties Een representatieve organisatie is een rechtspersoon die de belangenvertegenwoordigt van producenten, producenten van restwarmte,warmtebedrijven of verbruikers in de warmtesector. Een dergelijkeorganisatie is belanghebbende bij een besluit (niet zijnde een beschikking)dat op grond van dit wetsvoorstel wordt genomen (artikel 11.3). Verderwordt voorgesteld dat het CBb op verzoek van een representatieveorganisatie kan bevelen dat een warmtebedrijf handelen of nalaten staaktdat in strijd is met de bepalingen op basis waarvan een warmtebedrijfbepaalde maximale tarieven in rekening kan brengen (artikel 11.4).Voorwaarde is dat dit handelen of nalaten nadeel toebrengt aan decollectieve belangen van verbruikers.12.3. Gevolgen voor de rechterlijke organisatie Er wordt een toename van de werklast van de rechtelijke organisatieverwacht door de uitvoering van het wetvoorstel en daarmee dus eenzekere structurele stijging van de apparaatskosten als gevolg van ditwetsvoorstel. De vergoeding van deze kosten komt voor rekening van hetMinisterie van Economische Zaken en Klimaat.Op grond van de Warmtewet was beroep mogelijk tegen het besluit vande ACM om een leverancier al dan niet een vergunning te verlenen(artikel 10, eerste lid, van de Warmtewet). Het verlenen van eenvergunning maakt geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel. In de plaatsdaarvan kan een warmtebedrijf worden aangewezen (artikelen 2.5, eerstelid, en 2.7, eerste lid) nadat de ACM heeft vastgesteld dat dit warmtebe-drijf financieel, technisch en organisatorisch de taken kan uitvoeren.Bestaande warmtebedrijven verkrijgen een aanwijzing op grond van hetovergangsrecht (artikelen 12.2 en 12.3). Ook kunnen ontheffingen wordenverleend (artikelen 2.21, 3.1, eerste lid, 3.10, eerste lid, 4.2, eerste lid, 12.9,tweede lid, 12.11 en 12.12). De aanwijzing van de Minister van eenwarmtetransportbeheerder (artikel 5.1, eerste lid), een aantal instem-mingen van het college of de Minister (artikelen 2.10, eerste lid, 2.15,derde lid, 3.4, eerste lid, en 5.4, eerste lid) en het methodebesluit(artikelen 7.3, 7.6, 7.17 en 7.25) kunnen bij de rechter worden aange-vochten. Het college, de ACM en de Minister hebben in sommige situatiesook de mogelijkheid om een opdracht te geven (onder meer deartikelen 2.13, 2.14, 2.15, 2.17, 3.8, 3.9, 5.7, 5.8, 5.10, 6.10, 9.5 en 9.6)waartegen beroep ingesteld kan worden. Ten slotte zijn in dit wetsvoorstelverplichtingen voor een warmtebedrijf of warmtetransportbeheerderopgenomen. Een aantal verplichtingen zijn reeds in de Warmtewetopgenomen (onder meer de verplichtingen in de artikelen 2.18, 2.19, 2.22,2.23, 2.30, 2.36, 2.37, 2.40 tot en met 2.42 van dit wetsvoorstel), een deelhiervan is nieuw. Deze verplichtingen zullen mogelijk aanleiding gevenvoor handhavend optreden door de ACM of het college.Hoewel in zijn geheel een toename van de werklast van de rechtelijkeorganisatie verwacht wordt, zal de aangescherpte afbakening van rollenen verantwoordelijkheden in het wetsvoorstel naar verwachting leiden toteffectiever toezicht en een grotere nalevingsbereidheid hetgeen eenpositief effect zal kunnen hebben op het aantal gerechtelijke procedures.Waar mogelijk wordt het gebruik van een gerechtelijke procedure ofhandhaving door ACM voorkomen door de mogelijkheid van geschilbe-slechting (artikel 10).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3126 Wat betreft de mogelijkheid voor representatieve organisaties op grondvan artikel 11.4 een verzoek in te dienen bij het CBb kan wordenopgemerkt dat deze mogelijkheid reeds is opgenomen in artikel 24 van deWarmtewet.Naar verwachting zullen de besluiten op grond van hoofdstukken 2, 3, 4en 12 vaker aangevochten worden dan besluiten op grond van de overigehoofdstukken. Hier speelt onder andere mee dat op dit moment deaanwijzing van slechts een beperkt aantal warmtetransportbeheerdersvoorzien wordt. Een beroep op de rechter vanwege hoofdstuk 12 zal vantijdelijke aard zijn. Al met al levert dit de verwachting op dat de gevolgenvoor de werklast van de rechterlijke organisatie van enige omvang zullenzijn.13. Overgangsrecht 13.1. Algemeen Uitgangspunt bij de overgangsrechtelijke bepalingen in dit wetsvoorstel isdat waar mogelijk de regelgeving één op één van toepassing wordt opbestaande situaties. Voor bestaande warmtebedrijven waarop deWarmtewet van toepassing is, zullen onder meer de nieuwe tariefregelsvan toepassing zijn. Ook de aangescherpte regels voor leveringszekerheiden verduurzaming zullen voor de bestaande collectieve warmtevoorzie-ningen gelden als de bestaande warmtebedrijven onder de werking vandit wetsvoorstel zijn gebracht. De overgang van de bestaande tariefregu-lering gebaseerd op de gasreferentie naar een tariefmethodiek gebaseerdop efficiënte kosten zal zeker enige jaren vergen, zoals in hoofdstuk 8 vandeze toelichting is toegelicht.13.2. Aanwijzing bestaande warmtebedrijven en vastststellingwarmtekavel Bestaande warmtebedrijven en bestaande warmtenetten worden op dehieronder omschreven wijze onder het overgangsrecht gebracht waarbijvier situaties onderscheiden kunnen worden.a. Overeenkomst met gemeente Indien op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel eenovereenkomst geldt waarin een gemeente aan een warmtebedrijf vooreen gebied het recht heeft gegeven of verplichting heeft opgelegd warmtete transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmte-voorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectievewarmtevoorziening, zal het college het warmtebedrijf een aanwijzingverlenen (artikel 12.2, eerste lid). In de praktijk zal het hierbij gaan om eenconcessie. Ook formele wijzigingen van de (concessie)overeenkomst,bijvoorbeeld in de vorm van een gebiedsovereenkomst, vallen hieronder.Voor de bepaling van de omvang van de warmtekavel wordt aangeslotenbij de afbakening die in de overeenkomst is gegeven. De bestaandebeperkingen of voorschriften die aan de overeenkomst zijn verbonden,gaan daarbij gelden als aan de aanwijzing verbonden beperkingen ofvoorschriften, voor zover deze niet in strijd zijn met het bepaalde bij ofkrachtens deze wet. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om voorschriftenover verduurzaming aan de aanwijzing te verbinden. Het college stelt dezebeperkingen en voorschriften vast (artikel 12.4).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3127 b. Feitelijke levering Indien op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel eenovereenkomst ontbreekt, wordt door het college een aanwijzing verleendvoor het fysieke gebied waarin het transport en de warmtelevering dooreen warmtebedrijf feitelijk plaatsvindt. De feitelijke ligging van hetwarmtenet in combinatie met de gebouwen (of delen daarvan) waarwordt geleverd, bepalen in dit geval de omvang van de warmtekavel.c. Besluit van gemeente op basis waarvan een warmtenet mag wordenaangelegd Er zijn ook situaties denkbaar die niet onder a en b vallen maar waarbij alwel alle voorbereidingen voor de aanleg zijn getroffen en ook debenodigde besluiten van de gemeente reeds zijn verkregen (één ofmeerdere leg- en ligvergunningen). Het college verleent in zo’n geval ookeen aanwijzing. De omvang van de warmtekavel valt in zo’n situatiesamen met het gebied waarop het besluit van de gemeente betrekkingheeft. Indien er meerdere besluiten zijn die betrekking hebben ophetzelfde voorziene collectief warmtesysteem vormen deze samen éénaanwijzing voor een warmtekavel.d. Aansluitovereenkomst Ook aansluitovereenkomsten met alle mogelijke afnemers (verhuurders,woningcorporaties, VvE’s, projectontwikkelaars, particulieren) vallenonder het overgangsrecht. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding vandit wetsvoorstel een overeenkomst als bedoeld onder a ontbreekt en eenwarmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte ineen gebied maar het warmtebedrijf heeft wel een aansluitovereenkomstgesloten, verleent het college het warmtebedrijf een aanwijzing voor datgebied. De aanwijzing heeft betrekking op het gebied waarvoor deaansluitovereenkomst geldt. De warmtekavel waarvoor de aanwijzinggeldt, valt kortom samen met de specifieke gebouwen of delen daarvandie in de aansluitovereenkomst staan aangemerkt. Ook geldt datmeerdere aansluitovereenkomsten die betrekking hebben op hetzelfdevoorziene collectief warmtesysteem resulteert in één aanwijzing voor eenwarmtekavel.Het aangaan van een aansluitovereenkomst vindt plaats als de ontwik-keling van een collectief warmtesysteem al in een vergevorderd stadiumis. Er dient immers voldoende zekerheid te zijn om concrete afsprakenover het aansluiten van gebouwen of delen daarvan te kunnen maken.Omdat het hierbij gaat om situaties die zich in het voorstadium van derealisatiefase bevinden, wordt voorgesteld dat ook deze overeenkomstenonder het overgangsrecht gebracht worden. Het gaat hierbij om aansluito-vereenkomsten waarbij binnen 5 jaar na inwerktreding van artikel 12.2 deafnemers aangesloten worden. Ook moet de aansluitovereenkomst eenstartdatum van de warmtelevering en bindende afspraken over deaansluitkosten per aansluiting bevatten.13.3. Verplichting samenvoegen warmtekavels Het is aannemelijk dat als gevolg van de hier boven beschreven syste-matiek delen van één collectief warmtesysteem die door één warmtebe-drijf worden geëxploiteerd, opgeknipt worden in verschillende warmte-kavels met afzonderlijke aanwijzingen. Zo kan het bijvoorbeeldvoorkomen dat in grootstedelijke gebieden collectieve warmtesystemenzich in de tijd steeds verder hebben uitgebreid en dat voor verschillendedelen afzonderlijke concessies zijn afgegeven, met elk een eigen looptijd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3128 Ook is het mogelijk dat voor een bepaald gebied een concessie isafgegeven, maar dat een warmtebedrijf een netuitbreiding heeft gereali-seerd die niet binnen de concessie valt (feitelijke levering). Ook zijncombinaties van concessies of feitelijke levering met een aansluitovereen-komst of een besluit ten aanzien van de aanleg (leg- en ligvergunning) vande gemeente goed denkbaar. Dit is een onwenselijk situatie. Deoverdracht van de verschillende delen van het collectieve warmtesysteemzal daardoor als gevolg van verschillende overgangstermijnen niet ophetzelfde moment plaatsvinden. Een bestaand warmtebedrijf zal daardoormogelijk voor de exploitatie van zijn warmtesysteem voor delen afhan-kelijk worden van een andere partij, wat een risico met zich mee brengtdat het bestaande warmtebedrijf onvoldoende invulling kan geven aanzijn taken. Het opdelen van een collectief warmtesysteem kan tot gevolghebben dat een bestaand warmtebedrijf, zonder hier zelf voor gekozen tehebben, te veel afhankelijk is van een ander warmtebedrijf voor detoegang tot zijn warmtebron(nen), met mogelijke gevolgen voor verduur-zaming en de leveringszekerheid. Om die reden is voorgesteld dat hetcollege verplicht is om warmtekavels samen te voegen wanneer zondersamenvoeging de collectieve warmtevoorziening in het ene warmtekavelafhankelijk is van de toegang tot de collectieve warmtevoorziening van deandere warmtekavel om warmte te kunnen leveren aan zijn verbruikers(artikel 12.3).13.4. Bepalen duur van de aanwijzing De hoofdregel voor het bepalen van de duur van de aanwijzing voor eenwarmtekavel is dat wordt gekeken naar de minst recente aansluitovereen-komst van de laatste 10% bestaande leveringsaansluitingen of voorzieneleveringsaansluitingen waarvoor een aansluitovereenkomst is afgesloten(artikel 12.4).Eerste stap is dat de datum wordt bepaald van de minst recente aansluito-vereenkomst van de laatste 10% leveringsaansluitingen of voorzieneleveringsaansluitingen waarvoor door het bestaand warmtebedrijf eenaansluitovereenkomst is gesloten. Ook leveringsaansluitingen die nog nietgerealiseerd, maar wel gecontracteerd zijn tellen dus mee. Leveringsaan-sluitingen kunnen of individueel of centraal zijn. Individuele leveringsaan-sluitingen worden als een enkele leveringsaansluiting geteld zoalshierboven beschreven. Voor centrale leveringsaansluitingen geldt dat elkezelfstandige woning die warmte geleverd krijgt door middel van diecentrale leveringsaansluiting, aangemerkt wordt als één leveringsaan-sluiting. Deze toevoeging is voorgesteld om recht te doen aan de groottevan een centrale leveringsaansluiting ten opzichte van een individueleleveringsaansluiting. Tweede stap is dat het verschil wordt berekendtussen de datum van inwerkingtreding van artikel 12.4 en de datumberekend bij de eerste stap. De duur van de aanwijzing bedraagtvervolgens 30 jaar verminderd met de duur berekend op grond van detweede stap. Daarbij geldt een minimum van 14 jaar (als de resterendelooptijd op basis van de berekening als bedoeld in artikel 12.4, tweede ofderde lid minder is dan 14 jaar). Het minimum van 14 jaar is van belang inverband met de inmenging in het eigendomsrecht (zie paragraaf 18.2).Deze berekeningsmethode is niet van toepassing als aan een aanwijzingeen (concessie)overeenkomst ten grondslag ligt. Er geldt dan een andereregeling om de duur te bepalen.Deze berekeningssystematiek wordt toegepast op alle aanwijzingen dieworden verleend op grond van het overgangsrecht en dus ook voor deaanwijzing die geldt voor samengevoegde warmtekavels op grond vanartikel 12.3. In een situatie waarbij er verschillende warmtekavels wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3129 samengevoegd wordt eerst het geheel samengevoegd en vervolgensworden bovenstaande stappen gezet om tot een overgangstermijn tekomen.De voorgestelde berekeningssystematiek voor het bepalen van de duurvan de aanwijzing is erop gericht om het bestaande warmtebedrijf in staatte stellen de gerealiseerde en voorziene aansluitingen waarvoor eenaansluitovereenkomst is afgesloten binnen de overgangstermijn nogredelijkerwijs terug te verdienen. Deze duidelijkheid over de duur van deaanwijzing biedt warmtebedrijven zekerheid voor bestaande situaties.Warmtenetten die in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding vandit wetsvoorstel nog aanzienlijk zijn uitgebreid krijgen hiermee eenlangere overgangstermijn dan warmtenetten waarin al langere tijd geeninvesteringen hebben plaatsgevonden. Voorzien wordt dat met degekozen 10% aanzienlijke uitbreidingen van warmtenetten die in aanloopnaar de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gecontracteerd of gereali-seerd worden doorgang kunnen vinden doordat de voorgesteldeberekeningssystematiek leidt tot een voldoende ruime terugverdientijd.De gekozen 10% is hoog genoeg om een prikkel te geven zo veel mogelijkconcrete lopende projecten doorgang te laten vinden. Het percentage iseen afgeleide van de werkelijke omvang van de jaarlijkse gerealiseerde eneen deel van de gecontracteerde geplande uitbreidingen van de snelstgroeiende bestaande warmtenetten in Nederland. Om dit scherp in beeldte krijgen heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de historische engeplande groei van (middel)grote warmtenetten. Hiervoor zijn gegevensgebruikt over de groei van het aantal aansluitingen zoals die op grond vande duurzaamheidsrapportages door Rijksdienst voor OndernemendNederland (RVO) in beeld worden gebracht. Ook is informatie ontleendaan aanvragen voor de SAH-regeling die de afgelopen jaren zijn gedaanten behoeve van het realiseren van uitbreidingen van warmtenetten. Eenlager percentage leidt naar verwachting tot een afzwakking van het tempovan de transitie. Een hoger percentage leidt naar verwachting niet tot debeoogde investeringszekerheid op de korte termijn.13.5. Taken en verplichtingen aanwijzing bestaande warmtebe-drijven Vanaf het moment dat een warmtebedrijf op grond van het overgangs-recht is aangewezen voor een warmtekavel, rusten op deze partij de takenals bedoeld in artikel 2.12. Voor nieuwe warmtebedrijven gelden dezetaken namelijk pas vanaf het moment dat er een uitgewerkt kavelplan isopgesteld waarmee het college heeft ingestemd (zie paragraaf 3.7.3). Ookde in dit wetsvoorstel opgenomen verplichtingen die gericht zijn op hetaangewezen warmtebedrijf worden van kracht zodra het warmtebedrijf isaangewezen voor een bestaand warmtekavel. Verder dient een warmtebe-drijf voor bestaande situaties een uitgewerkt kavelplan als bedoeld inartikel 2.15 op te stellen voor de warmtekavel waarvoor het is aange-wezen. Vanzelfsprekend zijn de onderdelen die toezien op nog terealiseren situaties niet van toepassing in het geval er al een collectiefwarmtesysteem ligt.13.6. Mogelijkheden bestaande warmtebedrijven en derden-toegang Nadat het college de aanwijzing voor een warmtekavel heeft verleend aaneen bestaand warmtebedrijf zijn ervoor de gemeente en het warmtebedrijfverschillende perspectieven mogelijk:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3130 Voortzetten van de bestaande situatie (status quo)Het bestaande warmtebedrijf blijft warmte leveren door middel van eenbestaande collectieve warmtevoorziening binnen de warmtekavel. Erworden geen of beperkt nieuwe aansluitingen voorzien. Veel bestaandeWKO-systemen zullen bijvoorbeeld aan deze situatie voldoen, omdat dezesystemen al aangelegd zijn op een maximale (efficiënte) capaciteit. Voornieuw aan te leggen collectieve warmtevoorzieningen in de nabijheid vande bestaande warmtekavel wordt een nieuw warmtekavel vastgesteld.Groei binnen de bestaande warmtekavel (inbreiding)Het bestaande warmtebedrijf blijft warmte leveren binnen de warmte-kavel. Voor zover de aanwijzing voor een warmtekavel op grond van hetovergangsrecht daar ruimte voor laat, kan een groei van het aantalaansluitingen worden voorzien. Deze groei kan worden gerealiseerd methet beschikbare collectieve warmtesysteem als basis. Deze situatie doetzich onder meer voor als een bestaand warmtebedrijf in het verleden eenconcessie heeft verkregen om een (deel van een) gemeente van eencollectief warmtesysteem te voorzien en er is nog ruimte voor groeibinnen de warmtekavel.Expansie vanuit de bestaande aanwijzing voor een warmtekavel(uitbreiding)Het bestaande warmtebedrijf blijft warmte leveren binnen de warmtekavelmaar tevens wordt een groei van het aantal aansluitingen voorzien buitende warmtekavel, met het bestaande warmtesysteem als basis voor degewenste uitbreiding. Het college kan de aanwijzing wijzigen en daarbijeen warmtekavel vergroten als aan een aantal voorwaarden is voldaan(artikel 2.8, eerste lid). Een warmtekavel moet na een vergroting voldoenaan de criteria uit artikel 2.1, eerste lid. Het warmtebedrijf moet naar hetoordeel van de ACM kunnen (blijven) voldoen aan de organisatorische entechnische bekwaamheid, alsook voldoende financieel in staat zijn om detaken uit te blijven voeren. Tot slot moet een warmtebedrijf nog steedsstructureel een redelijk rendement kunnen behalen. In beginsel wordt ergeen grens gesteld aan de omvang van de uitbreiding van de warmte-kavel.Ontwikkeling van meerdere warmtekavels met toegang tot een bestaandecollectieve warmtevoorzieningIn de praktijk kunnen zich situaties voordoen waarbij de afspraken met hetbestaande warmtebedrijf niet goed passen bij de doelen van hetaardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Uitbreiding van dewarmtekavel, zoals omschreven in de vorige alinea, ligt dan niet in derede. Tegelijkertijd is het vaststellen van een nieuw warmtekavel zonderdaarbij gebruik te maken van de collectieve warmtevoorziening van eenbestaand warmtebedrijf in deze overgangssituaties niet in alle gevallenwenselijk. Het college kan daarom op grond van artikel 2.1 ook eenwarmtekavel vaststellen waarbij gebruikt gemaakt wordt van toegang toteen collectieve warmtevoorziening van een bestaand warmtebedrijf.Als een warmtebedrijf, dat een aanvraag indient om aangewezen teworden voor dit warmtekavel, toegang heeft verkregen tot de bestaandecollectieve warmtevoorziening, kan het college dit warmtebedrijfaanwijzen. Op een bestaand warmtebedrijf rust de plicht toegang te geventegen redelijke voorwaarden en tarieven (artikel 12.9, eerste lid). Het gaathierbij om een verplichting om toegang te verlenen tot de bestaandeinfrastructuur. Een verzwaring van het net maakt dus geen onderdeel uitTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3131 van de verplichting. De toegang tot bestaande collectieve warmtevoorzie-ningen is een vergaand middel dat ingrijpt in de bedrijfsvoering van eenbestaand warmtebedrijf. Vanwege deze risico’s kan het bestaandewarmtebedrijf een ontheffing van de verplichting om toegang te verlenenaanvragen bij de ACM (artikel 12.9, tweede lid). De ACM verleentuitsluitend een ontheffing indien het warmtebedrijf door de toegang totzijn collectieve warmtevoorziening zijn taken niet kan uitvoeren.13.7. Bestaande kleine collectieve warmtesystemen Ook warmtebedrijven met een klein collectief warmtesysteem worden opgrond van artikel 12.2 een aangewezen warmtebedrijf voor de warmte-kavel waarbinnen zij warmte leveren. Warmtebedrijven met een kleincollectief warmtesysteem kunnen vervolgens op grond van artikel 12.11een ontheffing aanvragen. Deze ontheffing wordt alleen afgewezen als hetgeen klein collectief warmtesysteem betreft. Deze ontheffing wordt geachteen ontheffing, als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, te zijn waardoor debepalingen in hoofdstuk 3 van toepassing zijn.13.8. Bestaande warmtelevering door verhuurders en VvE’s Verhuurders en VvE’s die warmte leveren aan hun huurders of leden vande VvE melden dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een half jaar nainwerkingtreding van het desbetreffende artikel aan het college. In hetovergangsrecht wordt voorgesteld dat zij hiermee geacht worden eenontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, verkregen te hebben(artikel 12.12, tweede lid). Hierdoor zijn de regels van hoofdstuk 4 vantoepassing op deze verhuurders en VvE’s.13.9. Warmtewet nog tijdelijk van toepassing op bestaandewarmtebedrijven Het college dient binnen een jaar na inwerkingtreding van het overgangs-recht een aanwijzing te verlenen aan een bestaand warmtebedrijf.Gedurende de periode dat het college nog geen aanwijzing heeftverleend, zullen op bestaande warmtebedrijven de bepalingen in ditwetsvoorstel waarvoor een aanwijzing voor een warmtekavel noodzakelijkis, nog niet van toepassing zijn. Daarom blijven tot het moment dat hetwarmtebedrijf is aangewezen op bestaande warmtebedrijven (leveran-ciers als bedoeld in de Warmtewet) een aantal artikelen uit de Warmtewetvan toepassing. Deze artikelen zijn opgesomd in artikel 12.17, eerste lid.Een aantal taken en verplichtingen in dit wetsvoorstel zijn niet afhankelijkvan een aanwijzing voor een warmtekavel. Het betreft onder meer deartikelen die zien op de onderbreking van de levering van warmte,consumentenbescherming, metingen en toegang van warmtebronnen.Voorgesteld is deze artikelen van overeenkomstige toepassing teverklaren op de bestaande warmtebedrijven.Een aparte regeling is getroffen voor de tariefregulering. De tariefregule-ringsbepalingen uit dit wetsvoorstel treden bij koninklijk besluit inwerking. Totdat de artikelen met betrekking tot fase 1 van de tariefregu-lering in werking treden, blijft de tariefregulering van de Warmtewet nogvan toepassing. Dan gelden voor alle warmtebedrijven die warmteleveren met of zonder aanwijzing de maximumtarieven zoals de ACM opgrond van de Warmtewet voor dat jaar heeft vastgesteld. Als de regelsover fase 1 van de tariefregulering in werking zijn getreden, gelden dezeniet alleen voor aangewezen warmtebedrijven, maar zijn deze vanovereenkomstige toepassing op bestaande warmtebedrijven die nog nietzijn aangewezen voor een warmtekavel. Voor alle warmtebedrijven dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3132 warmte leveren met of zonder aanwijzing gelden dan de door de ACM opgrond van dit wetsvoorstel vastgestelde maximumtarieven.14. Mogelijkheden voor publieke infrastructuurbedrijven 14.1. Wijziging Energiewet Nu in dit wetsvoorstel de verplichting is opgenomen dat alleen eenwarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang aangewezen kanworden voor een warmtekavel wordt gewerkt aan de publieke realisatie-kracht om de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te kunnenverwezenlijken. Eén van de publieke partijen die een rol zouden kunnenspelen in de warmtetransitie zijn de infrastructuurbedrijven (thans:netwerkbedrijven) die deel uitmaken van de groep waartoe ook detransmissie- of distributiesysteembeheerder elektriciteit en gas behoort.Deze infrastructuurbedrijven zijn immers publieke bedrijven met langeervaring op het gebied van de aanleg en het beheer van energienetten en-systemen. Gemeenten hebben ook aangegeven dat zij in de infrastruc-tuurbedrijven een belangrijke partner zien ten aanzien van de verduur-zaming van de gebouwde omgeving.Om deze samenwerking mogelijk te maken is het wenselijk dat infrastruc-tuurbedrijven een rol kunnen spelen in de exploitatie van aangewezenwarmtebedrijven, en dat de belemmeringen daartoe in de Energiewetworden weggenomen. Hierdoor is een aanpassing nodig van hetgroepsverbod en de lijst met toegestane nevenactiviteiten voor degroepsmaatschappijen van de systeembeheerders zoals opgenomen in deEnergiewet. Hierdoor is het infrastructuurbedrijven toegestaan aandelente houden of deel te nemen aan een aangewezen warmtebedrijf, ook alsdat een meerderheidsbelang betreft en het warmtebedrijf daardoor deeluitmaakt van de infrastructuurgroep. Op grond van dit wetsvoorstel is hetaangewezen warmtebedrijven toegestaan deel uit te laten maken van eeninfrastructuurgroep. Het gevolg hiervan is dat de transmissie- of distribu-tiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas en het warmtebedrijf deeluitmaken van dezelfde groep. Dit maakt het noodzakelijk om een aantalstrikte voorwaarden op te nemen in de Energiewet waaraan dedeelneming van het infrastructuurbedrijf in het aangewezen warmtebe-drijf moet voldoen. Deze maatregelen beogen in de eerste plaats tevoorkomen dat de systeembeheerder(s) binnen de infrastructuurgroepdirect worden blootgesteld aan de financiële risico’s die de infrastructuur-groep door de deelneming van het infrastructuurbedrijf in een aange-wezen warmtebedrijf zou lopen. Daarnaast wordt met deze maatregelenbeoogd om belangenverstrengeling en bevoordeling van het warmtebe-drijf door een systeembeheerder te voorkomen. Hiermee wordt deonafhankelijkheid van de transmissie- of distributiesysteembeheerdersvoor elektriciteit of gas voldoende gewaarborgd.14.2. Voorwaarden voor deelneming van een infrastructuurbedrijfin een aangewezen warmtebedrijf De voorwaarden voor deelneming van een infrastructuurbedrijf in eenaangewezen warmtebedrijf zijn de volgende. Ten eerste blijft het verbodgehandhaafd op de productie van elektriciteit, gas of waterstofgas binnende infrastructuurgroep. Uitzondering is gemaakt voor de productie vanelektriciteit, gas of waterstofgas door het aangewezen warmtebedrijfuitsluitend voor zelfgebruik of het veiligstellen van de leveringszekerheid.De activiteiten van het warmtebedrijf worden gescheiden van anderetoegestane nevenactiviteiten. Aan de bestuurders en de meerderheid vande raad van commissarissen van het warmtebedrijf wordt de eis gestelddat zij niet ook bestuurder zijn van een systeembeheerder. Bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3133 handelen van het infrastructuurbedrijf als aandeelhouder of deelnemer inhet warmtebedrijf moet een evenwichtige belangenafweging plaats-vinden. Ook bij een minderheidsdeelneming in een warmtebedrijf zal hetverbod op bevoordeling van artikel 3.22 van de Energiewet van (overeen-komstige) toepassing zijn. Ten slotte geldt er een verbod voor eensysteembeheerder om het warmtebedrijf direct of indirect financieel testeunen.Een andere belemmering voor de deelneming van infrastructuurbedrijvenin aangewezen warmtebedrijven is het verbod op deelneming in eeninfrastructuurbedrijf door een rechtspersoon of vennootschap die deeluitmaakt van een (andere) groep, waartoe tevens een rechtspersoon ofvennootschap behoort die elektriciteit, gas of waterstofgas produceert,levert of daarin handelt. Hetzelfde geldt voor het spiegelbeeldige verbodop de deelneming door een infrastructuurbedrijf in een dergelijkerechtspersoon of vennootschap. Deze onderdelen van het groepsverbodmaken voor infrastructuurbedrijven de samenwerking met de meestewarmtebedrijven met een private deelneming onmogelijk, aangezienmomenteel bijna alle private bedrijven die actief zijn op de warmtemarkt,ook actief zijn als producent of leverancier op de gas en elektriciteitsmarkt.Infrastructuurbedrijven hebben aangegeven dat zij er de voorkeur aangeven om samenwerkingsverbanden met andere warmtebedrijven aan tegaan. Door de huidige vorm van het groepsverbod vallen echter demeeste potentiële samenwerkingspartners af. De voorgestelde wijzigingvan de Energiewet voorziet daarom ook voor deze onderdelen van hetgroepsverbod in een uitzondering ten aanzien van de deelneming inwarmtebedrijven.Met het toestaan van de uitoefening van een aangewezen warmtebedrijfals nevenactiviteit binnen een infrastructuurgroep in artikel 3.19 van deEnergiewet, is voor warmte een specifieke uitzondering gemaakt op dehoofdregel dat een activiteit binnen de infrastructuurgroep niet ziet opproductie en levering van energie. Met deze wijziging van de Energiewetis niet beoogd terug te komen op het uitgangspunt dat door splitsingtussen productie, handel, levering enerzijds en transport anderzijds deonafhankelijkheid van transmissie- of distributiesysteembeheerders voorelektriciteit of gas wordt gewaarborgd. Alleen voor collectieve warmte-voorzieningen wordt een specifieke uitzondering gemaakt omdatinfrastructuurbedrijven gelet op hun lange ervaring op het gebied en deaanleg en beheer van energiesystemen een belangrijke rol kunnen spelenin de ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen. Sinds de Wetonafhankelijk netbeheer is de context waarbinnen infrastructuurbedrijvenactief zijn en de doelen waarvoor Nederland gesteld staat gewijzigd. Zoalsin paragraaf 1.1 is toegelicht staat Nederland voor de opgave om in 2050klimaatneutraal te zijn. Collectieve warmte zal een belangrijke rol spelen inde verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dit rechtvaardigt despecifieke regeling voor warmte die in dit wetsvoorstel is opgenomen.Deze specifieke uitzondering is ook gerechtvaardigd gelet op de keuze bijwarmte voor integraal verantwoordelijke warmtebedrijven, vergelijkbaarmet bijvoorbeeld het ordeningsmodel voor drinkwaterbedrijven. Eenbeperking van de activiteiten van de infrastructuurbedrijven tot uitsluitendinfrastructurele activiteiten is voor de warmtemarkt een onwenselijkekeuze. Voor warmte is immers afgezien van een splitsing tussenproductie, handel en levering enerzijds en transport anderzijds, medevanwege de lokale aard van deze activiteiten (zie ook paragraaf 1.2, onderb). Voor andere energiedragers (elektriciteit, gas, waterstof en biogas) ligtdat anders. Bij deze energiedragers is het voor een efficiënte werking vande desbetreffende markten wel wenselijk om de verantwoordelijkheidvoor transport bij een afzonderlijke partij te beleggen (het zogenaamdegesplitste model).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3134 15. Onderzochte alternatieven marktordening collectievewarmtevoorzieningen 15.1. Algemeen In de voorbereiding van dit wetsvoorstel zijn in het kader van de marktor-dening van collectieve warmtevoorzieningen een aantal alternatievenonderzocht die in dit hoofdstuk nader worden toegelicht. Allereerst isonderzocht op welke wijze gemeenten het beste kunnen sturen, waarbijwordt ingegaan op het rechtsinstrument van een aanwijzing en eenconcessie. In paragraaf 15.2 is toegelicht waarom niet gekozen is voor eenconcessiemodel. Vervolgens is onderzocht of een warmtebedrijf integraalverantwoordelijk moet zijn voor het transport en de levering van warmtein een warmtekavel of dat het wenselijk is dat levering en netbeheergesplitst wordt net als bijvoorbeeld bij elektriciteit en gas. Dit wordt naderomschreven in paragraaf 15.3. In paragraaf 15.4 is toegelicht welkealternatieven voor een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang zijn overwogen en waarom niet voor één van deze alternatieven isgekozen. In paragraaf 15.5 wordt ten slotte ingegaan op een aantal anderealternatieven.15.2. Keuze rechtsinstrument: aanwijzingsmodel of concessie-model In paragraaf 3.5.1 is toegelicht waarom in dit wetsvoorstel is gekozen voorde figuur van een aanwijzing en waarom een aanwijzing gemeenten debeste sturingsmogelijkheden geeft.Onderzocht is of het gebruik maken van concessies die worden aanbe-steed te verkiezen is boven de aanwijzing. Gebleken is dat aan concessiesen het gebruik van de aanbestedingsprocedure een aantal nadelen kleeft.Met een concessiemodel wordt geen invulling gegeven aan de in hetKlimaatakkoord afgesproken regierol van de gemeente omdat het huidigeprobleem dat gemeenten onvoldoende bevoegdheden hebben niet wordtopgelost. In plaats van een verticale relatie bij de aanwijzing, zorgt eenconcessieovereenkomst voor een horizontale relatie tussen gemeente enhet warmtebedrijf. Bij een aanbesteding zal de gemeente bovendien ineen vroeg stadium moeten aangeven onder welke exacte condities deovereenkomst gesloten zal worden; de mogelijkheid van bijsturing naverlening van de concessie is beperkt. Wijziging is dan alleen mogelijk naeen nieuwe aanbestedingsprocedure of (her)onderhandeling. «Cherrypicking» waarbij warmtebedrijven alleen de voor hen meest aantrekkelijkewijken willen aansluiten is daarmee moeilijker te voorkomen dan bij eenaanwijzing. Een aanbestedingsprocedure gaat verder uit van concurrentieop prijs. Tariefregulering op basis van werkelijke efficiënte kosten maaktconcurrentie op prijs in principe onmogelijk en daarmee verhoudt eenconcessiemodel zich niet goed met tariefregulering op basis vanwerkelijke efficiënte kosten. Een concessiestelsel na een aanbesteding isbovendien geënt op een systeem dat zoveel mogelijk marktwerkingmogelijk wil maken. Dit past niet bij een nutsvoorziening als warmte.Mogelijk voordeel van een concessiemodel is dat gemeenten via eeninbesteding voorrang kunnen geven aan een gemeentelijk warmtebedrijfzonder een aanbestedingsprocedure te volgen. Dit zal niet elke gemeentedoen waardoor bepaalde gemeenten een overeenkomst zullen sluiten meteen warmtebedrijf zonder een publiek meerderheidsbelang en eenpublieke partij uiteindelijk geen doorslaggevende zeggenschap heeft inhet warmtebedrijf. Dit staat op gespannen voet met de doelstellingen vandit wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3135 15.3. Integraal warmtebedrijf of splitsing netbeheer/levering Met betrekking tot de keuze voor een integraal of een gesplitst model isniet gekozen voor een gesplitst model. In een gesplitst model zou alleende netbeheerder aangewezen kunnen worden en de levering van warmteaan leveranciers overgelaten kunnen worden. In dit wetsvoorstel is niethiervoor gekozen omdat de voordelen van een splitsing van productie enlevering enerzijds en transport anderzijds, zoals in de elektriciteit- engasmarkt, niet opwegen tegen de nadelen. Dit is nader toegelicht inparagraaf 1.2, onder b.15.4. Aan te wijzen warmtebedrijven voor een warmtekavel In dit wetsvoorstel is voorgesteld dat alleen warmtebedrijven met eenpubliek meerderheidsbelang en warmtegemeenschappen aangewezenkunnen worden voor een warmtekavel. Tijdens de ingroeiperiode kan ookaan andere warmtebedrijven een aanwijzing verleend worden. Demotivering voor het publiek meerderheidsbelang is in paragraaf 1.2,onder c, gegeven. Het vereiste van een publiek meerderheidsbelang is eenbeperking van het vrij verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU) en devrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). Een dergelijke inperking isEuropeesrechtelijk toegestaan indien dit gerechtvaardigd kan wordengelet op een dwingende reden van algemeen belang. Leveringszekerheiden bescherming van het milieu en klimaat zijn erkende dwingenderedenen van algemeen belang. In paragraaf 18.1.6 is onderbouwdwaarom het hierbij gaat om een gerechtvaardigde beperking van het vrijverkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging. De eisen aan hetaandeelhouderschap zullen noodzakelijk, niet-discriminerend enevenredig moeten zijn.Hieronder wordt ingegaan op onderzochte alternatieven. Het gaat daarbijom minder en meer vergaande alternatieven. Nagegaan is of de alterna-tieven (Europeesrechtelijk) mogelijk zijn en of met deze alternatieven dedoelstellingen van dit wetsvoorstel gerealiseerd kunnen worden.a. Private of publiek warmtebedrijven of een samenwerkingsvorm(hybride marktordeningsmodel) Het wetsvoorstel zoals dat eind 2020 was opgesteld maakte het mogelijkdat zowel publieke, private als privaat-publieke samenwerkingsverbandenaangewezen konden worden voor een warmtekavel. Indien meerderewarmtebedrijven een aanvraag zouden indienen, konden de aanvragengerangschikt worden aan de hand van in de wet opgenomen selectiecri-teria. Overweging daarbij was dat de regulering voldoende zou zijn om depublieke belangen te borgen. Europeesrechtelijk waren er geen bezwarentegen deze invulling van de marktordening, omdat het niet ingrijpt in hetvrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging. In dit wetsvoorstel isevenwel niet voor dit marktordeningsmodel gekozen, omdat met ditmodel de doelstellingen van dit wetsvoorstel niet gerealiseerd kunnenworden. Navolgend wordt toegelicht waarom in het wetsvoorstel isvoorgesteld een publiek meerderheidsbelang voor te schrijven en waarommet een hybride marktordeningsmodel en alleen regulering de doelstel-lingen van dit wetsvoorstel onvoldoende bereikt kunnen worden.In de eerste plaats worden met enkel regulering en een hybride marktor-deningsmodel de publieke belangen van een betrouwbaar, betaalbaar enduurzaam energiesysteem in de warmtetransitie onvoldoende geborgd,omdat de regulering als zodanig te weinig sturingsmogelijkheden biedt.Met enkel regulering kan een publieke partij niet de koers van hetwarmtebedrijf van binnenuit bepalen en ervoor zorgen dat het warmtebe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3136 drijf proactief handelt in het publiek belang. Hierdoor kunnen overhedende belangen van burgers onvoldoende beschermen. Een zo goedmogelijke bescherming van consumenten is echter wel noodzakelijk,omdat warmte een nutsvoorziening is en er sprake is van een natuurlijkmonopolie waarvan de gebruikers afhankelijk zijn. De verbruiker die isaangesloten op een collectieve warmtevoorziening moet erop kunnenvertrouwen dat het warmtebedrijf de publieke belangen op het oog heeften niet uit is op bijvoorbeeld winstmaximalisatie. Bij enkel regulering eneen hybride marktordeningsmodel is dit onvoldoende geborgd.Ten tweede zijn bij enkel regulering (en het toezicht daarop) en eenhybride marktordeningsmodel de mogelijkheden te beperkt om deborging van publieke belangen af te dwingen. De ervaring leert dat deheterogeniteit en het grote aantal collectieve warmtesystemen ervoorzorgen dat de toezichthouder er beperkt in slaagt alleen door toezicht enhandhaving gewenst gedrag af te dwingen, terwijl de bewijslast bij deACM ligt. Hierdoor zal bij collectieve warmte toezicht vaak een reactiefkarakter hebben. Eventuele correcties komen dan pas nadat de negatieveeffecten zich al hebben voorgedaan. Zonder publieke doorslaggevendezeggenschap die ontstaat dankzij het publiek meerderheidsbelang vindt erdus onvoldoende sturing aan de voorkant plaats. Tevens is het van belangdat warmtebedrijven in hun bedrijfsvoering keuzes maken die bijdragenaan het realiseren van de energietransitie tegen de laagste maatschap-pelijk kosten. De ontwikkeling van nieuwe collectieve warmtevoorzie-ningen gaat bijvoorbeeld gepaard met grote verzonken investeringen inwarmtenetten en een verdeling van veelal schaarse warmtebronnenwaarbij de af te wegen belangen de warmtekavel kunnen overstijgen. Datvraagt van warmtebedrijven dat zij bij bedrijfseconomische beslissingenniet alleen rekening houden met de belangen binnen het eigen afzet-gebied, maar ook rekening houden met de invloed van die beslissingenom elders een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorzieningte realiseren. Ook hierbij geldt dat gewenst gedrag niet met regulering, entoezicht van de ACM hierop, is af te dwingen.Ten derde wordt met een hybride marktordeningsmodel en alleenregulering onvoldoende recht gedaan aan het vitale karakter vancollectieve warmtevoorzieningen en zou worden afgeweken van degekozen benadering rondom eigendomseisen bij vergelijkbare vitaleinfrastructuren, zoals gas, elektriciteit en drinkwater (en spoor). Wathiermee samenhangt is dat met deze optie in noodsituaties minder snelingegrepen kan worden en er ook minder interventiemogelijkheden zijndan met publiek aandeelhouderschap. Ook in crisissituaties met eenbredere impact op de energievoorziening, zoals de recente energiecrisis,zijn er minder mogelijkheden om bedrijfseconomische afwegingentijdelijk minder zwaar te laten wegen dan publieke belangen als betaal-baarheid en leveringszekerheid.Ten vierde is bij enkel regulering en een hybride marktordeningsmodel dekoppeling tussen bestuurlijke keuzes in de lokale warmtetransitie enbedrijfseconomische overwegingen van het aangewezen warmtebedrijfonvoldoende verankerd. Een gemeente zal bij het maken van bestuurlijkekeuzes, bijvoorbeeld het inzetten van de instrumenten op grond van ditwetsvoorstel en de Wgiw, onvoldoende geneigd zijn om rekening houdenmet de impact die dat heeft op het warmtebedrijf dat deze keuze moetvertalen naar concrete activiteiten. Dit heeft als risico dat een gemeentezijn bevoegdheden op grond van dit wetsvoorstel en de Wgiw onvol-doende inzet op een manier zodat het warmtebedrijf zijn opgave ook kanrealiseren op een bedrijfseconomisch verantwoorde manier. Andersomgeldt ook dat het aannemelijk is dat bij een hybride marktmodel warmte-bedrijven minder geneigd zullen zijn rekening te houden met de belangenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3137 van andere warmtebedrijven in aangrenzende gebieden in de regio (doorminder eenzijdig gewicht toe te kennen aan bedrijfseconomischeafwegingen als de lokale of regionale warmtetransitie hiermee gediendis).Ten vijfde blijven bij deze optie de maatschappelijke voordelen vanpubliek aandeelhouderschap voor de financiering, van het type investe-ringen die voor collectieve warmtevoorzieningen kenmerkend zijn,onbenut voor zover private warmtebedrijven worden aangewezen. Het isimmers minder aannemelijk dat genoegen zal worden genomen met eenlager rendement dan het vanuit private aandeelhouders gewensterendement voor een privaat warmtebedrijf. Ook zal mogelijk mindersprake zijn van het benutten (van een deel) van het rendement voorherinvesteringen gericht op de versnelling van de warmtetransitie. Verderwordt aangenomen dat in sommige situaties publieke aandeelhouderstegen lagere rente kapitaal kunnen aantrekken en daarmee de kapitaal-lasten kunnen drukken. Dit voordeel wordt mogelijk minder benut bij eenhybride marktordeningsmodel. Tot slot heeft elke organisatie eigen beleidom investeringen te beoordelen, waarbij de looptijd alsmede de hurdlerate (hoe groot moet de winstgevendheid zijn gezien de noodzakelijkeinvestering) van groot belang zijn. Het is de verwachting dat warmtebe-drijven met een publiek meerderheidsbelang uitgaan van een lagerehurdle rate dan warmtebedrijven zonder een publiek meerderheidsbelang.Hierdoor kunnen de kosten van een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang uiteindelijk lager uitvallen ten opzichte van eensituatie met een hybride marktordeningsmodel.Tot slot is tijdens de maatschappelijke dialoog over warmte gebleken dathet wetsvoorstel, uitgaande van enkel regulering en een hybridemarktordeningsmodel, niet gesteund werd door de medeoverheden en deinfrastructuurbedrijven (zie ook paragraaf 20.4). Hierbij speelt deovertuiging van de medeoverheden mee dat de burger onvoldoendevertrouwen zal hebben in private warmtebedrijven. Waar woningen vanhet aardgas worden gehaald is naar verwachting het draagvlak groter alseen warmtebedrijf betrokken is waarin een publieke partij doorslagge-vende zeggenschap heeft. Een hybride marktordeningsmodel, waarbij ookvolledig private warmtebedrijven kunnen worden aangewezen, zal hetdraagvlak voor de energietransitie daarom niet ten goede komen.Aangezien burgers in dit wetsvoorstel de keuzevrijheid krijgen om al danniet aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, is dit vertrouwencruciaal voor de bereidheid om aan te sluiten op een collectieve warmte-voorziening. Deze bereidheid is nodig om de gewenste opschaling vancollectieve warmtevoorzieningen te realiseren in lijn met de doelstellingenvoor collectieve warmte in het PVGO. Omdat de inhoud van het PVGO eenvertaalslag vormt van de reductiedoestellingen uit de Klimaatwet voor degebouwde omgeving, zal het uitblijven van deze opschaling ook gevolgenhebben voor de Nederlandse klimaatdoelstellingen.c. Warmtebedrijven met een publiek minderheidsbelang of een belangvan 50% Tevens is onderzocht of het wenselijk en Europeesrechtelijk mogelijk isdwingend voor te schrijven dat alleen warmtebedrijven met een publiekminderheidsaandeel of een belang van 50% aangewezen kunnen worden.Met een dwingend voorgeschreven publiek minderheidsbelang of50%-belang kunnen de doelstellingen van dit wetsvoorstel niet wordengerealiseerd. Een minderheidsbelang of een 50%-belang betekent dat eenpublieke partij geen doorslaggevende zeggenschap heeft op het beleidvan het warmtebedrijf. Evenmin kan een publieke partij uiteindelijkbepalen wat er met de infrastructuur gebeurt. Daarmee is een dergelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3138 publiek belang niet wenselijk gezien de doelstellingen van ditwetsvoorstel en de te beschermen publieke belangen zoals toegelicht inparagraaf 1.2, onder c. Tevens is een dergelijk publiek belang Europees-rechtelijk niet te rechtvaardigen gelet op een dwingende reden vanalgemeen belang. Een publieke partij met een dergelijk belang geeftonvoldoende zeggenschap: het geeft geen doorslaggevende zeggenschapover het beleid van de onderneming noch de infrastructuur. Met eendergelijk belang kan de publieke aandeelhouder er niet voor zorgen dathet warmtebedrijf handelt in het belang van de leveringszekerheid of datbesluiten worden genomen die het milieu of het klimaat ten goede zullenkomen. Daarvoor is een publiek meerderheidsbelang vereist. Hierdoor kande noodzakelijkheid van een publiek minderheidsbelang of een50%-belang Europeesrechtelijk niet onderbouwd worden.d. Volledig publieke warmtebedrijven (volledig publiek marktordenings-model) Overwogen is in dit wetsvoorstel voor te stellen dat alleen volledigpublieke warmtebedrijven voor een warmtekavel kunnen wordenaangewezen. Een dergelijke inbreuk op het vrij verkeer van kapitaal en devrijheid van vestiging zou Europeesrechtelijk gerechtvaardigd kunnenworden. In dit wetsvoorstel is echter niet de meest verregaande vorm vanpublieke zeggenschap voorgesteld omdat het beoogde doel op eenminder vergaande wijze bereikt kan worden. Niet is voorgesteld alleenpublieke warmtebedrijven aan te kunnen wijzen omdat een publiekmeerderheidsbelang volstaat om de doelen zoals toegelicht in paragraaf1.2, onder c, te bereiken. Een publiek meerderheidsbelang volstaat omdatmet dat belang een publieke partij het beleid van het warmtebedrijf kanbepalen en ook doorslaggevende zeggenschap heeft over de infra-structuur. Bovendien kunnen private warmtebedrijven hierdoor nogsteeds actief zijn op de warmtemarkt na inwerkingtreding van ditwetsvoorstel. Private warmtebedrijven kunnen als minderheidsaandeel-houders deelnemen aan een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang. Ook kunnen private warmtebedrijven actief zijn als warmte-leveringsbedrijf of minderheidsaandeelhouder in een warmtenetbedrijf ineen warmte joint-venture. De eis van publiek meerderheidsbelang isproportioneel en de meest evenredige maatregel die de publiekebelangen borgt.15.5. Overige alternatieven a. Gouden aandeel Een gouden aandeel is een aandelenbelang dat overheden meer rechtenen invloed geeft dan een private aandeelhouder en dan uit hun (publieke)financiële inbreng zou voortvloeien. Onderzocht is of het mogelijk is opdeze wijze te borgen dat publieke partijen doorslaggevende zeggenschaphebben in een aangewezen warmtebedrijf.Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat een dergelijk aandeeleen uiterst kwetsbare optie is. Het Hof van Justitie heeft op consistente enstructurele wijze aangegeven dat een gouden aandeel een inbreuk op hetvrij verkeer van kapitaal vormt. In het bijzonder wanneer deze bijzondererechten worden toegekend door middel van een wettelijke regeling of alsde overheid een meerderheidsbelang genoot ten tijde van de invoeringTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3139 van het bijzondere aandeel.22 Het Hof van Justitie wijst er bovendien opdat de publieke aandeelhouder door het gebruik van het goudenaandeel/bijzonder aandeel – ter bescherming van publieke belangen –tegen de economische belangen van de andere (private) aandeelhouderskan handelen23 of zelfs tegen de economische belangen van de vennoot-schap zelf.24 Belemmeringen van het vrij verkeer van kapitaal kunnengerechtvaardigd worden met een beroep op een dwingende reden vanalgemeen belang, mits deze maatregelen geschikt en proportioneel zijn.Met uitzondering van één zaak,25 waarin alleen een recht van verzet voorbepaalde besluiten door het Hof verenigbaar is bevonden met hetEuropees recht, blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie datgouden of bijzondere aandelen niet als geschikte of als proportionelebelemmeringen van het vrij verkeer van kapitaal worden gezien, zelfs alsde dwingende redenen van algemeen belang onderkend worden en erzelfs sprake is van en vorm van een dienst van algemeen belang.26 Ookrecente jurisprudentie onderstreept dat bijzondere beperkingen en rechtenin de uitoefening van stemrecht en zeggenschap ter bescherming vandwingende redenen van algemeen belang met grote moeite kunnenvoldoen aan de geschiktheids- en proportionaliteitsvereisten om tot eengerechtvaardigde belemmering te komen.27Gelet op het voorgaande is in dit wetsvoorstel niet voorgesteld eengouden aandeel te regelen. Uit de aard van de gewenste invloed van depublieke aandeelhouder (zie de onderbouwing voor het publiek meerder-heidsbelang in paragraaf 1.2, onder c) is actieve invloed op het beleid ende strategie van het warmtebedrijf noodzakelijk. Een recht van verzet voorbepaalde besluiten volstaat niet.b. De keuze van het warmtebedrijf wordt aan de gemeente overgelaten Op verzoek van de medeoverheden is het alternatief onderzocht of in hetwetsvoorstel het college de bevoegdheid kan worden gegeven vóóraf eenvoorkeur aan te geven voor een bepaald type warmtebedrijf (publiek,privaat of een samenwerkingsvorm). Over de verenigbaarheid van dezewens met het Europees recht is advies gevraagd aan de landsadvocaat. Indit advies van 28 mei 202128 concludeerde de landsadvocaat dat – binnenhet kader van het wetsvoorstel zoals dat destijds was opgesteld en waarinalle warmtebedrijven de mogelijkheid hadden een aanvraag in te dienenom aangewezen te worden – het vooraf bepalen van een bedrijfstype nietverenigbaar is met het Europees recht. Colleges kan niet de mogelijkheidgegeven worden vooraf te kiezen wat voor soort warmtebedrijf ze willen.De daarvoor door het Hof van Justitie geaccepteerde gronden gevenhiervoor onvoldoende basis.De lokale verschillen maken niet een door de gemeenten bepaaldemarktordening mogelijk. Hoewel er een grote mate van diversiteit is, zijnlokale verschillen vooral technisch van aard. Het gaat daarbij bijvoorbeeldom beschikbare warmtebronnen, dichtheid van de gebouwde omgeving,22Zie zaken C-367/98, Commissie/Portugal, overwegingen 41–46; zaak C-483/99, Commissie/Frankrijk, overwegingen 38–42; gevoegde zaken C-463/04 en C-464/04, Federconsumatori,overwegingen 19–25; zaak C-326/07, Commissie/Italië, overwegingen 40–43; gevoegde zakenC-282/04 and C-283/04, Commissie/Nederland overwegingen 19–22; zaak C-171/08, Commissie/Portugal, overwegingen 50–56; zaak C-212/09, Commissie/Portugal zaak (C-212/09, overwe-gingen 45, 49–54 en 67–69).23Zie zaak C-112/05, Commissie/Duitsland, overwegingen 78–80.24Zie gevoegde zaken C-282/04 en C-283/04, Commissie/Nederland, overwegingen 28–30.25Zie zaak C-503/99, Commissie/België, overwegingen 39–75.26Zie bijvoorbeeld zaak C-543/08, Commissie/Portugal overwegingen 84–97.27Zie zaak C-563/17, Associação Peço a Palavra e.a./Conselho de Ministros, overwegingen 71–83.28Kamerstukken II 2020/21, 30 196, nr. 768.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3140 ondergrond en temperatuurniveau (zie ook paragraaf 1.1). Dezeverschillen raken niet aan de wijze waarop de marktordening voorcollectieve warmtevoorzieningen het beste ingericht kan worden. Het zalniet mogelijk zijn gelet op de aard van de lokale verschillen een verschil ininbreuk op het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging pergemeente Europeesrechtelijk te rechtvaardigen. Europeesrechtelijk is niette rechtvaardigen dat de ene gemeente het vrij verkeer van kapitaal envrijheid van vestiging inperkt door bijvoorbeeld te kiezen voor een publiekwarmtebedrijf waarmee een privaat warmtebedrijf wordt uitgesloten,terwijl in een andere gemeente ook een privaat warmtebedrijf aange-wezen kan worden. In beroepsprocedures aangespannen door warmtebe-drijven die door lokale keuzes niet in de gelegenheid gesteld zullenworden een aanvraag in te dienen aangewezen te worden, is dit eenuiterst kwetsbaar model. Er zal een uniform en coherent kader opgesteldmoeten worden voor geheel Nederland net als bij andere nutsvoorzie-ningen zoals drinkwater, gas en elektriciteit.Ook zou een dergelijk marktordeningsmodel tot gevolg kunnen hebbendat warmtebedrijven zonder een publiek meerderheidsbelang aange-wezen zullen worden voor een warmtekavel. Hierdoor heeft een publiekepartij uiteindelijk geen doorslaggevende zeggenschap in het warmtebe-drijf hetgeen op gespannen voet staat met de doelstellingen van ditwetsvoorstel zoals toegelicht in paragraaf 1.2, onder c. Het bieden vanruimte aan gemeenten om, in het licht van lokale omstandigheden,warmtekavels te kunnen toewijzen aan warmtebedrijven zonder publiekmeerderheidsbelang, is niet verenigbaar met de overwegingen die dekeuze op nationaal niveau voor warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang rechtvaardigen en brengt het risico mee dat derechter oordeelt het vereiste van een publiek meerderheidsbelang wegensstrijdigheid met het consistentievereiste niet gerechtvaardigd is. Indienhet gemeenten zou worden toegestaan om op lokaal niveau minderbescherming te bieden dan de wetgever op nationaal niveau voor ogenheeft, kan dat tot gevolg hebben dat een rechter oordeelt dat de regelingmet betrekking tot het vereiste van een publiek meerderheidsbelang nietvoldoet aan het consistentievereiste, omdat de doelstellingen niet opcoherente en systematische wijze worden nagestreefd.29c. Zelf voorzien door gemeente Onderzocht is of gemeenten de mogelijkheid kunnen krijgen de aanwij-zingsprocedure niet te volgen als de gemeente zelf voorziet in decollectieve warmtevoorziening door de oprichting van een warmtebedrijfwaarvan de gemeente alle, althans meer dan de helft van de aandelenheeft met doorslaggevende zeggenschap. In alle overige gevallen zou eenwarmtebedrijf na het doorlopen van een aanwijzingsprocedure aange-wezen worden.Het is niet wenselijk een dergelijk alternatief uit te werken omdat niet allegemeenten een warmtebedrijf waarvan de gemeente alle, althans meerdan de helft van de aandelen heeft met doorslaggevende zeggenschapzullen oprichten. In voorkomend geval zullen gemeenten dan eenaanwijzing aan bijvoorbeeld een privaat warmtebedrijf verlenen. Hierdoorheeft een publieke partij uiteindelijk geen doorslaggevende zeggenschapin het warmtebedrijf. Dit staat op gespannen voet met de doelstellingenvan dit wetsvoorstel zoals toegelicht in paragraaf 1.2, onder c. Verder ishet ook niet mogelijk is in een aanwijzingsprocedure een uitzondering temaken voor een warmtebedrijf waarvan de gemeente meer dan de helftvan de aandelen heeft. Gemeenten de mogelijkheid bieden «eigen»29Advies van de landsadvocaat, 3 juni 2024, p. 4 en 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3141 warmtebedrijven voorrang te geven boven andere warmtebedrijven meteen publiek meerderheidsbelang stuit af op het vereiste dat in geval zichmeerdere gegadigden aandienen voor eenzelfde warmtekavel, de selectiedient plaats te vinden op basis van een procedure die aan alle waarborgenvan onpartijdigheid en transparantie voldoet. In het licht van de algemenebelangen die het vereiste van publiek meerderheidsbelang beoogt tebeschermen, valt niet in te zien waarom «eigen» warmtebedrijven vanindividuele gemeenten een voorkeursbehandeling zouden verdienenboven warmtebedrijven waarin (ook) andere publieke aandeelhouders (aldan niet gezamenlijk) zeggenschapsrechten hebben.30d. Regionaal warmtebedrijf Ten slotte is overwogen in het wetsvoorstel voor te schrijven dat eenpubliek regionaal warmtebedrijf deelneemt in elk warmtebedrijf dat wordtaangewezen voor een warmtekavel. Dit regionaal warmtebedrijf zou ooktot taak kunnen hebben gemeenten te ondersteunen bij de vaststellingvan de warmtekavel. Geconcludeerd is dat dit onder voorwaardenEuropeesrechtelijk mogelijk is. Voorwaarde vanuit is het Europees recht isdat dit regionaal warmtebedrijf een meerderheidsbelang in het aange-wezen warmtebedrijf heeft, omdat alleen een dergelijk belang Europees-rechtelijk te rechtvaardigen is. Immers, met alleen een publiek meerder-heidsbelang heeft het regionaal warmtebedrijf doorslaggevendezeggenschap over het beleid van de onderneming en de infrastructuur.Alleen met een dergelijk belang kan het regionaal warmtebedrijf ervoorzorgen dat het warmtebedrijf handelt in het belang van de leveringsze-kerheid of dat besluiten worden genomen die het milieu of het klimaat tengoede zullen komen. Een minderheidsbelang of een belang van 50% isdaarvoor onvoldoende. Zie in dit verband ook de toelichting in paragraaf15.4, onder b.Dit alternatief is niet in het wetsvoorstel opgenomen omdat hetwetsvoorstel zoals dat is opgesteld de oprichting van een publiekregionaal warmtebedrijf reeds mogelijk maakt. Het voorschrijven van eenregionaal warmtebedrijf zou een andere invulling van het publiekmeerderheidsbelang doorkruisen. Dit zou gemeenten en provinciesonnodig inperken. De medeoverheden, warmtebedrijven en infrastruc-tuurbedrijven ondersteunden dit alternatief dan ook niet.16. Flankerend beleid 16.1. Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie Gemeenten hebben met de warmteprogramma’s (de wettelijke veran-kering van de transitievisies warmte) een strategie ontwikkeld om deeerste wijken te verduurzamen en (op termijn) aardgasvrij te maken. Deambities in de warmteprogramma’s van alle gemeenten in Nederlandtellen samen op tot ruim boven de 1,5 miljoen woningen en gebouwendie voor 2030 verduurzaamd worden. Na de start van planvormingkunnen de warmteprogramma’s worden uitgewerkt in concretereuitvoeringsplannen. Het uitvoeringsplan draagt bij aan het ordenen enconcretiseren van de visie op het aardgasvrij maken of isoleren van dewijk of buurt en biedt daarmee het handelingsperspectief voor bewoners.Bij deze verduurzamingsopgave horen de corresponderende bevoegd-heden voor gemeenten. Daarom is in het wetsvoorstel Wgiw voorgesteldgemeenten instrumenten te geven zodat zij kunnen besluiten wanneer enhoe een aangewezen gebied (stapsgewijs) van het aardgas af gaat en welk30Advies van de landsadvocaat, 3 juni 2024, p. 3 en 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3142 alternatief voor aardgas wordt gekozen. Woning- en gebouweigenarenzijn niet verplicht om aan te sluiten op het (collectieve) alternatief vooraardgas dat de gemeente aanwijst. Zij kunnen kiezen voor een alterna-tieve, (individuele) warmtevoorziening. In het wetsvoorstel Wgiw wordtde transitievisie warmte wettelijk verankerd als een verplicht programmaonder de Omgevingswet: het warmteprogramma. Het uitvoeringsplan kanworden vormgegeven als een vrijwillig programma onder deOmgevingswet. Het uitvoeringsplan is een belangrijke onderbouwingvoor de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de energietran-sitie in de gebouwde omgeving. In het omgevingsplan kan het gekozenalternatief voor aardgas als warmtebron worden opgenomen. Daarmeeontstaat de juridische bevoegdheid om de levering van gas te beëindigen.Zie ook paragraaf 3.2 voor een uitgebreide toelichting op het planprocesvolgend uit Wgiw in combinatie met de bevoegdheden uit ditwetsvoorstel.16.2. Programma Versnelling Verduurzaming GebouwdeOmgeving De afspraken uit het coalitieakkoord wat betreft de energietransitie in degebouwde omgeving zijn uitgewerkt in het PVGO waarmee het kabinetlaat zien hoe de komende jaren verder te willen versnellen. De verduur-zaming van de gebouwen loopt grofweg via twee, interacterende sporen.In het PVGO wordt het gebiedsgerichte spoor verstevigd. Daarbij wordenlokaal, onder regie van gemeenten, wijken planmatig verduurzaamd enuiteindelijk aardgasvrij gemaakt. Gemeenten krijgen de middelen, deinstrumenten én de ondersteuning die zij nodig hebben. Daarnaast wordthet individuele spoor geïntensiveerd dat is gericht op individuelegebouwen en gebouweigenaren. Natuurlijke momenten als kooptrans-acties, renovaties en vervangingen van apparatuur worden optimaalbenut. Voor huis- en gebouweigenaren betekent dit dat zij onder regie vanhun gemeente wijkgericht verduurzamen, bijvoorbeeld door aansluitingop een warmtenet of toepassing van een all-electric oplossing. Ook kanworden gekozen om op een voor hen natuurlijk moment te verduurzamendoor bijvoorbeeld te isoleren en een hybride warmtepomp aan teschaffen. Het beleid voor de gebouwde omgeving richt zich in beidesporen op het terugdringen van de energiebehoefte.16.3. Nationaal Programma Lokale warmtetransitie Om de lokale uitvoering te ondersteunen is op 1 januari 2023 het NPLWgestart, een interbestuurlijk programma van Rijk, VNG en IPO. Deactiviteiten van het PAW en het ECW zijn daarin voortgezet. Hetprogramma kent een regionale en nationale functie. Met de regionalefunctie ondersteunt het programma passend bij de behoeften in de regio.De nationale poot zet grotendeels de functies van het huidig PAW en ECWvoort, inclusief leren met de Proeftuinen aardgasvrije wijken, hetagenderen van beleidsknelpunten en het ontwikkelen van producten ensessies ter ondersteuning van gemeenten in de uitvoering.16.4. Financiële instrumenten Dit wetsvoorstel verbetert de financierbaarheid van collectieve warmte-voorzieningen door de kavelsystematiek, maatregelen om het volloop-risico te beheersen en de introductie naar kostengebaseerde tarieven.Stap voor stap zal dat effect hebben. Daarmee is ook duidelijk dat dekomende jaren aanvullende financiële instrumenten nodig zijn om definancierbaarheid te verbeteren en de betaalbaarheid te borgen. Daartoezijn er verschillende instrumenten, die ingrijpen op verschillendeonderdelen van de keten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3143 De WIS verleent subsidie ter compensatie van het verschil tusseninvesteringskosten en exploitatiewinst bij aanleg van het warmtenet. Doordit verschil, de onrendabele top, bij kosteneffectieve warmteprojecten tecompenseren, zullen meer warmtenetten een positieve business casehebben. De subsidiebijdrage per investeringsproject is voor deopenstelling in 2024 begrensd op maximaal 45% van de totale investeringin het warmtenet en maximaal € 6.000 per aansluiting van eenhuurwoning en maximaal € 7.000 per overige kleinverbruikersaansluitingin het warmteproject, afhankelijk welke van de twee als eerste bereiktwordt.De SDE++-regeling voorziet in subsidie voor een eventuele onrendabeletop van de warmtebron van warmtenetten. In de openstellingsronde vande SDE++-regeling in 2023 zijn zogenaamde «hekjes» geïntroduceerd. Datwil zeggen dat duurzame energieprojecten die binnen enkele specifiekedomeinen vallen binnen de regeling voor het verkrijgen van subsidie toteen vooraf vastgesteld drempelbedrag niet hoeven te concurreren metandere duurzame energieproductie die een lagere subsidie-intensiteithebben maar niet de rol van duurzame warmtebronnen in collectievewarmtesystemen kunnen vervullen. Het gaat daarbij om technieken dieweliswaar op de korte termijn minder kosteneffectief zijn, maar die op delangere termijn noodzakelijk zijn voor de energietransitie en waarvan dekosten kunnen dalen naarmate ze meer worden ingezet.31 Voorgeothermie bestaat er verder garantiefonds Risico’s dekken voorwarmtenetten (RNES Aardwarmte), waarmee investeerders hun risico’s endaarmee financieringskosten kunnen verlagen. De ISDE-regeling voorzietin subsidie voor een deel van de eventuele extra kosten in het gebouw nade afleverset. Daarnaast is subsidie op grond van de SAH-regelingbeschikbaar voor het doen van aanpassingen in de woningen enaansluitkosten op een warmtenet voor verhuurders en gemengde VvE’s.Verder kunnen VvE’s subsidies voor aansluiting op een warmtenetverkrijgen op grond van de Subsidieregeling verduurzaming voorvereniging van eigenaars (SVVE) en beheerders van bijvoorbeeld scholen,overheidsgebouwen, zorginstellingen of monumenten op grond van deSubsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA).16.5. Publieke realisatiekracht Opbouw publieke realisatiekrachtDe collectieve warmtemarkt is momenteel grotendeels in private handen.Met de keuze in dit wetsvoorstel voor een publiek meerderheidsbelang inwarmtebedrijven is het nodig om de publieke realisatiekracht teversterken om de doelstellingen voor 2030 en 2050, respectievelijk 0,5 en2,6 miljoen nieuwe aansluitingen in de bestaande bouw, te kunnen halen.Op grond van dit wetsvoorstel kunnen warmtebedrijven verschillendebedrijfsstructuren aannemen. Daarbij geldt dat de regionale of lokalesituatie bepaalt welke schaal de juiste is voor een warmtebedrijf en is hetaan de publieke aandeelhouders om daarin keuzes te maken. Voor hetbundelen van expertise, het delen van risico’s en opbouwen vanvoldoende publieke realisatiekracht ligt het voor de hand dat veel nieuwepublieke warmtebedrijven op regionale of provinciale schaal zullenontstaan. Deze warmtebedrijven kunnen vervolgens deelnemen in hetlokaal aangewezen warmtebedrijf.31Kamerstukken II 2022/2023, 31 239, nr. 374.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3144 Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van degemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Het ligt daaromvoor de hand dat gemeenten het initiatief nemen bij het oprichten van eennieuw warmtebedrijf of bij het participeren in een bestaand warmtebe-drijf.Ook kan de gemeente met het inzetten van wettelijke bevoegdheden hetwarmtebedrijf waarin het zelf participeert ondersteunen in het beheersenvan risico. Met dit wetsvoorstel en de Wgiw krijgen gemeenten immersbelangrijke instrumenten in handen die een positief effect kunnen hebbenop de bedrijfseconomische condities voor het warmtebedrijf, zoals deaanwijzing van een warmtebedrijf voor een warmtekavel en de aanwijsbe-voegdheid om de einddatum van aardgaslevering te bepalen. Doorbestuurlijke duidelijkheid te creëren over bijvoorbeeld het tempo enfasering van de realisatie van een collectieve warmtevoorziening in eenwarmtekavel worden bedrijfsrisico’s lager, kan een hogere efficiencyworden bereikt en dalen de kosten. Dit draagt ook bij aan de betaal-baarheid ervan voor verbruikers.Voor het bundelen van expertise, het delen van risico’s en opbouwen vanvoldoende uitvoeringskracht is de verwachting dat er vooral nieuwepublieke warmtebedrijven op regionale of provinciale schaal zullenontstaan. Deze warmtebedrijven kunnen vervolgens deelnemen in eenlokaal aan te wijzen warmtebedrijf. Belangrijk is dat gemeenten enprovincies, maar ook regionale energiefondsen of regionale netwerkbe-drijven, gezamenlijk keuzes maken over de wijze van samenwerking endeelneming. In veel regio’s en provincies worden deze stappen reedsgezet en zijn al dergelijke warmtebedrijven in oprichting, net opgericht ofwordt al meerdere jaren op deze wijze samengewerkt in de aanleg vancollectieve warmtevoorzieningen.DeelnemingOm de opbouw van publieke realisatiekracht verder te ondersteunenvoorziet dit wetsvoorstel in een mogelijkheid om een nationaledeelneming aan te gaan. Naast deze mogelijkheid voor de opbouw vanpublieke realisatiekracht, zijn ook andere mogelijkheden verkend engewogen. Voor elke optie geldt dat momenteel geen dekking bestaat. Vooralle opties geldt dat nadere uitwerking en toetsing nodig is. Om dezereden is de nationale deelneming als een mogelijkheid (een«kan-bepaling») geformuleerd, waardoor het volgend kabinet een besluitkan nemen over elke optie, inclusief de optie om niet voor een nationaledeelneming te kiezen.Als de publieke realisatiekracht onvoldoende van de grond komt en eendeelneming het meest geschikte instrument is om dit te realiseren, heeftde Minister de mogelijkheid een NV of BV aan te wijzen waarvan alleaandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren. Deze NV of BVzou tot taak hebben om, samen met medeoverheden, deel te nemen inlokale of regionale warmtebedrijven en deze mede op te richten. Ookheeft deze NV of BV een wettelijke rol bij het adviseren van medeover-heden over de oprichting of inrichting van warmtebedrijven. Zo kan hetRijk de ondersteuning van medeoverheden en warmtebedrijven met deinbreng van expertise en kapitaal mogelijk maken. Betrokkenheid van hetRijk zou ook de aantrekkelijkheid voor andere investeerders en financierskunnen vergroten om warmtenetten te co-financieren.Het inzetten van dit instrument moet zorgvuldig worden getoetst aan devoorwaarden die gelden voor deelnemingen. Daarnaast zal onderzochtmoeten worden welke bestaande of nieuwe deelneming het meestTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3145 geschikt zou zijn en welke middelen nodig zijn voor deze taak. Het is aaneen volgend kabinet om een besluit te nemen over de mogelijkeaanwijzing van de deelneming en het eventueel beschikbaar stellen vande bijbehorende benodigde middelen. Hierbij wordt het geheel aansubsidies en regelingen voor collectieve warmte in ogenschouwgenomen.WaarborgfondsAanvullend wordt onderzocht welke beleidsinstrumenten het benodigdeigen vermogen van de publiek aandeelhouders in het warmtebedrijfkunnen verlagen, waardoor er meer investeringsruimte ontstaat metminder publieke middelen. Hierbij wordt gekeken onder meer naarinstrumenten die verstrekkers van vreemd vermogen meer zekerheidgeven waardoor zij minder eigen vermogen van de aandeelhouders vanhet warmtebedrijf vereisen. In dit kader onderzoekt het kabinet dewenselijkheid en doelmatigheid van een waarborgfonds voor warmte-netten. Een dergelijk fonds kan investeringen in nieuwe en bestaandewarmtenetten borgen waardoor externe financiers de garantie hebbenrente en aflossing te ontvangen. Hier wordt naar verwachting de eigenvermogensvraag voor de aandeelhouders sterk verlaagd, mogelijk tot 10%van de totale investeringsopgave. Het waarborgfonds kan gevuld wordendoor een premie ter hoogte van 0,1–0,4% van de totale investering teverlangen. Het hanteren van criteria voor toegang tot een borgstellingheeft naar verwachting een positief effect op standaardisatie, professiona-lisering en werkt disciplinerend. Het is aan een volgend kabinet om tebesluiten over het instellen van een waarborgfonds warmtenetten of eenander instrument en het vinden van dekking voor de eenmalige risico-buffer en risicoreservering op de Rijksbegroting.Daarnaast kunnen ook warmtegemeenschappen een belangrijke rol in deopbouw van realisatiekracht spelen, met name in het opbouwen vandraagvlak. Warmtegemeenschappen kunnen in warmtebedrijven vanverschillende samenstellingen deelnemen, maar ook zelfstandig eenwarmtekavel exploiteren. Het belangrijkste knelpunt voor warmtegemeen-schappen om deze rol te spelen is het ontbreken van financiële middelenin de ontwikkelfase van het collectief warmtesysteem. Om dit op te lossenwordt met Energie Samen een pilot gestart voor een OntwikkelfondsWarmte voor energiecoöperaties.Langs deze lijnen wordt beoogd de publieke realisatiekracht die nodig isvoor de warmtetransitie op te bouwen. Dat zal niet van de ene op deandere dag op orde zijn, en vergt samenwerking tussen alle relevantepartijen. De ingroeiperiode en het overgangsrecht moeten ervoor zorgendat de aanleg van collectieve warmtevoorzieningen doorgang blijftvinden. Dat biedt tevens gelegenheid om de publieke realisatiekracht teversterken, waarbij in eerste instantie gemeenten en provincies aan zetzijn om keuzes te maken op de passende schaal van samenwerking inregio of provincie.17. Lessen buitenland 17.1. Algemeen De motie Sienot verzoekt om lessen uit het buitenland over de marktor-dening van de warmtemarkt te verwerken in het wetsvoorstel.32 Hier isgevolg aan gegeven door een analyse van de verschillende Europeselanden waar collectieve warmte wordt gereguleerd. In algemene zin valt32Kamerstukken II 2018/19, 30 196, nr. 665.