KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 37020-1)

25 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 86e935a78a79cc24 · officiële bron

37 020 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën Nr. 58 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 25 september 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Financiën over de Miljoenennota 2027 (Kamerstuk 37 020, nr. 1). De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 25 september 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie, Jansen Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur Vraag 1 Vraag 1 Klopt het dat de zorgpremies komende jaren niet dalen? Waarom gebruikt het kabinet dan «dalende zorgpremies» als verzachtende omstandigheid bij de stijgende inkomstenbelastingen? Antwoord op vraag 1 Door de toenemende zorgkosten stijgt de nominale zorgpremie de komende jaren naar verwachting. Zonder ingrijpen van dit kabinet was de premie in 2027 sterk gestegen vanwege o.a. het eerdere voornemen om het eigen risico te halveren. Door het beleid van dit kabinet wordt de stijging beperkt: in 2027 met 2,4 miljard ten opzichte van het basispad en tot en met 2031 met 4,6 miljard euro minder. Vraag 2 Vraag 2 Waar slaan de ingehouden loon- en prijsbijstelling precies neer? Welke departementen of uitvoeringsorganisaties worden uitgezonderd? Kunt u dit zo specifiek mogelijk aangeven? Antwoord op vraag 2 In de Miljoenennota is afgesproken om de loon- en prijsbijstellingstranches 2027 en 2028 over Coalitieakkoord (CA) middelen in te houden. De extra middelen worden daarmee niet geïndexeerd, de reguliere (niet-CA) middelen uit het basispad worden niet geraakt door deze maatregel. Het is aan de betreffende departementen om de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling op hun begrotingen verder uit te werken. Bij de vormgeving van deze ombuiging is geen doorverdeling gemaakt naar departementen. De verwerkte ombuiging op loon- en prijsbijstelling CA in de Miljoenennota betreft een initiële raming van de omvang op basis van gemiddelde loon- en prijscodes. Er is gekeken naar het totaal aan kaderrelevante mutaties volgend uit het CA Jetten. In de grondslag voor de ombuiging zijn de intensiveringen uit CA Jetten op het terrein van defensie, het gemeentefonds, HGIS ODA-middelen en de premie uitgaven van SZW en VWS uitgezonderd, omdat deze posten een eigen indexatiesystematiek hebben. Ter illustratie toont tabel 1 het aandeel CA middelen per begroting als percentage van het totaal aan CA intensiveringen. Dit betreft geen verdeling van de maatregel. Tabel 1 Aandeel CA middelen per begroting als percentage van totaal CA middelen 2027 2028 2029 2030 2031 Totaal 100% 100% 100% 100% 100% LVVN 10% 16% 4% 4% 21% AenM 48% 34% 30% 30% 18% KGG 6% 7% 9% 10% 15% OCW 20% 19% 19% 23% 14% VRO 0% 0% 16% 18% 11% IenW 4% 12% 10% 0% 11% JenV 8% 8% 9% 12% 7% EZK 2% 2% 1% 2% 1% FIN 0% 1% 1% 1% 1% BZ 1% 1% 0% 1% 0% AZ 0% 0% 0% 0% 0% BHOS 0% 1% 1% 0% 0% BZK 1% 1% 1% 1% 0% KR 0% 0% 0% 0% 0% SZW 0% 0% 0% 0% 0% VWS 0% 0% 0% 0% 0% Vraag 3 Vraag 3 Gaan de bezuinigingen (prijsbijstelling) op de extra middelen uit coalitieakkoord ook gelden voor onderwijs en defensie? Antwoord op vraag 3 Zie het antwoord op vraag 2. Vraag 4 Vraag 4 Kunt u een overzicht geven van de taakstellingen op het Rijk sinds het kabinet-Schoof, inclusief de nieuwe taakstelling t/m 2035? Hoe slaat de totale taakstelling neer over de departementen? Antwoord op vraag 4 Tabel 2 geeft een overzicht van de taakstellingen op de apparaatsuitgaven van het Rijk sinds het kabinet-Schoof, inclusief de taakstellingen uit Miljoenennota 2027, uitgesplitst over de verschillende departementen. Tabel 2 Totaal taakstellingen sinds kabinet-Schoof, per departement in miljoenen euro 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 AZ ‒ 1 ‒ 3 ‒ 5 ‒ 9 ‒ 13 ‒ 15 ‒ 16 ‒ 17 ‒ 18 ‒ 19 ‒ 20 BZ/BHO ‒ 35 ‒ 65 ‒ 95 ‒ 127 ‒ 146 ‒ 154 ‒ 157 ‒ 161 ‒ 165 ‒ 169 ‒ 173 BZK/VRO ‒ 41 ‒ 70 ‒ 101 ‒ 144 ‒ 187 ‒ 218 ‒ 228 ‒ 240 ‒ 251 ‒ 263 ‒ 274 EZ/KGG ‒ 32 ‒ 55 ‒ 82 ‒ 117 ‒ 157 ‒ 189 ‒ 201 ‒ 214 ‒ 226 ‒ 238 ‒ 250 FIN ‒ 57 ‒ 73 ‒ 114 ‒ 199 ‒ 329 ‒ 450 ‒ 496 ‒ 541 ‒ 586 ‒ 632 ‒ 677 IenW (incl. Deltafonds en mobiliteitsfonds) ‒ 42 ‒ 63 ‒ 92 ‒ 143 ‒ 211 ‒ 273 ‒ 294 ‒ 316 ‒ 338 ‒ 359 ‒ 381 JenV/AenM ‒ 33 ‒ 58 ‒ 94 ‒ 159 ‒ 224 ‒ 275 ‒ 304 ‒ 332 ‒ 360 ‒ 389 ‒ 417 LVVN ‒ 19 ‒ 27 ‒ 39 ‒ 60 ‒ 85 ‒ 106 ‒ 113 ‒ 121 ‒ 128 ‒ 136 ‒ 144 OCW ‒ 43 ‒ 62 ‒ 86 ‒ 125 ‒ 166 ‒ 202 ‒ 214 ‒ 227 ‒ 240 ‒ 252 ‒ 265 SZW ‒ 57 ‒ 80 ‒ 122 ‒ 200 ‒ 309 ‒ 412 ‒ 451 ‒ 490 ‒ 530 ‒ 569 ‒ 608 VWS ‒ 33 ‒ 47 ‒ 70 ‒ 110 ‒ 158 ‒ 197 ‒ 214 ‒ 231 ‒ 248 ‒ 264 ‒ 281 Totaal ‒ 393 ‒ 603 ‒ 901 ‒ 1.391 ‒ 1.985 ‒ 2.491 ‒ 2.690 ‒ 2.890 ‒ 3.090 ‒ 3.290 ‒ 3.490 Vraag 5 Vraag 5 Is het mogelijk de (structurele) uitgaven aan de reisvoorziening voor scholieren en studerenden van de OCW-begroting structureel over te hevelen naar de IenW-begroting teneinde meer stabiliteit en zekerheid op de voor het OV beschikbare middelen te krijgen? Wat is ervoor nodig om dat mogelijk te maken? Antwoord op vraag 5 Het is mogelijk om het studentenreisproduct van de OCW-begroting naar de IenW-begroting over te hevelen. Dit zorgt op zichzelf niet direct voor meer stabiliteit en zekerheid van de middelen voor het ov. Door de verantwoordelijkheid te verplaatsen, komt er namelijk niet automatisch meer of minder geld beschikbaar voor het ov. Zolang de hoogte van de vergoeding afhangt van studentenaantallen en reisgedrag zoals geregeld in het contract dat de Staat heeft met ov-bedrijven, blijft er sprake van fluctuaties van de geldstroom. Vraag 6 Vraag 6 Wat zijn de uitgaven die gepaard gaan met de reiskostenvergoeding voor studenten die in het buitenland studeren? Hoe ziet de budgettaire reeks er de komende jaren voor hen uit? Antwoord op vraag 6 De raming van uitgaven voor de Reisvoorziening Buitenlandstuderenden (RBS) is als volgt: Tabel 3 Raming uitgaven Reisvoorziening Buitenlandstuderenden In miljoenen euro’s 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Gift 1,7 1,8 1,9 1,9 1,9 1,9 Prestatiebeurs 22,2 22,5 22,7 23,0 23,3 23,5 Vraag 7 Vraag 7 Hoeveel levert verkorting van de schijflengte in de erf- en schenkbelasting budgettair op als deze respectievelijk met 10.000 euro, 20.000 euro, 30.000 euro, 40.000 euro en 50.000 euro worden verkort? En welke teruglegging c.q. nieuwe schijfgrens is verbonden aan een budgettaire opbrengst van respectievelijk 73, 100, 110, 200 en 300 miljoen euro? Antwoord op vraag 7 De hiernavolgende tabel bevat de geraamde structurele budgettaire opbrengsten van verschillende verlagingen van het aanvangspunt van de tweede schijf in de schenk- en erfbelasting (bedrag 2027: € 162.795). De ramingen houden rekening met het gedragseffect dat fiscaal gedreven schenkingen worden verlaagd naar het gewijzigde aanvangspunt van de tweede schijf. Tabel 4 Budgettaire gevolgen verlagen aanvangspunt tweede schijf schenk- en erfbelasting Verlaging aanvangspunt tweede schijf schenk- en erfbelasting Structurele budgettaire opbrengst - € 10.000 30 - € 20.000 64 - € 22.500 73 - € 30.000 100 - € 32.000 110 - € 40.000 146 - € 50.000 197 - € 50.500 200 - € 67.000 300 Vraag 8 Vraag 8 Wat houdt de belastingconstructie in de schenkbelasting met papieren schenkingen precies in, hoe zou deze aangepakt kunnen worden en per wanneer levert dit hoeveel op? Antwoord op vraag 8 Papieren schenkingen stellen de schenker in staat om een schenking te doen zonder het geschonken vermogen direct uit te betalen. Hiermee ontstaat er een schuld van de schenker aan de begiftigde en andersom heeft de begiftigde een vordering op de schenker. Door op papier te schenken, kan optimaal gebruik worden gemaakt van de jaarlijkse schenkvrijstelling (ca. € 7.000 bij schenkingen van ouders aan kinderen) en eventueel van het lagere tarief in de eerste schijf in de schenk- en erfbelasting (10%, 18% of 30% afhankelijk van de relatie tot de begiftigde). Over de schuld (dat is de papieren schenking) aan de begiftigde is schenker jaarlijks 6% rente verschuldigd. Deze rente is fiscaal gezien geen schenking en daarom wordt deze vermogensoverdracht niet belast met schenkbelasting. De papieren schenking verlaagt het box 3 vermogen van de schenker en verhoogt het box 3 vermogen van de begiftigde. Het voordeel van een papieren schenking in de schenk- en erfbelasting kan oplopen tot het tarief van de tweede schijf (20%, 36% of 40%) van het totale bedrag aan papieren schenkingen plus het totale bedrag van de 6% rente die de schenker jaarlijks over de papieren schenkingen aan de begiftigde moet betalen. Het voordeel kan verder oplopen als de schenker vanwege de papieren schenkingen (die zijn box 3-vermogen verlagen) (hogere) toeslagen ontvangt of een lagere eigen bijdrage voor de Wet langdurige zorg of Wet maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is. Voor de aanpak van papieren schenkingen zijn twee maatregelen geschetst in de bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026. Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging van de voormalige staatssecretaris van Financiën aan het Tweede Kamerlid Stultiens om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan. Het gaat om de volgende twee maatregelen: 1.    Lagere rentevergoeding Momenteel is de schenker een jaarlijkse rente van 6% verschuldigd over de papieren schenkingen. Dit percentage betreft de wettelijke rekenrente in de schenk- en erfbelasting. In het moderniseringsvoorstel van de rekenrente en levensverwachtingen in de schenk- en erfbelasting dat mijn ambtsvoorganger begin dit jaar naar uw kamer heeft gestuurd, wordt geadviseerd de rekenrente te actualiseren op basis van de huidige marktrentes en de huidige levensverwachting en deze periodiek te actualiseren. De gemoderniseerde rekenrente per 1 januari 2028 wordt op basis van de huidige renteverwachtingen geraamd op 3%, hetgeen fors lager is dan de huidige 6%. Deze maatregel heeft twee effecten. Ten eerste neemt het voordeel van een papieren schenking af doordat er via rentebetalingen minder vermogen zonder schenkbelasting overgedragen kan worden. Ten tweede kan het papieren schenkingen aantrekkelijker maken. Door de lagere rentevergoeding kunnen schenkers met een relatief beperkt liquide vermogen in totaal een hoger bedrag op papier schenken. Het eerste effect is naar verwachting groter, waardoor per saldo minder fiscaal voordeel met papieren schenkingen behaald zal worden dan nu het geval is. 2.    