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3146 op dat landen met een hoge concentratie collectieve warmtevoorzie-ningen vooral zijn te vinden in Noord- en Oost-Europa. In deze gebiedenleveren warmtenetten al geruime tijd een belangrijke bijdrage aan dewarmtevoorziening. Als gevolg van Europees en nationaal klimaatbeleidwordt in andere Europese landen nu ook gekeken of warmtenetten eenalternatief zouden kunnen vormen voor fossiele (individuele) warmte-bronnen. Om lessen te kunnen uit zowel landen met een volwassen marktals landen met een voor Nederland meer vergelijkbare jonge of ontwikke-lende markt is gekozen om naast de casussen Denemarken, Zweden enEstland ook te kijken naar Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Tenaanzien van de beschrijving van de wijze waarop het eigendom vanwarmtebedrijven in de warmtesector in andere landen is georganiseerd, iseen breder overzicht gegeven dan enkel de genoemde casussen.Het valt op dat er een grote diversiteit is in de regulering in de geselec-teerde landen. De wijze van regulering hangt nauw samen met dematuriteit van de markt. De invulling van de regelgeving ten aanzien vanwarmtenetten wordt sterk bepaald door zaken als de historische achter-grond, het klimaat, het totale energiesysteem en de bredere beleids-context. Het is daarom niet evident om (onderdelen) van buitenlandsemodellen één op één over te nemen. Een voorbeeld hiervan is dat inDenemarken warmte sinds de jaren ’70 als de meer aantrekkelijke optievoor de consument is gepositioneerd ten opzichte van gas. Dat betekentdat voor (onderdelen) van buitenlandse modellen eerst gekeken moetworden in hoeverre ze passen en werkbaar zijn voor de Nederlandsesituatie. De vergelijking concentreert zich op marktordening, eigendomvan warmtebedrijven, tariefregulering, duurzaamheid en leveringsze-kerheid. Per onderdeel is aangegeven op welke wijze de regulering in hetbuitenland de beleidskeuzes die ten grondslag liggen aan dit wetvoorstelondersteunt. De bruikbare elementen uit buitenlandse regelgeving zijn– naast de algemene lessen die getrokken kunnen worden uit deervaringen in andere landen – hieronder toegelicht.17.2. Marktordening Integrale benaderingIn de landen die zijn onderzocht is de regulering ingericht op integralewarmtebedrijven, wat een gevolg is van de nauwe verwevenheid tussenproductie, transport en levering van warmte. Tegelijkertijd is er sprake vaneen grote heterogeniteit aan warmtebedrijven in termen van omvang,organisatievormen en eigendomsverhoudingen. In dit wetsvoorstel is ditvertaald in het uitgangspunt dat een aangewezen warmtebedrijf integraalverantwoordelijk is voor de collectieve warmtevoorziening binnen zijnkavel. Op basis daarvan is een grote variëteit aan lokale invullingenmogelijk. Ter illustratie, in Estland waren in 2016 van de 200 bedrijven diebij de mededingingsautoriteit geregistreerd stonden, ongeveer 160geïntegreerde bedrijven, 32 warmteproducenten en 9 netwerkbedrijven. Ingeen van de onderzochte landen wordt splitsing voor warmtebedrijvenwettelijk afgedwongen. Enkele landen die dit serieus hebben overwogenen er onderzoek naar hebben gedaan, zijn van het idee teruggekomen. Inde Warmtewet die Zweden in 2008 heeft vastgesteld is concurrentie ophet net, met vrije leverancierskeuze voor afnemers, bewust buiten de wetgehouden. Volgens het Zweedse Ministerie van Industrie zijn de situatieswaaronder dergelijke concurrentie met succes kan worden toegepastbeperkt en zijn kostenstijgingen te verwachten wanneer distributie wordtlosgekoppeld van andere warmteactiviteiten.33 Deze kosten zouden hetgevolg zijn van de toegenomen eisen voor metingen en administratie en33Sweden Ministry of Industry (2012)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3147 van de suboptimale productie van warmte. Ook de Duitse mededingings-autoriteit, het Bundeskartellamt, heeft in het kader van een diepgaandonderzoek naar de warmtesector in 2012, geconcludeerd dat splitsing leidttot hogere administratieve kosten en synergieverliezen terwijl het slechtseen marginale verbetering van de concurrentiepositie bewerkstelligd.34Ook de toegang van warmtebronnen tot netten wordt slechtsmondjesmaat gereguleerd en blijft meestal beperkt tot «onderhandeldetoegang». Het op het oog ogenschijnlijk betere afdwingbare «geregu-leerde toegang» blijkt in de praktijk lastig te handhaven, omdat er in eenwarmtesysteem veel (technische) redenen kunnen zijn waardoor deaansluiting van de nieuwe warmtebron toch niet past. De gekozenbenadering in andere landen onderschrijft een belangrijk uitgangspuntvan dit wetsvoorstel om de integrale verantwoordelijk voor de keten bijéén partij te leggen.Eigendom warmtebedrijvenIn Denemarken zijn warmtebedrijven meestal coöperaties of in publiekeigendom. Ook in Scandinavische landen die al een lange historie en veelervaring hebben als het gaat om collectieve warmte spelen publiekewarmtebedrijven een dominante rol in de ontwikkeling van warmte-netten.35LandMarktaandeelwarmtenettenDominante eigendom warmtenettenIJsland90%GemeentenDenemarken66%Gemeenten of bewoner coöperatiesLetland65%GemeentenLitouwen57%GemeentenFinland53%Gemeenten, RijksoverheidZweden46%Gemeenten, Rijksoverheid, private bedrijvenTsjechië40%Gemeenten, Rijksoverheid, private bedrijvenPolen24%Gemeenten, Rijksoverheid, private bedrijvenOostenrijk14%GemeentenNoorwegen12%Gemeenten, RijksoverheidDuitsland14%Gemeenten en private bedrijvenNederland6%Private bedrijven en enkele gemeenten Rol gemeentenEen bestendige ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningen isgebaat bij een langjarige en consistente aanpak. Een planmatige aanpakvoor warmte is van groot belang, in aanvulling op een duidelijk nationaalwettelijk kader. Warmteplanning is ook belangrijk om ervoor te zorgen dathet niet bij kleinschalige geïsoleerde systemen blijft. Met name inDenemarken en in Estland wordt warmteplanning al langere tijd metsucces toegepast. In beide landen is de regierol van gemeenten wettelijkvoorgeschreven. Gemeenten bepalen, op basis van technisch eneconomische criteria, in belangrijke mate waar en wanneer een collectievewarmtevoorziening wordt aangelegd. De invulling van de regierol van degemeente in dit wetsvoorstel sluit goed aan op de gestructureerde enplanmatige benadering in Denemarken en Estland.34Bundeskartelamt (2012)35Country profiles Euroheat & Power, geciteerd in Warmtenetten: beter investeren dansubsidiëren (2022), https://www.binnenlandsbestuur.nl/whitepaper/warmtenetten-beter-investeren-dan-subsidierenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3148 WarmteplanningIn beide genoemde landen wordt gewerkt met warmtezones: gebiedenwaarvan is vastgesteld dat een collectieve warmtevoorziening de meestkostenefficiënte manier van verwarmen is. Binnen een warmtezone heefteen warmtebedrijf, onder bepaalde voorwaarden, het exclusieve recht omwarmte te leveren. In Estland hebben de meeste gemeenten eenwarmtezone aangewezen. In totaal zo’n 200. Een warmtezone wordt in dewet gedefinieerd als een gebied waarvoor een omvattend plan isopgesteld waarin consumenten worden voorzien van warmte door middelvan stadsverwarming die zorgt voor een veilige, betrouwbare eneffectieve warmtelevering die tegen een verantwoorde prijs en inovereenstemming met de milieueisen en de behoeften van de klantenwordt geleverd. Het is een wettelijke verplichting om, voordat eenwarmtezone wordt vastgesteld, een analyse uit de voeren naar demogelijkheden om de warmtelevering te regelen op basis van de inbovenstaande definitie opgenomen principes. De verplichting om al bijhet vaststellen van een warmtekavel na te denken over leveringsze-kerheid, duurzaamheid en efficiëntie is ook verankerd in dit wetsvoorstel.De sterke groei van warmtenetten in Denemarken in de jaren ’80 is medetoe te schrijven aan de introductie van warmteplanning in 1979. Ook deaanpak in Denemarken is gericht op het selecteren van de warmteoptiemet de laagste maatschappelijke kosten. Het oorspronkelijk plannings-proces verplichtte gemeenten om de lokale warmteplannen te baseren opregionale energieplannen om de regionale coördinatie te borgen. In 1990is een aanvullend «projectsysteem» geïntroduceerd waarmee oudegemeentelijke warmteplannen kunnen worden herzien. Warmtebedrijvenkunnen door een gestructureerd besluitvormingsproces te volgenvoorstellen indienen om binnen een bepaald gebied tot warmte over tegaan. Om tot coherente en efficiënte zones te komen wordt inDenemarken en ook in Estland nauw samengewerkt met warmtebe-drijven. In lijn hiermee is in het wetsvoorstel voorgesteld om warmtebe-drijven vroegtijdig aan te wijzen zodat zij al in een vroeg stadiumbetrokken zijn en ondersteuning kunnen geven bij het maken van eenuitvoeringsplan.AansluitplichtVan de onderzochte landen hebben alleen Estland en sommigegemeenten in Duitsland een aansluitplicht. Burgers in Estland die op hetmoment dat de warmtezone wordt vastgesteld al een andere warmtevoor-ziening hebben, zijn echter niet verplicht aan te sluiten. In Duitsland heeftde Bundeskartellamt in 2012 afgeraden om gebruik te maken van deaansluitplicht nadat uit onderzoek bleek dat tarieven in deze gebiedenbeduidend hoger liggen. Om burgers een alternatieve keuze te geven isdeze plicht sinds 2019 afgeschaft. In lijn met de gekozen benadering is ookin het wetsvoorstel de keuze gemaakt om een aansluiting op een collectiefwarmtesysteem niet te verplichten.Kennis en capaciteitUit de analyse is ook gebleken dat kennis en expertise van groot belangzijn om de uitrol van collectieve warmte succesvol te laten verlopen. In deovertuiging dat warmteplanning essentieel is voor het realiseren vanambitieuze doelen ten aanzien van de aanleg van warmtenetten wordengemeenten in het Verenigd Koninkrijk sinds 2013 actief ondersteund bijwarmteplanning. De interesse in de aanleg van warmtenetten is hierdoorsterk toegenomen. Ook in Denemarken worden gemeenten voorzien vankennis door het Rijk en aanvullend komt ook veel informatie van warmte-bedrijven, consultants en de regio’s. Aan deze les wordt in NederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3149 invulling gegeven door ondersteuning aan gemeenten die door het NPLWwordt ingericht.17.3. Tariefregulering Om consumenten te beschermen tegen te hoge tarieven wordenverschillende instrumenten ingezet. In alle gevallen is inzicht in de kostenvan warmtelevering een belangrijke voorwaarde voor een effectievetariefregulering. Ook hierbij geldt dat de context bepaalt welke beleidsbe-nadering geschikt is.De zogeheten prijsdialogen die in Zweden sinds 2013 op vrijwillige basisworden toegepast, zijn effectief gebleken, omdat er al een hoge mate vantransparantie was en de warmteprijzen constant worden gemonitord doorde Zweedse toezichthouder. Door gebrek aan transparantie en aanervaring is in Nederland de informatie-asymmetrie tussen vraag enaanbod vele malen groter en is de inschatting dat een dergelijke aanpakmet vrije prijsvorming tot minder goede uitkomsten voor de consumentzal leiden. De les uit Zweden is ook dat tariefmethodieken van tijd tot tijdgeactualiseerd moeten worden om effectief te blijven.In Estland, waar net als in Nederland een aantal grote private bedrijven demarkt domineren, wordt ook gewerkt met een ex-ante kostenbaseerdetariefregulering. De maximale prijs van warmte moet een weerspiegelingzijn van de exploitatiekosten, inclusief productie, distributie en noodzake-lijke investeringen in infrastructuur. Daarbovenop is het warmtebedrijventoegestaan om een gerechtvaardigde winst voor de onderneming mee tenemen in hun tarieven.Ook de kostengebaseerde tariefregulering in Denemarken, waarbijbedrijven alleen «noodzakelijke kosten» in rekening mogen brengen,functioneert goed. Samen met de aanvullende vrijwillige benchmarkwordt een hoge mate van transparantie bereikt voor de consument. Ingesprekken met het Deense energieagentschap werd het belang vanheldere boekhoudregels die zorgen voor vergelijkbare gegevensbenadrukt. Het wetsvoorstel bevat een grondslag voor het vaststellen vanRAR-regels door de ACM waardoor warmtebedrijven op gelijke wijze hunboekhouding moeten inrichten.In het Verenigd Koninkrijk is de warmtesector en de regulering – net als inNederland – nog volop in ontwikkeling, maar zijn er wel grote ambitiesom collectieve warmte een grote rol te laten spelen in de verduurzamingvan de energievoorziening. In 2018 is door de Britse mededingingsauto-riteit (CMA) een uitvoerige studie gepubliceerd met aanbevelingen voorde regulering van de warmtesector.36 Volgens de autoriteit is hetnoodzakelijk dat er een vorm van prijsregulering wordt geïntroduceerd,waarbij tarieven gebaseerd op kosten (inclusief een redelijk rendement)als een reële optie wordt genoemd, zoals ook wordt voorgesteld in ditwetsvoorstel.17.4. Duurzaamheid Net als Nederland staan de meeste Europese landen voor de groteuitdaging om hun warmte- en koude voorziening te verduurzamen. Debeoogde verduurzaming wordt in deze landen voornamelijk gestimuleerddoor belastingvoordelen of subsidies voor broeikasgassen-armewarmtebronnen. In het Verenigd Koninkrijk waar de groei van duurzamewarmtenetten bij moet gaan dragen aan nationale klimaatdoelen, is36Competition and Market Authority (CMA) (2018), Heat networks market studyTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3150 duurzaamheid voorwaarde voor de ondersteuning van de nationaleoverheid bij de aanleg van warmtenetten. In de onderzochte landen zijn erechter voor zover bekend geen duidelijke prestatienormen voor deuitstoot van broeikasgassen van collectieve warmtesystemen. Estlandheeft wel specifieke duurzaamheidambities voor warmtenetten (80%duurzame opwek in 2030), maar het ontbreekt nog aan concrete plannenhoe dit gerealiseerd moet worden. Wel zijn verschillende Europese landenop dit moment bezig met de verplichtingen die voortvloeien uit het Fit For55 pakket van de Europese Unie. De verwachting is dat er binnen enkelejaren prestatienormen voor de stimulering van hernieuwbare energie inwarmte en collectieve warmtesystemen in het bijzonder geïmplementeerdzullen worden.17.5. Leveringszekerheid De huidige praktijk wijst uit dat het belangrijk is om al in een vroegstadium na te denken over leveringszekerheid. In Estland wordengemeenten verplicht om reeds bij het vaststellen een warmtezone eenplan op te stellen om daarmee de veilige, betrouwbare en effectievewarmtelevering te borgen. Ook in Denemarken wordt bij het vaststellenvan de warmteplannen – in het kader van de leveringszekerheid –nadrukkelijk gekeken naar de toekomstige warmtevraag en de bestaandeen potentiële warmtebronnen. In wetgeving in deze landen wordt duidelijkingezet op preventie van problemen met leveringszekerheid. Hieraanwordt in het wetsvoorstel invulling gegeven door verplicht te stellen om albij de vaststelling van de warmtekavel aandacht te besteden aan deleveringszekerheid en de beschikbaarheid van warmtebronnen in datverband.18. Verhouding tot internationaal recht 18.1. Europeesrechtelijke aspecten In deze paragraaf wordt nagegaan of de regels in dit wetsvoorstelEuropeesrechtelijk zijn toegestaan. Zo gelden er Europeesrechtelijkekaders voor onder meer de aanwijzing van een warmtebedrijf enwarmtetransportbeheerder en het uitgangspunt van het wetsvoorstel dathet college voor warmtekavels alleen een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap kan aanwijzen.Allereerst zal worden beoordeeld of er EU-harmonisatiemaatregelen zijndie de voorgestelde regulering inkaderen.18.1.1. Dienstenrichtlijn Richtlijn 2006/123/EG van het Europees parlement en de Raad van deEuropese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op deinterne markt (PbEU L 376) (hierna: de dienstenrichtlijn) is op 28 december2006 in werking getreden. Gelet op de bijzondere motiveringsvereisten dieop grond van deze richtlijn van de lidstaten wordt gevraagd metbetrekking tot het vaststellen van regelgeving, is het de vraag of ditwetsvoorstel onder het bereik van de dienstenrichtlijn valt.Uit artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de EuropeseUnie (hierna: VWEU) volgt dat als een dienst wordt beschouwd elkeeconomische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegenvergoeding geschiedt. Warmte als zodanig valt net als gas, olie, enelektriciteit binnen het toepassingsbereik van het vrij verkeer vangoederen, zodat de restricties in de verhandelbaarheid van warmte onderhet vrij verkeer van goederen beoordeeld moeten worden (arrest HvJEUvan 27 april 1994, zaak C-393/92, Almelo, overweging 28). Uit overwegingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3151 33 van de dienstenrichtlijn volgt echter dat distributie en handel vanwarmte binnen de reikwijdte van de dienstenrichtlijn valt. Op de restrictiesdie niet direct betrekking hebben op de goederen zelf is de diensten-richtlijn van toepassing (zie arrest HvJEU van 30 januari 2018, gevoegdezaken C-360/15 en C-31/16, overwegingen 89–90).De in dit wetsvoorstel opgenomen regels voor collectieve warmte zienniet op het goed warmte als zodanig, maar hebben betrekking op dedistributie van warmte, dat wil zeggen het transport en de levering vanwarmte. Het wetsvoorstel geeft regels voor de distributie van warmtedoor middel van een collectieve warmtevoorziening of een klein collectiefwarmtesysteem aan verbruikers. De distributie van warmte is een dienst,omdat er geen restricties aan de warmte zelf worden gesteld, maar aan deeisen waaronder het transport en levering plaats mag vinden. In ditwetsvoorstel is voorgesteld dat het college een integraal warmtebedrijfkan aanwijzen voor een warmtekavel waarmee het warmtebedrijfverantwoordelijk is voor het transport en de levering van warmte aanverbruikers. Het wetsvoorstel bevat geen regels over de productie ofinkoop van warmte door warmtebedrijven. Een warmtebedrijf kan ook eenwarmtebron exploiteren, maar dat is geen vereiste, want een warmtebe-drijf kan ook warmte inkopen. De warmtetransportbeheerder transporteertwarmte door middel van een warmtetransportnet. De warmtetransportbe-heerder is enkel verantwoordelijk voor het transport van warmte, nietvoor de productie of inkoop van de te transporteren warmte. Hetwetsvoorstel geeft geen regels over de productie of inkoop van warmtedie door een warmtetransportnet wordt getransporteerd. In deze contextis het distribueren van warmte door middel van een collectieve warmte-voorziening of een klein collectief warmtesysteem of het transport doormiddel van een warmtetransportnet een dienst als bedoeld in artikel 57VWEU.De dienstenrichtlijn is op het door dit wetsvoorstel voorgestelde exclu-sieve recht voor een aangewezen warmtebedrijf en een warmtetransport-beheerder niet van toepassing, omdat een dergelijk exclusief recht buitende reikwijdte van deze richtlijn valt. In artikel 1, tweede lid, van dedienstenrichtlijn is namelijk bepaald dat deze richtlijn geen betrekkingheeft op de liberalisering van diensten van algemeen economisch belangdie voorbehouden zijn aan openbare of particuliere entiteiten, noch opprivatisering van openbare dienstverrichtende activiteiten. Op grond vanartikel 1, derde lid, heeft de dienstenrichtlijn bovendien ook geenbetrekking op de afschaffing van dienstverrichtende monopolies en doetde richtlijn geen afbreuk aan de vrijheid van de lidstaten in overeen-stemming met het Gemeenschapsrecht vast te stellen wat zij als dienstenvan algemeen economisch belang beschouwen, hoe deze dienstenmoeten worden georganiseerd en aan welke bijzondere verplichtingen zijonderworpen zijn.Het aangewezen warmtebedrijf en de warmtetransportbeheerder zijnovereenkomstig het in dit wetsvoorstel neergelegde exclusieve rechtbelast met de uitvoering van diensten van algemeen economisch belangin overeenstemming met de beginselen van het gemeenschapsrecht (zieparagraaf 7.1.3). De daarmee samenhangende bepalingen in hetwetsvoorstel zijn rechtstreeks gerelateerd aan de definiëring van dediensten van algemeen economisch belang, de organisatie van dezediensten en de bijzondere verplichtingen die een aangewezen warmtebe-drijf en warmtetransportbeheerder worden opgelegd ter uitvoering vandeze diensten van algemeen economisch belang. Derhalve vallen dezebepalingen buiten de reikwijdte van de dienstenrichtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3152 Een aantal bepalingen in dit wetsvoorstel die niet rechtstreeks gerelateerdzijn aan de aan een aangewezen warmtebedrijf en warmtetransportbe-heerder opgelegde taken en verplichtingen ter uitvoering van de dienstenvan algemeen economisch belang, moet wel aan de dienstenrichtlijngetoetst worden. Op grond van artikel 15, tweede lid, zijn lidstatenverplicht te onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van eendienstenactiviteit afhankelijk wordt gesteld van niet-discriminerende eisenzoals territoriale beperkingen, eisen aangaande het aandeelhouderschapvan een onderneming en vaste maximumtarieven waaraan de dienstver-richter zich moet houden. In dit wetsvoorstel zijn dergelijke regelsopgenomen. Een warmtebedrijf of warmtetransportbeheerder wordt bijde uitoefening van zijn bedrijf beperkt tot een warmtekavel (artikel 2.5,eerste lid, en 2.7, eerste lid) of een in een aanwijzing bepaald gebied(artikel 5.1, eerste lid) en door de eisen aan het aandeelhouderschap vaneen aangewezen warmtebedrijf (artikel 2.2, eerste lid) en warmtetrans-portbeheerder (artikel 5.14, eerste lid). Ook de grondslag in ditwetsvoorstel voor tariefregulering met betrekking tot de meting van hetwarmteverbruik en de afleversets vallen binnen de reikwijdte van dedienstenrichtlijn. Deze tariefregulering is accessoir van karakter endefinieert, organiseert noch financiert als zodanig de dienst van algemeeneconomisch belang. Het doel van de tariefregulering is niet zozeer hetwaarborgen van de financiering van de dienst van algemeen economischbelang zelf, maar het beperken van de mogelijkheid voor warmtebedrijvenom door het verkregen monopolie te hoge tarieven bij de verbruikers inrekening te brengen. Dit type regulering valt daarom binnen het bereikvan de dienstenrichtlijn en niet onder de uitzonderingsgrond van artikel 1,tweede lid, van de dienstenrichtlijn. Getoetst moet worden of dezebepalingen voldoen aan de eisen van artikel 15, derde lid, van dedienstenrichtlijn; nagegaan zal worden of de eisen non-discriminatoir,noodzakelijk en evenredig zijn. Overeenkomstig artikel 15, zevende lid,van de dienstenrichtlijn is dit wetsvoorstel genotificeerd bij de EuropeseCommissie.Het wetsvoorstel bevat tevens een aantal vergunningstelsels als bedoeldin artikel 9 van de dienstenrichtlijn. Dit wetsvoorstel kent verschillendevoorschriften waaraan warmtebedrijven en warmtetransportbeheerderszich dienen te houden voordat zij deze diensten mogen verlenenwaardoor de uitoefening van en de toegang tot diensten gereguleerd zijn.Op grond van artikel 1.2, eerste lid, is het verboden zonder aanwijzing vaneen warmtebedrijf warmte te transporteren en te leveren (artikel 2.5 en2.7) en zonder aanwijzing van een warmtetransportbeheerder (artikel 5.1)warmte te transporteren. Warmtebedrijven kunnen voor kleine collectievewarmtesystemen een ontheffing van dit verbod aanvragen (artikel 3.1),alsook VvE’s en verhuurders (artikel 4.1 en 4.2). Op grond van artikel 9,eerste lid, van de dienstenrichtlijn zal getoetst moeten worden of devergunningstelsels en eisen over de toegang non-discriminatoir,noodzakelijk en evenredig zijn. Ook gelden op grond van artikel 10 van dedienstenrichtlijn regels die beletten dat bevoegde instanties hun beoorde-lingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.In de paragrafen 18.1.5 tot en met 18.1.7 zijn de hierboven genoemdebepalingen in dit wetsvoorstel getoetst aan de voorwaarden van artikel 9,eerste lid, 10, tweede lid, en 15, derde lid, van de dienstenrichtlijn.18.1.2. Richtlijn 2018/2001/EU ter bevordering van het gebruikvan energie uit hernieuwbare bronnen Het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat naast een warmtebedrijf meteen publiek meerderheidsbelang ook een warmtegemeenschap kanworden aangewezen, hangt rechtstreeks samen met de verplichtingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3153 neergelegd in artikel 22, eerste en tweede lid, van richtlijn 2018/2001/EU.Op grond van deze bepalingen is lidstaat Nederland verplicht omhernieuwbare energiegemeenschappen toegang te geven tot geschikteenergiemarkten, zowel rechtstreeks als door middel van aggregatie(artikel 22, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van richtlijn 2018/2001/EU).Deze verplichting wordt in dit wetsvoorstel nagekomen door te voorzienin de mogelijkheid dat een warmtegemeenschap kan worden aangewezenvoor een warmtekavel. Nu een harmonisatiemaatregel voorziet in eendergelijke verplichting, is een toetsing van de beperking van de aanwij-zingsmogelijkheid tot warmtegemeenschappen aan de vrijheid vanvestiging (artikel 49 VWEU) niet aan de orde.18.1.3. Dienst van algemeen economisch belang Europeesrechtelijk is de keuze voor een publiekrechtelijke aanwijzing vanhet warmtebedrijf en de warmtetransportbeheerder gerechtvaardigdvanwege het publieke belang dat met het transport en de levering vanwarmte door middel van een collectieve warmtevoorziening en hettransport met een warmtetransportnet gediend wordt. Het betreft hier eenDAEB als bedoeld in artikel 106, tweede lid, VWEU). Bij een DAEB gaat hetom economische activiteiten die een publiek belang dienen. Daarvan issprake bij onrendabele activiteiten of van activiteiten die de marktontoereikend naar (sociaal)-maatschappelijk verantwoorde voorwaardenkan uitvoeren. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsbevoegdheid ofer sprake is van een DAEB is. Zie in dit verband artikel 14 VWEU enartikel 1 van het Procotol nr. 26 betreffende Diensten van AlgemeenBelang en Arrest van het Hof HvJEU van 7 september 2016, zaak C-121/15,ANODE, overwegingen 40–44.De levering van warmte door middel van een collectieve warmtevoor-ziening aan verbruikers en het transport van warmte door middel van eenwarmtetransportnet dient het publiek belang, omdat zonder overheids-ingrijpen deze levering niet onder maatschappelijk aanvaardbarevoorwaarden zou plaatsvinden. Het betreft hier een DAEB, omdat ersprake is van marktfalen.Een collectieve warmtevoorziening heeft kenmerken van een natuurlijkmonopolie. Het is zeer onaannemelijk dat er in de praktijk effectievedisciplinerende concurrentiedruk uitgaat van toetreding door anderewarmtebedrijven of van substitutie naar andere warmte-infrastructurenen, in de gevallen waar dit zo is, dat de positieve effecten daarvanlangjarig bescherming bieden aan gebonden verbruikers. Zonderoverheidsingrijpen zouden collectieve warmtevoorzieningen in vrijwel allegevallen niet gerealiseerd worden. In gebieden met een grote aansluit-dichtheid of bij grote zakelijke klanten worden wellicht collectievewarmtevoorziening gerealiseerd zonder of met beperkt overheids-ingrijpen, maar in gebieden waar de aansluitdichtheid minder is of bijkleinverbruikers zal een collectieve warmte zonder substantieel overheids-ingrijpen niet van de grond komen. Ook zouden verbruikers en vooralkleinverbruikers niet voorzien worden van warmte tegen betaalbarecondities en voorwaarden. Voor de energietransitie is het met name nodigdat niet alleen nieuwbouw maar ook de bestaande bouw op warmteaangesloten zal worden. Warmtebedrijven zijn op dit moment niet altijdbereid bestaande bouw op warmte aan te sluiten terwijl dat in sommigewijken wel maatschappelijk de meest wenselijke keuze is. Deze systemenzijn duurder en minder aantrekkelijk voor warmtebedrijven om aan teleggen; de businesscase is veelal niet rond te krijgen en de winstmargeszijn beperkt. Dit wetsvoorstel beoogt de aansluiting van bestaande bouwop collectieve warmte te stimuleren. Door aantrekkelijk gebieden enminder aantrekkelijke gebieden met elkaar te combineren in een warmte-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3154 kavel zullen ook die wijken worden aangesloten op collectieve warmtewaar dat maatschappelijk de beste optie is en niet enkel de (delen van)wijken die de krenten in de pap zijn. Hiermee blijven de maatschappelijkekosten zo laag mogelijk en wordt «cherry-picking» voorkomen. Evenminzou zonder overheidsingrijpen voldoende prikkels zijn om deduurzaamheid en leveringszekerheid van de warmtelevering tegenmaatschappelijke voorwaarden te realiseren. Zonder overheidsingrijpenop de warmtemarkt zouden het doel uit de Klimaatwet waarbij deenergievoorziening van gebouwen in de gebouwde omgeving opbetaalbare wijze wordt verduurzaamd door middel van de in het Klimaat-akkoord voorgestelde wijkgerichte aanpak en met realisatiedatum 2050niet (tijdig) gerealiseerd worden.Ook een warmtetransportnet heeft kenmerken van een natuurlijkmonopolie. Zonder overheidsingrijpen zou een warmtetransportnet niettot stand komen of niet tegen maatschappelijke voorwaarden gerealiseerdworden. Een warmtetransportnet zou enkel gerealiseerd worden op basisvan grotendeels vooraf gecontracteerde vraag. Dit zou leiden tot deaanleg van een warmtetransportnet met een veel beperktere capaciteit enmogelijkheden om de voorziene groei van collectieve warmtevoorzie-ningen te faciliteren, met als gevolg dat de maatschappelijke potentie vande beschikbare duurzame warmte in de regio slechts ten dele benutwordt. Daarbij is ook de vraag onder welke voorwaarden een warmte-transportnet gerealiseerd zou worden zonder overheidsingrijpen. Het lijktdaarbij onaannemelijk dat er zonder overheidsingrijpen een warmtetrans-portnet met een onafhankelijke warmtetransportbeheerder tot stand zoukomen.18.1.4. Aanwijzing van een warmtebedrijf en warmtetransportbe-heerder Dat de levering van warmte door middel van een collectieve warmtevoor-ziening aan verbruikers en het transport door middel van een warmte-transportnet een DAEB is, betekent dat de Minister een aangewezenwarmtebedrijf en warmtetransportbeheerder kan belasten met hetuitvoeren van een taak in het publiek belang door middel van eentoewijzingsbesluit. Het staat de Minister vrij om de vorm van hettoewijzingsbesluit te bepalen mits het een publiekrechtelijk besluit is meteen dwingend juridisch karakter. Met een publiekrechtelijk aanwijzing is ersprake van een niet-contractuele toewijzing van taken in plaats van eentweezijdige overeenkomst tussen partijen. Hierdoor ontbreekt hetessentiële element voor de toepasselijkheid van de Europese aanbeste-dingsregels, namelijk de bezwarende titel en de voor een tweezijdigeovereenkomst noodzakelijke wederkerigheid (zie HvJEU 21 december2016, C-51/15, Remondis, overweging 43; HvJEU 28 mei 2020, C-796/18,Informatikgesellschaft overweging 40 en HvJ EU 18 juni 2020, C-328/19,Porin kaupunki, overweging 47). De aanbestedingsregels zijn vantoepassing als een overheidsinstantie besluit een dienstverrichting tegenbetaling te laten uitvoeren door een derde partij. In dit wetsvoorstel isechter geen sprake van een wederkerigheid bij de aanwijzing en daarmeeook niet van een overeenkomst of een overheidsopdracht. Een warmtebe-drijf dat is aangewezen krijgt in plaats daarvan eenzijdig taken enverplichtingen opgelegd na het doorlopen van de aanwijzingsprocedure.Het aangewezen warmtebedrijf kan opdrachten van het college of de ACMniet weigeren en het aangewezen warmtebedrijf kan ook de tarieven nietzelfstandig vaststellen. Het aangewezen warmtebedrijf kan niet onderhan-delen over de prestaties en voorwaarden. Ook de warmtetransportbe-heerder wordt belast met de uitvoering van taken, kan opdrachten van deACM niet weigeren en de tarieven niet zelfstandig vaststellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3155 18.1.5. Vergunningstelsels en exclusief recht van een warmtebe-drijf voor een warmtekavel en warmtetransportbeheerder vooreen gebied Nagegaan moet worden of de vergunningsstelsels die dit wetsvoorstelbevat en het geven van een exclusief recht aan een aangewezen warmte-bedrijf in een warmtekavel of warmtetransportbeheerder in een bij deaanwijzing bepaald gebied is toegestaan in het licht van het Verdragbetreffende de werking van de Europese Unie in het bijzonder in het lichtvan 106, eerste lid, VWEU (verbod op met het VWEU strijdige bijzondereof exclusieve rechten).Artikel 106, eerste lid, VWEU bepaalt dat lidstaten met betrekking tot deopenbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere ofuitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen welke instrijd is met de regels van de Verdragen, met name die bedoeld in deartikelen 18 en 101 tot en met 109.Artikel 56 VWEU verbiedt beperkingen van het vrij verkeer van diensten.Het exclusief recht voor aangewezen warmtebedrijven en warmtetrans-portbeheerders moet, overeenkomstig de «rule of reason» (zie het arrestvan 23 november 1999, Arblade, gevoegde zaken C-369/96 en C-376/96,punt 33–36, voor de toepassing van deze uitzondering bij het vrij verkeervan diensten) en artikel 106, tweede lid, VWEU (DAEB) gerechtvaardigdworden door een dwingende reden van algemeen belang. Deze inbreukop het Europees recht mag bovendien niet verder gaan dan noodzakelijkom dit algemeen belang te waarborgen en het verrichten van deopgelegde taak te verzekeren. In dit kader is het relevant op te merken dataan de lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt om tebeslissen wat een dienst van algemeen economisch belang is, hoe dezemoet worden georganiseerd en gefinancierd en aan welke bijzondereverplichtingen deze dienst onderworpen is. Zie in dit verband artikel 14VWEU en artikel 1 van het Procotol nr. 26 betreffende Diensten vanAlgemeen Belang en Arrest van het Hof HvJEU van 7 september 2016,zaak C-121/15, ANODE, overwegingen 40–44.Ook wordt nagegaan of de vergunningsstelsels die dit wetsvoorstel bevaten het geven van een exclusief recht aan een aangewezen warmtebedrijfin een warmtekavel of warmtetransportbeheerder in een bij de aanwijzingbepaald gebied is toegestaan in het licht van artikel 9, eerste lid, en 15,derde lid, van de dienstenrichtlijn. Artikel 15, derde lid, van de diensten-richtlijn schrijft voor dat getoetst wordt of een territoriale beperking (zoalsde beperking van de activiteiten van een warmtebedrijf tot een warmte-kavel of van een warmtetransportbeheerder tot een bij de aanwijzingbepaald gebied) noodzakelijk, niet-discriminerend en evenredig is. Geletop artikel 9, eerste lid, van de dienstenrichtlijn zal eenzelfde toetsuitgevoerd worden voor de vergunningsstelsels die dit wetsvoorstelbevat.Noodzakelijkheid en discriminatieverbodHet vereiste van een aanwijzing en het neerleggen van een exclusief rechtbij een aangewezen warmtebedrijf voor een warmtekavel waardoor ditwarmtebedrijf bij de uitoefening van zijn bedrijf wordt beperkt tot dewarmtekavel zijn noodzakelijk vanuit het oogpunt van leveringszekerheidvoor de verbruiker en ter bevordering van de duurzaamheid van degeleverde warmte en daarmee ter bescherming van het milieu en klimaat.Leveringszekerheid is een van de door het Hof van Justitie erkendedwingende redenen van algemeen belang (zie arrest van 10 juli 1984,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3156 Campus Oil, punt 35). Ook de bescherming van het milieu en het klimaatzijn erkende dwingende redenen van algemeen belang.De technisch-economische kenmerken van een collectieve warmtevoor-ziening (zie hoofdstuk 1) zijn zodanig dat een integrale aansturing van deketen noodzakelijk is om leveringszekerheid, duurzaamheid en betaal-baarheid te borgen. Het samenspel tussen locatie van de warmtebron,temperatuur en andere technische kenmerken van de warmtebron,dimensionering van het warmtenet en de configuratie aan de zijde van deverbruiker vragen om één integrale afweging. Gelet hierop kan alleen eenintegraal warmtebedrijf voor een warmtekavel worden aangewezen. Daarkomt bij dat een collectieve warmtevoorziening kenmerken heeft van eennatuurlijk monopolie: duplicatie van de infrastructuur is niet (zinvol)mogelijk. Bovendien zijn de benodigde duurzame warmtebronnenschaars. Door het vereisen van een aanwijzing en het neerleggen van eenexclusief recht bij het aangewezen warmtebedrijf voor een bepaald gebied(de warmtekavel) waardoor het warmtebedrijf bij de uitoefening van zijnbedrijf wordt beperkt tot de warmtekavel wordt mogelijk gemaakt dat derealisatie van de benodigde infrastructuur en de inzet van de schaarsewarmtebronnen binnen de warmtekavel zo optimaal mogelijk gebeurt. Opdeze wijze wordt de warmtetransitie maximaal gefaciliteerd en worden depublieke belangen betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid hetbeste geborgd.Het vereisen van een aanwijzing en het neerleggen van een exclusief rechtbij een warmtetransportbeheerder voor een bij de aanwijzing bepaaldgebied waardoor de warmtetransportbeheerder bij de uitoefening van zijnbedrijf wordt beperkt tot dit gebied, is noodzakelijk vanuit het oogpuntvan betrouwbaarheid van het transport van warmte door middel van eenwarmtetransportnet en draagt tevens bij aan de duurzaamheid van degeleverde warmte door beschikbaarheid van duurzame warmtebronnenvoor de regio te faciliteren en daarmee ter bescherming van het klimaat.De regulering van warmtetransportnetten is erop gericht om in bepaaldeuitzonderlijke situaties, waar er in een regio meerdere grootschaligeduurzame (rest)warmtebronnen beschikbaar zijn, te borgen dat dezewarmte in de regio maximaal bijdraagt aan de betaalbaarheid,duurzaamheid en leveringszekerheid van de warmtevoorziening. Om ditmogelijk te maken is goede coördinatie nodig en moet de systeemverant-woordelijkheid van het warmtetransportnet helder zijn belegd. Hetvereisen van een aanwijzing en het neerleggen van een exclusief recht bijeen warmtetransportbeheerder voor een bepaald gebied is dan ook eennoodzakelijke voorwaarde om deze coördinatie en systeemverantwoorde-lijkheid op een goede manier in te kunnen vullen. Daarbij geldt datalhoewel leveringszekerheid en verduurzaming niet primair tot deverantwoordelijkheid van de warmtetransportbeheerder horen, eenefficiënt beheer van het warmtetransportnet wel bijdraagt aan derealisatie van deze publieke belangen.Kortom, door het vereisen van een aanwijzing en een exclusief recht neerte leggen bij het aangewezen warmtebedrijf voor een warmtekavel en eenwarmtetransportbeheerder voor een bij de aanwijzing bepaald gebiedwaardoor deze bedrijven worden beperkt bij de uitoefening van hunbedrijf, kan de levering of transport van warmte zo ongestoord mogelijkplaatsvinden en wordt de leveringszekerheid en bescherming van hetmilieu en het klimaat zo optimaal mogelijk gefaciliteerd. Deze regelsgelden voor alle soorten warmtebedrijven en ondernemingen dieaangewezen willen worden voor een warmtekavel of als warmtetransport-beheerder; er wordt geen direct of indirect onderscheid gemaakt naarnationaliteit of de plaats van de statutaire zetel. Van overtreding van hetdiscriminatieverbod is derhalve geen sprake.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3157 ProportionaliteitDe proportionaliteit van het vereiste van een aanwijzing en het neerleggenvan het exclusieve recht bij een aangewezen warmtebedrijf en eenwarmtetransportbeheerder waardoor deze bedrijven worden beperkt bijde uitoefening van hun bedrijf volgt uit het hierboven benoemde. Zonderhet vereiste van een aanwijzing en het neerleggen van een wettelijkexclusief recht bij een aangewezen warmtebedrijf voor een warmtekavelof warmtetransportbeheerder voor een bij de aanwijzing bepaald gebiedzullen de benodigde doelstellingen van dit wetsvoorstel niet wordenbehaald. Bij afwezigheid van het vereiste van een aanwijzing en hetexclusieve recht als dienst van algemeen economisch belang zou eenaangewezen warmtebedrijf en een warmtetransportbeheerder hunopgelegde taken niet goed kunnen verrichten. De realisatie van eenbetaalbaar, betrouwbaar en duurzaam collectief warmtesysteem en derealisatie van de warmtetransitie zou daardoor significant wordenbemoeilijkt.Alles afwegende komt de Minister dan ook tot de conclusie dat hetvereiste van een aanwijzing en het neerleggen van een exclusief recht bijeen aangewezen warmtebedrijf voor een warmtekavel of warmtetrans-portbeheerder voor een bij de aanwijzing bepaald gebied waardoor dezebedrijven worden beperkt bij de uitoefening van hun bedrijf, de meestevenredige maatregelen zijn die het uitvoeren van de taken door eenaangewezen warmtebedrijf of warmtetransportbeheerder mogelijk maakt.Overige vereistenDe aanwijzingsprocedures en ontheffingsprocedures in dit wetsvoorstelvoldoen aan de vereisten van artikel 10 van de dienstenrichtlijn. De criteriawaaraan een aanvraag getoetst zal worden zijn in het wetsvoorstelopgenomen en zijn duidelijk, objectief en vooraf bekendgemaakt. Deaanwijzings- en ontheffingsprocedure zijn transparant en toegankelijk. Hetstaat in principe het elk warmtebedrijf dat aan de voorwaarden vanartikel 2.3 voldoet vrij een aanwijzing voor een warmtekavel of eenontheffing voor een klein collectief warmtesysteem in te dienen. Hetzelfdegeldt voor een onderneming die aangewezen wil worden een warmte-transportbeheerder.18.1.6. Aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang en een publieke warmtetransportbeheerder Hieronder wordt nagegaan of de regel dat alleen een warmtebedrijf meteen publiek meerderheidsbelang aangewezen kan worden voor eennieuwe warmtekavel (artikel 2.2, eerste lid) en alleen een warmtetrans-portbeheerder kan worden aangewezen waarvan alle aandelen in publiekehanden zijn (artikel 5.14, eerste lid) is toegestaan in het licht van hetVWEU, in het bijzonder in het licht van 106, eerste lid, VWEU (verbod opmet het VWEU strijdige bijzondere of exclusieve rechten) en het vrijverkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU) en de vrijheid van vestiging(artikel 49 VWEU). Het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid vanvestiging zijn namelijk beide relevant voor maatregelen van een lidstaatdie van invloed kunnen zijn ten aanzien van grensoverschrijdendeinvesteringen (zie in deze zin arrest HvJEU van 26 maart 2009, Commissie/Italië, zaak C-326/07, overweging 36).Artikel 106 VWEU, eerste lid, bepaalt dat lidstaten met betrekking tot deopenbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere ofuitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen welke instrijd is met de regels van de Verdragen, met name die bedoeld zijn in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3158 artikelen 18 en 101 tot en met 109 VWEU. Artikel 63 VWEU verbiedtbeperkingen van het vrij verkeer van kapitaal. Artikel 49 VWEU verbiedtbeperkingen in de vrijheid van vestiging. Dat alleen een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang en een volledig publieke warmte-transportbeheerder kan worden aangewezen is een belemmering van devrijheid van vestiging en het vrij verkeer van kapitaal, omdat eeninvesteerder uit een andere lidstaat niet in staat is om de zeggenschapover aangewezen warmtebedrijf of warmtetransportbeheerder teverwerven. Een dergelijke belemmering moet ingevolge de jurisprudentievan het Hof van Justitie worden gerechtvaardigd (zie arrest HvJEU van22 oktober 2013, Essent e.a., gevoegde zaken C-105/12 tot en metC-107/12, overwegingen 37 en 38, 42 en 48 en arrest HvJEU van17 september 2009, zaak C-182/08, Glaxo Wellcome, overweging 47; arrestHvJEU van 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap GroupLitigation, zaak C-524/04, overweging 27). Bij de rechtvaardiging van hetpubliek meerderheidsbelang van warmtebedrijven of het volledigepublieke belang in warmtetransportbeheerders dient rekening te wordengehouden met het onderliggende belang dat met het vereiste ten aanzienvan het publiek (meerderheids-)belang wordt gediend. Dit onderliggendebelang kan derhalve kwalificeren als dwingende reden van algemeenbelang. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden dat een dergelijk(absoluut) vereiste van een publiek meerderheidsbelang in aangewezenwarmtebedrijven of een volledig publiek belang in warmtetransportbe-heerders anders is dan de meeste vereisten die een belemmering van hetvrij verkeer vormen. Daarbij kan worden gedacht aan gouden aandelen,bijzondere zeggenschapsrechten van de overheid of zeggenschap eninvloed van de overheid die in geen verhouding staat tot de ingebrachtefinanciële inbreng (zie arrest HvJEU van 22 oktober 2013, Essent e.a.,gevoegde zaken C-105/12 tot en met C-107/12, overwegingen 52–55).Ook wordt nagegaan of voldaan is aan artikel 15, derde lid, van dedienstenrichtlijn. Daarin is voorgeschreven dat getoetst wordt of de eisenaan het aandeelhouderschap van een aangewezen warmtebedrijf enwarmtetransportbeheerder noodzakelijk, niet-discriminerend en evenredigzijn.Noodzakelijkheid en discriminatieverbodDe voorwaarde dat alleen een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang aangewezen kan worden voor een warmtekavel versterkt depublieke regie op de warmtetransitie en borgt de publieke belangen beter,in het bijzonder de bescherming van de verbruiker, het beschermen vande leveringszekerheid en de bescherming van het milieu en klimaat. Eenpublieke aandeelhouder is in staat te handelen in het publiek belang bijhet nemen van beslissingen over de ontwikkeling van collectieve warmtehetgeen de leveringszekerheid en betaalbaarheid ten goede zal komen.Verwezen wordt naar de onderbouwing van het publiek meerderheids-belang in paragraaf 1.2, onder c.De regels voor publiek meerderheidsbelang gelden niet voor kleinecollectieve warmtesystemen, omdat deze warmte leveren aan een beperktaantal verbruikers. Daarmee is het aantal verbruikers dat volledigafhankelijk is van een dergelijk systeem beperkt en is deze warmte-infrastructuur niet van vitaal belang. Een verplicht publiek meerderheids-belang is voor deze categorie van warmtesystemen daarmee nietnoodzakelijk.Voor warmtegemeenschappen geldt een uitzondering op het vereiste vanpubliek meerderheidsbelang, omdat een dergelijke eis zou betekenen dateen warmtegemeenschap geen aangewezen warmtebedrijf kan zijn. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3159 staat op gespannen voet met richtlijn 2018/2001/EU die warmtegemeen-schappen het recht om zelf geproduceerde warmte te delen, te verbruiken,op te slaan en te verkopen en daarmee als warmtebedrijf actief te zijn (zieparagraaf 18.1.2). Daarbij kan worden opgemerkt dat een warmtegemeen-schap op een aantal belangrijke punten afwijkt van een privaat warmtebe-drijf. Zo is een warmtegemeenschap niet gericht op het maken van winst,gelden er strikte regels voor het lidmaatschap (lidmaatschap is open envrijwillig en leden hebben het recht de gemeenschap te verlaten) enmoeten de leden in nabije omgeving van de collectieve warmtevoor-ziening zijn gevestigd.Voor een warmtetransportbeheerder geldt de regel dat alle aandelendaarin direct of indirect in publieke handen moeten zijn. Hiervoor isgekozen om vergelijkbare redenen als bij de keuze voor het publiekmeerderheidsbelang van aangewezen warmtebedrijven. Een warmte-transportbeheerder waarvan de aandelen in handen zijn van een publiekepartij versterkt de publieke regie op de warmtetransitie en borgt depublieke belangen beter, in het bijzonder de bescherming van de afnemer,het beschermen van de betrouwbaarheid van het transport van warmte ende bescherming van het milieu. Een publieke aandeelhouder is in staat tehandelen in het publiek belang bij het nemen van beslissingen over deontwikkeling van warmtetransportnetten. Ook hier zal de overheid alsaandeelhouder snel en tijdig kunnen inspelen op de mogelijke verande-ringen in de ontwikkeling van warmtetransportnetten en het publiekbelang vooropstellen. De voorwaarde is ook noodzakelijk gelet op hetvitale karakter van warmtetransportnetten voor de regionale warmtevoor-ziening. Publieke zeggenschap over de warmtetransportbeheerder sluittevens aan bij het Nederlandse beleid ten aanzien van andere vitaleinfrastructuren zoals gas, elektriciteit, drinkwater (en spoor). Ook is de eisvan volledig publiek eigendom van de warmtetransportbeheerdernoodzakelijk, omdat op die manier investeringen met een lange looptijden aanzienlijke risico’s makkelijker doorgang zullen vinden.Deze regels gelden voor alle warmtebedrijven en warmtetransportbe-heerders; er wordt geen direct of indirect onderscheid gemaakt naarnationaliteit of de plaats van de statutaire zetel. Van overtreding van hetdiscriminatieverbod is derhalve geen sprake.ProportionaliteitZonder het stellen van eisen aan het aandeelhouderschap van eenwarmtebedrijf en warmtetransportbeheerder, zullen de doelstellingen vanhet wetsvoorstel zoals in paragraaf 1.2, onder c, toegelicht niet wordenbehaald. Zonder een publiek meerderheidsbelang in een warmtebedrijf ofzonder een volledig publieke warmtransportbeheerder heeft een publiekepartij bijvoorbeeld geen doorslaggevende, respectievelijk volledigezeggenschap over het beleid van de onderneming en specifiek de vitalewarmte-infrastructuur en worden de publieke belangen onvoldoendegeborgd.Uit paragraaf 15.4 volgt dat in het wetsvoorstel voor warmtebedrijven dieaangewezen kunnen worden voor een warmtekavel niet de meestverregaande vorm van publieke zeggenschap voorgesteld is. Niet isvoorgesteld dat alleen volledig publieke warmtebedrijven of een warmtejoint-venture bestaande uit een volledig publiek warmtenetbedrijf en eenpubliek of privaat warmteleveringsbedrijf aangewezen kunnen wordenvoor een warmtekavel. Private warmtebedrijven kunnen als minderheids-aandeelhouders deelnemen aan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang. Ook kunnen private warmtebedrijven actief zijn alswarmteleveringsbedrijf of minderheidsaandeelhouder in een warmtenet-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3160 bedrijf in een warmte joint-venture. Private warmtebedrijven kunnenkortom nog steeds actief zijn op de warmtemarkt na inwerkingtreding vandit wetsvoorstel. In de paragrafen 15.4 en 15.5 is tevens toegelicht dat metminder vergaande alternatieven de doelstellingen van dit wetsvoorstelniet gerealiseerd kunnen worden. Zo zullen de publieke belangenonvoldoende geborgd worden door alleen de regulering van hetwetsvoorstel.Gelet op het bovenstaande is de eis van een publiek meerderheidsbelangin aangewezen warmtebedrijven proportioneel. Het vereiste van eenpubliek meerderheidsbelang is daarmee de meest evenredige maatregeldie de publieke belangen borgt.Voor de warmtetransportbeheerder is, anders dan bij collectieve warmte-voorzieningen, wel de meest verregaande vorm van publieke zeggen-schap voorgesteld. Binnen de context is volledig publiek eigendom van dewarmtetransportbeheerder proportioneel. Een belangrijke overweginghierbij is dat daarmee wordt aangesloten bij het model van volledigonafhankelijk publiek netbeheer, zoals dat geldt voor gas en elektriciteit.Ook bij gas en elektriciteit (alsook drinkwater en spoor) wordt voorge-schreven dat de aandelen volledig publiek eigendom moeten zijn. Verderzijn er anders dan bij warmtebedrijven, geen bestaande private warmte-transportbeheerders. Zoals toegelicht in paragraf 15.4, onder c, is vooraangewezen warmtebedrijven niet gekozen voor volledig publiekewarmtebedrijven, met het oog op bestaande private warmtebedrijven.Mede omdat deze afweging bij warmtetransport geen rol speelt isvoorgesteld warmtetransportbeheerders volledig publiek te laten zijn.Gelet op het beoogde doel is de maatregel hiermee proportioneel en demeest evenredige maatregel die de publieke belangen borgt.18.1.7. Tariefregulering afleversets en meting van warmtever-bruik In dit wetsvoorstel is voorgesteld de ACM de bevoegdheid te gevenmaximale tarieven vast te stellen voor het beschikbaar stellen vanafleversets en de meting van warmteverbruik (artikel 7.1, eerste en tweedelid, 7.2, eerste lid, 7.15, eerste en tweede lid, 7.16, eerste lid). Ingevolgeartikel 15, derde lid, van de dienstenrichtlijn kan een dergelijke vorm vantariefregulering voor dienstverlening alleen worden toegestaan als zedoor een dwingende reden van algemeen belang zijn gerechtvaardigd endat het nagestreefde doel niet met andere minder beperkende maatre-gelen kan worden bereikt. Aan deze eisen wordt voldaan.Wat betreft de meting van warmteverbruik en het beschikbaar stellen vanafleversets brengt de aard van de dienst mee dat de verbruiker beschermddient te worden tegen te hoge tarieven of forse tariefstijgingen. Deverbruiker moet weten waar deze aan toe is. De verbruiker is in belang-rijke mate afhankelijk van zijn warmtebedrijf voor het verkrijgen van eenafleverset en meter en kan niet naar iemand anders dan zijn warmtebedrijfvoor een afleverset of meter. Zonder regulering van de tarieven kan aanverbruikers deze bescherming niet worden geboden. Juist door hetreguleren van de tarieven wordt gewaarborgd dat het neerleggen van hetmonopolie bij het warmtebedrijf een proportionele maatregel is die geenonnodige lasten bij de afnemer van de meetdiensten neerlegt. Zonder devoorgestelde regulering van de tarieven kunnen deze doelstellingen nietworden verwezenlijkt. In lijn met artikel 15, vierde lid, van de diensten-richtlijn is ook deze vorm van regulering gerechtvaardigd en proporti-oneel, omdat deze onlosmakelijk verbonden is aan de effectieve tenuit-voerlegging van de dienst van algemeen economisch belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3161 Deze regels gelden voor alle warmtebedrijven; er wordt geen direct ofindirect onderscheid gemaakt naar nationaliteit of de plaats van destatutaire zetel. Van overtreding van het discriminatieverbod is derhalvegeen sprake.18.2. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van deMens en de fundamentele Vrijheden 18.2.1. Artikel 1 EP EVRM Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot beschermingvan de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (hierna:artikel 1 EP EVRM) beschermt het recht op eigendom. De bescherming diedeze bepaling biedt komt overeen met de bescherming van artikel 17 vanhet Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Bovendienvolgt uit artikel 52, derde lid, van het Handvest dat voor zover rechten inhet Handvest corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door hetEVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die door het EVRMworden toegekend. Hierna wordt gemakshalve enkel nog over artikel 1 EPEVRM gesproken. Artikel 1 EP EVRM luidt: «iedere natuurlijke of rechts-persoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aanniemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeenbelang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemenebeginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tastenechter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om diewetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik vaneigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang ofom de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten teverzekeren.»Op grond van dit wetsvoorstel kan het college een warmtekavelvaststellen en een warmtebedrijf voor dat warmtekavel aanwijzen. Hetaangewezen warmtebedrijf heeft gedurende de looptijd van de aanwijzinghet alleenrecht om binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoor-ziening te exploiteren. Het aan te wijzen warmtebedrijf moet aan devereisten van artikel 2.3 van dit wetsvoorstel voldoen, wat kort gezegdinhoudt dat sprake moet zijn van een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang. Met de in dit wetsvoorstel opgenomen verplichtingom na wijziging, intrekking of het vervallen van de aanwijzing door afloopvan de overgangstermijn de eigendom van het warmtenet over te dragenaan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf is sprake vaninmenging in het eigendomsrecht van de warmtebedrijven.Is er geen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangbeschikbaar, dan kan tijdens een ingroeiperiode van zeven jaar nainwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook een ander warmtebedrijfworden aangewezen. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in eenovergangsregeling op grond waarvan bestaande warmtebedrijven – metof zonder publiek meerderheidsbelang – bij de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel voor een periode van 14 tot 30 jaar worden aangewezen alswarmtebedrijf voor de warmtekavel waarbinnen zij een collectievewarmtevoorziening exploiteren. De voorwaarde van het publiekemeerderheidsbelang zal pas gelden na afloop van die aanwijzingkrachtens overgangsrecht.Warmtebedrijven zonder publiek meerderheidsbelang worden in ditwetsvoorstel niet gedwongen om hun aandelen over te dragen omzodoende alsnog een publiek meerderheidsbelang te realiseren. Devoorwaarde van publiek meerderheidsbelang in dit wetsvoorstel betreftdaarom zelf geen inmenging in het eigendomsrecht van de warmtebe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3162 drijven. Hoewel mogelijk het zicht op toekomstige inkomsten uit deexploitatie van warmtenetten voor warmtebedrijven zonder publiekmeerderheidsbelang wordt beperkt, vormen toekomstige inkomsten inbeginsel geen eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM.Het is aan de eigenaren van de warmtebedrijven zelf om te bepalen hoe zijna de overgangsperiode verder willen met hun warmtebedrijf. Eenwarmtebedrijf zonder publiek meerderheidsbelang is na de overgangspe-riode niet geheel uitgesloten van toekomstige inkomsten. Het vereiste vaneen publiek meerderheidsbelang geldt namelijk niet voor alle transport enlevering van warmte. Een privaat warmtebedrijf kan namelijk met eenontheffing warmte blijven leveren aan kleine collectieve warmtesystemenzoals volgt uit artikel 3.1 van dit wetsvoorstel. Uit artikel 2.3, eerste lid,volgt bovendien dat private warmtebedrijven als minderheidsaandeel-houders kunnen deelnemen aan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang. Ook kunnen private warmtebedrijven actief zijn alswarmteleveringsbedrijf of minderheidsaandeelhouder in een warmtenet-bedrijf in een warmte joint-venture. Verder kunnen private partijen actiefblijven als warmteproducent en kunnen zij op grond van artikel 2.12, vijfdelid, werkzaamheden uitvoeren voor een door de gemeente aan te wijzenwarmtebedrijf. De keuze is aan het warmtebedrijf of het zijn werkzaam-heden na de overgangsperiode als privaat warmtebedrijf of als warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang zou willen voortzetten ofeventueel zelfs zijn werkzaamheden wil staken.Ten aanzien van bestaande collectieve warmtevoorzieningen heeft dekeuze om niet als warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangverder te gaan tot gevolg dat na de overgangsperiode c.q. aanwijzingspe-riode de verplichting ontstaat voor het desbetreffende warmtebedrijf omde eigendom van het warmtenet van de collectieve warmtevoorzieningover te dragen aan het nieuw aangewezen warmtebedrijf. Of daarbijsprake is van ontneming of regulering van eigendom van het warmtebe-drijf in de zin van artikel 1 EP EVRM hangt af van de omstandigheden vanhet geval en zal niet voor elk warmtebedrijf gelijk zijn. Niet alle warmtebe-drijven beschikken bijvoorbeeld over de eigendom van het warmtenet datzij exploiteren. Ook kan sprake zijn van een situatie, bijvoorbeeld in eenconcessie, waarin het exploitatierecht van het desbetreffende warmtenetop voorhand in tijd is beperkt dan wel reeds de afspraak is gemaakt dat naverloop van tijd de eigendom van het warmtenet moet worden overge-dragen. Hierdoor is in algemene zin niet op voorhand te bepalen of deregeling in het wetsvoorstel tot regulering of ontneming van eigendomleidt in een specifiek geval. Mede om te borgen dat in alle gevallen sprakeis van een fair balance is besloten om zowel te voorzien in een vergoedingbij overdracht van de eigendom van het warmtenet als in een langeovergangsperiode.18.2.2. Voorwaarden aan inmenging in het eigendomsrecht In deze paragraaf wordt besproken waarom de in dit wetsvoorstelgeïntroduceerde verplichting om de eigendom van een warmtenet over tedragen na het vervallen van de aanwijzing, al dan niet door wijziging,intrekking of afloop van de overgangsperiode, een geoorloofdeinmenging betreft op het eigendomsrecht. Hiertoe worden allevoorwaarden die artikel 1 EP EVRM stelt aan de inmenging in heteigendomsrecht nagelopen en wordt geconcludeerd dat dit wetsvoorstelaan deze voorwaarden voldoet. In het bijzonder wordt uitgebreidstilgestaan bij de vraag of de compensatie die dit wetsvoorstel biedt voorde inmenging in het eigendomsrecht toereikend is en waarom dit hetgeval is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3163 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Fundamentelevrijheden (EHRM) erkent dat een Staat ter borging van het algemeenbelang mag ingrijpen in het eigendomsrecht en deze aan beperkingenmag onderwerpen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Eeninbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd als deze aan delegaliteitstoets, de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets («fairbalance») voldoet.Inmenging in het eigendomsrecht kan bestaan uit regulering ofontneming van eigendom. Regulering van eigendom is aan de orde indiende gebruiksmogelijkheden van het eigendom worden beperkt, zonder dathet beschikkingsrecht over het eigendom (geheel) verloren gaat.Ontneming is aan de orde als sprake is van verlies van eigendom dan weldat de beschikking over het eigendom verloren gaat. Het onderscheidtussen ontneming en regulering is niet beslissend voor de vraag of deinbreuk op artikel 1 EP EVRM (on)rechtmatig is, maar is vooral van belangvoor de mate waarin de partij op wiens eigendom inbreuk wordt gemaaktdient te worden gecompenseerd.De toets van legaliteit brengt met zich mee dat de inmenging in heteigendomsrecht voorzien moet zijn bij wet. Daarnaast dient de wettelijkeregeling precies, toegankelijk en voorzienbaar te zijn. Aan dezevoorwaarde wordt voldaan doordat de verplichting tot overdracht van hetwarmtenet na de aanwijzingsperiode of intrekking of wijziging van deaanwijzing in dit wetsvoorstel is opgenomen. Daarmee is de wettelijkebasis gegeven. Daarnaast is deze wettelijke basis voldoende toegankelijk,precies en voorzienbaar doordat de artikelen van dit wetsvoorstel duidelijken precies omschrijven wanneer een warmtebedrijf het warmtenet, dat(deels) zijn eigendom is, moet overdragen en welke vergoeding hierte-genover staat. Bovendien zal dit wetsvoorstel op de gebruikelijke wijzebekend worden gemaakt.De legitimiteitstoets houdt in dat de inmenging enkel mag plaatsvinden inovereenstemming met het algemeen belang en dat deze een legitiem doeldient. Ook hieraan wordt voldaan. Dit wetsvoorstel beoogt de warmtetran-sitie te versterken met het oog op noodzakelijke positieve klimaateffecten.De verplichting om de eigendom van een warmtenet over te dragen na deaanwijzingsperiode aan het warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang vervult hierin een belangrijke rol. Voor een nadere omschrijvingvan de belangen die met de keuze voor een publiek meerderheidsbelangin warmtebedrijven die worden aangewezen voor een warmtekavelworden nagestreefd, wordt verwezen naar paragraaf 1.2, onder c, vandeze toelichting. Het EHRM laat de lidstaten een ruime beoordelings-marge bij het vaststellen van wat als een legitieme doelstelling in hetkader van het algemeen belang kan gelden. De met dit wetsvoorstelbeoogde borging van de leveringszekerheid van warmte betreft eendwingende reden van algemeen belang, namelijk het veiligstellen van delevering van warmte aan burgers en bedrijven die volledig afhankelijk zijnvan één partij voor de levering van warmte om met name hun huizen ofbedrijven te verwarmen. Naast het (toenemende) vitale karakter vancollectieve warmtewarmtevoorzieningen vormen ook de wenselijkheid totversterking van de publieke regie op de warmtetransitie en de hogevoorziene mate van regulering van de warmtemarkt een rechtvaardigingom voor te schrijven dat een meerderheidsbelang van een warmtebedrijfin handen dient te zijn van één of meerdere publieke partijen (zieparagraaf 1.2, onder c). Bovendien zijn er geen andere minder ingrijpendemaatregelen mogelijk om ditzelfde doel te bereiken, zoals uit paragraaf15.4 van deze toelichting blijkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3164 De evenredigheidstoets vraagt tot slot om een beoordeling of met ditwetsvoorstel sprake is van een rechtvaardig en evenwichtig resultaat,oftewel «fair balance», tussen het algemeen belang en de belangen vanhet individu dat wordt geraakt door de inmenging in het eigendomsrecht,in casu de warmtebedrijven.18.2.3. Fair balance Bij de beoordeling of sprake is van een «fair balance» dienen verschil-lende aspecten in ogenschouw te worden genomen, in het licht van demet dit wetsvoorstel te dienen belangen. Die belangen zijn, als eerdergenoemd gelegen in de regiefunctie van de overheid bij de warmtetran-sitie en het publieke belang bij de exploitatie van collectieve warmtevoor-zieningen. Die belangen vergen dat collectieve warmtevoorzieningen(zullen) worden geëxploiteerd door warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang. In paragraaf 1.2, onder c, is de keuze voor hetpubliek meerderheidsbelang onderbouwd.Daar staat tegenover het belang van het warmtebedrijf bij ongestoordgenot van zijn eigendom, inhoudende zowel de voortzetting van debedrijfsvoering als de exploitatie van zijn warmtenet(ten). Ter afwegingvan deze belangen is allereerst van belang dat in het wetsvoorstel niet demeest verregaande vorm van publieke zeggenschap is voorgesteld en nietis gekozen voor de meest ingrijpende maatregel. Niet is voorgesteld datalleen volledig publieke warmtebedrijven of een warmte joint-venturebestaande uit een volledig publiek warmtenetbedrijf en een publiek ofprivaat warmteleveringsbedrijf aangewezen kunnen worden voor eenwarmtekavel. Private warmtebedrijven kunnen nog steeds actief zijn op dewarmtemarkt na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zoals in dezeparagraaf is toegelicht. De inmenging in het eigendomsrecht gaatderhalve niet zo ver dat er geen exploitatiemogelijkheden meer voorprivate warmtebedrijven zijn na afloop van de overgangsperiode.Bovendien zijn er geen andere minder ingrijpende maatregelen mogelijkom de doelstellingen van dit wetsvoorstel te bereiken, zoals uit deparagrafen 15.4 en 15.5 van deze toelichting blijkt. In deze paragrafen istoegelicht dat met minder vergaande alternatieven de doelstellingen vandit wetsvoorstel niet gerealiseerd kunnen worden. Zo zullen de publiekebelangen onvoldoende geborgd worden door alleen de regulering van hetwetsvoorstel. De maatregel is daarmee proportioneel en dit draagteveneens bij aan de evenredigheid van de maatregel.Bovendien is in het kader van de belangafweging gekozen voor zowelvoor een lange overgangsperiode als voor een tegenprestatie om de fairbalance te borgen. Dit wetsvoorstel stelt een zeer ruime overgangsperiodevan ten minste 14 jaar tot zelfs 30 jaar voor waarin de eigenaren van dezewarmtebedrijven investeringen in hun warmtenet(ten) kunnen terugver-dienen en die hen in staat stelt om te bepalen hoe ze als warmtebedrijfverder willen. In aanvulling op deze overgangsperiode ontvangenwarmtebedrijven ook een tegenprestatie voor het verplicht over te dragenwarmtenet. Deze tegenprestatie betreft de vergoeding van de markt-waarde van het warmtenet, waarmee dus sprake is van schadeloosstellingzoals bij ontneming van eigendom aan de orde is. Deze vergoeding vande marktwaarde van het warmtenet zorgt er (mede) voor dat sprake is vaneen fair balance. Bovendien is van belang dat zij ook na een verplichteoverdracht van een warmtenet nog steeds inkomsten kunnen genereren.De inmenging in het eigendomsrecht is derhalve niet zodanig dat voor hetwarmtebedrijf geen enkele reële exploitatiemogelijkheid overblijft en hetwarmtebedrijf derhalve enkel de keuze heeft tussen sluiten (na overdrachtvan het warmtenet(ten)) dan wel een aandelenoverdracht om alswarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang te kunnen doorgaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3165 Bovendien zorgt de lange overgangstermijn ervoor dat er geen sprake kanzijn van overige schade die nog vergoed moet worden mocht in uitzonder-lijke situaties toch sprake zijn van ontneming van eigendom. Van hetontbreken van een fair balance bij deze inmenging in het eigendomsrecht,of nu sprake is van ontneming of regulering, is derhalve geen sprake.37Op de overgangsperiode en de tegenprestatie wordt hierna verderingegaan.OvergangsperiodeAlle warmtebedrijven wordt een ruime overgangsperiode gebodeningevolge het overgangsrecht. Bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstelverkrijgen zij een aanwijzing voor de exploitatie van een warmtekavelwaarin hun warmtenet(ten) zich bevindt of bevinden. Per warmtekavelwordt een overgangsperiode bepaald (zie paragraaf 13.4). De overgangs-periode stelt de warmtebedrijven derhalve in staat om hun investering inhet warmtenet terug te verdienen. Deze ruime overgangsperiode biedt dewarmtebedrijven ook de mogelijkheid om tijdens de overgangsperiode deexploitatie van de warmtenetten voort te zetten en hieruit omzet tegenereren. Voorts biedt de overgangsperiode de warmtebedrijvenvoldoende tijd om te besluiten hoe zij in de toekomst verder willen. Eenwarmtebedrijf kan als privaat warmtebedrijf ook na de overgangsperiodezijn activiteiten voortzetten door bijvoorbeeld warmte te leveren met eenklein collectief warmtesysteem. Ook kunnen warmtebedrijven besluitenom na ommekomst van de overgangstermijn als warmtebedrijf metpubliek meerderheidsbelang verder te gaan waardoor zij aangewezenkunnen worden om verder te gaan met de exploitatie van hun netten eneventuele nieuwe warmtekavels.Mocht een warmtebedrijf ervoor kiezen om na afloop van de aanwijzings-periode zijn activiteiten volledig te staken, dan biedt de overgangsperiodevoldoende tijd voor een zorgvuldige bedrijfsbeëindiging en demogelijkheid om het bedrijf dan wel bedrijfsonderdelen te verkopen.Tot slot sluiten de overgangsperiodes aan bij het doel van dit wetsvoorstelom de warmtetransitie in goede banen te leiden en te versnellen. Degekozen benadering voor het bepalen van de overgangstermijn is eropgericht om te waarborgen dat een bestaand warmtebedrijf in staat wordtgesteld zijn investeringen terug te verdienen. Door het startpunt van delaatste 10% leveringsaansluitingen leidend te maken voor het bepalen vande overgangstermijn wordt geborgd dat na de laatste grote investeringvan het warmtebedrijf in zijn warmtenet een terugverdientijd van 30 jaarwordt geboden (zie ook paragraaf 13.4). Hiermee wordt beoogd hetbestaande warmtebedrijf in staat te stellen de gerealiseerde en voorzieneof gecontracteerde aansluitingen binnen de overgangstermijn nogredelijkerwijs te terugverdienen. Dit draagt eraan bij dat bestaandeinitiatieven voor een collectieve warmtevoorziening die voldoendeconcreet zijn doorgang kunnen blijven vinden en het biedt perspectiefvoor uitbreidingen op bestaande warmtenetten die kort voor de inwer-kingtreding van dit wetsvoorstel gedaan zijn.Nadeelcompensatie in de vorm van een tegenprestatieDe warmtebedrijven waarvan de aanwijzing is gewijzigd, ingetrokken ofkomen te vervallen en die dientengevolge de eigendom van hunwarmtenet moeten overdragen, hebben ingevolge dit wetsvoorstel, naommekomst van de overgangstermijn, recht op nadeelcompensatie,37Advies van de landsadvocaat van 5 april 2023, Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 815, p. 8 en9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3166 bestaande uit de marktwaarde van het warmtenet aan het einde van dietermijn. Die nadeelcompensatie wordt een tegenprestatie genoemd,omdat de partij die na de overgangsperiode de eigendom van hetwarmtenet overgedragen krijgt deze compensatie moet voldoen alstegenprestatie voor de verkrijging van het warmtenet. In een algemenemaatregel van bestuur wordt nader uitgewerkt hoe deze tegenprestatiewordt berekend.Het EHRM laat aan lidstaten een ruime beoordelingsmarge bij de wijzewaarop een vergoeding vanwege de inmenging in een eigendomsrechtwordt bepaald. In dit geval is gekozen voor het vergoeden van demarktwaarde van het warmtenet. Om tot een goede berekeningsmethodevan de marktwaarde te komen, is een onafhankelijk deskundigeingeschakeld. Deze deskundige heeft mede op basis van informatie engesprekken met zowel de warmtebedrijven, gemeenten en provincies eendeskundigenrapport opgesteld waarin wordt geadviseerd hoe dezetegenprestatie moet worden vormgegeven.De deskundige heeft geadviseerd om een netto contante waarde-methodiek te hanteren.38 Het gaat hierbij om de netto contante waardevan de op basis van de op het moment van overdracht resterendegestandaardiseerde activawaarde plus de gestandaardiseerde activa-waarde maal de WACC (Weighted Average Cost of Capital) bepaaldetariefinkomsten van het warmtenet. De basis hiervoor zijn de volgenskosten gebaseerde tariefregulering gereguleerde inkomsten die mogenvolgen uit de historische kapitale investeringen in het warmtenet, inclusiefde WACC. Deze kasstroom moet gecorrigeerd worden voor de technischeen functionele staat van het warmtenet. Op het moment van overdrachtmoet deze methode toegepast worden. Vooraf is in te calculeren welkewaarde resteert op het moment van overdracht. Dat deze waardeverandert op basis van optredende risico’s, onvoorziene meevallers enandere wijzigende marktomstandigheden is inherent aan ieder investe-ringsbesluit en het ondernemersrisico dat daarbij hoort. Wat de syste-matiek biedt is duidelijkheid over de waarde van het warmtenet, waarbijhet overgrote deel vaststaat en het overige deel ook te berekenen is,uitgaande van de normale staat van het warmtenet. Er kan daarbij wel eencorrectie plaatsvinden op basis van de technische en functionele staat vanhet warmtenet, bijvoorbeeld als gevolg van gebrekkig onderhoud,leegloop of juist inbreiding van het warmtenet richting het moment vanoverdracht. Beoogd is om zodoende te komen tot een vaststelling van demarktwaarde van een complex te beprijzen asset als een warmtenet, opeen evenwichtige en voorspelbare wijze voor overnemende en overdra-gende partij.De warmtebedrijven ontvangen mitsdien op het moment van deverplichte overdracht van hun warmtenet een vergoeding voor devolledige marktwaarde van hun warmtenet. Voor zover met dit voorsteldan ook sprake is van ontneming van eigendom, wordt hiermee ookvoldaan aan het vereiste van artikel 1 EP EVRM dat in geval van eigen-domsontneming een vergoeding voor de «full market value» wordtgegeven.Alleen al de voornoemde ruime overgangsperiode en de vergoeding vande marktwaarde van het warmtenet bij verplichte overdracht, maakt dat ersprake is van een fair balance tussen het algemeen belang dat met ditwetsvoorstel wordt gediend en de belangen van de eigenaren van dewarmtebedrijven die worden geraakt door de inmenging in huneigendom. Ook andere aspecten kunnen de fair balance verder positief38Waarderingsmethodiek warmtenetten, Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 815.