Fictieve verkrijging voor de schenk- en erfbelasting Bij deze maatregel wordt het progressievoordeel in de schenk- en erfbelasting van de hoofdsom van een papieren schenking weggenomen. Dit wordt bereikt door het bedrag van papieren schenkingen dat tijdens leven wordt afgelost of dat opeisbaar is na overlijden hetzelfde (progressief) te belasten als wanneer die geldoverdracht of dat overlijden had plaatsgevonden zonder voorafgaande papieren schenking. In de schenkbelasting wordt een fictieve verkrijging opgenomen van de aflossing van een papieren schenking door de schenker. In de erfbelasting wordt een fictieve verkrijging opgenomen van het bedrag van (het nog niet afgeloste deel van) de papieren schenking op het moment van overlijden van de schenker. Eventueel eerder over de papieren schenking betaalde schenkbelasting kan worden verrekend om dubbele belastingheffing te voorkomen. Met het voorstel om de rekenrente en levensverwachtingen waarmee in de schenk- en erfbelasting wordt gerekend te moderniseren worden tevens papieren schenkingen per saldo minder aantrekkelijk. Het moderniseren van de rekenrente en levensverwachtingen in de schenk- en erfbelasting zou per 2028 ingevoerd kunnen worden. De lastenrelevante opbrengst zou € 153 miljoen vanaf het jaar van invoering bedragen. De maatregel waarmee voor de papieren schenkingen een fictieve verkrijging ingevoerd wordt zou per 2027 ingevoerd kunnen worden. De lastenrelevante opbrengst zou € 153 miljoen vanaf het jaar van invoering bedragen. Vraag 9 Vraag 9 Wat houdt het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting precies in en hoeveel zou dat in 2027 en structureel kunnen opleveren? Antwoord op vraag 9 In de schenk- en erfbelasting worden waarderingsregels gebruikt om de contante waarde van periodieke uitkeringen en vorderingen forfaitair te bepalen. De waarderingsregels worden in de schenk- en erfbelasting het meest toegepast bij het waarderen van onderbedelingsvorderingen die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Een nalatenschap valt open op het moment van het eerste overlijden binnen een ouderpaar. De huidige waarderingsregels zijn gebaseerd op statistische levensverwachtingen en een rekenrente van 6%. Zowel de rekenrente als de levensverwachtingen waarmee in de waarderingsregels wordt gerekend zijn sinds 1980 niet meer aangepast. Modernisering houdt in dat de waarderingsregels worden voorzien van een actuele en gedegen onderbouwde rekenrente en levensverwachtingen. Daarnaast houdt modernisering in dat de rekenrente en levensverwachtingen voortaan elk jaar automatisch worden bijgesteld. In het moderniseringsvoorstel in de Kamerbrief van 12 januari 2026 van de voormalige staatssecretaris van Financiën is voorgesteld om de gemoderniseerde waarderingsregels niet eerder dan per 1 januari 2028 in werking te laten treden in combinatie met overgangsrecht. Hierdoor zouden de gemoderniseerde waarderingsregels alleen gaan gelden voor nalatenschappen die vanaf 1 januari 2028 openvallen. Op basis van de meest recente renteprojecties leidt het moderniseren tot een structurele lastenrelevante opbrengst van € 153 miljoen per jaar. Vraag 10 Vraag 10 Wat zou het terugbrengen van excessief lenen uit de eigen BV in box 2 aan budgettaire reeksen opleveren als deze wordt teruggebracht naar respectievelijk 400.000 euro, 300.000 euro, 200.000 euro, 100.000 euro en 17.500 euro (exclusief de eigenwoninghypotheek)? Antwoord op vraag 10 In onderstaande tabel zijn de gevraagde budgettaire reeksen gegeven. De reeksen op transactiebasis geven het budgettaire effect voor het betreffende belastingjaar weer. Het beperken van het lenen van de eigen vennootschap leidt in het jaar van invoering tot een grote opbrengst, die in de jaren daarna weer ingelopen wordt. Structureel is er een kleine opbrengst door het voorkomen van belastingafstel. Voor maatregelen als deze die met name leiden tot een schuif van belastinginkomsten in de tijd is voor het inkomstenkader de vlakke reeks met dezelfde netto contante waarde relevant. Deze lastenrelevante reeksen zijn ook gegeven in de tabel. Tabel 5 Budgettaire gevolgen terugbrengen excessief lenen 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 Struc. Transactiebasis 400.000 664 ‒ 2 ‒ 3 ‒ 5 ‒ 6 ‒ 8 ‒ 9 ‒ 11 ‒ 12 2 300.000 1.692 ‒ 4 ‒ 7 ‒ 11 ‒ 15 ‒ 19 ‒ 22 ‒ 26 ‒ 30 5 200.000 3.180 ‒ 7 ‒ 14 ‒ 20 ‒ 27 ‒ 34 ‒ 40 ‒ 47 ‒ 54 8 100.000 5.358 ‒ 11 ‒ 23 ‒ 34 ‒ 45 ‒ 56 ‒ 67 ‒ 78 ‒ 89 14 17.500 8.183 ‒ 17 ‒ 34 ‒ 52 ‒ 69 ‒ 86 ‒ 102 ‒ 119 ‒ 136 21 Lastenrelevant 400.000 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 300.000 29 29 29 29 29 29 29 29 29 29 200.000 55 55 55 55 55 55 55 55 55 55 100.000 94 94 94 94 94 94 94 94 94 94 17.500 143 143 143 143 143 143 143 143 143 143 Vraag 11 Vraag 11 Wat zou het beperken van de eigenwoninghypotheek uit de eigen BV in box 2 aan budgettaire reeksen opleveren als deze wordt teruggebracht naar respectievelijk 1.000.000 euro, 500.000 euro en nihil? Antwoord op vraag 11 In onderstaande tabel zijn de gevraagde budgettaire reeksen gegeven voor het beperken van de vrijstelling voor eigenwoningschuld (EWS) tot de weergegeven maximale bedragen. Hierbij is uitgegaan van 2027 als invoeringsjaar, waarbij niet is onderzocht of een invoering van een extra grens in dat jaar uitvoeringstechnisch mogelijk is. Zie voor een verdere toelichting ook het antwoord op vraag 10. Tabel 6 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 Struc. Transactiebasis Vrijstelling EWS 1.000.000 476 ‒ 1 ‒ 2 ‒ 3 ‒ 4 ‒ 5 ‒ 6 ‒ 6 ‒ 7 1 Vrijstelling EWS 500.000 911 ‒ 2 ‒ 4 ‒ 5 ‒ 7 ‒ 9 ‒ 11 ‒ 12 ‒ 14 2 Vrijstelling EWS nihil 2.334 ‒ 5 ‒ 9 ‒ 14 ‒ 19 ‒ 23 ‒ 28 ‒ 32 ‒ 37 6 Lastenrelevant Vrijstelling EWS 1.000.000 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 Vrijstelling EWS 500.000 16 16 16 16 16 16 16 16 16 16 Vrijstelling EWS nihil 41 41 41 41 41 41 41 41 41 41 Vraag 12 Vraag 12 Wat levert het schrappen van de zelfstandigenaftrek op in 2027, de kabinetsperiode en structureel? Antwoord op vraag 12 De zelfstandigenaftrek kan niet per 2027 volledig afgeschaft worden, omdat dit een structuurwijziging betreft. Afschaffen is op zijn vroegst mogelijk per 2029 en dat leidt tot onderstaande budgettaire opbrengsten (in miljoenen euro’s en in prijzen 2026). Tabel 7 Budgettaire gevolgen afschaffen zelfstandigenaftrek 2029 2030 2031 Structureel (=2034) Afschaffen zelfstandigenaftrek 212 207 202 188 Vraag 13 Vraag 13 Wat zou het verkorten van de schijflengte in de vpb naar respectievelijk 150.000 euro en 100.000 euro budgettair in 2027 en structureel betekenen? Antwoord op vraag 13 Het verkorten van de schijflengte in de Vpb naar respectievelijk 150.000 euro en 100.000 geeft de onderstaande budgettaire opbrengsten in 2027 en structureel. Tabel 8 Budgettaire effecten verkorten schijfgrens Vpb (in € mln. en prijspeil 2026) 2027 Struc. Struc in Aanpassen schijfgrens Vpb naar € 150.000 633 557 2032 Aanpassen schijfgrens Vpb naar € 100.000 1.210 1.090 2032 Vraag 14 Vraag 14 Per wanneer zou het opstaptarief in de vpb beperkt kunnen worden tot één keer te gebruiken door één eigenaar? Wat is ervoor nodig om dat te bewerkstelligen? Hoeveel zou dat budgettair opleveren? Antwoord op vraag 14 Gezien de aard van de Wet Vpb 1969, een belastingheffing van lichamen, waarbij niet alle lichamen een eigenaar hebben (denk aan stichtingen, publiekrechtelijke rechtspersonen e.d.), en bovendien de eventuele ((in)directe) (binnenlandse en buitenlandse) eigenaren meestal ook niet bekend zijn, lijkt het niet goed mogelijk een regeling in de Wet op de Vpb 1969 op te nemen die ervoor zorgt dat slechts één keer gebruik kan worden gemaakt van het opstaptarief door één eigenaar. De vormgeving van een dergelijke maatregel is zeer bewerkelijk en zou de wetgeving (nog) complexer maken. Vraag 15 Vraag 15 Wat kost het verlagen van de energiebelasting op aardgas in de eerste schijf van 0 – 1000 m3 met respectievelijk 2, 5 en 10 eurocent? Is deze maatregel per 2027 uitvoerbaar, of moet dan ook het tarief in de tweede schijf van 1000 ‒ 170.000 m3 mee omlaag? En wat kost het in dat geval? Antwoord op vraag 15 Het verlagen van de energiebelasting op aardgas in enkel de eerste schijf (van 0 – 1.000 m3) is niet uitvoerbaar per 2027. Voor de Belastingdienst is de maatregel op z’n vroegst uitvoerbaar per 2031. Invoering van de maatregel zou de complexiteit in de uitvoering danig vergroten. Een verlaging van het tarief in de eerste schijf is eerder mogelijk als het tarief in de tweede schijf (van 1.000 ‒ 170.000 m3) met hetzelfde bedrag verlaagd wordt. Een verlaging van het tarief in de eerste twee schijven van de energiebelasting op aardgas leidt tot onderstaande budgettaire derving in 2027. Omdat verlaging van het tarief uitsluitend in de eerste schijf de komende jaren in elk geval nog niet mogelijk is, wordt hier geen budgettaire derving voor weergegeven. Overigens zou een verlaging van het tarief op aardgas in de eerste twee schijven in strijd zijn met de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan. Tabel 9 Budgettaire gevolgen verlagen tarieven energiebelasting aardgas 1e en 2e schijf Verlagen met: Derving 2027 2 eurocent 176 miljoen 5 eurocent 439 miljoen 10 eurocent 880 miljoen Vraag 16 Vraag 16 Klopt het dat een budgetneutrale uniformering van de overdrachtsbelasting met behoud van de startersvrijstelling uitkomt op 3,6% en zonder behoud van die vrijstelling op 2,7%? Wat zijn de budgettaire reeksen die bij deze maatregelen horen, inclusief besparingen bij de Belastingdienst? En welke reeksen horen bij een uniforme overdrachtsbelasting van respectievelijk 3% zonder behoud van de startersvrijstelling en 4% met behoud van de startersvrijstelling? Is deze uniformering haalbaar per 1-1-2027? Antwoord op vraag 16 Volgens de meest recente ramingen komt een budgetneutraal, uniform tarief van de overdrachtsbelasting uit op circa 3,7%.[voetnoot 1]De startersvrijstelling blijft daarbij behouden. Zonder behoud van de startersvrijstelling komt een budgetneutraal, uniform tarief van de overdrachtsbelasting uit op circa 2,8%. Bij deze varianten ontstaat een eenmalige budgettaire derving in het jaar van invoering (t) en in het jaar vóór het jaar van invoering (t-1) als gevolg van anticipatiegedrag door belastingplichtigen. In deze varianten daalt het algemeen woningtarief van 7% naar respectievelijk 3,7% en 2,7%. Dit is positief voor het investeringsklimaat in huurwoningen. Tegelijkertijd stijgt het tarief voor doorstromers van 2% naar respectievelijk 3,7% en 2,7%. Dit kan een negatief effect hebben op de doorstroming en arbeidsmobiliteit. De budgettaire reeksen bij invoering per 1-1-2028 zijn als volgt (in miljoen euro): Tabel 10 Budgettaire gevolgen uniformeringen ovb met behoud startersvrijstelling per 2028 2027 2028 2029 2030 struc struc in Budgetneutrale uniformering OVB 3,7% – met behoud startersvrijstelling ‒ 302 ‒ 342 0 0 0 2029 Budgetneutrale uniformering OVB 2,8% – zonder behoud startersvrijstelling ‒ 282 ‒ 284 0 0 0 2029 Een uniforme overdrachtsbelasting van 3% zonder behoud van de startersvrijstelling levert een structurele opbrengst op van circa 300 miljoen euro. Ook hier spelen incidentele effecten in t en t-1 als gevolg van anticipatiegedrag door belastingplichtigen en geldt dat het algemeen woningtarief daalt en het tarief voor doorstromers stijgt. De reeks bij invoering per 1-1-2028 is als volgt (in miljoen euro): Tabel 11 Budgettaire gevolgen uniformering ovb 3% zonder behoud startersvrijstelling per 2028 2027 2028 2029 2030 struc struc in Uniformering OVB op 3% – zonder behoud startersvrijstelling ‒ 286 3 301 301 301 2029 Een uniforme overdrachtsbelasting van 4% met behoud van de startersvrijstelling levert een structurele opbrengst op van circa 270 miljoen euro. Ook hier spelen incidentele effecten in t en t-1 als gevolg van anticipatiegedrag door belastingplichtigen en geldt dat het algemeen woningtarief daalt en het tarief voor doorstromers stijgt. De reeks bij invoering per 1-1-2028 is als volgt (in miljoen euro): Tabel 12 Budgettaire gevolgen uniformering ovb 4% zonder behoud startersvrijstelling per 2028 2027 2028 2029 2030 struc struc in Uniformering OVB op 4% – met behoud startersvrijstelling ‒ 308 ‒ 84 272 272 272 2029 Uniformering van het OVB-tarief zal leiden tot lagere structurele uitvoeringskosten voor de Belastingdienst en het notariaat, doordat de tariefdifferentiatie en de daarmee samenhangende uitvoerings- en handhavingscomplexiteit grotendeels vervallen. Zo kan een deel van het huidige toezichtswerk vervallen, omdat minder controle nodig is. De vereenvoudiging van de uitvoering is bovendien groter als ook de startersvrijstelling wordt afgeschaft. In dat geval vervallen ook de werkzaamheden die samenhangen met de toets op de hoofdverblijfeis. De omvang van de besparing als gevolg van uniformering voor de Belastingdienst zal via een uitvoeringstoets moeten worden gekwantificeerd. Uniformering per 1 januari 2027 is niet haalbaar, omdat het een structuurwijziging betreft die aanpassingen in de systemen en processen van de Belastingdienst en het notariaat vereist. Invoering per 1 januari 2028 is naar verwachting wel haalbaar. Vraag 17 Vraag 17 Per wanneer wordt er accijns op vapes en e-sigaretten ingevoerd en wanneer zal dat voorstel onderdeel zijn van het Belastingplan? Antwoord op vraag 17 Het voornemen is om met ingang van 1 januari 2029 een nationale verbruiksbelasting in te voeren op onder meer vloeistoffen voor elektronische sigaretten. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting begin 2027 als zelfstandig wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend en is geen onderdeel van het Belastingplan. Om die datum te halen, is het vanwege de implementatietermijn van de Douane noodzakelijk dat de wet uiterlijk op 1 juli 2027 in het Staatsblad is gepubliceerd. Het is mogelijk dat vóór de beoogde invoeringsdatum van de nationale verbruiksbelasting op EUniveau een wijziging van de Richtlijn tabaksaccijns tot stand komt die voorziet in geharmoniseerde accijnsheffing op vloeistoffen voor elektronische sigaretten. In dat geval wordt de wijziging van de Richtlijn tabaksaccijns geïmplementeerd in de Wet op de Accijns. Vraag 18 Vraag 18 Kunt u een overzicht geven van welke ombuigingen of lasten de onderstaande groepen raken in 2027, inclusief het budgettair belang? Met hoeveel gaan ze erop achteruit, uitgedrukt in absolute en relatieve getallen? ondernemers werkgevers werknemers gezinnen met kinderen alleenstaanden automobilisten studenten ouderen rokers en alcoholdrinkers benzine en dieselrijders Antwoord op vraag 18 Het is niet mogelijk om voor specifieke doelgroepen aan te geven wat het effect zal zijn in 2027 per maatregel, omdat gegevens over bijvoorbeeld roken niet beschikbaar zijn in de steekproef die wordt gebruikt voor de koopkracht. Daarnaast komen maatregelen die uitgaven raken in de koopkracht tot uiting via de inflatie. Een uitsplitsing naar specifieke groepen geeft in dat geval ook geen volledig inzicht in de gevolgen voor die groepen. In hoofdstuk 7 van de begroting van SZW (paragraaf 7.2.9) wordt stilgestaan bij het mediane inkomenseffect van de beleidsmaatregelen in 2027 van dit kabinet en vorige kabinetten voor huishoudens met een effect. Daarnaast zal het CPB hier nader op in gaan in de beantwoording van de feitelijke vragen bij de Macro Economische Verkenning 2027. Vraag 19 Vraag 19 Waarom levert het verder verhogen van de accijns op tabak netto niets meer op? Bij welke accijnsverhoging in België en Duitsland verandert dit inzicht weer? Per welk jaar zal dat naar verwachting zijn? Antwoord op vraag 19 De gedragseffecten waarmee wordt gerekend in de ramingen voor de tabaksaccijns zijn bepaald aan de hand van onderzoeken uitgevoerd door de Douane en het RIVM. [voetnoot 2] [voetnoot 3] Dit is beschreven in het gedragseffectenmemo zoals opgesteld samen met het CPB. [voetnoot 4]Op basis van de huidige ramingen levert het verder verhogen van tabaksaccijns geen noemenswaardige extra budgettaire opbrengt op. Dat volgt voornamelijk uit de uitkomsten van het EPS 2024 en de gerealiseerde kasontvangsten. Uit het EPS 2024 blijkt dat het aandeel niet in Nederland veraccijnsde sigaretten is opgelopen tot bijna de helft. Dit komt doordat, vanwege open grenzen met buurlanden, Nederlanders hun tabak in een andere lidstaat hebben gekocht, of omdat zij hun tabak via illegale kanalen aanschaffen. Ook als mensen stoppen met roken, heeft dat invloed op de opbrengsten uit de tabaksaccijns. In de afgelopen jaren hebben we ook gezien dat de budgettaire opbrengsten van de tabaksaccijns lager zijn uitgevallen dan geraamd. Als België en Duitsland een accijnsverhoging op tabak doorvoeren, zal het grenseffect mogelijk in omvang afnemen worden, maar ook Luxemburg en andere Europese lidstaten met lagere accijns en prijzen voor tabak, spelen in dit plaatje een rol. Vraag 20 Vraag 20 Kunt u de koopkracht opnieuw berekenen, omdat de inflatie inmiddels is gestegen i.v.m. dure olie en gas? Klopt het dat de gemiddelde koopkrachtdaling daarmee uitkomt op ‒ 0,8 procent, zoals de Rabobank op 16 september 2026 stelde? Antwoord op vraag 20 In Nederland worden economische ramingen gemaakt door het Centraal Plan Bureau (CPB), De Nederlandsche Bank (DNB) en verschillende banken. Deze ramingen verschillen van elkaar. Het kabinet baseert zich altijd op de economische raming van het CPB. Daarmee benut het kabinet in de augustusbesluitvorming de meest actuele gegevens als basis voor de besluitvorming. De wereld staat vervolgens niet stil, en nieuwe ontwikkelingen zijn onvermijdelijk zoals nu ook in het Midden-Oosten het geval is. Ook tussen nu en 1 januari 2027 zullen er veranderingen zijn, zowel in positieve als in negatieve zin. Het kabinet houdt de energieprijzen continu in de gaten en neemt de ontwikkelingen serieus. Vraag 21 Vraag 21 Kunt u een overzicht geven van hoeveel de gemiddelde energierekening in de afgelopen jaar 10 jaar bedroeg (2017 ‒ 2027) en waar deze uit opgebouwd was? Antwoord op vraag 21 De hoogte en opbouw van de energierekening is erg afhankelijk van het type woning, de wijze van verwarmen en de samenstelling van het huishouden. Voor beantwoording van deze vraag is uitgegaan van de «gemiddelde woning». Het CBS publiceert informatie over het energieverbruik van die gemiddelde woning. Dit is een gemiddelde over alle woningen in Nederland, dus inclusief bijvoorbeeld woningen met zonnepanelen. Ook de informatie over netwerktarieven en leveringskosten, die onderdeel zijn van de energierekening, is gebaseerd op gegevens van het CBS. Voor de jaren ná 2025 is voor wat betreft de netwerktarieven en leveringskosten een inschatting gemaakt op basis van de historische ontwikkeling. Voor het verbruik is geen rekening gehouden met verduurzaming in de jaren 2026 en 2027. Als het huishouden in een gemiddelde woning verder verduurzaamt, dan valt de energierekening lager uit dan hieronder weergegeven. Onderstaand figuur geeft de opbouw van de energierekening weer voor de gemiddelde woning over de periode 2018-2027. Bij de berekening van de energiebelasting is de belastingvermindering meegerekend. De stijging van de energierekening in 2027 ten opzichte van 2026 wordt vooral gedreven door het afschaffen van de salderingsregeling en door een stijging van de netwerktarieven en vaste leveringskosten. Door het afschaffen van de salderingsregeling nemen de variabele elektriciteitskosten (waaronder de energiebelasting) toe bij woningen met zonnepanelen. Omdat deze opstelling gebaseerd is op een gemiddelde over alle type woningen is dit zichtbaar in de hoogte van de energierekening. Het gemiddelde wordt immers ook deels bepaald door woningen met zonnepanelen. Onderliggend zal het effect groter zijn voor huishoudens met zonnepanelen, terwijl huishoudens zonder zonnepanelen juist geen effect ondervinden van het afschaffen van de salderingsregeling. Figuur 1 Energierekening huishoudens (prijzen 2026) Vraag 22 Vraag 22 Kunt u een overzicht geven van de accijnzen op brandstof, alcohol en sigaretten in de afgelopen 10 jaar (2017 ‒ 2027)? Antwoord op vraag 22 De gevraagde accijnstarieven staan in onderstaande tabellen. Deze tarieven worden elk jaar gepubliceerd door de Douane. [voetnoot 5]Hierin staan ook nog meer accijnstarieven, van overige minerale oliën, tabaksproducten en dranken, en teruggaafverzoeken van accijns. ieder tarief geldt dat deze ingaat vanaf de ingangsdatum en blijft gelden tot een volgend tarief ingaat. Zo geldt in onderstaande tabel voor benzine in 2024 en 2025 een tarief van € 0,78910 per liter. Tabel 13 Accijns op brandstof Ingangsdatum Benzine per liter Diesel per liter LPG per liter 1-1-2017 € 0,77221 € 0,48592 € 0,18217 1-1-2018 € 0,77839 € 0,48981 € 0,18363 1-1-2019 € 0,78773 € 0,49569 € 0,18583 1-1-2020 € 0,80033 € 0,50362 € 0,18881 1-1-2021 € 0,81314 € 0,52168 € 0,19182 1-1-2022 € 0,82371 € 0,52846 € 0,19432 1-4-2022 € 0,65071 € 0,41746 € 0,15352 1-7-2023 € 0,78910 € 0,51625 € 0,18616 1-1-2026 € 0,84469 € 0,55229 € 0,19927 Bij bier wordt onderscheid gemaakt tussen een normaal tarief en een verlaagd tarief voor bier van kleine brouwerijen (met een productie bier tot 200.000 hl per jaar). Vanaf 2024 is het accijnstarief gebaseerd op het alcoholpercentage. In de jaren voor 2024 werd het accijnstarief bepaald aan de hand van het Platogehalte. Deze tabellen zijn terug te vinden in de tarievenlijst van de Douane. Tabel 14 Accijns op bier Ingangsdatum Normaal tarief per hl per % vol. Verlaagd tarief per hl per % vol. Minimumbedrag per hl 112024 € 8,12 € 7,51 € 26,13 Tabel 15 Accijns op wijn en overige alcoholhoudende producten Ingangsdatum Wijn, alcoholpercentage ≤ 8,5%, per hl Wijn, alcoholpercentage > 8,5%, per hl Overige alcoholhoudende producten, per volumeprocent alcohol, per hl 112017 € 44,24 € 88,30 € 16,86 112024 € 47,95 € 95,69 € 18,27 Tabel 16 Accijns op sigaretten Ingangsdatum Percentage kleinhandelsprijs Tarief per 1.000 stuks Min. Bedrag p/1.000 st. Gewogen gem. klhp. (WAP) over voorafgaande periode 112017 5,00% € 166,46 € 181,59 € 307,89 142018 5,00% € 173,10 € 188,99 € 309,45 112019 5,00% € 175,20 € 191,28 € 318,90 112020 5,00% € 180,32 € 196,99 € 318,90 142020 5,00% € 219,25 € 238,31 € 324,47 112021 5,00% € 223,82 € 243,25 € 357,92 112022 5,00% € 223,82 € 243,25 € 378,19 142023 5,00% € 271,07 € 293,58 € 377,80 142024 5,00% € 362,12 € 390,42 € 413,32 112025 5,00% € 362,12 € 390,42 € 525,92 112026 5,00% € 362,12 € 390,42 € 598,64 Vraag 23 Vraag 23 Kunt u een overzicht geven van de hoogte van de accijnzen op brandstof, alcohol en sigaretten in vergelijking met de accijnzen van deze productcategorieën in landen zoals Duitsland, België en Luxenburg? Antwoord op vraag 23 Onderstaande tabellen bevat de tarieven van de brandstofaccijns, alcoholaccijns en accijns op sigaretten in Nederland, België, Duitsland en Luxemburg per september 2026. Het accijnstarief op bier wordt in Nederland bepaald per volumeprocent alcohol, en in de andere landen op basis van het Platogehalte. Ter vergelijking: een glas bier van 250 ml met een alcoholpercentage van 5%, of 12,5 graden Plato, heeft in Nederland een accijnstarief van 10 cent, in België 6 cent, en in Duitsland en Luxemburg 2 cent. Tabel 17 Tarieven brandstofaccijns Liter benzine Liter diesel Liter LPG Nederland € 0,84 € 0,55 € 0,20 België € 0,60 € 0,60 € -   Duitsland € 0,65 € 0,47 € 0,22 Luxemburg € 0,57 € 0,46 € 0,13 Tabel 18 Tarieven accijns op sigaretten Minimumtarief sigaretten (per 1.000 stuks) Nederland € 390,42 België € 383,50 Duitsland € 251,06 Luxemburg € 152,80 Tabel 19 Tarieven alcoholaccijns Bier Niet-mousserende wijn (per hl) Mousserende wijn (per hl) Sterke drank (per volumeprocent alcohol per hl) Nederland € 8,12 per volumeprocent alcohol per hl € 95,69 € 95,69 € 1.827,00 België € 2,00 per graden Plato per hl € 74,91 € 256,32 € 2.992,79 Duitsland € 0,79 per graden Plato per hl € - € 136,00 € 1.303,00 Luxemburg € 0,79 per graden Plato per hl € - € - € 1.123,10 Vraag 24 Vraag 24 Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de brandstofprijzen in de afgelopen 15 jaar (2012 ‒ 2027), met een uitsplitsing naar de btw- en accijnstarieven? Antwoord op vraag 24 Onderstaande tabel laat voor benzine en diesel de gemiddelde pompprijs van het betreffende jaar zien, het accijnstarief dat dat jaar golden het geldende btw-tarief. De gegevens rond benzine en diesel zijn vanaf 2011 weergegeven. Op 1 oktober 2012 is het btw-tarief gewijzigd, en op 1 april 2022 en 1 juli 2023 zijn de accijnstarieven gewijzigd. Daarom worden die jaren opgesplitst. Bij een wijziging in het btw-tarief is voor het accijnsdeel de volledige accijnsperiode genomen. De gemiddelde pompprijs die is weergegeven is inclusief accijns en btw. Alle tarieven zijn in lopend prijspeil. Dit betekent dat sinds 2023 de accijnskorting ieder jaar toeneemt.  Tabel 20 Benzine Diesel Beide Gemiddelde pompprijs Accijnstarief Gemiddelde pompprijs Accijnstarief Btw-tarief 2011 € 1,640 € 0,71827 € 1,348 € 0,42360 19% 1-1-2012 tot 1-10-2012 € 1,759 € 0,73048 € 1,444 € 0,43080 19% 1-10-2012 tot 1-1-2013 € 1,759 € 0,73048 € 1,444 € 0,43080 21% 2013 € 1,736 € 0,74655 € 1,421 € 0,44028 21% 2014 € 1,695 € 0,75924 € 1,401 € 0,47776 21% 2015 € 1,558 € 0,76607 € 1,230 € 0,48206 21% 2016 € 1,477 € 0,76990 € 1,134 € 0,48447 21% 2017 € 1,552 € 0,77221 € 1,221 € 0,48592 21% 2018 € 1,618 € 0,77839 € 1,335 € 0,48981 21% 2019 € 1,647 € 0,78773 € 1,356 € 0,49569 21% 2020 € 1,562 € 0,80033 € 1,237 € 0,50362 21% 2021 € 1,815 € 0,81314 € 1,461 € 0,52168 21% 1-1-2022 tot 1-4-2022 € 2,109 € 0,82371 € 1,843 € 0,52846 21% 1-4-2022 tot 1-1-2023 € 2,059 € 0,65071 € 1,992 € 0,41746 21% 1-1-2023 tot 1-7-2023 € 1,823 € 0,65071 € 1,619 € 0,41746 21% 1-7-2023 tot 1-1-2024 € 2,018 € 0,78910 € 1,805 € 0,51625 21% 2024 € 1,969 € 0,78910 € 1,722 € 0,51625 21% 2025 € 1,921 € 0,78910 € 1,691 € 0,51625 21% 2026* € 2,235 € 0,84469 € 2,163 € 0,55229 21% 2027* € 0,85169 € 0,55229 21% *Gemiddelde brandstofprijzen van 2026 zijn tot en met augustus. Voor 2027 zijn er nog geen brandstofprijzen bekend. Vraag 25 Vraag 25 Kunt u een overzicht maken van de prijzen van gas, energie, benzine, sigaretten, alcohol, btw en inkomstenbelasting in Nederland en in de rest van EU? Antwoord op vraag 25 Eurostat maakt halfjaarlijks een analyse van de kosten van verschillende goederen en diensten binnen de Europese Unie. Deze informatie kunt u daar vinden. [voetnoot 6] Vraag 26 Vraag 26 Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de sociale huren in de afgelopen 15 jaar (2012 ‒ 2027)? Antwoord op vraag 26 De tabel hieronder geeft een overzicht van de gemiddelde gerealiseerde jaarlijkse huurverhoging in het sociale segment (van woningcorporaties en andere verhuurders) in de periode 2012-2027. Deze gegevens zijn gebaseerd op de CBS-Huurenquête. Deze informatie is eerder ook gedeeld met uw Kamer tijdens de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de Voorjaarsnota 2026. De maximaal toegestane en gerealiseerde huurverhoging voor 2027 zijn nog niet bekend. Tabel 21 Huurverhoging in het sociale segment van 2012-2027 Jaar Inflatie voorgaande jaar Maximaal toegestane huurverhoging Gerealiseerde jaarlijkse huurverhoging 2012 2,3% 2,3%1 2,2% 2013 2,5% 4,0% / 4,5% / 6,5%2 4,1% 2014 2,5% 4,0% / 4,5% / 6,5%2 3,9% 2015 1,0% 2,5% / 3,0% / 5,0%2 2,0% 2016 0,6% 2,1% / 2,6% / 4,6%2 1,3% 2017 0,3% 2,8% / 4,3%3 1,1% 2018 1,4% 3,9% / 5,4%3 1,8% 2019 1,7% 4,1% / 5,6%3, 4 2,0% 2020 2,6% 5,1% / 6,6%3 2,4% 2021 1,3% 0% (huurbevriezing) ‒ 0,1% (door verplichte huurverlaging voor lage inkomens in corporatiewoningen) 2022 2,7% 2,3% / €25 / €50 / €1004, 5 2,4% 2023 10,0% 3,1% / €25 / €50 / €1006 0,5% (door verplichte huurverlaging voor lage inkomens in corporatiewoningen) 2024 3,8% 5,8% / €25 / €50 / €1006 5,0% 2025 3,3% 5,0% / €25 / €50 / €1006 4,4% 2026 3,3% 4,1% / €25 / €50 / €1006 3,8% 2027 N.t.b. N.t.b. N.t.b. Totaal gemiddeld 2,62% 2,45% Totaal cumulatief 46,90% 43,63% maximale jaarlijkse huurverhoging was gelijk aan inflatie voorgaande kalenderjaar maximale reguliere huurverhoging inflatie + 1,5%; inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (+0,5% voor middengroep en +2,5% voor hoge inkomens) maximale reguliere huurverhoging inflatie + 2,5%; inkomensafhankelijke hogere huurverhoging inflatie + 4% vanwege maximale huursomstijging (per kalenderjaar) uitgegaan van inflatie dec-dec; wijkt iets af van inflatie over kalenderjaar maximale reguliere huurverhoging inflatie + 1%; hogere maximale huurverhoging € 25 voor zeer lage huren en nieuwe inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (max. € 50 voor middengroep en max. € 100 voor hoge inkomens) maximale reguliere huurverhoging los van inflatie (2023 en 2024 gekoppeld aan cao-loonontwikkeling, 2025 afspraak in nationale prestatieafspraken 2024); hogere maximale huurverhoging € 25 voor zeer lage huren en nieuwe inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (max. € 50 voor middengroep en max. € 100 voor hoge inkomens) Vraag 27 Vraag 27 Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de gemiddelde prijs van een koopwoning in de afgelopen 15 jaar (2012 ‒ 2027)? Antwoord op vraag 27 In de tabel hieronder is een overzicht opgenomen van de gemiddelde verkoopprijs van woningen voor de periode 2010 tot en met Q2 2026 Tabel 22 Gemiddelde verkoopprijs koopwoningen 2010-2026 Jaar Gemiddelde verkoopprijs woningen 2010 239.530 2015 230.194 2016 243.837 2017 263.295 2018 287.267 2019 307.978 2020 334.488 2021 386.714 2022 428.591 2023 416.153 2024 450.985 2025 479.527 Q2 2026 490.020 Bron: Bestaande koopwoningen; verkoopprijzen prijsindex 2020=100 | CBS Vraag 28 Vraag 28 Hoeveel btw betalen woningcorporaties nu? En bij uitvoering van de Nationale Prestatieafspraken (NPA?) Indien er geen vastgestelde cijfers beschikbaar zijn, kan dan een zo accuraat mogelijke berekening worden gemaakt? Antwoord op vraag 28 Omdat de verhuur van een woning in beginsel is vrijgesteld van btw verrichten woningcorporaties vooral btw-vrijgestelde prestaties. Dat betekent dat zij geen btw betalen over de output (zoals huurinkomsten) maar ook dat zij geen recht hebben op aftrek van de input-btw. Deze niet-aftrekbare btw vormt daarmee een kostenpost voor woningcorporaties. Een bedrag voor de totale niet-aftrekbare btw van woningcorporaties is niet rechtstreeks uit de btw-aangifte te leiden. Op basis van de CBS nota kan wel een inschatting worden gemaakt.[voetnoot 7] Hieruit blijkt dat 17,6% btw drukt op de bruto investeringen rond verhuur en handel van onroerend goed. Een ruwe inschatting is dat hetzelfde geldt voor de investeringen van woningcorporaties. Ten aanzien van de Nationale Prestatieafspraken 2024 geldt dat afspraken over bijvoorbeeld verduurzaming en renovatie tot investeringen (en btw-afdrachten) leidt tot investeringen die woningcorporaties sowieso zouden moeten maken. Voor investeringen in nieuwbouw geldt dat de afspraken over versnelling en vergroten leiden tot additionele kosten voor corporaties (en dus additionele btw-afdrachten). Vraag 29 Vraag 29 Kunt u aangeven hoe het schrappen van de 1-op-1-koppeling tussen AOW-leeftijd en levensverwachting budgettair is verwerkt, inclusief de structurele doorwerking? Hoe is deze gedekt en wat zijn de gevolgen voor het netto-uitgavenpad? Antwoord op vraag 29 Het kabinet heeft besloten om de geplande 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd met de levensverwachting te schrappen. Omdat de maatregel vanaf 2033 zou ingaan, zou dit pas in 2028 budgettair verwerkt worden. Er zijn daarom geen gevolgen voor het netto uitgavenpad. Vraag 30 Vraag 30 Is het technisch mogelijk om de resterende taakstellingen op de SZW-begroting in het kader van de hervorming van de WW en de WIA van de begroting van SZW af te halen en op de Aanvullende Post te plaatsen gedurende lopende eventuele gesprekken om tot een Polderakkoord te komen? Waarom wel/niet? En als dat mogelijk is, bent u daartoe bereid? Antwoord op vraag 30 Het is technisch mogelijk om de besparingen op de WW en de WIA van de SZW-begroting te halen en op de Aanvullende Post te zetten. Vraag 31 Vraag 31 Met welk bedrag en met welke reden wordt het inkomstenkader overschreden in 2027? Antwoord op vraag 31 Tabel 4 in de Miljoenennota geeft de stand weer van het inkomstenkader na de besluitvorming. Cumulatief over de kabinetsperiode is er door de genomen maatregelen een tekort van 2,7 miljard euro ontstaan. Structureel is er een tekort van 282 miljoen euro. Om het inkomstenkader te sluiten wordt een kadercorrectie toegepast. De reden hiervoor is dat het kabinet het financiële kader van het coalitieakkoord herijkt. De ruimte is onder andere benut voor lastenverlichting. Zowel het uitgavenkader als het inkomstenkader worden cumulatief met 2,7 miljard euro verlaagd. Het inkomstenkader en het uitgavenkader worden daarbij voor ieder jaar en structureel gesloten. Vraag 32 Vraag 32 De verhoging van het eigen risico met 60 euro is met een jaar uitgesteld en dus de premieverlaging ook, maar de compenserende belastingverhoging gaat wel door.  Hoeveel zou de inkomstenbelasting dalen als deze belastingverhoging ook teruggedraaid zou worden? Antwoord op vraag 32 Door het uitstel van de verhoging van het eigen risico zullen de zorguitgaven en zorgpremies in 2027 stijgen. Er is geen compenserende lastenverlichting toegepast om het EMU-saldo niet verder te belasten. Indien wel gekozen zou worden voor compenserende lastenverlichting volgens de gebruikelijke systematiek, zou de inkomstenbelasting met 716 miljoen euro verlaagd worden. Dit zou in deze systematiek resulteren in 0,14%-punt lagere tarieven in de eerste en tweede schijf. Vraag 33 Vraag 33 Hoeveel wordt een biertje (33 cl) duurder vanwege de lastenverzwarende maatregelen van dit kabinet (belasting leidingwater, accijns op alcohol en kleinbrouwerstarief)? Graag uitsplitsen per maatregel. Wat zijn de gevolgen? Hoeveel kleine brouwers gaan failliet? Antwoord op vraag 33 De doorwerking van de verhoging van de belasting op leidingwater op de prijs van een biertje hangt af van hoeveel leidingwater wordt gebruikt bij het productieproces. Gemiddeld verbruiken brouwerijen rond de 6 liter water per liter bier wat neerkomt op 2 liter water per glas bier van 33 cl. Per 1000 liter wordt de belasting verhoogd met € 0,10. Per glas bier van 33 cl komt dit neer op een belastingstijging van € 0,0002. De doorwerking van de indexatie van alcoholaccijns is afhankelijk van het alcoholpercentage. Voor bier dat in 2027 in het minimumtarief valt (tot 3,1% alcohol) is er geen stijging van de accijns. De accijns op een glas bier van 33 cl met een alcoholpercentage van 5% wordt in 2027 € 0,0035 hoger dan in 2026 en de accijns op een glas bier van 10% alcohol wordt in 2027 € 0,007 hoger dan in 2026. De stijging van het accijnstarief als gevolg van de afschaffing van het verlaagde tarief voor kleine brouwers is alleen van toepassing op bier dat is geproduceerd door bierbrouwers die onder deze regeling vallen. De accijnsstijging is afhankelijk van het alcoholpercentage. Bier dat in het minimumtarief heeft geen stijging van de accijns. De accijns op een glas bier van 33 cl met een alcoholpercentage van 5% wordt € 0,01 hoger als gevolg van het vervallen van het verlaagde tarief en de accijns op een glas bier van 10% wordt € 0,02 hoger. Het is onbekend wat de exacte gevolgen van de verhoging van de belasting en