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3167 beïnvloeden, zoals de voorzienbaarheid van dit wetsvoorstel gelet op denoodzaak voor de warmtetransitie en de regulering die al eerder heeftplaatsgevonden in de elektriciteits- en gasmarkt alsmede het feit datindividuele warmtebedrijven subsidies hebben ontvangen voor hetaanleggen en exploiteren van warmtenetten dan wel dat met henafspraken zijn gemaakt over de duur van de exploitatie.Verdrag inzake het EnergiehandvestHet Verdrag inzake het Energiehandvest (Energy Charter Treaty, hierna:ECT) beschermt investeringen in onder meer energieproductie(Trb. 1995, 250). Om aanspraak te kunnen maken op de beschermingonder het ECT moeten zowel het land waar de investeerder is gevestigdals het land waar hij de investering heeft gepleegd partij zijn bij het ECT.Hoewel dit geldt voor de meeste eigenaren van warmtebedrijven is geensprake van investeringsbescherming onder het ECT. In artikel 1, vijfde lid,van het ECT worden warmtenetten expliciet uitgezonderd van de definitievan economische activiteit en zijn derhalve deze investeringen nietbeschermd onder het ECT.19. Gevolgen van het wetsvoorstel 19.1. Rijk en decentrale overheden Naar de gevolgen van het wetsvoorstel voor decentrale overheden isonderzoek verricht. Andersson Elffers Felix (AEF) heeft in opdracht van deRaad voor Openbaar Bestuur een raming van de extra taken (en bijbeho-rende kosten) opgesteld die de uitvoering van het Klimaatakkoord metzich meebrengt. De inhoud van dit wetsvoorstel is hierinmeegenomen.39Het rapport van AEF is de basis voor het rapport «VanParijs naar praktijk» van de Raad voor het Openbaar Bestuur (hierna: ROB)dat begin 2021 is gepubliceerd en waarin de gevolgen van ditwetsvoorstel ook zijn geanalyseerd.40 Op 27 februari 2023 is de Tijdelijkeregeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid(CDOKE) gepubliceerd. Met deze regeling wordt tot en met 2025 1,04miljard euro beschikbaar gesteld aan decentrale overheden voor deuitvoering van het klimaat en energiebeleid.41 Met dit geld kunnen zijextra personeel aantrekken, kennis vergroten en externe expertise in huishalen. Voor de jaren 2026–2030 wordt op een later moment een nieuweregeling opengesteld. Inmiddels heeft er een herijking van het ROB-adviesplaatsgevonden op basis waarvan de CDOKE-middelen beschikbaar zijngesteld.Voor de gevolgen van dit wetsvoorstel van de rijksoverheid wordtverwezen naar paragraaf 15.5.19.2. Regeldruk voor burgers en bedrijven De financiële gevolgen voor burgers en bedrijven zijn in kaart gebrachtmet behulp van de onderstaande regeldrukberekening. Zoals aangegevenin de reactie op het advies van de Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)39Raad voor het Openbaar Bestuur (2020), AEF-onderzoeksrapport Uitvoeringskosten Klimaatak-koord: https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2020/09/24/aef--onderzoeksrapport-uitvoeringskosten-klimaatakkoord (vanaf blz. 105).40Raad voor het Openbaar Bestuur (2021), Adviesrapport Van Parijs naar praktijk: https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2021/01/25/advies-van-parijs-naar-praktijk41Rijksoverheid (2023), Ruim € 1 miljard voor uitvoering klimaatbeleid gemeenten enprovincies: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/02/27/ruim-%E2%82%AC1-miljard-voor-uitvoering-klimaatbeleid-gemeenten-en-provinciesTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3168 maakt de verdeling van de kosten in het kader van de betaalbaarheid ende woonlasten geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel, maar vanflankerend beleid.In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldrukeffecten als gevolg vande inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De regeldruk is in kaartgebracht voor collectieve warmtevoorzieningen, kleine collectievewarmtesystemen, VvE’s en verhuurders. Ook de regeldruk voor burgers isin kaart gebracht. Voor de jaarlijkse regeldruk die voortvloeit uitbepalingen die reeds onderdeel uitmaken van de Warmtewet wordtverwezen naar de toelichting op de Wet van 4 juli 2018 tot wijziging vande Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van deWarmtewet) (Stb. 2018, 311).42 In enkele gevallen hangt de regeldruk dievoortvloeit uit een bepaling direct samen met de omvang van het aantalcollectieve warmtevoorzieningen waar de bepaling op ziet. Omdat hetaantal collectieve warmtevoorzieningen in de toekomst naar verwachtingsterk toeneemt is een inschatting gemaakt van de verwachte regeldruk in2030.De effecten zijn bepaald op basis van de systematiek uit het Handboekmeting regeldrukkosten. Voor het kwantificeren is de methodiek van hetStandaard Kostenmodel (SKM) gebruikt en is in de meeste gevallenuitgegaan van het intern uurtarief voor een hoogopgeleide medewerkervan 54 euro zoals opgenomen in de lijst met standaardtarieven voorintern personeel bij bedrijven. Voor de inschatting van het aantalwarmtebedrijven en collectieve warmtevoorzieningen binnen genoemdecategorieën is gebruik gemaakt van gegevens uit het warmteregister vande ACM.Collectieve warmtevoorzieningenDe regulering in dit wetsvoorstel ziet hoofdzakelijk toe op collectievewarmtevoorzieningen. Afgaande op het aantal collectieve warmtevoorzie-ningen geregistreerd in het warmteregister en de groeiprognoses daarvanis de inschatting dat er bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zo’n77 tot 81 collectieve warmtevoorzieningen zullen zijn en in 2030 zo’n 144tot 171. Voor de regeldrukgevolgen die nauw samenhangen met deomvang van het aantal collectieve warmtevoorzieningen zal de regeldrukrichting 2030 dus toenemen. Indien van toepassing is ook de verwachteregeldruk in 2030 in kaart gebracht.Warmtebedrijven die aangewezen willen worden voor een warmtekavelzullen een globaal kavelplan moeten indienen. Op basis van genoemdeparamaters wordt geschat dat er jaarlijks zo’n 18 tot 22 globale kavel-plannen zullen worden opgesteld. De verwachte structurele regeldruk-kosten die hier uit voortvloeien bedragen (80 uur x 54 euro x 18 tot 22)€ 77.760 tot € 95.040. De regeldruk neemt af zodra de groei van het aantalcollectieve warmtevoorzieningen het verzadigingsniveau bereikt (naarverwachting rond 2050).Het aangewezen warmtebedrijf stelt een uitgewerkt kavelplan op nadathet warmtebedrijf is aangewezen voor een warmtekavel. Naarverwachting zullen warmtebedrijven jaarlijks gemiddeld 13,5 tot 16,5uitgewerkte kavelplannen opstellen. De verwachte structurele regeldruk-kosten hiervan ligt op (230 uur x 54 euro x 13,5 tot 16,5) € 167.670 tot€ 204.930. Hierbij kan worden opgemerkt dat het netontwerp onderdeel isvan het uitgewerkt kavelplan en dat warmtebedrijven dit netontwerp hoedan ook op zullen moeten stellen. Ook hiervoor geldt dat de regeldruk42Kamerstukken II 2016/17, 34 723 nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3169 afneemt zodra de groei van collectieve warmtevoorzieningen hetverzadingsniveau bereikt.Om verbruikers te faciliteren in hun keuzemogelijkheid worden zij vaninformatie voorzien door het aangewezen warmtebedrijf. Het bijeen-brengen van de informatie ten behoeve van de inventarisatie voor deopt-out en het aanbod voor een aansluitovereenkomst zal ongeveer evenvaak plaats moeten vinden als het opstellen van een uitgewerkt kavelplan.De verwachte structurele regeldrukkosten als gevolg van de inventarisatievoor de opt-out liggen naar verwachting op (190 uur x 54 euro x 13,5 tot16,5) € 138.510 tot € 169.290. De regeldruk neemt af zodra de groei vanhet aantal collectieve warmtevoorzieningen het verzadigingsniveaubereikt.Een aangewezen warmtebedrijf stelt voorafgaand aan de aanleg van eencollectieve warmtevoorziening een investeringsplan op voor eenwarmtekavel waarvoor het is aangewezen. Naar verwachting is defrequentie waarmee nieuwe investeringsplannen worden opgesteldongeveer gelijk aan het aantal aanwijzingen dat jaarlijks plaatsvindt, zij hetdat het investeringsplan pas geruime tijd na de aanwijzing volgt (9 tot 11keer). De verwachte structurele regeldrukkosten als gevolg van hetinvesteringsplan liggen naar verwachting op (110 uur x 54 euro x 9 tot 11)€ 53.460 tot € 65.340. Ook hierbij wordt aangetekend dat warmtebe-drijven ongeacht deze wettelijke verplichting hoe dan ook een investe-ringsplan op moeten stellen. Verder zal de regeldruk voor het opstellenvan investeringsplannen voor nog te realiseren collectieve warmtevoor-zieningen afnemen zodra de groei van het aantal collectieve warmtevoor-zieningen het verzadigingsniveau bereikt. Voor collectieve warmtevoorzie-ningen die reeds zijn gerealiseerd en zich in de exploitatiefase bevindendient het investeringsplan periodiek geüpdatet te worden. De jaarlijksestructurele regeldrukkosten bedragen naar verwachting zo’n (40 uur x 54euro x 77 tot 81) € 33.264 tot € 34.992. Gegeven de geprognosticeerdegroei van het aantal collectieve warmtevoorzieningen zal de regeldruk in2030 naar verwachting (40 uur x 54 euro x ((144 x 0,2) tot (171 x 0,2))€ 62.208 tot € 73.872 bedragen.Een aangewezen warmtebedrijf is verplicht om jaarlijks voor eenwarmtekavel een leveringszekerheidsrapportage in te dienen bij hetcollege en de ACM. De jaarlijkse structurele regeldrukkosten bedragennaar verwachting zo’n (24 uur x 54 euro x 77 tot 81) € 99.792 tot€ 104.976. Gegeven de geprognosticeerde groei van het aantal collectievewarmtevoorzieningen zal de regeldruk in 2030 naar verwachting (24 uur x54 euro x 144 tot 171) € 186.624 tot € 221.616 bedragen.Ook is de consumentenbescherming aangepast. De verwachte eenmaligeregeldrukkosten als gevolg van deze aanpassing die in het kader van dezeregeldrukberekening in beeld zijn gebracht, liggen naar verwachting op(2 uur x 54 euro x 77 tot 81) € 8.316 tot € 8.748.Tot slot zijn er ook nog eenmalige kosten voor alle actieve warmtebe-drijven om kennis te nemen van de nieuwe wetgeving. Uit het warmtere-gister van de ACM blijkt dat het aantal warmtebedrijven dat collectievewarmtevoorzieningen exploiteert die geen VvE, verhuurder of woningcor-poratie zijn in totaal 17 bedraagt. De kennisnamekosten bedragenderhalve (12 uur x 54 euro x 17) € 11.016.In lagere regelgeving zal nog verdere invulling gegeven worden aan deverplichtingen die voortvloeien uit het besluiten van de ACM, tariefregu-lering (hoofdstuk 7), warmte-etiket, financiële monitoring ACM, meldplichtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3170 wijziging zeggenschap. De regeldrukberekening hiervan zal wordenopgenomen in de toelichting bij de lagere regelgeving.Kleine collectieve warmtesystemenVoor kleine collectieve warmtesystemen die niet geëxploiteerd wordendoor VvE’s en verhuurders geldt een afzonderlijk regime. Afgaande op hetaantal kleine collectieve warmtesystemen geregistreerd in het warmtere-gister en de groeiprognoses van het aantal kleine collectieve warmtesys-temen is de inschatting dat er bij de inwerkingtreding van hetwetsvoorstel zo’n 400 tot 500 kleine collectieve warmtesystemen zullenzijn en in 2030 zo’n 700 tot 900.43 Voor de regeldrukgevolgen die afhangenvan de omvang van het aantal kleine collectieve warmtesystemen zal deregeldruk richting 2030 dus toenemen. Indien van toepassing is ook deverwachte regeldruk in 2030 in kaart gebracht.In het overgangsrecht van het wetsvoorstel is bepaald dat warmtebe-drijven die bestaande kleine collectieve warmtesystemen exploiteren eenontheffing moeten aanvragen. De eenmalige regeldrukkosten bedragennaar verwachting zo’n (2 uur x 39 euro x 400 tot 500) € 31.200 tot€ 39.000.Het warmtebedrijf stelt elke drie jaar een plan voor de duurzaamheid enleveringszekerheid van het ontheffingsgebied op. De jaarlijkse structureleregeldrukkosten bedragen naar verwachting zo’n (40 uur x 54 euro x 400tot 500) € 285.120 tot € 356.400. Gegeven de geprognosticeerde groei vanhet aantal kleine collectieve warmtesystemen zal de structurele regeldrukin 2030 naar verwachting (24 uur x 54 euro x 700 tot 900) € 498.960 tot€ 641.520 bedragen.De overdracht van een ontheffing aan een ander warmtebedrijf behoeftinstemming van het college. Naar verwachting zal dit 2 tot 2,5 keer perjaar voorkomen en gelet op de verwachte groei van kleine collectievewarmtesystemen in 2030 zo’n 4 keer per jaar, wat betekent dat destructurele regeldrukkosten die hier uit voortvloeien verwaarloosbaar zijn.De aanpassing van de consumentenbescherming geldt ook voorwarmtebedrijven die kleine collectieve warmtesystemen exploiteren. Deverwachte eenmalige regeldrukkosten als gevolg van deze aanpassing diein het kader van deze regeldrukberekening in beeld zijn gebrachtbedragen naar verwachting zo’n (2 uur x 54 euro x 400 tot 500) € 43.200tot € 54.000.Eenmalige kennisnamekosten voor exploitanten van kleine collectievewarmtesystemen zijn naar verwachting zo’n (8 uur x 54 euro x 458)€ 197.856.In lagere regelgeving zal nog verdere invulling gegeven worden aan deverplichtingen die voortvloeien ontheffingsaanvraag voor nieuwe kleinecollectieve warmtesystemen. De regeldrukberekening hiervan zal wordenopgenomen in de toelichting bij de lagere regelgeving.43Voor de groeiprognose van kleine collectieve warmtesystemen in het algemeen is aangeslotenbij de verwachte groei van het aantal WKO-installaties. Een groot deel van het aantal kleinecollectieve warmtesystemen bestaat uit WKO-installaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3171 VvE’s en verhuurdersVoor VvE’s en verhuurders geldt ook dat zij een melding, en indien nodig,een ontheffing aan dienen te vragen indien zij warmte willen leveren aanhun huurders of leden. Uit het warmteregister blijkt dat het aantalbestaande collectieve warmtesystemen dat geëxploiteerd wordt doorVvE’s en woningcorporaties zo’n 4.640 bedraagt. Omdat particuliereverhuurders niet apart geregistreerd staan in het warmteregister, maarwel bij de categorie VvE’s en verhuurders horen, is gebruik gemaakt vaneen bandbreedte van 4.500–6.000. Gegeven het feit dat het aantal nettenin deze categorie niet of nauwelijks groeit, is er geen separate regeldruk-berekening gemaakt voor 2030.VvE’s en verhuurders die bestaande collectieve warmtesystemenexploiteren zullen op grond van het overgangsrecht een melding moetendoen bij het college. Ook voor nieuwe situaties geldt een meldplicht. Nade melding bepaalt het college of er een ontheffingsaanvraag moetworden ingediend. De eenmalige regeldrukkosten bedragen naarverwachting zo’n (1 uur x 39 euro x 4.500 tot 6.000) € 175.500 tot€ 234.000.De VvE of verhuurder is tevens verplicht om aan het college een signifi-cante wijziging van het zelfstandig functionerend collectief warmte-systeem te melden. Naar verwachting zal deze melding jaarlijksgemiddeld zo’n 22,5 tot 30 keer voorkomen. De structurele regeldruk-kosten bedragen naar verwachting zo’n (1 uur x 39 euro x 22,5 tot 30)€ 877,5 tot € 1.170.Kennisnamekosten voor VvE’s en verhuurders worden geschat op (3 uur x54 euro x 561) € 90.882.In lagere regelgeving zal nog verdere invulling gegeven worden aan deverplichtingen die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag voor nieuwecollectieve warmtesystemen waarvan een VvE of verhuurder exploitantwordt. De regeldrukberekening hiervan zal worden opgenomen in detoelichting bij de lagere regelgeving.WarmtetransportnettenAangezien de regulering voor warmtetransportnetten geldt voor warmte-transportbeheerders die volledig in publieke handen zijn, zijn voorwarmtetransportbeheerders geen regeldrukberekeningen uitgevoerd.Degene die een warmtetransportaansluiting heeft is mogelijk geenvolledig publiek bedrijf. Op grond van dit wetsvoorstel heeft deze deverantwoordelijk voor het opstellen van een warmteprogramma. In lagereregelgeving wordt verder uitgewerkt aan welke eisen het warmtepro-gramma moet voldoen. Bij de uitwerking hiervan zal de regeldruk in kaartworden gebracht.BurgersDoordat burgers een opt-out mogelijkheid hebben, treden voorverbruikers van warmte die in de toekomst aangesloten zullen wordenook regeldrukgevolgen op. De schatting is dit voor kleinverbruikersjaarlijks (2 uur x 15 euro x 48.000 tot 60.000) € 1.440.000 tot € 1.800.000bedraagt. Voor grootverbruikers wordt geschat dat het om (12 x 15 euro x451 tot 464) € 81.180 tot € 101.520 gaat. Deze berekening is in hoge mateafhankelijk van hoe vaak de gemeente voor een gebied besluit om hetgebruik van fossiele brandstoffen op termijn te beëindigen. Alleen als deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3172 gemeente een dergelijk gebied heeft aangewezen is de opt-out procedurevan toepassing.Mkb-toetsTen behoeve van de mkb-toets heeft een mkb-panelgesprek plaatsge-vonden en is het wetsvoorstel in hoofdlijnen voorgelegd aan eenrepresentatieve groep mkb-bedrijven. Meer specifiek is in de startnotitiedie is opgesteld ten behoeve van het mkb-panelgesprek ook gevraagd inhoeverre de deelnemende mkb-bedrijven in konden stemmen met hetlichtere regime voor kleine collectieve warmtesystemen (<1500 aanslui-tingen). De meeste partijen die deel hebben genomen vroegen met nameaandacht voor inhoudelijke aandachtspunten en hadden minder voorzorgen over de regeldruk. Ten aanzien van de regeldruk zijn de volgendesuggesties meegegeven. Er werd aangedrongen om duidelijkheid tescheppen over de voorgeschreven boekhoudregels en eisen ten aanzienvan registratie en administratie. Met name veranderingen, onduidelijk-heden en wijzigingen in de boekhoudregels worden als hinderlijk ervaren.Naar verwachting zal deze helderheid worden verschaft bij de uitwerkingvan deze boekhoudregels door de ACM. Verder geven de bedrijven aandat het lichtere regime de omvang van een klein collectief warmtesysteemals aangrijpingspunt heeft, terwijl het voor het beperken van de regeldrukvoor de hand zou liggen om (ook) naar de omvang en opbouw van eenbedrijf te kijken. Gekozen is om voor het lichtere regime toch de omvangvan een klein collectief warmtesysteem als begrenzing te nemen. In deeerste plaats omdat de regeldruk niet alleen proportioneel moet zijn vooreen warmtebedrijf, maar ook in relatie tot de omvang van het collectievewarmtesysteem. Het borgen van de publieke belangen van een kleincollectief warmtesysteem vergt immers minder regelvereisten dan vooreen grotere collectieve warmtevoorziening. Bovendien blijkt dat het metname de kleinere (mkb-)bedrijven zijn die de kleine collectieve warmtesys-temen exploiteren, waardoor de lagere regeldruk van het lichtere regimemet name gunstig uit zal gaan pakken voor kleinere bedrijven en andereexploitanten van kleine collectieve warmtesystemen, zoals warmtege-meenschappen.20. Consultatie, toetsing en adviezen 20.1. Consultatie Het wetsvoorstel is gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl waarbijeen ieder van 22 juni tot en met 3 augustus 2020 in de gelegenheid isgesteld zijn zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen. Op hetwetsvoorstel zijn in totaal 112 zienswijzen ontvangen. Voor zover dezereacties openbaar gemaakt mochten worden, zijn deze te vinden op dewebsite www.internetconsultatie.nl.De reacties hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel en dememorie van toelichting. In het consultatieverslag dat openbaar zalworden gemaakt via www.internetconsultatie.nl wordt ingegaan op deingebrachte zienswijzen. Dit deel van de toelichting beperkt zich tot debelangrijkste onderdelen waarop gereageerd is.Hoofdstuk 1: verbod (artikel 1.2)Een aantal partijen heeft gevraagd te verduidelijken dat de verbodsbe-paling om zonder aanwijzing warmte te transporteren en leveren aanverbruikers in artikel 1.2 niet van toepassing is voor levering aanindustriële afnemers en de glastuinbouw. In artikel 1.2, eerste lid, is eenaantal uitzonderingen op dit verbod opgenomen waaronder het transportTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3173 of de levering van warmte voor industriële processen of productiepro-cessen. In paragraaf 3.3 is toegelicht dat het hier gaat om warmtenettenwaarmee warmte getransporteerd en geleverd wordt aan bijvoorbeeld deindustrie of de glastuinbouw.Hoofdstuk 2: warmtekavel, aanwijzing, taken en verplichtingen(artikelen 2.1 tot en met 2.15)De toets van gedeputeerde die was opgenomen in artikel 2.1 is komen tevervallen. Gebleken is dat het niet noodzakelijk is aanvullende bevoegd-heden in het wetsvoorstel op te nemen gelet op de bevoegdheden vangedeputeerde staten op grond van artikel 124 van de Gemeentewet. Ditartikel geeft gedeputeerde staten onder andere de bevoegdheid in deplaats van het college een besluit te nemen als een beslissing niet of nietnaar behoren wordt genomen. Deze bevoegdheden kunnen gedeputeerdestaten ook aanwenden als het een besluit tot vaststelling van eenwarmtekavel niet in overeenstemming met artikel 2.1, eerste lid, isgenomen. Verder is naar aanleiding van de zienswijzen de betrokkenheidvan gedeputeerde staten tijdens de voorbereiding van het besluit totvaststelling van de warmtekavel wettelijk verankerd. Indien een bovenge-meentelijk verdelingsvraagstuk aan de orde kan zijn, is het collegeverplicht een ontwerpbesluit naar gedeputeerde staten te zenden.Gedeputeerde staten kan dan vervolgens een zienswijze kenbaar maken.Voorts is de keuze voor een aanwijzingsperiode van minimaal 20 enmaximaal 30 jaar nader toegelicht. Ook is benadrukt dat het college eennieuwe aanwijzingsprocedure start voordat de aanwijzingsperiode isafgelopen of voordat een aanwijzing wordt ingetrokken. Dit moet decontinuïteit van de warmtelevering borgen. Het verlengen van eenaanwijzing is niet mogelijk.Er zijn verschillende vragen gesteld over de aanwijzingsprocedure vaneen nieuw warmtebedrijf indien een aanwijzing afloopt of ingetrokkenwordt. In de toelichting is verduidelijkt dat het college tijdig een nieuweaanwijzingsprocedure dient op te starten om een warmtebedrijf aan tewijzen. Ook is de regelgeving met betrekking tot de overdracht van deeigendom van het warmtenet en overeenkomsten bij een overdracht enintrekking van de aanwijzing verduidelijkt. Daarbij is nader toegelichtwaarom een tegenprestatie die de marktwaarde vertegenwoordigd op zijnplaats is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsopgenomen over het vaststellen van de marktwaarde en de overdracht.Diverse partijen hebben gevraagd hoe dit wetsvoorstel de betrokkenheidvan bewoners borgt. In de toelichting is aangegeven dat het aan hetcollege is om te bezien hoe zij diverse stakeholders bij het besluitvor-mingsproces betrekt.Gemeenten en warmtebedrijven hebben gevraagd om te verduidelijkenwat verstaan moeten worden onder structurele afhankelijkheid van eenandere collectieve warmtevoorziening in een ander warmtekavel(artikel 2.5, zesde lid, onderdeel c, en artikel 2.7, zesde lid, onderdeel c).Het wetsvoorstel is op dit punt aangepast; deze afwijzingsgrond isgeschrapt.Hoofdstuk 2: duurzaamheid (artikelen 2.20–2.23)De twee belangrijkste bezwaren die in de internetconsultatie reacties naarvoren zijn gekomen, hebben betrekking op de vollooptijd van nieuweduurzame warmtebronnen waardoor tijdelijk niet aan de duurzaamheids-normen kan worden voldaan en bestaande collectieve warmtevoorzie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3174 ningen die moeilijk te verduurzamen zijn. In het laatste geval zijn er vaaktechnische beperkingen die de onmiddellijke naleving van de normbelemmeren. Om zeker te stellen dat de duurzaamheidsnormen voorwarmtebedrijven niet onuitvoerbaar zijn, is de ACM de bevoegdheidgegeven een tijdelijke ontheffing te verlenen van deze normen (artikel 2.21en 3,10). Ook is er de mogelijkheid om de ontheffing te verlengen.Hoofdstuk 2: aansluiten op of afsluiten van een collectieve warmtevoor-ziening (artikelen 2.24–2.29)Een wijziging in de opt-out regeling ten opzichte van het geconsulteerdewetsvoorstel is dat de inventarisatie van de opt-out niet door het collegezal worden gedaan, maar door het aangewezen warmtebedrijf. Hiermee isniet alleen sprake van een inventarisatie, maar wordt er door hetaangewezen warmtebedrijf een aanbod gedaan voor een aansluitings-overeenkomst op de collectieve warmtevoorziening. Door geen gebruik temaken van de opt-out mogelijkheid wordt dit aanbod geacht stilzwijgendte zijn aanvaard. Het aangewezen warmtebedrijf informeert de gebouwei-genaar over de stilzwijgende aanvaarding van het aanbod en geeft degebouweigenaar de gelegenheid binnen 14 dagen de overeenkomstzonder opgave van redenen en kosteloos te ontbinden.Een andere belangrijke wijziging is dat de een aansluit- en leveringsover-eenkomst niet na vijf jaar maar na drie jaar na aanvang van de leveringvan warmte opgezegd kan worden in geval van verplichte beëindiging vanhet gebruik van fossiele brandstoffen in een wijk. Daarmee wordt beoogdtegemoet te komen aan de wens van consumenten die van oordeel zijndat zij te allen tijde hun overeenkomst moeten kunnen opzeggen conformhet algemene consumentenrecht. Een aangewezen warmtebedrijf heeftenige zekerheid nodig om te kunnen investeren in een collectievewarmtevoorziening. Als alle verbruikers te allen tijde kunnen opzeggen,leidt dit tot een te grote onzekerheid voor warmtebedrijven, hetgeen deinvesteringsbereidheid en daarmee de warmtetransitie belemmert. Meteen verplichte aansluitingstermijn van drie jaar hebben de warmtebe-drijven de zekerheid dat zij in ieder geval een deel van hun investeringenkunnen terugverdienen. Bovendien hebben verbruikers dan de tijd om aande collectieve warmtevoorziening te wennen en het warmtebedrijfvoldoende de gelegenheid om de verbruikers de aantrekkelijkheid ervante laten inzien.Uit de internetconsultatie blijkt dat er onduidelijkheid bestaat over ofVvE’s en verhuurders ook als grootverbruikers moeten worden aange-merkt en daarmee in een vroeger stadium moeten aangeven of zij gebruikwillen maken van de opt-out. In de opt-out regeling wordt het onderscheidtussen kleinverbruikers en grootverbruikers niet meer gemaakt. Deinformatie die grootverbruikers en ook de verhuurders en kleinverbruikerskrijgen is exact hetzelfde. Door het warmtebedrijf te verplichten om eenbandbreedte op te nemen waarbinnen de tarieven zullen vallen, wetenook huurders wat zij de eerste drie jaar maximaal zullen betalen.Uit de internetconsultatie blijkt dat woningcorporaties zich zorgen makenover de vroege opt-out inventarisatie, omdat bij appartementencom-plexen 70% van de huurders moet instemmen met de opt-out. Als dehuurders tegenstemmen, zitten de verhuurders in een klem. Dit geldt nietalleen voor een collectieve warmtevoorziening, maar ook voor anderealternatieven voor aardgas, waarbij het gebouw aangepast moet worden.Deze problematiek is gerelateerd aan de huurbescherming en zal ook indat verband moeten worden bezien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3175 Hoofdstuk 2: toegang van warmtebronnen (artikel 2.43)Artikel 2.43 is gewijzigd waardoor het artikel ziet op de toegang vanwarmtebronnen. Dit artikel bevat generieke regels met het oog optransparantie over de voorwaarden die gelden om aansluiting op decollectieve warmtevoorziening te verkrijgen om als warmtebron te kunnenleveren aan het aangewezen warmtebedrijf. Specifieke regels ten aanzienvan derdentoegang voor bestaande situaties zijn in het overgangsrechtopgenomen.Hoofdstuk 2: overige artikelen hoofdstuk 2In de overige artikelen zijn geen grote wijzigingen aangebracht naaraanleiding van de internetconsultatie. Naar aanleiding van hetuitvoerings- en handhavingstoets van de ACM zijn later wel wijzingenaangebracht (zie paragraaf 20.7). Ten aanzien van artikel 2.48, waarin detaken staan opgesomd die exclusief belegd dienen te zijn bij het aange-wezen warmtebedrijf, is in de internetconsultatie gewezen op dewenselijkheid van het vrijgeven van de markt voor afleversets. In detoelichting is beargumenteerd dat de nadelen hiervan zwaarder wegendan de voordelen. Een belangrijke reden is dat de afleverset een belang-rijke rol speelt in de systeemoptimalisatie van het collectieve warmte-systeem, waardoor het warmtebedrijf een belangrijke prikkel ervaart omde afleverset op een zo optimaal mogelijke manier in te regelen.Hoofdstuk 3: kleine collectieve warmtesystemenDe belangrijkste wijziging voor de kleine collectieve warmtesystemen isde wijziging van de grens van 500 kleinverbruikers aansluitingen naar1500 aansluitingen (kleinverbruikers en grootverbruikers). In het concept-wetsvoorstel was aanvankelijk gekozen voor een begrenzing van 500aangesloten kleinverbruikers, huurders of leden van de VvE om inaanmerking te komen voor een ontheffing. Naar aanleiding van veelreacties op de internetconsultatie die opriepen tot het verhogen van degrens of het helemaal achterwege laten van een begrenzing is gekozenvoor het handhaven van een begrenzing, waarbij de grens is verhoogdnaar 1500 aangeslotenen. Dit kunnen zowel kleinverbruikers als grootver-bruikers zijn. Aan dit besluit lagen de volgende overwegingen tengrondslag.Er is gekozen voor het handhaven van een grens, omdat het achterwegelaten van een grens er in potentie toe kan leiden dat grote groepenverbruikers onder het voor kleine collectieve warmtesystemen geldendelichtere regime gaan vallen en dat zou gelet op de overwegingen die tengrondslag liggen aan de basiskeuze in dit wetsvoorstel om uit te gaan vaneen door het college aan te wijzen warmtebedrijf niet te rechtvaardigenzijn.Uit de internetconsultatie kwam naar voren dat de grens van 500aansluitingen als onnodig beperkend wordt ervaren. De grens zouomhoog moeten om ook de iets minder gangbare lokale initiatieven dieniet voldoen aan de criteria voor het vaststellen van een warmtekavel,realiseerbaar te maken. Ook zou de ontheffing niet slechts betrekkingmoeten hebben op systemen met alleen kleinverbruikersaansluitingen.Er is gekozen om de grens te leggen op de levering aan maximaal 1500aansluitingen. Hierbij is de balans gevonden tussen enerzijds eenacceptabele groep verbruikers die een minder sterke bescherming heeftals het gaat om de rapportageverplichtingen rondom leveringszekerheiden duurzaamheid en een beperkt aantal aansluitingen waarvoor geldt datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3176 er geen sprake is van een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang en anderzijds de mogelijkheid voor meer lokale initiatieven, zoalsbijvoorbeeld kleinschalige WKO-systemen, die niet passen in de kavelre-gulering, om onder de ontheffingssystematiek te vallen.Uit gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) enhet Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat momenteel tussende 11% en 22% van de alle aansluitingen gerealiseerd zijn binnen eencollectief warmtesysteem met minder dan 1500 aansluitingen. Op basishiervan wordt ook voor de toekomst verwacht dat met het hanteren vaneen grens van 1500 deze grens een beperkt deel van alle aansluitingen inNederland zullen worden gerealiseerd via een collectief warmtesysteemdat gebruik kan maken van de ontheffingsmogelijkheid.De aanvankelijke eis dat alleen kleinverbruikers aangesloten kunnenworden op een klein collectief warmtesysteem, is komen te vervallen. Bijnader inzien is deze uitsluiting niet nodig, vanwege het toetsingskader.Het toetsingskader voor kleine collectieve warmtesystemen is immerszodanig opgesteld dat een aanvraag moet worden afgewezen als dit ertoeleidt dat het aangewezen warmtebedrijf op de warmtekavel structureelgeen redelijk rendement meer kan behalen of als dit leidt tot eensignificante verhoging van de warmtetarieven voor de resterendeverbruiker op de warmtekavel.In de internetconsultatie is het verzoek gedaan om een criterium op tenemen dat er een ontheffing wordt verleend als bij nieuwbouw hetaangewezen warmtebedrijf nog niet in staat is om daarvoor een collectiefwarmtesysteem aan te leggen en de aanvrager van de ontheffing wel. Ditverzoek is niet overgenomen, omdat het aangewezen warmtebedrijfverplicht is om iedereen op de warmtekavel aan te sluiten op eencollectieve warmtevoorziening.Verder is door verschillende partijen verzocht om aan te geven wat ermoet worden verstaan onder het afwijzingscriterium in artikel 3.1 dat nietaannemelijk is dat het warmtebedrijf technisch, organisatorisch enfinancieel in staat is om het kleine collectieve warmtebedrijf aan te leggenen te exploiteren. Dit criterium zal nader worden ingevuld in de algemenemaatregel van bestuur. Daarbij zal worden aangesloten bij de criteria diede ACM hanteert bij haar toets van het aangewezen warmtebedrijf opgrond van artikel 2.5 en 2.7.Tot slot werd door verschillende partijen verzocht om uit te leggen wat bijhet afwijzingscriterium in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel e, moet wordenverstaan onder significant nadelige effecten voor de aanleg en exploitatievan de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf.Het wetsvoorstel is op dit punt aangepast en het criterium is komen tevervallen.Hoofdstuk 4: VvE’s en verhuurdersIn een reactie op de internetconsultatie is een voorstel gedaan om eenweigering van de ontheffing aan een VvE of verhuurder uitsluitend toe testaan als de aansluiting op het warmtesysteem van het aangewezenwarmtebedrijf niet leidt tot een woonlastenstijging voor huurders of VvEleden. Dit voorstel is niet overgenomen. Met dit voorgestelde criteriumligt de focus uitsluitend op de belangen van de verbruikers op hetcollectieve warmtesysteem van de verhuurder of VvE. De regierol van degemeente is juist om naar het bredere geheel te kijken en ook demogelijkheid voor een collectieve warmtevoorziening voor de helewarmtekavel in ogenschouw te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3177 Hoofdstuk 5: warmtetransportnettenVoor hoofdstuk 5 heeft de internetconsultatie geleid tot een aantalaanpassingen. Een belangrijke wijziging is dat het voormalige artikel 5.19niet langer onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel. De achterliggendegedachte achter het artikel was het voorkomen van het strategischclaimen van warmtebronnen. Mede op basis van de consultatiereactiesalsook door voortschrijdend inzicht is de conclusie dat de risico’s zodanigzijn dat het niet proportioneel is om partijen die afnemen uit het warmte-transportnet te verbieden meer warmte of restwarmte te contracteren bijde warmtebron dan waarvoor ze transportcapaciteit hebben. Bovendienzou de bepaling een inbreuk betekenen op de contractvrijheid van privateondernemingen.Voorts is artikel 5.17 aangepast, teneinde het contracteren op de groei tefaciliteren. In het oorspronkelijke artikel werd onvoldoende ruimtegeboden om als afnemer meer te contracteren dan hetgeen directgebruikt zou worden. Door toe te voegen dat de warmtetransportbe-heerder alleen in het geval van schaarste kan verzoeken, om ongebruiktecapaciteit terug kan nemen is meer ruimte gecreëerd.Verder is in diverse zienswijzen erop gewezen dat het transporteren vanwarmte naar warmtekavels door een andere partij dan een aangewezenwarmtebedrijf niet is verboden. De verbodsbepaling in artikel 1.2 zagalleen toe op het transporteren en leveren van warmte zonder aanwijzingaan verbruikers. In artikel 1.2 is daarom aangepast waardoor het zonderaanwijzing van een warmtebedrijf of aanwijzing van een warmtetransport-beheerder verboden is warmte te transporteren of te leveren, ongeacht ofhet al dan niet het (direct) aan verbruikers is. De uitzonderingen op ditverbod staan ook opgenomen in artikel 1.2.Tot slot is door verschillende partijen gepleit voor het bieden van ruimteom kleinere collectieve warmtesystemen, via een bottom-up ontwikkeling,aan elkaar te schakelen. Voor het warmtenet waarmee deze systemen aanelkaar gekoppeld zouden moeten worden, zou dan een lokale warmte-transportbeheerder kunnen worden aangewezen door een gemeente ofprovincie. De achterliggende gedachte is dat op deze wijze slimmekoppelkansen kunnen worden benut en piek- en backup centraal geregeldkunnen worden. Besloten is om de suggestie voor het creëren van eendergelijke aanwijsbevoegdheid voor gedeputeerde staten of het collegeniet over te nemen. Dit zal namelijk leiden tot versnippering, terwijl desituaties waarbij een warmtetransportbeheerder zal worden aangewezenbeperkt zullen zijn. Tegelijkertijd wordt onderkend dat, in lijn met wat isinbracht in de internetconsultatie, ook bij kleinschaliger situaties hetaanwijzen van een warmtetransportbeheerder in sommige gevallenwenselijk kan zijn. Daarom is in de toelichting opgenomen dat hetaanwijzen van een warmtetransportbeheerder voor een warmtenet metminder dan 100.000 woningequivalenten niet uitgesloten is. Verder is inde toelichting op dit wetsvoorstel ook duidelijker omschreven onder welkevoorwaarden collectieve warmtevoorzieningen gekoppeld kunnenworden, waarmee ook in de wens om koppelkansen te benutten kanworden voorzien.Hoofdstuk 6: warmteproductieIn de reacties op de consultatie bleek dat de betrokkende partijen meerduidelijkheid vragen op de overeenkomsten tussen restwarmteprodu-centen en warmtebedrijven. Naar aanleiding van deze reacties isartikel 6.2 aangepast. In artikel 12.13 is een overgangsrechtelijke bepalingopgenomen voor bestaande overeenkomsten waardoor artikel 6.2 nietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3178 van toepassing is. Verlenging of wijzigingen van bestaande overeen-komsten moeten aan de eisen van artikel 6.2 voldoen.Hoofstuk 7: tariefreguleringVeel reacties in de internetconsulatie hebben betrekking op de borgingvan de betaalbaarheid van een collectieve warmtevoorziening. Dezevragen zien veelal op keuzes rond de verdeling van kosten, bijvoorbeeldhoe aan het uitgangspunt van woonlastenneutraliteit zoals dat isopgenomen in het Klimaatakkoord in dit wetsvoorstel invulling wordtgegeven. Dit wetsvoorstel regelt primair dat verbruikers niet meer betalenvoor hun warmte dan nodig is, door de ACM tarieven vast te laten stellendie gebaseerd zijn op de efficiënte kosten en een redelijk rendement.Daarnaast is er in de vorm van de WIS flankerend beleid opgesteld voorsituaties waar een collectieve warmtevoorziening de duurzame oplossingis met de laagste maatschappelijke kosten, maar de tarieven toch nog tehoog zijn voor verbruikers.Daarnaast wordt door verschillende stakeholders verzocht om deafspraken tussen warmtebedrijven en woningcorporaties zoals vastgelegdin het startmotorkader over te nemen in het wetsvoorstel. Hierin wordenafspraken gemaakt over het gedeelte van de kosten dat voor rekening vande woningcorporaties komt en het gedeelte dat voor rekening van deverbruiker komt. Besloten is om dit niet in dit wetsvoorstel vast te leggen.Een warmtebedrijf heeft of een leveringsovereenkomst met de verhuurderals er sprake is van een centrale leveringsaansluiting of met de huurderals er sprake is van een individuele leveringsaansluiting. Als het warmte-bedrijf een leveringsovereenkomst met de verhuurder heeft, dan levert deverhuurder de warmte door aan haar huurders en brengt daarvoor dekosten in rekening. Hier is het huurrecht van toepassing. Als het warmte-bedrijf een leveringsovereenkomst heeft met de huurder met eenindividuele aansluiting zijn de door de ACM vastgestelde kleinverbruikers-tarieven van toepassing. Het warmtebedrijf heeft dan geen overeenkomstmet de verhuurder. Daarom is het niet logisch om in dit wetsvoorstel op tenemen dat een deel van de kosten bij deze verhuurder in rekening moetenworden gebracht. Uiteraard staat het partijen wel vrij om hier afsprakenover de maken. Het warmtebedrijf staat het daarbij vrij om bij de huurderseen prijs in rekening te brengen die onder de door de ACM vastgesteldemaximumprijs ligt. Als er dergelijke afspraken zijn gemaakt met deverhuurder, handelt het warmtebedrijf niet discriminatoir ten opzichte vanandere verbruikers.Verschillende reacties hebben betrekking op de verschillen in tarieventussen de verschillende warmtekavels en de wens om dit te socialiseren.Er zullen, naar mate de tarieven meer op kosten gebaseerd zijn,verschillen in prijs ontstaan tussen de verschillende warmtekavels. Dit isinherent aan het principe dat het warmtebedrijf zijn kosten op dewarmtekavel terugverdient. Het hanteren van dit principe is noodzakelijkomdat alleen dan inzichtelijk is voor gemeenten of een collectievewarmtevoorziening het alternatief met de laagste maatschappelijke kostenis.Er zullen in dit wetsvoorstel ook tarieven worden vastgesteld voor koude,in die situatie waarin een verbruiker verplicht is om naast warmte ookkoude af te nemen. Dit doet zich met name voor bij WKO-systemen.Voorgesteld is om in de bandbreedte zoals opgenomen in artikel 7.1 vandit wetsvoorstel niet de tarieven voor 5 jaar op te nemen maar demethode voor tariefbepaling. Dit voorstel wordt niet overgenomen. Alleenals de gebouweigenaar weet wat hij maximaal moet gaan betalen kan hijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3179 weloverwogen beslissen of hij aangesloten wil worden op een collectiefwarmtesysteem. Wel is besloten deze termijn te verkorten met 3 jaar.Tegelijkertijd is ook de verplichte aansluitingstermijn verlaagd naar 3 jaar.Het artikel dat warmtebedrijven de mogelijkheid biedt om tariefdifferen-tiatie toe te passen, zoals opgenomen in artikel 5a van de Warmtewet, zalook worden opgenomen in dit wetsvoorstel. Deze bepaling komt tevervallen zodra de tariefsystematiek in fase 3 zoals beschreven inparagraaf 8.1 van deze toelichting wordt toegepast. Indien de tariefsyste-matiek in fase 2 wordt toegepast voor de transport en leveringstarievenvoor kleinverbruikers, kan de Minister bij koninklijk besluit bepalen dat deACM ook tariefformules en tarieven vaststelt voor grootverbruikers. In detariefsystematiek van fase 3 worden de tarieven voor grootverbruikerseveneens gereguleerd.Hoofdstukken 9 tot en met 11Op de hoofdstukken 9 tot 11 zijn minder reacties binnengekomen dan opde andere hoofdstukken. Voor wat betreft hoofdstuk over de experimen-teerbepaling is in de internetconsultatie gevraagd naar de invulling vanhet experimenteerbepaling. De kaders die de Raad van State meegeeftvoor een experimenteerbepaling leiden ertoe dat heel specifiek enconcreet omschrijven moet worden om welke experimenten het gaat enhoe bescherming geboden wordt bij afwijking. Uit een inventarisatie blijktdat er thans geen specifieke experimenten zijn waarvoor ruimte gegevendient te worden door middel van een experimentenbepaling. Omdat eengenerieke experimentenbepaling, zoals aangegeven, niet past in de kadersvan de Raad van State is besloten om geen experimenteerbepaling op tenemen in dit wetsvoorstel.Hoofstuk 12: overgangsrechtIn de internetconsultatie wordt verzocht om te regelen dat bestaandeovereenkomsten met grootverbruikers in stand blijven. Dit voorstel wordtniet overgenomen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, treedt eerstfase 1 van de tariefregulering in werking. Gedurende deze periode wordende tarieven voor grootverbruikers nog niet gereguleerd en kunnen debestaande overeenkomsten in stand blijven. Als de ACM kostengeba-seerde tariefformules vaststelt voor de levering van warmte aan kleinver-bruikers (fase 2 van de tariefregulering) kan de Minister bij koninklijkbesluit bepalen dat de ACM ook tariefformules en tarieven voor grootver-bruikers gaat vaststellen. De gereguleerde maximumtarieven zijn danleidend.Uit de internetconsultatie kwam naar voren dat soms niet duidelijk is opwelk gebied de concessie ziet, of bij gebrek daaraan, wat het gebiedbehelst waar feitelijk geleverd wordt. Daarom is in artikel 12.2 en detoelichting daarop in paragraaf 13.2 de omvang nader omschreven.In de internetconsultatie hebben partijen aangegeven dat bestaandeconcessies vaak alleen zien op nieuwbouw. Indien het concessiegebiedwordt omgezet in een warmtekavel is niet helder wat er met bestaandebouw binnen dit gebied dient te gebeuren. Mogelijk wil het bestaandewarmtebedrijf dit niet voor zijn rekening nemen. In artikel 12.9 is demogelijkheid opgenomen om in zo’n situatie het bestaande warmtebedrijfde plicht te geven toegang te verschaffen tot zijn collectieve warmtevoor-ziening aan een nieuw warmtebedrijf dat voor een naastgelegen warmte-kavel wordt aangewezen. Op deze wijze wordt geborgd dat de gemeenteregie houdt over de collectieve warmtevoorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3180 In de internetconsultatie is verzocht om iets te regelen voor situaties dathet warmtebedrijf afspraken heeft gemaakt met verbruikers, bijvoorbeelddat zij een lagere aansluitbijdrage betalen en daarna een hoger tarief.Besloten is om dit niet over te nemen. Het warmtebedrijf mag niet meer inrekening brengen dan de door de ACM vastgestelde maximumtarieven.Dat de verbruikers (of hun voorgangers bij verhuizing) ooit een lageraansluittarief hebben betaald doet daarbij niet ter zake.20.2. Advies Adviescollege toetsing regeldruk Op 6 augustus 2020 heeft Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR)een advies uitgebracht op het wetsvoorstel zoals dat geconsulteerd is.Hoewel de ATR geen opmerkingen bij nut en noodzaak van warmtenettenvoor een broeikasgassen-vrije warmtevoorziening heeft, zijn enkeleadviespunten aangedragen die toezien op de regeldrukaspecten die methet wetsvoorstel samenhangen.Ten eerste adviseert ATR om in de toelichting in te gaan op het mogelijkkostenverhogende effect en de gevolgen daarvan voor de tarieven als hetNMDA-principe wordt losgelaten en in het verlengde daarvan om de Wetcollectieve warmte te zijner tijd te evalueren op de gevolgen voorregeldruk waaronder de (meer)kosten voor verbruikers van warmte. DeATR wijst daarmee terecht op het belang van de betaalbaarheid vanwarmte. Om die reden is de nieuwe tariefregulering onder andere gerichtop het bieden van zekerheid aan consumenten dat ze niet meer betalenvoor hun warmte dan de (efficiënte) kosten die redelijkerwijs nodig zijnvoor die warmtelevering. Meer inzicht in de kosten is – met het oog op debetaalbaarheid en de woonlasten – ook nodig om tot een goede afwegingover de verdeling van kosten te kunnen komen. De verdeling van dekosten in het kader van de betaalbaarheid en de woonlasten maakt echtergeen onderdeel uit van dit wetsvoorstel, maar van flankerend beleid. Hetopnemen van een beschrijving hiervan in de toelichting zou daarmeeprematuur zijn.Ten tweede adviseert de ATR om de verplichte aanvraag van eenontheffing door potentiële kleine collectieve warmtesystemen tevervangen door een bij wet geregelde vrijstelling voor deze systemen,eventueel aangevuld met een meldingsplicht. Dat potentiële kleinecollectieve warmtesystemen zo min mogelijk belemmerd dienen teworden bij het ontplooien van warmteactiviteiten wordt onderschreven.Om die reden is besloten om naar aanleiding van de reacties die zijningediend bij de internetconsultatie de grens voor kleine collectievewarmtesystemen van 500 aansluitingen te verhogen naar 1500. Eengenerieke vrijstelling voor kleine collectieve warmtesystemen door in dewet de voorwaarden op te nemen waaraan voldaan moet worden, stuitechter op een aantal bezwaren. Allereerst zal het college per geval moetenbeoordelen of het verstrekken van een ontheffing leidt tot significantnegatieve effecten op de haalbaarheid van de aanleg en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf voorde warmtekavel waarbinnen het gebied waar de aanvraag betrekkingheeft zich bevindt. Generiek geldende voorwaarden doen geen recht debenodigde contextafhankelijke beoordeling door het college. Verder is eenzorgvuldige afweging door het college bij het verlenen van een ontheffingvan belang, teneinde onzekerheden voor het aangewezen warmtebedrijfbinnen zijn warmtekavel te beperken. Het wegnemen van onzekerhedenvoor aangewezen warmtebedrijven – waar mogelijk – draagt bij aan degroei en betaalbaarheid van collectieve warmtevoorzieningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3181 De ATR adviseert ten derde om de criteria bij de aanwijzingsprocedurenader te operationaliseren. Het belang hiervan wordt onderkend. Voor eenverdere invulling van de afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria biedthet wetsvoorstel daarom de mogelijkheid om bij algemene maatregel vanbestuur nadere regels vast te stellen omtrent de invulling van dezegronden en rangschikkingscriteria.Verder wordt over de boekhoudkundige regels gesteld dat deze duidelijkeen consistent dienen te zijn. Dit aandachtspunt zal worden meegenomenin de verdere uitwerking in de lagere regelgeving. Voorts wijst de ATRerop dat huurders toestemming dienen te geven tot het aansluiten van dewoning op de collectieve warmtevoorziening. Als verhuurders vervolgensgeen ontheffing krijgen op de verplichting hun woningen aan te sluiten ophet warmtenet, komen zij volgens het ATR in een onwerkbare situatie.Verhuurders kunnen als gebouweigenaar echter gebruik maken van demogelijkheid voor een opt-out en zijn niet afhankelijk van een ontheffingom te kunnen voldoen aan de wensen van huurders.Vervolgens vraagt de ATR aandacht voor de regeldrukberekening. Gesteldwordt dat de kosten van de informatieverplichtingen van de opt-out wel inkaart zijn gebracht, maar dat dit niet geldt voor de inhoudelijke verplich-tingen. De overweging om de kosten die gepaard gaan met het kiezenvoor een alternatief niet in kaart te brengen is gelegen in het ontbrekenvan voldoende inzicht in kosten van verschillende warmteopties vooreindgebruikers. Ook wordt door de ATR opgemerkt dat de regeldruk vande inhoudelijke eisen ten aanzien van de leveringszekerheid en deduurzaamheidsnorm niet zijn berekend. Voor wat betreft de leveringsze-kerheidsnorm geldt dat deze aansluit bij wat reeds gangbaar en gebrui-kelijk is, waardoor extra investeringen voor warmtebedrijven naarverwachting niet noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de inhoudelijkeverplichtingen die voortvloeien uit de duurzaamheidsnormen wordtgewezen op de randvoorwaarden voor de duurzaamheid voor degeleverde warmte die voortvloeien uit de Klimaatwet en de afsprakenbinnen het Klimaatakkoord.Tot slot wijst de ATR nog op de kosten voor de installatie van de afleverseten de jaarlijkse kosten voor het onderhoud van de aansluitset ofafleverset. Het is volgens de ATR niet duidelijk of de gebouweigenaar ookverantwoordelijk wordt voor de financiering van de aansluitset en dus ookniet wie de regeldrukgevolgen daarvan moet ondergaan. De afleversetwordt echter op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel o, aan deverbruiker ter beschikking gesteld door het aangewezen warmtebedrijf,waardoor de verbruiker geen investeringen hoeft te doen.20.3. Toets code interbestuurlijke verhoudingen Dit wetsvoorstel is tevens aan de VNG, IPO en de Unie van Water-schappen toegezonden in het kader van de toets die is voorgeschreven inde code interbestuurlijke verhouding. Op 28 december 2020 is doorgenoemde partijen een interbestuurlijke toets verzonden. Aangegeven isdat in den brede de gewenste stappen zijn gezet richting transparantie inde kosten van collectieve warmte en dat het wetsvoorstel een opmaatbevat naar een kostengebaseerde tariefmethodiek met een redelijkrendement. Dat leveringszekerheid een belangrijke plek heeft in hetwetsvoorstel wordt ook als positief aangeduid. Dat geldt ook voor destevig verankerde toezichtsrol van de ACM. Derdentoegang en de rol vande provincie worden onderschreven, hoewel in de toets wordt voorge-steld om dit verder aan te scherpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3182 Ook constateren VNG, IPO en de Unie van Waterschappen dat hetwetsvoorstel (vooralsnog) te weinig mogelijkheden geeft regie te voerenen wordt het ontbreken van een visie op het integrale energiesysteem alsaandachtspunt genoemd. Ook wordt gesteld dat wetsvoorstel de positievan de grote marktpartijen zou verstevigen, wat ten koste zou kunnengaan van innovatie. Tot slot wordt erop gewezen dat de gemeentenonvoldoende instrumenten heeft om regie te voeren bij grootschaligewarmte-infrastructuur, alsook de mogelijkheden qua keuzevrijheid voor deeindgebruiker.In dit wetsvoorstel is tegemoetgekomen aan de wens voor een stevigerpublieke regierol door voor te schrijven dat alleen warmtebedrijven meteen publiek meerderheidsbelang voor een warmtekavel aangewezenkunnen worden. Door de inzet van warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang hebben de medeoverheden een aanpak vanuit hetperspectief van een integraal energiesysteem ook meer zelf in de hand.Ook een verruiming van de rol van publieke infrastructuurbedrijven die indit wetsvoorstel is voorgesteld kan daaraan bijdragen. De regierol vangemeenten bij grootschalige warmte-infrastructuur is reeds in hetwetsvoorstel geborgd doordat meerdere gemeenten een gezamenlijkwarmtekavel vast kunnen stellen. Ook is het onder omstandighedenmogelijk dat voor warmtetransportnetten een warmtetransportbeheerderwordt aangewezen door de Minister. In de veronderstelling dat hetpleidooi voor keuzevrijheid voortkomt uit de wens om de verbruiker tebeschermen, kan worden opgemerkt dat dit wetsvoorstel de verbruikerbeschermt door bepalingen die de kwaliteit van dienstverleningwaarborgen en door de op kosten gebaseerde tariefregulering. Ook is deopt-out procedure alleen van toepassing in die gebieden waarvan degemeente heeft vastgelegd dat er collectieve warmte komt en dat hetgebruik van fossiele brandstoffen op termijn beëindigd wordt. Degemeente kan ook kiezen om geen gebruik te maken van dezebevoegdheid. Ook in de opt-out procedure kan de bewoner altijd kiezenom niet aan te sluiten op een warmtenet.20.4. Maatschappelijke dialoog marktordening en bestaandeinitiatieven Meer fundamentele bezwaren in de internetconsultatie betroffenvoornamelijk de inrichting van de marktordening. Op 5 juli 2021 is deTweede Kamer geïnformeerd over het feit dat de medeoverheden het toenvoorliggende (concept)wetsvoorstel niet steunden.44Op verzoek van de medeoverheden is de optie onderzocht om in ditwetsvoorstel op te nemen dat alle soorten warmtebedrijven aangewezenkunnen worden in combinatie met de bevoegdheid van de gemeentevóóraf een voorkeur aan te geven voor bepaald type warmtebedrijf(publiek, privaat of een samenwerkingsvorm). Over de verenigbaarheidvan deze wens met het Europees recht is advies gevraagd bij de landsad-vocaat. In dit advies, dat aan de Tweede Kamer is toegezonden bij briefvan 28 september 202145, concludeerde de landsadvocaat dat – binnen hetkader van het wetsvoorstel zoals dat destijds was opgesteld en waarin allewarmtebedrijven de mogelijkheid hadden een aanvraag in te dienen omaangewezen te worden – het vooraf bepalen van een bedrijfstypevoorkeur niet verenigbaar is met het Europees recht.44Kamerstukken II 2020/21, 30 196, nr. 764.45Kamerstukken II 2020/21, 30 196, nr. 768.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3183 In de periode na juli 2021 is een maatschappelijke dialoog gestart met demeest betrokken stakeholders: warmtebedrijven, gemeenten, provincies,infrastructuurbedrijven (gelieerd aan de gereguleerde systeembeheerdervan elektriciteit en gas) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties. Vier vragen zijn tijdens deze zogenaamde warmtedia-logen door alle betrokken beantwoord:1.moet er binnen een warmtekavel sprake zijn van concurrentie ofregulering van een monopolist?2.moet een warmtebedrijf integraal verantwoordelijkheid zijn of is hetwenselijk dat levering en netbeheer gesplitst wordt?3.hoe kunnen gemeenten het beste sturen: met het rechtsinstrumentvan een aanwijzing of een concessie?4.dient een warmtebedrijf niet, volledig of overwegend publiek te zijn?Overeenstemming is bereikt over de vragen 1 tot en met 3. Er wasovereenstemming dat een model dat uitgaat van concurrentie binnen eenwarmtekavel niet past bij de warmtemarkt, dat een integraal verantwoor-delijk warmtebedrijf beter geschikt is voor de warmtemarkt dan gesplitsteverantwoordelijkheden verdeeld over meerdere bedrijven en dat hetrechtsinstrument van de aanwijzing gemeenten de beste mogelijkhedengeeft te sturen voor en tijdens de exploitatie. Over vraag 4 is geenovereenstemming bereikt. Geen overeenstemming is bereikt over devraag of de inrichting van de marktordening uit moet gaan van gelijkecondities voor publieke en private warmtebedrijven (hybride model) of dateen publiek meerderheidsbelang in een warmtebedrijf voorgeschrevenmoet worden teneinde doorslaggevende zeggenschap over het beleid vanhet warmtebedrijf en de infrastructuur zeker te stellen (publieke ordening).Gelet op de voorkeur voor een publieke ordening is besloten naderonderzoek naar de daarvoor gewenste condities te doen. In de loop van2022 zijn daartoe enkele onderzoeken naar de benodigde publiekerealisatiekracht uitgevoerd. Bij brief van 21 oktober 2022 is de TweedeKamer geïnformeerd dat alleen warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang aangewezen kunnen worden voor een warmtekavel.Hierdoor wordt de publieke regie op de warmtetransitie versterkt enworden de publieke belangen beter geborgd. Dit is nodig om hetdraagvlak en vertrouwen in collectieve warmte bij bewoners te behoudenen een goede samenwerking tussen gemeenten en warmtebedrijven tefaciliteren.46 Ook het toenemende vitale belang van de warmte-infrastructuur rechtvaardigt een dergelijke keuze. Een meer publiekeordening vergt een aanzienlijke opbouw van de publieke organisatie enfinancieringsmogelijkheden, die een ruime ingroeiperiode noodzakelijkmaakt. In paragraaf 16.5 is de opbouw van de publieke organisatie enfinancieringsmogelijkheden toegelicht. Deze keuze voor warmtebedrijvenmet een publiek meerderheidsbelang is in de periode daarna verwerkt inhet voorliggende wetsvoorstel. Een nadere motivering van deze keuze isopgenomen in paragraaf 1.2, onder c.In de periode na het versturen van de brief van 21 oktober 2022 is met allebetrokken partijen gesproken over de wijze waarop omgegaan kanworden met bestaande initiatieven van warmtebedrijven waarvan deaandelen niet in meerderheid in handen is van een publieke partij. Daarbijis gekeken hoe bestaande warmtebedrijven voldoende zekerheid kunnenkrijgen zodat bestaande en nieuwe initiatieven doorgang kunnen vindenna inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De mogelijkheden hiertoe vooren na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn in de «Leidraad46Kamerstukken I 2022/23, 30 196, nr. 800Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3184 lopende projecten»47 opgenomen, die gedeeld is met de betrokkenpartijen.Ook is onderzocht op welke wijze duidelijkheid kan worden geboden overde waarde van de eigendom van warmtenetten bij de overdracht aan eenandere partij nadat de overgangstermijn is verstreken. In dat verband isde landsadvocaat verzocht om te beoordelen of met dit wetsvoorstelsprake is van inmenging in het eigendomsrecht en zo ja, of deze opregelgevingsniveau rechtmatig is gelet op de vereisten die artikel 1 EPEVRM stelt aan regulering dan wel ontneming van eigendom. Delandsadvocaat is in het advies van 5 april 2023 tot de conclusie gekomendat de voorgestelde regeling over het publiek meerderheidsbelang vanwarmtebedrijven en de overdragen van de eigendom van het warmtenetde toets aan artikel 1 EP EVRM kan doorstaan.48Tot slot is bezien hoe bestaande warmtebedrijven onder het overgangs-recht gebracht worden. Specifiek is nagegaan hoe omgegaan kan wordenmet bestaande collectieve warmtevoorzieningen die door toepassing vanhet overgangsrecht opgeknipt zouden worden in meerdere aanwijzingenvoor een warmtekavel met elk een eigen overgangstermijn. Naaraanleiding hiervan is het overgangsrecht aangescherpt.20.5. Advies van de Autoriteit Persoonsgegevens Het wetsvoorstel is toegezonden aan de Autoriteit Persoonsgegevens.Deze heeft in het advies van 12 juli 2022 geadviseerd dat om in hetwetsvoorstel op te nemen met welke frequentie de verbruiksgegevens vankleinverbruikers ten hoogste kunnen worden uitgelezen van een opafstand uitleesbare warmtemeter of warmtekostenverdeler en dezefrequentie te onderbouwen in de toelichting. Naar aanleiding van ditadvies is in het wetsvoorstel voorgesteld om het uitlezen van verbruiksge-gevens van kleinverbruikers te maximeren op één keer per kwartier.Hiermee wordt aangesloten op gehanteerde frequentie bij elektriciteit.20.6. Advies Raad van de Rechtspraak Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad van de Recht-spraak. Deze heeft in het advies van 10 februari 2021 geconcludeerd dat ergeen zwaarwegende bezwaren zijn tegen het wetsvoorstel maar heeft deMinister in overweging gegeven het wetsvoorstel op een aantal onder-delen te verduidelijken dan wel aan te passen. Hieraan is gehoor gegeven.De Raad van de Rechtspraak heeft opgemerkt dat het gelet op derechtszekerheid de voorkeur heeft in een aantal gevallen nadere regels testellen in plaats van de bevoegdheid op te nemen nadere regels te stellen.Het wetsvoorstel is hierop aangepast. Naar aanleiding van het advies is dezinssnede «significant negatieve effecten» in artikel 3.1, eerste lid, komente vervallen en nader ingevuld in artikel 3.1, zesde lid, onderdelen e en f.Op vergelijkbare wijze is artikel 2.29, derde lid, aangepast. Het aange-wezen warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder is geen bestuurs-orgaan in de zin van artikel 1.1 van de Awb. Dit is op advies van de Raadvan de Rechtspraak toegelicht. De Raad van de Rechtspraak heeftgeadviseerd te bezien of het wenselijk is dat er rechtsbescherming tegenmet name de vergroting van een warmtekavel open staat. In hetwetsvoorstel is de vaststelling van de warmtekavel niet langer een besluitdat op de negatieve lijst van de Awb is geplaatst.47https://www.aardgasvrijewijken.nl/documenten/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=251010548Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 815.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3185 De Raad van de Rechtspraak heeft geadviseerd om in het wetsvoorsteleen regeling voor provincie-overschrijdende warmtekavels op te nemen.Dit advies is niet overgenomen, omdat in het wetsvoorstel de keuze isgemaakt de gemeente de regie te geven. Bovenal is het op grond van hetwetsvoorstel al mogelijk een warmtekavel die een provinciegrensoverschrijdt vast te stellen en is het gezien het lokale karakter van warmte(zie paragraaf 1.1) vrijwel uitgesloten dat een collectieve warmtevoor-ziening groter dan een provincie wordt aangelegd.De Raad van de Rechtspraak kan zich ten slotte vinden in de voorgesteldeconcentratie van rechtsbescherming bij de rechtbank Rotterdam en hetCBb zoals is toegelicht paragraaf 12.1.20.7. Uitvoerings- en handhavingstoets ACM Dit wetsvoorstel is bij brief van 1 juni 2023 voor een uitvoerings- enhandhavingstoets aan de ACM voorgelegd. De ACM heeft bij brief van13 juli 2023 geconcludeerd dat het wetsvoorstel uitvoerbaar enhandhaafbaar is, mits het wetsvoorstel op onderdelen wordt aangepast.De ACM heeft in genoemde brief ten aanzien van een aantal onderwerpenaanbevelingen geformuleerd. Hieronder wordt per onderwerp ingegaanop de belangrijkste aanbevelingen.Toets van de ACMDe ACM beveelt aan om in dit wetsvoorstel te bepalen dat zij voorafgaandaan de aanwijzing van een warmtebedrijf indringender en diepgaander debekwaamheid en financiële soliditeit van het warmtebedrijf toetst. Dezeaanbeveling is overgenomen daar aanpassing van de bepalingen diehierover zijn opgenomen in artikel 2.5, derde lid, en 2.7, derde lid.Verder is de ACM van mening dat zij ook de mogelijkheid moet hebbenom voorafgaand aan de verlening van een ontheffing voor een kleincollectief warmtesysteem een warmtebedrijf te toetsen op bekwaamheiden financiële soliditeit. Ook deze aanbeveling is overgenomen doorwijziging van de artikelen 3.1 en 3.4 van het wetsvoorstel. Voor eennadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze toelichting.Duidelijkheid over eindverantwoordelijkheid bij contractuele warmtejoint-ventureDe ACM adviseert in het wetsvoorstel duidelijk te maken wie deeindverantwoordelijkheid draagt in geval van een contractuele warmtejoint-venture. Naar aanleiding van deze aanbeveling is de definitie van dewarmte joint-venture aangescherpt. Voorgesteld is dat een warmtejoint-venture een rechtspersoon of een personenvennootschap moet zijn.Een warmte joint-venture waaraan alleen een overeenkomst aan tengrondslag ligt, niet zijnde een personenvennootschap, wordt nietaangemerkt als een warmte joint-venture. Een dergelijk samenwerkings-verband ontbeert een juridische entiteit waarop de taken en verplich-tingen op grond van dit wetsvoorstel rusten en die op de nakomingdaarvan kan worden aangesproken door het college of de ACM.ConsumentenbeschermingDe eerste aanbeveling van de ACM op dit punt is om de consumentenbe-scherming in dit wetsvoorstel waar mogelijk te stroomlijnen met deEnergiewet. Deze aanbeveling is overgenomen door wijziging respectie-velijk toevoeging van de artikelen 2.30, 2.31, 2.32, 2.33, 2.35 tot en met2.39.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3186 Daarnaast heeft de ACM aandacht gevraagd om duidelijkheid te gevenover de rechten en plichten van een gebouweigenaar bij aanpassingenvan de binneninstallatie. Deze rolverdeling is reeds opgenomen in hetwetsvoorstel. Het warmtebedrijf is op grond van het wetsvoorstel reedsverplicht om de warmtebehoefte van een gebouw en de kenmerken vande binneninstallatie aan te geven waaraan voldaan moet zijn om met dedoor het warmtebedrijf geleverde warmte de verblijfsruimten te kunnenverwarmen tot minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentem-peratuur die niet lager is dan -10 graden Celsius. De gebouweigenaar, VvEof verhuurder is dan verantwoordelijk voor het voldoen aan dezemaximale warmtebehoefte en kenmerken van de binneninstallatie. Vooreen nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.7.3 onder«Warmtebehoefte en kenmerken van de binneninstallatie».Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen daarnaast nadereregels worden gesteld over de informatie die het warmtebedrijf bij hetaanbod moet verstrekken. Het is de bedoeling dat een warmtebedrijfvoorziet in een heldere uitleg van de mogelijk noodzakelijke aanpassingenvan het gebouw of de binneninstallatie die – indien aan de orde – door degebouweigenaar gerealiseerd zullen moeten worden. Als het eengebouweigenaar niet lukt om aan die eisen te voldoen of als de kostendaarvan te hoog blijken te zijn kan hij er altijd voor kiezen om zich niet telaten aansluiten op de collectieve warmtevoorziening.Ook heeft de ACM aanbevolen om de brandbreedte van de minimale enmaximale tarieven en temperaturen in het aanbod en in de leveringsover-eenkomst van het warmtebedrijf in te kaderen. De in artikel 2.24opgenomen temperatuurrange van de aanvoertemperatuur in deaansluitovereenkomst zal altijd moeten leiden tot een binnentemperatuurvan minimaal 20 graden Celsius. Hiermee is de temperatuurbandbreedteimpliciet begrensd en is deze aanbeveling dus reeds ingevuld in hetwetsvoorstel.De bandbreedte van de tarieven is ook al beperkt doordat deze gebaseerdmoet zijn op de verwachte daadwerkelijke kosten. De verwachting isbovendien dat bewoners met name zullen kijken naar het maximale tariefvan de bandbreedte. De vergelijking met individuele warmte kan goedgemaakt worden aangezien de tarieven op verwachte daadwerkelijkekosten zijn gebaseerd.De ACM heeft verder meer duidelijkheid gevraagd over de positie van deleden van de VvE bij de opt-out regeling.De keuze van een VvE(-lid) voor wel of geen aansluiting op een collectiefwarmtesysteem heeft effect op het eigendomsrecht van de (andere) ledenvan de VvE, bijvoorbeeld omdat er leidingen door een appartementgelegd moeten worden. De vraag is of dit eigendomsrecht beperkt kanworden ten behoeve van de aansluiting op een collectieve warmtevoor-ziening. Het is inderdaad zo dat er medewerking van de VVE noodzakelijkis voor leidingen in gemeenschappelijke ruimten. Dit wordt niet in ditwetvoorstel geregeld maar via de regelgeving voor VvE’s. Het is logischdat een individueel VvE-lid hierin geen alleenrecht heeft maar dat hier inVvE verband over moet worden besloten omdat het gezamenlijke ruimtebetreft.ACM vraagt ook kritisch te kijken naar de rol van de gemeente diemogelijk het eigendomsrecht van de leden van de VvE zou inperken doorbijvoorbeeld een verzoek om ontheffing van artikel 1.2, eerste lid, vooreen alternatief van de collectieve warmtevoorziening af te wijzen. Het isvan maatschappelijk belang dat het college een ontheffing kan weigerenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3187 op vooraf bepaalde gronden. Bijvoorbeeld als de tarieven van andereverbruikers significant verhoogd zullen worden. Een dergelijkebevoegdheid van het college is noodzakelijk om haar regierol in dewarmtetransitie te kunnen vervullen en rechtvaardigt in voorkomendegevallen een inperking van de keuzevrijheid van een VvE om een eigenwarmtevoorziening te realiseren.Betrouwbare leveringDe ACM merkt op dat de taak voor het warmtebedrijf ontbreekt om zorg tedragen voor een betrouwbare levering van warmte tegen redelijkevoorwaarden, met inachtneming van een goede kwaliteit van dienstver-lening. Deze taak is wel opgenomen in de Warmtewet. De ACM geeft aandat de wettelijke verankering van deze taak de ACM de mogelijkheid biedtom in te grijpen als er (structureel) problemen zijn met de warmtele-vering, als andere meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. Dezeaanbeveling is overgenomen door als expliciete taak van het warmtebe-drijf in het wetsvoorstel op te nemen dat het zorg moet dragen voor eenbetrouwbare levering van warmte met inachtneming van een goedekwaliteit van dienstverlening alsmede tegen transparante tarieven enonder transparante en redelijke voorwaarden.MetenDe ACM stelt voor om in het wetsvoorstel te verduidelijken dat warmte-meters en warmtekostenverdelers in beginsel op afstand uitleesbaarmoeten zijn. Deze aanbeveling is niet overgenomen. Deze regel isnamelijk reeds opgenomen in artikel 2.42, eerste lid. Verder adviseert deACM in het wetsvoorstel om een verplichting tot installatie van eenslimme meter voor grondgebonden gebouwen op te nemen. Dit is echterreeds het uitgangspunt in het wetsvoorstel (artikel 2.41, eerste lid). Bijgrondgebonden gebouwen zal is het immers niet voorstelbaar dat deinstallatie van een warmtemeter niet technisch haalbaar of kostenefficiëntis. In de toelichting is ter verduidelijking opgenomen dat de warmtele-vering van een aangewezen warmtebedrijf ten behoeve van verbruikers inindividuele woningen of gebouwen (grondgebonden) gemeten zal wordenmet een warmtemeter.LeveringszekerheidDe ACM acht het gewenst dat er nadere regels worden gesteld tenaanzien van de stappen en procedure ingeval van een surséance vanbetaling of faillissement van een warmtebedrijf (door de ACM aangeduidals het Besluit leveringszekerheid).Een surséance van betaling of faillissement zal altijd aanleiding geven toteen melding door de ACM aan het college op grond waarvan het collegehet proces tot intrekken van de aanwijzing (artikel 2.9) of de ontheffingvoor een klein collectief warmtesysteem (artikel 3.3) dient te starten. In datlicht heeft de aanbeveling om regels te stellen ertoe geleid dat in hetwetsvoorstel is voorzien in een delegatiegrondslag in artikel 2.9 op basiswaarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelskunnen worden gesteld over de procedure en de vereisten die tijdelijkgelden bij het proces rondom de intrekking van een aanwijzing. Nadereuitwerking zal in overleg met de ACM plaats vinden in de lagere regel-geving. In ieder geval is het de bedoeling dat daarbij regels wordengesteld over de verschillende stappen in het proces, de daarbij tehanteren termijnen en de vereisten die gelden in verband met de op debetreffende collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruikers.Daarbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de vergelijkbareTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3188 regelgeving ten aanzien van elektriciteit en gas. Het kan in zeer acutesituaties voorkomen dat de ACM eerst op grond van artikel 9.5 een anderwarmtebedrijf opdraagt om de levering van warmte over te nemen, terwijlde ACM op dat moment nog geen melding als bedoeld in artikel 2.9,eerste lid, heeft gedaan en het college het op grond van die meldingverplichte proces tot intrekken van de aanwijzing nog niet is gestart. DeACM heeft aangegeven dan ook een vooraf vastgelegde procedure tewillen volgen. Om deze reden is in artikel 9.5 een vergelijkbare delegatie-bepaling opgenomen als in artikel 2.9. De invulling hiervan zal wordenafgestemd op de regels op grond van artikel 2.9.De aanbeveling van de ACM dat de voorwaarden voor verbruikers in allefases van het proces volgend op een surséance van betaling of faillis-sement ongewijzigd zouden moeten blijven is niet overgenomen. Indienhet de curator bijvoorbeeld niet lukt om het in surséance van betaling offaillissement verkerende warmtebedrijf te verkopen en de ACM terborging van de leveringszekerheid genoodzaakt is om één of meerpartijen opdrachten te verstrekken ter borging van de leveringszekerheidis de leveringszekerheid niet gediend met het verplicht overnemen vanvoorwaarden die mogelijk een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaanvan de problemen. Ook de aanbeveling ten aanzien van het creëren vaneen fonds waaruit mogelijke financiële nadelen van verbruikers gecom-penseerd kunnen worden is niet overgenomen. De belangrijksteoverweging daarbij zijn de onvoorspelbaarheid van de noodzakelijkeomvang van een dergelijk fonds, de hoge administratieve lasten en hetverhogende effect op de tarieven van verbruikers. Daarbij is het vanbelang dat een dergelijk fonds ook niet bestaat bij elektriciteit en gas.De ACM heeft verder geconstateerd dat het wenselijk kan zijn om deoorspronkelijke keuze voor collectieve warmte niet te allen tijde te moetendoorzetten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er geen ander warmte-bedrijf kan worden gevonden of als verduurzaming van de collectievewarmtevoorziening structureel onmogelijk blijkt. De ACM heeft in datkader aanbevolen dat een gemeente dan verplicht moet worden om eenzogenaamde exit-strategie uit te werken waarin wordt beschreven opwelke manier warmtelevering aan verbruikers kan worden voortgezet ofwelk alternatief voor die warmtelevering mogelijk is.Het is van belang om te voorkomen dat op grond van het onderhavigewetsvoorstel getroffen noodmaatregelen in verband met problemenrondom de leveringszekerheid een permanent karakter krijgen. Gelet ophet in dit wetsvoorstel gekozen uitgangspunt van gemeentelijke regie ligthet voor de hand dat de gemeente ook in dergelijke situaties een centralerol krijgt. Genoemde aanbeveling van de ACM is daarom overgenomendoor in artikel 2.9, zesde lid, het college te verplichten om een plan op testellen indien het niet mogelijk is om binnen de op grond van ditwetsvoorstel gestelde termijn in het kader van de intrekkingsprocedureeen ander warmtebedrijf aan te wijzen. In dit plan dient het college tebeschrijven hoe de levering van warmte aan verbruikers door hetaangewezen warmtebedrijf kan worden gewaarborgd. Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over deinhoud van het plan en de termijn waarbinnen het college dit plan moethebben opgesteld.Artikel 9.5 biedt de mogelijkheid aan de ACM om – indien aan devoorwaarden wordt voldaan van dat artikel – ieder ander dan hetaangewezen warmtebedrijf een opdracht te verstrekken indien datnoodzakelijk is om de leveringszekerheid te waarborgen. Dezebevoegdheid impliceert mede de bevoegdheid om een partij aan te wijzendie optreedt als tijdelijk noodwarmtebedrijf. Daarmee is de aanbevelingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3189 van de ACM op dit punt ingevuld. De aanbeveling om reeds in de wet eenspecifieke partij als noodwarmtebedrijf aan te wijzen is niet overgenomen,omdat de karakteristieken en situaties bij collectieve warmtesystemendermate verschillend kunnen zijn dat het niet mogelijk is om voor deborging van de leveringszekerheid bij voorbaat één geschikte partij tebenoemen. Wel zullen er op grond van artikel 2.15, elfde lid, bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteldover de invulling van de verplichting voor het aangewezen warmtebedrijfom in het uitgewerkt kavelplan te beschrijven op welke wijze de leverings-zekerheid zal worden verzekerd. Het voornemen is om daarbij te bepalendat het aangewezen warmtebedrijf daarbij tenminste de maatregelenbeschrijft die ingezet kunnen worden indien de leveringszekerheid acuutin gevaar is en aangeeft welke partijen ingeschakeld kunnen wordenindien de leveringszekerheid niet meer kan worden geborgd door hetaangewezen warmtebedrijf. Met de laatstgenoemde verplichting wordtvoorkomen dat er veel tijdverlies gepaard gaat met het zoeken naar eennoodwarmtebedrijf in het kader van de bevoegdheid van de ACM opgrond van artikel 9.5, vijfde lid. De ACM kan bij de toepassing van dezebevoegdheid dan immers gebruik maken van de door het aangewezenwarmtebedrijf verstrekte informatie in het uitgewerkt kavelplan.In artikel 9.5, derde lid, is bepaald dat de kosten van de redelijkevergoeding voor de door de ACM op grond van dit artikel aan te wijzenpartij voor rekening van het aangewezen warmtebedrijf komt. Deaanbeveling van de ACM om reeds bij voorbaat een fonds te creërenwaaruit de redelijke vergoedingen betaald kunnen worden indien dezeniet verhaald kunnen worden op het aangewezen warmtebedrijf, wordtniet overgenomen. Het is niet mogelijk om een goede inschatting temaken van de benodigde omvang van een dergelijk fonds. Een fondsbiedt daarmee geen garantie dat de kosten van de redelijke vergoedingendaaruit gedekt kunnen worden. Daarnaast zal de vormgeving en hetbeheer van een dergelijk fonds naar verwachting dermate complexworden dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen.Tot besluit is artikel 9.6 ten aanzien van het door de ACM kunnenaanwijzen van een zogenaamde stille bewindvoerder aangepast. Er geldtnu slechts één voorwaarde om een stille bewindvoerder te kunnenaanwijzen, namelijk dat direct ingrijpen om de leveringszekerheid teverzekeren noodzakelijk is indien door de bedrijfsvoering van hetwarmtebedrijf de leveringszekerheid onvoldoende geborgd wordt.Daarmee is gedeeltelijk invulling gegeven aan de aanbeveling van deACM op dit punt. De aanbeveling om ook een stille bewindvoerder tekunnen aanwijzen als er nog geen sprake is van een risico voor deleveringszekerheid is niet overgenomen, omdat de benoeming van eenstille bewindvoerder een dermate zwaar instrument is dat deze alleeningezet moet kunnen worden indien dat vanuit het oogpunt van leverings-zekerheid noodzakelijk is.Conform de aanbeveling van de ACM zijn de bepalingen ten aanzien vande warmtetransportbeheerder in lijn met het voorgaande daar waarrelevant ook worden aangepast.DuurzaamheidDe ACM constateert dat er samenloop is van duurzaamheidseisen voorcollectieve warmtesystemen vanuit het wetsvoorstel tot wijziging van deWet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve vande implementatie van richtlijn nr. 2023/959, richtlijn nr. 2023/958 enverordening nr. 2023/957 van het Europees parlement en de Raad van deEuropese Unie van 10 mei 2023 (PbEU 2023, L 130) met het oog opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3190 aanpassingen van het emissiehandelssysteem op het terrein vanbroeikasgasinstallaties en luchtvaart en een uitbreiding naar scheepvaarten brandstofleveranciers (hierna: EU ETS) en dit wetsvoorstel. De vraag isof er naast EU ETS nog additionele prikkels nodig zijn voor de verduur-zaming van collectieve warmtesystemen.Naast EU-ETS zal ook richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees parlementen de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001,Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering vanenergie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn(EU) 2015/652 van de Raad (PbEU 2023, L 2413) (hierna: richtlijn2023/2413/EU) en richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees parlement ende Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en totwijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (hierna: richtlijn2023/1791/EU) verplichtingen voor warmte en koude bevatten. Zo wordt erin de wijziging van de richtlijn 2023/1791/EU criteria voorgesteld voormaximale broeikasgasemissies in efficiënte warmtenetten. Naarverwachting zal alleen EU-ETS niet genoeg zijn om te voldoen aan deverplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn 2023/2413/EU en de richtlijn2023/1791/EU en aan de nationale doelstellingen van het klimaatakkoord.Deze verwachting zal getoetst worden tijdens de implementatie vanrichtlijn 2023/1791/EU en richtlijn 2023/2413/EU.De tweede aanbeveling van de ACM is om expliciet te kunnen toetsen ofsystemen duurzaam zijn in de bekwaamheidstoets.Duurzaamheid is zowel onderdeel van het globaal en uitgewerkt kavelplanals van de taken van het warmtebedrijf en daarom ook onderdeel van detoets. Desalniettemin zal dit in een algemene maatregel van bestuur noguitgewerkt worden. Hierbij zal ook aandacht zijn voor de verduurzamings-strategie tot 2050 om te voorkomen dat warmtebedrijven in 2040 nogcollectieve warmtesystemen aanleggen die 5 jaar later weer ontmanteldmoeten worden. Duurzaamheid is niet expliciet toegevoegd aan detechnische, organisatorische en financiële capaciteiten, omdatduurzaamheid, evenals leveringszekerheid een taak is en geen capaciteitvan het aan te wijzen warmtebedrijf.TariefreguleringDe ACM heeft voorgesteld om naast het waarborgen van betrouwbare,betaalbare en duurzame warmtevoorziening ook het bevorderen van degroei van collectieve warmtesystemen als doel van tariefreguleringopnemen. Anders komt in de uitvoering van tariefregulering veel nadrukte liggen op voorkomen van onderrendementen en efficiëntieprikkels, metmogelijke schadelijke effecten voor investeringsbereidheid. Dit voorstel isovergenomen.De ACM voorziet een groot risico op over- en onderrendementen als voorgroepen collectieve warmtesystemen een referentietarief moet wordenvastgesteld, vanwege de heterogeniteit in de sector. Op basis van de datadie nu beschikbaar is lijkt de heterogeniteit in kosten sterk te wordengedreven door verschillen in prijzen voor inkoop van warmte of doorverschillen in prijzen voor energie om warmte te produceren. Daarnaastspelen ook andere factoren een rol, zoals ligging of gebruikte materialen.De ACM wil meer flexibiliteit om rekening te kunnen houden met deverschillen. Tegelijkertijd voorziet de ACM problemen met de uitvoer-baarheid van fase 2. Het vaststellen van een tarief per warmtekavel is nietuitvoerbaar voor naar verwachting op termijn meer dan 1000 collectievewarmtevoorzieningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3191 De ACM stelt daarom voor dat zij drie middelen moet krijgen voor devaststelling van tarieven:1.Indeling in categorieën: de ACM wil om verschillende redenen eenonderscheid kunnen maken tussen collectieve warmtevoorzieningen.Reden om onderscheid te maken kan bijvoorbeeld zijn dat bepaaldesystemen heel andere technologie gebruiken (bijvoorbeeld WKO).Maar een reden kan ook zijn dat voor nieuwe warmtevoorzieningen (ingebruik genomen na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel) meteeninformatie op de juiste manier kan worden verzameld.2.Tariefformule per categorie (in plaats van maximumtarieven): voor elkecategorie warmtesystemen wil de ACM een tariefformule vast kunnenstellen. Het idee is dat een warmtebedrijf de formule vervolgens zelftoepast door gegevens over het betreffende warmtesysteem in tevullen om het maximum tarief voor de warmtekavel te berekenen. DeACM kan uit eigen beweging of op basis van signalen van verbruikersbesluiten om toezicht te houden op de correcte toepassing van deformules. De ACM kan vervolgens ingrijpen als tarieven verkeerd zijnberekend (herberekening, correctie). Door formules vast te stellen kande ACM wel rekening houden met heterogeniteit binnen een categorie,zonder dat de ACM voor elk warmtekavel een tariefbesluit moetnemen. De formules kunnen ook onderscheid maken tussen verschil-lende segmenten van de warmteketen (inkoop, productie, levering entransport).3.Verrekeningen achteraf: de ACM wil achteraf (gedeeltelijke) correctiestoe kunnen passen voor het verschil tussen feitelijke kosten envergoeding voor (een deel van) de kosten op basis van. tariefformules.Zo’n correctie kan ervoor zorgen dat bijvoorbeeld voor specifiekekostenposten alle gemaakte kosten achteraf vergoed worden via detarieven, terwijl voor andere kostenposten de tariefformules meerefficiëntieprikkels geven.Dit voorstel is overgenomen. In dit wetsvoorstel is voorgesteld dat deACM tariefformules kan vaststellen. In de lagere regelgeving wordt fase 2van de tariefregulering verder uitgewerkt conform het voorstel van deACM.Mede door de keuze om tarieven per warmtekavel te bepalen ziet de ACMals risico dat sommige warmtekavels heel hoge kosten hebben enverbruikers daarvoor op moeten draaien. De ACM wil de verbruikerbeschermen tegen extreem hoge tarieven door een absoluut maximum-tarief vast te stellen. Als de kostengebaseerde maximumtarieven hogerzijn dan dit absolute maximum, dan geldt dit absolute maximum.Dit voorstel is niet overgenomen. De verwachting is dat excessief hogetarieven alleen bij bestaande collectieve warmtevoorzieningen zullenvoorkomen. Voor nieuwe collectieve warmtevoorzieningen kan wordenverwacht dat systemen die heel duur zouden kunnen worden, niet wordenaangelegd omdat de gemeente de plannen daartoe niet zal ondersteunen.Dit beperkt het risico op hele hoge tarieven in nieuwe gebieden.Bovendien kan de ACM de tariefformules zo opstellen dat excessief hogetarieven worden voorkomen, bijvoorbeeld door een benchmark toe tepassen.De ACM wil de transparantie vergroten door warmtebedrijven teverplichten om de berekening van het maximum tarief op grond van detariefformules openbaar maken en door een monitor van tarieven, kosten,afzet en rendementen te kunnen uitvoeren en publiceren. De ACM oppertom deze gegevens ook openbaar te maken als het bedrijfsvertrouwelijkegegevens zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3192 Deze aanbevelingen zijn overgenomen met dien verstande dat hetwarmtebedrijf geen bedrijfsvertrouwelijke gegevens openbaar hoeft temaken en dat de ACM evenmin bedrijfsvertrouwelijke gegevens openbaarmaakt.De ACM stelt voor dat er meer flexibiliteit moet komen om voor sommigecollectieve warmtevoorzieningen fase 3 al eerder in te laten gaan dan voorandere warmtevoorzieningen. De ACM noemt bijvoorbeeld een mogelijkonderscheid tussen oude (voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel) ennieuwe warmtevoorzieningen (na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel).De ACM zou zelfs de mogelijkheid willen hebben om voor sommigesystemen direct van fase 1 naar fase 3 te gaan.Dit voorstel is niet overgenomen. Dit voorstel lijkt overbodig nu devoorstellen van de ACM om met categorieën, tariefformules en correctieste werken zijn overgenomen. De ACM kan dan namelijk een groepcollectieve warmtevoorzieningen afbakenen door ze samen te nemen ineen categorie (bijvoorbeeld: nieuwe collectieve warmtevoorzieningen).Voor die groep kan de ACM een andere (eventueel een meer verfijnde)tariefformule vaststellen. Bovendien is het onwenselijk om twee verschil-lende tariefmethodieken naast elkaar te laten bestaan. Warmtebedrijvenmet meerdere warmtekavels kunnen dan onder meerdere verschillendemethodieken vallen, wat extra administratieve lasten met zich mee brengt.De ACM stelt voor dat zij in dit wetsvoorstel de mogelijkheid krijgt omvoor specifieke kosten van warmtebedrijven voor te schrijven hoewarmtebedrijven moeten inkopen. Het gaat hierbij met name om deinkoop van elektriciteit, gas en biomassa om warmte te produceren.Er is op dit moment een grote spreiding van deze kosten tussen warmte-bedrijven. Die spreiding is het gevolg van verschillende inkoopstrategieën(bijvoorbeeld: langjarig versus alles op de spot-markt inkopen). Despreiding zelf brengt een risico op over- en onderrendement met zichmee. Het voorschrijven van een inkoopstrategie aan warmtebedrijvenverkleint de kostenspreiding van verder vergelijkbare collectieve warmte-systemen. Dit zorgt ervoor dat het risico op over- en onderrendementdoor prijsontwikkelingen op de energiemarkten wordt voorkomen.Dit voorstel is niet overgenomen. Dit vormt een te grote inbreuk op debedrijfsvoering van de warmtebedrijven. Wel kunnen de inkoopkosten dieworden opgenomen in de formule gebaseerd zijn op een bepaaldeinkoopstrategie die de ACM het meest efficiënt vindt. De verwachting isdan dat bedrijven dat zullen volgen, maar het hoeft niet.KoudeACM beveelt aan om in dit wetsvoorstel te bepalen dat warmtebedrijvenverplicht zijn om verbruikers een vrije keuze te geven ten aanzien van hetal dan niet afnemen van koude in combinatie met warmtelevering tenzijkoudelevering technisch noodzakelijk is.Naar aanleiding van deze aanbeveling hebben we de in het wetsvoorstelopgenomen bepalingen ten aanzien van koudelevering nader bezien.Koudelevering komt in het wetsvoorstel uitsluitend terug in de bepalingenomtrent tariefregulering. Oorspronkelijk was in de betreffende bepalingenvoorzien dat ervoor koude een gereguleerd tarief geldt voor indien envoor zover de levering van koude contractueel onlosmakelijk verbonden ismet de levering van warmte. Alhoewel het bij zogenaamdeWKO-systemen niet mogelijk is om in absolute zin vast te stellen dat delevering van koude technisch noodzakelijk is voor de levering van warmteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3193 met dergelijke systemen heeft de aanbeveling van de ACM wel aanleidinggegeven tot aanscherping van de betreffende bepaling.In het wetsvoorstel is nu voorgesteld dat er een gereguleerd tarief vankoude geldt indien de levering van koude noodzakelijk is voor eenefficiënte werking van het collectieve warmtesysteem en het warmtebe-drijf om die reden de verbruiker uitsluitend de mogelijkheid biedt omwarmte in combinatie met koude af te nemen. Uit het feit dat voor alleoverige situaties waarbij koudelevering niet noodzakelijk is voor deefficiënte werking van het collectieve warmtesysteem geen gereguleerdtarief geldt, volgt dat een warmtebedrijf de verbruiker in deze overigesituaties niet mag verplichten om koude af te nemen en de verbruiker eenvrije keus moet bieden.Het expliciet verbieden van een verplichte koppeling van koudeleveringaan de levering van warmte wordt voor deze situaties niet nodig geacht.De aanbeveling van de ACM om te zorgen voor duidelijkheid over detoegestane inkomsten van een warmtebedrijf om onnodige opdrijving vankosten te voorkomen zal worden meegenomen bij de uitwerking van detariefregulering in de lagere regelgeving.II ARTIKELEN Artikel 1.1In artikel 1.1 zijn de begripsbepalingen omschreven.AandeelVoor de definitie van aandeel wordt verwezen naar artikel 5:33, eerste lid,onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht. Daaronder wordt nietalleen een aandeel in traditionele zin van artikel 79, eerste lid, van Boek 2van het Burgerlijk Wetboek begrepen, maar ook andere waardebewijzendie een recht op of invloed in een onderneming vertegenwoordigen,ongeacht of dit een beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde onder-neming betreft. Onder het begrip vallen eveneens een certificaat van eenaandeel of een daarmee gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs eneen optie of een ander verhandelbaar waardebewijs waarmee eenaandeel of een certificaat of daarmee te vergelijken waardebewijs kanworden verworven. Gelet op de verwijzing in artikel 187 van Boek 2 vanhet Burgerlijk Wetboek naar artikel 1:1 van de Wet op het financieeltoezicht kan het bij aandelen van een beurgenoteerde onderneming ookgaan om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Tentweede wordt verwezen naar de artikelen 82, eerste lid, en 175 van Boek 2van het Burgerlijk Wetboek. Hiermee vallen ook aandelen van eennaamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van eenbesloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid onder de definitie,die niet een beursgenoteerde onderneming zijn.Aangewezen warmtebedrijfHet aangewezen warmtebedrijf is een warmtebedrijf dat op grond vanartikel 2.5, eerste lid, artikel 2.7, eerste lid, of artikel 12.2, eerste, tweede,derde of vierde lid, door het college is aangewezen. In hoofdstuk 2 is aanhet aangewezen warmtebedrijf de uitvoering van de in artikel 2.12genoemde taken opgedragen en zijn de rechten en verplichtingen voorhet aangewezen warmtebedrijf opgenomen.Een aangewezen warmtebedrijf is geen bestuursorgaan in de zin vanartikel 1.1 van de Awb. Een aangewezen warmtebedrijf is niet een orgaanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3194 van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld en evenmineen persoon die met enig openbaar gezag is bekleed. Met de aanwijzingvan een warmtebedrijf worden geen wettelijke bevoegdheden of taken bijeen externe organisatie ondergebracht. Met de aanwijzing wordt bepaaldwelk warmtebedrijf voor welk gebied de exclusieve bevoegdheid krijgtwarmte te transporten en te leveren en waartoe dit warmtebedrijfverplicht is in ruil daarvoor: de taken (paragraaf 2.4) en verplichtingen(paragraaf 2.5). Een aangewezen warmtebedrijf is vergelijkbaar met eendrinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet. Drinkwa-terbedrijven zijn op grond van artikel 7 van de Drinkwaterwet takenopgedragen.AansluitingsverantwoordelijkeDe aansluitingsverantwoordelijke is de partij op wie de verantwoorde-lijkheid berust om een warmteprogramma als bedoeld in artikel 5.16,eerste lid, in te dienen bij de warmtetransportbeheerder. In het warmte-programma wordt aangegeven hoeveel warmte wordt ingevoed enafgenomen uit het warmtetransportnet. De aansluitverantwoordelijkheidkan bij de partij berusten die een warmtetransportaansluiting heeft, maardeze kan ook in zijn geheel worden overgedragen op grond vanartikel 5.16, tweede lid.Afleverset voor warmteEen afleverset voor warmte vormt de verbinding tussen het warmtenetvan een warmtebedrijf en de binneninstallatie van een verbruiker(individuele afleverset) of tussen het warmtenet en het inpandig leiding-stelsel (collectieve afleverset). De afleverset zorgt voor de energieover-dracht tussen deze twee systemen. Het vormt een essentieel onderdeelvan de infrastructuur die nodig is om verbruikers aan te sluiten op eenwarmtenet.Betrouwbare levering van warmteBij een betrouwbare levering van warmte gaat het erom dat een onder-breking van de levering van warmte voorkomen wordt en deze zo snelmogelijk wordt beëindigd als een onderbreking zich voordoet. Ditbetekent dat een verbruiker op elk gewenst moment de beschikking moetkunnen hebben over de door hem gevraagde hoeveelheid warmte. Tevensdient de geleverde warmte te voldoen aan het kwaliteitsniveau bedoeld inartikel 2.24, eerste lid, onderdeel a, onder 1°. Betrouwbare levering vanwarmte gaat dus om het voorkomen van korte termijn onderbrekingen endient onderscheiden te worden van leveringszekerheid. Bij leveringsze-kerheid gaat het met name om het voor de langere termijn borgen van debeschikbaarheid van voldoende warmtebronnen waarmee, afgezien vantijdelijke storingen, de continue levering van warmte aan de op decollectieve warmtevoorziening aangesloten verbruikers zeker kan wordengesteld.Bindende gedragslijnAnders dan de bindende aanwijzing biedt een bindende gedragslijn demogelijkheid om een aanwijzing te geven zonder dat een overtreding isvastgesteld. Met een bindende gedragslijn kunnen verplichtingen wordtopgelegd om bepaalde handelingen te verrichten ter naleving van dewettelijke voorschriften. Een bindende gedragslijn is een zelfstandige lastin de zin van artikel 5.2, tweede lid, van de Awb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3195 BinneninstallatieEen binneninstallatie betreft het deel van de leidingen, installaties enhulpmiddelen die zich bevinden in de onroerende zaak van de verbruikerdie strekken tot toe- en afvoer van warmte ten behoeve van dezeonroerende zaak. De binneninstallatie omvat niet de afleverset, demeetinrichting en de leidingen, installaties en hulpmiddelen die louterstrekken tot doorlevering van warmte naar een andere onroerende zaak.Op grond van artikel 2.15, tweede lid, onderdelen c en d, en artikel 2.24,eerste lid, onderdelen c en d, is het warmtebedrijf verplicht om kenmerkenvan de binneninstallatie te specificeren in een uitgewerkt kavelplan enaanbod van een aansluitovereenkomst. Apparatuur die gelet op dezekenmerken geen deel uitmaakt van de binneninstallatie is eveneensuitgezonderd in de definitie van binneninstallatie. Daarbij kan wordengedacht aan een situatie waarin het warmtebedrijf met behulp van een inhet gebouw geplaatste warmtepomp warmte levert die direct geschikt isvoor ruimteverwarming. In deze situatie maakt de warmtepomp geen deeluit van de binneninstallatie en valt deze onder de verantwoordelijkheidvan het warmtebedrijf. In een situatie dat het warmtebedrijf warmte levertdie niet direct geschikt is voor ruimteverwarming en dus door deverbruiker moet worden opgewaardeerd zal het warmtebedrijf in despecificatie van de kenmerken van de binneninstallatie moeten aangevendat een warmtepomp deel moet uitmaken van de binneninstallatie.BroeikasgasEen broeikasgas is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheergedefinieerd als een gas, genoemd in bijlage II bij richtlijn 2003/87/EG vanhet Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemis-sierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EGvan de Raad (PbEU 2003, L 275). Het betreft hier kooldioxide (CO2),methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gehalogeneerdefluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s) enzwavelhexafluoride (SF6).Centrale leveringsaansluitingEen centrale leveringsaansluiting betreft een aansluiting tussen hetwarmtenet en een inpandig leidingstelsel. Een centrale leveringsaan-sluiting omvat niet de (collectieve of individuele) afleverset of demeetinrichting. Indien er warmte wordt geleverd op een centraleleveringsaansluiting is er altijd sprake van doorlevering van warmte dooreen verhuurder aan zijn eigen huurders of een VvE of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm aan zijn eigen leden. Die doorlevering vindt danaltijd plaats via een inpandig leidingstelsel.Een centrale leveringsaansluiting is begrensd aan de zijde van hetinpandig leidingstelsel en aan de zijde van het warmtenet. Een duidelijkeafgrenzing van de centrale leveringsaansluiting van het warmtenet, hetinpandig leidingstelsel en de collectieve afleverset is van belang voor deverdeling van taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen(warmtebedrijf en doorleverende verhuurders respectievelijk doorleve-rende VvE’s).De afgrenzing aan de zijde van het warmtenet is doorgaans de aftakkingvan het warmtenet in de vorm van een koppelelement of een T-stuk.Bepalend is dat de leidingen en de daaraan verbonden hulpmiddelen nadeze aftakking gebruikt worden voor transport van warmte naar eeninpandig leidingstelsel. Het koppelelement of T-stuk is onderdeel van deaansluiting. Er zijn echter situaties waarin er geen koppelelement of T-stukaanwezig is. In die gevallen is het aan de betrokken partijen om in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3196 leveringsovereenkomst een fysiek punt of meerdere fysieke punten aan tewijzen waar de centrale leveringsaansluiting wordt geacht te zijnafgegrensd van het warmtenet.De afgrenzing van de centrale leveringsaansluiting aan de zijde van hetinpandig leidingstelsel wordt doorgaans gevormd door de hoofdafsluiterswaaraan de collectieve afleverset of het inpandig leidingstelsel gekoppeldis. De hoofdafsluiters zijn onderdeel van de centrale leveringsaansluitingen maken het mogelijk om het inpandig leidingstelsel (veilig) af te sluitenvan het warmtenet.Voor die situaties waarin er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn geldtwederom dat het dan aan de betrokken partijen is om in de leveringsover-eenkomst een fysiek punt of meerdere fysieke punten aan te wijzen waarde centrale leveringsaansluiting wordt geacht te zijn afgegrensd van hetinpandig leidingstelsel.Collectieve afleverset voor warmteEr kunnen twee soorten afleversets voor warmte onderscheiden worden:collectieve en individuele. Een collectieve afleverset voor warmte zorgtvoor warmteoverdracht tussen het warmtenet en het daarop aangesloteninpandig leidingstelsel. Een collectieve afleverset gaat altijd samen meteen centrale leveringsaansluiting maar maakt daar geen deel van uit.Collectief warmtesysteem en collectieve warmtevoorzieningDe definities van het begrip collectief warmtesysteem en het begripcollectieve warmtevoorziening maken het onderscheid tussen eenwarmtenet, een collectief warmtesysteem en een collectieve warmtevoor-ziening helder. Een warmtenet betreft enkel het geheel van tot elkaarbehorende met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties enoverige hulpmiddelen ten behoeve van het transport van warmte. Eencollectief warmtesysteem betreft het systeem waarbij een of meerwarmtebronnen door middel van een warmtenet ontsloten worden voorde levering van warmte. Ingevolge de definitie van warmtenet maakt eenwarmtetransportnet geen deel uit van het warmtenet. Dat betekent dateen warmtetransportnet ook geen deel uitmaakt van een collectiefwarmtesysteem ondanks het feit dat dit warmtetransportnet nodig is voorde ontsluiting van een warmtebron. Een collectieve warmtevoorziening iseen collectief warmtesysteem of een geheel van collectieve warmtesys-temen. Binnen een warmtekavel kunnen verschillende collectievewarmtesystemen liggen die gefaseerd kunnen worden aangelegd en in detoekomst al dan niet wel aaneengesloten worden zodat in de warmtekaveluiteindelijk één collectieve warmtevoorziening is gerealiseerd.CollegeHet college heeft de bevoegdheid een voorgenomen warmtekavel vast testellen en op basis van een aanwijzingsprocedure een warmtebedrijf aante wijzen. Daarnaast beschikt het college over de mogelijkheden omontheffing te verlenen voor kleine collectieve warmtesystemen en voor dewarmtelevering door verhuurder en VvE’s.Doorlevering van warmteEr is in twee situaties sprake van doorlevering van warmte. Allereerst gaathet om de levering van warmte door een verhuurder aan zijn eigenhuurders waarbij de verhuurder deze door hem aan zijn huurdersgeleverde warmte geleverd krijgt door een warmtebedrijf waarmee deverhuurder een leveringsovereenkomst heeft gesloten. Ook de leveringvan warmte door een VvE aan zijn eigen leden waarbij de VvE of daarmeeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3197 vergelijkbare rechtsvorm deze door hem aan zijn leden geleverde warmtegeleverd krijgt door een warmtebedrijf waarmee de verhuurder eenleveringsovereenkomst heeft gesloten valt onder de definitie vandoorlevering van warmte.Bij doorlevering van warmte is er altijd sprake van een centrale leverings-aansluiting waarop de verhuurder respectievelijk VvE de warmte van hetwarmtebedrijf ontvangt. Daarnaast vindt de doorlevering van warmtevanuit de centrale aansluiting aan de huurders respectievelijk leden altijdplaats via een inpandig leidingstelsel.DuurzaamheidIn artikel 2.12, eerste lid, onderdeel g, en 3.6, eerste lid, onderdeel g, iseen aangewezen warmtebedrijf respectievelijk een warmtebedrijfopgedragen de duurzaamheid van een collectieve warmtevoorzieningrespectievelijk klein collectief warmtesysteem op doelmatige wijze tewaarborgen. Uit de definitie van duurzaamheid volgt dat hieronder devermindering van de uitstoot van broeikasgassen overeenkomstig de bijof krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde normen moet wordenverstaan.Duurzame warmtebronEen duurzame warmtebron is een hernieuwbare energiebron,warmtebron waar restwarmte vrijkomt of een collectieve warmtepomp. Indeze categorie vallen restwarmtebronnen en hernieuwbare energie-bronnen, zoals zonnewarmte, geothermische energie, omgevingswarmte,energie uit biomassa, biogas. Ook een collectieve warmtepomp wordt alsduurzame warmtebron aangemerkt. Hierbij wordt elektriciteit gebruikt omwarmte op te wekken. Aangezien de opwek van elektriciteit steedsduurzamer wordt en de inzet van fossiele brandstoffen in 2050 tot 0gereduceerd zal zijn, worden collectieve warmtepompen, evenalsindividuele warmtepompen als een duurzaam alternatief voor aardgasgezien. Daarbij onderscheid een warmtepomp zich van andere elektrischewarmtebronnen zoals een elektrische warmteketel door het feit dat dewarmtepomp naast elektriciteit ook gebruik maakt van omgevingswarmte,waardoor de elektriciteit in een warmtepomp met een hoger rendementwordt omgezet in warmte.Economische eigendomHet volledig eigendomsrecht van het warmtenet omvat het recht om hetgoed te vervreemden en te bezwaren, maar ook alle gebruiksrechten. Hetvolledig eigendomsrecht kan gesplitst worden in de economische enjuridische eigendom van het warmtenet. Bij economische eigendom gaathet om een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking toteen onroerende zaak dat een belang bij die zaak vertegenwoordigt, metuitzondering van het recht op levering. Het belang omvat ten minste enigrisico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan dejuridische eigenaar.Ernstige storingEr is sprake van een ernstige storing als de storing langer duurt dan eenbij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duur ofmeerdere opeenvolgende storingen die samengenomen langer duren daneen bij of krachtens algemene maatregel te bepalen duur en tijdsperiode.Verbruikers kunnen ernstige hinder ondervinden van een ernstige storinglanger. Om die reden hebben verbruikers op grond van artikel 2.19 rechtop een compensatie in geval van een ernstige storing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3198 GebouwEen gebouw is een gebouw als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van hetBesluit bouwwerken leefomgeving. Het gaat hier om een bouwwerk dateen voor mensen toegankelijke overdekt geheel of gedeeltelijk metwanden omsloten ruimte vormt.GebouweigenaarEen gebouweigenaar is niet alleen de eigenaar van het gebouw maar kantevens een VvE of een daaraan vergelijkbare rechtsvorm (zoals bijvoor-beeld de coöperatieve vereniging) zijn wanneer het eigendom gedeeld is.Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor in het geval van eenappartementencomplex.Gedeputeerde statenGedeputeerde staten hebben op grond van artikel 2.1, vierde lid, debevoegdheid een zienswijze in te dienen over het ontwerp van devaststelling van een voorgenomen warmtekavel. Daarnaast hebbengedeputeerde staten bevoegdheden op grond van 5.1, vijfde lid, en 5.9,vierde lid.GrootverbruikerEen grootverbruiker is een natuurlijke persoon of rechtspersoon diewarmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of een kleincollectief warmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeftvan meer dan 100 kilowatt of een centrale leveringsaansluiting heeft.Uitgezonderd is de levering van warmte voor industriële processen ofproductieprocessen of de levering van warmte die niet hoofdzakelijkgeleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater. Bijpersonen met een centrale leveringsaansluiting kan bijvoorbeeld gedachtworden een woningcorporatie met één centrale leveringsaansluiting opeen appartementencomplex. Verbruikers die de warmte hoofdzakelijkgebruiken voor iets anders dan ruimteverwarming of warm tapwaterworden niet aangemerkt als grootverbruiker en vallen buiten de werkingvan deze wet.Hernieuwbare bronBij de definitie van hernieuwbare bron is voorgesteld te verwijzen naar dedefinitie in artikel 2 van richtlijn 2018/2001/EU. Energie uit hernieuwbarebronnen betreft energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijkwindenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïscheenergie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie,golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energieuit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas.Individuele leveringsaansluitingEen individuele leveringsaansluiting betreft de aansluiting van eenindividuele verbruiker op een warmtenet of een inpandig leidingstelsel,dat wil zeggen de verbinding tussen de binneninstallatie van de verbruikeren het warmtenet of ingeval van doorlevering van warmte de verbindingtussen de binneninstallatie van de verbruiker en het inpandig leiding-stelsel. Dit omvat niet de individuele afleverset of de meetinrichting.Een individuele aansluiting is begrensd aan de zijde van de binneninstal-latie van de verbruiker en aan de zijde van het warmtenet of het inpandigleidingstelsel. Een duidelijke afgrenzing van de individuele leveringsaan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3199 sluiting van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, de binneninstal-latie en de afleverset is van belang voor de verdeling van taken enverantwoordelijkheden van betrokken partijen (verbruiker, warmtebedrijfindien de warmte niet wordt doorgeleverd en verhuurder of VvE indien erwel warmte wordt doorgeleverd).De afgrenzing aan de zijde van het warmtenet is doorgaans de aftakkingvan het warmtenet in de vorm van een koppelelement of een T-stuk. Ditgeldt ook voor de afgrenzing van een individuele leveringsaansluiting opeen inpandig leidingstelsel. Bepalend is dat de leidingen en de daaraanverbonden hulpmiddelen na deze aftakking gebruikt worden voortransport van warmte naar een individuele verbruiker. Het koppelelementof T-stuk is onderdeel van de aansluiting. Er zijn echter situaties waarin ergeen koppelelement of T-stuk aanwezig is. In die gevallen is het aan debetrokken partijen om in de leveringsovereenkomst een fysiek punt ofmeerdere fysieke punten aan te wijzen waar de individuele leveringsaan-sluiting wordt geacht te zijn afgegrensd van het warmtenet of hetinpandig leidingstelsel.De afgrenzing van de individuele leveringsaansluiting aan de zijde van debinneninstallatie van de verbruiker zijn doorgaans de hoofdaansluiterswaarop de individuele afleverset of de binneninstallatie van de individueleverbruiker zijn aangesloten. Deze hoofdaansluiters zijn onderdeel van deindividuele leveringsaansluiting en maken het mogelijk om de binnenin-stallatie (veilig) af te sluiten van het warmtenet of het inpandig leiding-stelsel. Er doen zich echter situaties voor waarin er geen hoofdafsluitersaanwezig zijn. In deze gevallen is er doorgaans ook geen individueleafleverset aanwezig. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aansituaties waar warmte door middel van ring- en stijgleidingen door woon-en bedrijfsruimten loopt. In deze gevallen is het aan de betrokken partijenom in de leveringsovereenkomst een fysiek punt of meerdere fysiekepunten aan te wijzen waar de individuele leveringsaansluiting wordtgeacht te zijn afgegrensd van de binneninstallatie. Het ligt in dezegevallen voor de hand om het punt van leveringsaansluiting te bepalen ophet punt waar de ring- en stijgleidingen de onroerende zaak van deverbruiker binnen gaan.Individuele afleverset voor warmteEr kunnen twee soorten afleversets onderscheiden worden: collectieve enindividuele. Een individuele afleverset voor warmte zorgt voor warmte-overdracht tussen het warmtenet en de daarop aangesloten binneninstal-latie. Een individuele afleverset gaat altijd samen met een individueleleveringsaansluiting maar maakt daar geen deel van uit.Inpandig leidingstelselBij een inpandig leidingstelsel gaat het om de leidingen, installaties enhulpmiddelen ten behoeve van het transport van warmte tussen eencentrale leveringsaansluiting en een individuele leveringsaansluiting. Erkan dus uitsluitend sprake zijn van een inpandig leidingstelsel als erwarmte wordt ontvangen op een centrale leveringsaansluiting welke danvanuit de centrale leveringsaansluiting wordt getransporteerd naar eenindividuele leveringsaansluiting. Dat betekent dat de aanwezigheid vaneen inpandig leidingstelsel impliceert dat er sprake is van doorleveringvan warmte, waarbij de op de centrale leveringsaansluiting geleverdewarmte via het inpandig leidingstelsel wordt door geleverd naar de in dedefinitie genoemde onroerende zaken met een individuele leveringsaan-sluiting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3200 Klein collectief warmtesysteemEen klein collectief warmtesysteem is een collectief warmtesysteemwaarmee warmte wordt geleverd aan maximaal 1.500 verbruikers(kleinverbruikers en grootverbruikers), aan huurders met elk eenindividuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die warmtedoorgeleverd krijgen van hun verhuurder of aan leden van een VvE metelk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt diewarmte doorgeleverd krijgen van hun VvE. Bij een met een VvE verge-lijkbare rechtsvorm kan het gaan om een coöperatieve vereniging. Als eenklein collectief warmtesysteem op een centrale aansluiting bijvoorbeeldwarmte levert aan een verhuurder die deze warmte vervolgens op zijnbeurt door levert aan 200 huurders, dan tellen al deze huurders afzon-derlijk mee bij de beoordeling of dit systeem als klein collectief warmte-systeem kan worden aangemerkt.Voorbeeld van een klein collectief warmtesysteem is een WKO al dan nietin combinatie met een lage temperatuurnet. Een klein collectief warmte-systeem kan geëxploiteerd worden door een energiecoöperatie vanbuurtbewoners, maar ook door een warmtebedrijf dat zich toelegt op hetaanleggen en exploiteren van dergelijke kleine collectieve warmtesys-temen. In hoofdstuk 3 zijn specifieke regels voor kleine collectievewarmtesystemen opgenomen.KleinverbruikerEen kleinverbruiker is een natuurlijke persoon of rechtspersoon diewarmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of klein collectiefwarmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft vanmaximaal 100 kW. Daarbij gelden twee uitzonderingen. Een persoon dievia een dergelijke leveringsaansluiting warmte afneemt van zijnverhuurder wordt niet beschouwd als kleinverbruiker. Daarnaast wordtook een persoon die warmte afneemt van de VvE of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm waarbij hij als lid is aangesloten niet beschouwdals kleinverbruiker. Deze uitzonderingen zijn opgenomen, omdat voor delevering van warmte aan deze personen andere en minder vergaanderegels worden gesteld in hoofdstuk 4.Kooldioxide-equivalentEen kooldioxide-equivalent is een hoeveelheid kooldioxide of hoeveelheidvan een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsver-mogen als kooldioxide. Met deze definitie van kooldioxide-equivalent isaansluiting gezocht bij de definitie van «één ton kooldioxide-equivalent»in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.KoudeKoude is gedefinieerd als thermische energie die ten behoeve vanruimtekoeling wordt geleverd door middel van het transport van water ofeen andere vloeistof. Het begrip koude komt in dit wetsvoorstel alleenbetekenis toe voor de bepalingen ten aanzien van tariefregulering waarinhet gaat om de situatie dat de levering van koude noodzakelijk is voor eenefficiënte werking van het systeem waarmee warmte wordt geleverd.LeveringsaansluitingEen leveringsaansluiting is gedefinieerd als een individuele of centraleleveringsaansluiting. Zie verder de toelichting op de begripsbepaling voorindividuele leveringsaansluiting en centrale leveringsaansluiting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3201 LeveringsovereenkomstEen leveringsovereenkomst is een overeenkomst als bedoeld inartikel 2.30, eerste lid. Deze overeenkomst sluit het aangewezen warmte-bedrijf met de verbruiker en heeft betrekking op de levering van warmte.Daarnaast sluit het aangewezen warmtebedrijf een aansluitovereenkomstmet de gebouweigenaar.ProducentEen producent is een onderneming die zich bezighoudt met de productievan warmte. Producent zijn bijvoorbeeld de eigenaar en beheerder vaneen geothermie bron of een warmtecentrale.Producent van restwarmteEen producent van restwarmte is een onderneming die in zijn bedrijfs-voering restwarmte genereert. Het kan hier bijvoorbeeld gaan omdatacenters of industriële bedrijven. Een producent van restwarmte isgeen producent aangezien het hier niet gaat met om de productie vanwarmte maar uitsluitend om het ter beschikking stellen van restwarmtedie anders onbenut zou blijven.Representatieve organisatieEen representatieve organisatie is een rechtspersoon die de belangenvertegenwoordigt van producenten, producenten van restwarmte,warmtebedrijven of verbruikers in de warmtesector. Om van eenrepresentatieve organisatie te kunnen spreken is het noodzakelijk datsprake is van een voldoende homogene achterban die door de betref-fende organisatie wordt vertegenwoordigd. Zo zal de Consumentenbondals een representatieve organisatie voor verbruikers kunnen wordenaangemerkt. Op grond van artikel 11.3 zijn representatieve organisatiesbelanghebbende bij besluiten op grond van hoofdstuk 7 van deze wet enartikel 11.4 geeft deze organisaties de mogelijkheid een inbreukprocedurebij het CBb aanhangig te maken.RestwarmteRestwarmte is gedefinieerd als onvermijdelijke thermische energie die alsbijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt endie zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komenin lucht of water. Met deze definitie is aangesloten bij de definitie vanrestwarmte (letterlijke vertaling in de richtlijn is afvalwarmte) die inrichtlijn 2018/2001/EU is opgenomen. De definitie in dit wetsvoorstel sluittevens aan bij de definitie van restwarmte die gebruikt wordt voor deenergiezuinige nieuwbouw voor de Bijna Energieneutrale Gebouwen(BENG) (Kamerstukken II 2011/12, 30 196, nr. 614).Uit de definitie volgt dat restwarmte een afvalproduct is dat andersgeloosd zou worden en waarvoor geen extra brandstofinzet nodig is. Dit isook in lijn met bijlage V van de bijlage bij de aanbevelingen van deEuropese Commissie over artikel 14 van de richtlijn 2012/27/EU waarin deEuropese Commissie stelt dat er alleen sprake is van restwarmte als dezewarmte nergens aan onttrokken wordt en geen externe koeling noodza-kelijk is, dat wil zeggen er is geen extra energie-inzet in het productie-proces nodig.Veelal zal het restwarmte betreffen die op het water geloosd wordt maarhet kan ook gaan om een warmtelozing in de lucht via bijvoorbeeld eennatte koeltoren of een schoorsteen. Voorbeelden van restwarmte zijnovertollige warmte uit datacenters of de industrie. Ook thermische energieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3202 uit afvalwater kan gezien worden als restwarmte voor zover dit warmte isdie anders geloosd zou worden. Warmte uit warmte-krachtkoppelingsinstallaties (zogenaamde aftapwarmte) is in de basisgeen restwarmte, omdat dit een extra brandstofinzet vergt. Warmte uitbijvoorbeeld rookgassen van WKK-installaties kan wel gezien worden alsrestwarmte. Ook biogas en warmte uit afvalverbranding wordt niet gezienals restwarmte.StoringEen storing is een onderbreking van de levering van warmte of leveringvan warmte onder de minimumtemperatuur van de te leveren warmte,bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met uitzonderingvan een onderbreking door werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.18,tweede lid. Het gaat bij die uitzondering om geplande werkzaamhedenwaarover een verbruiker tenminste drie dagen van tevoren door hetaangewezen warmtebedrijf op de hoogte is gesteld. Daarnaast kent ditwetsvoorstel de definitie ernstige storing. Bij een ernstige storing kan eenverbruiker recht hebben op storingscompensatie (artikel 2.19). Met dezedefinitie wordt geborgd dat levering van warmte met een te lagetemperatuur als storing wordt gezien ondanks het feit dat er in die situatiewel warmte wordt geleverd.TariefvoorstelEen tariefvoorstel is een onderbouwd voorstel van tarieven van goederenof diensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport en delevering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf. Voor detoepassing van artikel 7.7 is deze definitie relevant.TransporttariefvoorstelEen transporttariefvoorstel is een onderbouwd voorstel van tarieven envoorwaarden van de goederen of diensten die worden aangeboden tenbehoeve van het transport van warmte door een warmtetransportbe-heerder. Voor de toepassing van artikel 7.26 is deze definitie relevant.VerbruikerEen verbruiker op grond van deze wet is een kleinverbruiker of grootver-bruiker.Verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiekEen verbruiksonafhankelijk warmtekostenverdeelsystematiek is eenwarmtekostenverdeelsystematiek ten behoeve van het vaststellen van hetaandeel in de totaal gemeten warmte die niet is gebaseerd op het verbruikvan de afzonderlijke verbruiker. Met een dergelijke verdeelsystematiekwordt het verbruik van warmte in appartementsgebouwen en multifuncti-onele gebouwen, zoals kantoorgebouwen en winkelcentra, gemeten. Bijeen verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek worden dekosten verdeeld naar rato van één of meer constante verdeelgrondslagenzoals per perceel, vloeroppervlak, inhoud van de woning zonder gebruikte maken van een warmtemeter of een warmtekostenverdeler.VerhuurderEen verhuurder is een eigenaar van een voor verhuur bestemde verblijfs-ruimte in Nederland. Dit kan bijvoorbeeld een woningcorporatie zijn ofeen particuliere verhuurder, maar ook een vastgoedbedrijf dat bedrijfs-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3203 panden verhuurt. Deze definitie is onder meer relevant voor hoofdstuk 4van dit wetsvoorstel.WarmteWarmte is gedefinieerd als thermische energie die ten behoeve vanruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd doormiddel van het transport van water of een andere vloeistof. Deze definitiemaakt duidelijk dat dit wetsvoorstel van toepassing is op de levering vanwater of een andere vloeistof ten behoeve ruimteverwarming en deverwarming van tapwater. Aangezien in de definitie is opgenomen dat hetgaat om de thermische energie van water of een andere vloeistof, is detemperatuur hiervan niet relevant maar slechts dat het water of de anderevloeistof geleverd wordt met het doel van ruimteverwarming ofverwarming van tapwater.WarmtebedrijfEen warmtebedrijf is een onderneming of warmtegemeenschap die zichbezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het transport ende levering van warmte en de productie of inkoop van warmte tenbehoeve daarvan. Het warmtebedrijf kan ook een warmte joint-venturezijn waarin een warmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf samen-werken met als doel actief te zijn als warmtebedrijf. Warmtebedrijvenkunnen op grond van dit wetsvoorstel een aanvraag indienen bij hetcollege om aangewezen te worden voor een warmtekavel. Ook kan eenwarmtebedrijf in specifieke gevallen een ontheffing aanvragen die geldtvoor kleine collectieve warmtesystemen.Warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangEen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang is een warmtebe-drijf dat voldoet aan de vereisten opgenomen in artikel 2.2, eerste lid,onderdelen a of b. Een dergelijk warmtebedrijf kan een aanvraag om eenaanwijzing indienen op grond van artikel 2.5, eerste lid.WarmtebronEen warmtebron is een installatie waar thermische energie vrijkomt ofthermische energie vrijgemaakt wordt. Een warmtebron kan gebruikmaken van zowel hernieuwbare als van fossiele energiebronnen. Ookrestwarmtebronnen vallen onder de definitie van warmtebron.WarmtegemeenschapArtikel 2, onderdeel 16, en 22, van richtlijn 2018/2001/EU geven regelsover de «hernieuwbare energiegemeenschap». In dit wetsvoorstel wordtvoorgesteld de term warmtegemeenschap te gebruiken om duidelijk temaken dat deze energiegemeenschap actief is als warmtebedrijf. Eenwarmtegemeenschap moet in de eerste plaats een rechtspersoon of eenpersonenvennootschap zijn. Dit is de implementatie van de eerstezinsnede van artikel 2, onderdeel 16, van richtlijn 2018/2001, waarin staatdat de warmtegemeenschap een juridische entiteit is. Er is voor gekozenom «juridische entiteit» breder op te vatten dan «rechtspersoon», zodatook personenvennootschappen die geen rechtspersoonlijkheid hebbenook een warmtegemeenschap kunnen oprichten. De warmtegemeenschapis ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief alswarmtebedrijf en heeft als hoofddoel niet het maken van winst, zoals datvoor reguliere warmtebedrijven wel het geval is, maar het bieden vanandersoortige voordelen voor de participanten in de gemeenschap ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3204 voor de omgeving waar de gemeenschap actief is. Het gaat dan ommilieuvoordelen of economische of sociale voordelen. Het betreft hier eenimplementatie van artikel 2, onderdeel 16, aanhef en onderdeel c, vanrichtlijn 2018/2001/EU. Ten slotte is er alleen sprake van een warmtege-meenschap als deze gebruik maakt van duurzame warmtebronnen alsbelangrijkste warmtebron. Duurzame warmtebronnen zijn naasthernieuwbare warmtebronnen ook restwarmtebronnen en een collectievewarmtepomp. Waar mogelijk ook andere warmtebronnen nodig zijn, voorbijvoorbeeld de pieklevering en back-up, worden deze toegestaan voorzover deze passen binnen de gestelde normen voor de uitstoot vanbroeikasgassen. Om te kunnen kwalificeren als warmtegemeenschap isverder vereist dat de in artikel 2.3, derde lid, genoemde vereisten in destatuten zijn vastgelegd of, in geval van een personenvennootschap, ineen overeenkomst.Warmte joint-ventureEen warmte joint-venture is een specifieke (samenwerkings)vorm van eenwarmtebedrijf. Hierbij werken twee of meer partijen (bijvoorbeeld eenwarmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf) met elkaar samen metals doel als warmtebedrijf actief te zijn. Het kan hier gaan om eenrechtspersoon of een personenvennootschap. Een warmte joint-venturewaaraan alleen een overeenkomst ten grondslag ligt, niet zijnde eenpersonenvennootschap, wordt niet aangemerkt als een warmte joint-venture. Een dergelijk samenwerkingsverband ontbeert een juridischeentiteit waarop de taken en verplichtingen op grond van dit wetsvoorstelrusten en die op de nakoming daarvan kan worden aangesproken doorhet college of de ACM.Een warmte joint-venture kan een aanvraag indienen op grond vanartikel 2.5, eerste lid, en 2.7, eerste lid, om aangewezen te worden vooreen warmtekavel. Om een aanvraag op grond van artikel 2.5, eerste lid, tekunnen indienen gelden specifieke regels voor de warmte joint-venture(artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b).WarmtekavelEen warmtekavel is een aaneengesloten gebied binnen een of meerderegemeenten waarvoor op grond van artikel 2.5, eerste lid, en 2.7, eerste lid,een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen. Deze definitie maakthelder voor welk gebied een warmtebedrijf kan worden aangewezen enmaakt ook duidelijk dat het gaat om een aaneengesloten gebied. Het isniet mogelijk om een warmtekavel vast te stellen dat bestaat uit lossegebieden die niet met elkaar verbonden. Een warmtekavel kan welbestaan uit twee geografisch van elkaar gescheiden gebieden dieverbonden zijn met een warmteleiding.WarmtekostenverdelerEen warmtekostenverdeler is een meetsysteem dat het warmteverbruikvan elke radiator meet ten behoeve van het vaststellen van het aandeel inde totaal gemeten warmte. Hiermee kan worden berekend hoe de kostenverdeeld moeten worden in een appartementengebouw of een multifunc-tioneel gebouw. De term komt uit richtlijn 2018/2002/EU en de NEN-norm7440 voor warmtekostenverdeling. Het is een apparaat geplaatst op deradiatoren van een verbruiker om het aandeel van de totaal geleverdewarmte te registreren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3205 WarmteleveringsbedrijfEen warmteleveringsbedrijf is een onderneming die zich die zich bezighoudt of voornemens is zich bezig te houden met het de levering vanwarmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan. Eenwarmteleveringsbedrijf houdt zich met andere woorden niet bezig met deactiviteiten van een warmtenetbedrijf, namelijk het onderhoud, beheer ofaanleg van een warmtenet of het transport van warmte over datwarmtenet. Een warmteleveringsbedrijf kan deelnemen in een warmtejoint-venture.WarmtemeterIn de definitie van warmtemeter wordt verwezen naar bijlage III vanrichtlijn 2014/32/EU van het Europees parlement en de Raad van26 februari 2014, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van delidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten(herschikking) (PbEU 2014, L 96) die het warmteverbruik weergeeft. Meteen warmtemeter kan het individuele gebruik in bijvoorbeeld apparte-menten gemeten worden.WarmtenetEen warmtenet is het geheel van tot elkaar behorende met elkaarverbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelendie gebruikt worden voor het transport van warmte van en naar eenverbruiker of die gebruikt worden voor het transport van warmte van ennaar een gebouw of werk van een producent of producent vanrestwarmte. Een binneninstallatie valt niet onder deze definitie. Datzelfdegeldt voor de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen ineen gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmteof op het perceel waarop de productie-installatie is gelegen of die zijngelegen in een inpandig leidingstelsel. Verder maakt ook een warmte-transportnet geen onderdeel uit van een warmtenet.WarmtenetbedrijfEen warmtenetbedrijf is een onderneming die een warmtenet beheert,onderhoudt of aanlegt of warmte over het warmtenet transporteert. Eenwarmtenetbedrijf kan deelnemen in een warmte joint-venture. De rol vanwarmtenetbedrijf kan door diverse partijen worden ingevuld. Dit kanbijvoorbeeld een drinkwaterbedrijf zijn, een nieuwe toetreder op dewarmtemarkt of een onderneming die deel uitmaakt van een groepwaartoe ook een distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembe-heerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet behoort.WarmtetransportaansluitingEen warmtetransportaansluiting is een deel van een warmtetransportnetdat bestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmid-delen, tussen een warmtetransportnet en een onroerende zaak alsbedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waarderingonroerende zaken. De warmtetransportaansluiting kan zich bevinden aanzowel de bron- als de afnemerszijde van het warmtetransportnet en vormthet overdrachtspunt waarbij de warmte wordt uitgewisseld tussen hetwarmtetransportnet en het collectief warmtesysteem van de aangeslotenpartij. De precieze technische configuratie van een warmtetransportaan-sluiting zal niet altijd hetzelfde zijn, maar hangt af van bijvoorbeeld detechnische eigenschappen van het collectief warmtesysteem van deaangesloten partij. Met de verwijzing naar artikel 16, onderdelen a tot enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3206 met e, van de Wet waardering onroerende zaken wordt aangesloten bij dewijze waarop de afbakening van een aansluiting op energie-infrastructuurin bredere zin wordt vormgegeven.WarmtetransportnetDe definitie van warmtetransportnet bestaat uit drie onderdelen.Allereerst gaat het om het geheel van tot elkaar behorende en met elkaarverbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelenten behoeve van het transport van warmte. Dit ziet dus op de infra-structuur die nodig is om de warmte te transporteren. Ten tweede moethet hier gaan om het geheel van leidingen, installaties en hulpmiddelendat van belang is voor de regionale warmtevoorziening. Hiervan is sprakebij een grootschalig aanbod van meerdere warmtebronnen die ontslotenworden om een efficiënte warmtetransitie in de regio mogelijk te makenvoor meerdere afnemers. Het derde onderdeel van de definitie zorgt vooreen verdere afbakening van het warmtetransport. Het gaat om hettransport van warmte tussen enerzijds de warmtetransportaansluiting vanwarmtebronnen en anderzijds de warmtetransportaansluitingen vanafnemers van warmte van een warmtetransportnet en de warmtetrans-portaansluitingen van collectieve warmtevoorzieningen. Het gaat dus ominfrastructuur die gebruikt wordt om warmte van meerdere warmte-bronnen te transporteren naar meerdere afnemers.WarmtetransportbeheerderEen warmtetransportbeheerder is een onderneming die door de Ministerop grond van artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen. In hoofdstuk 5 is aande warmtetransportbeheerder de uitvoering van de in artikel 5.6genoemde taken opgedragen en zijn de rechten en verplichtingen van dewarmtetransportbeheerder opgenomen.Een warmtetransportbeheerder is geen bestuursorgaan in de zin vanartikel 1.1 van de Awb. Een warmtetransportbeheerder is niet een orgaanvan een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld en evenmineen persoon die met enig openbaar gezag is bekleed. Met de aanwijzingvan een warmtetransportbeheerder worden geen wettelijke bevoegd-heden of taken bij een externe organisatie ondergebracht. Met deaanwijzing wordt bepaald welke onderneming voor een gebied deexclusieve bevoegdheid krijgt een warmtetransportnet aan te leggen enhet transport van warmte daardoor mag verzorgen en waartoe dewarmtetransportbeheerder in ruil daarvoor verplicht is: de uitvoering vande taken (paragraaf 5.2) en verplichtingen (paragraaf 5.3). Een warmte-transportbeheerder is vergelijkbaar met een transmissiesysteembe-heerder als bedoeld in artikel 1 van de Energiewet. Transmissiesysteem-beheerders zijn op grond van artikel 3.25 van de Energiewet takenopgedragen.ZeggenschapZeggenschap is zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededin-gingswet. Het gaat hier om de mogelijkheid om op grond van feitelijke ofjuridische omstandigheden een beslissende invloed uit te oefenen op deactiviteiten van een onderneming.Zelfstandige lastBij een zelfstandige last gaat het om de enkele last tot het verrichten vanbepaalde handelingen, bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Awb, terbevordering van de naleving van wettelijke voorschriften. Zowel bindendeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3207 aanwijzingen als bindende gedragslijnen zijn zelfstandige lasten enworden niet aangemerkt als bestuurlijke sancties.Artikel 1.2Gelet op het uitgangspunt van gemeentelijke regie is het van belang omte regelen dat uitsluitend warmtebedrijven met een aanwijzing warmtemogen leveren en transporteren. Daarom voorziet artikel 1.2, eerste lid, ineen verbod op het transporteren of leveren van warmte zonder eenaanwijzing. Ook voorziet het eerste lid in een verbod om zonderaanwijzing van een warmtetransportbeheerder warmte te transporteren.Er geldt een aantal uitzonderingen op dit verbod. In de eerste plaats is ditverbod niet van toepassing op het transport of de levering van warmtevoor industriële processen of productieprocessen (onderdeel a). Het gaathier om warmtenetten waarmee warmte getransporteerd en geleverdwordt aan bijvoorbeeld de industrie of de glastuinbouw. Het wetsvoorstelricht zich niet op de regulering van dergelijke warmtelevering.Ook het transport van warmte door middel van leidingen, bijbehorendeinstallaties en overige hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw ofwerk van een producent of een producent van restwarmte of op hetperceel waarop de productie-installatie is gelegen is uitgezonderd(onderdeel b). Leidingen die buiten het perceel van een producent ofproducent van restwarmte liggen waarmee de warmte naar een collec-tieve warmtevoorziening getransporteerd wordt, vallen wel onder hetverbod om warmte zonder aanwijzing te transporteren.Verder vormt het transport en de levering van warmte door een warmte-bedrijf door middel van één collectief warmtesysteem aan ten hoogste10 kleinverbruikers gezamenlijk een uitzondering (onderdeel c). Leveringmet een net aan slechts één verbruiker kwalificeert uiteraard als eenindividuele warmtevoorziening. Met het aantal van 10 kleinverbruikers isaangesloten bij de ondergrens voor de vergunningplicht die geldt opgrond van artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Warmtewet.Ook het transport en de levering van warmte door een verhuurder of VvEaan respectievelijk maximaal 10 eigen huurders of maximaal 10 eigenleden met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal100 kilowatt vormt een uitzondering (onderdeel d). Het gaat hier om eensituatie waarbij de door een verhuurder en VvE aan zijn huurdersrespectievelijk leden geleverde warmte niet afkomstig is van eenwarmtebedrijf. Er is met andere woorden geen sprake van doorleveringvan warmte. Met deze uitzondering wordt voorkomen dat ook voor zeerkleine warmtesystemen een warmtebedrijf moet worden aangewezen ofgebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheid om een ontheffingvan het verbod te verlenen. Onderdelen e en f geven ten slotte eenspecifieke uitzondering voor situaties waar sprake is van doorleveringdoor een verhuurder of VvE. Het warmtebedrijf waarvan de verhuurder ofde VvE de warmte ontvangt via een centrale aansluiting op het warmtenetzal door het college moeten zijn aangewezen of zal een ontheffing moetenhebben verkregen. Er is dus geen reden om deze doorlevering teverbieden.Ingevolge het tweede lid gelden de regels met betrekking tot de meetver-plichtingen en de facturering voor de in het eerste lid, onderdelen c tot enmet f, omschreven vormen van transport en levering van warmte. Ditvloeit voort uit de richtlijn 2012/27/EU. Genoemde regels zijn mede geletop het dwingende karakter van Europese richtlijnen ook van toepassingop de genoemde vormen van transport en levering die niet verder onderde in het eerste lid genoemde uitzonderingen op het verbod vallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3208 Artikel 2.1Eerste lidIn artikel 2.1, eerste lid, zijn de criteria opgenomen die het college hanteertbij de vaststelling van een warmtekavel. Uitgangspunt bij de vaststellingis dat er zicht is op het binnen de warmtekavel kunnen realiseren van eenduurzame, betaalbare en betrouwbare warmtevoorziening. Warmtekavelskunnen, afhankelijk van de lokale en regionale omstandigheden envoorkeuren, dus verschillend van omvang zijn. Het is aan het college omte bepalen op welke wijze de warmtekavel bepaald wordt: bijvoorbeeld opbasis van het kadaster, postcoderozen of straatnamen. De in artikel 2.1opgenomen criteria zorgen er evenwel voor dat zij de belangrijksterelevante aspecten betrekt bij de besluitvorming. Onderdeel a bepaalt datde omvang zodanig is dat een warmtebedrijf binnen de warmtekavel eencollectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze kan aanleggen enexploiteren. In onderdeel b wordt voorgeschreven dat de omvang zodanigis dat de leveringszekerheid binnen de warmtekavel naar verwachtingvoldoende kan worden verzekerd. Om invulling te geven aan de leverings-zekerheidsverplichting is daarbij van belang dat voor de warmtekavelaltijd voldoende capaciteit ter beschikking moet zijn om aan de verwachtewarmtevraag in de warmtekavel te kunnen voldoen. Dit sluit niet uit dattwee verschillende collectieve warmtevoorzieningen in twee verschillendewarmtekavels gebruik maken van dezelfde warmtebron of dat decollectieve warmtevoorziening in de ene warmtekavel wordt gebruikt voorhet transport van warmte voor een ander warmtekavel, mits voldaanwordt aan de leveringszekerheidsverplichting. In het geval eenwarmtebron wordt gedeeld betekent dit dat er voldoende gecontracteerdeof zelfopgewekte warmte (zowel basislast, als piek en back-up) terbeschikking moet zijn om aan de verwachte warmtevraag van beidewarmtekavels te kunnen voldoen. In het geval de collectieve warmtevoor-ziening in de ene warmtekavel wordt gebruikt voor het transport vanwarmte voor een ander warmtekavel dient ervoor beide warmtekavelsvoldoende transportcapaciteit beschikbaar te zijn om aan de potentiëlewarmtevraag van beide warmtekavels te kunnen voldoen.Tweede lidHet tweede lid stelt voor dat het college bij het vaststellen van eenwarmtekavel rekening dient te houden met relevante factoren enontwikkelingen die in nabijgelegen gemeenten spelen. Het gaat daarbijspecifiek om het betrekken van de beschikbaarheid en inzet van eenschaarse warmtebron of een potentiële schaarse warmtebron in eennabijgelegen gemeente voor zover deze beschikbaar is. Ook metmogelijke voornemens in een nabijgelegen gemeente om te kiezen vooreen collectieve warmtevoorziening houdt het college rekening. Hiermeewordt bereikt dat deze aspecten worden meegewogen. Dit betekent nietdat een warmtekavel per definitie de gemeentegrenzen overschrijdt.Derde lid en vierde lidVoor het geval er bovengemeentelijke verdelingsvraagstukken aan deorde zijn voorziet het derde lid in de verplichting voor het college om hetontwerp van de vaststelling van de warmtekavel te zenden aan gedepu-teerde staten van de provincie of provincies op wiens grondgebied dewarmtekavel ligt. Hiervan is sprake als een warmtekavel betrekking heeftop het grondgebied van meerdere gemeenten of als in een warmtekaveleen warmtebron ligt die meerdere gemeenten van warmte kan voorzien.Dit laatste kan blijken uit een gemeentelijk omgevingsvisie als bedoeld inartikel 3.1, eerste lid van de Omgevingswet, een provinciale omgevings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3209 visie, als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Omgevingswet, of eenvastgesteld programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet.Hiermee is geborgd dat het college bij de vaststelling van een warmte-kavel in voldoende mate buiten de gemeentegrenzen kijkt en rekeninghoudt met de daar spelende belangen. Gedeputeerde staten kunnenvervolgens binnen acht weken via een zienswijze kenbaar maken dat zijvan mening zijn dat de warmtekavel niet voldoet aan de criteria in heteerste lid en de regels in het tweede lid, waarna het college in dat gevalbij de vaststelling van de warmtekavel verantwoordt hoe zij de zienswijzevan gedeputeerde staten heeft verwerkt.Vijfde lidIn dit lid is bepaald op welke wijze het college de vaststelling van dewarmtekavel kenbaar moet maken. Om te borgen dat het college bij devaststelling van de warmtekavel in voldoende mate buiten de gemeente-grenzen kijkt en rekening houdt met de daar spelende belangen, isvoorgesteld dat het college de vaststelling naar gedeputeerde staten zendtvan de provincie of de provincies waar de warmtekavel ligt. Gedeputeerdestaten kan naar aanleiding hiervan bezien of er reden is de interbestuur-lijke toezichtbevoegdheden op grond van de Gemeentewet in te zetten.Zesde en zevende lidHet college kan de warmtekavel wijzigen waarbij het eerste tot met vijfdelid en het achtste lid van overeenkomstige toepassing zijn. Het kan hiergaan om een wijziging van de warmtekavel waarvoor nog geen warmte-bedrijf is aangewezen maar het kan ook gaan om een warmtekavelwaarvoor al wel een aanwijzing is verleend. In dat laatste geval zal dewijziging van de warmtekavel ook leiden tot wijziging van de aanwijzing.Regels hiervoor zijn gegeven in artikel 2.8.Artikel 2.2In artikel 2.2 is voorgesteld dat alleen een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap op grond van artikel 2.5een aanvraag kunnen indienen om aangewezen te worden.De eisen waaraan een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang moet voldoen zijn in het eerste lid opgenomen. De in onderdeel agenoemde warmtebedrijven zijn rechtspersonen waarvan meer dan 50%van de aandelen direct of indirect in handen is van een openbaar lichaam.In onderdeel b is een specifieke regeling opgenomen voor warmtejoint-ventures bestaande uit een warmtenetbedrijf en warmteleveringsbe-drijf. Een warmte joint-venture kan op grond van de definitie in artikel 1.1een rechtspersoon zijn maar ook een personenvennootschap. Hetopenbaar lichaam moet in het warmtenetbedrijf meer dan 50% van deaandelen bezitten. In de warmte joint-venture bezit het warmtenetbedrijfvervolgens meer dan 50% van de aandelen (in geval van een rechts-persoon) of heeft doorslaggevende zeggenschap (in geval van eenpersonenvennootschap). Op deze wijze is geborgd dat een publieke partijin de warmte joint-venture doorslaggevende zeggenschap heeft.Uit het tweede lid volgt dat een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap alleen in aanmerking kunnenkomen voor een aanwijzing als zij op grond van artikel 2.4 tijdig hetvoornemen kenbaar hebben gemaakt een aanvraag in te dienen. Als zij ditniet hebben gedaan zal de aanvraag voor een aanwijzing op grond vanartikel 2.5 buiten behandeling worden gelaten. Gedurende de ingroeipe-riode is het noodzakelijk om te kunnen vaststellen of er een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapaangewezen wil worden. Alleen als dat niet het geval is kan het collegeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3210 een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap aanwijzen. Die aanwijzings-procedure is in artikel 2.7 opgenomen.Artikel 2.3Eerste lidArtikel 2.3, eerste lid, stelt voor dat een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang niet is toegestaan statutaire of contractueleafspraken te treffen die ervoor zorgen dat degene die een meerderheids-aandeel of doorslaggevende zeggenschap heeft in een aangewezenwarmtebedrijf feitelijk geen doorslaggevende zeggenschap over hetwarmtebedrijf heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een publieke partijalsnog niet het beleid van het warmtebedrijf kan bepalen waardoorpublieke belangen anders gewogen kunnen worden dan in het geval eenpublieke partij doorslaggevende zeggenschap zou hebben. Het isbijvoorbeeld niet toegestaan in de statuten op te nemen dat voorbepaalde besluiten een versterkte meerderheid vereist is.Tweede lidHet tweede lid maakt een uitzondering mogelijk op het verbod in heteerste lid. De uitzondering geldt alleen voor een aantal essentiëlebeslissingen van het warmtebedrijf met als doel de aandeelhouders meteen minderheidsbelang te beschermen. Ten aanzien van deze beslissingenmogen partijen wel statutaire of contractuele afspraken maken. Afsprakenover deze onderwerpen biedt de minderheidsaandeelhouder bepaaldewaarborgen rondom de gedane investering in het warmtebedrijf. Gemenedeler van de in het tweede lid genoemde beslissingen is dat het gaat omgrote investeringen en bepaalde essentiële beslissingen ten aanzien vanhet warmtebedrijf. Dit type bescherming van de minderheidsaandeel-houder is gebruikelijk bij vennootschappen waar een exit niet eenvoudigis. Het gaat hier niet om beslissingen over het algemene beleid van hetwarmtebedrijf en de keuze van het warmtebedrijf hoe bijvoorbeeld deleveringszekerheid te borgen, hoe de duurzaamheidsdoelen bereikt zullenworden of welke tarieven in rekening gebracht zullen worden en andereoperationele beslissingen. Doel van het wetsvoorstel is dat dit onder-werpen zijn waarover een publieke partij doorslaggevende zeggenschapzal hebben aangezien een publieke partij gelet op de publieke belangenmogelijk andere keuzes zal maken dan een private partij.Derde lidIn het derde lid worden nadere eisen en voorwaarden gesteld ten aanzienvan een warmtegemeenschap. Voor een toelichting daarop wordtverwezen naar paragraaf 3.5.6 van de toelichting. Om te borgen dat dewarmtegemeenschap voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in derichtlijn 2018/2001/EU wordt aan een warmtegemeenschap de eis gestelddat zij in de statuten of overeenkomst opneemt dat de leden, vennoten ofaandeelhouders uitsluitend natuurlijke personen, micro-ondernemingen,kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen of lokale openbarelichamen zijn. Daarnaast moet in de statuten of overeenkomst wordenopgenomen dat de participatie in de warmtegemeenschap open envrijwillig is. Dit betekent dat deelname non-discriminatoir is en dat er geenhoge financiële vergoeding in de vorm van contributie mag wordengevraagd voor toetreding. De statuten of overeenkomst moeten ookbepalen dat de leden, vennoten of aandeelhouders het recht hebben omde warmtegemeenschap te verlaten. Het lidmaatschap van de warmtege-meenschap is echter niet gekoppeld aan de warmtelevering. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3211 verbruiker moet kunnen uitstappen als lid, zonder dat dit consequentiesheeft voor zijn warmtelevering. Tenslotte dient de warmtegemeenschap inde statuten of overeenkomst op te nemen dat de feitelijke zeggenschapover de warmtegemeenschap is gelegen bij de leden, vennoten ofaandeelhouders van de rechtspersoon, die in de nabije omgeving van decollectieve warmtevoorziening zijn gevestigd.Artikel 2.4Artikel 2.4 voorziet in een inventarisatieprocedure op basis waarvan eencollege kan vaststellen of een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap het voornemen heeft eenaanvraag in te dienen om voor een warmtekavel aangewezen te worden.Doel van deze inventarisatie is helder te krijgen of het een doel dient eenaanwijzingsprocedure voor een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap op te starten. De inventarisatieis van belang omdat een college gedurende de ingroeiperiode uitsluitendde aanwijzingsprocedure in artikel 2.7 kan doorlopen indien uit deinventarisatie blijkt dat er geen warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap kenbaar heeft gemaaktaangewezen te willen worden.Eerste lidIn het eerste lid is voorgesteld dat een college de inventarisatie start viaeen mededeling in de Staatscourant en op andere geschikte wijze. In dezemededeling wordt een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap de mogelijkheid geboden om binneneen bij ministeriële regeling te bepalen termijn het voornemen kenbaar temaken dat het een aanvraag wil indienen om aangewezen te worden.Gedacht wordt aan een periode van vier weken.In de mededeling neemt het college ook op binnen welke termijn deaanvraag om een aanwijzing daadwerkelijk ingediend moet zijn. Bij devaststelling door het college van laatstgenoemde termijn zal het collegerekening moeten houden met enerzijds de maximale termijn waarbinnenhet warmtebedrijf of de warmtegemeenschap het voornemen kenbaarheeft moeten maken en anderzijds de tijd die naar verwachting nodig isom te kunnen voldoen aan de vereisten om te kunnen worden aange-wezen, waaronder het bij de aanvraag overleggen van een besluit van deACM waarin de organisatorische en technische bekwaamheid en definanciële draagkracht van het warmtebedrijf is getoetst.Tweede lidHet tweede lid geeft het college de bevoegdheid om de inventarisatiedoor middel van een mededeling opnieuw te starten indien een warmte-bedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapgeen voornemen kenbaar heeft gemaakt. Als een dergelijk voornemen welkenbaar is gemaakt maar de daadwerkelijke aanvraag wordt niet tijdigingediend kan het college de inventarisatieprocedure ook opnieuwdoorlopen. Het college kan dit ook doen als een op grond van artikel 2.5ingediende aanvraag van een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of warmtegemeenschap is afgewezen.Omdat bovengenoemde situatie ook de voorwaarden zijn waarondergedurende de ingroeiperiode een aanwijzingsprocedure voor een anderwarmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap (zie artikel 2.6, eerste lid) kan wordendoorlopen, heeft een college twee opties als één van deze situaties zichvoordoet. Het college kan op grond van het tweede lid ervoor kiezen omnogmaals een inventarisatieprocedure te starten. Het college kan ookTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3212 gedurende de ingroeiperiode besluiten de aanwijzingsprocedure inartikel 2.7 voor het aanwijzen van een ander warmtebedrijf te starten.Artikel 2.5Eerste en tweede lidIn artikel 2.5 is de procedure voor de aanwijzing van een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapbeschreven.Op grond van het eerste lid kan het college op aanvraag een warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschapaanwijzen dat de exclusieve bevoegdheid heeft binnen de warmtekavel detaken, bedoeld in artikel 2.12, uit te voeren.Deze exclusieve bevoegdheid is er in een aantal gevallen niet. Allereerstgeldt de exclusieve bevoegdheid niet voor de in artikel 1.2, eerste lid,onderdelen a tot en met f, genoemde situaties waarin het verbod op hetzonder aanwijzing transporteren en leveren van warmte niet geldt(onderdeel a). Daarnaast geldt geen exclusieve bevoegdheid voor hetgebied waarop de ontheffing voor een klein collectief warmtesysteem opgrond van artikel 3.1, eerste lid betrekking heeft (onderdeel b). Een kleincollectief warmtesysteem kan ook te groot worden en de grens van 1500verbruikers overstijgen waardoor het warmtebedrijf op grond vanartikel 3.3, zesde lid, een aangewezen warmtebedrijf wordt. Ook voor ditdeel van de warmtekavel geldt dan geen exclusieve bevoegdheid(onderdeel c). Ten slotte geldt de exclusieve bevoegdheid ook niet voorhet gebied waarbinnen op grond van hoofdstuk 4 warmtelevering dooreen verhuurder of VvE is toegestaan (onderdelen d en e).De aanwijzing kan worden verleend voor een termijn van minimaal 20 enmaximaal 30 jaar te rekenen van het moment van aanwijzing. Het collegegeeft voorafgaand aan de aanwijzingsprocedure aan welke termijn zalgelden.De genoemde bandbreedte voor de termijn is gekozen om aan te sluitenbij de lokale situatie, de ontwikkeltermijnen van een collectieve warmte-voorziening en bij de gemiddelde afschrijvingstermijnen die gebruikelijkzijn bij investeringen in warmtesystemen. Investeringen in collectievewarmtevoorzieningen vragen om een lange termijnplanning. Door opnatuurlijke momenten te investeren kunnen publieke belangen alsleveringszekerheid en verduurzaming geborgd worden tegen zo laagmogelijke kosten. Er is voor een bandbreedte gekozen, omdat deinvesteringshorizon verschilt per collectieve warmtevoorziening. Er gaatbijvoorbeeld een lange voorbereidingstijd vooraf aan een nieuw aan teleggen collectieve warmtevoorziening. Daardoor kan het enkele jarenvanaf de aanwijzing duren voordat er investeringen terugverdiend kunnenworden. Om deze reden is het onverstandig om te kiezen voor deminimale aanwijzingstermijn voor een warmtekavel waar een nieuwecollectieve warmtevoorziening aangelegd moet worden. De investering inbijvoorbeeld een duurzame warmtebron kan voor een bestaandewarmtevoorziening sneller terugverdiend worden, omdat er al een basisvan aangesloten verbruikers is. In dat geval kan een kortere aanwijzings-termijn op zijn plaats zijn.Derde tot en met vijfde lidOm aangewezen te worden dient het warmtebedrijf of de warmtegemeen-schap voldoende bekwaam en financieel gezond te zijn. Met het ooghierop is voorgeschreven dat het warmtebedrijf of de warmtegemeen-schap voordat deze een aanvraag om aangewezen te worden bij hetcollege kan indienen, een aanvraag moet indienen bij de ACM waarin deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3213 ACM verzocht wordt om bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf ofde warmtegemeenschap voldoende beschikt over de organisatorische entechnische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken envoldoende financieel in staat is de taken uit te voeren.Een warmtebedrijf of warmtegemeenschap dat al is aangewezen voor eenander warmtekavel zal om voor een nieuw warmtekavel te kunnenworden aangewezen opnieuw een aanvraag bij ACM indienen. De ACMzal beoordelen of het warmtebedrijf of de warmtegemeenschap in staat isvoor meerdere kavels de taken uit te voeren. Het kan in dat geval gaan omeen lichtere toets. Het is aan de ACM om daar invulling aan te geven.Ingevolge het vierde lid kan de ACM voorschriften en beperkingen aan hetbesluit verbinden. Een beperking is een begrenzing naar plaats en tijd. Bijvoorschriften gaat het om verplichtingen. Bijvoorbeeld om meer eigenvermogen aan te trekken om de financiële stabiliteit (de solvabiliteit) teborgen of om meer personeel aan te trekken.In het vijfde lid is voorgesteld dat het warmtebedrijf of de warmtegemeen-schap bij de aanvraag om aangewezen te worden een positief besluit vande ACM en het globaal kavelplan bijvoegt. Alleen dan zal de aanvraag bijhet college om een aanwijzing in behandeling kunnen worden genomen.Indien een positief besluit van de ACM ontbreekt zal het college deaanvraag buiten behandeling laten, omdat er geen sprake is van eenvolledige aanvraag. Ook een aanvraag zonder een globaal kavelplan zalniet in behandeling worden genomen.Zesde lidDit lid geeft een aantal afwijzingsgronden.Het college beslist afwijzend indien de in het globaal kavelplanbeschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, VvEof een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen vande collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn(onderdeel a). Hierbij kan worden gedacht aan in het globaal kavelplanbeschreven noodzakelijke aanpassingen van de aan te sluiten gebouwenof de in die gebouwen aanwezige verwarmingsinstallatie die in de praktijkonmogelijk te realiseren zijn of prohibitief hoge kosten met zichmeebrengen.Het college beslist tevens afwijzend op een aanvraag indien aannemelijkis dat het globaal kavelplan redelijkerwijs niet uitvoerbaar is (onderdeel b).Het kan dan bijvoorbeeld gaan om zeer experimentele duurzamewarmtebronnen die zijn voorgesteld in het globaal kavelplan en waarvoorgeen betrouwbaar alternatief («plan B») wordt voorgesteld indien dezebronnen niet gerealiseerd kunnen worden. Het gaat daarbij om eensituatie die niet binnen redelijke termijn te herstellen is. Op organisato-risch vlak kan het bijvoorbeeld gaan om te grote beperkingen in capaciteit(personeel) om de voorgenomen werkzaamheden volgens het globaalkavelplan tijdig te kunnen uitvoeren.Zevende lidUit dit lid volgt dat het college ingeval van meerdere aanvragen dezeaanvragen op volgorde van ontvangst moet beoordelen. Deze keuze voorde zogenaamde eerst-komt-eerst-maalt-systematiek wordt nadertoegelicht en gemotiveerd in paragraaf 3.5.6, onder toetsingskader, vandeze toelichting.Negende lidHet negende lid bevat een delegatiegrondslag om bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur nadere regels te geven. Het voornemenis om op basis van deze grondslag onder meer nadere regels te stellen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3214 het mogelijk maken om de aanwijzingsprocedure verder te uniformeren.Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan de ontwikkeling van een formatdat warmtebedrijven dienen in te vullen als onderdeel van het globaalkavelplan. Als onderdeel van dit format kan ook worden gedacht aan eenset van rekenregels die warmtebedrijven dienen te hanteren om eenindicatie van de kosten voor de realisatie van (delen van) de collectievewarmtevoorziening binnen de warmtekavel te geven. Op deze wijze wordtzoveel mogelijk uniformiteit geborgd hetgeen de beoordeling van deaanvragen eenvoudiger kan maken.Artikel 2.6In dit artikel is de start van de aanwijzingsprocedure voor de aanwijzingvan een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap geregeld. Een college kanuitsluitend gedurende de ingroeiperiode besluiten deze aanwijzingspro-cedure te volgen. In het eerste lid zijn de voorwaarden benoemdwaaronder voor deze aanwijzingsprocedure gekozen kan worden. Zoalstoegelicht bij artikel 2.4, tweede lid, zijn dit dezelfde elementen op basiswaarvan een college er ook voor zou kunnen kiezen om de in artikel 2.4voorgestelde inventarisatieprocedure nogmaals te starten.Een college die gebruik maakt van haar bevoegdheid om de aanwijzings-procedure voor een ander warmtebedrijf te starten maakt dit ingevolgehet tweede lid door een mededeling in de Staatscourant en op een anderegeschikte wijze kenbaar. De termijn waarbinnen een aanvraag omaangewezen te worden op grond van artikel 2.7 ingediend kan wordenmaakt het college ook bekend. Bij het vaststellen van deze termijn ligt hetvoor de hand dat het college in ieder geval rekening houdt met de tijd dienodig is om het bij de aanvraag verplicht te overleggen besluit van deACM te verkrijgen waarin de organisatorische en technischebekwaamheid en financiële situatie van het warmtebedrijf is getoetst.De ingroeiperiode van 7 jaar kan op grond van het derde lid bij koninklijkbesluit worden verlengd met ten hoogste 3 jaar indien uit de evaluatie,bedoeld in artikel 12.1, volgt dat nog onvoldoende warmtebedrijven meteen publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschappen beschikbaarzijn. Hiermee wordt geregeld dat er in die situatie gedurende een langeretijd gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om een warmtebe-drijf zonder een publiek meerderheidsbelang aan te wijzen. Daarmee kanin die situatie vertraging van de warmtetransitie zoveel mogelijk wordenvoorkomen.Artikel 2.7Eerste tot en met zesde lidIn artikel 2.7 is de aanwijzingsprocedure van een ander warmtebedrijf daneen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtege-meenschap beschreven. Een aantal van de in dit artikel opgenomenbepalingen zijn gelijk aan de bepalingen in artikel 2.5 die gelden voor deaanwijzingsprocedure van een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap. Dit geldt voor het eerste tot enmet zesde lid. Daarom wordt voor de toelichting op deze leden verwezennaar de toelichting op artikel 2.5, eerste tot en met zesde lid.Zevende lidZoals toegelicht in paragraaf 3.5.7 van het algemene deel van dezetoelichting voorziet de aanwijzingsprocedure van een ander warmtebedrijfin het rangschikken van de aanvragen indien er meerdere aanvragenworden ingediend. Het zevende lid geeft daar regels voor. Op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3215 dit lid dient het college bij de ontvangst van meerdere aanvragen dieaanvragen te rangschikken op basis van de in dit lid opgenomenrangschikkingscriteria.Een aanvraag wordt daarbij hoger gerangschikt naarmate aannemelijkeris dat de bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid opgenomen normen inzakede uitstoot van broeikasgassen bereikt zullen worden (onderdeel a).Hierbij kan worden gedacht aan een warmtebedrijf dat eerder eenduurzame warmtebron zal aansluiten en beter rekening houdt met demogelijke risico’s tot vertraging dan een ander warmtebedrijf.Ook de vraag of er sprake is van een doelmatige en kosteneffectieveaanleg en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening is eenrangschikkingscriterium (onderdeel b). Dit is een belangrijk criterium voorveel verbruikers, omdat de doelmatige en kosteneffectieve aanleg enexploitatie direct impact heeft op de betaalbaarheid van het systeem.Door de kosten zo laag mogelijk te houden, maar wel voldoende teinvesteren om de wettelijke eisen te kunnen borgen, wordt de betaal-baarheid voor verbruikers geborgd vanaf de aanleg en verder in detoekomst. Het warmtebedrijf heeft hier invloed op door onder anderegoed over de investeringen en investeringsmomenten na te denken.Verder zal een aanvraag hoger worden gerangschikt naarmate deleveringszekerheid beter wordt verzekerd (onderdeel c).Ook het betrekken van de toekomstige verbruikers bij de aanleg, ontwik-keling en exploitatie van een collectieve warmtevoorziening is eenrangschikkingscriterium (onderdeel d). Het vroegtijdig betrekken van deomgeving in en rond de wijk zorgt ervoor dat verschillende wensen,perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Een goedingericht participatieproces draagt op die manier bij aan kwalitatief beterebesluitvorming en helpt in een latere fase om bewoners te motiveren ommee te doen aan de verduurzaming van hun woning en wijk of buurt. Hetparticipatieproces heeft zowel betrekking op bewoners als anderestakeholders, zoals het warmtebedrijf, de netbeheerder, de waterbe-heerder, verhuurders zoals woningcorporaties en gebouweigenaren(inclusief de utiliteitsbouw).Verder zal een aanvraag hoger gerangschikt worden naarmate aanneme-lijker is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voortoekomstige verbruikers en verhuurders, VvE of een daarmee verge-lijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectievewarmtevoorziening beter uitvoerbaar zijn (onderdeel e). Daarbij kan hetgaan om de in het globaal kavelplan beschreven eisen ten aanzien van demate van isolatie van de aan te sluiten gebouwen of ingeval vanlage-temperatuur warmte een mogelijke eis dat gebouwen of individuelewoningen voorzien moeten zijn van en warmtepomp en een daarbijbehorend warmte-afgiftesysteem.Tot slot is ook de mate waarin het aannemelijk is dat het globaal kavelplanvoor het warmtebedrijf uitvoerbaar is een rangschikkingscriterium(onderdeel f). Het gaat bij dit criterium om de vraag in hoeverre de doorhet warmtebedrijf voorgestelde ontwikkeling van de warmtekaveltechnisch, financieel en organisatorisch haalbaar is. Gekeken wordtbijvoorbeeld of in het globaal kavelplan voldoende aannemelijk wordtgemaakt dat de voorgestelde duurzame warmtebronnen beschikbaar zijnen of het aannemelijk is dat het warmtebedrijf met de voorgesteldeorganisatie de warmtekavel succesvol kan ontwikkelen.Achtste lidHet achtste lid creëert de mogelijkheid voor het college om advies in tewinnen van een adviescommissie. Alhoewel het een college vrij staat omzelf keuzes te maken ten aanzien van de vraag of en door wie zij zich bijhaar besluitvorming laat adviseren is de mogelijkheid van advies door eenadviescommissie expliciet benoemd bij deze aanwijzingsprocedureTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3216 vanwege de kans dat meerdere warmtebedrijven een aanvraag indienen.In deze adviescommissie kunnen onafhankelijke technische, financiële enorganisatorische experts op het gebied van collectieve warmtesystemenzitting hebben, die dan het college adviseren over de beoordeling van deaanvragen. Op deze manier wordt de uitvoerbaarheid voor gemeentenvergroot.Negende en tiende lidHet college kan op grond van het negende lid aan de rangschikkingscri-teria een weging toekennen waarbij geldt dat elke grond voor minimaal5% en maximaal 50% meegewogen wordt. Hiermee wordt enerzijdsgeregeld dat een college sommige van de in dit wetsvoorstel genoemderangschikkingscriteria die voor haar belangrijker zijn een zwaardergewicht mag toekennen, maar anderzijds wordt ook voorkomen dat eencollege slechts één of een beperkt aantal criteria mee laat wegen.Uiteindelijk zal het college op grond van het tiende lid het warmtebedrijfaanwijzen dat het hoogste is gerangschikt.Artikel 2.8Artikel 2.8 geeft regels over de wijziging van een aanwijzing waardoor deaanwijzing gaat gelden voor een gewijzigd warmtekavel. Het kan daarbijgaan om een vergroting van de warmtekavel, een verkleining van dewarmtekavel of een samenvoeging van twee warmtekavels van hetzelfdewarmtebedrijf. In al deze gevallen geldt dat de aanwijzing uitsluitendambtshalve gewijzigd kan worden. Een aangewezen warmtebedrijf kanniet het initiatief nemen een warmtekavel te wijzigen. Hiervoor is gekozenmet het oog op het uitgangspunt van gemeentelijke regie dat tengrondslag ligt aan dit wetsvoorstel. Vanuit dat uitgangspunt is het aan hetcollege en niet aan andere partijen om het initiatief te nemen eenaanwijzing te wijzigen waardoor de aanwijzing gaat gelden voor bijvoor-beeld een groter of kleiner warmtekavel. Vanzelfsprekend mag het collegezich hierbij laten adviseren door andere partijen. Verder ligt het voor dehand dat het aangewezen warmtebedrijf betrokken is en gehoord wordtgelet op het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb.Eerste lid tot en met vierde lidIn het eerste lid zijn de voorwaarden opgenomen waaronder het collegeeen aanwijzing kan wijzigen waardoor deze geldt voor een groterwarmtekavel.Een vergroting van de warmtekavel brengt met zich mee dat de rechtenen plichten die voor het warmtebedrijf golden voor de oorspronkelijkewarmtekavel nu ook gaan gelden voor de vergrote warmtekavel. Het isvan belang dat het aangewezen warmtebedrijf daartoe in staat is. Daaromis als voorwaarde opgenomen dat de ACM bij besluit heeft vastgesteld dathet warmtebedrijf beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid die noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken vooreen aangewezen warmtebedrijf en dat het aangewezen warmtebedrijffinancieel voldoende in staat is de taken ook voor de vergrote warmte-kavel uit te voeren.In dat kader is in het tweede lid voorgesteld dat de ACM op verzoek vanhet college bij besluit vaststelt of het aangewezen warmtebedrijf aan dezeeisen voldoet. Met het oog hierop is in het derde lid bepaald dat hetaangewezen warmtebedrijf verplicht is om de voor dit besluit benodigdegegevens en bescheiden aan de ACM te verstrekken.Verder is het voor onder meer de continuïteit van de collectieve warmte-voorziening van belang dat het rendement van het aangewezen warmte-bedrijf ook na de vergroting van de warmtekavel nog steeds voldoende isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3217 om de uitvoering van de taken en verplichtingen van het warmtebedrijfniet in gevaar te brengen. Daarom is als tweede voorwaarde opgenomendat het aangewezen warmtebedrijf na de vergroting van de warmtekavelnog steeds een redelijk rendement kan behalen of een ander voor hetwarmtebedrijf acceptabel rendement. Voor wat betreft het redelijkerendement wordt daarbij verwezen naar het door de ACM in het kader vande tariefregulering vast te stellen redelijk rendement (zie hoofdstuk 8 vandeze toelichting). In het kader van deze voorwaarde is het door hetwarmtebedrijf acceptabel geachte rendement alleen relevant indien datlager is dan het door de ACM vastgestelde redelijk rendement. Indien datniet het geval is, geldt het door het ACM vastgestelde redelijk rendement.Vijfde lidIn het vijfde lid zijn de voorwaarden opgenomen voor het ambtshalvewijzigen van een aanwijzing waardoor de aanwijzing geldt voor eenkleiner warmtekavel.Bij een verkleining van de warmtekavel is het niet aannemelijk dat ditertoe zou kunnen leiden dat het warmtebedrijf niet langer voldoet aan dekwalificaties waarover de ACM voorafgaand aan de oorspronkelijkeaanwijzing een besluit heeft genomen. Daarom wordt bij de verkleiningvan de warmtekavel geen nieuw besluit van de ACM hierover noodza-kelijk. Een verkleining van de warmtekavel kan wel effect hebben op hetrendement van het aangewezen warmtebedrijf. Daarom geldt dehierboven bij een vergroting van de warmtekavel beschreven voorwaardemet betrekking tot het rendement ook bij een verkleining. Als tweedevoorwaarde is voorgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf met dezeverkleining moet instemmen. Een verkleining heeft immers mogelijkgevolgen voor het terugverdienen van de investeringen door entoekomstplannen van het aangewezen warmtebedrijf.Zesde lidIn het zesde lid zijn de voorwaarden opgenomen als het college tweewarmtekavels wil samenvoegen. In de praktijk betekent dit dat het collegede aanwijzing van een warmtebedrijf wijzigt waardoor de aanwijzing ookgeldt voor een ander warmtekavel. Samenvoeging is alleen aan de ordeindien voor beide warmtekavels hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen.Omdat het samenvoegen van twee warmtekavels geen effect zal hebbenop het rendement van het voor die warmtekavels aangewezen warmtebe-drijf en het ook niet aannemelijk is dat de samenvoeging ertoe zou kunnenleiden dat het aangewezen warmtebedrijf niet langer voldoet aan dekwalificaties die de ACM voorafgaand aan de oorspronkelijke aanwij-zingen heeft getoetst, zijn deze elementen ingeval van een samenvoegingniet als voorwaarde opgenomen.Zevende tot en met negende lidIn het zevende lid is geregeld dat het college voorschriften en beperkingenkan verbinden aan de wijziging van de aanwijzing. Daarbij geldt ingevolgeonderdeel a dat de duur van de aanwijzing ingeval van een vergroting ofverkleining gelijk blijft aan de duur van de oorspronkelijke aanwijzing.Onderdeel b bevat regels ten aanzien van de duur van de aanwijzingingeval van een samenvoeging van twee warmtekavels. Stap 1 is dat hetcollege de datum bepaalt van de minst recente aansluitovereenkomst vande laatste 10% van de leveringsaansluitingen of voorziene leveringsaan-sluitingen waarvoor door het aangewezen warmtebedrijf voor het tijdstipvan inwerkingtreding van dit artikel een aansluitovereenkomst is gesloten.Ook leveringsaansluitingen die nog niet gerealiseerd maar wel gecontrac-teerd zijn op dat moment tellen dus mee. Vervolgens wordt het verschilTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3218 berekend tussen de datum van inwerkingtreding van dit artikel en dedatum berekend bij stap 1. De duur van de aanwijzing bedraagtvervolgens 30 jaar verminderd met de duur berekend op grond van stap 2met een minimum van 14 jaar. Zie ook de toelichting op artikel 12.4.Tiende lidOm ervoor te zorgen dat de provincie op wiens grondgebied de warmte-kavel ligt zicht houdt op de ontwikkeling van de warmtekavel waarvoorhet college een warmtebedrijf heeft aangewezen, is in het tiende lidvoorgesteld dat het college de wijziging van een aanwijzing toezendt aangedeputeerde staten van die provincie. Gedeputeerde staten kunnen danindien zij dit nodig achten gebruik maken van hun interbestuurlijkebevoegdheden op grond van de Gemeentewet.Artikel 2.9Eerste tot en met derde lidUit het eerste en tweede lid volgt dat het college de aanwijzing in eenaantal situaties intrekt.In het eerste lid en tweede lid, onderdeel a, is voorgesteld dat als de ACMaan het college meldt dat het een besluit heeft genomen waarin de ACMheeft vastgesteld dat er grond is de aanwijzing in te trekken, omdat hetaangewezen warmtebedrijf niet langer in staat is een taak als bedoeld inartikel 2.12 uit te voeren of in strijd handelt met artikel 2.13, vierde lid, hetcollege verplicht is de aanwijzing in te trekken. Ook kan het zo zijn dat deACM constateert dat het aangewezen warmtebedrijf vijf jaar na de eersteoverschrijding van een duurzaamheidsnorm nog steeds niet aan dezenorm voldoet. Het gaat hier om situaties die zodanig ernstig zijn datintrekking van de aanwijzing aan de orde is. Veelal zal de ACM vooraf-gaand aan een dergelijke melding het aangewezen warmtebedrijf eenopdracht hebben gegeven op grond van artikel 2.13, derde lid, of zal deACM handhavend hebben opgetreden. Intrekking van de aanwijzing is pasaan de orde als de situatie niet langer verantwoord is, omdat door het nietlanger uit kunnen voeren van een taak en het niet nakomen van eenverplichting bijvoorbeeld de leveringszekerheid in het geding komt. Opgrond van het tweede lid, onderdeel b, is het college ook verplicht eenaanwijzing in te trekken indien een warmtekavel is samengevoegd meteen ander warmtekavel. Logisch gevolg van een samenvoeging vanwarmtekavels is dat een van beide aanwijzingen ingetrokken zal moetenworden.Het derde lid geeft het college de bevoegdheid een aanwijzing in tetrekken indien het aangewezen warmtebedrijf hierom verzoekt, hetaangewezen warmtebedrijf de aan de aanwijzing verbonden voorschriftenof beperkingen niet nakomt, het aangewezen warmtebedrijf in deaanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of hetaangewezen warmtebedrijf geen uitgewerkt kavelplan of een wijzigingdaarvan opstelt ondanks het verzoek van het college daartoe. Bij deinvulling van deze bevoegdheid is het aan college om een afweging temaken tussen het belang van de intrekking en de gevolgen van dezeintrekking voor de warmtelevering. Uit het vierde lid volgt dat als hetaangewezen warmtebedrijf verzoekt om intrekking van de aanwijzing hetde ACM hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte stelt.Vijfde tot en met zevende lidOp grond van het vijfde lid kan een aanwijzing pas worden ingetrokken alseen ander warmtebedrijf is aangewezen voor de desbetreffende warmte-kavel. Vanaf dat moment rusten alle taken en verplichtingen op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3219 hoofdstuk 2 op het nieuw aangewezen warmtebedrijf. Hiermee wordt deleveringszekerheid verzekerd. Voor de aanwijzing van een ander warmte-bedrijf dient opnieuw de aanwijzingsprocedure als bedoeld in artikel 2.5 of2.7 gevolgd te worden.In het zesde lid wordt voorgesteld dat het college verplicht is om een planop te stellen waarin wordt beschreven hoe de levering van warmte kanworden gewaarborgd aan degenen die een leveringsaansluiting hebbenop de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf.Deze verplichting gaat in nadat een op grond van dit lid bij ministeriëleregeling te bepalen termijn waarbinnen het college een ander warmtebe-drijf moet hebben aangewezen is verstreken. Deze verplichting isopgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat de intrekkingsperiodelang voortduurt, omdat het niet lukt om een ander warmtebedrijf tevinden dat de aanwijzing kan of wil overnemen. Dit is met name vanbelang in een situatie dat het aangewezen warmtebedrijf niet langer instaat is om de leveringszekerheid te borgen. De keuze om dezeverplichting neer te leggen bij het college vloeit voort uit uitgangspuntvan gemeentelijke regie dat ten grondslag ligt aan het wetsvoorstel. Vooreen nadere toelichting op de overwegingen ten aanzien van genoemdeverplichting wordt verwezen naar paragraaf 3.7.5 van deze toelichting.Artikel 2.10Als een aangewezen warmtebedrijf de aanwijzing wil overdragen aan eenander warmtebedrijf dan zal het college daarmee moeten instemmen.Gedurende de eerste 7 jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zaleen aanwijzing alleen kunnen worden overdragen aan een anderwarmtebedrijf als een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelangof een warmtegemeenschap niet kenbaar heeft gemaakt de aanwijzingover te willen nemen.Het is van belang dat het andere warmtebedrijf voldoet aan een aantalcriteria voordat de aanwijzing kan worden overgedragen. In het vierde lidis voorgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf voordat deze eenaanvraag om instemming bij het college kan indienen, een aanvraagindient bij de ACM waarin de ACM verzocht wordt vast te stellen of hetandere warmtebedrijf voldoende beschikt over de organisatorische entechnische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken ofvoldoende financieel in staat is de taken uit te voeren.Uit het zesde lid volgt dat een besluit waarin de ACM dit vaststeltvervolgens bij de aanvraag om instemming met de overdracht bijgevoegdmoet worden. Alleen als de ACM in dat besluit tot een positief oordeelover het warmtebedrijf is gekomen, zal de aanvraag bij het college ominstemming met de overdracht van de aanwijzing in behandeling kunnenworden genomen. Ook indien een besluit van de ACM ontbreekt zal hetcollege de aanvraag buiten behandeling laten, omdat er geen sprake isvan een volledige aanvraag. Als er sprake is van een volledige aanvraagzal het college alleen afwijzend beslissen op de aanvraag als het warmte-bedrijf dat de aanwijzing overneemt niet heeft ingestemd met deoverdracht.Artikel 2.11Aangezien in artikel 9.1, eerste lid, aan de ACM het toezicht op de nalevingvan het bij of krachtens een groot aantal artikelen opgenomen inhoofdstuk 2 is opgedragen, is het van belang dat de ACM onder meerbeschikt over de aanwijzing, het globaal kavelplan, de wijziging en deintrekking van de aanwijzing en de instemming met de overdracht van deaanwijzing. Op grond van artikel 2.11 zal het college een afschrift van dezebesluiten aan de ACM zenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3220 Artikel 2.12Voor een toelichting op de taken wordt verwezen naar paragraaf 3.6 vandeze toelichting.In aanvulling daarop kan worden opgemerkt dat in het eerste en tweedelid de taken van het aangewezen warmtebedrijf zijn benoemd, waarbijtwee situaties zijn te onderscheiden. Allereerst kan de gemeente in eenomgevingsplan regels hebben gesteld die in een gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectieve warmtevoorziening is aangewezen. In dat geval gelden detaken met betrekking het aansluiten van gebouweigenaren opgenomen inhet eerste lid, onderdelen h tot en met j. Ook is het mogelijk dat degemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid. In dat geval rustenop een aangewezen warmtebedrijf de taken geformuleerd in het tweedelid in plaats van de taken opgenomen in het eerste lid, onderdelen h tot enmet j.Het aangewezen warmtebedrijf heeft op grond van het derde lid tevens tottaak het warmtenet naar een warmtebron dat buiten de warmtekavel ligtof in de warmtekavel ligt maar buiten het gebied waarvoor het uitgewerktkavelplan geldt, aan te leggen, te beheren en te onderhouden. Ook ditwarmtenet is van belang voor de leveringszekerheid. Het kan voorkomendat dit warmtenet gebruikt wordt door meerdere aangewezen warmtebe-drijven. Uit het vierde lid volgt dat slechts een van deze warmtebedrijvenin dat geval verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer enonderhoud van dit warmtenet.Uit het vijfde lid volgt dat het aangewezen warmtebedrijf werkzaamhedenter uitvoering van haar taken kan laten uitvoeren door een derde. Als eenaangewezen warmtebedrijf hiertoe overgaat zal het wel de verantwoorde-lijkheid behouden voor de uitvoering van deze werkzaamheden. Hiermeeblijft de integrale verantwoordelijkheid bij het aangewezen warmtebedrijfliggen.Om de gemeentelijke regie te borgen is in het zesde lid voorgesteld dateen aangewezen warmtebedrijf zijn taken niet mag verrichten als daargeen uitgewerkt kavelplan aan ten grondslag ligt waarmee de gemeenteheeft ingestemd. Met deze bepaling wordt bereikt dat een warmtebedrijfalleen een collectieve warmtevoorziening mag ontwikkelen in die delenvan de warmtekavel waarmee het college heeft ingestemd.Artikel 2.13Om de continuïteit van de warmtelevering te waarborgen is het vanbelang dat het aangewezen warmtebedrijf zijn taken kan blijven uitvoeren.Artikel 2.13 geeft de ACM de mogelijkheid om een vinger aan de pols tehouden en in te grijpen indien dat noodzakelijk mocht blijken te zijn.Aangezien het van belang is dat de ACM wordt geïnformeerd indien eenaangewezen warmtebedrijf voorziet dat het een taak niet langer kanuitvoeren, is het aangewezen warmtebedrijf op grond van het eerste lidverplicht om dit aan de ACM te melden. Na deze melding dient hetaangewezen warmtebedrijf op grond van het tweede lid op korte termijnaan de ACM aan te geven welke maatregelen het heeft genomen envoornemens is te nemen om de taak weer uit te kunnen voeren. Op basisdaarvan kan de ACM beoordelen of dit voldoende is of dat additionelemaatregelen noodzakelijk zijn. De melding en de door het aangewezenwarmtebedrijf gemelde maatregelen kunnen aanleiding voor de ACM zijnhet aangewezen warmtebedrijf op te dragen maatregelen te treffen. Ookandere informatie zoals bijvoorbeeld een investeringsplan waaruit blijktdat de leveringszekerheid onvoldoende is verzekerd kan daartoeaanleiding geven. De bevoegdheid voor de ACM om een opdracht teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3221 geven is neergelegd in het derde lid. Het gaat hier om een besluit in de zinvan de Awb. Het aangewezen warmtebedrijf is op grond van het vierde lidgehouden deze opdracht op te volgen.In het zesde lid is voorgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf nagaatof een door de ACM verstrekte opdracht tot een wijziging van hetuitgewerkt kavelplan leidt. Als dat het geval is dan zal het warmtebedrijfhet uitgewerkt kavelplan moeten wijzigen en deze wijziging voorinstemming aan het college voorleggen (artikel 2.15, achtste lid).Er kunnen zich ernstige situaties voordoen waarbij het door ACMverstrekken van een opdracht er niet toe leidt dat een aangewezenwarmtebedrijf een taak kan uitvoeren of waarbij het geen gevolg gevenaan deze opdracht ertoe leidt dat een aangewezen warmtebedrijf een taakniet kan uitvoeren. Voor dergelijke ernstige situaties voorziet het zevendelid in de bevoegdheid voor de ACM om dit bij besluit vast te stellen. Alsde ACM meent dat er reden is om de aanwijzing in te trekken en hiervanmelding doet bij het college is het college gehouden de aanwijzing in tetrekken (artikel 2.9, eerste lid, onderdelen a en b).Artikel 2.14Artikel 2.14 maakt het voor de ACM mogelijk jaarlijks de financiële situatievan het aangewezen warmtebedrijf en indien van toepassing de groepwaartoe het aangewezen warmtebedrijf behoort te beoordelen en tebeoordelen of het aangewezen warmtebedrijf organisatorisch entechnisch voldoende bekwaam is om de taken uit te kunnen voeren en dewettelijke verplichtingen na te komen. Daarmee is ACM ook na deaanwijzing van het warmtebedrijf in staat om een beeld te krijgen van derelevante kwaliteiten en situatie van het aangewezen warmtebedrijf en degroep waartoe deze behoort. Verder krijgt de ACM in artikel 2.14 debevoegdheid om in te grijpen indien dat noodzakelijk mocht blijken te zijn.Beide elementen van artikel 2.14 zijn van belang voor het borgen van debetrouwbaarheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid van de collectievewarmtevoorziening.Het eerste lid verplicht het aangewezen warmtebedrijf de ACM elk jaarinformatie te verstrekken over de organisatorische en technischebekwaamheid van het aangewezen warmtebedrijf en de financiële situatievan het aangewezen warmtebedrijf en de groep waartoe deze behoort.Een warmtebedrijf moet dit per warmtekavel inzichtelijk maken, maar magde informatie bundelen. Bij of krachtens algemene maatregel kunneneisen worden gesteld waaraan de financiële situatie moet voldoen.In aanvulling daarop is het aangewezen warmtebedrijf op grond van hettweede lid verplicht de ACM te melden als redelijkerwijs te voorzien is datzijn financiële situatie of de financiële situatie van de groep waartoe hetaangewezen warmtebedrijf behoort significant verslechtert. Bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur zal worden aangegevenwanneer hiervan sprake is.De ACM kan het aangewezen warmtebedrijf opdragen om de organisato-rische en technische bekwaamheid te verbeteren. Daarnaast kan de ACMhet aangewezen warmtebedrijf of leden van de groep opdragen een planop te stellen of maatregelen te treffen om de financiële situatie teverbeteren. Het gebruik maken van deze bevoegdheid door ACM kan zijningegeven door de hiervoor toegelichte melding van het warmtebedrijf,maar kan ook zijn gebaseerd op andere relevante informatie. Hetaangewezen warmtebedrijf of de groep waartoe het warmtebedrijfbehoort, volgen de door ACM gegeven opdracht op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3222 Artikel 2.15Eerste lidHet eerste lid schrijft voor dat het college het aangewezen warmtebedrijfkan verzoeken om een uitgewerkt kavelplan of een wijziging van eenuitgewerkt kavelplan. Zoals is toegelicht in paragraaf 3.7.3 kan aanleidingvan een dergelijk verzoek het voornemen van een gemeente zijn in eenomgevingsplan vast te legen dat in een warmtekavel of een deel daarvangeen gebruik meer zal worden maken van fossiele brandstoffen maar datverwarming door middel van een collectieve warmtevoorziening isvoorzien. Een gemeente kan er echter ook voor kiezen om geen gebruik temaken van deze bevoegdheid.Tweede lidGelet op de belangrijke rol van het uitgewerkt kavelplan in het besluitvor-mingsproces regelt het tweede lid welke elementen een uitgewerktkavelplan in ieder geval dient te bevatten.Onderdelen a en bHet is heel belangrijk dat collectieve warmtevoorzieningen op eenduurzame en betrouwbare manier worden gerealiseerd. De besluit-vorming over de aanleg van nieuwe collectieve warmtevoorzieningen ofuitbreiding van collectieve warmtevoorzieningen zijn hierbij cruciaal,omdat op dat moment bepalende keuzes worden gemaakt voor detoekomst. Het verzorgingsgebied dat gekozen wordt is medebepalendvoor de warmtebronnen die (op termijn) aangesloten kunnen worden.Ook zal reeds bij de aanleg en dimensionering van warmtenetten al zoveel mogelijk rekening gehouden moeten worden met de kenmerken vande (potentiële) broeikasgassenarme warmtebronnen (temperatuur,potentieel, volume en locatie), en de (toekomstige) kenmerken van dewoningen en gebouwen (energiebehoefte nu en in de toekomst, afgifte-systemen in het gebouw, bebouwingsdichtheid). Dit verschilt per situatieen vraagt dus om lokaal maatwerk.Gelet op het voorgaande dient het aangewezen warmtebedrijf in hetuitgewerkt kavelplan te beschrijven hoe het de leveringszekerheid denkt teverzekeren en te beschrijven op welke wijze het de bij of krachtensartikel 2.20, eerste lid, bepaalde normen voor de uitstoot van broeikas-gassen denkt te bereiken.Onderdelen c en dHet uiteindelijke doel van de levering van warmte door middel van eencollectieve warmtevoorziening is dat daarmee de gebouwen die op ditsysteem zijn aangesloten in voldoende mate kunnen worden verwarmd,en kunnen worden voorzien van warm tapwater met minimaal eentemperatuur die gelet op de regels ten aanzien van het voorkomen vanlegionellabesmettingen vereist is.De invulling van deze twee elementen is niet alleen afhankelijk van dekwaliteit van de geleverde warmte, maar ook van de mate van isolatie vanhet gebouw, de kenmerken van de in het gebouw aanwezige binneninstal-latie en ventilatie en het gedrag van de gebouweigenaar.Het aangewezen warmtebedrijf kan alleen verantwoordelijk wordengesteld voor het borgen van de kwaliteit van de geleverde warmte(temperatuur en hoeveelheid) en niet voor de andere genoemde aspecten.Voor deze andere aspecten is de gebouweigenaar verantwoordelijk. Het isdaarbij echter wel van belang dat het voor een gebouweigenaar duidelijkis aan welke warmtebehoefte en kenmerken van de binneninstallatie hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3223 gebouw moet voldoen om het gebouw met de geleverde warmte involdoende mate te kunnen verwarmen en van tapwater te kunnenvoorzien met minimaal de wettelijk vereiste temperatuur.Daarom voorziet dit wetsvoorstel in de verplichting voor het aangewezenwarmtebedrijf om in het uitgewerkt kavelplan duidelijkheid te bieden overde warmtebehoefte van gebouwen in het gebied, en kenmerken van debinneninstallatie die vanuit technisch oogpunt nodig zijn om degebouwen die zijn aangesloten op de collectieve warmtevoorziening involdoende mate te kunnen verwarmen en van warm tapwater te kunnenvoorzien. In de lagere regelgeving zal nader worden uitgewerkt hoe dewarmtebehoefte dient te worden aangegeven. In dit wetsvoorstel wordtervan uitgegaan dat er sprake is van voldoende mate als de verblijfs-ruimten van een gebouw kunnen worden verwarmd tot een binnentempe-ratuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentempe-ratuur die niet lager is dan -10 graden Celsius. Daarbij heeft eengebouweigenaar ook een eigen verantwoordelijkheid. Hierbij kan wordengedacht aan het op koude dagen niet langdurig openzetten van ramen ofdeuren. In dat geval zou een gebouw immers wel in voldoende mateverwarmd kunnen worden, maar zorgt de gebouweigenaar er door zijngedrag voor dat dit toch niet gebeurd.De in het uitgewerkt kavelplan op te nemen informatie biedt gemeenten,gebouweigenaren, projectontwikkelaars en andere betrokken partijen demogelijkheid om voorafgaand aan de aansluiting op het collectievewarmtesysteem maatregelen te treffen indien de aan te sluiten gebouwenniet aan de hiervoor genoemde minimale waarden en kenmerkenvoldoen. Daarbij kan worden gedacht aan het uitvoeren van isolatiemaat-regelen of aan het aanpassen van de in gebouwen aanwezige afgiftesys-temen van warmte, zoals radiatoren. De informatie kan ook aanleiding zijnvoor de gemeente om af te zien van de keuze voor een collectievewarmtevoorziening in specifieke situaties binnen de warmtekavel,bijvoorbeeld als de kosten voor de benodigde aanpassing van dewoningen of gebouwen erg hoog zouden zijn.Onderdeel eEen belangrijk element bij de totstandkoming van het uitvoeringsplan isde participatie van gebouweigenaren en verbruikers. In het verlengdehiervan wordt het aangewezen warmtebedrijf verplicht om in hetuitgewerkt kavelplan aandacht te besteden aan de wijze waarop toekom-stige verbruikers betrokken worden bij de aanleg, ontwikkeling enexploitatie van de collectieve warmtevoorziening. Dit ondersteunt enversterkt het participatieproces van de gemeente in het kader van dewijkgerichte aanpak en draagt daardoor naar verwachting bij aan meerdraagvlak.Onderdeel fHet is de bedoeling dat het uitgewerkt kavelplan in de praktijk het ontwerpis voor de uiteindelijk te realiseren collectieve warmtevoorziening. In datkader voorziet dit wetsvoorstel in de verplichting om in het uitgewerktkavelplan een beschrijving en invulling van het voorgestelde netontwerpop te nemen. Het voorstel voor een netontwerp brengt vooral de fysiekekenmerken van het te realiseren systeem in kaart. Daarbij moet wordengedacht aan de gebruikelijke bestanddelen van een netontwerp, zoalstechniek, dimensionering, tracébepaling en temperatuurregime. Hoewelhet uitgewerkt kavelplan gericht is op wijken binnen de warmtekavelwaarvoor het voornemen bestaat om op warmte over te gaan, is het vanbelang dat het netontwerp toekomstbestendig is, zodat eventuele latereuitbreidingen van de collectieve warmtevoorziening op een efficiënteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3224 manier leiden tot het eindbeeld van de collectieve warmtevoorzieningzoals omschreven in het globaal kavelplan.Onderdeel gHet is van belang dat de gemeente en alle andere betrokken stakeholders,waaronder vanzelfsprekend de op de collectieve warmtevoorziening aante sluiten verbruikers, inzicht krijgen in de planning. Daarom dient hetuitgewerkt kavelplan een helder voorstel te bevatten voor de planning enfasering van de aanleg van de collectieve warmtevoorziening. Ditverschaft de gemeente de benodigde informatie om het gesprek metbewoners aan te gaan en biedt tevens inzicht in mogelijke koppelkansen,zoals een koppeling van de aanleg van het warmtenet met de vervangingvan de riolering, teneinde de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk tehouden.Onderdelen h, i en jGemeenten zullen met het oog op het draagvlak ook de kosten voor deverbruikers mee laten wegen in hun keuze. Inzicht in de kosten van de terealiseren collectieve warmtevoorziening is daarbij essentieel. Eenindicatie van de kosten van de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening dient daarom opgenomen te worden in hetuitgewerkt kavelplan. De indicatie van de kosten zullen worden gebaseerdop een format dat bij algemene maatregel van bestuur zal wordenvastgesteld. Daarnaast dient in het uitgewerkt kavelplan ook een indicatievan de tarieven die het aangewezen warmtebedrijf in rekening denkt tegaan brengen voor de levering van warmte te worden opgenomen entevens de door het aangewezen warmtebedrijf te hanteren voorwaardenten aanzien van de levering van warmte.Onderdeel kHet aangewezen warmtebedrijf is ook verantwoordelijk voor het typeafleverset voor warmte dat wordt geplaatst. De afleverset is bepalendvoor de hoeveelheid warmte die maximaal kan worden geleverd aan eengebouw en is zo van invloed op de kwaliteit van de geleverde warmte(temperatuur en hoeveelheid) door het aangewezen warmtebedrijf. Eenieder die maatregelen heeft getroffen om aan de hiervoor genoemdeminimale waarden en kenmerken te voldoen, kan daardoor de verblijfs-ruimten van een gebouw verwarmen tot een binnentemperatuur vanminimaal 20 graden Celsius, ook als andere gebouweigenaren dat niethebben gedaan.Derde tot en met achtste lidOp grond van het derde lid behoeft het uitgewerkt kavelplan instemmingvan het college.Voorgesteld is dat het college instemming met het uitgewerkt kavelplan ofeen wijziging daarvan uitsluitend kan onthouden. Hierbij gelden tweeuitzonderingen.In de eerste plaats mag het college geen instemming aan het uitgewerktkavelplan of een wijziging daarvan onthouden als het gaat om de in tezetten warmtebronnen en de potentiële warmtebronnen voor de korte enlange termijn, tenzij het uitgewerkt kavelplan op dit aspect afwijkt van hetglobaal kavelplan en de afwijking van het globaal kavelplan onvoldoendegemotiveerd is. Aan deze uitzondering ligt ten grondslag dat het aan hetaangewezen warmtebedrijf is welke warmtebronnen hij inzet om aan zijntaken te kunnen voldoen. Dit wordt anders als het aangewezen warmtebe-drijf op dit punt afwijkt van het globaal kavelplan dat het warmtebedrijfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3225 heeft ingediend bij de aanwijzingsprocedure. Uitgangspunt is dat hetuitgewerkt kavelplan in lijn dient te zijn met het globaal kavelplan. Indienhet warmtebedrijf daar vanaf wil wijken, moet deze dat motiveren. Als dewijziging met betrekking tot de inzet van de warmtebronnen ten opzichtevan het globaal kavelplan onvoldoende is gemotiveerd, mag het collegeinstemming op het uitgewerkt kavelplan onthouden en het warmtebedrijfopdragen om het uitgewerkt kavelplan te wijzigen.In de tweede plaats mag het college ook geen instemming aan eenwijziging van het uitgewerkt kavelplan onthouden indien deze wijzigingnoodzakelijk is om een opdracht of bindende gedragslijn van de ACM uitkunnen voeren respectievelijk op te kunnen volgen. Hiermee wordtdoorkruising van de besluitvorming en toezicht van de ACM voorkomen.Op grond van het vijfde lid kan het college naar aanleiding van een doorhet aangewezen warmtebedrijf opgesteld uitgewerkt kavelplan eenopdracht geven om het uitgewerkt kavelplan te wijzigen. Hierbij kanworden gedacht aan een situatie waarbij het uitgewerkt kavelplan zonderafdoende motivering in belangrijke mate afwijkt van het bij de aanvraagtot aanwijzing overlegde globaal kavelplan. Verder wordt hiermeegewaarborgd dat het college in het kader van zijn regierol kan toetsen ofhet uitgewerkt kavelplan voldoende in lijn is met zijn wensen, met deuitkomsten van het participatieproces en de inbreng van de stakeholdersdaarbij en wordt tevens geborgd dat het uitgewerkt kavelplan deinformatie bevat die de gemeente nodig heeft voor de verdere besluit-vorming. Het aangewezen warmtebedrijf volgt een opdracht tot wijzigingvan het uitgewerkt kavelplan op.In het zevende lid is voorgesteld dat het warmtebedrijf de taken, bedoeldin artikel 2.12, en verplichtingen in dit hoofdstuk overeenkomstig hetuitgewerkt kavelplan moet uitvoeren. Daarmee wordt geborgd dat detaken en verplichtingen in lijn met het uitgewerkt kavelplan wordeningevuld. Op grond van het achtste lid kan het aangewezen warmtebedrijfuitsluitend afwijken van een uitgewerkt kavelplan indien het een wijzigingvan het uitgewerkt kavelplan heeft opgesteld waarmee het college heeftingestemd. Het uitgewerkt kavelplan moet dus altijd actueel zijn.Artikel 2.16Eerste en tweede lidIn het eerste lid van artikel 2.16 is voorgesteld dat een aangewezenwarmtebedrijf periodiek een investeringsplan opstelt voor de warmtekavelwaarvoor het is aangewezen. Bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur wordt de frequentie bepaald.Uit het tweede lid volgt dat het investeringsplan een beschrijving enonderbouwing bevat van de voorgenomen investeringen in de aanleg,uitbreiding of vervanging van de collectieve warmtevoorziening die hetaangewezen warmtebedrijf noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijntaken. Ten tweede bevat het investeringsplan een beschrijving van dewijze waarop de voorgenomen investeringen passen binnen een langetermijnvisie van het aangewezen warmtebedrijf op de collectievewarmtevoorziening. Tot slot zal het investeringsplan ook een beschrijvingmoeten geven van de mogelijke gevolgen van de investeringen voor hetbereiken van de duurzaamheidsnormen en de wijze waarop de leverings-zekerheid wordt verzekerd. Hiermee speelt het investeringsplan eenbelangrijke rol in de controle van de ACM op de investeringen in decollectieve warmtevoorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3226 Derde tot en met zesde lidHet derde tot en met zesde lid beschrijft de procedure om te komen toteen definitief investeringsplan. De procedure voorziet in het derde lid ininspraak van het college dat het warmtebedrijf heeft aangewezen. In hetvierde lid is een toets van de ACM voorgesteld. De ACM toetst of de in hetontwerp-investeringsplan opgenomen investeringen noodzakelijk zijnvoor het aangewezen warmtebedrijf om zijn taken op doelmatige wijze uitte voeren. De ACM toetst ook of het aangewezen warmtebedrijfanderszins in redelijkheid tot het ontwerp-investeringsplan heeft kunnenkomen. De ACM betrekt ingevolge het vijfde lid bij de toets ook dezienswijze van het college. Het aangewezen warmtebedrijf steltvervolgens het investeringsplan vast. Het vaststellen van het investe-ringsplan is aan het aangewezen warmtebedrijf aangezien die verantwoor-delijk is voor het uitvoeren van zijn taken. Bij de vaststelling verantwoordthet aangewezen warmtebedrijf op welke wijze de resultaten van detoetsing van de ACM en de door het college ingediende zienswijze al danniet zijn verwerkt.Zevende tot en met negende lidOp grond van het zevende lid is een aangewezen warmtebedrijf verplichtde in het investeringsplan opgenomen investeringen uit te voeren.Als een aangewezen warmtebedrijf de investering significant wijzigt zaleen wijziging van het investeringsplan aan de ACM gestuurd moetenworden. Van een significante wijziging is sprake indien het gaan om eenwijziging met een omvang die significant is ten opzichte van de totaleinvesteringskosten. Gedacht kan worden aan kostenverschillen dieoptreden bij geplande investeringen, geplande investeringen die wordenuitgesteld of geannuleerd, of nieuwe investeringen die worden toege-voegd.Ook gaat het aangewezen warmtebedrijf na of een investeringsplangevolgen heeft voor een uitgewerkt kavelplan. Als een wijziging van hetuitgewerkt kavelplan aan de orde is zal het aangewezen warmtebedrijf opgrond van artikel 2.15, achtste lid, het college moeten verzoeken met dezewijziging in te stemmen.Artikel 2.17Eerste lidAls een collectieve warmtevoorziening is aangelegd en de verbruikers opdeze voorziening zijn aangesloten begint de exploitatiefase. Om in deexploitatiefase van een collectieve warmtevoorziening goed zicht tehouden op de invulling van de leveringszekerheid, mogelijke risico’s voorde leveringszekerheid en maatregelen om die risico’s weg te nemen is inartikel 2.17, eerste lid, een aangewezen warmtebedrijf opgedragen elk jaareen leveringszekerheidsrapportage in te dienen bij het college en de ACM.Deze rapportage bevat in ieder geval een beschrijving van de wijzewaarop de leveringszekerheid de komende drie jaar wordt geborgd, welkerisico’s voor de leveringszekerheid zich daarbij kunnen voordoen en dewijze waarop die risico’s op de lange termijn zullen worden ondervangen.Tweede lidIn het tweede lid is omgeschreven wat onder het begrip leveringsze-kerheid wordt verstaan. Uitgangspunt is dat door het warmtebedrijfgeleverde warmte voldoende moet zijn om de verblijfsruimtes van alle opeen collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruikers continu tekunnen verwarmen tot minimaal 20 graden Celsius en continu tapwater teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3227 kunnen leveren of te kunnen bereiden met een temperatuur die voldoetaan de legionellanorm. Een tijdelijke onderbreking van de levering vanwarmte die naar verwachting niet langer duurt dan vijf dagen enincidenteel voorkomt valt niet onder het begrip leveringszekerheid. Metdeze uitzondering wordt voorkomen dat dergelijke tijdelijke en incidenteleonderbrekingen gezien worden als het niet naleven van de taken enverplichtingen rondom leveringszekerheid door het warmtebedrijf.De mogelijkheid om een verblijfsruimte voldoende te kunnen verwarmenof van warm tapwater te kunnen voorzien is niet alleen afhankelijk van dekwaliteit van geleverde warmte maar ook van de mate van isolatie en dekwaliteit van de binneninstallatie. Om te kunnen verwarmen tot minimaal20 graden Celsius en tapwater te kunnen gebruiken met een temperatuurdie voldoet aan de legionellanorm moet de warmtebehoefte van de op decollectieve warmtevoorziening aangesloten gebouwen en de kenmerkenvan de betreffende binneninstallaties voldoen aan de waarden die doorhet warmtebedrijf in het uitgewerkt kavelplan of de leveringsovereen-komst zijn opgenomen. Daarnaast volgt uit onderdeel c van de definitieook dat geborgd moet worden dat er voldoende warmtebronnen ofpotentiële warmtebronnen beschikbaar zijn voor de korte en langetermijn.Derde lidOp grond van het derde lid kan de ACM ambtshalve of op advies van hetcollege het aangewezen warmtebedrijf binnen een bij ministeriëleregeling te bepalen termijn opdragen de leveringszekerheidsrapportage tewijzigen. Het aangewezen warmtebedrijf is vervolgens op grond van hetvijfde lid verplicht om de opdracht van ACM op te volgen en de in eenleveringszekerheidsrapportage opgenomen maatregelen uit te voeren.Ook gaat het aangewezen warmtebedrijf na of een leveringszekerheids-rapportage of een opdracht van de ACM gevolgen heeft voor eenuitgewerkt kavelplan. Als wijziging van het uitgewerkt kavelplan aan deorde is zal het aangewezen warmtebedrijf op grond van artikel 2.15,achtste lid, het college moeten verzoeken met deze wijziging in testemmen.Artikel 2.18In artikel 2.18 is opgenomen dat het aangewezen warmtebedrijf alhetgeen redelijkerwijs in zijn vermogen ligt in het werk stelt om onder-breking van de levering van warmte te voorkomen of indien, eenonderbreking van de levering van warmte optreedt, deze zo snel mogelijkte beëindigen. Redelijkerwijs houdt in dat er een aantal scenario’sdenkbaar zijn waarbij het aangewezen warmtebedrijf deze verplichtingniet na kan komen. In de eerste plaats kan er sprake zijn van een situatiedie buiten de macht ligt van het aangewezen warmtebedrijf. Een tweedeuitzondering betreft onderbrekingen van de levering van warmte dienoodzakelijk zijn in verband met de veiligheid of redelijkerwijs te duchtenernstige schade aan de installaties van het warmtebedrijf of van derden.Tenslotte dient de warmtelevering in sommige gevallen onderbroken teworden in verband met regulier onderhoud waarvoor onderbreking vande warmtelevering noodzakelijk is. In het laatste geval dient een aange-wezen warmtebedrijf de onderbreking drie dagen van tevoren te meldenaan de verbruikers. Uit het derde lid volgt verder dat een aangewezenwarmtebedrijf een storingsregistratie bijhoudt. Een aangewezen warmte-bedrijf moet in het geval van een ernstige storing op grond vanartikel 2.19 compensatie verstrekken aan de verbruiker. Daarvoor dient hetaangewezen warmtebedrijf vast te (kunnen) stellen wanneer een storingheeft plaatsgevonden, hoe lang deze heeft geduurd en welke verbruikershierdoor getroffen zijn. Over de inhoud van de storingsregistratie en deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3228 wijze waarop de storing voor verbruikers bekend wordt gemaakt, kunnennadere regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur. Verbruikers zouden bijvoorbeeld via de website van het warmte-bedrijf direct moeten kunnen zien of er al dan geen sprake is van eenstoring. Teneinde de storingsregistratie te objectiveren is in artikel 2.42,vierde lid, een delegatiegrondslag opgenomen voor het stellen van regelsover de eisen en functionaliteiten waaraan een warmtemeter moetvoldoen, als ook de frequentie waarmee meetgegevens dienen te wordenuitgevraagd. Bij de uitwerking van de lagere regelgeving zal wordenbezien in hoeverre bijvoorbeeld het separaat uitlezen van de aanvoertem-peratuur (door een op afstand uitleesbare warmtemeter) kan bijdragenaan een nauwkeurige storingsregistratie.Artikel 2.19De eis van een goede kwaliteit van dienstverlening brengt met zich meedat het aangewezen warmtebedrijf een redelijke compensatieregelinghanteert. Uitgangspunt bij de compensatieregeling neergelegd inartikel 2.19 is dat het aangewezen warmtebedrijf het duidelijk herkenbareaanspreekpunt is in het geval van een storing, uitgezonderd situatieswaarbij de storing het gevolg is van een extreme situatie die niet aan hetaangewezen warmtebedrijf kan worden toegerekend en zo weinigvoorkomt dat daar redelijkerwijs geen rekening mee hoeft te wordengehouden.Als gevolg van het bovengenoemde uitgangspunt is het aangewezenwarmtebedrijf de partij die in eerste instantie verantwoordelijk is vooruitkering van de compensatie. In een aantal gevallen ligt de oorzaak vande storing echter buiten de invloed van het aangewezen warmtebedrijf.Wanneer de oorzaak van de storing gelegen is in het inpandig leiding-stelsel kan het aangewezen warmtebedrijf de uitgekeerde compensatie-vergoeding op grond van artikel 2.47, tweede lid, verhalen op degebouweigenaar. Dit geldt niet voor andere storingen die wordenveroorzaakt door onderdelen welke niet in eigendom zijn van hetaangewezen warmtebedrijf, zoals het warmtetransportnet en mogelijk dewarmtebron, omdat het aangewezen warmtebedrijf dit kan regelen in deovereenkomsten die ter zake worden gesloten.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte van decompensatie bij een ernstige storing, waarbij deze compensatie voorstoringen van een verschillende tijdsduur ook verschillend kan wordenvastgesteld. Daarnaast worden regels gesteld over het moment vanaanvang en van beëindiging van de verplichting tot het betalen van eencompensatie bij een ernstige storing.Artikel 2.20Voorgesteld is aangewezen warmtebedrijven de verplichting op te leggente voldoen aan een minimaal haalbaar pad voor verduurzaming door hetinstellen van een prestatienorm voor de maximale uitstoot van broeikas-gassen per warmtekavel. Artikel 2.20 geeft in het eerste lid een grondslagom in lagere regelgeving deze duurzaamheidsnormen voor een aange-wezen warmtebedrijf uit te werken. De normen hebben betrekking op dejaarlijkse uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering vanwarmte door een aangewezen warmtebedrijf in een warmtekavel. Met dezinssnede «ten gevolge van de levering van warmte» wordt gedoeld opalle activiteiten die noodzakelijk zijn om de warmte te leveren. Dat omvatzowel de uitstoot van de warmtebron alsook de hulpenergie voor hettransport van de warmte. Het uiteindelijke doel is dat er in 2050 geenbroeikasgassen meer worden uitgestoten door de warmtelevering in degebouwde omgeving. In lagere regelgeving is het mogelijk een onder-scheid te maken tussen bestaande en nieuwe collectieve warmtevoorzie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3229 ningen. Het eerste lid bevat ook een grondslag voor de wijze waarop deuitstoot van broeikasgassen wordt berekend en vastgesteld bij lagereregelgeving uit te werken.Het tweede lid maakt duidelijk dat de normen worden vastgesteld inexacte getallen en daarbij de uitstoot van de broeikasgassen wordtuitgedrukt in kilogram CO2-equivalenten. Het betreft hier kooldioxide(CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gehalogeneerdefluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s) enzwavelhexafluoride (SF6). Het gaat om de uitstoot van al de broeikas-gassen die effect hebben op de aardopwarming. Omdat de broeikasgas-emissies voor de warmtelevering voornamelijk bestaan uit CO2, wordt deuitstoot van broeikasgassen vaak uitgedrukt in CO2-equivalenten. Denormen zullen eens in de vijf jaren worden geëvalueerd op doeltref-fendheid en effecten (derde lid). Indien noodzakelijk zullen de normen dankunnen worden aangepast.Een aangewezen warmtebedrijf stoot ten gevolge van de levering vanwarmte aan verbruikers niet meer broeikasgassen uit dan de norm die bijof krachtens het eerste lid is bepaald (vierde lid). Ingevolge dit lid is hetaangewezen warmtebedrijf verplicht aan de ACM onmiddellijk te meldenindien de uitstoot van broeikasgassen meer is dan de gestelde norm. Alsde ACM overeenkomstig het vijfde lid bij besluit vaststelt dat eenaangewezen warmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van eennorm nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm, kan deACM dit melden bij het college. Het college is dan verplicht om deaanwijzing in te trekken (artikel 2.9).Artikel 2.21In artikel 2.21, eerste lid, wordt aan ACM de bevoegdheid gegeven om eenaangewezen warmtebedrijf voor een bepaalde periode een ontheffing teverlenen van de vastgestelde duurzaamheidsnormen indien dat bijdraagtaan de ontwikkeling van een nieuwe duurzame warmtebron. Hetaangewezen warmtebedrijf zal moeten aantonen dat het aannemelijk isdat het niet kan voldoen aan de normen doordat de realisatie van eennieuwe duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is. Deze situatie is vooralvan toepassing voor projecten met een vollooprisico waar de exploitatievan de warmtebron pas realistisch wordt op het moment dat er genoegaansluitingen zijn op de collectieve warmtevoorziening. Er is hier sprakevan een tijdelijke situatie, omdat vanaf het moment dat er voldoendeaansluitingen zijn gerealiseerd om de duurzame warmtebron in gebruik tekunnen nemen, de uitstoot van broeikasgassen direct zal afnemen. Deontheffingstermijn zal door ACM bepaald worden op basis van regels dieverder beschreven kunnen worden bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur. Het is in ieder geval de bedoeling dat de periode waarvooreen ontheffing verleend kan worden gemaximeerd wordt. In geen gevalwordt een overschrijding van de norm voor lange periodes mogelijk. Welis het mogelijk dat de termijn waarvoor ontheffing wordt verleend opaanvraag van het aangewezen warmtebedrijf wordt verlengd (derde lid).Op grond van het tweede lid kan een aangewezen warmtebedrijfontheffing aanvragen bij de ACM van de duurzaamheidsnorm als het gaatom een bestaande collectieve warmtevoorziening die afhankelijk is vaneen niet-duurzame warmtebron die de collectieve warmtevoorzieningvoor een groot deel van warmte voorziet. Het kan hier gaan om eenbestaande collectieve warmtevoorziening met een gasketel als enigewarmtebron. Als het aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijfniet kan voldoen aan de duurzaamheidsnorm doordat de vervanging vandeze niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron voorhet warmtebedrijf vooralsnog niet uitvoerbaar is, kan de ACM eenontheffing verlenen. Ook deze ontheffing kan de ACM maar voor eenbepaalde periode verlenen, met de mogelijkheid van een eventueleTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3230 verlenging op aanvraag van het aangewezen warmtebedrijf. Het is debedoeling dat het aangewezen warmtebedrijf na die periode wel voldoetaan de duurzaamheidsnorm. De periode waarvoor een ontheffingverleend kan worden zal worden gemaximeerd en in geen geval wordt hetoverschrijden van de norm voor lange periodes toegelaten. Het aange-wezen warmtebedrijf moet met behulp van het investeringsplan laten zienwanneer het van plan is om de collectieve warmtevoorziening teverduurzamen en onderbouwen waarom de norm niet haalbaar is.Artikel 2.22Op grond van het eerste lid zal het aangewezen warmtebedrijf deverbruiker informeren over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolgevan de levering van warmte op de gespecificeerde factuur. In lagereregelgeving zal worden uitgewerkt welke informatie het aangewezenwarmtebedrijf verplicht is aan de verbruiker te verstrekken. Op deze wijzeis het voor een verbruiker transparant hoeveel broeikasgassen decollectieve warmtevoorziening uitstoot waarop deze is aangesloten.Het tweede lid biedt ook een grondslag om bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur regels te stellen over de wijze waarop de infor-matie over de duurzaamheid van de geleverde warmte aan de verbruikerverstrekt moet worden. Dit kan door de informatie over de duurzaamheidvan de geleverde warmte in het bestuursverslag (ook wel duurzaamheids-rapportage genoemd) op te nemenmaar in verband met de leesbaarheidvoor de verbruiker is het wenselijk dat ook andere informatie beschikbaarwordt gesteld. Hiermee wordt ook een wettelijk basis voor hetzogenaamde warmte-etiket gegeven. Het gaat hier om een vast format datgebruikt moet worden om de informatie te verstrekken.Artikel 2.23Op grond van het eerste lid is het aangewezen warmtebedrijf verplicht elkjaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn betrouwbareinformatie over de uitstoot van broeikasgassen op inzichtelijke wijzeopenbaar te maken.In de praktijk blijkt het niet altijd makkelijk om de benodigde duurzaam-heidsgegevens van de warmtebedrijven te achterhalen. Daarom wordt nude bevoegdheid aan ACM gegeven om in het geval van vragen over debetrouwbaarheid van de duurzaamheidsrapportage ook een accountants-verklaring van de warmtebedrijven te kunnen eisen over de uitstoot vanbroeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid. Doornadere regels te stellen over de door het aangewezen warmtebedrijf teverstrekken informatie over de duurzaamheid, zal verzekerd worden datalle warmtebedrijven op een eenduidige en hierdoor eenvoudig tevergelijken manier over de duurzaamheid rapporteren.Artikel 2.24Eerste en tweede lidAls een aangewezen warmtebedrijf een gebouweigenaar (waaronder eeneigenaar verenigd in een VvE) die aangesloten wil worden op eencollectieve warmtevoorziening een aanbod doet voor aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening, regelt dit artikel welke informatie hetwarmtebedrijf deze gebouweigenaar moet verstrekken. Het gaat hier omte geven informatie in alle situaties dat een warmtebedrijf een aanboddoet. Het kan gaan om een aanbod om te worden aangesloten op eenbestaande collectieve warmtevoorziening dan wel op een nog aan teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3231 leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening. Ook kan ook gaanom de situaties waarop artikel 2.25 ziet en waarin de gemeente heeftbepaald dat het gebruik van fossiele brandstoffen zal worden beëindigden verwarming door een collectieve warmtevoorziening is aangewezen.Het eerste lid geeft aan welke informatie het aangewezen warmtebedrijfmoet verstrekken. Het betreft hier grotendeels de informatie die ook bijeen leveringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.30 overlegd moetworden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan dezeinformatieverplichting nader worden uitgewerkt (vijfde lid). Hetvoornemen is daarbij eveneens te regelen dat een aangewezen warmtebe-drijf de gegevens, bedoeld in artikel 6:230m, eerste lid, van het BurgerlijkWetboek, bij het aanbod aan de gebouweigenaar verstrekt.Bij een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorzieninggeldt op grond van het tweede lid afwijkend daarvan de bepaling dat hetaangewezen warmtebedrijf de minimale en maximale tarieven van de televeren goederen en diensten in verband met de levering van warmte diehet aangewezen warmtebedrijf de eerste 3 jaar na aanvang van delevering van warmte in rekening zal kunnen brengen, moet overleggen.De minimale en maximale tarieven worden berekend op grond van dedaadwerkelijk verwachte kosten van de te leveren goederen en diensten inverband met de levering van warmte. Hiermee wordt voorkomen dat eenaangewezen warmtebedrijf de bandbreedte voor de eerste drie jaarkunstmatig laag houdt.Derde en vierde lidHet aangewezen warmtebedrijf kan op grond van het derde lid bij deDienst voor het kadaster en de openbare registers de naam en adresge-gevens van de gebouweigenaar opvragen. Als het aangewezen warmte-bedrijf dit doet, is de Dienst voor het kadaster en de openbare registersverplicht deze gegevens te verstrekken. Het betreft hier een activiteit vanhet kadaster als bedoeld in artikel 2a, onderdeel d, van de Kadasterwet:ondersteuning en bevordering van economische activiteiten. Dezeverplichting is opgenomen, omdat alleen met deze gegevens hetaangewezen warmtebedrijf een gebouweigenaar een aanbod kan doen opgrond van het eerste lid.Uit het vierde lid volgt dat het aangewezen warmtebedrijf ook eensysteembeheerder voor gas kan verzoeken informatie te verstrekken overde grootte van de gasaansluiting van een gebouw. De systeembeheerderis verplicht deze informatie te verstrekken. Met deze informatie kan hetaangewezen warmtebedrijf bepalen of de aansluiting op de collectievewarmtevoorziening die van een grootverbruiker of kleinverbruiker zal zijn.Artikel 2.25Dit artikel geldt in aanvulling op artikel 2.24 in het geval in eenomgevingsplan is bepaald dat het gebruik van gas als warmtevoorzieningwordt beëindigd en verwarming door een collectieve warmtevoorzieningis aangewezen. Het is dan de taak van een aangewezen warmtebedrijf eengebouweigenaar te voorzien van een aansluiting als deze te kennen heeftgegeven dit te willen (artikel 2.12, eerste lid, onderdeel h tot en met j). Heteerste lid van artikel 2.25 verplicht het aangewezen warmtebedrijf degebouweigenaar in deze situatie een aanbod te doen. Het aangewezenwarmtebedrijf doet het aanbod op een door het college vast te stellentijdstip voordat de collectieve warmtevoorziening of de uitbreidingdaarvan wordt aangelegd.Als een gebouweigenaar binnen de door het aangewezen warmtebedrijfaangegeven termijn niet te kennen heeft gegeven het aanbod niet teaanvaarden (opt-out), heeft de gebouweigenaar het aanbod voor eenaansluitovereenkomst stilzwijgend aanvaard (tweede en derde lid). NaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3232 afloop van de termijn zal de gebouweigenaar die geen gebruik heeftgemaakt van de opt-out er door het aangewezen warmtebedrijf opgewezen worden dat hij stilzwijgend het aanbod van het warmtebedrijfom aangesloten te worden op de collectieve warmtevoorziening heeftaanvaard. Vervolgens krijgt hij overeenkomstig artikel 6:230o van hetBurgerlijk Wetboek 14 dagen de gelegenheid om zonder opgave vanredenen de aansluitovereenkomst te ontbinden. Deze ontbinding zalkosteloos geschieden.Het vierde lid regelt dat het aangewezen warmtebedrijf de gebouw-eigenaar moet informeren wat de gevolgen zijn van als hij niet binnen debij ministeriële regeling te bepalen termijn te kennen geeft het aanbodniet te aanvaarden.Artikel 2.26Artikel 2.26, eerste lid, regelt de situatie dat een gebouweigenaar na eenaanbod als bedoeld in artikel 2.25 heeft aangegeven niet aangesloten tewillen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectievewarmtevoorziening maar daar later op terugkomt en alsnog verzoekt omeen aansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectievewarmtevoorziening. Het aangewezen warmtebedrijf is dan verplicht dezegebouweigenaar op grond van artikel 2.25 opnieuw een aanbod te doenom aangesloten te worden. De opt-out procedure vindt dan opnieuwplaats.Artikel 2.27Artikel 2.27 is een vergelijkbare bepaling als artikel 2.34 voor de leverings-overeenkomst. Beide bepalingen gelden uitsluitend in de situatie dat eengebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden als bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard. Opgrond van het eerste lid kan de overeenkomst in beginsel niet wordenopgezegd tot 3 jaar na aanvang van de levering van warmte van decollectieve warmtevoorziening. Hierop geldt een uitzondering in geval vansloop van het gebouw of in het geval binnen die 3 jaar de eigendom vanhet gebouw wordt overgedragen. De rechtsopvolger van de gebouw-eigenaar zal dan wederom een aanbod overeenkomstig artikel 2.25 krijgenen de mogelijkheid hebben van de opt-out.Artikel 2.28Artikel 2.28 geeft regels voor de situatie dat een nieuw gebouw in eenwarmtekavel wordt opgericht nadat op grond van artikel 2.25 de opt-outprocedure is doorlopen. In dat geval zijn de artikelen 2.25 tot en met 2.27van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de natuurlijke persoonof rechtspersoon die voornemens is om een gebouw op te richten demogelijkheid krijgt om gebruik te maken van de opt-out. Omdat er noggeen gebouw staat, is er ook nog geen gebouweigenaar. In dat geval magde projectontwikkelaar beslissen of het gebouw aangesloten wordt op decollectieve warmtevoorziening. Toekomstige eigenaren krijgen danovereenkomstig artikel 2.25 een aanbod om aangesloten te worden op decollectieve warmtevoorziening en kunnen gebruik maken van de opt-out.Bij aanvaarding of stilzwijgende aanvaarding overeenkomstig artikel 2.25,eerste lid, geldt een verplichte aansluittermijn van 3 jaar.Artikel 2.29Het eerste lid regelt de afsluitvergoeding voor kleinverbruikers. Dit artikelgeldt eveneens in het geval dat een gebouweigenaar het aanbod omaangesloten te worden als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3233 aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard en na afloop van de 3 jaar naaanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoor-ziening, verzoekt om afsluiting van een collectieve warmtevoorziening.Het aangewezen warmtebedrijf kan een gebouweigenaar met eenkleinverbruikersaansluiting die nadat het gebouw is aangesloten op decollectieve warmtevoorziening verzoekt om afgesloten te worden, eentarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door de ACMvastgesteld maximale afsluittarief. Deze bepaling is van toepassing opgebouweigenaren en hun mogelijke rechtsopvolgers maar geldt ookindien een gebouw gesloopt wordt.Het tweede lid regelt in aanvulling op het eerste lid de afsluitvergoedingvoor grootverbruikers. Als een gebouweigenaar met een grootverbrui-kersaansluiting nadat het gebouw is aangesloten op de collectievewarmtevoorziening verzoekt om afgesloten te worden, kan het aange-wezen warmtebedrijf voor de afsluiting een door de ACM vastgesteldmaximum tarief in rekening brengen. Het aangewezen warmtebedrijf kanin aanvulling daarop ook een door de ACM vast te stellen opslag op dittarief in rekening brengen. Dit tarief kan hoger worden vastgesteld indienhet aangewezen warmtebedrijf door de afsluiting structureel geen redelijkrendement kan behalen of de afsluiting leidt tot een significanteverhoging van de tarieven voor de resterende verbruikers van decollectieve warmtevoorziening. Het tweede lid zal pas als de tariefregu-lering voor fase 2 in werking is getreden van belang zijn voor hetberekenen van de afsluitvergoeding voor grootverbruikers (artikelen 7.14en 7.20).Artikel 2.30Eerste lidIn dit artikel is geregeld welke informatie een aangewezen warmtebedrijfmoet verstrekken voordat de verbruiker is gebonden aan een leverings-overeenkomst. Allereerst moet een omschrijving van de te leverengoederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvanverstrekt worden. Het gaat hier om de minimum- en maximumtempe-ratuur en de tarieven en voorwaarden waaronder deze goederen endiensten worden geleverd. Ook gaat het om het soort geleverde warmte(warmte voor ruimteverwarming of voor warm tapwater). Daarnaast moeteen aangewezen warmtebedrijf de verbruiker informeren over terugbeta-lingsregelingen als de geleverde goederen en diensten niet aan deovereengekomen kwaliteitsniveaus voldoen.Verder rust de verplichting op het aangewezen warmtebedrijf om deverbruiker te informeren over de kenmerken waaraan de binneninstallatieen de warmtebehoefte van het gebouw van een verbruiker moet voldoen.Het aangewezen warmtebedrijf is, omdat deze beschikt over de relevantetechnische informatie over de geleverde warmte (zoals de temperatuur ende druk waaronder deze geleverd wordt), het beste in staat om aan tegeven aan welke kenmerken de binneninstallatie en het gebouw van deverbruiker moet voldoen om zeker te zijn van een veilig gebruik vanwarmte met een voldoende verwarming van de verblijfsruimte of hettapwater. Met gegevens over de warmtebehoefte weet de gebouweige-naar of zijn gebouw geïsoleerd moet worden of de ventilatie aangepastmoet worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar omervoor te zorgen dat het gebouw en de binneninstallatie aan dezekenmerken voldoet.Ook wordt het aangewezen warmtebedrijf op grond onderdelen d en f,verplicht om de verbruiker te informeren inzake de minimale isolatie-waarden en kenmerken van de binneninstallatie die zij op grond vanartikel 2.15, tweede lid, onderdelen c en d, ook in het uitgewerkt kavelplanmoet opnemen. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat een verbruiker dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3234 informatie ook krijgt voorafgaand aan het sluiten van de leveringsover-eenkomst en daarvoor dus niet afhankelijk is van het uitgewerkt kavelplan.Zoals reeds toegelicht in paragraaf 3.7.3 van deze toelichting gaat het hieruitsluitend om een informatieverplichting en impliceert die verplichtingniet dat het warmtebedrijf verantwoordelijk is voor de daadwerkelijkerealisatie van genoemde isolatiewaarden en kenmerken.In samenhang met voornoemde informatieverplichting dient op grondvan de onderdelen e en g, de verbruiker te worden geïnformeerd over datwarmte zal worden geleverd waarmee de verblijfsruimte van deverbruiker tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius kanworden verwarmd en dat tapwater wordt geleverd op een temperatuur– of te verwarmen is tot een temperatuur die – voldoet aan de daarvoorgeldende wettelijke bepalingen (de legionella-eis). Deze verplichtingengelden uitsluitend indien in de leveringsovereenkomst is aangegeven datde warmte voor het betreffende doel (ruimteverwarming en/of warmtapwater) wordt geleverd en indien het gebouw en daarin aanwezigebinneninstallatie daadwerkelijk voldoet aan de hiervoor genoemdeminimale isolatiewaarden en kenmerken. De informatieverplichtingenlaten onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de verbruiker voor eenverstandig energieverbruik. Hierbij kan worden gedacht aan het op koudedagen niet langdurig openzetten van ramen of deuren. In dat geval zoueen gebouw immers wel in voldoende mate verwarmd kunnen worden,maar zorgt de verbruiker er door zijn gedrag voor dit toch niet gebeurd.De informatieverplichtingen van het aangewezen warmtebedrijfwaarborgen dat de verbruiker een wel overwogen besluit kan maken bijhet aangaan van een leveringsovereenkomst met het aangewezenwarmtebedrijf, zonder dat daarmee het warmtebedrijf verantwoordelijkwordt gemaakt voor de kenmerken van het gebouw waaraan warmtewordt geleverd.De informatieverplichtingen in artikel 2.30 sluiten aan bij de bepalingendie in het Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen ter implementatie van deRichtlijn consumentenrechten (hierna: richtlijn 2011/83/EU). Devoorschriften uit het Burgerlijk Wetboek gelden als een specifiekevoorziening voor zover de verbruikers als consument in de zin van hetBurgerlijk Wetboek kwalificeren. Verbruikers zijn consument als ze warmtekopen als natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van eenberoep of bedrijf. Op grond van onder meer de artikelen 6:230m en 6:230tvan het Burgerlijk Wetboek geldt reeds een aantal precontractueleverplichtingen waaraan het warmtebedrijf als warmteleverancier dient tevoldoen bij het sluiten van een overeenkomst met een consument. Deze inhet Burgerlijk Wetboek gestelde eisen zijn onverminderd van kracht op dieovereenkomsten. Voor zover de overeenkomst op afstand met eenconsument wordt gesloten, kent artikel 230v van het Burgerlijk Wetboekbijvoorbeeld een aanvullende bepaling ten aanzien van de te verstrekkeninformatie. Bij een overeenkomst via koop op afstand zal deze bijconsumenten binnen een redelijke termijn na het sluiten ervan bevestigdmoeten worden (artikel 6:230v, zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek).Omdat in de precontractuele fase overeenkomstig artikel 230m, eerste lid,al de inhoud van de overeenkomst is medegedeeld, zal dan kunnenworden volstaan met een mededeling dat het contract is gesloten.Zzp-ers kunnen onder omstandigheden onder consumentenwetgevingvallen en de ACM kan al handhaven indien zij bescherming genieten opgrond van de reflexwerking. Deze reflexwerking wordt in de jurisprudentietoekend aan deze kleine ondernemers indien zij als een professionelepartij beroeps- of bedrijfsmatig handelen echter zich materieel niet vaneen consument onderscheiden. Dit is het geval indien in de uitoefeningvan beroep of bedrijf overeenkomsten worden gesloten die buiten hetgebied liggen van de eigenlijke professionele activiteit. In dergelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3235 gevallen is hun positie vergelijkbaar met consumenten en genieten ze ookdezelfde bescherming.Tweede en derde lidHet tweede lid schrijft voor dat de verplichting van artikel 6:230v van hetBurgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is op de informatie-verplichtingen voor het aangewezen warmtebedrijf, bedoeld in het eerstelid. Ook de informatie die het warmtebedrijf dient te verstrekken op grondvan het eerste lid, moet bij een overeenkomst via koop op afstand bijconsumenten binnen een redelijke termijn na het sluiten ervan bevestigdworden (artikel 6:230v, zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek).Beoogd is in paragraaf 2.5.7. van dit wetsvoorstel de verbruiker die eenleveringsovereenkomst aangaat met een aangewezen warmtebedrijf opgelijke wijze bescherming te bieden als een eindafnemer van elektriciteitof gas op grond van het voorstel voor een Energiewet. Om deze redenontvangt een verbruiker ingevolge het derde lid voorafgaand aan hetsluiten van een overeenkomst tot levering van warmte een samenvattingvan de belangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst. Daarmee wordtaangesloten bij artikel 2.6, vierde lid, van de Energiewet.Vierde lidNadere regels zullen worden gesteld over de inhoud van de leveringsover-eenkomst alsmede over de informatie die het aangewezen warmtebedrijfal dan niet voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomstaan verbruikers verstrekt. Daarbij zal aangesloten worden bij hetgeen vooreindafnemers van gas en elektriciteit op grond van artikel 2.6, zesde lid,van de Energiewet zal worden bepaald. Het voornemen is daarbij teregelen dat de informatie die op grond van artikel 6:230m, eerste lid, vanhet Burgerlijk Wetboek aan consumenten voorafgaand aan het sluiten vaneen overeenkomst moet worden verstrekt, ook voor te schrijven in hetgeval het aangewezen warmtebedrijf met andere verbruikers dan zij diekwalificeren als consument een leveringsovereenkomst aangaat.Artikel 2.31Artikel 2.12, eerste lid, onderdeel d, bevat de taak van warmtebedrijvenwarmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparante enredelijke voorwaarden. Dit is belangrijk voor verbruikers. Naast deinformatie die bij het aangaan van de leveringsovereenkomst moetworden verstrekt moet een aangewezen warmtebedrijf de verbruikers ookinformeren over voorgenomen wijzigingen van tarieven en de aan deleveringsovereenkomst verbonden voorwaarden (eerste lid).Het tweede lid biedt de basis om nadere regels te stellen over het wijzigenen opzeggen van een leveringsovereenkomst tussen een aangewezenwarmtebedrijf en verbruiker. Het voornemen is daarbij aan te sluiten bijhetgeen geregeld zal gaan worden voor de eindafnemer van elektriciteiten gas op grond van de Energiewet. Uitgangspunt zal daarbij zijn dataangewezen warmtebedrijven verbruikers op een transparante enbegrijpelijke manier rechtstreeks in kennis stellen van elke aanpassing vande tarieven en voorwaarden voor de levering van warmte, en hun daarbijwijzen op hun recht de overeenkomst op te zeggen wanneer zij van eendergelijk voornemen in kennis worden gesteld.Artikel 2.32Dit artikel strekt tot het bereiken van een hoog niveau van consumenten-bescherming. Met het oog hierop is – vergelijkbaar met hetgeen op grondvan artikel 2.10 Energiewet voor de levering van elektriciteit en gas wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3236 voorgeschreven – bepaald dat als de voorwaarden verbonden aan eenleveringsovereenkomst van het aangewezen warmtebedrijf met eenkleinverbruiker gesteld op grond van de artikelen 2.30 en 2.31 niet wordennageleefd, dit de overeenkomst vernietigbaar maakt. Kleinverbruikerskunnen dan een vordering tot vernietiging indienen bij de rechter.Artikel 2.33Uit het eerste lid volgt dat een aangewezen warmtebedrijf schriftelijkreageert op een opzegging en voert deze uit. Indien een beëindiging vande levering niet mogelijk is om redenen, zoals opgenomen in het tweedelid, motiveert het aangewezen warmtebedrijf dit.Het tweede lid regelt limitatief de gronden waarop een aangewezenwarmtebedrijf geen gevolg kan geven aan een verzoek op opzegging vande leveringsovereenkomst. Dit is mogelijk indien het redelijkerwijstechnisch niet mogelijk is de levering van warmte aan die verbruikergeheel te beëindigen of de beëindiging van de levering van warmte aaneen verbruiker leidt tot aanzienlijk blijvend nadeel voor een andereverbruiker.Artikel 2.34In het eerste lid wordt voorgesteld dat de verbruiker zijn leveringsover-eenkomst in beginsel niet kan ontbinden tot drie jaar na aanvang van delevering van warmte. Dit voorschrift geldt alleen in de situatie dat eengebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden als bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard. Deperiode van 3 jaar geldt, omdat met deze verplichte termijn een aange-wezen warmtebedrijf de zekerheid heeft een deel van zijn investeringen tekunnen terugverdienen. Bovendien hebben verbruikers dan de tijd om aande collectieve warmtevoorziening te wennen en heeft het warmtebedrijfde gelegenheid om de verbruikers de aantrekkelijkheid ervan te lateninzien.In het tweede lid worden twee gevallen uitgesloten van het verbod voorverbruikers om een leveringsovereenkomst te beëindigen. Het gaat om desituatie dat de verbruiker binnen 3 jaar na aanvang van de levering vanwarmte verhuist of de gebouweigenaar wordt afgesloten van de collec-tieve warmtevoorziening. In artikel 2.27 is geregeld dat een gebouw-eigenaar een aansluitovereenkomst vroegtijdig kan beëindigen indien hijde eigendom van het gebouw overdraagt dan wel het gebouw wordtgesloopt. Indien de rechtsopvolger bij een eigendomsoverdracht kiestvoor afsluiting van de collectieve warmtevoorziening moet de verbruikeruiteraard de mogelijkheid hebben de leveringsovereenkomst op tezeggen.Artikel 2.35In aansluiting op hetgeen in de Energiewet bepaald is voor de huishoude-lijke eindafnemer die een leveringsovereenkomst voor elektriciteit of gasheeft afgesloten, bepaalt dit artikel dat in beginsel bij het opzeggen doorde kleinverbruiker van een leveringsovereenkomst voor warmte geenopzegvergoeding in rekening wordt gebracht. Uit het eerste lid volgt datdit alleen mag als deze verbruiker zelf een overeenkomst met een vastelooptijd en een vooraf of tijdens de overeenkomst vast overeengekomenleveringstarief of een vaste leveringsvergoeding voor het einde van delooptijd opzegt en de opzegvergoeding in de overeenkomst isopgenomen. Bij een vaste leveringstarief is het redelijk dat het aange-wezen warmtebedrijf schadeloos wordt gesteld voor de warmte die hetverwachtte te leveren voor een bepaald tarief. In het geval een leverings-overeenkomst wordt opgezegd door het warmtebedrijf, bijvoorbeeld bijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3237 wanbetaling, is het eveneens mogelijk een opzegvergoeding bij dekleinverbruiker in rekening te brengen (mits het gaat om een overeen-komst voor bepaalde tijd en vaste prijs of vergoeding).Uitgangspunt is dat de opzegvergoeding evenredig is en niet meerbedraagt dan het rechtstreekse economische verlies dat het aangewezenwarmtebedrijf lijdt als gevolg van het opzeggen van de leveringsovereen-komst. In lagere regelgeving zullen nadere regels worden gesteld over dehoogte van de opzegvergoeding.Artikel 2.36Dit artikel bevat specifieke voorschriften met betrekking tot het informerendoor het aangewezen warmtebedrijf van zijn verbruikers over facturen enfactureringsinformatie. In het eerste lid is voorgesteld dat facturen enfactureringsinformatie met betrekking tot de geleverde warmte periodieken kosteloos aan de verbruiker wordt verstrekt.De nadere invulling van deze verplichting en de wijze waarop dit gebeurt,wordt verder uitgewerkt in een ministeriële regeling. Bij het opstellen vandeze regeling zal het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenover-zicht energie als uitgangspunt worden genomen.Artikel 2.37Verbruikers van warmte hebben geen keuzevrijheid ten aanzien van eenaangewezen warmtebedrijf, maar zijn gebonden verbruikers. Voorkomenmoet worden dat het aangewezen warmtebedrijf de verbruikers waaraanhij warmte levert dwingt tot één of slechts enkele vormen van betaling.Daarom dient een aangewezen warmtebedrijf op grond van artikel 2.37 inieder geval een ruime keuze uit betalingswijzen mogelijk te maken. Hetverschil in kosten van de verschillende vormen van betaling mag door hetaangewezen warmtebedrijf worden verdisconteerd in de prijs voorlevering. Het is dus mogelijk verbruikers die minder kosten voor hetaangewezen warmtebedrijf veroorzaken, zoals bijvoorbeeld het geval is bijautomatische incasso, een lagere prijs in rekening te brengen.Verder dient het aangewezen warmtebedrijf goed bereikbaar te zijn. Dithoudt in dat het aangewezen warmtebedrijf een duidelijk adres opgeeft,zodat de verbruiker weet waar hij zijn schriftelijke opmerkingen heen moetzenden. Verder moet het aangewezen warmtebedrijf voorzien in eene-mailadres en een goede telefonische bereikbaarheid. Telefonischewachttijden moeten beperkt zijn. Correspondentie moet vlot en opadequate wijze worden afgehandeld. In ieder geval moet het aangewezenwarmtebedrijf binnen 10 werkdagen hebben gereageerd op (elektro-nische) correspondentie van verbruikers.Artikel 2.38Dit artikel betreft de door het aangewezen warmtebedrijf in te stellen(interne) klachtenprocedure voor verbruikers. De procedure dienttransparant, kosteloos en eenvoudig te zijn. Het artikel komt overeen meteen gelijkwaardige voorziening voor eindafnemers van elektriciteit en gasin de Energiewet (artikel 2.8). Nadere regels over de klachtenprocedurekunnen bij ministeriële regeling worden gesteld.Artikel 2.39Het eerste lid strekt ertoe dat een aangewezen warmtebedrijf een beleidvoert gericht op het voorkomen van het wegens wanbetaling beëindigenvan de levering van warmte. Uit het eerste lid volgt dat beëindiging vande levering moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Hiermee, en met inbegrip van de verplichting op grond van artikel 2.18 van dit wetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3238 voor aangewezen warmtebedrijven om maatregelen te nemen om tevoorkomen dat de warmtelevering wordt onderbroken, wordenverbruikers zo goed mogelijk beschermd.Het tweede lid, onderdeel b, voorziet in de aanvullende mogelijkheidspecifieke kleinverbruikers te beschermen tegen het beëindigen vanlevering in geval van wanbetaling. Het gaat dan bijvoorbeeld omverbruikers die om gezondheidsredenen afhankelijk zijn van de warmtele-vering.Het derde lid voorziet in een grondslag voor nadere regels. Daarbij zalworden aangesloten bij de bescherming die de artikelen 5 tot en met 7van de Warmteregeling thans bieden.Artikel 2.40Uit artikel 2.40, eerste lid, volgt dat een aangewezen warmtebedrijf de aande verbruiker in rekening te brengen kosten voor het verbruik van warmtebaseert op het gemeten verbruik met een warmtemeter, warmtekostenver-deler of een voor een verbruiker inzichtelijke verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek. Het verbruik kan ook worden gemetenmet een combinatie hiervan.Bij de warmtelevering van een aangewezen warmtebedrijf ten behoevevan verbruikers in individuele woningen of gebouwen zal het verbruik vanwarmte gemeten worden met een warmtemeter. Het verbruik in apparte-mentsgebouwen en multifunctionele gebouwen, zoals kantoorgebouwenen winkelcentra, kan het verbruik van warmte worden gemeten metbehulp van een warmtekostenverdeelsystematiek. Dit kan nader wordenonderscheiden in een verbruiksafhankelijke- of van een verbruiksonafhan-kelijke verdeling waarbij er ook sprake kan zijn van een combinatie vanhet meten van het verbruik met een warmtemeter, warmtekostenverdelerof een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek. Metdeze terminologie is aansluiting gezocht bij de terminologie die gehan-teerd wordt in de sector.Bij een verbruiksafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordtgemeten met behulp van een warmtemeter of een warmtekostenverdelerdie het warmteverbruik per radiator registreert om het aandeel in de totaalgemeten warmte vast te stellen. Bij toepassing van een verbruiksonafhan-kelijke warmtekostenverdeelsystematiek (zonder warmtemeter ofwarmtekostenverdeler) worden de bij de verbruiker in rekening tebrengen kosten niet gebaseerd op het verbruik van de afzonderlijkeverbruiker. Dit betekent dat de kosten worden verdeeld naar rato van éénof meer constante verdeelgrondslagen zoals per perceel, vloeroppervlak,inhoud van de woning.Individuele woningen/gebouwenAppartementsgebouwen/multifunctionele gebouwenWarmtemeterWarmtekostenverdeelsystematiek (altijd in combinatie met totaal gemetenhoeveelheid warmte)Verbruiksafhankelijke verdelingVerbruiksonafhanke-lijke verdelingMet warmtemeterMet warmtekostenver-deler Artikel 2.41In het eerste lid is het uitgangspunt tot uitdrukking gebracht dat eenaangewezen warmtebedrijf in beginsel een warmtemeter installeert waardat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. De installatie is in ieder gevaltechnisch haalbaar en kostenefficiënt indien de bestaande warmtemeterTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3239 wordt vervangen, een nieuwe leveringsaansluiting wordt gemaakt in eennieuw gebouw of een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd (tweede lid).Deze situaties zijn overgenomen uit artikel 9, eerste lid, van de richtlijn2012/27/EU. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordenregels gesteld over de wijze waarop wordt bepaald in welke anderesituaties de installatie van een warmtemeter technisch haalbaar ofkostenefficiënt is. Dit is op dit moment geregeld in artikel 8a van hetBesluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen.Als de installatie van een warmtemeter niet technisch haalbaar is enkostenefficiënt is dan volgt uit het derde lid dat het aangewezen warmte-bedrijf een warmtekostenverdeler installeert. Dit is een meetsysteem dathet warmteverbruik van elke radiator meet ten behoeve van hetvaststellen van het aandeel in de totaal gemeten warmte. Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijzewaarop wordt bepaald in welke situaties de installatie van een warmtekos-tenverdeler kostenefficiënt is.Als ook een warmtekostenverdeler niet kostenefficiënt is, is het aange-wezen warmtebedrijf op grond van het vierde lid verplicht een verbruiks-onafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek te hanteren. Het vijfde lidschrijft voor dat een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsyste-matiek uitgaat van een binnen de technische en financiële mogelijkhedenzo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel in hettotaal gemeten verbruik van een afzonderlijke verbruiker.Het zesde lid schrijft voor dat een warmtekostenverdeler, de verbruikson-afhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek en andere technischevoorzieningen voor benadering, meting of registratie van het aandeel vaneen afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, aan de hand vandaarvoor gangbare technische normen geïnstalleerd en toegepastworden.Op grond van het zevende lid kan het aangewezen warmtebedrijfindividueel verbruik van een verbruiker dat is gemeten door middel vaneen individuele meter, warmtekostenverdeler of een warmtekostenver-deelsystematiek corrigeren aan de hand van de ligging van dewoonruimte in een gebouw en de gevolgen van leidingverliezen viatransportleidingen. Deze mogelijkheid kan echter alleen worden toegepastindien een onroerende zaak gebouwd is voor 1 juli 2019. Het is eenmogelijkheid waar warmtebedrijven gebruik van kunnen maken, maar hetis niet verplicht. Nieuwe gebouwen worden standaard zodanig geïsoleerddat het gebruik van correctiefactoren overbodig is. De correctiefactorenworden door warmtebedrijven vastgesteld met inachtneming van dedaarvoor gangbare technische normen.In het achtste lid is voorgesteld dat dit artikel onder verbruiker medeverstaat een eindgebruiker als bedoeld in artikel 10bis, eerste lid, eerstealinea van richtlijn 2012/27/EU (aan die richtlijn toegevoegd door richtlijn2018/2002/EU). In deze richtlijn wordt onderscheid gemaakt tusseneindgebruikers en eindafnemers. De term eindafnemer ziet op natuurlijkepersonen of rechtspersonen die energie aankopen op basis van eenrechtstreekse, individuele overeenkomst met een energieleverancier. Determ eindgebruiker verwijst naar een bredere groep consumenten. Ondereindgebruikers vallen ook bewoners van afzonderlijke gebouwen of vanafzonderlijke eenheden van appartementsgebouwen of multifunctionelegebouwen indien de levering aan deze eenheden vanuit een centrale brongebeurt en de bewoners geen rechtstreekse of individuele overeenkomstmet de energieleverancier hebben.Artikel 2.42In artikel 2.42 is geregeld dat een door een aangewezen warmtebedrijfgeïnstalleerde warmtemeter of een warmtekostenverdeler op afstanduitleesbaar dient te zijn. In alle gevallen kan een kleinverbruiker verzoekenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3240 om de op afstand uitleesbare meter niet op afstand uit te lezen. In diesituatie kan de kleinverbruiker het verbruik zelf doorgeven aan hetaangewezen warmtebedrijf. Bij een warmtekostenverdeler moet de standperiodiek worden opgenomen door het aangewezen warmtebedrijf of hetmeetbedrijf. De meetgegevens van een warmtemeter en warmtekosten-verdeler die op afstand uitleesbaar zijn, kunnen met het oog op privacyten hoogste eenmaal per 15 minuten worden gecollecteerd, gevalideerdof vastgesteld.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels wordengesteld over de eisen waaraan een warmtemeter en een warmtekosten-verdeler ten minste voldoen, waarbij voor de warmtemeters en warmte-kostenverdelers die op afstand uitleesbaar zijn in ieder geval geldt datregels worden gesteld ten aanzien van de beveiliging van meetgegevens.Artikel 2.43Artikel 2.43 regelt dat een aangewezen warmtebedrijf op verzoek vanproducent of een producent van restwarmte in overleg treedt over hetgebruik van de warmtebron voor het leveren aan warmte aan hetaangewezen warmtebedrijf. Dit artikel ziet niet toe op toegang van eenwarmtebron tot een collectieve warmtevoorziening van een aangewezenwarmtebedrijf ten behoeve van het transporteren van warmte naar eenandere partij dan het aangewezen warmtebedrijf.Teneinde de informatiepositie van de producent of een producent vanrestwarmte te verstevigen en te faciliteren dat deze met een gerichtaanbod in overleg kan treden met het aangewezen warmtebedrijf geldt opgrond van het tweede lid voor laatstgenoemde een informatieplicht. Opverzoek van de producent of producent van warmte verstrekt hetaangewezen warmtebedrijf informatie over de vraag van het aangewezenwarmtebedrijf naar de verwachte productiecapaciteit nu en in detoekomst. Het gaat dan meer specifiek om de additionele (duurzame)productiecapaciteit waarvoor het aangewezen warmtebedrijf mogelijk eenwarmtebron zoekt. Hierbij dient het aangewezen warmtebedrijf ook in tegaan op zijn behoefte aan productiecapaciteit in de toekomst. Indien ervraag is naar productiecapaciteit verstrekt het aangewezen warmtebedrijfook de kenmerken hiervan. Hier gaat het bijvoorbeeld om de basislast,pieklast of back-up, maar ook de gewenste temperatuur. Verder verschafthet aangewezen warmtebedrijf ook informatie over de technischekenmerken van de collectieve warmtevoorziening, waaronder de druk, detemperatuur, de duurzaamheid van de warmte en het debiet. Tot slotworden ook het afnameprofiel en de jaarlijkse afname van de betreffendecollectieve warmtevoorziening op verzoek overlegt aan de producent ofproducent van restwarmte.In het derde lid wordt geregeld dat het aangewezen warmtebedrijf eendeugdelijk gemotiveerde schriftelijke beslissing doet toekomen over hetverlenen van toegang tot de collectieve warmtevoorziening.Er kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelsworden gesteld over onder meer de termijnen waarbinnen het overlegtussen de warmteproducent en het aangewezen warmtebedrijf moetenplaatsvinden. Om te voorkomen dat een verzoekende warmteproducentop basis van een onvoldoende uitgewerkte casus een verzoek totinformatie kan indienen bij het warmtebedrijf, kunnen bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur ook eisen gesteld worden aan hetverzoek. Deze regels zien op het borgen van informatiegelijkheid entransparantie over het handelen van het aangewezen warmtebedrijf. Naarverwachting kunnen de betrokken partijen op deze wijze handelen opbasis van realistische prognoses en wederzijdse verwachtingen. Additi-onele administratieve lasten, die een gevolg zouden kunnen zijn vanverzoeken tot toegang, kunnen hierdoor zoveel mogelijk worden beperkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3241 Artikel 2.44Een aangewezen warmtebedrijf moet, om zijn taken te kunnen uitvoeren,onafhankelijk kunnen beslissen over het gebruik van het warmtenet.Daarom is in artikel 2.44, eerste lid, voorgesteld dat het aangewezenwarmtebedrijf moet beschikken over de eigendom van het warmtenetwaarop diens aanwijzing betrekking heeft. Op deze manier wordtgegarandeerd dat het aangewezen warmtebedrijf de daaraan gerelateerdetaken daadwerkelijk kan uitvoeren.Het tweede lid regelt de situatie die ontstaat als het college een aanwijzingwijzigt waardoor de warmtekavel wordt verkleind, intrekt of eenaanwijzing wordt overgedragen of komt te vervallen door het verloop vande termijn van de aanwijzing. Om de continuïteit van de warmteleveringte garanderen zal het aangewezen warmtebedrijf de eigendom van hetwarmtenet moeten overdragen aan het nieuw aangewezen warmtebedrijf.Op het moment van inwerkingtreding van artikel 12.10 zal de juridischeeigendom van het warmtenet in een aantal gemeenten niet bij hetaangewezen warmtebedrijf maar bij de gemeente liggen. Op grond vanhet overgangsrecht wordt deze situatie gerespecteerd. In een dergelijkesituatie draagt het aangewezen warmtebedrijf alleen de economischeigendom op het warmtenet over een opvolgend aangewezen warmtebe-drijf.Het vierde lid geeft regels voor de vergoeding waarop het aangewezenwarmtebedrijf dat aanvankelijk was aangewezen recht heeft. Voorgesteldwordt dat het aangewezen warmtebedrijf recht heeft op een tegenpres-tatie die de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtenetvertegenwoordigt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuurworden nadere regels worden gesteld over de overdracht van deeigendom van het warmtenet en de tegenprestatie. In paragraaf 18.2.3van deze toelichting is ingegaan op welke methodiek daarbij gehanteerdzal worden.Dit wetsvoorstel regelt niet de overdracht van de eigendom van eventuelewarmtebronnen of overeenkomsten met producenten. Het is aan dewarmtebedrijven zelf om hierover afspraken te maken.Artikel 2.45Dit artikel schrijft voor dat het andere warmtebedrijf dat na instemmingdoor het college op grond van artikel 2.10 de aanwijzing overgedragenheeft gekregen, de verbruikers van het warmtebedrijf dat de aanwijzingheeft overgedragen warmte levert onder dezelfde voorwaarden entarieven als het laatst genoemde warmtebedrijf. Het nieuwe warmtebedrijfmoet de leveringsovereenkomsten van het oude warmtebedrijf met zijnverbruikers respecteren en zonder wijziging overnemen. Hiermee wordtgewaarborgd dat verbruikers als gevolg van een overdracht van deaanwijzing niet te maken krijgen met andere voorwaarden en tarieven.Artikel 2.46Op grond van het eerste lid, is het aangewezen warmtebedrijf verplichteen jaarrekening en een bestuursverslag overeenkomstig titel 9 van Boek2 van het Burgerlijk Wetboek te publiceren. Daarbij zijn de artikelen 395a,396, 397 en 403 van deze titel uitgezonderd. Deze artikelen zijn uitge-zonderd om te voorkomen dat warmtebedrijven een beroep kunnen doenop de uitzonderingsgronden in titel 9 van Boek 2 van het BurgerlijkWetboek waardoor zij niet hoeven te voldoen aan deze verplichting.Transparantie over de bij verbruikers in rekening gebrachte prijs en deintegrale kosten en opbrengsten van warmtebedrijven is namelijkgewenst. In het tweede lid is voorgesteld dat het bestuursverslaginformatie bevat over de bij verbruikers in rekening gebrachte tarieven enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3242 de integrale kosten en opbrengsten die verband houden met de leveringvan warmte. Deze eis heeft met name tot doel om transparantie richtingde ACM en verbruikers over tarieven, kosten en opbrengsten tewaarborgen.Artikel 2.47In situaties waarin een verbruiker woont of gevestigd is in een complexdat wordt verwarmd door warmte geleverd door een aangewezenwarmtebedrijf, levert het warmtebedrijf die warmte veelal aan deverbruiker via het inpandig leidingstelsel van de gebouweigenaar. Deverplichtingen voor een gebouweigenaar in deze situatie zijn opgenomenin artikel 2.47.De gebouweigenaar die eigenaar is van een inpandig leidingstelsel datwordt gebruikt voor de levering van warmte aan verbruikers en deindividuele leveringsaansluiting van de verbruiker daarop, wordt op grondvan het eerste lid, onderdeel a, verantwoordelijk voor het onderhoud vandit leidingstelsel en deze aansluiting. Daarmee is de gebouweigenaar ookverantwoordelijk voor de kosten die gepaard gaan met dit onderhoud. Hetstaat de gebouweigenaar en het aangewezen warmtebedrijf vrij om hierandere afspraken over te maken.In het eerste lid, onderdeel b, wordt geregeld dat een gebouweigenaarmedewerking dient te verlenen aan het verzoek van een aangewezenwarmtebedrijf om een verbruiker die is aangesloten op zijn inpandigleidingstelsel af te sluiten. De verbruiker in het complex is immers niet zelfaangesloten op de collectieve warmtevoorziening van het aangewezenwarmtebedrijf, maar op het inpandig leidingstelsel van de gebouweige-naar. Wanneer deze verbruiker afgesloten wil worden moet er afsluitingplaatsvinden van het inpandig leidingstelsel van de gebouweigenaar enniet van de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmte-bedrijf. Het verzoek om afsluiting van de collectieve warmtevoorzieningwordt echter gericht aan het aangewezen warmtebedrijf waarmee deverbruiker een leveringsovereenkomst heeft. De gebouweigenaar is geenpartij bij de leveringsovereenkomst tussen de verbruiker en het aange-wezen warmtebedrijf. Het aangewezen warmtebedrijf is, tenzij hij hierovermet de gebouweigenaar afspraken heeft gemaakt, niet bevoegd om hetgebouw binnen te gaan en de binneninstallatie van de verbruiker af tesluiten van het inpandig leidingstelsel. Om te verzekeren dat eenverbruiker ook in deze gevallen kan worden afgesloten is hiermeegeregeld dat de gebouweigenaar verplicht is medewerking te verlenenaan het verzoek van een aangewezen warmtebedrijf om een verbruiker afte sluiten, die is aangesloten op het inpandig leidingstelsel van degebouweigenaar.Het aangewezen warmtebedrijf is op grond van dit wetsvoorstel verant-woordelijk voor de levering van warmte en het uitkeren van storingscom-pensatie indien deze levering onderbroken wordt. Het is voor deverbruiker echter niet duidelijk waar een storing zich voordoet envoorkomen moet worden dat de verbruiker van het kastje naar de muurgestuurd wordt. Om deze reden wordt in dit wetsvoorstel hetuitgangspunt gehanteerd dat de verbruiker storingscompensatie ontvangtvan het aangewezen warmtebedrijf, maar wordt in het tweede lid, tevensbepaald dat, indien zich een storing voordoet in het inpandig leiding-stelsel van de gebouweigenaar of de individuele leveringsaansluiting vande verbruiker daarop, de gebouweigenaar verplicht is de kosten tevergoeden van de compensatie, die het aangewezen warmtebedrijf alsgevolg van de storing in het inpandig leidingstelsel van de gebouw-eigenaar moet uitkeren aan de verbruiker. Ook hier staat het de gebouw-eigenaar en het aangewezen warmtebedrijf vrij om andere afspraken temaken over het dragen van de kosten voor storingscompensatie bij eenstoring in een inpandig leidingstelsel of de individuele leveringsaan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3243 sluiting van de verbruiker. In het geval de gebouweigenaar het onderhoudvan het inpandig leidingstelsel en de individuele leveringsaansluiting vande verbruiker daarop bijvoorbeeld heeft uitbesteed aan het aangewezenwarmtebedrijf, ligt het voor de hand dat het aangewezen warmtebedrijf dekosten voor de compensatie van een storing niet op de gebouweigenaarkan verhalen.Artikel 2.48Artikel 2.48 stelt voor dat het de exclusieve taak is van een aangewezenwarmtebedrijf warmtemeters en afleversets ter beschikking te stellen. Methet oog hierop is voorgesteld dat het een ander dan het aangewezenwarmtebedrijf verboden is de taken, bedoeld in artikel 2.12, onderdelen men o, uit te voeren. Het gaat hierbij om respectievelijk het ter beschikkingstellen van een afleverset en een warmtemeter. Een verdere toelichting isgegeven in paragraaf 3.6, onder g en h, van deze toelichting.Artikel 2.49In verband met de handhavende bevoegdheden van het college en deACM in paragraaf 9.2 is in artikel 2.49 voorgesteld dat het verboden is instrijd te handelen met voorschriften of beperkingen die aan de in ditartikel genoemde besluiten kunnen worden verbonden. Dit betekent datbij een overtreding een last onder dwangsom opgelegd kan worden.Artikel 3.1Eerste lidOp grond van artikel 3.1, eerste lid, kan het college een warmtebedrijfvoor een klein collectief warmtesysteem een ontheffing verlenen van hetverbod opgenomen in artikel 1.2, eerste lid. Op grond van artikel 1.2,eerste lid, is het verboden zonder aanwijzing van een warmtebedrijfwarmte te transporteren en te leveren. Zonder de mogelijkheid eenontheffing aan te vragen van dit verbod zou de exploitatie van een kleincollectief warmtesysteem voorbehouden zijn aan een aangewezenwarmtebedrijf.De ontheffing kan worden verleend voor een termijn van minimaal 20 enmaximaal 30 jaar. Deze termijn is gelijk aan de termijn waarvoor eenaanwijzing als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, of 2.7, eerste lid, kanworden verleend. De ontheffing ziet op een in de ontheffing aangeduidgebied waar het klein collectief warmtesysteem wordt voorzien. Indien hetgebied in een warmtekavel ligt, geldt voor dat gebied dat het aangewezenwarmtebedrijf daar niet de exclusieve bevoegdheid heeft warmte tetransporteren en te leveren. Dit volgt uit artikel 2.5, tweede lid,onderdeel b, en artikel 2.7, tweede lid, onderdeel b. Uit de systematiek vanartikel 3.1, eerste lid, volgt dat indien een aanvraag wordt ingediend dezeook als eerste zal worden beoordeeld.Tweede lid tot en met vijfde lidHet tweede lid bepaalt dat warmtebedrijven hun voornemen om eenontheffing aan te vragen dienen te melden bij de ACM. In reactie op diemelding zal de ACM aangeven of zij het nodig acht de organisatorische,technische en financiële kwaliteit van het warmtebedrijf te toetsen of dateen dergelijke toets niet noodzakelijk is. Uit het vijfde lid volgt dat hetwarmtebedrijf de reactie van de ACM en, indien de ACM een toets heeftverricht, een positief besluit van de ACM bij de ontheffingsaanvraag moetvoegen. Als deze reactie en, indien de ACM een toets heeft verricht, eenpositief besluit van de ACM ontbreekt, zal de aanvraag buiten behandelingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3244 worden gelaten. De ACM heeft deze bevoegdheid gekregen omdatverwacht wordt dat voor kleine collectieve warmtesystemen een controlevooraf veel risico’s met betrekking tot leveringszekerheid kan voorkomen.Het voorkomen van deze risico’s weegt zwaarder dan de toename vanadministratieve lasten.Zesde lidIn het zesde en zevende lid zijn de criteria opgenomen voor de beoor-deling van de aanvraag om een ontheffing. Het zesde lid is van toepassingals het gebied waarop de ontheffing betrekking heeft in een warmtekavelligt waarvoor een warmtebedrijf is aangewezen.Het college beslist op grond van het zesde lid afwijzend op een aanvraagom een ontheffing indien het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over deorganisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor deuitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.6, of onvoldoende financieelin staat is de taken voor het gebied uit te voeren (onderdelen a en b).Evenmin zal een ontheffing verleend worden als het klein collectiefwarmtesysteem onlosmakelijk verbonden is met een ander klein collectiefwarmtesysteem en deze systemen gezamenlijk geen klein collectiefwarmtesysteem zijn (onderdeel c). Hiermee wordt voorkomen dat doorhet oneigenlijk opdelen van een collectieve warmtevoorziening debepalingen uit hoofdstuk 2 worden vermeden. Als een klein collectiefwarmtesysteem voor zijn pieklevering of back up levering warmte inkooptbij een naastgelegen (klein) collectief warmtesysteem is nog steeds sprakevan een zelfstandig functionerend systeem. Ook als het voor het collegeaannemelijk is dat op korte termijn het klein collectief warmtesysteemwaarvoor ontheffing wordt aangevraagd geen klein collectief warmte-systeem meer zal zijn, wordt de aanvraag afgewezen (onderdeel d).Daarnaast wordt een aanvraag afgewezen indien door de ontheffing hetaangewezen warmtebedrijf van de warmtekavel waarbinnen het onthef-fingsgebied zich bevindt structureel geen redelijk rendement meer kanbehalen of de ontheffing leidt tot een significante verhoging van detarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoor-ziening van dit aangewezen warmtebedrijf (onderdeel e). De bewijslast ligtdaarbij in eerste instantie bij het aangewezen warmtebedrijf. Het is aanhet college om het aangewezen warmtebedrijf te informeren en op grondvan artikel 4.8 van de Awb de gelegenheid te geven een zienswijze naarvoren te brengen over het effect van de ontheffing op de tarieven.Tenslotte wordt een ontheffing afgewezen als het aannemelijk is dat degevolgen voor verbruikers die warmte zullen afnemen van het kleincollectief warmtesysteem redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn (onderdeel g).Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de kosten voor de benodigdeisolatie van het gebouw voor de gebouweigenaar te hoog zijn.Zevende en achtste lidHet zevende lid geeft aan in welke situaties het college een aanvraag omeen ontheffing afwijst als het ontheffingsgebied buiten een warmtekavelligt. Allereerst zal het college de aanvraag afwijzen als het warmtebedrijfonvoldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 3.6, of onvoldoende financieel in staat is de taken voor het gebieduit te voeren (onderdelen a en b). Het college wijst de aanvraag verder afals het door de ontheffing moeilijk of onmogelijk wordt in dat gebied eencollectieve warmtevoorziening door een nog aan te wijzen warmtebedrijfaan te leggen (onderdeel c). Het moet dan wel waarschijnlijk zijn dat in detoekomst voor dat gebied een warmtebedrijf zal worden aangewezen.Doel is te voorkomen dat een ontheffing de toekomstige verduurzamingvan dat gebied belemmert. Hiervan kan sprake zijn als een collectieveTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3245 warmtevoorziening het duurzame alternatief is met de laagste maatschap-pelijke kosten, maar dat door de aanleg van een klein collectief warmte-systeem het minimum aantal aangeslotenen dat daarvoor nodig is nietwordt bereikt. Het is aan het college om dit te beoordelen en te onder-bouwen, wat gemakkelijker is naarmate de plannen van de gemeenteconcreter zijn. Tot besluit zijn ook de in het zesde lid, onderdelen c, d en ggenoemde afwijzingsgronden in deze situatie van toepassing(onderdeel d).Als de ACM de financiële en bekwaamheid heeft getoetst, zal het collegedeze toets (onderdelen a en b) niet meer hoeven uit te voeren. Dit isgeregeld in het achtste lid.Tiende lidHet tiende lid bevat een verplichting voor het warmtebedrijf om hetcollege onmiddellijk te melden indien redelijkerwijs te voorzien is dat hetcollectief warmtesysteem waarvoor ontheffing is verleend geen kleincollectief warmtesysteem meer is. Een warmtebedrijf voldoet dan nietlanger meer aan de ontheffingsvoorwaarden. Met deze kennis is hetcollege vervolgens verplicht de ontheffing op grond van artikel 3.3,tweede lid, onderdeel b, in te trekken.Artikel 3.2Op grond van het eerste lid kan het college de ontheffing wijzigen. Het kanhier bijvoorbeeld gaan om een uitbreiding van het gebied. Voor debeoordeling gelden dezelfde regels als bij de verlening van de ontheffing.Artikel 3.3Eerste tot en met derde lidHet college is in een aantal situaties verplicht de ontheffing in te trekken.Het gaat hier allereerst om de situatie dat het college een melding van deACM heeft ontvangen waarin de ACM heeft vastgesteld dat er grond is deontheffing in te trekken, omdat het warmtebedrijf niet langer in staat iseen taak uit te voeren of vijf jaar na een eerste overschrijding van eenduurzaamheidsnorm nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan istoegestaan. Ook wordt de ontheffing ingetrokken als de ACM het collegeheeft gemeld dat het warmtebedrijf een opdracht van de ACM op grondvan artikel 2.13, vierde lid, niet nakomt. Het gaat hier om situaties diezodanig ernstig zijn dat intrekking van de ontheffing aan de orde is. Veelalzal de ACM voorafgaand aan een dergelijke melding het warmtebedrijfeen opdracht hebben gegeven of zal de ACM handhavend hebbenopgetreden. Intrekking van de ontheffing is pas aan de orde als de situatieniet langer verantwoord is, omdat de publieke belangen van betrouw-baarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid in het geding zijn.Het tweede lid, onderdeel b, zorgt ervoor dat een ontheffing wordtingetrokken wanneer het aantal op het klein collectief warmtesysteemaangesloten verbruikers is gestegen boven het maximum van 1500waardoor er geen sprake meer is van een klein collectief warmtesysteem.De warmtelevering zal dan niet langer onder de regulering vanhoofdstuk 3 vallen, maar onder de regulering van hoofdstuk 2. Aanleidingvoor het college om de ontheffing in te trekken kan de melding van hetwarmtebedrijf op grond van artikel 3.1, tiende lid zijn.Het derde lid geeft het college de bevoegdheid in een aantal anderesituaties de ontheffing in te trekken. Het college kan van dezebevoegdheid gebruik maken indien het warmtebedrijf de aan deontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt, hetwarmtebedrijf in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3246 verstrekt of het warmtebedrijf hierom heeft verzocht. Bij de invulling vandeze bevoegdheid is het aan het college om een afweging te makentussen het belang van de intrekking en de gevolgen van deze intrekkingvoor onder meer de publieke belangen betrouwbaarheid, betaalbaarheiden duurzaamheid. Deze intrekkingsgronden zijn limitatief.Vierde en vijfde lidHet vierde en vijfde lid zijn voorgesteld om de continuïteit van dewarmtelevering te borgen. Uit het vierde lid volgt dat een ontheffing paskan worden ingetrokken als aan een ander warmtebedrijf voor hetzelfdegebied een ontheffing is verleend of als een ander warmtebedrijf opgrond van artikel 2.5, eerste lid, of 2.7, eerste lid, is aangewezen voor hetbetreffende gebied. Vergelijkbaar met artikel 2.9, zesde lid, is in het zesdelid voorgesteld dat het college verplicht is om een plan op te stellenwaarin is beschreven hoe de levering van warmte aan degenen die eenleveringsaansluiting hebben op het klein collectief warmtesysteem kanworden gewaarborgd. Voor een nadere toelichting op de overwegingenten aanzien van genoemde verplichting wordt verwezen naar paragraaf3.7.5 van het algemene deel van deze toelichting en de toelichting opartikel 2.9, zesde lid.Zesde lidIndien de ontheffing wordt ingetrokken omdat het niet meer een kleincollectief warmtesysteem is, dan wordt het warmtebedrijf door hetbepaalde in het zesde lid van rechtswege een aangewezen warmtebedrijf.Hiervan is sprake als het aantal aansluitingen is toegenomen tot meer dan1500 aansluitingen. Het gebied waarop de ontheffing betrekking hadwordt dan geacht een warmtekavel te zijn. Vanaf dat moment gelden alletaken en verplichtingen van een aangewezen warmtebedrijf op grond vanhoofdstuk 2.Artikel 3.4Een ontheffing kan op grond van artikel 3.4 met instemming van hetcollege worden overgedragen aan een ander warmtebedrijf. Dit kanbijvoorbeeld aan de orde zijn als een warmtebedrijf wordt overgenomendoor een ander warmtebedrijf. Het warmtebedrijf is ingevolge het tweedelid verplicht dit voornemen bij de ACM te melden. In het derde lid is netals bij het verlenen van de ontheffing de ACM de bevoegdheid gegevennaar aanleiding van deze melding het warmtebedrijf mede te delen dat zijde organisatorische en technische bekwaamheid en financiële situatie vanhet andere warmtebedrijf wil toetsen. Als de ACM hiertoe geen aanleidingziet zal zij het warmtebedrijf hiervan in kennis stellen.Uit het vijfde lid volgt vervolgens dat het warmtebedrijf bij de aanvraagom instemming met de overdracht van de ontheffing de reactie van deACM op de melding en, indien de ACM een toets heeft verricht, het besluitvan de ACM waarin is vastgesteld dat het andere warmtebedrijf over devereiste kwaliteiten beschikt, moet overleggen. Als deze reactie en, indiende ACM een toets heeft verricht, een positief besluit van de ACMontbreekt zal de aanvraag buiten behandeling worden gelaten.Op grond van het zesde lid wijst het college een aanvraag om instemmingalleen af als het andere warmtebedrijf onvoldoende beschikt over deorganisatorische en technische bekwaamheid die noodzakelijk is voor deuitvoering van de taken of onvoldoende financieel in staat is om dezetaken uit te voeren. Deze toets door het college blijft achterwege als deACM deze toets al heeft uitgevoerd. Het college wijst de aanvraag ook afals het warmtebedrijf dat de ontheffing overneemt niet heeft ingestemdmet de overdracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3247 Artikel 3.5Aangezien de ACM toezicht houdt op onder meer de naleving van het bijof krachtens de artikelen 3.6, 3.7 en 3.10 bepaalde is het van belang dat deACM beschikt over de ontheffing, wijziging of intrekking van deontheffing, of instemming met de overdracht van een ontheffing. In ditartikel is het college opgedragen een afschrift van deze besluiten aan deACM te zenden.Artikel 3.6In artikel 3.6, eerste lid, zijn de taken van een warmtebedrijf met eenontheffing opgesomd. Deze taken zijn gelijk aan de taken van hetaangewezen warmtebedrijf gegeven in artikel 2.12 met als verschil datvoor een warmtebedrijf dat een klein collectief warmtesysteem exploiteertde taken niet pas gelden als het college heeft ingestemd met eenuitgewerkt kavelplan. Op grond van hoofdstuk 3 is het warmtebedrijfimmers niet verplicht een uitgewerkt kavelplan op te stellen. In het derdelid is net als in artikel 2.12, derde lid, voorgesteld te regelen dat hetwarmtebedrijf ook in geval van het laten uitvoeren van werkzaamhedendoor een derde de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dezewerkzaamheden behoudt. Voor een toelichting op dit artikel wordt naar detoelichting bij artikel 2.12 verwezen.Artikel 3.7In artikel 3.7 is voorgesteld een groot aantal verplichtingen uit hoofdstuk 2van overeenkomstige toepassing te laten zijn op het warmtebedrijf dateen ontheffing is verleend. Het gaat hier om de verplichtingen op grondvan de artikelen 2.13, 2.18 tot en met 2.20, 2.22 tot en met 2.42, 2.45, 2.46,2.48 en 2.49. Niet van toepassing zijn onder meer de bepalingen over hetuitgewerkt kavelplan, het investeringsplan, de leveringszekerheidsrap-portage en de financiële monitoring van de ACM. Zoals ook in paragraaf4.1 van de toelichting is aangegeven, zijn een warmtebedrijf dat een kleincollectief warmtesysteem exploiteert minder verplichtingen opgelegd omde administratieve lasten te beperken. Een dergelijke beperking isgerechtvaardigd gelet op het feit dat het een klein collectief warmte-systeem betreft. In artikel 3.8 is een specifieke bepaling opgenomen voorde financiële monitoring van het warmtebedrijf door de ACM. Ook is inartikel 3.9 een specifieke bepaling opgenomen op basis waarvan hetwarmtebedrijf elke drie jaar een plan opstelt waarin ingegaan wordt op dewijze waarop de leveringszekerheid wordt geborgd en de wijze waarop debij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde duurzaamheidsnormenvan bereikt zullen worden.Artikel 3.8Artikel 3.8 maakt het voor de ACM mogelijk het warmtebedrijf en de groepwaartoe dit warmtebedrijf behoort financieel te monitoren en te beoor-delen of het warmtebedrijf organisatorisch en technisch nog steedsvoldoende bekwaam is om de taken uit te kunnen voeren. Dit artikel isvergelijkbaar met artikel 2.14 dat gaat over de financiële monitoring vaneen aangewezen onderneming maar wijkt op een aantal punten af. Opgrond van het eerste lid is een warmtebedrijf waaraan een ontheffing isverleend verplicht elke drie jaar een plan op te stellen met eenbeschrijving van de organisatorische en technische bekwaamheid van hetwarmtebedrijf. Ook de financiële situatie van het warmtebedrijf en degroep waartoe het warmtebedrijf behoort zal omschreven moetenworden. Bij of krachtens algemene maatregel zullen regels wordengesteld over de eisen aan de financiële situatie van het warmtebedrijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3248 Anders dan bij een aangewezen warmtebedrijf zal dit plan niet elk jaar aande ACM gezonden moeten worden. In plaats daarvan zal de ACM opgrond van het tweede lid het plan bij het warmtebedrijf kunnen opvragen.Het warmtebedrijf mag de informatie op bedrijfsniveau aanleveren enhoeft dit niet uit te splitsen naar gebied waarvoor een ontheffing voor isverleend.In aanvulling daarop is het warmtebedrijf op grond van het derde lidverplicht de ACM te melden als redelijkerwijs te voorzien is dat definanciële situatie van het warmtebedrijf of de groep significantverslechtert. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal wordenaangegeven wanneer hiervan sprake is. Een dergelijke melding kanaanleiding voor de ACM zijn om het warmtebedrijf op te dragen maatre-gelen te treffen of het plan te wijzigen om zodoende de organisatorischeen technische bekwaamheid of de financiële situatie te verbeteren. Hetwarmtebedrijf of een rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaaktvan de groep zijn verplicht gevolg te geven aan deze opdracht.Artikel 3.9Artikel 3.9 schrijft voor dat een warmtebedrijf elke drie jaar een planopstelt waarin ingegaan wordt op de leveringszekerheid en het bereikenvan de bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde duurzaamheids-normen. Deze bepaling is voorgesteld, omdat artikel 2.17 niet vanovereenkomstige toepassing is verklaard op kleine collectieve warmtesys-temen om de administratieve lasten voor het warmtebedrijf te beperken.Het warmtebedrijf is in plaats daarvan verplicht een plan op te stellenwaarin een beschrijving is gegeven van de wijze waarop gedurende dekomende drie jaar de leveringszekerheid wordt geborgd, welke risico’svoor de leveringszekerheid zich gedurende die drie jaar kunnen voordoenen op welke wijze deze risico’s ondervangen zullen worden. In aanvullingdaarop moet het warmtebedrijf in het plan een beschrijving geven van dewijze waarop het warmtebedrijf de duurzaamheidsnormen voornemens iste bereiken.Uit het tweede lid volgt dat het warmtebedrijf alleen gehouden is het planop verzoek van de ACM of het college te verstrekken. De ACM kanvervolgens ambtshalve of op advies van het college opdragen het plan tewijzigen. Het warmtebedrijf is verplicht de opdracht uit te voeren en de inhet plan opgenomen maatregelen uit te voeren.Artikel 3.10Op grond van artikel 3.10 kan een warmtebedrijf ontheffing aanvragen bijde ACM van de duurzaamheidsnormen van artikel 2.20, eerste lid, als hetgaat om een klein collectief warmtesysteem dat afhankelijk is van eenniet-duurzame warmtebron die het klein collectief warmtesysteem vooreen groot deel van warmte voorziet. Het kan hier gaan om een kleincollectief warmtesysteem met een gasketel als enige warmtebron. Als hetaannemelijk is dat het warmtebedrijf niet kan voldoen aan de duurzaam-heidsnormen doordat de vervanging van deze niet-duurzame warmtebrondoor een duurzame warmtebron voor het warmtebedrijf niet uitvoerbaaris, kan de ACM een ontheffing verlenen die op grond van het tweede lidop aanvraag van het warmtebedrijf kan worden verlengd.Artikel 3.11In artikel 3.11, eerste lid, is – net als in artikel 2.44, eerste lid – geregeld dateen warmtebedrijf waaraan een ontheffing is verleend, beschikt over deeigendom van het warmtenet van een klein collectief warmtesysteem. Opdeze manier wordt gegarandeerd dat een warmtebedrijf kan beschikkenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3249 over het warmtenet en de taken die daaraan gerelateerd zijn daadwerkelijkkan uitvoeren.Het tweede lid regelt de situatie die ontstaat als het college een ontheffingwijzigt waardoor het gebied waarvoor deze geldt wordt verkleind, intrektof een ontheffing wordt overgedragen of komt te vervallen door hetverloop van de termijn van de ontheffing. Om de continuïteit van dewarmtelevering te garanderen zal het warmtebedrijf de eigendom van hetwarmtenet moeten overdragen aan een ander warmtebedrijf dat eenontheffing wordt verleend.Het derde en vierde lid geeft regels voor de vergoeding waarop hetwarmtebedrijf dat aanvankelijk in het bezit was van de ontheffing rechtheeft. Voorgesteld wordt dat het warmtebedrijf recht heeft op eentegenprestatie die de marktwaarde van de verschafte rechten op hetwarmtenet vertegenwoordigt. Bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de overdracht van deeigendom van het warmtenet en de tegenprestatie. In paragraaf 18.2.3van deze toelichting is ingegaan op welke methodiek daarbij gehanteerdzal worden.Artikel 3.12In verband met de handhavende bevoegdheden van het college en deACM in paragraaf 9.2 is in artikel 3.12 bepaald dat het verboden is in strijdte handelen met een voorschrift of beperking die aan een besluit op grondvan hoofdstuk 3 kan worden verbonden. Dit betekent dat bij eenovertreding een last onder dwangsom opgelegd kan worden.Artikel 4.1Eerste lidArtikel 4.1 introduceert een meldplicht voor een verhuurder of een VvE ofeen daarmee vergelijkbare rechtsvorm (zoals een coöperatievevereniging). Aan het college moeten zij de voorgenomen levering en hetvoorgenomen transport van warmte aan hun huurders of leden melden.Dit impliceert dat als er enkel sprake is van levering van warmte dit ookgemeld dient te worden.Er gelden twee uitzonderingen op de meldplicht. Ten eerste hoeft eenverhuurder of een VvE het transport en de levering van warmte aan tenhoogste 10 natuurlijke personen of rechtspersonen met elk een indivi-duele leveringsaansluiting van maximaal 100 kW niet te meldenaangezien die warmtelevering niet gereguleerd is (zie artikel 1.2, eerstelid, onderdeel d). Het gaat hier bijvoorbeeld om een appartementen-complex met een eigen WKO-installatie. Een verhuurder of VvE diewarmte levert aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon met eenindividuele leveringsaansluiting groter dan 100 kW is wel meldplichtig.Ten tweede hoeft een verhuurder of VvE die warmte doorlevert dit niet temelden, aangezien dit niet onder de verbodsbepaling van artikel 1.2 valt(zie artikel 1.2, eerste lid, onderdelen e en f) en daarmee is toegestaan.Tweede en derde lidOp basis van de melding gaat het college vervolgens na of het noodza-kelijk is dat de verhuurder of VvE een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2,eerste lid, aanvraagt. Een beoordeling van een ontheffing kan bijvoor-beeld noodzakelijk zijn als de levering van warmte mogelijk ongewensteeffecten heeft op de huidige of toekomstige collectieve warmtevoor-ziening van een aangewezen warmtebedrijf. Als dat naar het oordeel vanhet college het geval kan zijn, kan het college op grond van het tweede lidbinnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3250 de melding dat aan de verhuurder of VvE aangeven. De verhuurder of VvEzal dan een ontheffing moeten aanvragen om de warmte te kunnenleveren en te transporteren. Als het college tot de conclusie komt dat eenontheffing niet noodzakelijk is kan het college de termijn laten verlopen ofeventueel aan de verhuurder of VvE binnen die termijn melden dat eenaanvraag om een ontheffing niet nodig is. Het derde lid regelt dat dangeacht wordt een ontheffing te zijn verleend van het verbod vanartikel 1.2, eerste lid. Dit is een appellabel besluit.Met de in artikel 4.1 opgenomen meldplicht is beoogd de bestuurlijkelasten voor het college zoveel mogelijk te beperken en het college demogelijkheid te geven, daar waar nodig, de voorgenomen warmteleveringen het voorgenomen warmtetransport inhoudelijk te toetsen op onderandere de effecten op de huidige of toekomstige collectieve warmtevoor-ziening van een aangewezen warmtebedrijf.Indien het gebied waarop de voornemens zien in een warmtekavel ligt, zalhet aangewezen warmtebedrijf voor dat gebied niet de exclusievebevoegdheid hebben warmte te transporteren en te leveren aanverbruikers. Dit volgt uit artikel 2.5, tweede lid, onderdeel d, en 2.7,tweede lid, onderdeel d.Artikel 4.2Eerste lidOp grond van artikel 4.2, eerste lid, kan het college een verhuurder of VvEvoor de voorgenomen levering en het voorgenomen transport vanwarmte bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, een ontheffing verlenen. Zonderde mogelijkheid een ontheffing aan te vragen van dit verbod zou delevering van warmte van een verhuurder of VvE aan zijn verhuurders ofleden voorbehouden zijn aan een aangewezen warmtebedrijf.De ontheffing kan worden verleend voor een termijn van minimaal 20 enmaximaal 30 jaar. Deze termijn is gelijk aan de termijn waarvoor eenaanwijzing op grond van artikel 2.5, eerste lid, en 2.7, eerste lid, en eenontheffing voor een klein collectief warmtesysteem kan worden verleend.Indien het gebied waarop de ontheffing ziet in een warmtekavel ligt, geldtvoor dat gebied dat het aangewezen warmtebedrijf niet de exclusievebevoegdheid heeft warmte te transporteren en warmte te leveren. Ditvolgt uit artikel 2.5, tweede lid, onderdeel e, en 2.7, tweede lid,onderdeel e.Tweede en derde lidIn het tweede en derde lid zijn de criteria voor de beoordeling van deaanvraag om een ontheffing opgenomen. Dit toetsingskader vertoontgrote gelijkenis met dat voor het verlenen van een ontheffing voor eenklein collectief warmtesysteem. Ook bij de ontheffing voor de voorge-nomen warmtelevering door een verhuurder of VvE zal het collegebeoordelen of er ongewenste effecten zijn op de huidige of toekomstigecollectieve warmtevoorziening van een aangewezen warmtebedrijf.Zo beslist het college op grond van tweede lid afwijzend op een aanvraagindien door de ontheffing het aangewezen warmtebedrijf van dewarmtekavel waarbinnen het ontheffingsgebied zich bevindt structureelgeen redelijk rendement meer kan behalen. Ook als de ontheffing leidt toteen significante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikersvan de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijfwijst het college de aanvraag om ontheffing af.Het derde lid geeft aan in welke situaties het college een aanvraag om eenontheffing afwijst als het ontheffingsgebied in een warmtekavel of buiteneen warmtekavel ligt. Het college wijst de aanvraag uitsluitend af als doorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3251 de ontheffing het moeilijk of onmogelijk wordt in dat gebied eencollectieve warmtevoorziening door een nog aan te wijzen warmtebedrijfaan te leggen. Wel moet het waarschijnlijk zijn dat in de toekomst voor datgebied een warmtebedrijf zal worden aangewezen. Hiermee wordtvoorkomen dat een ontheffing de toekomstige verduurzaming van eenwarmtekavel belemmert. Hiervan kan sprake zijn als een collectievewarmtevoorziening het duurzame alternatief is met de laagste maatschap-pelijke kosten en dat door de aanleg van het warmtesysteem door deverhuurder of VvE het minimum aantal aangeslotenen dat daarvoor nodigis niet wordt bereikt.Artikel 4.3Een verhuurder of een VvE die een ontheffing heeft verkregen ofwaarvoor het verbod van artikel 1.2, eerste lid, op grond van artikel 4.1,derde lid, niet geldt, is verplicht het college een significante wijziging vande levering en het transport te melden. Van een significante wijziging isbijvoorbeeld sprake als een de warmtevoorziening substantieel wordtuitgebreid.Naar aanleiding van deze melding kan het college binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de meldingaangeven dat de verhuurder of VvE een ontheffing moet aanvragen. Hetkan namelijk zo zijn dat de verhuurder of VvE destijds kon volstaan meteen melding op grond van artikel 4.1, eerste lid, maar dat het college hetmet deze significante wijziging wel noodzakelijk vindt dat een ontheffingwordt aangevraagd. Daarnaast kan het college ook voorschrijven dat deverhuurder of VvE die al een ontheffing had, een wijziging van deontheffing moet aanvragen. Uit het vijfde lid volgt onder meer dat hetbeoordelingskader van artikel 4.2 van overeenkomstig toepassing is opeen wijziging van de ontheffing.Artikel 4.4Het college kan de ontheffing uitsluitend intrekken indien de aan deontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet wordennagekomen, als in de aanvraag om ontheffing onjuiste of onvolledigegegevens zijn verstrekt of de houder daarom heeft verzocht. Bij deinvulling van deze bevoegdheid is het aan het college om een afweging temaken tussen het belang van de intrekking en de gevolgen van dezeintrekking voor onder meer de leveringszekerheid.Het tweede lid is voorgesteld om de continuïteit van de warmtelevering teborgen. Onderdeel a regelt dat een ontheffing pas kan wordeningetrokken als aan een andere verhuurder een ontheffing is verleend. Hetis ook mogelijk dat een warmtebedrijf de warmtelevering als (onderdeelvan) een klein collectief warmtesysteem overneemt of dat de warmte-levering onderdeel wordt van de warmtelevering door een aangewezenwarmtebedrijf. Met het oog hierop is in de onderdelen b en c voorgestelddat de ontheffing pas kan worden ingetrokken als aan een warmtebedrijfeen ontheffing op grond van artikel 3.1, eerste lid, is verleend of voor hetgebied een warmtebedrijf is aangewezen.Artikel 4.5Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, kan alleen wordenovergedragen aan een andere verhuurder of VvE indien deze warmtelevert en transporteert als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.Het college houdt op grond van artikel 9.1, tweede lid, toezicht op deverplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 4.1, 4.3, 4.5 en 4.7. Met hetoog hierop is het van belang dat de verhuurder of een VvE de overdrachtvan een ontheffing meldt aan het college.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3252 Artikel 4.6In artikel 4.6 is voorgesteld dat op de levering en het transport vanwarmte door een verhuurder of VvE aan zijn huurder of zijn leden, eenbeperkt aantal verplichtingen uit hoofdstuk 2 gelden. Het gaat hier om deregels over de factuur (artikel 2.36) en de verplichtingen over het metenvan het verbruik van warmte (artikelen 2.40 tot en met 2.42). Dezeverplichtingen vloeien voort uit richtlijn 2012/27/EU en zijn ook vantoepassing op de levering van warmte door een verhuurder of VvEwaarop dit hoofdstuk betrekking heeft.Artikel 4.7In verband met de handhavende bevoegdheden van het college inparagraaf 9.2 van het wetsvoorstel is in artikel 4.7 bepaald dat hetverboden is in strijd te handelen met een voorschrift of beperking die aaneen ontheffing kan worden verbonden. Dit betekent dat het college bij eenovertreding een last onder dwangsom kan opleggen.Artikel 5.1In artikel 5.1 is de procedure voor de aanwijzing van een warmtetransport-beheerder beschreven.Eerste lidOp grond van het eerste lid kan de Minister op aanvraag van eenonderneming een warmtetransportbeheerder aanwijzen. Uit de syste-matiek van artikel 5.1, eerste lid, volgt dat indien een aanvraag wordtingediend deze ook als eerste zal worden beoordeeld. De aanwijzing kanworden verleend voor een termijn van minimaal 20 en maximaal 30 jaar.Deze termijn is gelijk aan de termijn waarvoor een aanwijzing voor eencollectieve warmtevoorziening en een ontheffing voor een klein collectiefwarmtesysteem kan worden verleend. De aanwijzing geldt voor een in deaanwijzing aangeduid geografisch afgebakend gebied waar het warmte-transportnet wordt voorzien.Uit het eerste lid volgt dat de warmtetransportbeheerder in het gebiedwaarop de aanwijzing betrekking heeft exclusief bevoegd is de taken,bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren. Het is andere personen dande warmtetransportbeheerder verboden een dergelijke taak in dat gebieduit te voeren. De reden hiervoor is dat het van belang is dat het warmte-transportsysteem als geheel integraal beheerd en geëxploiteerd wordt. Deexclusieve bevoegdheid heeft alleen betrekking op activiteiten diesamenhangen met de taken van de warmtetransportbeheerder. Het isandere partijen bijvoorbeeld niet toegestaan om in het aanwijzingsgebiedvan de warmtetransportbeheerder een net aan te leggen dat dekenmerken heeft van een warmtetransportnet. Alle andere vormen vantransport van warmte die op grond van dit wetsvoorstel niet zijn voorbe-houden aan de warmtetransportbeheerder zijn binnen dat gebied weltoegestaan.Tweede tot en met vierde lidOm aangewezen te worden dient de aanvrager voldoende bekwaam enfinancieel gezond te zijn om de taken te kunnen uitvoeren. Daarnaastmoet de onderneming voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien vaneigendom en onafhankelijkheid in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14. Met hetoog hierop is voorgeschreven dat de warmtetransportbeheerder voordatdeze een aanvraag om aangewezen te worden bij de Minister kanindienen, een aanvraag indient bij de ACM waarin de ACM verzocht wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3253 vast te stellen of de onderneming voldoende beschikt over de organisato-rische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van detaken, voldoende financieel in staat is de taken uit te voeren en voldoetaan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14. De ACMtoetst of de aanvrager aan deze criteria voldoet en kan, indien deonderneming niet volledig voldoet, voorschriften of beperkingenopleggen waaraan voldaan moet worden om aangewezen te kunnenworden. Het betreft hier een appellabel besluit.Uit het vierde lid volgt dat de onderneming een besluit waarin de ACM ditvaststelt vervolgens bij de aanvraag om aangewezen te worden moetbijvoegen. Alleen als de ACM in dat besluit heeft geconcludeerd dat deonderneming voldoende financieel, organisatorisch en technisch in staatis de taken uit te voeren, zal de aanvraag bij de Minister in behandelingworden genomen. Ook indien een besluit van de ACM ontbreekt zal deMinister de aanvraag buiten behandeling laten, omdat er geen sprake isvan een volledige aanvraag.Vijfde lidDe aanwijzing van een warmtetransportbeheerder is een bevoegdheid vande Minister maar de aanwijzing vindt plaats in nauwe samenspraak metde regio. Voordat de Minister overgaat tot aanwijzing wint de Ministeringevolge het vijfde lid advies in van het college van de gemeente engedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de leveringvan warmte naar redelijke verwachting zal plaatsvinden en op wiensgrondgebied de warmtebronnen zich bevinden waarvan gebruik zalworden gemaakt.Zesde lidHet zesde lid stelt voor dat de Minister uitsluitend een aanwijzing verleentindien het in het belang van de regionale warmtevoorziening noodzakelijkis een warmtetransportbeheerder voor het warmtetransportnet aan tewijzen. Daarbij wordt gekeken of er sprake is van een situatie met eengrootschalig aanbod van meerdere warmtebronnen die de lokalewarmtebehoefte structureel overstijgt en die met een warmtetransportnetop de meest doelmatige wijze beschikbaar kan worden gemaakt(onderdeel a). Voorts wordt gekeken of er naar verwachting meerdereafzonderlijke afnemers in verschillende gemeenten in de regio warmtevan het warmtetransportnet zullen afnemen (onderdeel b). Ook is eenaanwijzing uitsluitend aan de orde als het beschikbaar maken van dewarmtebronnen alleen door de aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder leidt tot een efficiënte warmtransitie in de regio en niet door desamenwerking tussen warmtebedrijven (onderdeel c). Hiermee wordtbedoeld dat het ontsluiten van het warmteoverschot door onderlingesamenwerking tussen partijen in de regio niet of niet op maatschappelijkoptimale wijze tot stand kan komen.Wanneer aan één of meerdere van deze criteria niet wordt voldaan zal deaanwijzing van een warmtetransportbeheerder naar verwachting nietnoodzakelijk zijn in het belang van de regionale warmtevoorziening. Hetaanwijzen van een warmtetransportbeheerder dient immers niet als eenlaagdrempelige oplossing voor regionale afstemmingsvraagstukken. Hetenkele feit dat een collectieve warmtevoorziening in een bepaalde regiona verloop van tijd groot in omvang wordt is dus geen reden om eenwarmtetransportbeheerder aan te wijzen. De regulering van collectievewarmtevoorzieningen in hoofdstuk 2 is ook bedoeld voor collectievewarmtesystemen van grote omvang. Met name in regio’s waar algrootschalige collectieve warmtesystemen aanwezig zijn of waar ookvolstaan kan worden met onderlinge afspraken tussen een beperkt aantalpartijen als warmtebronnen en afnemers, ligt het niet voor de hand eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3254 warmtetransportbeheerder aan te wijzen met alle eisen ten aanzien vaneigendom en onafhankelijkheid die daarmee gepaard gaan.De kosten van het verkrijgen van de aanwijzing kan de Minister op grondvan artikel 11.2 in rekening worden gebracht bij de aanvrager. De kostendie ACM maakt ter uitvoering van het tweede lid kunnen in rekeningworden gebracht op basis van artikel 6a van de Instellingswet AutoriteitConsument en Markt.Artikel 5.2Op grond van artikel 5.2 kan de Minister de aanwijzing van een warmte-transportbeheerder wijzigen. Dit kan de Minister ambtshalve of opaanvraag van een warmtetransportbeheerder doen. Het toetsingskadervan de aanwijzingsprocedure opgenomen in artikel 5.1, vijfde tot en metnegende lid, is van overeenkomstige toepassing op deze wijziging. Deverplichting om de gemeente en gedeputeerde staten die belang hebbenbij het warmtetransport zoals voorgeschreven in artikel 5.1, vijfde lid, isalleen van toepassing indien de wijziging van de aanwijzing ziet op eenwijziging van het gebied waarvoor de warmtetransportbeheerder isaangewezen. Bij een wijziging van het gebied waarvoor de aanwijzinggeldt doet immers alleen deze bepaling ter zake.Artikel 5.3De Minister trekt de aanwijzing in een aantal situaties in. In het eerste entweede lid is voorgesteld dat als de ACM aan de Minister meldt dat zij eenbesluit heeft genomen waarin de ACM heeft vastgesteld dat er grond is deaanwijzing in te trekken, omdat de warmtetransportbeheerder niet langerin staat is een taak als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren of instrijd handelt met artikel 5.7, vierde lid, de Minister verplicht is deaanwijzing in te trekken. Het gaat hier om situaties die zodanig ernstig zijndat intrekking van de aanwijzing aan de orde is. Veelal zal de ACMvoorafgaand aan een dergelijke melding de warmtetransportbeheerdereen opdracht hebben gegeven op grond van artikel 5.7, vierde lid, of zalde ACM handhavend hebben opgetreden. Intrekking van de aanwijzing ispas aan de orde als de situatie niet langer verantwoord is, omdat door hetniet langer uit kunnen voeren van een taak en het niet nakomen van eenverplichting onder meer het publieke belang van betrouwbaarheid van hetwarmtetransport in het geding komt.Daarnaast kan de Minister op grond van het derde lid een aanwijzingintrekken indien de warmtetransportbeheerder de aan de aanwijzingverbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt, een warmtetrans-portbeheerder in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeftverstrekt of de warmtetransportbeheerder hierom verzoekt. Bij deinvulling van deze bevoegdheid is het aan de Minister om een afweging temaken tussen het belang van de intrekking en de gevolgen van dezeintrekking voor de betrouwbaarheid van het warmtetransport.Het vijfde lid is voorgesteld om de continuïteit van het warmtetransporten daarmee de levering van warmte in de regio te borgen. Een aanwijzingkan pas worden ingetrokken als een andere warmtetransportbeheerder isaangewezen voor het desbetreffende warmtetransportnet. Vanaf datmoment rusten alle taken en verplichtingen op grond van hoofdstuk 5 opde nieuw aangewezen warmtetransportbeheerder.Artikel 5.4Als een warmtetransportbeheerder de aanwijzing wil overdragen aan eenandere onderneming dan zal de Minister daarmee moeten instemmen. Indat geval is het met name van belang dat de nieuwe onderneming voldoetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3255 aan een aantal criteria voordat de aanwijzing als warmtetransportbe-heerder kan worden overgedragen.Met het oog hierop is voorgeschreven dat de warmtetransportbeheerdervoordat deze een aanvraag om instemming bij de Minister kan indienen,een aanvraag indient bij de ACM waarin de ACM verzocht wordt vast testellen of de andere onderneming voldoende beschikt over de organisato-rische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van detaken, voldoende financieel in staat is de taken uit te voeren en voldoetaan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14.Uit het vierde lid volgt dat een besluit waarin de ACM dit vaststeltvervolgens bij de aanvraag om instemming met de overdracht bijgevoegdmoet worden. Alleen als de ACM in dat besluit positief heeft geoordeeldzal de aanvraag bij de Minister om instemming met de overdracht van deaanwijzing in behandeling worden genomen. Ook indien een besluit vande ACM ontbreekt zal de Minister de aanvraag buiten behandeling laten,omdat er geen sprake is van een volledige aanvraag. Als er sprake is vaneen volledige aanvraag zal de Minister alleen afwijzend beslissen op deaanvraag als de onderneming die de aanwijzing overgedragen krijgt, nietheeft ingestemd met de overdracht.Artikel 5.5Aangezien in artikel 9.1, eerste lid, aan de ACM het toezicht op de nalevingvan een groot aantal artikelen opgenomen in hoofdstuk 5 is opgedragen,is het van belang dat de ACM beschikt over de aanwijzing en de wijziging,de intrekking en de instemming met de overdracht van de aanwijzing. Opgrond van artikel 5.5 zal de Minister een afschrift van deze besluiten aande ACM zenden.Artikel 5.6Eerste lidIn artikel 5.6, eerste lid, zijn de taken van een warmtetransportbeheerderbenoemd.NetbeheerIn onderdeel a is één van de belangrijkste taken van de warmtetransport-beheerder omgeschreven, namelijk de taak om het warmtetransportnetaan te leggen waardoor op een doelmatige wijze de in de regio aanwezigegrote warmtebronnen ontsloten kunnen worden zodat kan wordenvoldaan aan de verwachte vraag naar warmte in de regio.Uit de taak in onderdeel b blijkt dat voor de warmtetransportbeheerder inbeginsel een aansluitplicht geldt voor alle partijen die om een warmte-transportaansluiting verzoeken.Daarop zijn drie uitzonderingen geformuleerd. De aansluitplicht geldt nietindien daardoor de betrouwbaarheid van het warmtetransport in hetgeding komt. Dit is met name het geval indien het inwilligen van eenverzoek voor een aansluiting zou leiden tot overmatige krapte aanwarmtetransportcapaciteit. Ook geldt geen aansluitplicht als daardoor eenefficiënte exploitatie en een efficiënt beheer van het warmtetransportnetin het geding komt. Gegeven de kenmerken en beperkingen van het helewarmtetransportnet mag de warmtetransportaansluiting niet op onrede-lijke wijze ten koste gaan van een efficiënte exploitatie en een efficiëntbeheer. Met efficiëntie wordt bedoeld dat het aansluiten van extrawarmtebronnen of afnemers bijvoorbeeld kan leiden tot disproportioneelhogere pompkosten, kosten als gevolg van congestie, extra onderhouds-kosten als gevolg van intensiever gebruik. Ten derde is er geen aansluit-plicht indien de kosten van de voor de warmtetransportaansluitingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3256 noodzakelijke investeringen in het warmtetransportnet niet in verhoudingstaat tot de verwachte inkomsten voor de warmtetransportbeheerder. Dedrie uitzonderingen op de aansluitplicht voorkomen dat het warmtetrans-portnet als geheel in kosten, efficiëntie en betrouwbaarheid uit balanswordt gebracht door een of meerdere specifieke warmtetransportaanslui-tingen. Het kan er ook toe leiden dat partijen wel kunnen aansluiten, maarniet onder de specifieke voorwaarden die zij wensen. Zo kan er minderwarmtetransportcapaciteit beschikbaar zijn dan deze partijen eigenlijkzouden willen contracteren.Op grond van onderdeel c is de warmtetransportbeheerder opgedragenhet beheer en onderhoud van het warmtetransportnet op een doelmatigewijze uit te voeren.Onderdeel d verplicht de warmtetransportbeheerder de betrouwbaarheidvan het warmtetransport op een doelmatige wijze te waarborgen. Debetrouwbaarheid van het warmtetransport is de mate van zekerheid dathet geplande transport van warmte daadwerkelijk en tegen deafgesproken voorwaarden kan plaats vinden. Een betrouwbaar warmte-transport stelt warmtebedrijven en andere afnemers in staat om deleveringszekerheid in de keten te borgen. Onder betrouwbaarheid van hetwarmtetransportnet moet ook de digitale veiligheid van het warmtetrans-portnet worden verstaan.Onderdeel e bepaalt dat de veiligheid van het warmtetransportnetgewaarborgd moet worden. Hiermee wordt bedoeld dat het warmtetrans-portnet geen onredelijk risico mag vormen voor de gezondheid en hetwelzijn van de omwonenden en mensen die werkzaam zijn aan hetwarmtetransportnet.SysteemoperatieDe taak omschreven in onderdeel f schrijft voor dat de warmtetransport-beheerder de warmte op een doelmatige wijze transporteert.Ingevolge onderdeel g zal de warmtetransportbeheerder de beschikbaretransportcapaciteit zodanig verdelen dat dit leidt tot een efficiënt gebruikvan het warmtetransportnet. De warmtetransportbeheerder is alsonafhankelijke partij verantwoordelijk voor het verdelen van warmtetrans-portcapaciteit. Ook bij het ontwikkelen van producten dient dit hetuitgangspunt te zijn.Onderdeel h ziet op de temperatuur van de warmte die wordt ingevoed inen afgenomen van het warmtetransportnet. De warmtetransportbe-heerder stelt deze zodanig vast dat dit leidt tot een doelmatig gebruik vanhet warmtetransportnet. Het gaat hierbij zowel om de aanvoer- als deretourtemperatuur. Het temperatuurregime van het warmtetransportnetkan erg bepalend zijn voor de aantrekkelijkheid en kosten voor specifiekepartijen (zowel warmtebronnen als afnemers) om aan te sluiten. Bij hetvaststellen van het temperatuurregime dient altijd het doelmatig gebruikvan het warmtetransportnet als geheel het uitgangspunt te zijn.De taak in onderdeel i ziet op het in balans houden van het warmtetrans-portnet als geheel en schrijft voor dat onbalans op een efficiënte wijzewordt gecorrigeerd of voorkomen. De verantwoordelijkheid van het inbalans houden van het warmtransportnet als geheel ligt bij de warmte-transportbeheerder.De taak in onderdeel j schrijft voor dat een warmtetransportbeheerder eenprogramma per warmtetransportaansluiting vaststelt. De warmtetrans-portbeheerder is degene die uiteindelijk het programma vaststelt om tekunnen borgen dat het programma uitgevoerd kan worden en hetwarmtetransportnet als geheel in balans blijft.In onderdeel k komt tot uitdrukking dat de warmtetransportbeheerderverantwoordelijk is voor het meten van de hoeveelheid warmte perwarmtetransportaansluiting die van het warmtetransportnet wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3257 afgenomen en ingevoed. Deze taak is nauw verbonden aan de taak vanbalancering, als bedoeld in onderdeel i.MarktmeesterIn onderdeel l komt de taak van de warmtetransportbeheerder alsmarktmeester die de verbinding tussen partijen bevordert tot uitdrukking.De vraag naar en aanbod van warmte van partijen met een warmtetrans-portaansluiting en partijen die in de toekomst gebruik willen maken vanhet warmtetransportnet zal de warmtetransportbeheerder in kaartbrengen en bijeenbrengen. Deze coördinerende en verbindende rol isnodig om een samenhangende uitrol van collectieve warmtevoorzie-ningen en de ontwikkeling van warmtebronnen mogelijk te maken. Metname voor partijen die nieuw zijn op deze markt of gering in omvang zijn,kan het zelf organiseren van de juiste warmtebronnen lastig zijn. Dezetaak voor de warmtetransportbeheerder kan drempels wegnemen voor dittype partijen.Tweede lidIn het tweede lid is voorgesteld te regelen dat een warmtetransportbe-heerder werkzaamheden kan laten uitvoeren door een derde ter uitvoeringvan de taken maar dat de warmtetransportbeheerder wel de verantwoor-delijkheid behoudt voor de uitvoering van deze werkzaamheden. Dewarmtetransportbeheerder kan aldus werkzaamheden uitbesteden aaneen derde. Hierbij kan gedacht worden aan netaanleg, facturering enklantenservice.Artikel 5.7Om de continuïteit van het warmtetransport te waarborgen is het vanbelang dat de warmtetransportbeheerder zijn taken kan blijven uitvoeren.Artikel 5.7 geeft de ACM de mogelijkheid om een vinger aan de pols tehouden en in te grijpen indien dat noodzakelijk mocht blijken te zijn. In heteerste lid is met het oog hierop voorgesteld de warmtetransportbeheerderte verplichten de ACM en de Minister te melden als een warmtetransport-beheerder voorziet een taak niet langer te kunnen uitvoeren. Na dezemelding geeft de warmtetransportbeheerder op korte termijn aan welkemaatregelen de warmtetransportbeheerder heeft genomen en wanneer dewarmtetransportbeheerder in voorkomend geval de taak weer kanuitvoeren. Op basis daarvan kan de ACM beoordelen of dit voldoende isof dat additionele maatregelen noodzakelijk zijn. De melding, maar ookbijvoorbeeld een warmtetransportinvesteringsplan waaruit blijkt dat debetrouwbaarheid van het warmtetransportnet onvoldoende is verzekerd,kan aanleiding voor de ACM zijn de warmtetransportbeheerder op tedragen maatregelen te treffen. De warmtetransportbeheerder is gehoudendeze opdracht op te volgen. Het niet opvolgen van deze opdracht of alseen taak niet langer meer uitgevoerd kan worden, kan in ernstige situatiesaanleiding zijn voor de ACM om dit vast te stellen en deze vaststellingnaar de Minister te sturen waardoor de Minister de aanwijzing op grondvan artikel 5.3, tweede lid, zal intrekken.Artikel 5.8Artikel 5.8 maakt het voor de ACM mogelijk de warmtetransportbeheerderen de groep waartoe de warmtetransportbeheerder behoort, financieel temonitoren en te beoordelen of de warmtetransportbeheerder organisato-risch en technisch nog steeds voldoende bekwaam is om de taken uit tekunnen voeren en de verplichtingen na te komen. Dit artikel is gelijk aanartikel 2.14 voor een aangewezen onderneming. Doel van dit artikel is omTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3258 ook na de verlening van de aanwijzing op de hoogte te blijven van definanciële situatie waarin de warmtetransportbeheerder en de groepwaartoe deze behoort verkeert en de ACM de bevoegdheid te geven in tegrijpen indien dat noodzakelijk mocht blijken te zijn.In het eerste lid is voorgesteld een warmtetransportbeheerder teverplichten de ACM elk jaar informatie te verstrekken over de organisato-rische en technische bekwaamheid van de warmtetransportbeheerder ende financiële situatie van de warmtetransportbeheerder en de groepwaartoe deze behoort. Bij of krachtens algemene maatregel kunnen eisenworden gesteld aan de financiële situatie.In aanvulling daarop is de warmtetransportbeheerder verplicht de ACM temelden als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie signi-ficant verslechtert. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zalworden aangegeven wanneer hiervan sprake is. Een dergelijke meldingkan aanleiding voor de ACM zijn de warmtetransportbeheerder of ledenvan de groep op te dragen een plan op te stellen of maatregelen te treffenom de financiële situatie te verbeteren. De warmtetransportbeheerder ende rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaakt van de groepwaartoe de warmtetransportbeheerder behoort zijn verplicht dezeopdracht op te volgen.Artikel 5.9Het eerste lid van artikel 5.9 schrijft voor dat een warmtetransportbe-heerder periodiek een warmtetransportinvesteringsplan opstelt. Bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur wordt de frequentie bepaald.Uit het tweede lid volgt dat het warmtetransportinvesteringsplan eenbeschrijving en onderbouwing bevat van de voorgenomen investeringenin de aanleg, uitbreiding of vervanging van het warmtetransportnet die dewarmtetransportbeheerder noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijntaken. Daarbij moeten ook de in dat licht overwogen alternatieven voor deinvesteringen beschreven worden. Ten tweede bevat het warmtetranspor-tinvesteringsplan een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomeninvesteringen passen binnen een langetermijnvisie van de warmtetrans-portbeheerder op het warmtetransportnet. Met het warmtetransportinves-teringsplan wordt beoogd helderheid te bieden voor de regio, enbetrokken partijen, waar en wanneer de warmtetransportbeheerdervoornemens is verbindingen aan te leggen. Ook speelt het warmtetrans-portinvesteringsplan een belangrijke rol in de controle van de ACM op deinvesteringen in het warmtetransportnet.Het warmtetransportinvesteringsplan en de lokale warmteplannenmoeten uiteraard op elkaar aansluiten. De plannen zullen continuewederzijds herijkt moeten worden. Zo moet de aanleg van het warmte-transportnet afgestemd zijn op het moment waarop warmtebedrijvenaangesloten willen worden op het warmtetransportnet teneinde huncollectieve warmtevoorziening uit te kunnen breiden of te verduurzamen.Met het oog hierop is in het derde lid voorgeschreven dat in het warmte-transportinvesteringsplan rekening wordt gehouden met de gemeentelijkeen provinciale vastgestelde plannen (omgevingsplan, gemeentelijkestructuurvisies en provinciale structuurvisies) met betrekking tot delevering van warmte in de regio.Het vierde tot en met achtste lid beschrijft de procedure om te komen toteen definitief warmtetransportinvesteringsplan. De procedure voorziet inhet vierde lid in inspraak van relevante belanghebbenden op hetontwerp-warmtetransportinvesteringsplan. De warmtetransportbeheerderverantwoordt daarbij op welke wijze de ingediende zienswijzen al dan niethebben geleid tot een wijziging van het plan. Vervolgens is in het vijfde lideen toets van de ACM voorgesteld. De ACM toetst of de in het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan opgenomen investeringen noodzakelijkzijn voor de warmtetransportbeheerder om zijn taken op doelmatige wijzeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3259 uit te voeren. De ACM toetst ook of de warmtetransportbeheerderanderszins in redelijkheid tot het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan heeft kunnen komen.Het vaststellen van het warmtetransportinvesteringsplan is aan dewarmtetransportbeheerder aangezien die ook verantwoordelijk is voor hetuitvoeren van zijn taken. Bij de vaststelling verantwoordt de warmtetrans-portbeheerder hoe de resultaten van de toetsing van de ACM al dan nietzijn verwerkt.Op grond van het zevende lid is een warmtetransportbeheerder verplichtde in het warmtetransportinvesteringsplan opgenomen investeringen uitte voeren.Als een warmtetransportbeheerder de investering significant wijzigt zaleen wijziging van het warmtetransportinvesteringsplan aan de ACMgestuurd moeten worden. Van een significante wijziging is sprake indienhet gaat om een wijziging met een omvang die significant is ten opzichtevan de totale investeringskosten. Gedacht kan worden aan kostenver-schillen die optreden bij geplande investeringen, geplande investeringendie worden uitgesteld of geannuleerd, of nieuwe investeringen dieworden toegevoegd.Artikel 5.10Het eerste lid van artikel 5.10 stelt voor een warmtetransportbeheerder teverplichten periodiek een exploitatieplan op te stellen. Bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur kan de frequentie worden bepaald.Een exploitatieplan bevat drie elementen. Allereerst een beschrijving vande wijze waarop vorm wordt gegeven aan de taken opgenomen inartikel 5.6, eerste lid, onderdelen d (waarborgen van de betrouwbaarheidvan het warmtetransport), h (temperatuurregime), i (het in balans houdenvan het warmtetransportnet) en l (marktmeestertaak). Daarnaast bevat heteen beschrijving van de wijze waarop met schaarste van transportcapa-citeit wordt omgegaan en ten derde geeft het een overzicht van goederenen diensten die worden aangeboden in verband met het transport vanwarmte. Deze aspecten zijn relevant voor het efficiënt gebruik van hetwarmtetransportnet en tevens relevant voor (potentiële) gebruikers. Ineen exploitatieplan geeft de warmtetransportbeheerder aan hoe met dezeaspecten wordt omgegaan. Hiermee wordt door het exploitatieplangeborgd dat de exploitatie van het warmtetransportnet op een wijzeplaats vindt die transparant en controleerbaar is.Uit het derde lid volgt dat een warmtetransportbeheerder het exploita-tieplan op verzoek aan de ACM stuurt. Het exploitatieplan is ook eenmanier voor ACM om te toetsen of in de exploitatie van het warmtetrans-portnet de warmtetransportbeheerder handelt conform zijn taken. Als deACM (eventueel via een externe klacht) het vermoeden heeft dat dewarmtetransportbeheerder het warmtetransportnet niet in overeen-stemming met de taken exploiteert, kan het exploitatieplan wordenopgevraagd om dit vervolgens na te gaan. De ACM kan de warmtetrans-portbeheerder vervolgens binnen een bij ministeriële regeling te bepalentermijn na het verzoek opdragen het exploitatieplan te wijzigen. Dewarmtetransportbeheerder volgt de opdracht op en voert de in hetexploitatieplan opgenomen maatregelen uit. In het geval de warmtetrans-portbeheerder dit niet doet kan de ACM op grond van artikel 9.4 eenbestuurlijke boete opleggen.Artikel 5.11Met artikel 5.11 wordt beoogd de onafhankelijkheid van de warmtetrans-portbeheerder te borgen en ervoor te zorgen dat deze zijn taken onafhan-kelijk kan uitoefenen. Voorgesteld is dat het voor de warmtetransportbe-heerder verboden is om in het gebied waarvoor deze is aangewezenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3260 warmte te produceren, te leveren of daarin te handelen. Dit voorkomt datde warmtetransportbeheerder naast het transporteren van warmte ookeen eigen belang heeft bij het gebruik van het warmtetransportnet wat alsrisico heeft dat eigen activiteiten worden bevoordeeld bij de exploitatievan het warmtetransportnet.Artikel 5.12In artikel 5.12, eerste lid, worden de activiteiten van een warmtetransport-beheerder en een met een warmtetransportbeheerder verbondengroepsmaatschappij beperkt om ervoor te zorgen dat deze geen risicovormen voor de opgedragen taken. Naast deze taken zijn in Nederlandalleen handelingen en activiteiten toegestaan die gerelateerd zijn aan deaanleg en het beheer van energie-infrastructuur en daarmee gerelateerdeactiviteiten.Het tweede lid geeft aan dat handelingen en activiteiten als bedoeld inartikel 3.19, tweede lid, en 3.20, eerste lid, van de Energiewet in iedergeval door een warmtetransportbeheerder verricht mogen worden. Uithet derde lid volgt wat tenminste onder het begrip energie-infrastructuurmoet worden verstaan. Het gaat hier om transmissiesystemen endistributiesystemen voor elektriciteit en gas en de infrastructuur voorkoolstofdioxide, waterstof, warmte, koude en biogas.Artikel 5.13In artikel 5.13, eerste lid, wordt geborgd dat de warmtetransportbeheerdervoldoende informatie verstrekt over de goederen en diensten die hij levertin verband met het transport van warmte. De warmtetransportbeheerderis verplicht deze informatie te verstrekken op verzoek partijen die daarmogelijk een belang bij hebben. Het gaat dan niet alleen om partijen meteen warmtetransportaansluiting maar ook om potentiële afnemers en hetcollege of gedeputeerde staten op wiens grondgebied de levering vanwarmte naar redelijke verwachting gebruik zal maken van het warmte-transportnet. Het verstrekken van informatie aan het college of gedepu-teerde staten is bijvoorbeeld wenselijk in situaties waarbij de gemeentevooruitlopend op het aanwijzen van een warmtebedrijf inzicht wil krijgenin de mogelijkheden voor aansluiting op het warmtetransportnet.Het tweede en derde lid borgt dat de informatie beschikbaar is dienoodzakelijk is voor de warmtetransportbeheerder om zijn taak alsmarktmeester (artikel 5.6, eerste lid, onderdeel l) in te kunnen vullen. Eenpartij die verzoekt om een warmtetransportaansluiting om warmte tekunnen invoeden wordt verplicht de warmtetransportbeheerder infor-matie te geven over de prijzen en voorwaarden van de goederen endiensten die deze partij aanbiedt. Ook moet er informatie over deduurzaamheid van de te leveren warmte worden verstrekt. Met dezeinformatie over potentiële warmtebronnen wordt de warmtetransportbe-heerder in staat gesteld om aan (potentiële) afnemers een goed beeld teschetsen over welke mogelijkheden en daarmee gepaard gaande kostener zijn om warmte van het warmtetransportnet af te nemen. Het derde lidregelt vervolgens dat de warmtetransportbeheerder deze informatie opverzoek verstrekt aan een partij die daar mogelijk belang bij heeft. Hetgaat hierbij om dezelfde partijen als genoemd in het eerste lid. Dewarmtetransportbeheerder is hiermee enkel het doorgeefluik van dezeinformatie. De warmtetransportbeheerder bewerkt deze informatie niet.Evenmin zal hij van deze informatie gebruik maken voor zijn eigenactiviteiten vanwege de onafhankelijkheid vereisten in de artikelen 5.11 en5.12. De warmtetransportbeheerder is alleen verplicht de relevanteinformatie te verzamelen en door te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3261 Artikel 5.14In artikel 5.14, eerste lid, is voorgesteld voor te schrijven dat de aandelenin een warmtetransportbeheerder direct of indirect berusten bij de staat,provincies, gemeenten of een ander openbaar lichaam zoals eenwaterschap. Het gaat hier om de in hoofdstuk 7 van de Grondwetbedoelde lichamen of andere openbare lichamen. In het eerste lid wordtmet «direct» berusten bedoeld dat een openbaar lichaam zelf directaandeelhouder is van de warmtetransportbeheerder. In het tweede lid ishet «indirect berusten» van de aandelen nader uitgewerkt. Strekking vandat lid is dat de aandelen van alle rechtspersonen in de keten tussenwarmtetransportbeheerder en publieke aandeelhouders uiteindelijk inhanden zijn van een openbaar lichaam. Gevolg van dit artikel is dat alleenondernemingen waarvan de aandelen (indirect) volledig in handen zijnvan een openbaar lichaam kunnen worden aangewezen als warmtetrans-portbeheerder.Met de zinssnede «onverminderd het bepaalde in artikel 3.15 van deEnergiewet» wordt duidelijk gemaakt dat indien de warmtetransportbe-heerder deel uitmaakt van een groep waartoe ook een transmissiesys-teembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet behoort, deaandelen in de warmtetransportbeheerder ook direct of indirect kunnenberusten bij een buitenlandse instelling zoals dat is omschreven inartikel 3.15 van de Energiewet. Op deze wijze doorkruist dit artikel demogelijkheden op grond van de Energiewet op dit punt niet.Artikel 5.15De warmtetransportbeheerder moet, om zijn taken te kunnen uitvoeren,onafhankelijk kunnen beslissen over het gebruik van het warmtetrans-portnet. Daarom is in artikel 5.15, eerste lid, voorgesteld dat de eigendomvan het warmtetransportnet te allen tijde bij de warmtetransportbe-heerder ligt. Op deze manier wordt gegarandeerd dat een warmtetrans-portbeheerder kan beschikken over het warmtetransportnet en de takendie daaraan gerelateerd zijn daadwerkelijk kan uitvoeren.Het tweede lid regelt de situatie die ontstaat als een aanwijzing wijzigtwaardoor het gebied waarvoor deze geldt wordt verkleind, wordtingetrokken of wordt overgedragen of komt te vervallen door het verloopvan de termijn van de aanwijzing. Om de continuïteit van het warmte-transport te garanderen zal de warmtetransportbeheerder de eigendomvan het warmtetransportnet moeten overdragen aan de nieuw aange-wezen warmtetransportbeheerder.Het derde lid geeft regels voor de vergoeding waarop de warmtetrans-portbeheerder die aanvankelijk was aangewezen recht heeft. Voorgesteldwordt dat de warmtetransportbeheerder recht heeft op een tegenprestatiedie de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtetransportnetvertegenwoordigt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuurworden nadere regels gesteld over de overdracht van de eigendom vanhet warmtetransportnet en de tegenprestatie.Artikel 5.16In artikel 5.16, eerste lid, is voorgesteld te bepalen dat degene die eenwarmtetransportaansluiting heeft verantwoordelijk is een warmtepro-gramma op te stellen. In dit programma wordt aangegeven hoeveelwarmte op de aansluiting wordt ingevoed of onttrokken en wanneer deinvoeding of onttrekking plaatsvindt. Dit stelt de warmtetransportbe-heerder in staat om zijn taak om de netbalans te bewaken goed in tevullen. Deze verantwoordelijkheid kan overgedragen worden. Indien eenaansluitingsverantwoordelijke – degene op wie de verantwoordelijkheidrust een warmteprogramma op te stellen – afwijkt van het warmtepro-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3262 gramma dan is deze daarvoor verantwoordelijk. Dit betekent dat dezeverplicht is de afwijking te herstellen.Artikel 5.17Artikel 5.17, eerste lid, verbiedt een partij die warmtetransportcapaciteitvan de warmtetransportbeheerder afneemt deze af te nemen anders danvoor eigen gebruik. Met eigen gebruik wordt bijvoorbeeld bedoeld dat dewarmtetransportcapaciteit wordt gebruikt ten behoeve de eigen collec-tieve warmtevoorziening van een aangewezen warmtebedrijf of vooreigen proceswarmte in de glastuinbouw of industrie. Dit begrip wordt bijof krachtens algemene maatregel van bestuur nader ingevuld.Het kan voorkomen dat afnemers van warmtetransportcapaciteitcapaciteit hebben gecontracteerd voor eigen gebruik maar dat deze tochniet gebruikt wordt. Dit kan komen doordat partijen vooraf meer warmte-transportcapaciteit hebben gecontracteerd dan op elk moment nodig isvoor eigen gebruik. In een dergelijke situatie kan de warmtetransportbe-heerder op grond van het tweede lid deze partij verzoeken deze warmte-transportcapaciteit ter beschikking te stellen voor een andere partij die omcapaciteit heeft verzocht. De warmtetransportbeheerder kan dit doen ineen situatie waarbij geen warmtetransportcapaciteit beschikbaar is vooreen andere partij. Hiervan is sprake in het geval er schaarste is ontstaanop het warmtetransportnet. Op deze manier kan warmtetransportcapa-citeit die partijen vooraf hebben gecontracteerd alsnog beschikbaarkomen hetgeen een efficiënt gebruik van het warmtetransportnet tengoede komt.Artikel 5.18In verband met de handhavende bevoegdheden van de ACM in paragraaf9.2 van het wetsvoorstel is in artikel 5.18 voorgesteld te bepalen dat hetverboden is in strijd te handelen met een voorschrift of beperking die aanbepaalde besluiten op grond van dit hoofdstuk kunnen wordenverbonden. Dit betekent dat de ACM bij overtreding van dit artikel een lastonder dwangsom kan opleggen.Artikel 6.1Warmtebedrijven moeten kunnen inventariseren welke (rest)warmte-bronnen voorhanden zijn en wat daarvan de huidige en verwachtelangjarige capaciteit is. In artikel 6.1, eerste lid, wordt omschreven welkeinformatie restwarmteproducenten verplicht zijn te verstrekken aan eenwarmtebedrijf die een verzoek om die gegevens indient. Het is daarbijvoor beide partijen belangrijk dat er ook tijdig inzicht ontstaat in de reëelte verwachten afname van het restwarmteaanbod, bijvoorbeeld als gevolgvan energiebesparingsverplichtingen.Het tweede lid biedt een grondslag voor het stellen van nadere regels. Hetgaat daarbij om de vereisten waaraan het verzoek dat een warmtebedrijfbij een restwarmteproducent kan indienen, moet voldoen. Daarbij kanworden gedacht aan de eis dat een warmtebedrijf aantoonbaar moetkunnen maken dat het een business case ontwikkelt voor het opererenbinnen de betreffende warmtekavel. Daarnaast worden nadere regelsgesteld over de kenmerken van de productiecapaciteit van restwarmte diede producent van restwarmte minimaal moet verstrekken. Hier vallen inieder geval onder: de temperatuur, het minimale en maximale vermogen,het aanbodprofiel, het debiet en de locatie van de warmte leverendeinstallatie. Tot slot zal de termijn waarbinnen de producent vanrestwarmte deze gegevens moet verstrekken nader worden geregeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3263 Artikel 6.2Eerste lidHet eerste lid verplicht een producent van restwarmte die restwarmteongebruikt loost deze ter beschikking te stellen aan een warmtebedrijfvoor zover die daarom heeft verzocht en indien dit feitelijk mogelijk isgemaakt door aanleg van de benodigde infrastructuur. Ook moet hetwarmtebedrijf de afname en het transport van de restwarmte mogelijkhebben gemaakt door bijvoorbeeld een transportovereenkomst te sluitenmet een warmtetransportnetbeheerder, indien er gebruik wordt gemaaktvan een warmtetransportnet.Tweede en derde lidHet tweede lid omschrijft de zogenaamde uitkoppelkosten die deproducent van restwarmte maakt om de restwarmte beschikbaar tekunnen stellen, welke door het warmtebedrijf moeten worden vergoed.Het gaat hier om de aantoonbare daadwerkelijk gemaakte kosten voor hetrealiseren van de uitkoppeling. De uitkoppelkosten worden in drie typenonderverdeeld.Allereerst betreft het de kosten die redelijkerwijs kunnen wordentoegerekend aan het wijzigen van de restwarmte producerende installatie,voor zover noodzakelijk om de restwarmte te leveren. Hieronder vallenook integrale kosten zoals bijvoorbeeld de engineeringskosten en kapitaal-en financieringskosten die gepaard gaan met de wijziging van derestwarmte producerende installatie. Ten tweede gaat het om de kostenvan de aanleg van leidingen, bijbehorende installaties en overigehulpmiddelen voor het transport van de restwarmte tot aan het warmte-overdrachtsstation. Tot slot vergoedt het warmtebedrijf de jaarlijksterugkerende kosten die de producent van restwarmte maakt ten behoevevan de wijziging van de restwarmte producerende installatie en de aanlegvan leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen. Het gaathier om de zogenaamde operationele kosten zoals verzekeringen,onderhoud, kosten voor pompenergie en andere jaarlijks terugkerendekosten die aantoonbaar gemoeid gaan met het uitkoppelen van derestwarmte. Het zesde lid biedt een grondslag om nadere regels te stellenmet betrekking tot de uitkoppelkosten.Het derde lid is erop gericht dat voor het warmtebedrijf transparant enherleidbaar is hoe de uitkoppelkosten van de restwarmteproducent totstand komen. Het zesde lid biedt een grondslag voor het stellen vannadere regels.Vierde lidHet vierde lid bepaalt dat het warmtebedrijf en de producent vanrestwarmte verplicht zijn voorafgaand aan het ter beschikking stellen vande restwarmte in een overeenkomst vast te leggen hoe, met welkekenmerken, onder welke voorwaarden en tegen welke kosten derestwarmte ter beschikking wordt gesteld.In de overeenkomst moeten in ieder geval afspraken worden vastgelegdover de technische kenmerken van de geleverde warmte. Op grond vanhet zesde lid zullen bij of krachtens algemene maatregel van bestuurnadere regels worden gesteld over de voorwaarden waaronderrestwarmte ter beschikking wordt gesteld. Gedacht kan dan bijvoorbeeldworden aan de (minimale) looptijd waarover de restwarmte met diekenmerken beschikbaar zal worden gemaakt. Ook wordt in het vierde lidgeregeld dat duidelijk in de overeenkomst moet worden vastgelegd watde uitkoppelkosten van de (rest)warmtelevering zijn of hoe de kosten,bedoeld in het tweede lid, worden berekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3264 Het aangewezen warmtebedrijf heeft op grond van artikel 2.12 tot taak deleveringszekerheid te waarborgen. Het warmtebedrijf is verantwoordelijkvoor het garanderen van de leveringszekerheid voor de perioden dat ergeen restwarmte beschikbaar is, bijvoorbeeld tijdens een onderhoudsstopvan het bedrijfsproces van de producent, en moet de daarvoor vereisteinvesteringen doen. Het kan voorkomen dat de restwarmteproducentbereid is om zich aan een meer constante of flexibele warmtelevering tecommitteren of de temperatuur van de geleverde warmte te verhogen,bijvoorbeeld door de bouw of inzet van hulp- of back-upinstallaties op hetterrein van de restwarmteproducent, indien dat bijdraagt aan eenkosteneffectieve exploitatie van het collectieve warmtesysteem door hetwarmtebedrijf. Het staat beide partijen vrij om dergelijke aanvullendeafspraken in de leveringsovereenkomst vast te leggen, inclusief eenredelijke vergoeding voor het leveren van deze additionele warmte. Hetdeel van de geleverde warmte dat restwarmte is blijft immers tegen deuitkoppelkosten ter beschikking van het warmtebedrijf. De «additionelewarmtelevering» wordt op basis van de aanvullende afsprakendoelbewust opgewekt en heeft daarom wél een economische waarde,welke door de twee partijen zal worden bepaald en in de overeenkomstkan worden vastgelegd.Vijfde lidHet vijfde lid beschrijft de uitzonderingsgronden van de verplichting voorde restwarmteproducent om restwarmte te leveren. Deze verplichtingvervalt indien de restwarmteproducent geen toestemming van devergunningverlener krijgt voor het realiseren van de restwarmte-uitkoppeling. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer de emissies vaneen restwarmteproducent ten gevolge van de restwarmte-uitkoppelingzouden veranderen en niet langer binnen de door een omgevingsver-gunning gestelde grenzen vallen.Artikel 6.3In artikel 6.3 is een aantal begripsbepalingen opgenomen die alleengelden voor de artikelen die zien op de garanties van oorsprong.Artikel 6.4Het voorgestelde artikel 6.4, eerste lid, belast de Minister met hetuitgeven, overdragen en innemen via een elektronisch systeem vangaranties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbarebronnen.Het tweede lid bepaalt dat de Minister op aanvraag van een in Nederlandgevestigde producent van thermische energie, warmteleveringsbedrijfvan thermische energie of een handelaar een rekening kan openen waargaranties van oorsprong kunnen worden bij- of afgeschreven. Voor eenproducent van thermische energie geldt dat deze bij de aanvraag en voorelke nieuwe productie-installatie het resultaat dient te overleggen van devaststelling, bedoeld in artikel 6.5, door een meetbedrijf.In het derde lid wordt voorgeschreven dat de Minister op aanvraaggaranties van oorsprong voor thermische energie op een daarbijaangegeven rekening voor garanties van oorsprong boekt, indien een inNederland gevestigde producent van thermische energie bij dezeaanvraag de gegevens omtrent de gemeten hoeveelheid thermischeenergie uit hernieuwbare bronnen overlegt. In de Regeling garanties vanoorsprong en certificaten van oorsprong is uitgewerkt dat de meetge-gevens door een producent van thermische energie worden opgenomenin een meetrapport, dat wordt geverifieerd door een meetverantwoorde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3265 lijke. Dit is van belang om dubbeltellingen te voorkomen (artikel 19,tweede lid, tweede alinea, van richtlijn 2018/2001/EU).Op grond van het vierde lid kan de Minister de taken, bedoeld in heteerste tot en met derde lid, mandateren aan een niet-ondergeschiktepartij. In overeenstemming met artikel 19, vijfde lid, van richtlijn2018/2001/EU moet deze partij onafhankelijk zijn van productie-, handels-en leveringsactiviteiten.Artikel 6.5Het voorgestelde artikel 6.5 wijst aan een meetbedrijf verschillende takentoe die de integriteit en transparantie van het systeem van garanties vanoorsprong moeten garanderen. Het gaat hierbij om de vaststelling van degeschiktheid van de productie-installatie voor de opwekking van, en degeschiktheid van de meetinrichting voor de meting van de thermischeenergie uit hernieuwbare bronnen.Artikel 6.6Het primaire doel van een garantie van oorsprong is het bij uitsluitingaantonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energiegeproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Uit artikel 6.6 volgt dat hetdaarbij niet mogelijk is andere bewijzen dan garanties van oorsprong voorde hernieuwbare oorsprong van de geleverde energie te hanteren. Ditbetekent dat een warmteleveringsbedrijf van thermische energie eenbepaalde hoeveelheid energie enkel als energie uit hernieuwbare bronnenmag leveren als deze beschikt over een hiermee corresponderendehoeveelheid aan garanties van oorsprong.Artikel 6.7Artikel 6.7 stelt voor dat een warmteleveringsbedrijf van thermischeenergie ervoor zorgt dat als bewijs van levering van thermische energieuit hernieuwbare bronnen aan een in Nederland gevestigde verbruikervan thermische energie binnen één maand na de levering een correspon-derende hoeveelheid garanties van oorsprong voor thermische energie uithernieuwbare bronnen van een Nederlandse rekening voor garanties vanoorsprong wordt afgeboekt.Van belang is daarbij om te benadrukken dat de inzet van garanties vanoorsprong voor thermische energie is beperkt door artikel 25a,onderdeel b, van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten vanoorsprong. Garanties van oorsprong voor thermische energie uithernieuwbare energiebronnen dienen slechts als bewijs voor levering aanverbruikers die aan hetzelfde collectieve warmtesysteem zijn aangeslotenals waarop de warmte is ingevoed. Het afboeken is een belangrijkinstrument om te voorkomen dat garanties van oorsprong meerderekeren ingezet worden voor dezelfde hoeveelheid geproduceerdehernieuwbare warmte.Artikel 6.8Artikel 6.8 gaat over de erkenning van garanties van oorsprong uit anderelidstaten en derde landen. Deze regels zijn in lijn met artikel 19, negendeen elfde lid, van richtlijn 2018/2001/EU. In het eerste lid is voorgesteld datgaranties van oorsprong uit andere lidstaten moeten worden erkend alsuitsluitend bewijs voor de levering van hernieuwbare energie inNederland, en wederzijds. Het tweede lid bepaalt dat garanties vanoorsprong uitgegeven door derde landen niet worden erkend, tenzij deEuropese Unie met het betreffende land een overeenkomst heeft geslotenover de wederzijdse erkenning van in de Europese Unie afgegevenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3266 garanties van oorsprong en er verenigbare systemen voor garanties vanoorsprong zijn.Artikel 6.9Het voorgestelde artikel 6.9 voorziet in de wettelijke grondslag voor hetvaststellen van tarieven en nadere regels over garanties van oorsprong bijministeriële regeling. Onder de Warmtewet zijn deze tarieven en regelsuitgewerkt in de Regeling garanties van oorsprong en certificaten vanoorsprong.In het eerste lid wordt bepaald dat bij ministeriële regeling de tarievenworden vastgesteld ter dekking van de kosten die worden gemaakt metbetrekking tot garanties van oorsprong voor thermische energie uithernieuwbare energiebronnen. Ook over het in het artikel 6.9, tweede lid,genoemde kunnen nadere regels worden gesteld. In de ministeriëleregeling wordt onder meer invulling gegeven aan de eisen rondom destandaard hoeveelheid en geldigheidsduur van garanties van oorspronguit artikel 19, tweede tot en met vierde lid, van richtlijn 2018/2001/EU ende eisen aan de informatie die op de garantie van oorsprong moetworden vermeld overeenkomstig artikel 19, zevende lid, van richtlijn2018/2001/EU.Artikel 6.10Artikel 6.10 ziet op de wijziging van de zeggenschap in een installatie vaneen producent van warmte met een vermogen van meer dan 20 MW. Hetkan hierbij bijvoorbeeld gaan om een grote geothermiebron. Eendergelijke wijziging dient op grond van het eerste lid door één van debetrokken partijen aan de Minister gemeld te worden. Wanneer één vande betrokken partijen een melding heeft gedaan, ontslaat dit een anderepartij van de meldingsplicht.Bij zeggenschap gaat het om de mogelijkheid om op grond van feitelijkeof juridische omstandigheden een beslissende invloed uit te oefenen opde activiteiten van een onderneming (artikel 26 van de Mededingingswet).Centraal staat dus of er sprake is het verkrijgen van «beslissende invloed».De Minister kan vervolgens binnen een bij ministeriële regeling te bepalentermijn op grond van overwegingen van openbare veiligheid, deleveringszekerheid of de betrouwbaarheid van een warmtetransportnet dewijziging verbieden of opdragen maatregelen te treffen. Partijen nemendit verbod in acht of volgen in voorkomend geval de opdracht op. Als deMinister niet reageert binnen deze termijn dan kan de voorgenomenwijziging in de zeggenschap doorgang vinden.In het vijfde lid wordt voorgesteld dat rechtshandelingen die in strijd zijnmet de melding, het verbod of de opdracht van de Minister, vernietigbaarzijn. Hierdoor is de melding niet vrijblijvend en kan het niet meldeningrijpende gevolgen hebben.Artikel 7.1Eerste lidArtikel 7.1 regelt welke tarieven door een aangewezen warmtebedrijf tenhoogste in rekening kunnen worden gebracht bij (klein)verbruikers. Bijinwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn de in het eerste lid genoemdetarieven, de tarieven behorende bij fase 1 van de tariefregulering. Derelevante bepalingen voor die fase zijn opgenomen in paragraaf 7.1.2 enspecifiek in artikel 7.2. In deze fase stelt de ACM jaarlijks de maximaletarieven vast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3267 In fase 1 worden deze tarieven berekend op grond van een gecorrigeerdgasreferentietarief of een kostengebaseerd referentietarief inclusief eendoor de ACM vast te stellen redelijk rendement.Wanneer fase 2 van de tariefregulering start en de bijbehorende artikelenin werking treden, zal artikel 7.1, eerste lid, dusdanig worden gewijzigddat het betrekking heeft op de tariefregulering en bijbehorende artikelenzoals van toepassing in fase 2. De relevante bepalingen voor deze fase zijnopgenomen in paragraaf 7.1.3. In die paragraaf is geregeld dat de ACMeen methodebesluit vaststelt waarin de ACM de methode voor hetberekenen van de maximale tarieven of de methode voor het vaststellenvan de tariefformules vaststelt. Jaarlijks stelt ACM in fase 2 een tariefbe-sluit of een tariefformulebesluit vast ter uitvoering van de in het methode-besluit opgenomen methodes. Aangezien fase 2 en de bijbehorendeartikelen (artikelen 7.3 tot en met 7.5) later in werking zullen treden, is inartikel 12.24 van het overgangsrecht opgenomen dat de artikelen waarinde regels over de tariefregulering van fase 2 zijn opgenomen op een bijkoninklijk besluit te bepalen moment in werking zullen treden en datgelijktijdig de wijziging van artikel 7.1, eerste lid, plaats vindt. Op hetzelfdemoment zullen op grond van artikel 12.24, bij koninklijk besluit debepalingen die betrekking hebben op de eerste fase van de tariefregu-lering (artikel 7.2 en de leden van artikel 7.12 die zien op de rendements-toets) komen te vervallen.Bij de overgang naar fase 3 van de tariefregulering zal het eerste lid vanartikel 7.1 dusdanig worden gewijzigd dat het betrekking heeft op detarieven en de methode waarmee deze worden vastgesteld in fase 3. Derelevante bepalingen voor deze fase zijn opgenomen in paragraaf 7.1.4 enspecifiek in de artikelen 7.6 en 7.7. In deze paragraaf is geregeld dat deACM maximale tarieven voor verbruikers vaststelt nadat de beoogde oftoegestane inkomsten van een aangewezen warmtebedrijf zijn bepaald.Fase 3 van de tariefregulering en de artikelen waarin de uitwerkinghiervan is opgenomen, zullen op een later moment bij koninklijk besluit inwerking treden. Op hetzelfde moment zullen op grond van artikel 12.24 debepalingen die betrekking hebben op fase 2 van de tariefregulering komente vervallen (de artikelen 7.3, 7.4, 7.5).In alle fases geldt dat het aangewezen warmtebedrijf, als er in het kadervan de opt out-inventarisatie een aanbod is gedaan op grond vanartikel 2.25, eerste lid, een kleinverbruiker voor de eerste 3 jaar naaanvang van de levering van warmte door middel van de aansluiting vanhet gebouw op een collectieve warmtevoorziening niet een hoger tarief inrekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeld in artikel 2.24,tweede lid. Dit ziet op het maximale tarief dat het warmtebedrijf heeftaangegeven in het aanbod aan de gebouweigenaar bij de opt-outinventarisatie. Hiermee is de verbruiker verzekerd dat hij de eerste driejaar geen hoger tarief hoeft te betalen dan het maximale tarief dat isopgenomen in dit aanbod van het warmtebedrijf. Als het door de ACMvastgestelde maximumtarief lager is, mag het warmtebedrijf niet meer inrekening brengen dan dat tarief. Dit is alleen van toepassing op situatieswaar een opt out-inventarisatie heeft plaatsgevonden. In bestaandesituaties zal hiervan in ieder geval geen sprake zijn en kunnen dus altijd dedoor de ACM vastgestelde maximumtarieven in rekening wordengebracht. Voor de termijn van drie jaar is de aansluiting van het gebouwbepalend, niet de aansluiting van de (klein)verbruiker. Een (klein)ver-bruiker kan immers verhuizen. Dan gaat er niet een nieuwe termijn vandrie jaar gelden voor de nieuwe bewoner van het gebouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3268 Tweede lidHet tweede lid bepaalt voor welke goederen en diensten met betrekkingtot het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 2.12, het warmtebedrijftarieven in rekening mag brengen bij de verbruikers. Dit is een limitatievelijst, waarbij in de lagere regelgeving overige goederen en dienstenkunnen worden uitgewerkt. Het gaat hier onder andere om het transporten de levering warmte en van koude indien de levering van koudenoodzakelijk is voor een efficiënte werking van het collectieve warmte-systeem en het warmtebedrijf om die reden de verbruiker uitsluitend demogelijkheid biedt om warmte in combinatie met koude af te nemen. Ditis koude die een verbruiker verplicht moet afnemen als hij warmteafneemt van het collectieve warmtesysteem. Een dergelijke verplichteafname van koude komt bijvoorbeeld voor bij WKO-systemen. Omdat deverbruiker niet de keuze heeft om geen koude af te nemen, wordt voordeze gevallen ook het tarief voor koude gereguleerd. Het is niet debedoeling dat het aangewezen warmtebedrijf een apart tariefvoorstel aande ACM zendt voor koude. Het tarief voor koude wordt meegenomen inhet tariefvoorstel voor warmte. Verder kan het ook gaan om de afleversetvoor warmte, het aansluiten op en afsluiten van een collectieve warmte-voorziening en de meting van het warmteverbruik.Derde lidHet derde lid bepaalt dat de tarieven non-discriminatoir zijn. Eenaangewezen warmtebedrijf mag geen ongerechtvaardigd onderscheidmaken jegens haar verbruikers. Zij mag niet bepaalde verbruikers eenlager of hoger tarief in rekening brengen dan andere verbruikers, tenzijhet maken van onderscheid gerechtvaardigd is. Denk hierbij bijvoorbeeldaan huurders, wier woningcorporatie bijdraagt aan een deel van de kostenten opzichte van particuliere woningeigenaren waardoor het warmtebe-drijf voor de huurders lagere tarieven in rekening kan brengen.Vierde en vijfde lidHet vierde lid schrijft voor dat het aangewezen warmtebedrijf optransparante wijze de tarieven van de goederen of diensten die wordenaangeboden ten behoeve van de levering van warmte aan verbruikersbekend en openbaar maakt.Door het vijfde lid zullen in afwijking van het eerste lid een aangewezenwarmtebedrijf en een kleinverbruiker overeen kunnen komen dat dekleinverbruiker een tarief in rekening wordt gebracht dat afwijkt van hetmaximale tarief. Hiermee krijgt het warmtebedrijf de mogelijkheid omverschillende pakketten aan te bieden en daarbij bijvoorbeeld variatie aante brengen in de verhouding vaste en variabele tarieven. Voorwaarde isdat het aangewezen warmtebedrijf aantoonbaar een aanbod voor leveringvan warmte heeft gedaan dat in ieder geval de mogelijkheid bevat omwarmte geleverd te krijgen tegen ten hoogste het maximale tarief. Dezemogelijkheid bestaat alleen gedurende de fases waarin de ACM maximaletarieven of tariefformules vaststelt. Zodra de ACM de tariefreguleringsme-thodiek gaat toepassen waarbij zij beoogde of toegestane inkomstenvaststelt en de tariefregulering van fase 3 dus van toepassing is, komtdeze mogelijkheid te vervallen.Artikel 7.2In artikel 7.2 zijn de bepalingen voor de tariefregulering in fase 1opgenomen. Op grond van het eerste lid stelt de ACM jaarlijks demaximale tarieven vast voor de goederen en diensten zoals opgenomenin artikel 7.1, tweede lid. In het tweede lid is voorgesteld dat de tarievenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3269 worden berekend op grond van een gecorrigeerd gasreferentietarief of opgrond van een kostengebaseerd referentietarief inclusief een door deACM vast te stellen redelijk rendement. Bij algemene maatregel vanbestuur wordt bepaald of de ACM de tarieven op grond van een correctieop de gasreferentie of een kostengebaseerd referentietarief berekent. Demethodiek kan verschillen voor de verschillende goederen of diensten,bijvoorbeeld een correctie op de gasreferentie voor de leveringstarievenen een kostengebaseerd referentietarief voor de afleverset of aansluiting.Op grond van het vijfde lid kunnen bij maatregel van bestuur nadereregels worden gesteld over de goederen en diensten genoemd inartikel 7.1, tweede lid, en subcategorieën van deze goederen en diensten.In de uitwerking hiervan kan een nadere subcategorisering van goederenen diensten worden opgenomen, met bijvoorbeeld een onderscheid naaraflevertemperatuur of een onderscheid naar type afleversets waarvoorafzonderlijke maximumtarieven kunnen worden vastgesteld.Artikel 7.3In de artikelen 7.3 tot en met 7.5 zijn de regels over de tariefregulering vanreguleringsfase 2 opgenomen.In artikel 7.3, eerste lid, is voorgesteld dat de ACM gedurende fase 2 vande tariefregulering voor een periode van minimaal 3 jaar en maximaal5 jaar een methodebesluit vaststelt.Uit het tweede lid volgt dat in het methodebesluit de berekeningsmethodevoor de maximale tarieven en een methode voor het vaststellen vantariefformules, waarmee het aangewezen warmtebedrijf zijn maximaletarieven berekent, zijn vastgesteld.In het derde lid zijn de vereisten opgenomen waaraan de methodesmoeten voldoen. De methodes zijn kostengebaseerd inclusief een door deACM vast te stellen redelijk rendement en bevatten een efficiëntieprikkeldie het aangewezen warmtebedrijf stimuleert efficiënte kosten te makendie in het economisch verkeer gebruikelijk zijn. De methodes waarborgeneen betrouwbare, betaalbare en duurzame warmtevoorziening enbevorderen de ontwikkeling van collectieve warmte, met name door in detariefregulering voldoende rekening te houden met investeringszekerheid.De tariefregulering door de ACM dient zich dus niet alleen te richten opconsumentenbescherming, maar ook op het scheppen van investerings-ruimte voor uitbreidingen van collectieve warmtevoorzieningen alsmedeop het voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen door middel van hetverduurzamen van collectieve warmtevoorzieningen.In het vierde lid is opgenomen dat bij of krachtens maatregel van bestuurwordt bepaald of de ACM voor bepaalde goederen en diensten eenmaximum tarief of een tariefformule vaststelt. De berekeningsmethodekan verschillen voor de verschillende goederen en diensten. Er kanbijvoorbeeld een tariefformule worden vastgesteld voor het leverings-tarief terwijl voor het aan- of afsluiten een maximum tarief wordtvastgesteld door de ACM.Het vijfde lid voorziet in de mogelijkheid om verschillende tarieven oftariefformules vast te stellen voor verschillende warmtevoorzieningen,bijvoorbeeld om categorieën van warmtesystemen te maken waarbij voorelke categorie een andere tariefformule van toepassing is. In het zesde lidis opgenomen dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoalsopgenomen in Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbe-reiding van het methodebesluit.Artikel 7.4Artikel 7.4, eerste lid, schrijft de ACM voor dat zij jaarlijks een tariefbesluitvaststelt waarin de verdere invulling is opgenomen voor de methodewaarmee de maximale tarieven worden vastgesteld, bedoeld in artikel 7.3,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3270 tweede lid, onder a. Van dit tariefbesluit wordt mededeling gedaan in deStaatscourant.Artikel 7.5Op grond van artikel 7.5, eerste en tweede lid, worden de tariefformules,bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, onderdeel b, jaarlijks vastgesteld enwordt ook van dit besluit mededeling gedaan in de Staatscourant.Als het aangewezen warmtebedrijf een tariefformule onjuist heefttoegepast, kan de ACM op grond van het derde lid de tarieven corrigeren.Ingevolge het vierde lid wordt deze correctie dan verwerkt in de tarievenvan het eerstvolgende tariefjaar. Dit kan bijvoorbeeld door voor eenspecifieke collectieve warmtevoorziening een aangepaste tariefformulevast te stellen.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnenwelke termijn de ACM de tariefformules moet vaststellen. Hierbij is hetbelangrijk dat de aangewezen warmtebedrijven voldoende tijd hebben omvoor 1 januari de maximumtarieven te kunnen berekenen. Daarnaastkunnen op grond van het vijfde lid in de lagere regelgeving regels wordenopgenomen over de toepassing van de tariefformules door het aange-wezen warmtebedrijf.Artikel 7.6De tariefmethodiek voor fase 3 is opgenomen in paragraaf 7.1.4 en meerspecifiek in de artikelen 7.6 en 7.7.In het eerste lid van artikel 7.6 is opgenomen dat de ACM voor eenperiode van minimaal 3 en maximaal 5 jaar een methodebesluit vaststeltwaarin de methode voor het berekenen van de beoogde of toegestaneinkomsten is opgenomen. De ACM stelt jaarlijks de beoogde of toege-stane inkomsten per warmtebedrijf of per warmtekavel vast.De methode op basis waarvan de beoogde of toegestane inkomstenworden vastgesteld, is ingevolge het derde lid kostengebaseerd inclusiefeen redelijk rendement en bevat een efficiëntieprikkel die het aangewezenwarmtebedrijf stimuleert efficiënte kosten te maken die in het economischverkeer gebruikelijk zijn. Daarnaast waarborgt de methode eenbetrouwbare, betaalbare en duurzame warmtevoorziening en bevordertde methode de ontwikkeling van collectieve warmte. De tariefreguleringvan de ACM dient zich dus niet alleen te richten op de consumentenbe-scherming, maar ook op het scheppen van investeringsruimte vooruitbreidingen van de collectieve warmtevoorziening alsmede op hetbehalen van de duurzaamheidsdoelstellingen door middel van hetverduurzamen van collectieve warmtevoorzieningen.In het vierde lid is geregeld dat de uniforme openbare voorbereidingspro-cedure zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is opde voorbereiding van het methodebesluit.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over de methode en de procedure om te komen tot devaststelling van de beoogde of toegestane inkomsten. Deze regels zal deACM in acht moeten nemen bij het vaststellen van het methodebesluit.Artikel 7.7Gedurende fase 3 zendt een aangewezen warmtebedrijf jaarlijks op een bijministeriële regeling te bepalen moment de ACM een tariefvoorstel. Hettariefvoorstel is non-discriminatoir, gebaseerd op de op grond vanartikel 7.6, tweede lid, vastgestelde beoogde of toegestane inkomsten enbevat een voorstel voor een tarief ten aanzien van de in artikel 7.1, tweedelid, genoemde goederen en diensten. De ACM stelt vervolgens op basisvan het tariefvoorstel jaarlijks de maximale tarieven vast. De ACM toetstTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3271 daarbij of de tarieven zijn gebaseerd op de vastgestelde beoogde oftoegestane inkomsten.Op grond van het vierde lid kan de ACM het warmtebedrijf opdragen ombinnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een tariefvoorstelof een wijziging van het tarief voorstel in te dienen. Van deze bevoegdheidkan de ACM gebruik maken indien de door het warmtebedrijf berekendetarieven onvoldoende zijn gebaseerd op de op grond van artikel 7.6,tweede lid, vastgestelde beoogde of toegestane inkomsten, als hettariefvoorstel is gebaseerd op onjuiste gegevens, als niet voldaan is devereisten zoals opgenomen in de lagere regelgeving of als de tarievendiscriminatoir zijn. De ACM kan de tarieven ambtshalve vaststellen indieneen aangewezen warmtebedrijf niet binnen een bij ministeriële regeling tebepalen termijn een tariefvoorstel of een wijziging van een tariefvoorstelheeft ingediend.De ACM kan op grond van het zesde lid, op verzoek van een aangewezenwarmtebedrijf de tarieven die op grond van het derde lid zijn vastgesteldwijzigen indien het aangewezen warmtebedrijf een nieuw goed of dienstwil aanbieden of een bestaand goed of dienst significant wil wijzigen.De ACM kan, indien zij de tarieven gewijzigd vaststelt naar aanleiding vaneen tariefvoorstel of een wijziging van de tarieven op grond van het vijfdelid, de gewijzigde vaststelling van de tarieven verdisconteren in detarieven voor het eerstvolgende tariefjaar. Het is onwenselijk dat doordeze verdiscontering de efficiëntieprikkel ongedaan zou worden gemaakt.Bij de verdiscontering moet dan ook rekening worden gehouden met hetbehoud van een efficiëntieprikkel bij warmtebedrijven.Het achtste lid gaat in op de situatie dat het methodebesluit bij onherroe-pelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd. De ACM kan de tarieven dan zonodig opnieuw berekenen op basis van het tariefvoorstel, zoalsopgenomen in het derde lid, met inachtneming van de uitspraak. Deuitkomsten van de herberekening verdisconteert de ACM in de tarievenvoor het eerstvolgende moment van vaststelling van de tarieven.Artikel 7.8De ACM stelt ingevolge het eerste lid regulatorische accountingregels vastom aan de hand daarvan de gegevens te verkrijgen die zij nodig heeft omde tariefregulering vorm te geven. Indien het aangewezen warmtebedrijfeen warmte joint-venture is, zullen deze regulatorische accountingregelsvan toepassing zijn op alle leden van de warmte joint-venture.De ACM kan een aangewezen warmtebedrijf of de groep waartoe hetbehoort verzoeken om informatie op grond van de boekhoudkundigeregels te verstrekken. De ACM heeft de bevoegdheid om ook de infor-matie op te vragen bij de groep waartoe het warmtebedrijf behoort,omdat in veel gevallen het aangewezen warmtebedrijf diensten ofgoederen zal inkopen bij andere bedrijven die tot dezelfde groep behoren.Om de tarieven die hiervoor intern worden berekend te kunnen beoor-delen, zal de ACM inzicht moeten krijgen in de kosten van de anderebedrijven binnen dezelfde groep. Om de verdere uitwerking van detariefregulering in ook de verdere fases voor te kunnen bereiden, heeft deACM de mogelijkheid om de benodigde gegevens ook vooruitlopend opde volgende fase uit te kunnen vragen. Gedurende de periode waarin ersprake is van tariefregulering fase 1 kan de ACM bijvoorbeeld ominformatie vragen die zij nodig heeft om tarieven en tariefformules infase 2 vast te kunnen stellen. Het aangewezen warmtebedrijf verstrekt deinformatie binnen de in het verzoek gestelde termijn. De ACM kanverzoeken dat de informatie gecontroleerd is door een registeraccountant.Indien het aangewezen warmtebedrijf een warmte joint-venture is, moetde warmte joint-venture ervoor zorgen dat de verzochte informatie tenaanzien van zowel het warmtenetbedrijf als warmteleveringsbedrijf aan deACM wordt verstrekt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3272 Artikel 7.9Het toepassen van bovengenoemde regulatorische accountingregelsvereist tevens dat aangewezen warmtebedrijven hun interne organisatie,in het bijzonder hun boekhouding, hierop hebben aangepast zodat dejuiste informatie aangeleverd kan worden. Met het oog hierop is inartikel 7.9 voorgeschreven dat aangewezen warmtebedrijven eenafzonderlijke boekhouding voeren voor de uitvoering van de taken,bedoeld in artikel 2.12. Over de afzonderlijke boekhouding kunnen bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.Artikel 7.10In dit artikel zijn transparantiebepalingen opgenomen. Transparantie overhoe de tarieven zijn berekend en op welke kosten van welke collectievewarmtevoorzieningen deze zijn gebaseerd, biedt verbruikers inzicht in dekosten zijn van de collectieve warmtevoorziening waar zij op aangeslotenzijn.In het eerste lid is opgenomen dat het aangewezen warmtebedrijf jaarlijksde berekening van de tarieven voor de goederen en diensten openbaarmaakt, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Openbaar-making kan door het publiceren van de tarieven en de berekening op dewebsite van het aangewezen warmtebedrijf. Daarnaast dient het warmte-bedrijf jaarlijks een afschrift van de berekening van deze tarieven aan deACM te verstrekken. Het warmtebedrijf dient hierbij alle gegevens dieonderdeel uitmaken van deze berekening, dus ook de bedrijfsvertrouwe-lijke gegevens, te verstrekken. De ACM heeft dergelijke gegevens nodigom haar rol als toezichthouder te kunnen uitoefenen. De ACM houdt ooktoezicht op de openbaarmaking van de tarieven.In het derde lid is opgenomen dat de ACM de berekening van hetkostengebaseerde referentietarief inclusief het redelijke rendementopenbaar maakt, voor zover het geen bedrijfsvertrouwelijke gegevensbetreft.Het vierde lid regelt dat de ACM alle gegevens die ze verzamelt tenbehoeve van tariefregulering, kan publiceren in een marktmonitor voorzover het geen bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Een dergelijkemonitor kan bijvoorbeeld informatie bevatten over tarieven, aantalaansluitingen, volumes van geleverde warmte, gebruikte warmtebronnen,leeftijd van warmtenetten of kosten van aangewezen warmtebedrijven.Artikel 7.11De door de ACM vastgestelde tarieven en tariefformules treden in werkingop een door de ACM te bepalen datum en gelden tot 1 januari van het jaarvolgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststellingvan de tarieven en tariefformules. Deze bepaling strekt ertoe dat wanneerop 1 januari de tarieven of tariefformules voor dat jaar nog niet door deACM zijn vastgesteld, de laatst vastgestelde tarieven of tariefformulesblijven gelden tot de datum van inwerkingtreding van het besluit totvaststelling van de tarieven of tariefformules voor het volgende jaar.Daarbij verdisconteert de ACM de te late vaststelling van de tarieven in detarieven of tariefformules voor het eerstvolgende jaar.Artikel 7.12Op grond van het eerste lid verzamelt, analyseert en bewerkt de ACMinlichtingen en gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van derendementen in de warmtesector en brengt de ACM tweejaarlijks eenrendementsmonitor uit en daarmee een verslag uit van de monitoring aande Minister. Het tweede lid geeft de ACM de bevoegdheid om eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3273 rendementstoets uit te voeren. Deze bevoegdheid komt te vervallen zodrafase 2 van de tariefregulering ingaat. Indien uit de rendementstoets blijktdat het rendement van een aangewezen warmtebedrijf op al zijn warmte-kavels gezamenlijk hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijkrendement, kan de ACM op grond van het derde lid het meer dan redelijkbehaalde rendement laten verdisconteren in de toekomstige tarieven vandat aangewezen warmtebedrijf.Op grond van het vierde lid stelt de ACM beleidsregels vast metbetrekking tot onder andere de uitvoering van de rendementstoets. DeACM maakt de rendementen per aangewezen warmtebedrijf openbaar.Artikel 7.13In dit artikel zijn verschillende situaties opgenomen waarin de ACM detarieven die zullen gelden in een bepaald jaar kan corrigeren. Dit kan deACM doen als de tarieven die golden in het jaar of in de jaren vooraf-gaand aan dat jaar bij rechterlijke uitspraak zijn gewijzigd. Daarnaast magde ACM de tarieven corrigeren als de tarieven in het voorgaande jaar ofde voorgaande jaren zijn vastgesteld op basis van onjuiste of onvolledigegegevens. Voorwaarde is wel dat de tarieven in aanmerkelijke matezouden afwijken van de vastgestelde tarieven als de ACM over de juistegegevens had beschikt. Ten slotte kunnen de tarieven met terugwerkendekracht worden gecorrigeerd als ze zijn berekend met gebruikmaking vangeschatte gegevens en de feitelijk gerealiseerde gegevens daarvanafwijken.Artikel 7.14In dit artikel zijn de regels over de tariefregulering voor grootverbruikersopgenomen. Dit artikel en artikel 7.20, waarin de tariefregulering isopgenomen voor grootgebruikers die zijn aangesloten op een kleincollectief warmtesysteem, treden niet gelijktijdig met de overige artikelenin hoofdstuk 7 van dit wetsvoorstel in werking. De tariefregulering voorhet transport en de levering van warmte aan grootverbruikers loopt nietsynchroon met de tariefregulering voor kleinverbruikers. De tarieven voorhet transport en de levering van warmte aan grootverbruikers zullen nogniet gereguleerd worden tijdens fase 1 van de tariefregulering. Hiervoor isgekozen, omdat op grond van de Warmtewet ook geen maximumprijs opbasis van de gasreferentie werd vastgesteld voor grootverbruikers.Gedurende de eerste fase van de tariefregulering op grond van ditwetsvoorstel zijn warmtebedrijven dus nog vrij om zelf tarieven vast testellen voor hun grootverbruikers. Vaak komen deze tarieven door middelvan onderhandeling met de grootverbruiker tot stand. Pas als er voor dekleinverbruikers een maximum tarief voor transport en levering op basisvan een kostengebaseerd tarief of een kostengebaseerde tariefformule(fase 2) wordt vastgesteld door de ACM, kunnen ook de artikelen metdaarin opgenomen de tariefregulering voor grootverbruikers in werkingtreden. Als de artikelen 7.14 en 7.20 in werking zijn getreden, zal de ACMook maximumtarieven of tariefformules voor grootverbruikers vaststellenop basis van dezelfde tariefmethodiek. Mocht de ACM al eerder anderetarieven voor kleinverbruikers op basis van kostengebaseerde referentie-tarieven vaststellen, zoals bijvoorbeeld het maximumtarief voorafleversets, dan vormt dat nog geen aanleiding om ook die tarieven voorde grootverbruikers te reguleren. Zoals aangegeven in hoofdstuk 8 van dealgemene toelichting is het niet vanzelfsprekend om de grootverbruikers-tarieven meteen te reguleren zodra fase 2 van de tariefregulering inwerking treedt. De artikelen 7.14 en 7.20 zullen daarom op een latermoment gedurende de uitvoering van fase 2 van de tariefregulering bijkoninklijk besluit in werking treden. Hiervoor zal gekozen worden op hetmoment dat de ACM voldoende inzicht heeft opgebouwd in de productenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3274 en diensten die grootverbruikers afnemen en de kosten die daarmeegemoeid zijn. Vanaf het moment dat de artikelen in werking getreden zijn,stelt de ACM op grond van het eerste lid de tarieven of tariefformulesvoor grootverbruikers, overeenkomstig de artikelen 7.3 tot en met 7.5,vast. Dit gebeurt niet gelijktijdig met de start van fase 2 van de tariefregu-lering voor kleinverbruikers, omdat het in het begin van fase 2, als dekostengebaseerde referentietarieven of tariefformules naar verwachtingnog minder fijnmazig zijn, bijzonder complex kan zijn om afdoendedifferentiatie in de verschillende tarieven aan te brengen en op die manierrekening te kunnen houden met de diversiteit van de warmtelevering aangrootverbruikers.Uit het vierde lid volgt dat grootverbruikers die zorgdragen voor dedoorlevering van warmte aan hun huurders of VvE-leden niet onder dezebepaling vallen. Voor deze doorleverende grootverbruikers worden apartetarieven vastgesteld op grond van artikel 7.23.Artikel 7.15 tot en met 7.19Voor warmtebedrijven die een klein collectief warmtesysteem exploiterengeldt dezelfde tariefmethodiek als voor aangewezen warmtebedrijven metals belangrijk verschil dat bij kleine collectieve warmte systemen nooit defase zal worden bereikt waarin de tarieven op basis van toegestaneinkomsten (fase 3) zullen worden vastgesteld. Een dergelijke fijnmazigemanier van tariefregulering zal namelijk leiden tot te hoge administratievelasten voor het warmtebedrijf met een klein collectief warmtesysteem envoor de ACM vanwege de grote hoeveelheid kleine collectieve warmtesys-temen. De artikelen 7.15 tot en met 7.19 zijn dan ook vrijwel gelijk aan deartikelen 7.2 tot en met 7.5, met dien verstande dat de artikelen die zien opde kleine collectieve warmtesystemen niet komen te vervallen bijkoninklijk besluit wanneer de tariefregulering voor de aangewezenwarmtebedrijven over gaat op fase 3. De overstap naar fase 3 van detariefregulering zal immers niet worden gemaakt.In het zevende lid van artikel 7.15 is geregeld dat de ACM regulatorischeaccountingregels kan opstellen die specifiek zien op een klein collectiefwarmtesysteem. Dit biedt de mogelijkheid om de administratieve lastenvan warmtebedrijven met een klein collectief warmtesysteem te verlagen.Artikel 7.20In artikel 7.20 zijn de regels opgenomen voor de vaststelling van detarieven voor grootverbruikers met een aansluiting op een klein collectiefwarmtesysteem. Zoals ook hiervoor bij de toelichting op artikel 7.14 isbesproken, treedt ook dit artikel op een later moment in werking.Artikel 7.21In artikel 7.21 is een vergelijkbare bepaling opgenomen als in artikel 7.12.Voor een toelichting wordt naar de toelichting op artikel 7.12 verwezen.Artikel 7.22In artikel 7.22 is de tariefregulering opgenomen voor de levering vanwarmte door een warmtebedrijf aan maximaal 10 kleinverbruikers. Heteerste lid regelt dat het warmtebedrijf aan deze kleinverbruikers voor delevering van warmte tarieven in rekening kan brengen die zijn vastgesteldmet inachtneming van een vooraf door hem opgestelde berekeningsme-thode. De tarieven zijn kostengebaseerd en reflecteren de werkelijkekosten (tweede lid) van het warmtebedrijf. De berekeningsmethode en detarieven zijn transparant, non-discriminatoir en gaan uit van een redelijkrendement.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3275 De ACM toetst op grond van het derde lid op verzoek van degene dietarieven in rekening gebracht krijgt of de berekeningsmethode en detarieven in overeenstemming met het tweede lid zijn vastgesteld. De ACMpast de berekeningsmethode of tarieven aan indien de berekeningsme-thode of de tarieven niet voldoen aan de in het tweede lid genoemdecriteria.Artikel 7.23In artikel 7.23 is opgenomen dat de artikelen 7.1, 7.2, 7.15 en 7.16 vanovereenkomstige toepassing zijn op het transport en de levering vanwarmte aan grootverbruikers die zorgdragen voor de doorlevering vanwarmte, bedoeld in artikel 1.1. Deze artikelen worden van overeenkom-stige toepassing verklaard op het transport en de levering van warmte vaneen aangewezen warmtebedrijf aan een verhuurder of een VvE of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte afneemt van een collec-tieve warmtevoorziening en warmte doorlevert aan zijn huurder,respectievelijk de leden van de VvE of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm.De ACM zal, met gebruikmaking van tariefsystematiek voor het transporten de levering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf aankleinverbruikers, tarieven vaststellen voor het transport en de levering vanwarmte aan VvE’s en verhuurders, welke zij kunnen doorberekenen aanhun leden respectievelijk huurders. De variabele leveringstarieven zullenin ieder geval gelijk zijn aan de variabele leveringstarieven van kleinver-bruikers. Bij de berekening van de vaste tarieven, de aansluitkosten eneen collectieve afleverset, zal rekening gehouden worden met de grotereschaal van doorleverende warmtebedrijven ten opzichte van kleinver-bruikers. Uitgangspunt hierbij is dat de tarieven voor huurders en ledenvan een VvE gelijk getrokken worden met de tarieven voor kleinver-bruikers.Artikel 7.24In het eerste lid van artikel 7.24 is opgenomen dat een warmtetransport-beheerder voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerstelid, ten hoogste de tarieven in rekening brengt voor het transport vanwarmte die op grond van artikel 7.26, vierde lid, door de ACM zijnvastgesteld.Het tweede lid bepaalt dat de tarieven non-discriminatoir zijn. Dewarmtetransportbeheerder mag geen ongerechtvaardigd onderscheidmaken jegens haar verbruikers.In het derde lid is voorgesteld dat de warmtetransportbeheerder optransparante wijze de tarieven van de goederen of diensten die wordenaangeboden ten behoeve van het transport van warmte bekend maakt. Optransparante wijze wil zeggen dat de warmtetransportbeheerder detarieven openbaar maakt, bijvoorbeeld op haar website.Artikel 7.25Op grond van artikel 7.25 stelt de ACM de toegestane inkomsten voor eentransportreguleringsperiode van minimaal 1 en maximaal 5 jaar, op basisvan een door haar in een methodebesluit bepaalde methode, de toege-stane warmtetransportinkomsten vast. De transportreguleringsperiode isvan toepassing voor alle warmtetransportbeheerders die zijn aangewezen.De gekozen bandbreedte geeft onder meer de mogelijkheid om te kiezenvoor een transportreguleringsperiode die passend is bij de ontwikke-lingsfase van één of meerdere warmtetransportnetten.Het tweede lid maakt het mogelijk om gedurende een reguleringsperiodedeze periode te wijzigen bij een significante en onvoorziene wijziging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3276 de kosten van het transport van warmte die niet aan een warmtetransport-beheerder is toe te rekenen. Hierbij moet gedacht worden aan eenernstige crisis die alle warmtebedrijven raakt, zoals een pandemie, oorlogof ernstige economische crisis. De verkorting van de reguleringsperiodegeldt dan voor alle warmtetransportbeheerders die zijn aangewezen.Het derde lid bepaalt dat de methode op basis waarvan de toegestanewarmtetransportinkomsten worden vastgesteld kostengebaseerd isinclusief een redelijk rendement en een efficiëntieprikkel bevat die dewarmtetransportbeheerder stimuleert efficiënte kosten te maken die in heteconomisch verkeer gebruikelijk zijn. Deze prikkel om efficiënt te werken isbedoeld om de betaalbaarheid van de transportdiensten te bevorderen.Anders dan bij de tariefregulering voor de levering van warmte van eenaangewezen warmtebedrijf geldt dat de tarieven vanaf de inwerking-treding van de wet worden vastgesteld op basis van toegestaneinkomsten.Het vierde bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op devoorbereiding van het methodebesluit. Er is daardoor geen mogelijkheidom een bezwaar in te dienen. Beroep in eerste aanleg kan wordeningesteld bij het CBb.Op grond van het vijfde lid stelt de ACM voorafgaand aan het eerste jaarvan een reguleringsperiode met inachtneming van het methodebesluit detoegestane warmtetransportinkomsten vast.Artikel 7.26In artikel 7.26 wordt de procedure voor het voor het indienen van eentransporttariefvoorstel door de ACM voorgeschreven. In het eerste lidwordt bepaald dat een warmtetransportbeheerder de ACM maximaal eenkeer per jaar en minimaal een keer in de vijf jaar voor een bij ministeriëleregeling te bepalen moment een transporttariefvoorstel zendt.Het tweede lid schrijft voor dat het transporttariefvoorstelnon-discriminatoir dient te zijn, waarbij geldt dat er geen ongerecht-vaardigd onderscheid mag worden gemaakt jegens haar afnemers.Tevens dient het gebaseerd te zijn op de op grond van artikel 7.25, vijfdelid, vastgestelde toegestane warmtetransportinkomsten.Op grond van het derde lid kunnen tarieven verschillend wordenvastgesteld voor verschillende categorieën op een warmtetransportnetaangesloten partijen indien dit gerechtvaardigd is door een verschil inkosten of risico’s voor het warmtetransportsysteem. Meer specifiek gaathet hier om het vaststellen van verschillende tarieven en voorwaardenvoor klanten die in een vroeg stadium commitment afgeven voor een nogaan te leggen warmtetransportnet of bij een warmtetransportnetbehorende nieuw aan te leggen leidingonderdelen. Het risico dat hetbeoogde warmtetransportnet of bij een warmtetransportnet behorendenieuw aan te leggen leidingonderdelen uiteindelijk niet tijdig of volledigbenut worden, wordt daar immers mee verkleind, waardoor ook de kostenvan het systeem afnemen. De tariefdifferentiatie is dus gebaseerd opobjectief te verklaren kostenverschillen.Het vierde lid schrijft voor dat de ACM op basis van het transporttarief-voorstel de maximale tarieven vaststelt. De ACM toetst bij het vaststellenvan de maximale tarieven of deze gebaseerd zijn op de vastgesteldetoegestane warmtetransportinkomsten bedoeld in artikel 7.25, vijfde lid,en eventuele inkomsten verkregen door een warmtetransportbeheerderuit subsidie of bijdragen van derden.Op grond van het vijfde lid kan de ACM een warmtetransportbeheerderopdragen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn eentransporttariefvoorstel of een wijziging van een transporttariefvoorstel inte dienen. In de eerste plaats in geval de tarieven onvoldoende zijngebaseerd op de op grond van artikel 7.25, vijfde lid, vastgesteldetoegestane warmtetransportinkomsten en in de tweede plaats ingeval hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3277 transporttariefvoorstel op basis waarvan de tarieven op grond van hetvierde lid zijn vastgesteld is gebaseerd op onjuiste gegevens.De ACM kan op grond van het zesde lid op verzoek van een warmtetrans-portbeheerder de tarieven die op grond van het vierde lid zijn vastgesteldwijzigen indien de warmtetransportbeheerder een nieuw goed of dienstwil aanbieden of een bestaand goed of dienst significant wil wijzigen.In het zevende lid is voorgesteld dat de ACM, indien de ACM de tarievengewijzigd vaststelt naar aanleiding van een transporttariefvoorstel alsbedoeld in het vijfde lid of een wijziging van de tarieven op grond van hetzesde lid, de gewijzigde vaststelling van de tarieven verdisconteert in detarieven bij het eerstvolgende transporttariefvoorstel.Uit het achtste lid volgt dat, indien een transporttariefvoorstel door eenwarmtetransportbeheerder niet binnen de termijn, bedoeld in het eerstelid, aan de ACM is gezonden, de tarieven gelden die reeds zijn vastgesteldvoor het voorafgaande jaar totdat de ACM op grond van het vierde lid detarieven voor het volgende jaar heeft vastgesteld. Daarbij verdisconteertde ACM de te late vaststelling van de tarieven in de tarieven voor hetvolgende jaar. Overcompensatie die door de warmtetransportbeheerder isontvangen, wordt dus verrekend in het nieuwe transporttariefvoorstel.Het negende lid regelt dat indien het methodebesluit bij onherroepelijkerechterlijke uitspraak is vernietigd, de ACM zo nodig de tarieven op grondvan het vierde lid herberekent met inachtneming van die uitspraak. Deuitkomsten van de herberekening verdisconteert de ACM in de tarievenvoor het volgende jaar.Artikel 7.27In het eerste lid van artikel 7.27 is opgenomen dat de ACM regulatorischeaccountingregels kan vaststellen voor de transportreguleringsperiodewaardoor inzicht verkregen kan worden in de daadwerkelijke kostengemaakt door de warmtetransportbeheerder. Deze regels zijn bedoeld omde ACM in staat te stellen effectief toezicht te houden op de tarieven diedoor één of meerdere warmtetransportbeheerders worden gehanteerd.Het tweede lid bepaalt dat de ACM een warmtetransportbeheerder kanverzoeken informatie op grond van de regulatorische accountingregels teverstrekken. De warmtetransportbeheerder verstrekt de informatie binnende in het verzoek gestelde termijn. Het derde lid schrijft voor dat dezeinformatie gecontroleerd wordt door een registeraccountant indien deACM daar om verzoekt.Artikel 7.28In artikel 7.28 is de verplichting opgenomen dat de warmtetransportbe-heerder een afzonderlijke boekhouding voert voor de uitvoering van detaken, bedoeld in artikel 5.6. Er hoeft geen afzonderlijke boekhouding perafzonderlijk taak te worden ingericht.Artikel 8.1Artikel 8.1 geeft de Minister en het college de bevoegdheid van een iedergegevens of inlichtingen te verlangen die redelijkerwijs nodig zijn voor deuitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegd-heden. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om gegevens en informatie dienodig zijn in verband met de toezichtsbevoegdheden. In het verzoek kaneen termijn gesteld worden. Degene aan wie het verzoek is gericht isvervolgens verplicht de gegevens of inlichtingen binnen de gesteldetermijn te verstrekken en medewerking te verlenen die de Minister of hetcollege redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van hun bevoegd-heden. Het vierde lid waarborgt ten slotte dat de gegevens of inlichtingenwelke zijn verkregen bij werkzaamheden ten behoeve van de uitvoeringTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3278 van een bevoegdheid uitsluitend voor de uitoefening van die bevoegdheidgebruikt mogen worden.De ACM is in dit artikel niet genoemd omdat de ACM reeds op grond vanartikel 6b van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt debevoegdheid heeft de benodigde gegevens of inlichtingen van een iederte vragen.Artikel 8.2Artikel 8.2 geeft regels voor de verwerking van persoonsgegevens. DeMinister, de ACM en het college kunnen uitsluitend persoonsgegevensverwerken voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hunbevoegdheden. Het gaat hier bijvoorbeeld om persoonsgegevensverkregen door de uitoefening van toezichtsbevoegdheden.Het tweede lid regelt dat warmtebedrijven persoonsgegevens kanverwerken indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van taken enverplichtingen op grond van dit wetsvoorstel. Het zal hier bijvoorbeeldgaan om de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deregeling in artikel 2.25. Om gebouweigenaren een aanbod te kunnen doenom aangesloten te worden op een collectieve warmtevoorziening zal hetwarmtebedrijf op grond van artikel 2.24, derde lid, in het bezit komen vannaam en adresgegevens van gebouweigenaren.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal de maximalebewaartermijn van de persoonsgegevens worden bepaald. Deze termijnzal voor de verschillende situaties anders kunnen zijn.Artikel 9.1Het toezicht op de naleving van deze wet is gedeeltelijk belegd bij de ACMen gedeeltelijk bij het college van de gemeente waar de collectievewarmtevoorziening zich bevindt.Voorgesteld is de ACM te belasten met het toezicht op de naleving van dein artikel 9.1, eerste lid, opgesomde bepalingen. Het toezicht van de ACMricht zich met name op de uitvoering van de taken van warmtebedrijvenen warmtetransportbeheerders en de verplichtingen ten aanzien van delevering van warmte, leveringszekerheid, duurzaamheid, betrouwbaarheidvan het warmtetransport en tariefregulering. De toezichthoudende takenvan de ACM moeten in relatie worden gelezen met de InstellingswetAutoriteit Consument en Markt. Zo bepaalt artikel 12a van die wet dat methet toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijnopgedragen aan de ACM, de bij besluit van de ACM aangewezenambtenaren zijn belast. Ook bevat de Instellingswet Autoriteit Consumenten Markt toezichthoudende bevoegdheden, zoals de bevoegdheid eenbindende aanwijzing op te leggen ingevolge artikel 12j van de Instel-lingswet Autoriteit Consument en Markt.Het college zal worden belast met het toezicht op de naleving van de inartikel 9.1, tweede lid, genoemde bepalingen. Het toezicht van collegericht zich op het verbod van artikel 1.2, eerste lid, om warmte te transpor-teren of te leveren zonder aanwijzing van een warmtebedrijf of warmte tetransporteren zonder aanwijzing van een warmtetransportbeheerder.Daarnaast houdt het college toezicht op de naleving van de voorschriftenen beperkingen die zijn verbonden aan onder meer de aanwijzing,instemming met een uitgewerkt kavelplan en ontheffingen op grond vande hoofdstukken 3 en 4.Artikel 9.2In artikel 9.2 is zowel de ACM als het college de bevoegdheid gegeven eenbindende gedragslijn op te leggen in verband met de naleving van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3279 artikelen waarop zij toezicht houden. In artikel 1.1 is een definitieopgenomen van het begrip bindende gedragslijn.Naast een bindende gedragslijn kan de ACM ingevolge artikel 12j van deInstellingswet Autoriteit Consument en Markt ook een bindendeaanwijzing opleggen. Het verschil tussen een bindende gedragslijn en eenbindende aanwijzing is dat bij een bindende gedragslijn geen sprake hoeftte zijn van een vastgestelde overtreding maar bij een bindende aanwijzingwel. Door het opleggen van een bindende gedragslijn kunnen aan eenwarmtebedrijf verplichtingen worden opgelegd om bepaalde handelingente verrichten ter naleving van de wettelijke voorschriften. Beide zijn eenlast in de zin van artikel 5.2 van de Awb.Artikel 9.3Eerste lidArtikel 9.3 geeft de ACM, het college en de Minister de mogelijkheid ombestuursrechtelijk te handhaven door middel van het opleggen van lastonder dwangsom. Deze bevoegdheid is van toepassing op alle artikelenwaar het college of de ACM toezicht op de naleving is opgedragen. Dithandhavingsinstrument kan worden ingezet als het niet voor de hand ligteen bestuurlijke boete op te leggen, omdat het oogmerk hier is deovertreder te dwingen de noodzakelijke handeling te verrichten dan welgedragingen te stoppen. Door het opleggen van een dwangsom wordt hetsteeds kostbaarder om niet aan de wettelijke verplichtingen te voldoen,terwijl het instrument van de last het voor de ACM of het college mogelijkmaakt om gericht aan te geven welke gedraging de overtreder moetverrichten of juist stopzetten.Op grond van het eerste lid heeft de ACM de bevoegdheid een last onderdwangsom op te leggen indien het aangewezen warmtebedrijf een bij ofkrachtens artikel 2.20 gestelde norm overschrijdt. Doel van deze last onderdwangsom is te bewerkstelligen dat het aangewezen warmtebedrijf denorm het jaar daarna wel in acht neemt en herhaling van de overtredingte voorkomen.Tweede lidIn het tweede lid is een specifieke bepaling opgenomen ten aanzien vandeze bevoegdheid van de ACM. Met deze bepaling wordt beoogd eenongewenste stapeling van deze handhavingsbesluiten te voorkomen.Voorgesteld is dat het eerste lid alleen van toepassing is op de eersteoverschrijding van de duurzaamheidsnorm en niet op een overschrijdinggedurende vijf jaren na deze eerste overschrijding tenzij de overtrederinmiddels weer voldoet aan de van toepassing zijnde duurzaamheids-normen. Dit lid voorkomt dat jaarlijks en meerdere keren een last onderdwangsom opgelegd kan worden. Indien bijvoorbeeld in jaar t+1 de normvan jaar t=0 en jaar t+1 overschreden wordt, is het mogelijk een last onderdwangsom op te leggen ten aanzien van de overtreding van het jaar t=0maar niet ten aanzien van de overtreding van de norm van het jaar t=1 toten met t=5. Met de zinssnede «tenzij de overtreder inmiddels weer voldoetaan de normen, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid» is duidelijk gemaakt dathet tweede lid niet van toepassing is indien de overtreder inmiddels weervoldoet aan alle geldende duurzaamheidsnormen. Als opnieuw eenovertreding van de norm plaats vindt dan heeft de ACM wederom debevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen. Indien eenaangewezen warmtebedrijf voor het jaar t=0 de norm overschrijdt, voorhet jaar t=1 weer voldoet aan de norm maar voor het jaar t=3 de normwederom overschrijdt, dan kan de ACM voor de overtreding in het jaar t=3een last onder dwangsom opleggen. Ook zal de ACM dan weer deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3280 mogelijkheid hebben om een bestuurlijke boete op grond van artikel 9.4,eerste lid, op te leggen.In de situatie dat handhavend optreden niet leidt tot in achtneming van deduurzaamheidsnorm bestaat ten slotte de mogelijkheid dat de ACM aaneen college meldt dat de ACM heeft vastgesteld dat het aangewezenwarmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm nogsteeds meer broeikasgassen uitstoot dan toegestaan en dat er grond is deaanwijzing in te trekken. Op grond van artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a,is het college vervolgens gehouden de aanwijzing in te trekken.Artikel 9.4In artikel 9.4 is aangegeven in welke gevallen de ACM, het college en deMinister de bevoegdheid hebben een bestuurlijke boete op te leggen. Hetbetreft hier onder meer de artikelen waarin taken of verplichtingen zijnopgelegd of opdrachten zijn gegeven die in acht genomen moetenworden of moeten worden uitgevoerd. De overtreder kan een bestuurlijkeboete worden opgelegd. De maximale hoogte van de boete wordtgespecificeerd per overtreding. Voor de meeste artikelen is het voorstelten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie,bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indiendat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder tehanteren. Voor het overtreden van de artikelen 1.2 en 2.20 is het voorsteleen bestuurlijke boete van maximaal dezelfde categorie in het Wetboekvan Strafrecht zoals hiervoor genoemd of, indien dat meer is, ten hoogste10% van de omzet van de overtreder. De differentiatie van boetecatego-rieën is in lijn met de Energiewet. Er wordt vanuit gegaan dat de ACM, hetcollege en de Minister bij het vaststellen van de hoogte van de bestuur-lijke boete voor de overtreding rekening houden met de aard en ernst vande overtreding in de specifieke situatie. Een bestuurlijke boete wordt nietvoorgesteld daar waar andere mechanismen naleving bevorderen,bijvoorbeeld de mogelijkheid om een aanwijzing of ontheffing in tetrekken of, met name als het gaat om consumentenbescherming, decivielrechtelijke rechtsgang te volgen.Op grond van het tweede lid heeft de ACM de bevoegdheid een bestuur-lijke boete op te leggen indien het aangewezen warmtebedrijf een bij ofkrachtens artikel 2.20 gestelde norm overschrijdt. Het derde lid bevatspecifieke regels ten aanzien van deze bevoegdheid. Het betreft hier eenvergelijkbare bepaling als artikel 9.3, tweede lid. Voor een toelichtingwordt verwezen naar de toelichting bij artikel 9.3.Artikel 9.5Ook al is een warmtebedrijf integraal verantwoordelijk voor de leverings-zekerheid, er kunnen zich situaties voordoen dat ingrijpen bij hetwarmtebedrijf onvoldoende is om de leveringszekerheid te borgen.Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat eenproducent niet langer zijn contractuele verplichtingen nakomt om warmtebeschikbaar te stellen aan het warmtebedrijf. Artikel 9.5, eerste lid,voorziet daarom in de bevoegdheid voor de ACM om ook een ander danhet warmtebedrijf die redelijkerwijs een bijdrage kan leveren aan hetborgen van de leveringszekerheid, op te dragen maatregelen te treffen. Ditkan alleen in de situatie dat de opdracht noodzakelijk is om de leverings-zekerheid te borgen en als het niet mogelijk is deze te borgen door hetwarmtebedrijf op grond van artikel 2.13, derde lid, een opdracht te geven.Op grond van het eerste lid kan de ACM ook een ander warmtebedrijf danhet aangewezen warmtebedrijf of het warmtebedrijf met een ontheffingop grond van artikel 3.1 opdragen als noodwarmtebedrijf op te treden. Alsde ACM oordeelt dat het belang van leveringszekerheid noodzaakt tot eensnel optreden kan als ultimum remedium (als een opdracht op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3281 artikel 2.13 aan het warmtebedrijf ook niet effectief is) een noodwarmtebe-drijf worden aangesteld. Het andere warmtebedrijf zal dan opgedragenworden de leveringstaak van het warmtebedrijf over te nemen. Dit kannoodzakelijk zijn in een situatie dat het warmtebedrijf de levering vanwarmte niet meer kan garanderen en dit overeenkomstig artikel 2.13,eerste lid, heeft gemeld bij de ACM of het college dan wel de ACM diteigenstandig heeft geconstateerd. Het kan dan gaan om een situatie vansurséance van betaling dan wel faillissement van het warmtebedrijf,waarbij naar alle waarschijnlijkheid de aanwijzing of de ontheffing zalworden ingetrokken op grond van artikel 2.9 respectievelijk artikel 3.3.Uit het derde lid volgt dat een ieder verplicht is de opdracht uit te voerenen daarvoor een redelijke vergoeding krijgt die door de ACM wordtvastgesteld. Over de omvang van deze vergoeding worden nadere regelsgesteld waarbij als uitgangspunt zal gelden dat de vergoeding de kostendekt die redelijkerwijs moeten worden gemaakt om de opdracht te kunnenuitvoeren. De kosten van de vergoeding komen voor rekening van hetwarmtebedrijf.Het vijfde lid regelt dat als een noodwarmtebedrijf wordt aangewezen,een ieder verplicht is medewerking te verlenen aan dit noodwarmtebe-drijf.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere regelsworden gesteld over de procedure en de vereisten die gelden bij eenaanwijzing van een ander warmtebedrijf als noodwarmtebedrijf. Daarbijkan worden gedacht aan regels over de verschillende stappen in hetproces en de daarbij te hanteren termijnen. Het voornemen is daarbij teregelen dat het noodwarmtebedrijf de beheerstaak van het warmtebedrijfoverneemt. Omdat deze procedure veelal gelijktijdig zal lopen met deprocedure van de intrekking van de aanwijzing, zullen de nadere regels opgrond van artikel 2.9, zevende en achtste lid, en artikel 9.5, zevende lid, opelkaar worden afgestemd.Omdat in voorkomende gevallen ook een warmtetransportbeheerder eenessentiële rol speelt bij het borgen van de leveringszekerheid zijn in hettweede en zesde lid vergelijkbare bepalingen ten aanzien van de warmte-transportbeheerder opgenomen.Artikel 9.6In het eerste lid wordt de bevoegdheid voor de ACM geregeld om eenwarmtebedrijf aan te zeggen de opdrachten op te volgen van een door deACM aangewezen persoon, de zogenaamde «stille bewindvoerder». Vandeze aanstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant omexterne partijen te informeren die een (contractuele) relatie hebben methet warmtebedrijf. De ACM kan van deze bevoegdheid alleen gebruikmaken als door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringsze-kerheid onvoldoende geborgd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is.De ACM kan de aangewezen persoon benoemen en eventueel vervangendoor een andere persoon. Daarmee is de aangewezen persoon nietonafhankelijk van de ACM en wordt ook duidelijk gemaakt dat deaangewezen persoon een specifieke en afgebakende publieke taak heeft.Uit het vierde lid volgt dat de ACM aangeeft ter bescherming van welkbelang het besluit is genomen. De aangewezen persoon verstrektuitsluitend een opdracht ter bescherming van dit belang. Hiermee wordtbewerkstelligd dat de aangewezen persoon geen gebruik kan maken vanzijn bevoegdheden die verder strekken dan noodzakelijk zijn gezien dereikwijdte van deze bepaling. Ingeval van een faillissement van hetwarmtebedrijf is de door de ACM aangewezen persoon niet bevoegdopdrachten te verstrekken aan de door de rechtbank aangewezen curator.Uit het vijfde lid volgt dat het warmtebedrijf verplicht is deze opdrachtenop te volgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3282 De opdracht die de stille bewindvoerder kan geven kwalificeert als eenbesluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat tegen een opdracht van debewindvoerder bezwaar en beroep mogelijk is en de bewindvoerder alsgevolg daarvan nog lang na afhandeling van de zaak met deze bezwaar-zaken kan blijven zitten. Dit probleem is in het zesde lid ondervangen doortegen de opdracht van de stille bewindvoerder administratief beroep bijde ACM open te stellen (artikel 1:5 Awb).Als een warmtebedrijf een overeenkomst met een derde is aangegaan instrijd met deze opdracht, is het wenselijk dat de bewindvoerder nietgebonden is aan de verplichtingen uit deze overeenkomst en de rechterkan verzoeken om vernietiging daarvan. Om rekening te houden met derechten van derden is het wenselijk om het recht om de vernietigings-grond in te roepen te beperken tot de bewindvoerder en de ACM (zevendelid).De bestuurder van het warmtebedrijf is aansprakelijk bij handelen in strijdmet de opdracht van de bewindvoerder als ook bij schade als gevolg vanhet wél opvolgen van de opdracht door het warmtebedrijf. Met dezeregeling in het achtste lid kan worden voorkomen dat de bestuurder vanhet warmtebedrijf met verkeerde intenties een opdracht naast zichneerlegt. Daarnaast wordt in het negende lid voorkomen dat eenbewindvoerder zelf aansprakelijk kan worden gesteld voor schade alsgevolg van zijn opdrachten. Dat zou immers problemen opleveren bij hetaanwijzen van een bewindvoerder. Voor de laatste schade zou de staatdan aansprakelijk moeten zijn.Net als bij artikel 9.5 geldt wederom dat in voorkomende gevallen eenwarmtetransportbeheerder een essentiële rol speelt bij het borgen van deleveringszekerheid. Daarom zijn genoemde bepalingen vergelijkbaar vantoepassing op een warmtetransportbeheerder.Artikel 9.7Het eerste lid geeft ACM de bevoegdheid een of meer personen aan tewijzen die het bestuur of de leiding van een warmtebedrijf vervangt danwel vervangen. Deze ingrijpende bevoegdheid moet wel noodzakelijk zijnter waarborging van de leveringszekerheid en kan alleen worden ingezetals de aanstelling van een stille bewindvoerder op grond van artikel 9.6niet effectief zal zijn. Voldaan moet worden aan proportionaliteits- ensubsidiariteitsvereisten. Het vervangen van het bestuur zou noodzakelijkkunnen zijn als door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf niet ofonvoldoende ingezet wordt op het waarborgen van de leveringszekerheid,bijvoorbeeld door het afknijpen van de noodzakelijke financiering en hetuitstellen van bepaalde besluiten. Om te kunnen voorkomen dat dit risicozich realiseert, is het nodig daadwerkelijk onderdeel van het bestuur uit temaken. De bevoegdheid gaat verder dan artikel 9.6, omdat ACM op grondvan dit artikel kan besluiten om het bestuur of de leiding van het bestuurvan het warmtebedrijf te vervangen door een aangewezen persoon (ofpersonen). De bevoegdheid om het bestuur te vervangen moet uitdruk-kelijk verbonden zijn aan de risico’s die het niet kunnen waarborgen vande leveringszekerheid kunnen opleveren. Een vergelijking kan gemaaktworden met de bevoegdheid op grond van artikel 33 van de Wetveiligheidstoets investeringen, fusies en overnames, hierna: Wet vifo). Inde Wet vifo is deze bevoegdheid naast de bevoegdheid tot het aanstellenvan een stille bewindvoerder opgenomen in situaties van risico vanmisbruik of uitval van een onderneming als bedoeld in artikel 7 van deWet vifo en ter bescherming van de continuering van het transport vanwarmte die van belang is voor de regionale warmtevoorziening door dezeonderneming.Het derde lid regelt dat van de vervanging van het bestuur mededelingwordt gedaan in de Staatscourant om externe partijen te informeren dieeen (contractuele) relatie hebben met het warmtebedrijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3283 Bij toepassing van de bevoegdheid streeft de aangewezen persoon alsbestuurder of leidinggevende de borging van de leveringszekerheid na.De aangewezen persoon heeft daarbij de taken en bevoegdheden die hetondernemingsrecht aan de positie van bestuurder of leidinggevendeverbindt.Het vijfde lid regelt dat het warmtebedrijf eventuele opdrachten van deaangewezen persoon opvolgt en deze alle benodigde informatie verstrekt.Het warmtebedrijf is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van hetnakomen van deze verplichtingen. Voor schade ten gevolge van hande-lingen die zijn verricht in strijd met een opdracht van een aangewezenpersoon is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk tegenover hetwarmtebedrijf.Net als bij de artikelen 9.5 en 9.6 geldt wederom dat in voorkomendegevallen een warmtetransportbeheerder een essentiële rol speelt bij hetborgen van de betrouwbaarheid van het warmtetransport. Daarom geldendeze bepalingen ook voor een warmtetransportbeheerder.Artikel 9.8Ter uitvoering van de in artikel 9.1, eerste lid, gegeven toezichtstaak dientde ACM in staat te zijn, metingen te verrichten of te laten verrichten bijeen producent, warmtebedrijf, warmtetransportbeheerder of verbruiker.Zo kan de ACM bijvoorbeeld door middel van metingen controleren ofeen warmtebedrijf zich houdt aan de verplichtingen met betrekking tot delevering van warmte met een bepaalde minimum- en maximumtempe-ratuur.Artikel 9.9In verband met de handhavende bevoegdheden van de ACM in paragraaf9.2 is in artikel 9.9 voorgesteld te bepalen dat het verboden is in strijd tehandelen met een voorschrift of beperking die aan besluiten op grond vanartikel 9.5, 9.6 en 9.7 kunnen worden verbonden.Artikel 10Artikel 10 verplicht warmtebedrijven een onafhankelijk geschillencom-missie in te stellen waardoor verbruikers en gebouweigenaren demogelijkheid hebben om een geschil aan deze commissie voor te leggen.Het kan hier gaan om een geschil van een verbruiker met een warmtebe-drijf over een leveringsovereenkomst en de uitvoering daarvan. Eengebouweigenaar kan ook een geschil voorleggen over de toepassing vande uitzonderingen op de uitvoering van de taak van het warmtebedrijf omeen gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting, zoals diezijn geformuleerd in de artikelen 2.12, eerste lid, onderdelen i en j, entweede lid, en 3.6, eerste lid, onderdelen i en j, en tweede lid. In dezeartikelen zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd op de plicht eengebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting. Deze plichtgeldt niet als het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaan-sluiting aan te brengen of het warmtebedrijf door de leveringsaansluitingniet meer zijn taken of verplichtingen kan uitvoeren. Geschillen die hiermogelijk uit voortkomen kunnen ook door een verbruiker wordenvoorgelegd om een gerechtelijke procedure of handhaving door ACM tevoorkomen.Het tweede lid bevat de eisen waaraan de procedure bij de geschillencom-missie moet voldoen: deze moet snel, transparant, eenvoudig engoedkoop zijn zodat de geschilbeslechting zo laagdrempelig als mogelijkzal zijn.Uit het derde lid volgt dat het voorleggen van een geschil aan eenonafhankelijke geschillencommissie elke mogelijkheid voor de verbruikerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3284 of gebouweigenaar onverlet laat een hem ter beschikking staandrechtsmiddel aan te wenden.Artikel 11.1Met het wetsvoorstel wordt beoogd een uitputtende regeling voor deregulering van collectieve warmtevoorzieningen, kleine collectievewarmtesystemen en warmtetransportnetten in het belang van eenbetrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening tegeven. In artikel 11.1 wordt daarom geregeld dat gedeputeerde staten,provinciale staten, het college en de gemeenteraad niet bevoegd zijnregels te stellen over onderwerpen die binnen de reikwijdte van ditwetsvoorstel vallen. Dat geldt ook als deze wet over een van degenoemde onderwerpen geen regels stelt.Door artikel 11.1 kunnen de genoemde bestuursorganen geen veror-dening vaststellen met daarin regels over het leveren, transporteren,produceren, inkopen van warmte en beschikbaar stellen van restwarmteen de tarieven die daarvoor in rekening kunnen worden gebracht inaanvulling op bepalingen van dit wetvoorstel. Evenmin is het toegestaanaanvullende regels te stellen door gebruik te maken van de bevoegdheidgegeven in dit wetsvoorstel voorschriften en beperkingen aan eenaanwijzing, instemming, ontheffing of opdracht te verbinden.Gemeenten en provincies kunnen op grond van andere wettelijke kaderswel regels stellen over andere onderwerpen met betrekking tot eencollectief warmtesysteem. Daaronder worden ook begrepen regels overeen collectief warmtesysteem met een ander doel dan een betrouwbare,betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening. Zo kunnengemeenten bijvoorbeeld op grond van de Omgevingswet vanuit hetoogpunt van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties regelsstellen over de inpassing van een warmtenet in de fysieke leefomgeving,of vanuit het oogpunt van de bescherming van het milieuregels stellenover geluidshinder of andere milieuhinder bij de productie van warmtevoor een collectief warmtesysteem.Specifiek voor de normen voor de uitstoot van broeikasgassen die bij ofkrachtens artikel 2.20, eerste lid, zullen worden gesteld, geldt dat het nietde bedoeling is dat een bestuursorgaan strengere eisen gaat stellen ofmaatregelen gaat voorschrijven (aan producenten of warmtebedrijven)met als doel de uitstoot van broeikasgassen die gemoeid is met delevering van warmte verder terug te brengen dan op grond van ditwetsvoorstel is voorgeschreven. Daarnaast is de norm in 2.20 eentechniek neutrale norm waarbij een bestuursorgaan ook niet bepaaldetechnieken mag verbieden. Strengere eisen zouden de investeringsze-kerheid voor warmtebedrijven in gevaar kunnen brengen en het onder-mijnt de betaalbaarheid van het systeem.De normen aan de uitstoot van broeikasgassen op grond van ditwetsvoorstel laten onverlet dat krachtens de Omgevingswet op grond vanhet Besluit activiteiten leefomgeving regels kunnen gelden ofvoorschriften kunnen worden gesteld vanuit het oogpunt van debescherming van het milieu over bijvoorbeeld het energieverbruik vaneen installatie die als warmtebron voor een collectief warmtesysteemfungeert. Eventuele eisen ten aanzien van energiebesparende maatre-gelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving op onderdelen van eencollectieve warmtevoorziening blijven daarmee onverkort van toepassing.Ook kunnen er milieueisen gesteld worden ten behoeve van andereonderwerpen, zoals bijvoorbeeld de uitstoot van fijnstof of anderemoleculen dan kooldioxide-equivalenten. Daarnaast kunnen ook eisen aanbroeikasgassen gesteld worden aan productiefaciliteiten met als doel deuitstoot van broeikasgassen te verminderen van processen die nietbedoeld zijn voor de levering van warmte maar wel daaraan gekoppeldzijn, zoals het geval is bij de benutting van restwarmte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3285 Artikel 11.2Artikel 11.2 geeft de grondslag om de kosten van het verkrijgen van de inhet artikel genoemde besluiten in rekening te brengen bij de aanvrager.De te betalen vergoedingen strekken tot vergoeding van de kosten die zijnverbonden aan het uitvoeren van de gevraagde handelingen. Meer dan degemaakte kosten kunnen niet in rekening worden gebracht. Het verschul-digde bedrag kan worden ingevorderd bij dwangbevel. De kosten dieACM maakt ter uitvoering van dit wetsvoorstel kunnen reeds in rekeningworden gebracht op basis van artikel 6a van de Instellingswet AutoriteitConsument en Markt.Artikel 11.3In artikel 11.3 wordt voorgesteld dat een representatieve organisatie eenbelanghebbende is bij een besluit, niet zijnde een beschikking, genomenop grond van hoofdstuk 7 van deze wet. De zinssnede «niet zijnde eenbeschikking» is opgenomen, omdat het niet in de rede ligt bij besluitenvan de ACM die niet gelden voor een hele sector maar alleen voor eenindividueel warmtebedrijf of een individuele warmtetransportbeheerder,zoals een boetebeschikking, een representatieve organisatie ook alsbelanghebbende aan te merken.Artikel 11.4In artikel 11.4, eerste lid, wordt voorgesteld dat het CBb op verzoek vaneen representatieve organisatie kan bevelen dat een warmtebedrijf het inhet eerste lid omschreven handelen of nalaten staakt. Het gaat hier om hethandelen of nalaten van een warmtebedrijf dat in strijd is met een aantalbepalingen in hoofdstuk 7 en dat nadeel toebrengt aan de collectievebelangen van verbruikers. Het gaat hier om bepalingen op basis waarvaneen warmtebedrijf bepaalde (maximale) tarieven in rekening kan brengen.Op grond van het tweede lid kan het CBb eveneens worden verzocht hetwarmtebedrijf dat de inbreuk maakt te veroordelen tot het openbaarmaken of openbaar laten maken van een beschikking. Het CBb bepaalt wiede kosten hiervoor draagt en op welke wijze de beschikking openbaardient te worden gemaakt. Uit het derde lid volgt dat het CBb ook beslist inde geschillen die uit de toepassing van het eerste en tweede lid voort-komen. Dit artikel is thans in artikel 24 van de Warmtewet opgenomen.Artikel 11.5In artikel 11.5 is een regeling voorgesteld die beoogt de rechtsbe-scherming te vereenvoudigen. Voor de mogelijkheid van bezwaar enberoep en de behandeling van en de uitspraak op bezwaar en beroepwordt het besluit tot vaststelling van de warmtekavel en een aanwijzingals één besluit aangemerkt. Feitelijk betekent dit dat de rechtsbe-scherming tegen het besluit tot vaststelling van de warmtekavel wordtgecombineerd met de rechtsbescherming tegen de aanwijzing. Ook eenwijziging van het besluit tot vaststelling van een warmtekavel en eenwijziging van de aanwijzing ten gevolge daarvan zullen als één besluitworden aangemerkt.Bij de vaststelling van een warmtekavel kunnen onder andere eenbestaand warmtebedrijf of een warmtebron belanghebbende zijn. Tervoorbereiding op de vaststelling van de warmtekavel zal het college allebetrokken partijen consulteren. Het gaat hier onder meer om burgers,woningbouwcorporaties, infrastructuurbedrijven maar ook warmtebe-drijven en warmtegemeenschappen die mogelijk belangstelling hebbenaangewezen te worden voor de warmtekavel. Op deze manier kan hetcollege goed geïnformeerd een warmtekavel vaststellen en kan zoveelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3286 mogelijk voorkomen worden dat belanghebbenden bezwaren zullenhebben tegen de vaststelling van de warmtekavel. Aangezien in de regelde periode tussen vaststelling van de warmtekavel en de start van deaanwijzingsprocedure kort zal zijn, wegen de voordelen van de bundelingvan bezwaar en beroep op tegen de nadelen hiervan. Deze nadelenkunnen mogelijk gevoeld worden als de tijd tussen vaststelling van dewarmtekavel en aanwijzing van het warmtebedrijf aanzienlijk is.Aangezien het vaststellen van een warmtekavel zonder een aanwijzings-procedure te starten geen doel dient, is de kans hierop klein. Nadeel vaneen aparte bezwaar en beroepsprocedure is ook dat het geruime tijd kanduren voordat het besluit tot vaststelling van de warmtekavel onherroe-pelijk is geworden en dat het college tot die tijd naar verwachting geenaanwijzingsprocedure zal starten. Bovendien is de warmtekavel dusdanigverknoopt met de aanwijzing van een warmtebedrijf voor dat warmtekaveldat het wenselijk is dat de besluiten in bezwaar en beroep in samenhangkunnen worden bezien. Hiermee kan ook voorkomen worden dat hetbesluit tot aanwijzing onherroepelijk wordt terwijl het besluit totvaststelling van de warmtekavel vernietigd wordt.Voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste, tweede, derde ofvierde lid, en de wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 12.3,eerste lid, geldt tevens dat deze als één besluit worden aangemerkt. In hetgeval een gemeente warmtekavels dient samen te voegen op grond vanartikel 12.3, eerste lid, zullen bezwaren tegen de aanwijzingen op grondvan artikel 12.2 bij dat besluit worden behandeld.Artikel 11.6Gemeenten zijn primair aan zet om ervoor te zorgen dat voldoendewarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang beschikbaarkomen. Belangrijk is dat gemeenten en provincies, maar ook regionaleenergiefondsen of regionale netwerkbedrijven, gezamenlijk keuzes makenover de wijze van samenwerking en deelneming. Als de publiekerealisatiekracht echter onvoldoende van de grond komt en eendeelneming het meest geschikte instrument is om dit wel te realiseren,biedt dit artikel de Minister de mogelijkheid een naamloze vennootschapof besloten vennootschap aan te wijzen waarvan alle aandelen middellijkof onmiddellijk aan de staat behoren. In het eerste lid is voorgesteld datdeze deelneming tot taak zal hebben om, samen met medeoverheden,deel te nemen in warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelangen deze mede op te richten. Ook heeft deze deelneming een rol bij hetadviseren van medeoverheden over de oprichting of inrichting vanwarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang. Zo kan het Rijk deondersteuning van medeoverheden en warmtebedrijven met de inbrengvan expertise en kapitaal mogelijk maken.Het inzetten van dit instrument moet zorgvuldig worden getoetst aan devoorwaarden die gelden voor deelnemingen. Daarnaast zal onderzochtmoeten worden of een bestaande dan wel een nieuwe deelneming hetmeest geschikt zou zijn voor het uitvoeren van deze (nieuwe) taken enwelke middelen nodig zijn voor deze taken. Indien ervoor gekozen wordteen deelneming in te stellen zal overeenkomstig artikel 4.7 van deComptabiliteitswet hieraan bekendheid worden gegeven.In een algemene maatregel van bestuur op grond van het derde lidkunnen nadere regels worden gegeven over de deelneming. Daarbij kangedacht worden aan regels over het voeren van een afzonderlijkeboekhouding, het goedkeuren van de statuten van de vennootschap enhet van verstrekken van gegevens en inlichtingen door de vennootschapaan de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3287 Artikel 11.7Het koninklijke besluit op grond waarvan de ingroeiperiode verlengdwordt met ten hoogste 3 jaar en de koninklijke besluiten waarmee detariefregulering voor aangewezen warmtebedrijven en warmtebedrijvendie een klein collectief warmtesysteem exploiteren die van fase 1 naarfase 2 of van fase 2 naar fase 3 gaat, is van zodanig belang dat voorge-steld is deze besluiten niet eerder in werking te laten treden dan nadat hetontwerp aan de Staten-Generaal is gezonden.Artikel 12.1Artikel 12.1 bevat twee evaluatiebepalingen. Allereerst zal binnen 5 jaar nade inwerkingtreding van dit artikel een evaluatieverslag naar de Staten-Generaal worden gestuurd waarin onderzocht is of 7 jaar na inwerking-treding van dit artikel voldoende warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschappen beschikbaar zijnwaardoor er geen reden is de termijn van 7 jaar te verlengen. Indien uit deevaluatie blijkt dat er nog onvoldoende warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang beschikbaar zijn, kan op grond van artikel 2.6, derdelid, de ingroeiperiode van 7 jaar verlengd worden met een periode van3 jaar.Het tweede lid schrijft voor dat 7 jaar na inwerkingtreding van dit artikeleen evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wetin de praktijk naar de Staten-Generaal zal worden verzonden. Het gaat hierom een evaluatie van de gehele wet. Een periode van 7 jaar is voorge-steld, omdat naar verwachting pas dan duidelijk is of de kernonderdelenvan het wetsvoorstel doeltreffend zijn.Artikel 12.2Artikel 12.2 schrijft voor op welke wijze het college voor bestaandesituaties een aanwijzing verleent voor een warmtekavel waardoorbestaande warmtebedrijven onder de werking van dit wetsvoorstelworden gebracht. De aanwijzing moet zijn verleend binnen een jaar nainwerkingtreding van dit artikel. Deze termijn is gekozen om het collegevoldoende tijd te geven de bepalingen zorgvuldig toe te passen.Eerste lidOp grond van het eerste lid zal het college een bestaand warmtebedrijfeen aanwijzing verlenen indien op het moment van inwerkingtreding vandit artikel een overeenkomst geldt waarin een gemeente aan eenwarmtebedrijf voor een gebied het recht heeft gegeven of verplichtingheeft opgelegd warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers, eencollectieve warmtevoorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluitenop een collectieve warmtevoorziening. In de praktijk zal het hierbij gaanom een concessieovereenkomst. Ook formele wijzigingen van de(concessie)overeenkomst, bijvoorbeeld in de vorm van een gebiedsover-eenkomst, vallen hieronder. Voor de bepaling van de omvang van dewarmtekavel wordt aangesloten bij de afbakening die in de overeenkomstis gegeven. De aanwijzing heeft betrekking op het gebied waarvoor ditrecht is gegeven of de verplichting is opgelegd. Dit betekent ook dat, alsde overeenkomst alleen toeziet op nieuwbouw, de aanwijzing alleen opdeze nieuwbouwgebieden betrekking heeft. Het college neemt in dezesituatie voor het bepalen van de omvang van de warmtekavel het fysiekegebied waarin het transport en de warmtelevering aan reeds gereali-seerde nieuwbouwaansluitingen als uitgangspunt en voegt daar de reedsvoorziene nieuwbouwgebieden die nog aangesloten moeten worden aantoe.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3288 Tweede lidUit het tweede lid volgt dat indien op het moment van inwerkingtredingvan dit artikel een overeenkomst ontbreekt, door het college eenaanwijzing wordt verleend voor het fysieke gebied waarin het transport ende warmtelevering door een warmtebedrijf feitelijk plaatsvindt. Defeitelijke ligging van het warmtenet in combinatie met de gebouwen (ofdelen daarvan) waar wordt geleverd, bepalen in dit geval de omvang vande warmtekavel.Derde lidOok een besluit van de gemeente op basis waarvan een warmtenet magworden aangelegd leidt ingevolge het derde lid tot een aanwijzing. Er zijnnamelijk situaties denkbaar die niet onder het eerste en tweede lid vallenmaar waarbij alle voorbereidingen voor de aanleg zijn getroffen en debenodigde besluiten van de gemeente ook reeds zijn verkregen (één ofmeerdere leg- en ligvergunningen). Het college verleent in zo’n geval ookeen aanwijzing. De omvang van de warmtekavel valt dan samen met hetgebied waarop het besluit van de gemeente betrekking heeft. Indien ermeerdere besluiten zijn die betrekking hebben op hetzelfde voorzienecollectief warmtesysteem, vormen deze samen één aanwijzing voor eenwarmtekavel.Vierde lidOok aansluitovereenkomsten met alle mogelijke afnemers (verhuurders,woningcorporaties, VvE’s, projectontwikkelaars en particulieren) vallen opgrond van het vierde lid onder het overgangsrecht. Indien op het tijdstipvan inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in heteerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dattijdstip nog geen warmte in een gebied, maar het warmtebedrijf heeft weleen aansluitovereenkomst gesloten, verleent het college het warmtebe-drijf een aanwijzing. De aanwijzing heeft betrekking op het gebiedwaarvoor de aansluitovereenkomst geldt of de aansluitovereenkomstengelden voor zover deze aansluitovereenkomsten betrekking hebben opéén collectief warmtesysteem. De warmtekavel waarvoor de aanwijzinggeldt, valt kortom samen met de specifieke gebouwen of delen daarvandie in de aansluitovereenkomst staan aangegeven. Meerdere aansluitover-eenkomsten die betrekking hebben op hetzelfde voorziene collectiefwarmtesysteem resulteren in één aanwijzing voor een warmtekavel.Vijfde tot en met zevende lidHet vijfde lid maakt helder wat een aansluitovereenkomst is. Het gaat omeen overeenkomst die een recht en een plicht geeft de in de overeenkomstgenoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen 5 jaar na inwerking-treding van dit artikel aan te sluiten. De overeenkomst bevat bindendefinanciële voorwaarden over de kosten van de aansluiting en bepaalt eentermijn wanneer de levering van warmte aanvangt. De overeenkomst kanten slotte alleen onvoorzienbare omstandigheden of van derden afhanke-lijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde bevatten. Met zakendie voor het warmtebedrijf onvoorzienbaar zijn worden bijvoorbeeld hetniet verlenen van vergunningen of subsidies bedoeld of onvoorzienbaarhoge kosten. Bij zaken waarbij er een sterke afhankelijk is van derden gaathet bijvoorbeeld om het niet instemmen van 70% van huurders van dewoningcorporatie met de aansluiting op een collectief warmtesysteem.Uit het zesde lid volgt dat het gebied, bedoeld in het eerste tot en metvierde lid, wordt aangemerkt als warmtekavel met dien verstande dat dewarmtekavel niet aaneengesloten hoeft te zijn. Bij een aanwijzing dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3289 alleen op nieuwbouwgebieden betrekking heeft, kan dat bijvoorbeeld aande orde zijn. De verschillende gebieden zijn dan niet aaneengesloten,maar dienen wel onderdeel te zijn van een voorzien of bestaand collectiefwarmtesysteem.Het zevende lid schrijft voor dat de overeenkomst, bedoeld in het eerstelid, komt te vervallen op het moment dat het college een aanwijzing opgrond van het eerste lid heeft verleend. Met de aanwijzing kunnen aan deovereenkomst geen rechten en plichten meer worden ontleend omdatdeze in de aanwijzing zijn opgegaan.Artikel 12.3In artikel 12.3, eerste lid, wordt voorgeschreven op welke wijze omgegaandient te worden met de situatie waarbij sprake is van één collectiefwarmtesysteem van één warmtebedrijf waarvoor op grond van hetovergangsrecht meerdere aanwijzingen voor verschillende warmtekavelsgelden. Voorgesteld is dat het college verplicht is warmtekavels samen tevoegen wanneer zonder samenvoeging de collectieve warmtevoorzieningin het ene warmtekavel afhankelijk is van de toegang tot de collectievewarmtevoorziening van de andere warmtekavel om warmte te kunnenleveren aan zijn verbruikers. Ook moet voor de warmtekavels hetzelfdewarmtebedrijf aangewezen zijn. Met toegang tot de collectieve warmte-voorziening wordt bedoeld dat het ene warmtekavel afhankelijk is van hettransport van warmte met de infrastructuur van een ander warmtekavelom de geproduceerde of ingekochte warmte te kunnen leveren aanverbruikers. Uit het tweede lid volgt dat de samenvoeging van warmte-kavels wordt bereikt door wijziging van één aanwijzing en intrekking vande andere aanwijzingen. Met deze wijziging geldt de gewijzigdeaanwijzing ook voor de toegevoegde warmtekavels.Het college kan bij de toepassing van deze bevoegdheid in één besluit optwee grondslagen (artikel 12.2 en 12.3) een aanwijzing verlenen voor desamengevoegde warmtekavels. In dit besluit maakt het college helder opbasis van welke afzonderlijke aanwijzingen voor warmtekavels op grondvan artikel 12.2 dit besluit is gebaseerd. Uit artikel 12.4, zevende lid, volgtdat het college kan volstaan met het bepalen van de duur van deaanwijzing die betrekking heeft op de samengevoegde warmtekavels. Hetcollege hoeft niet eerst de duur van de afzonderlijke aanwijzingen opgrond van artikel 12.2 vast te stellen. Uit artikel 11.5 volgt dat voor demogelijkheid van bezwaar en beroep een besluit op grond van artikel 12.2en 12.3 als één besluit wordt aangemerkt.Het college en het aangewezen warmtebedrijf kunnen onderling overeen-komen dat aan een warmtekavel niet een ander warmtekavel wordttoegevoegd. In een dergelijke situatie zijn het eerste en tweede lid niet vantoepassing.Artikel 12.4Het eerste lid stelt voor dat de voorwaarden die aan een overeenkomsttussen een gemeente en warmtebedrijf zijn verbonden gerespecteerdworden. Deze voorwaarden gaan gelden als aan de aanwijzing verbondenbeperkingen en voorschriften, voor zover deze voorwaarden niet in strijdzijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet. Alleen voor de duur vande aanwijzing gelden altijd de regels in dit artikel.In het tweede lid is voorgesteld de duur van de aanwijzing op de volgendemanier te berekenen. Eerste stap is dat de datum wordt bepaald van deminst recente aansluitovereenkomst van de laatste 10% leveringsaanslui-tingen of voorziene leveringsaansluitingen waarvoor door het aange-wezen warmtebedrijf voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikeleen aansluitovereenkomst is gesloten. Ook leveringsaansluitingen die nogniet gerealiseerd maar wel gecontracteerd zijn op dat moment tellen dusTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3290 mee. Tweede stap is vervolgens dat het verschil wordt berekend tussen dedatum van inwerkingtreding van dit artikel en de datum berekend bij deeerste stap. De duur van de aanwijzing bedraagt vervolgens 30 jaarverminderd met de duur berekend op grond van de tweede stap met eenminimum van 14 jaar.Het kan zijn dat aan een aanwijzing een (concessie)overeenkomst tengrondslag ligt. Uit het derde lid volgt dat indien de overeenkomst voorbepaalde tijd is aangegaan de duur van de aanwijzing de resterende duurvan de overeenkomst is met een minimum van 14 jaar waarbij geldt datindien deze duur meer dan 30 jaar is de aanwijzing voor 30 jaar wordtverleend. Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan dan geldtdat de aanwijzing voor 30 jaar wordt verleend. Het kan ook voorkomen datin de overeenkomst geen bepaling over de duur is opgenomen. In datgeval is de duur van de aanwijzing 30 jaar verminderd met de duur dat inhet gebied al warmte is geleverd met een minimum van 14 jaar. Uit hetvierde lid volgt dat deze regel alleen van toepassing is als de op dezewijze berekende duur van de aanwijzing langer is dan de duur van deaanwijzing berekend met behulp van de systematiek voorgeschreven inhet tweede lid.In het geval dat de leveringsaansluiting een centrale leveringsaansluitingbetreft stelt het zesde lid voor om het aantal zelfstandige woningen achtereen centrale leveringsaansluiting te tellen als één leveringsaansluiting.Deze toevoeging is gedaan om recht te doen aan de grootte van decentrale leveringsaansluiting ten opzichte van een individuele leverings-aansluiting.In artikel 12.3 is geregeld dat het college onder omstandigheden verplichtis warmtekavels samen te voegen en in verband daarmee een aanwijzingvan een aangewezen warmtebedrijf te wijzigen. Uit het zevende lid volgtdat de regels voor de berekening van de duur in het tweede tot en metzesde lid van overeenkomstige toepassing zijn. Daarbij zal het college nieteerst de duur van de afzonderlijke aanwijzingen die gelden voor desamengevoegde warmtekavel hoeven te berekenen. Het college kanvolstaan met de berekening van de aanwijzing voor de samengevoegdewarmtekavels.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsgesteld worden over onder meer de in het tweede lid opgenomenberekeningsmethode. Gedacht kan worden aan stappen die doorlopenmoeten worden om de duur van de aanwijzing te bepalen en informatie-verplichtingen om het aantal zelfstandige woningen te achterhalen.Artikel 12.5In artikel 12.5 wordt voorgeschreven op welke wijze omgegaan dient teworden met de situatie waarbij sprake is van een warmtekavel waar eenintegraal warmtebedrijf ontbreekt en een warmtenetbedrijf en warmtele-veringsbedrijf afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor respectievelijk hettransport van warmte en de levering van warmte (een zogenaamdgesplitst model). Er is hierdoor in het gebied geen integraal warmtebedrijfaanwezig dat kan worden aangewezen op grond van artikel 12.2. Dit is eenonwenselijke situatie omdat het niet consistent is met een van dehoofdpunten van dit wetsvoorstel: de integrale verantwoordelijk van hetwarmtebedrijf. Om deze reden schrijft het eerste lid voor dat het warmte-netbedrijf en warmteleveringsbedrijf binnen 2 jaar na inwerkingtredingvan artikel 12.5 een warmtebedrijf moeten oprichten.Voor de periode tot de oprichting van het warmtebedrijf dient er weltijdelijk één partij integraal verantwoordelijk te zijn. Dit om éénaanspreekpunt ingeval van leveringszekerheidsproblemen te hebben. Uithet eerste lid volgt dat het college gehouden is het warmteleveringsbedrijfaan te wijzen, omdat de verwachting is dat het warmteleveringsbedrijfeen groot deel van de taken van artikel 2.12 die relevant zijn voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3291 levering van warmte aan verbruikers voor zijn rekening neemt. Hetwarmteleveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf hebben vervolgens tottwee jaar na inwerkingtreding van dit artikel de tijd een integraalwarmtebedrijf op te richten.Het derde lid geeft regels voor de periode tot aan de oprichting van hetintegraal warmtebedrijf. Voorgeschreven is dat het warmteleveringsbe-drijf (het aangewezen warmtebedrijf) en het warmtenetbedrijf binnen zesmaanden een overeenkomst hebben opgesteld waarin is geregeld dat hetwarmtenetbedrijf zodanig handelt dat het warmteleveringsbedrijf alsaangewezen warmtebedrijf zijn taken kan uitvoeren. Aangezien hetaangewezen warmtebedrijf wel verantwoordelijk is maar niet alle takenzelf uitvoert en mogelijk niet eigenaar is van het warmtenet, is het vanbelang dat een dergelijke overeenkomst wordt gesloten.Het vierde lid regelt dat na oprichting van een integraal warmtebedrijf hetcollege dit warmtebedrijf een aanwijzing verleent. Om dubbele aanwij-zingen te voorkomen zal de aanwijzing van het warmteleveringsbedrijfkomen te vervallen. Daarnaast is de verplichting op grond van het derdelid niet meer toepassing.Op grond van het vijfde lid kunnen regels gesteld worden aan deovereenkomst tussen het warmtenetbedrijf en het warmteleveringsbedrijf.Gedacht wordt aan regels waardoor in de overeenkomst in ieder gevalafspraken gemaakt zullen worden over de borging van de leveringsze-kerheid.Artikel 12.6Aangezien de ACM toezicht houdt op onder meer de naleving van het bijof krachtens bepaalde in een groot aantal artikelen in hoofdstuk 2 is hetvan belang dat de ACM beschikt over de aanwijzing, bedoeld inartikel 12.2 en 12.3. In dit artikel is het college opgedragen een afschriftvan deze besluiten aan de ACM te zenden.Artikel 12.7Vanaf het moment dat een warmtebedrijf op grond van het overgangs-recht is aangewezen voor de warmtekavel, rusten op deze partij de takenop grond van artikel 2.12. Voor nieuw aangewezen warmtebedrijvengelden deze taken pas vanaf op het moment dat er een uitgewerktkavelplan is opgesteld waarmee de gemeente heeft ingestemd (zie deaanhef van artikel 2.15). Met dit artikel wordt voorkomen dat op eenbestaand warmtebedrijf direct na inwerkingtreding van dit wetsvoorstelde taken niet van toepassing zijn.Artikel 12.8Voorgesteld is dat een warmtebedrijf dat een aanwijzing heeft gekregenop grond van het overgangsrecht een uitgewerkt kavelplan moet opstellenvoor de warmtekavel waarvoor het is aangewezen. Het uitgewerktkavelplan geeft enkel de kenmerken weer van de collectieve warmtevoor-ziening waarop de aanwijzing betrekking heeft. Het college toetst dit enkan het aangewezen warmtebedrijf ook opdragen het uitgewerktkavelplan te wijzigen.Artikel 12.9Op een bestaand warmtebedrijf rust op grond van het eerste lid de plichttoegang tot zijn collectieve warmtevoorziening te geven tegen redelijkvoorwaarden en tarieven. Vanwege de mogelijke nadelen voor hetbestaande warmtebedrijf kan dit warmtebedrijf een ontheffing van deverplichting om de toegang te verlenen aanvragen bij de ACM. De ACMTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3292 verleent uitsluitend een ontheffing indien het warmtebedrijf door detoegang tot zijn collectieve warmtevoorziening zijn taken niet kanuitvoeren. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien het bestaandewarmtebedrijf als gevolg van het verlenen van toegang structureelonvoldoende capaciteit heeft om zijn eigen taken uit te voeren.Artikel 12.10Op het moment van inwerkingtreding van artikel 12.10 zal de juridischeeigendom van het warmtenet in een aantal gemeenten niet bij hetaangewezen warmtebedrijf maar bij de gemeente liggen. Voorgesteld isdeze situatie op grond van het overgangsrecht te respecteren. Hierdoor isde hoofdregel in artikel 2.44, eerste lid, dat het aangewezen warmtebedrijfover de volledige eigendom van het warmtenet moet beschikken niet vantoepassing. Het aangewezen warmtebedrijf moet wel beschikken over deeconomische eigendom van het warmtenet. Hiermee is verzekerd dat hetaangewezen warmtebedrijf de taken, bedoeld in artikel 2.12, kanuitvoeren.Artikel 12.11Artikel 12.11 bevat aparte regels voor bestaande kleine collectievewarmtesystemen. Doordat de artikelen 12.2 tot en met 12.4 ook vantoepassing zijn op kleine collectieve warmtesystemen zal ook voor dezesystemen een warmtekavel worden vastgesteld en het betrokkenwarmtebedrijf een aangewezen warmtebedrijf worden. Aangeziendaardoor de bepalingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn, kan in lijnmet artikel 3.1, eerste lid, een warmtebedrijf dat een bestaand kleincollectief warmtesysteem exploiteert een ontheffing aanvragen vanartikel 1.2, eerste lid, voor het gebied ter grootte van de warmtekavel.Aangezien het hier gaat om een bestaand klein collectief warmtesysteemzal het college alleen beoordelen of het daadwerkelijk een klein collectiefwarmtesysteem betreft. De toetsingsgronden van artikel 3.1, tweede lid,zijn niet van toepassing. De bepaling dat deze ontheffing wordt geachteen ontheffing als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, te zijn, zorgt ervoor datde regels van hoofdstuk 3 van toepassing zijn op dit warmtebedrijf. Inverband met het toezicht van de ACM op een aantal artikelen uithoofdstuk 3 is het college ingevolge het vijfde lid verplicht de ACM eenafschrift van de ontheffing te zenden.Artikel 12.12De artikelen 12.2 tot en met 12.4 zijn niet van toepassing op eenverhuurder, VvE of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmtelevert aan zijn huurder of de leden van de VvE. Een verhuurder of VvElevert immers geen warmte aan een verbruiker in de zin van deze wet enis geen warmtebedrijf in de zin van deze wet.Op grond van het eerste lid is de verhuurder of VvE verplicht zo spoedigmogelijk, maar uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit artikel,aan het college de levering van warmte te melden. Gekozen is voor eenmelding om de bestuurlijke lasten voor het college zoveel mogelijk tebeperken en tegelijkertijd de gemeente van de informatie te voorzienwaardoor deze de regie kan voeren over de warmtelevering binnen degemeentegrenzen.In het tweede lid is voorgesteld dat door de melding de verhuurder of VvEgeacht wordt een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,verkregen te hebben. Hierdoor zijn de bepalingen uit hoofdstuk 4 vantoepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3293 Artikel 12.13In artikel 6.2 is geregeld onder welke voorwaarden een producent vanrestwarmte verplicht is restwarmte ter beschikking te stellen aan eenwarmtebedrijf. Artikel 6.2 is niet van toepassing op het moment vaninwerkingtreding van dit artikel bestaande overeenkomsten overrestwarmte. Artikel 6.2 is wel van toepassing als deze overeenkomstgewijzigd wordt of de overeenkomst is verlopen.Artikel 12.14Dit artikel regelt dat bestaande rekeningen voor garanties van oorsprong,en de daarop geboekte garanties van oorsprong met de intrekking van deWarmtewet niet zullen vervallen, maar zullen worden ondergebrachtonder het regime van dit wetsvoorstel. Dit artikel voorkomt dat gebruikersvan garanties van oorsprong opnieuw een rekening moeten openen enborgt dat onder de Warmtewet uitgegeven garanties van oorsprong zullenworden aangemerkt als garanties van oorsprong als bedoeld in ditwetsvoorstel en dus ook binnen het nieuwe regime kunnen wordengebruikt.Artikel 12.15In dit artikel wordt een algemene voorziening getroffen voor de lopendeaanvragen en verzoeken tot het nemen van besluiten en de aanhangigebezwaren tegen besluiten op grond van de Warmtewet en de afhandelingvan overtredingen die op grond van de Warmtewet zijn geconstateerd. Opde afhandeling hiervan is de Warmtewet van toepassing.Het tweede lid legt vast dat overtredingen die op grond van deWarmtewet en de daarop berustende bepalingen zijn geconstateerd,worden afgehandeld overeenkomstig de Warmtewet.Artikel 12.16Artikel 12.16 zorgt ervoor dat de op grond van de Warmtewet verleendevergunning tot het moment van de aanwijzing van kracht blijft. Als eencollege eerder dan dat jaar een aanwijzing verleent, komt deze vergunningvanzelfsprekend eerder te vervallen. Met de aanwijzing is een bestaandwarmtebedrijf immers onder de werking van dit wetsvoorstel gebracht.Artikel 12.17Artikel 12.17, eerste lid, bewerkstelligt dat de in dit lid genoemde artikelenvan de Warmtewet en de daarop gebaseerde bepalingen van toepassingblijven zolang een bestaand warmtebedrijf (een leverancier als bedoeld inartikel 1 van de Warmtewet) nog geen aanwijzing op grond vanartikel 12.2 heeft verkregen. Dit moment kan per warmtebedrijf en perwarmtekavel verschillen. Voorgesteld is de in het eerste lid genoemdebepalingen van de Warmtewet voor ten hoogste een jaar van toepassingte laten zijn aangezien het college op grond van artikel 12.2 gehouden isbestaande warmtebedrijven binnen een jaar een aanwijzing te verlenen.Een aantal bepalingen in dit wetsvoorstel komt pas betekenis toe als eenaanwijzing voor een warmtekavel is verleend. Dit geldt bijvoorbeeld voorde taken, bedoeld in artikel 2.12 en artikel 3.6, maar ook voor deduurzaamheidsnormen en de leveringszekerheidsrapportage. Ook detariefregulering voor aangewezen warmtebedrijven en warmtebedrijvendie een klein collectief warmtesysteem exploiteren zal mogelijk eerst naeen half jaar in werking treden. Met het oog hierop is in het eerste lidvoorgesteld dat onder andere de tariefregulering van de Warmtewettijdelijk nog van toepassing zal zijn evenals de verplichting zorg te dragenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3294 voor een betrouwbare levering van warmte tegen redelijke voorwaardenen een goede kwaliteit van dienstverlening.Niet alle artikelen uit dit wetsvoorstel komen pas betekenis toe als eenaanwijzing voor een warmtekavel is verleend. In het tweede lid zijn deartikelen genoemd die direct na inwerkingtreding van dit artikel en zonderdat bestaande warmtebedrijven een aanwijzing hebben verkregen vanovereenkomstige toepassing kunnen zijn op deze warmtebedrijven. Hetbetreft de regels over de onderbreking van warmte, de bepalingen dieconsumenten beschermen en de meetverplichtingen. Het zou onwenselijkzijn als deze verplichtingen pas na het verlenen van de aanwijzing aan eenbestaand warmtebedrijf betekenis zouden krijgen. Ook is in onderdeel cgeregeld dat het verbod op transport en levering, bedoeld in artikel 1.2,eerste lid, nog niet van toepassing is. Hiermee wordt voorkomen dat delevering van warmte tijdelijk verboden is zo lang een bestaand warmtebe-drijf nog geen aanwijzing is verleend.Het derde en vierde lid geeft een specifieke regeling voor de tariefregu-lering die mogelijk pas na een half jaar in werking zal treden maar nogvoordat bestaande warmtebedrijven een aanwijzing op grond vanartikel 12.2 hebben verkregen. Uit het derde lid volgt dat als de tariefregu-lering in dit wetsvoorstel voor fase 1 eerder in werking treedt dan eenbestaand warmtebedrijf op grond van artikel 12.2 is aangewezen, detariefregulering van de Warmtewet niet langer van toepassing is maar detariefregulering in dit wetsvoorstel.In het vijfde lid is voorgesteld dat indien een verhuurder, VvE of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm binnen een half jaar op grond vanartikel 2.11 nog geen melding heeft gedaan van de levering van warmte,de regels in dit wetsvoorstel met betrekking tot de meetverplichtingen ende facturering voor ten hoogste een half jaar van toepassing zijn. Ookgeldt het verbod in artikel 1.2, eerste lid, voor ten hoogste een half jaarniet. Indien er na een half jaar nog geen melding is gedaan geldt dit lidniet meer en kan er sprake zijn van een overtreding van het verbod oplevering van warmte (artikel 1.2). Met de zinssnede «voor zover het delevering en transport van warmte, bedoeld in artikel 12.12, eerste lid,onderdelen a of b, betreft» is beoogd duidelijk te maken dat de regelingalleen ziet op verhuurders en VvE die zelfstandig warmte leveren en nietwarmte doorleveren.Indien de tariefregulering op grond van dit wetsvoorstel voor warmtebe-drijven nog niet in werking is getreden maar een warmtebedrijf is al welaangewezen op grond van artikel 2.5 of 2.7 of heeft een ontheffing opgrond van artikel 3.1, eerste lid, verkregen, is op grond van het zesde lidde tariefregulering van de Warmtewet tijdelijk van overeenkomstigetoepassing. Hiermee wordt voorkomen dat voor deze warmtebedrijvengeen tariefregels gelden.Artikelen 12.18 en 12.19De artikelen 12.18 en 12.19 wijzigen diverse wetten waarin verwezenwordt naar de Warmtewet. Aangezien dit wetsvoorstel de Warmtewetintrekt zal in de plaats daarvan worden verwezen naar de Wet collectievewarmte.Artikel 12.20Onderdeel A plaatst de Wet collectieve warmte op de lijst van wettenopgenomen in artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb waarin de bevoegdheids-regeling bestuursrechtspraak is opgenomen. Hierdoor is de regel datberoep in eerste aanleg tegen besluiten op grond van dit wetsvoorstel bijhet CBb mogelijk is. Uitgezonderd zijn de handhavingsbesluiten op grondvan de artikelen 9.3 en 9.4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3295 De onderdelen B en C, bewerkstelligen dat tegen de handhavingsbesluitenop grond van de artikelen 9.3 en 9.4 beroep mogelijk is bij de rechtbankRotterdam en hoger beroep bij het CBb.Zoals ook in paragraaf 12.1 is toegelicht is met deze bevoegdheidsver-deling aangesloten bij de wijze waarop dit in de Warmtewet is geregeld.Artikel 12.21Artikel 6a van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie zietop de meetverplichtingen die op grond van richtlijn 2012/27/EU en richtlijn2018/2002/EU voor grootverbruikers van warmte worden gesteld.Aangezien deze meetverplichtingen nagenoeg grotendeels overeenkomenmet de meetverplichtingen voor kleinverbruikers voor warmte in deartikelen 8, 8a en 8b van de Warmtewet, is in dit wetsvoorstel ervoorgekozen om de meetverplichtingen in de artikelen 2.12, eerste lid,onderdeel m, 2.40 tot en met 2.42, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel m, en3.7 van dit wetsvoorstel te laten gelden voor groot- en kleinverbruikers.Het enige verschil is dat een grootverbruiker niet kan verzoeken om eenwarmtemeter of een warmtekostenverdeler niet op afstand uit te lezen(artikel 2.42, tweede lid).Artikel 12.22Onderdelen A en BOp grond van het voorziene artikel 3.19 van de Energiewet (thans:artikel 10d, tweede lid, Gaswet en artikel 17c, tweede lid, Elektriciteitswet1998) zijn infrastructuurbedrijven (bedrijven binnen de infrastructuur-groep, niet zijnde een systeembeheerder – thans: netwerkbedrijven)gebonden aan een limitatieve lijst van toegestane nevenactiviteiten.Aangezien de productie en levering van warmte niet is opgenomen,mogen infrastructuurbedrijven zich hier op dit moment niet mee bezighouden. Hierdoor is het voor infrastructuurbedrijven niet mogelijk om eenmeerderheidsbelang te hebben in een aangewezen warmtebedrijf,aangezien het warmtebedrijf daarmee eveneens als infrastructuurbedrijfdeel zou gaan uitmaken van de infrastructuurgroep. Een aangewezenwarmtebedrijf draagt immers de integrale verantwoordelijkheid voor decollectieve warmtevoorziening, wat ook de productie en levering vanwarmte behelst.Om te bewerkstelligen dat ook infrastructuurbedrijven in de domeinenvan elektriciteit en gas een meerderheidsbelang kunnen hebben in eenaangewezen warmtebedrijf, voorziet een wijziging van artikel 3.19, tweedelid, van de Energiewet erin dat een infrastructuurbedrijf zich naast deaanleg en het beheer van de infrastructuur van warmte en het transportvan warmte (onderdeel c) zich ook mag bezighouden met de uitoefeningvan het bedrijf van een aangewezen warmtebedrijf in de zin van de Wetcollectieve warmte en de handelingen of activiteiten die daarmeesamenhangen. Het voorgestelde nieuwe onderdeel d voorziet daarin,onder twee voorwaarden. Ten eerste kan de uitoefening van het warmte-bedrijf niet (binnen dezelfde onderneming) samengaan met anderehandelingen of activiteiten die in artikel 3.19 worden toegestaan. Deuitoefening van het warmtebedrijf dient derhalve binnen de infrastructuur-groep te worden gescheiden van andere nevenactiviteiten. Ten tweedeblijft het verbod gehandhaafd op de productie van elektriciteit, gas ofwaterstofgas binnen de infrastructuurgroep, maar ziet het productie-verbod niet op de productie door het aangewezen warmtebedrijf indiendat uitsluitend dient voor zelfgebruik of wanneer de leveringszekerheid inhet geding is. Op deze manier wordt een indirect belang van de infrastruc-tuurgroep bij de productie van gas of elektriciteit (ten behoeve van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3296 warmtebedrijf) voorkomen. Het is infrastructuurbedrijven wel toegestaandeel te nemen in een aangewezen warmtebedrijf indien de bij warmtepro-ductie geproduceerde elektriciteit of gas uitsluitend wordt ingezet voorzelfgebruik (systeemhandhaving en -optimalisatie door de inzet vanelektriciteit of gas voor pompenergie, temperatuurhandhaving endergelijke). In deze situaties wordt immers niet deelgenomen aan eenhandelsmarkt. Tevens is (het deelnemen in) de productie van elektriciteit,gas of waterstofgas tijdelijk toegestaan wanneer de leveringszekerheidwordt bedreigd.In verband met het voorgaande wordt in het eerste lid van artikel 3.10 vande Energiewet voorzien in een precisering van de toepassing van hetgroepsverbod in het geval van deelname in een aangewezen warmtebe-drijf door de toevoeging van een verwijzing naar het voorgesteldeartikel 3.19, tweede lid, onderdeel d (nieuw).Artikel 3.10, tweede en derde lid, van de Energiewet (thans: artikel 2c,tweede en derde lid, van de Gaswet en 10b, tweede en derde lid, van deElektriciteitswet 1998) bevatten, respectievelijk, het verbod op deelnemingin een systeembeheerder of een infrastructuurbedrijf door een rechts-persoon of vennootschap die deel uitmaakt van een (andere) groep,waartoe tevens een rechtspersoon of vennootschap behoort die elektri-citeit, gas of waterstofgas produceert, levert of daarin handelt alsmede hetspiegelbeeldige verbod op deelname door een systeembeheerder ofinfrastructuurbedrijf in een dergelijke rechtspersoon of vennootschap. Devoorgestelde toevoegingen aan deze bepalingen maken een uitzonderingvoor het houden van aandelen in of de deelneming in warmtebedrijven.Hierdoor is voortaan deelneming van infrastructuurbedrijven en privateenergiebedrijven in hetzelfde warmtebedrijf mogelijk. De deelnemingdoor systeembeheerders wordt echter niet mogelijk gemaakt.Onderdeel CDe voorgestelde wijziging van artikel 3.19, tweede lid, van de Energiewetstrekt ertoe dat een aangewezen warmtebedrijf een infrastructuurbedrijfkan zijn en dus deel uitmaakt van een infrastructuurgroep. Artikel 3.21schrijft aan een infrastructuurbedrijf voor dat het in beginsel alleenaandelen mag houden in een rechtspersoon, of deelnemen aan eenvennootschap die handelingen of activiteiten verricht die op grond van deartikelen 3.19 en 3.20 zijn toegestaan. Het voorgestelde nieuwe derde lidvan artikel 3.21 voorziet in een aantal aanvullende voorwaarden bijdeelneming van een infrastructuurbedrijf in een aangewezen warmtebe-drijf, die beogen te voorkomen dat de systeembeheerder(s) binnen deinfrastructuurgroep direct worden blootgesteld aan de financiële risico’sdie de infrastructuurgroep door de deelneming in een aangewezenwarmtebedrijf zou lopen. Daarnaast wordt beoogd om belangenverstren-geling en bevoordeling van het aangewezen warmtebedrijf door eensysteembeheerder te voorkomenArtikel 3.21, derde lid, onderdeel a, bevat de voorwaarde dat debestuurders en de meerderheid van de raad van commissarissen van hetaangewezen warmtebedrijf geen statutaire bestuurder zijn van detransmissie- of distributiesysteembeheerder binnen de infrastructuur-groep. Dit om belangenverstrengeling te voorkomen.Artikel 3.21, derde lid, onderdeel b, schrijft aan het infrastructuurbedrijf alsaandeelhouder of deelnemer een evenwichtige afweging tussen debelangen van het aangewezen warmtebedrijf en de systeembeheerdervoor. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat het aandeelhoudersbelangvan een infrastructuurbedrijf prevaleert boven of structureel zwaarderweegt dan het belang van het aangewezen warmtebedrijf waarin wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3297 deelgenomen, of omgekeerd. De wijze waarop (door het infrastructuurbe-drijf) invulling wordt gegeven aan de aandeelhoudersrol in het aange-wezen warmtebedrijf en de distributiesysteembeheerder voor elektriciteiten gas dient op evenwichtige wijze plaats te vinden. Een zekere mate vankeuze tussen verschillende belangen blijft binnen deze norm mogelijk,maar kent een hogere ondergrens dan die uit het ondernemingsrecht kanworden gedestilleerd. De voorwaarde kan worden gezien als een nadereinkleuring van de normen die zijn opgenomen in artikel 2:8 van hetBurgerlijk Wetboek, waarin is bepaald dat de aandeelhouders deredelijkheid en billijkheid in acht moeten nemen. In het ondernemings-recht blijft het uitgangspunt dat een aandeelhouder zijn eigen belang magnastreven, hetgeen op gespannen voet staat met het vennootschappelijkbelang. Deze norm kan tot gevolg zal hebben dat op niveau van deholding binnen de infrastructuurgroep een discussie gevoerd zal wordenover de verdeling van middelen tussen beide typen activiteiten. Daarinmoet de beoogde evenwichtige weging van belangen tot uiting komen.Dat zou vervolgens ook in notulen van (bestuurs)vergaderingen opholdingniveau tot uiting moeten komen. Die notulen bieden een aankno-pingspunt bij de handhaving van de naleving van dit voorschrift. Tot slotzij opgemerkt dat voor zover er sprake is van parallelle of gedeeldebelangen, deze voorwaarde geen spanning zal opleveren. In een dergelijkgeval kan immers het ene belang niet prevaleren boven het andere.Artikel 3.21, derde lid, onderdeel c, voorziet erin dat het verbod opbevoordeling door een systeembeheerder van een infrastructuur binnende infrastructuurgroep, ook van overeenkomstige toepassing is op derelatie tot een aangewezen warmtebedrijf dat, omdat er geen meerder-heidsbelang is, geen deel uitmaakt van die groep. Met bevoordelen wordtgedoeld op alle vormen van het verstrekken van niet-marktconformeeconomische voordelen, zoals het in rekening brengen van latereelektriciteitstarieven, het verstrekken van zekerheden en het beschikbaarstellen van goedkopere leningen dan een aangewezen warmtebedrijf zelfzou kunnen aantrekken. Deze maatregel ziet niet op de verdeling vandividend. Uiteraard is het wel toegestaan om bepaalde synergievoordelente benutten. Het is bijvoorbeeld niet verboden om op holdingniveaufinanciering aan te trekken en op die manier de voordelen van desamenwerking in een groep te benutten. Voorts is van belang dat voor hetbestuur van iedere rechtspersoon en dus ook die van het aangewezenwarmtebedrijf de administratieplicht uit hoofde van artikel 2:10, eerste lid,van het Burgerlijk Wetboek geldt. Op basis daarvan dient, kort gezegd, eenzodanige administratie te worden gevoerd dat te allen tijde de rechten enverplichtingen van het aangewezen warmtebedrijf kunnen wordengekend.Artikel 3.21, derde lid, onderdeel d, voorziet in een algemeen verbod totfinanciële ondersteuning door een systeembeheerder ten gunste van eenaangewezen warmtebedrijf waaraan een infrastructuurbedrijf deelneemt.De verschillende vormen van mogelijke steunverlening – zekerheidstellen, sterk maken en hoofdelijk of anderszins verbinden – zijn ruimebegrippen en ontleend aan het «steunverbod» in artikel 2:98c van hetBurgerlijk Wetboek. De bepaling is een aanvulling op artikel 3.13Energiewet, dat hier al deels aan tegemoet komt maar aanhaakt bij hetbegrip «beheerde systeem», waarmee dit artikel alleen ziet op de(roerende of onroerende) zaken die het gas- of elektriciteitsnet vormen.Om directe blootstelling van een systeembeheerder aan financiële risico’svan het aangewezen warmtebedrijf zoveel mogelijk te vermijden, moetook niet mogelijk zijn dat er zekerheden worden gesteld op anderevermogensbestanddelen van de systeembeheerder. Andere vormen vanfinanciële ondersteuning zijn het verstrekken van een zogenaamde403-verklaring of een vergelijkbare garantie ten behoeve van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3298 schuldeiser, borgstellingen, verstrekking van (derde) zekerheidsrechten en(achtergestelde) leningen. Het verbod ziet alleen op de systeembeheerder,financiering vanuit de holding of een ander infrastructuurbedrijf binnen degroep is nog steeds mogelijk.Onderdeel D en EDoor het opnemen van het toe te voegen derde en vierde lid vanartikel 3.21 in de opsomming in artikel 5.20 van de Energiewet, wordtvoorzien in de mogelijkheid van handhaving van deze nieuwevoorschriften.Artikel 12.23Voorgesteld is de Warmtewet in te trekken.Artikel 12.24Eerste lidDe artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de verschillende artikelen ofonderdelen verschillend worden vastgesteld. Gelet op een mogelijkgefaseerde inwerkingtreding van deze wet is in het overgangsrechttelkens de zinssnede «na inwerkingtreding van dit artikel» in plaats van«na inwerkingtreding van deze wet» opgenomen.Tweede lidIn het tweede lid is een specifieke bepaling opgenomen voor artikel 2.42,eerste lid, waardoor dit artikel op een bij koninklijk besluit te bepalentijdstip zal worden gewijzigd. Op grond van artikel 2.42, eerste lid, dienenwarmtemeters en warmtekostenverdelers die na 25 oktober 2020 wordengeïnstalleerd op afstand uitleesbaar te zijn. Dit is implementatie vanartikel 9quater, eerste lid, van richtlijn 2012/27/EU, toegevoegd aan dierichtlijn door richtlijn 2018/2002/EU. Deze richtlijn is geïmplementeerd metde Wijziging van de Warmtewet in verband met de implementatie vanrichtlijn 2018/2002/EU (Stb. 2020, 222). Daarnaast verplicht artikel 9quater,tweede lid, van richtlijn 2012/27/EU dat vanaf 1 januari 2027 ookbestaande warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstanduitleesbaar zijn tenzij dit niet kostenefficiënt is. Dit zal in weinig situatiesaangetoond kunnen worden, omdat er dan tien jaar zijn verstreken sindsde publicatie van het Commissievoorstel en warmtemeters en warmtekos-tenverdelers doorgaans binnen 10 jaar vervangen moeten worden. Hetargument dat warmtemeters niet afgeschreven zijn kan geen rechtvaar-diging zijn om af te wijken van de vereiste dat een warmtemeter ofwarmtekostenverdeler op afstand uitleesbaar moeten zijn. Meer specifiekeomstandigheden moeten aanwezig zijn. Ook deze verplichting is reedsgeïmplementeerd met de Wijziging van de Warmtewet in verband met deimplementatie van richtlijn 2018/2002/EU (artikel 45a van de Warmtewet).Derde lid tot en met zesde lidHet derde lid voorziet in een aantal wijzigingen die gelijktijdig plaats zullenvinden met het in werking treden van de artikelen 7.3 tot en met 7.5. Metde inwerkingtreding van de artikelen 7.3 tot en met 7.5 vindt de overgangvan fase 1 naar fase 2 van de tariefregulering plaats. In het derde lid isvoorzien in een aantal aanpassingen van artikelen waarin de verwijzingmoet worden aangepast van een verwijzing naar tariefregulering fase 1naar een verwijzing naar de bepalingen over tariefregulering in fase 2. ZoTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3299 wordt bijvoorbeeld artikel 7.1, eerste lid, dusdanig aangepast dat het vantoepassing is op de tariefregulering van fase 2. Daarnaast komt artikel 7.2,dat ziet op de tariefregulering in fase 1, te vervallen en vervallen inartikel 7.12 het tweede tot en met het vierde lid, die betrekking hebben opde rendementstoets. Daarnaast wordt ook het artikel dat ziet op dedoorlevering van warmte in de tariefregulering van fase 2 aangepast.Het vierde lid voorziet in de aanpassingen die nodig zijn wanneer ookvoor de kleine collectieve warmtesystemen wordt overgegaan op detariefregulering van fase 2. Ook voor de kleine collectieve warmtesys-temen zal de rendementstoets komen te vervallen wanneer ook voor dezesystemen wordt overgegaan op fase 2 van de tariefregulering.In het vijfde lid is een wijziging opgenomen die nodig is wanneer deartikelen die zien op de tariefregulering voor grootverbruikers in werkingtreden. In dat geval wordt een verwijzing naar de artikelen 7.14 en 7.20opgenomen in artikel 9.4, eerste lid, van de wet, zodat de ACM in gevalvan overtreding van het bepaalde in die artikelen een bestuurlijke boeteop kan leggen.In het zesde lid van dit artikel zijn de benodigde wijzigingen opgenomenvoor de overgang van de tariefregulering van fase 2 naar fase 3. Dezewijzigingen zien op het aanpassen van de verwijzingen in diverseartikelen, zodat deze vanaf dat moment verwijzen naar de tariefreguleringvan fase 3. Daarnaast wordt artikel 7.1, eerste lid, dusdanig aangepast datdit ziet op de tariefregulering van fase 3 en komen verschillende artikelendie zien op of gekoppeld zijn aan de tariefregulering van fase 2 tevervallen. In dit verband wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van detoelichting en de toelichting op artikel 7.1 en de daaropvolgende artikelen.De Minister voor Klimaat en Energie,R.A.A. JettenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 3300

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 810b849d9f0c5969

14 okt 2026 · 6f6af01796d3f878

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.