accijnzen per brouwer zullen zijn omdat dat sterk afhangt van keuzes van zowel brouwers over het al dan niet doorberekenen in de prijs en de prijsgevoeligheid van consumenten die sterk kan verschillen per biersoort. Het is dan ook niet mogelijk om een schatting te geven of en hoeveel kleine brouwers mogelijk failliet gaan door de genoemde maatregelen. Vraag 34 Vraag 34 Hoeveel en welke bedrijven (onderdelen) zijn de afgelopen twee jaar failliet gegaan, gestopt, verkocht of naar het buitenland vetrokken (graag uitsplitsen per sector)? Antwoord op vraag 34 Zie hieronder een overzicht in tabelvorm. Bij deze gegevens geldt de volgende toelichting. Om het aantal ‘verkochte’ bedrijven te illustreren, is het aantal fusies en overnames weergegeven. Voor fusies en overnames (zowel met binnen- als buitenlandse partij) zijn de meest recente CBS-gegevens beschikbaar tot en met 2024; daarom zijn voor deze categorie de jaren 2023 en 2024 weergegeven. Gegevens over verplaatsingen naar het buitenland worden eens per drie jaar gepubliceerd en hebben daarom betrekking op de periode 2021–2023. Deze laatste cijfers zijn bovendien uitsluitend beschikbaar voor bedrijven met 50 of meer werkzame personen en voor de SBI-codes B-N. Tabel 23 Failliete, opgeheven, gefuseerde en verplaatste bedrijven in 2024 en 2025 Faillissementen (alle bedrijven) Faillissementen (alle bedrijven) Opheffingen (alle bedrijven) Opheffingen (alle bedrijven) Fusies en overnames (alle bedrijven) Fusies en overnames (alle bedrijven) Verplaatsing buitenland (>50 werknmrs.) SBI (2008) 2024 2025 2024 2025 2023 2024 2021-2023 A-U Alle economische activiteiten 4.270 3.635 161.015 174.185 4.775 5.355 N.B. A Landbouw, bosbouw en visserij 26 31 2.975 3.640 110 120 N.B. B Delfstoffenwinning 1 2 45 55 0 5 N.B. C Industrie 351 292 5.160 5.515 400 445 165 D Energievoorziening 11 15 310 605 15 25 0 E Waterbedrijven en afvalbeheer 23 6 145 155 15 15 0 F Bouwnijverheid 618 488 19.530 20.460 400 520 10 G Handel 811 706 25.660 25.515 875 1.040 120 H Vervoer en opslag 301 224 6.145 6.405 190 170 40 I Horeca 377 347 6.230 6.320 205 245 N.B. J Informatie en communicatie 167 175 8.400 8.760 425 445 115 K Financiële dienstverlening 381 329 2.250 3.365 265 180 35 L Verhuur en handel van onroerend goed 71 57 1.675 2.160 135 165 N.B. M Specialistische zakelijke diensten 509 378 31.295 34.335 875 1.045 85 N Verhuur en overige zakelijke diensten 261 297 11.250 13.700 335 390 30 O Openbaar bestuur en overheidsdiensten 0 1 25 25 0 5 N.B. P Onderwijs 42 38 9.630 8.600 115 85 N.B. Q Gezondheids- en welzijnszorg 158 129 13.865 20.180 225 245 N.B. R Cultuur, sport en recreatie 70 56 8.325 6.775 125 125 N.B. S Overige dienstverlening 75 57 8.105 7.610 70 80 N.B. Bron: CBS Vraag 35 Vraag 35 Waarom is ervoor gekozen om de ouderenkorting met 100 euro te verlagen, terwijl de belastingtarieven in schijf 1 en 2 in 2027 ook al omhoog gaan? Is deze maatregel een stap tot verdere fiscalisering van de AOW? Bij hoeveel ouderen slaat deze maatregel neer? Hoeveel gaan ouderen er gemiddeld op achteruit door deze maatregel? Antwoord op vraag 35 Het kabinet heeft gekozen voor een technische invulling van koopkrachtmaatregelen die leidt tot een meer evenwichtig koopkrachtbeeld. De maatregel is geen stap tot fiscalisering van de AOW. De ouderenkorting staat los van de (fiscale behandeling van de) AOW. In de technische invulling is gekozen om de ouderenkorting te verlagen en het aanvangspunt toptarief te bevriezen om middelen te hebben om een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van de tarieven in de 1e en 2e schijf van de inkomstenbelasting mogelijk te maken. De technische invulling brengt daarmee de koopkrachtontwikkeling voor verschillende groepen dichter naar elkaar toe. Het mediane inkomenseffect van de verlaging van de ouderenkorting is ‒ 0,3% voor huishoudens met een effect. Ongeveer 1,7 miljoen huishoudens ondervinden een negatief inkomenseffect van de maatregel. Per saldo stijgt de mediane koopkracht van gepensioneerden met 0,3% in 2027. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de definitieve invulling. Vraag 36 Vraag 36 Zijn er ook koopkrachtberekeningen gemaakt voor ouderen die niet profiteren van een invaarbonus bij hun aanvullend pensioen in 2027? Antwoord op vraag 36 De koopkrachtberekeningen gaan uit van een gemiddelde indexatie van aanvullende pensioenen (bezien over alle pensioenfondsen), omdat onbekend is onder welk pensioenfonds gepensioneerden vallen. Er zijn dus geen afzonderlijke koopkrachtramingen voor ouderen met wel en niet invarende pensioenen. Vraag 37 Vraag 37 In hoeverre is er in de koopkrachtberekeningen rekening gehouden met de laatste stand van de snel stijgende energiekosten? Antwoord op vraag 37 Het kabinet baseert zich op basis van de wet Hof altijd op de economische raming van het CPB. Daarmee benut het kabinet in de augustusbesluitvorming de meest actuele gegevens als basis voor de besluitvorming. Voor de raming van de energieprijzen baseert het CPB zich voor zowel de cMEV als de MEV op marktverwachtingen van eind juli (week 30). De wereld staat vervolgens niet stil, en nieuwe ontwikkelingen zijn onvermijdelijk zoals nu ook in het Midden-Oosten het geval is. Ook tussen nu en 1 januari 2027 zullen er veranderingen zijn, zowel in positieve als in negatieve zin. Het kabinet houdt de energieprijzen continu in de gaten en neemt de ontwikkelingen serieus. Vraag 38 Vraag 38 Kunt u voor een voorbeeldhuishouden met twee ouders en drie kinderen in een huurwoning, met een gezamenlijk inkomen van 80.000 euro bruto, berekenen hoeveel dat gezin netto armer or rijker is als er bruto 1000 euro meer wordt verdiend?  Welke typen huishoudens worden nog meer armer als ze 1000 euro meer gaan verdienen (graag per onderdeel uitsplitsen)? Antwoord op vraag 38 Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van de situatie in 2027 en een huurbedrag van 772 euro per jaar. Voor de verdeling van het inkomen is aangenomen dat de meestverdiener 2/3e van het inkomen verdient en de minstverdiener dus 1/3e. Tot slot is aangenomen dat de kinderen tussen de zes en elf jaar oud zijn en drie dagen per week naar de bso gaan. Al deze aannames zijn van belang voor de berekening van de marginale druk. Als het inkomen van de meestverdiener met 1.000 euro stijgt, dan neemt het netto-inkomen met 363 euro toe. Dit komt dus neer op een marginale druk van 64%. Als het inkomen van de minstverdiener met 1.000 euro stijgt, dan neem het netto-inkomen met 878 euro toe. Dit komt dus neer op een marginale druk van 12%. Kortom, dit huishouden gaat er op vooruit als het inkomen met 1.000 euro toeneemt. Ook voor andere huishoudens geldt dat het netto-inkomen vrijwel altijd toeneemt bij een stijging van het bruto-inkomen. In de bijlage «marginale druk en gemiddelde druk 2027» die is verzonden bij het Belastingplan 2027 is een figuur opgenomen waaruit blijkt dat 83% van de werkenden een marginale druk heeft van 60% of lager. Een marginale druk van meer dan 90% komt niet of nauwelijks voor. Hierbij wordt geen rekening gehouden met aanvullende lokale regelingen. Bij huishoudens met een hoger inkomen die gebruikmaken van kinderopvang kan een dag extra werken op dit moment wel leiden tot een zeer beperkte inkomensvooruitgang of zelfs een inkomensachteruitgang, met name als huishoudens gebruikmaken van dagopvang. De komende jaren werkt het kabinet echter toe naar een inkomensonafhankelijke hoge vergoeding voor kinderopvang voor alle werkende ouders, waardoor dergelijke situaties effectief niet meer voorkomen. Vraag 39 Vraag 39 Hoeveel geld gaat de komende vijf jaren naar ODA (ontwikkelingshulp)? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 39 Onderstaande tabel toont de horizontale ontwikkeling van het rijksbrede ODA-budget van 2027 tot en met 2031. Als gevolg van de bni-koppeling voor het ODA-budget, staat het ODA-budget in lopende prijzen (in tegenstelling tot de meeste begrotingen, die in constante prijzen worden getoond). Fluctuaties in de jaarlijkse hoogte van het ODA-budget wordt o.a. verklaard door kasschuiven en de intensivering ontwikkelingssamenwerking bij Miljoenennota 2027. U kunt onderstaande informatie ook terugvinden in bijlage 5 van de HGIS-nota 2027. Tabel 24 ODA budget 2027-2031 (stand Miljoenennota 2027) In miljoenen euro's 2027 2028 2029 2030 2031 ODA-budget 6.418 6.756 7.193 6.656 6.320 Vraag 40 Vraag 40 Hoeveel geld ging de afgelopen twintig jaren naar ODA (ontwikkelingshulp)? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 40 Onderstaande tabel toont de horizontale ontwikkeling van het rijksbrede ODA-budget van 2007 tot en met 2026. De bedragen zijn de gerealiseerde ODA-uitgaven, zoals opgenomen in de HGIS-jaarverslagen. Het jaar 2026 betreft een raming, zoals vermeld in bijlage 5 van de HGIS-nota 2027. Tabel 25 Realisatie ODA-budget, 2007-2016 In miljoenen euro's 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 ODA-budget 4.844 5.049 4.728 4.877 4.698 4.375 4.225 4.316 5.246 4.657 Tabel 26 Realisatie ODA-budget, 2017-2025 en raming ODA-budget 2026 (stand Miljoenennota 2027) In miljoenen euro's 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 ODA-budget 4.492 4.833 4.741 4.752 4.497 6.214 6.892 7.020 6.858 6.411 Vraag 41 Vraag 41 Hoeveel euro bedroegen de afgelopen 15 jaar de bruto afdrachten aan de EU? Kunt u dit bedrag uitsplitsen (bni-afdracht, douane, etc.)? Graag een toelichting op uw antwoord? Antwoord op vraag 41 Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van de nationale afdrachten aan de EU van Nederland zien over de periode 2010 tot en met 2025. Gegevens tot en met 2024 in de tabel zijn gebaseerd op de «EU Spending and Revenue»[voetnoot 8] tabellen van de Europese Commissie. Deze bron voorziet niet in gegevens voor 2025. Hiervoor is gebruikgemaakt van de gegevens uit de relevante begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tabel 27 Overzicht afdrachten EU afgelopen 15 jaar Jaar bni-afdracht Btw-afdracht Plastic-afdracht Nationale afdrachten 2010 3.605 202 ‒ 3.807 2011 3.590 290 ‒ 3.881 2012 3.862 257 ‒ 4.119 2013 4.421 260 ‒ 4.681 2014 5.490 819 ‒ 6.309 2015 4.900 771 ‒ 5.670 2016 3.826 418 ‒ 4.244 2017 2.880 460 ‒ 3.340 2018 4.341 485 ‒ 4.827 2019 4.926 488 ‒ 5.414 2020 5.431 471 ‒ 5.903 2021 5.342 1.049 205 6.596 2022 4.670 1.245 177 6.093 2023 4.163 1.409 233 5.805 2024 3.758 1.467 235 5.461 2025* 5.004 1.499 236 6.739 * op basis van BZ-begroting. Bedragen in miljoenen euro's. De ontwikkeling van de traditionele eigen middelen (TEM), waaronder de invoerrechten, die door Nederland worden geïnd en — na inhouding van de perceptiekostenvergoeding — worden afgedragen aan de EU-begroting, is in onderstaande tabel weergegeven. Hier is gebruik gemaakt van dezelfde bronnen als bij tabel 13. Tabel 28 Overzicht traditionele Eigen Middel (TEM) afgelopen 15 jaar Jaar TEM minus perceptiekostenvergoeding 2010 2.323 2011 2.571 2012 2.530 2013 2.392 2014 2.654 2015 2.910 2016 2.959 2017 3.071 2018 3.137 2019 3.411 2020 3.969 2021 2.957 2022 3.709 2023 3.334 2024 2.636 2025 3.481 Bedragen in miljoenen euro's. Vraag 42 Vraag 42 Hoeveel euro bedroegen de afgelopen 15 jaar de netto afdrachten aan de EU? Kunt u dit bedrag uitsplitsen (bni-afdracht, douane, etc.)? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 42 Zie antwoord op vraag 41. Er bestaat geen onderscheid tussen de bruto en netto bni-, btw en plastic afdrachten. Vraag 43 Vraag 43 Hoeveel bedragen de verwachte (bruto en netto) EU-afdrachten gedurende de rest van deze kabinetsperiode? Kunt u deze uitsplitsen naar bni-afdracht, douaneafdrachten etc.? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 43 De raming van de Nederlandse EU-afdrachten wordt verantwoord op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken.[voetnoot 9] Onderstaande tabel staat in de Miljoenennota 2027 en geeft een overzicht van de nationale afdrachten, invoerrechten en ontvangsten. De raming vanaf 2028 is gebaseerd op een aantal aannames over het volgende MFK.[voetnoot 10] De uitkomst van de nu lopende onderhandelingen zal hierop van invloed zijn. Tabel 29 Verwachte EU-afdrachten rest van Kabinetsperiode Begroting Artikel Nederland 2027 2028 2029 2030 2031 Nationale afdrachten 9.535 11.308 11.766 12.237 12.646 V (BZ) 3.1 Bni-afdracht 7.528 9.020 9.213 9.405 9.537 V (BZ) 3.1 Btw-afdracht 1.611 1.644 1.675 1.705 1.726 V (BZ) 3.1 Plastic 210 205 200 195 190 Prijsbijstelling 3.0 Prijsindexatie nationale afdrachten 187 439 679 932 1192 Invoerrechten 6.563 6.815 6.899 7.145 7.369 V (BZ) 3.6 Invoerrechten 6.434 6.550 6.501 6.601 6.674 Prijsbijstelling 3.0 Prijsindexatie nationale afdrachten 129 265 398 544 695 V (BZ) 3.10 Ontvangsten EU ‒ 1.641 ‒ 1.704 ‒ 1.725 ‒ 1.786 ‒ 1.842 Perceptiekostenvergoeding ‒ 1.641 ‒ 1.704 ‒ 1.725 ‒ 1.786 ‒ 1.842 V (BZ) 3.10 Overige ontvangsten EU 0 0 0 0 0 IX (FIN) 9.44.2 Vertragingsrente ‒ ‒ ‒ ‒ ‒ Totaal 14.457 16.419 16.940 17.596 18.173 Bedragen in miljoenen euro's Bedragen in miljoenen euro's. Vraag 44 Vraag 44 Hoeveel euro bedraagt de geschatte zorgfraude in de afgelopen vijf jaren? Kunt u dit uitsplitsen per jaar? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 44 Het kabinet heeft geen schatting van het totale bedrag dat aan zorgfraude verloren gaat. Vraag 45 Vraag 45 Hoeveel geld heeft de overheid de afgelopen vijf jaren aan externe inhuur betaald en hoeveel verwacht het u de rest van de kabinetsduur hieraan te besteden? Kunt u dit uitsplitsen naar Rijksoverheid en lagere overheden? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 45 Het kabinet beschikt niet over de cijfers van externe inhuur door medeoverheden. Onderstaande cijfers betreffen alleen de externe inhuur door de Rijksoverheid. Tabel 16 geeft een overzicht van de gerealiseerde uitgaven aan externe inhuur binnen de Rijksoverheid voor de afgelopen vijf jaar zoals gerapporteerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.[voetnoot 11] Tabel 30 Externe inhuur Rijksoverheid in miljoenen euro 2021 2022 2023 2024 2025 Externe inhuur 2.286 2.678 3.260 3.668 3.270 Tabel 17 geeft de begrote uitgaven voor externe inhuur tot en met 2031 weer op basis van wat in de departementale begrotingen is opgenomen aan uitgaven voor externe inhuur bij de Rijksoverheid (stand Miljoenennota 2027). De begrote uitgaven in de departementale begrotingen zijn niet één op één vergelijkbaar met de gerealiseerde uitgaven zoals gerapporteerd in de Jaarrapportage Bederijfsvoering Rijk. Ten eerste omdat externe inhuur bij bijvoorbeeld agentschappen en zbo’s niet als zodanig zijn meegenomen in de begrote uitgaven in de departementale begrotingen, maar wel worden meegenomen in de Jaarrapportage Bederijfsvoering Rijk. Ten tweede is de begroting een onderschatting, omdat vaak pas gedurende het jaar wordt gekozen voor kortlopende externe inhuur, bijvoorbeeld ter vervanging van onvervulde vacatures. Het kabinet houdt vast aan de doelstelling dat de uitgaven aan externe inhuur in lijn moeten komen met de Roemernorm van 10%. Tabel 31 Toekomstige externe inhuur Rijksoverheid in miljoenen euro 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Externe inhuur 1.523 1.119 858 694 649 611 Vraag 46 Vraag 46 Hoeveel euro bedragen de jaarlijkse klimaatsubsidies? Graag een overzicht van de afgelopen vijf jaren en een schatting van de toekomstige klimaatsubsidies gedurende de rest van deze kabinetsperiode. Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 46 In onderstaande tabel staat het totaalbedrag van de rijksbrede klimaatsubsidies in 2021 t/m 2031. De cijfers voor 2025 t/m 2031 zijn afkomstig uit het integraal overzicht met klimaatuitgaven. De realisatiecijfers voor 2021 t/m 2024 staan in het prijspeil van het betreffendejaar en zijn gebaseerd op het integraal overzicht met klimaatuitgaven bij eerdere Miljoenennota’s waardoor de gehanteerde definities afwijken van de definitie bij Miljoenennota 2027. Tabel 32 Rijksbrede klimaatsubsidies 2021-2031 Bedragen in miljarden euro 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Klimaatsubsubsidies 3,4 2,1 2,4 2,7 4,7 5,1 6,4 7,3 5,9 6,7 4,9 Vraag 47 Vraag 47 Hoeveel euro bedroeg de jaarlijkse inleg voor het stikstoffonds de afgelopen vijf jaren? Kunt u een schatting geven van de inleg voor de rest van deze kabinetsperiode? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 47 Het stikstoffonds bestaat uit artikel 25 en 26 op de LVVN-begroting. Deze begrotingsartikelen zijn toegevoegd bij de Ontwerpbegroting 2027. Er is dus de afgelopen 5 jaar geen geld ingelegd. Tot en met 2030 staat er cumulatief 8,5 miljard euro op deze 2 artikelen. Een specifiekere verdeling van deze middelen is te vinden in de begroting van LVVN. Vraag 48 Vraag 48 Hoe verhoudt de Nederlandse ODA-bijdrage zich tot de rest van de EU? Graag een overzicht van de ODA-bijdragen (in euro's) van alle EU-landen van de afgelopen vijf jaren in tabelvorm en een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 48 Onderstaande tabel toont de gerealiseerde ODA-uitgaven van Nederland voor 2021-2025. Deze informatie is ook terug te vinden in het HGIS-jaarverslag van de betreffende jaren. Het kabinet doet geen uitspraken over de ODA-bijdrage van andere lidstaten van de Europese Unie (EU). U kunt een vergelijking van de ODA-bijdrages terugvinden op de website van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).[voetnoot 12] Tabel 33 Realisatie ODA-budget, 2021-2025 In miljoenen euro's 2021 2022 2023 2024 2025 ODA-budget 4.497 6.214 6.892 7.020 6.858 Vraag 49 Vraag 49 Welke EU-landen zijn (in euro's en in procenten van het bbp) de grootste en de kleinste bruto- en nettobijdragers als het gaat om EU-afdrachten? Graag een overzicht van de laatste vijf jaren en een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 49 De nationale afdrachten aan en de ontvangsten uit de EU-begroting zijn weergegeven in de «EU Spending en Revenue» tabellen van de Europese Commissie.[voetnoot 13] Het jaar 2024 is het meest recente jaar waarvoor deze gegevens beschikbaar zijn. Onderstaande tabellen geven per jaar de top drie EU-lidstaten met respectievelijk de hoogste en laagste bruto- en netto-afdrachten aan de EU-begroting weer. De bruto-bijdragen zijn gebaseerd op de bni-, btw- en plastic-afdracht. De nettobijdragen zijn gebaseerd op de bruto-bijdragen minus de ontvangsten uit de EU-begroting. De rangschikking is gebaseerd op de bijdragen als percentage van het bruto nationaal inkomen (bni). Een minbedrag betekent dat de betreffende lidstaat per saldo een netto-ontvanger van de EU-begroting is. Nederland is één van de grootste nettobetalers in percentage van het bni, omdat Nederland relatief weinig ontvangt vanuit de EU-begroting. Nederland profiteert door haar open economie relatief veel van de interne markt.[voetnoot 14] In termen van bruto-afdrachten is Nederland één van de laagste bijdragers door de korting op de bni-afdracht. Tabel 34 Bruto- en nettobijdragers EU-landen (in % van het bni en mln. euro's) 2022 Bruto Netto Hoogste bijdragers 1. Luxemburg (0,94%, 520) 1. Duitsland (0,42%, 16.651) 2. Polen (0,93%, 5.828) 2. Nederland (0,29%, 2.582) 3. Portugal (0,90%, 2.131) 3. Zweden (0,29%, 1.663) Laagste bijdragers 1. Zweden (0,65%, 3.788) 1. Luxemburg (-3,56%, ‒ 1.959) 2. Nederland (0,67%, 6.093) 2. Hongarije (-2,78%, ‒ 4.586) 3. Denemarken (0,71%, 2.769) 3. Letland (-2,77%, ‒ 1.780) 2023 Bruto Netto Hoogste bijdragers 1. Hongarije (0,91%, 1.732) 1. Duitsland (0,36%, 15.267) 2. Letland (0,87%, 346) 2. Nederland (0,28%, 2.919) 3. Estland (0,87%, 320) 3. Frankrijk (0,26%, 7.321) Laagste bijdragers 1. Zweden (0,56%, 3.188) 1. Luxemburg (-3,89%, ‒ 2.068) 2. Nederland (0,57%, 5.805) 2. Kroatië (-3,20%, ‒ 2.447) 3. Duitsland (0,68%, 20.332) 3. Letland (-2,90%, ‒ 1.153) 2024 Bruto Netto Hoogste bijdragers 1. Letland (0,79%, 309) 1. Duitsland (0,33%, 14.740) 2. Polen (0,77%, 6.263) 2. Nederland (0,21%, 2.308) 3. Griekenland (0,77%, 1.767) 3. Oostenrijk (0,21%, 986) Laagste bijdragers 1. Nederland (0,49%, 5.461) 1. Luxemburg (-3,97%, ‒ 2.417) 2. Zweden (0,52%, 3.042) 2. Letland (-2,60%, ‒ 1.020) 3. Denemarken (0,58%, 2.394) 3. Litouwen (-1,69%, ‒ 1.289) Vraag 50 Vraag 50 Hoe verhoudt de Nederlandse Oekraïne-bijdrage zich tot de bijdrage van de rest van de EU? Graag een overzicht van de Oekraïne-bijdragen (in euro's) van alle EU-landen van de afgelopen vijf jaren in tabelvorm en een toelichting op uw antwoord. Wilt u een onderscheid maken tussen militaire en niet-militaire steun? Antwoord op vraag 50 Onderstaande tabel toont de gerealiseerde Nederlandse netto-uitgaven aan internationale Oekraïnesteun voor 2022 ‒ 2025[voetnoot 15] op basis van het Financieel Jaarverslag Rijk van betreffende jaren, uitgesplitst naar militaire en niet-militaire steun. Daarnaast zijn er nog Oekraïne-uitgaven aan binnenlandse regelingen. De toekomstige geraamde Nederlandse uitgaven aan Oekraïne staan beschreven in paragraaf 2.7.1 Oekraïne in de Miljoenennota 2027.Elke lidstaat maakt individuele afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet doet daarom geen uitspraken over de steun verleend door andere lidstaten. U kunt een vergelijking van de internationale Oekraïnesteun terugvinden via de Ukraine Support Tracker van het Kiel-instituut[voetnoot 16], die een indicatie geven van de steun per land. Tabel 35 Realisatie internationale Oekraïnesteun, 2022-2025 In miljoenen euro's 2022 2023 2024 2025 Internationale steun 628 1.511 3.290 6.075 w.v. Militaire steun 171 965 2.482 5.528 w.v. Niet-militaire steun 457 546 807 547 Vraag 51 Vraag 51 Kunt u een geactualiseerd overzicht verstrekken van de budgettaire belangen van de fiscale regelingen in de inkomstenbelasting? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 51 Een actueel overzicht van alle fiscale regelingen is te vinden in de bijlage ‘Fiscale regelingen’ bij de Miljoenennota 2027 in tabel 4.3.1. Tabel 4.7.1 in die bijlage geeft de beschrijving van de regelingen inclusief in welke wet de fiscale regeling verankerd is. Hieronder is een overzicht opgenomen voor regelingen in de inkomstenbelasting (exclusief dus fiscale regelingen in de loonbelasting). Tabel 36 Overzicht budgettaire gevolgen belang fiscale regelingen inkomstenbelasting 2022 2023 2024 2025 2026 2027 Gemiddeld % groei ‘22-‘27 Persoonsgebonden aftrek Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten) 42 25 17 3 0 0 ‒ 100,0% Giftenaftrek inkomstenbelasting 519 479 432 427 421 423 ‒ 4,0% Aftrek specifieke zorgkosten 292 313 356 351 351 359 4,2% Onderhoudsverplichtingen aftrek 228 203 192 180 169 161 ‒ 6,8% Belaste ontvangen alimentatie ‒ 170 ‒ 157 ‒ 152 ‒ 143 ‒ 136 ‒ 131 ‒ 5,0% Inkomensvoorzieningen Pensioen niet belast in box 3 9.604 7.745 9.241 11.714 11.148 11.394 3,5% Lijfrente premieaftrek 689 971 1.230 1.302 1.378 1.424 15,6% Lijfrente belaste uitkering ‒ 382 ‒ 518 ‒ 695 ‒ 724 ‒ 796 ‒ 874 18,0% Lijfrente niet belast box 3 289 278 399 509 487 499 11,5% Nettopensioen en nettolijfrente 13 15 19 26 28 31 20,1% Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek 518 528 571 598 626 652 4,7% Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering ‒ 425 ‒ 434 ‒ 463 ‒ 485 ‒ 509 ‒ 526 4,4% Reisaftrek OV 6 6 6 6 6 6 2,0% Middelingsregeling 134 158 104 121 144 60 ‒ 14,8% (Eigen) woning Hypotheekrenteaftrek 7.619 7.841 8.601 9.408 10.698 12.123 9,7% Aftrek financieringskosten eigen woning 715 513 629 727 747 769 1,5% Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming 32 32 34 35 37 39 3,5% Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning 8 7 6 5 4 3 ‒ 16,3% Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld 476 420 413 382 339 297 ‒ 9,0% Eigenwoningforfait ‒ 2.774 ‒ 2.543 ‒ 2.645 ‒ 2.807 ‒ 3.147 ‒ 3.412 4,2% Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen Kamerverhuurvrijstelling 2 5 6 6 6 7 27,3% Heffingvrij vermogen/inkomen box 3 376 1.771 2.080 2.599 2.606 3.043 51,9% Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3 747 1.076 1.108 993 953 877 3,3% Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3 27 44 49 50 52 57 16,2% Vrijstelling groen beleggen box 3 56 45 55 28 24 0 ‒ 100,0% Heffingskorting groen beleggen box 3 34 37 35 3 2 0 ‒ 100,0% Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet 39 33 37 36 38 39 0,1% Verlaging lastendruk in de winstsfeer Zelfstandigenaftrek 1.743 1.348 1.034 655 306 234 ‒ 33,1% Extra zelfstandigenaftrek starters 122 125 123 119 117 3 ‒ 52,6% Meewerkaftrek 7 7 7 7 7 2 ‒ 24,2% Stakingsaftrek 18 15 17 17 17 4 ‒ 24,3% Aftrek speur- en ontwikkelingswerk 4 4 4 4 4 4 ‒ 0,8% Willekeurige afschrijving starters 1 1 1 1 1 1 3,6% Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart* 488 323 342 352 363 372 ‒ 5,3% Doorschuifregelingen IB-ondernemers bij overlijden en overdracht naar werknemer of mede-ondernemer 156 153 148 156 134 136 ‒ 2,7% Doorschuifregelingen AB-houders bij schenken en overlijden 1.948 1.823 2.306 1.368 430 435 ‒ 25,9% Mkb-winstvrijstelling 2.475 2.618 2.733 2.672 2.730 2.876 3,1% Terbeschikkingstellingsvrijstelling 23 23 34 38 41 46 14,7% Herinvesteringsreserve* 691 303 268 276 283 290 ‒ 15,9% Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek* 489 683 737 762 783 801 10,4% Energie-investeringsaftrek (EIA)* 309 336 243 286 460 454 8,0% Milieu-investeringsaftrek (MIA)* 206 306 248 140 135 160 ‒ 4,9% VAMIL* 23 23 21 18 20 20 ‒ 2,8% Landbouwvrijstelling in de winstsfeer* 1.771 1.439 1.266 1.341 1.383 1.424 ‒ 4,3% Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer* 9 10 11 11 11 11 5,8% Bosbouwvrijstelling* 45 48 50 52 54 55 4,1% * Deze regelingen werken via een schakelbepaling eveneens door naar de vennootschapsbelasting. Vraag 52 Vraag 52 Hoeveel euro bedraagt het budgettaire belang van box 3? Hoeveel belastinginkomsten zou de overheid derven als box 3 in het geheel wordt afgeschaft? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 52 Met box 3 wordt circa 10 miljard euro opgehaald. Hierbij is geen rekening gehouden met de kosten van de tegenbewijsregeling. Het afschaffen van box 3 kan tot een veel grotere derving leiden vanwege gedragseffecten. Zo zal bijvoorbeeld vermogen vaker particulier gehouden worden in plaats van in de BV worden gestald. Ook zal particuliere pensioenopbouw aantrekkelijker worden, omdat er dan geen belasting meer betaald hoeft te worden over het uitgekeerde rendement. Vraag 53 Vraag 53 Kunt u een overzicht geven van de verschillende vermogensgrenzen en definities bij financiële regelingen, uitkeringen en toeslagen? Antwoord op vraag 53 De tabel hieronder geeft de verschillende vermogensgrenzen weer in 2026. In 2027 worden de vermogensgrenzen van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag verlaagd naar 119.112 euro voor alleenstaanden en 158.748 euro voor paren. De overige vermogensgrenzen blijven de reguliere ontwikkeling volgen. Tabel 37 Overzicht vermogensgrenzen Vermogensgrens Hoogte alleenstaanden Hoogte paren Definitie vermogen Zorgtoeslag € 146.011 € 184.633 Rendementsgrondslag box 3 inkomstenbelasting (artikel 5.3 Wet IB 2001) Huurtoeslag € 38.479 € 76.958 Rendementsgrondslag box 3 Kindgebonden budget € 146.011 € 184.633 Rendementsgrondslag box 3 inkomstenbelasting Algemene bijstand € 8.000 € 16.000 Waarde alle bezittingen min schulden (artikel 34 Participatiewet) Heffingvrij vermogen box 3 € 59.357 € 118.714 Rendementsgrondslag box 3 Vraag 54 Vraag 54 Wat is de achterliggende gedachte of de achterliggende reden, behalve het genereren van overheidsinkomsten, om assurantiebelasting te heffen? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 54 De huidige assurantiebelasting is ingevoerd per 1972. Bij de introductie van die assurantiebelasting zijn in hoofdzaak de volgende argumenten aangevoerd: Gezien het budgettaire belang van de voorlopers van de assurantiebelasting was het geen optie om niet door te gaan met het heffen van een belasting. De assurantiebelasting fungeert als een aanvulling op de omzetbelasting, aangezien financiële diensten en verzekeringen daarvan zijn vrijgesteld. Het kabinet achtte het destijds passend dat ook verzekeringen als belangrijke financiële transacties aan een heffing zijn onderworpen. De heffing kent door jarenlange traditie een vaste plek in het economisch verkeer. Dit gold primair voor de historische zegelrechten en in afgeleide mate ook voor de daaruit voortgevloeide assurantiebelasting. Er is aansluiting gezocht bij de internationale praktijk, aangezien een soortgelijke belasting op verzekeringen ook in diverse buitenlandse rechtsstelsels gebruikelijk is. Het kabinet is van mening dat de voorgaande argumenten nog steeds van toepassing zijn. Het budgettaire belang van de assurantiebelasting in 2026 is € 4,439 miljard. Vraag 55 Vraag 55 Wat zijn de gevolgen van het kiezen van een definitie van «vermogen» bij verschillende regelingen (bijvoorbeeld artikel 34 lid 1 van de Participatiewet of artikel 12 lid 1 van de Uitvoeringsregeling IW 1990)? Antwoord op vraag 55 Vermogen is een belangrijk begrip binnen het kader van inkomensondersteuning. Bij verschillende inkomensondersteunende maatregelen wordt niet alleen naar het inkomen, maar ook naar het vermogen gekeken om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning. Doordat verschillende regelingen verschillende beleidsdoelen hebben, kunnen de definities van vermogen en hoogtes van vermogensgrenzen uiteenlopen. Mensen die met meerdere van deze regelingen te maken krijgen, kunnen in bepaalde gevallen ook met verschillende eisen rondom vermogen te maken krijgen. Vraag 56 Vraag 56 Welke (soorten) belastingen worden geheven met het enkele doel om belastinginkomsten te generen en niet om bijvoorbeeld gedrag te sturen? Graag een overzicht en een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 56 Het belastingstelsel dient meerdere doelen. Het belangrijkste doel is het verwerven van inkomsten om de collectieve uitgaven te financieren (de budgettaire functie). Daarnaast wordt het stelsel ingezet om inkomen en vermogen te herverdelen. Bij een aantal belastingen dient het ook om gedrag te beïnvloeden, bijvoorbeeld door schade aan milieu of gezondheid te beprijzen. Vrijwel iedere belasting dient meerdere van deze doelen tegelijk. Daarom is er geen scherp onderscheid te maken tussen belastingen die alleen worden geheven om inkomsten te genereren en belastingen die (ook) gedrag willen sturen. Vraag 57 Vraag 57 Hoeveel (euro en procent) van de totale opbrengsten uit belastingen die weggebruikers betalen (zoals bijv. wegenbelasting en motorrijtuigenbelasting) wordt gebruikt voor onderhoud en reparatie van de infrastructuur? Wat gebeurt er met de eventuele belastingopbrengsten die niet aan infrastructuur worden besteed? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 57 In de begrotingsregels is het principe vastgelegd dat om een goede afweging te kunnen maken tussen de (kosten van) verschillende beleidsdoelstellingen het oormerken van inkomsten voor uitgaven niet wenselijk is. De doelstellingen van beleid horen bepalend te zijn voor het niveau van de uitgaven, niet hoeveel geld via een bepaalde bron binnenkomt (zie Voorjaarsnota 2026, p. 38).[voetnoot 17]Er kan dus niet worden aangegeven hoeveel van deze belastinginkomsten worden gebruikt voor onderhoud en reparatie van infrastructuur. Vraag 58 Vraag 58 Waarom is de inflatie in Nederland hoger dan gemiddeld in de eurozone? Antwoord op vraag 58 Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de inflatie in Nederland en in het Eurogebied sinds begin 2025. Sinds het voorjaar van 2026 ligt de HICP[voetnoot 18]inflatie van Nederland op een vergelijkbaar niveau met de Eurozone. In de maanden daarvoor was de HICP hoger in Nederland dan in de Eurozone. Dit komt omdat de prijsontwikkeling van diensten hoger was dan in de rest van het Eurogebied. Dit wordt verklaard door een krappere arbeidsmarkt met hogere loon stijgingen als gevolg. Verder was de inflatie van voeding, drank en tabak hoger in Nederland dan in de Eurozone. Dat werd voornamelijk veroorzaakt door indirecte belastingen zoals accijnzen.[voetnoot 19] Figuur 2 Vraag 59 Vraag 59 Met hoeveel procent is de geldhoeveelheid M3 in de eurozone sinds 2020 toegenomen? Kunt u dit cumulatief weergeven én uitsplitsen in de groei of afname per jaar en vergelijken met het cpi in Nederland? Antwoord op vraag 59 De geldhoeveelheid M3[voetnoot 20] in de eurozone is met 35% toegenomen sinds januari 2020 (peildatum juli 2026). Figuur 3 geeft de cumulatieve groei van M3 in de eurozone en de consumentenprijsindex (CPI) in Nederland weer sinds januari 2020. Figuur 4 geeft de jaarmutatie van M3 en de CPI weer voor 2020-2025. Figuur 3 Ontwikkeling M3 eurozone en CPI Nederland (januari 2020=100) Figuur 4 Jaarmutatie M3 eurozone en CPI Nederland Data: ECB en CBS Vraag 60 Vraag 60 Hoe is vermogen in Nederland gespreid? En hoe is dit gespreid als pensioenvermogen wordt meegerekend? Antwoord op vraag 60 Bijlage 8 ‘Vermogensverdeling in beeld’ van de Voorjaarsnota 2026 schetst verschillende perspectieven op de spreiding van vermogen in Nederland in actuele figuren en tabellen. In figuur 5 van deze bijlage wordt ook pensioenvermogen meegenomen. Vraag 61 Vraag 61 Wat is het effect op het houdbaarheidssaldo van het niet doorvoeren van de 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting? Hoe is de besparing van bijna drie miljard euro die bij dat plan hoorde vervangen en voor welk deel structureel? Antwoord op vraag 61 Voor ramingen van de langetermijnontwikkelingen van de overheidsfinanciën baseert het kabinet zich op cijfers van het CPB, zoals vastgelegd in de Wet houdbare overheidsfinanciën. Volgens een CPB-analyse uit 2019 verbetert een 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting het houdbaarheidssaldo met circa 0,3% van het bbp ten opzichte van een 2/3-koppeling.[voetnoot 21] Het terugdraaien van deze maatregel heeft het tegenovergestelde effect. De budgettaire gevolgen van het schrappen van de 1-op-1-koppeling van de AOW aan de levensverwachting zijn integraal gewogen samen met alle overige intensiveringen, ombuigingen, meevallers en tegenvallers. Vraag 62 Vraag 62 Kunt u de AOW-uitgaven t/m 2040 weergeven in euro's en in % bbp en daarbij aangeven welk deel uit premies en welk deel uit algemene middelen wordt gefinancierd? Antwoord op vraag 62 Omdat de begrotingshorizon tot en met 2031 loopt, is de raming van de AOW-uitgaven t/m 2031 in onderstaande tabel weergegeven. In 2026 wordt ongeveer 45% hiervan (circa 26 miljard euro) betaald uit premies en 55% (circa 22 miljard euro) uit algemene middelen. Door de vergrijzing en de maximering van de AOW-premie zullen de AOW uitgaven in de toekomst steeds meer uit de algemene middelen bekostigd worden. Het CPB heeft in een rapport uit 2025 de AOW-uitgaven in 2025, 2030 en 2040 geraamd op respectievelijk 4,7%, 5,1% en 5,7% van het bbp[voetnoot 22]. Tabel 38 Geraamde AOW-uitgaven t/m 2031 (x € mln.) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 AOW-uitgaven 58.413 59.748 60.230 61.513 62.911 64.339 Vraag 63 Vraag 63 Hoeveel resteert er nog in het Nationaal Groeifonds, SDE++, het Klimaatfonds en het Stikstoffonds? Welk deel hiervan is juridisch verplicht? Antwoord op vraag 63 In onderstaande tabel staat een overzicht met de cumulatieve resterende middelen in 2026 t/m 2035 voor het Nationaal Groeifonds (NGF), de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++; incl. SDE en SDE+), het Klimaat- en energiefonds (KEF) en het Stikstoffonds, inclusief het juridisch verplichte deel. Tabel 39 Resterende middelen NGF, SDE++, KEF en Stikstoffonds 2026-2035 Bedragen in miljarden euro Resterende middelen Waarvan juridisch verplicht Nationaal Groeifonds 3,4 1,9 SDE++ (incl. SDE en SDE+) 24,9 20,8 Klimaat- en energiefonds 19,4 0,0 Stikstoffonds1 20,4 0,9 Tot het stikstoffonds worden de middelen op artikel 25 en 26 van de LVVN-begroting gerekend. Dit betreft het grootste deel van de 20 miljard euro die het kabinet in het coalitieakkoord heeft vrijgemaakt, en middelen die door vorige kabinetten beschikbaar zijn gesteld op de LVVN-begroting voor de stikstofaanpak. In de Ontwerpbegroting 2027 van LVVN is hierover meer informatie te vinden. Vraag 64 Vraag 64 Kan een tabel met een meerjarig overzicht voor de volledige looptijd van de NPA worden gegeven van alle afzonderlijke budgettaire middelen die worden ingezet voor het realiseren van de NPA? Kan tevens in een meerjarige tabel worden weergegeven wat hierin bij Miljoenennota 2027 is gewijzigd of verschoven, hoe intensiveringen zijn gefinancierd dan wel welke middelen alternatief worden aangewend. Antwoord op vraag 64 De budgettaire middelen die vanuit het Rijk direct worden ingezet ter realisatie van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) bestaan uit fiscale maatregelen (Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) en Overdrachtsbelasting (Ovb)) en subsidies voor de extra opgave van corporaties in Noord Nederland. Daarnaast zijn er woningmarktbrede subsidieregelingen beschikbaar voor nieuwbouw en verduurzaming van woningen waar corporaties direct maar veelal indirect (via bijvoorbeeld gemeente) van kunnen profiteren. In onderstaande tabellen is 1) Een meerjarig begrotingsoverzicht van de budgettaire middelen voor de NPA en 2) wijzigingen, verschuivingen en intensiveringen bij Miljoenennota 2027 te zien. Tabel 40 Meerjarig begrotingsoverzicht NPA Regeling (in miljoenen euro's) 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Vrijstelling renteaftrekbeperking ATAD 0 0 0 425 425 425 425 Vrijstelling Ovb voor DAEB 2 2 2 2 2 Incidentele middelen Noord NL 74 74 74 Totaal 74           74           76           427           427 427           427 Tabel 41 Wijzigingen, verschuivingen en intensiveringen bij Miljoenennota 2027 Mutatie/verschuiving (in miljoenen euro's) 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 ATAD-vrijstelling i.p.v. Vpb-faciliteit 175 175 150 150 Ovb-vrijstelling DAEB transacties 2 2 2 2 2 Saldo 0 0 2 177 177 152 152 Vraag 65 Vraag 65 Wat is de verwachte bijdrage van het Rijk (kapitaalstortingen, garanties, subsidies) aan de investeringen in het elektriciteitsnet t/m 2040, welk deel komt via de nettarieven bij huishoudens en bedrijven terecht? Antwoord op vraag 65 Het Rijk draagt via een subsidie aan TenneT voor het net op zee (181 miljoen euro per jaar tot en met 2039 en 85 miljoen euro in 2040) bij aan het elektriciteitsnet. Deze subsidie leidt tot een relatieve verlaging van de nettarieven omdat een kleiner deel van de investeringskosten via de nettarieven terugverdiend hoeven te worden. Daarnaast staat er een garantie van het Rijk aan TenneT uit. Het garantieplafond is momenteel 60,4 miljard euro. Deze garantie zorgt er voor dat TenneT goedkoper kan lenen. Deze goedkopere leningen leiden niet tot lagere tarieven. TenneT betaalt namelijk het financieringsvoordeel van de garantie als risicopremie aan de Staat. Vraag 66 Vraag 66 Wat doet het kabinet om de verslechterende bedrijvendynamiek te verbeteren? Antwoord op vraag 66 In de productiviteitsagenda die voor de zomer naar uw Kamer is gestuurd staan de maatregelen die het kabinet neemt om via arbeidsproductiviteitsgroei de structurele groei te verhogen. Daartoe brengt dit kabinet in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat en daarbuiten de randvoorwaarden voor een hoogproductieve economie op orde. Deze randvoorwaarden zijn cruciaal om de dynamiek in de economie weer aan te jagen. Denk aan de stikstofplannen, het versnellingsprogramma netcongestie en de vermindering van regeldruk. Met deze plannen neemt dit kabinet obstakels voor ondernemers om door te groeien weg en neemt de bedrijvendynamiek, en dus de productiviteitsgroei, weer toe. Het kabinet is zich er daarnaast van bewust dat ongerichte steunmaatregelen in crisistijd de economische dynamiek kunnen remmen, zoals tijdens de coronacrisis is gebleken. Om die reden heeft het kabinet eerder dit jaar met het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok bewust gekozen voor een gericht steunpakket voor de zwaarst getroffen sectoren en huishoudens met een laag inkomen, zodat de negatieve gevolgen voor de economische dynamiek zo beperkt mogelijk blijven. Vraag 67 Vraag 67 Kunt u een overzicht geven van de maatregelen die het kabinet neemt om «meer werken te laten lonen», inclusief het budgettair belang? Kunt u tevens een overzicht maken van alle maatregelen van het kabinet die meer werken juist niet loont, inclusief het budgettair belang? Antwoord op vraag 67 De belangrijkste maatregelen die dit kabinet neemt om werken lonender te maken in 2027 zijn de verhoging van de arbeidskorting (budgettair belang: 1.362 miljoen euro in 2027) en de verhoging van de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag (budgettair belang: 365 miljoen euro in 2027). De verhoging van de arbeidskorting leidt er toe dat werkenden netto meer overhouden van hun bruto salaris, maar heeft voor veel mensen geen effect op de mate waarin het loont om meer uren te gaan werken. Maatregelen waardoor de gemiddelde of marginale druk juist stijgen, zijn de verhogingen van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting (hoofdzakelijk) als gevolg van de ontwikkeling van de zorgpremies (budgettair belang: 2838 miljoen euro in 2027), de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage) (budgettair belang: 1502 miljoen euro in 2027) en het bevriezen van het aanvangspunt toptarief (budgettair belang: 749 miljoen euro in 2027). Het kabinet heeft de ambitie om meer werken meer te laten lonen. In het koopkrachtbeeld hebben werkenden dan ook de grootste verbetering ten opzichte van de cMEV. Dat komt voornamelijk door de verhoging van de arbeidskorting. Daarnaast is in augustus besloten om de schijftarieven in de inkomstenbelasting minder te verhogen dan aanvankelijk gepland. In het de factsheetbundel van het Belastingplan 2027 staat een overzicht van de maatregelen in de inkomstenbelasting die raken aan de koopkracht. In de SZW-begroting zijn alle maatregelen toegelicht met een effect op het inkomen in 2027. Zoals aangekondigd in het coalitieakkoord verkent het kabinet onorthodoxe maatregelen om werken meer lonend te maken. Technisch zal worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een voltijdsbonus, meerurenvoordeel en een arbeidskorting per uur. Zoals toegezegd door de minister van SZW tijdens het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en arbeidsmarktdiscriminatie op 24 juni jl. wordt de Kamer in het najaar nader per brief geïnformeerd. Vraag 68 Vraag 68 Kunt u toelichten hoe het bedrag van 425 miljoen euro bij maatregel 16 (uitzonderen woningcorporaties van de ATAD-maatregel, tabel 4, p. 46) is opgebouwd? Welke aannames maakt u? Antwoord op vraag 68 De basis van de raming wordt gevormd door de integrale aangiften vennootschapsbelasting over de periode 2016-2024. Aan de hand van deze aangiften is een simulatiemodel ontwikkeld waarop tot 2070 op bedrijfsniveau een te verwachten ontwikkeling van de Vpb-opbrengst wordt doorgerekend. In dit model zijn alle relevante regels met betrekking tot de vennootschapsbelasting opgenomen, inclusief de generieke renteaftrekbeperking (de earningsstrippingmaatregel) en de reguliere verliesverrekeningregels. In het basispad van het model is doorgerekend wat de vennootschapsbelasting zou zijn zonder de wijziging. In het beleidspad is doorgerekend wat de vennootschapsbelasting zou zijn met de maatregel. Het verschil tussen het basispad en het beleidspad geeft het effect van de maatregel weer. Het totaal van het verschil over alle ondernemingen is het budgettaire effect. In de simulatie is uitgegaan van de bestaande tariefstructuur in de vennootschapsbelasting: 19% tot een schijfgrens van 200.000 euro en 25,8% boven deze schijfgrens. Er is geen gedragseffect toegepast, omdat gedragsaanpassingen met betrekking tot de aard en plaats van de werkzaamheden bij woningcorporaties niet worden verwacht. Verder is gekeken in hoeverre er in de periode 2016-2024 ontwikkelingen waren die niet representatief zijn voor de toekomst. Bij woningcorporaties waren er in de periode 2013-2014 zeer grote afwaarderingen aanwezig, die grotendeels zijn teruggenomen in 2017 en 2018. Hetzelfde patroon is aanwezig bij de buitengewone lasten en baten. Bij de imputatie van de toekomstige jaren (2025 en verder) is hierbij de aanname gedaan dat deze herwaarderingen, alsmede de buitengewone baten en lasten, slechts de helft zijn van de oorspronkelijke bedragen. Deze aanname is gebaseerd op de zichtbare patronen in de aangiftes van woningcorporaties. Dit heeft effect op de imputaties in de simulatie die gebaseerd zijn op de aangiftes uit 2017 en 2018. Vraag 69 Vraag 69 Kunt u voorbeelden geven van eurozone landen die een gedeeltelijk (hybride) baten-lastenstelsel hanteren in hun begrotingsregels? Wat zijn hun EMU-saldi en EMU-schulden? Welke uitgaven worden in deze landen tot de categorie ‘investeringen’ geschaard en welke tot uitgaven? Antwoord op vraag 69 Er zijn geen landen in de eurozone die dezelfde hybride constructie hanteren als Nederland ten aanzien van de begroting (kasstelsel binnen de Rijksbegroting, baten-lastenstelsel bij agentschappen/zelfstandige bestuursorganen). Oostenrijk is het beste voorbeeld van een ander soort hybride baten-lastenstelsel in de begroting. Parlementaire goedkeuring is hier vereist op zowel de budgetten op basis van baten-lasten en de budgetten op basis van kas.[voetnoot 23] Oostenrijk had in 2025 een EMU-saldo van ‒ 4,2% bbp en een EMU-schuld van 81,5% bbp. In Oostenrijk worden uitgaven aan materiële activa, immateriële activa en de aankoop van aandelen in deelnemingen tot de categorie ‘investeringen’ gerekend. Onder andere uitgaven aan voorraden, onderhoud en onderwijs worden als reguliere uitgaven gecategoriseerd. Vraag 70 Vraag 70 Wat verklaart het verschil tussen de ontwikkeling van het EMU-saldo zoals geraamd door het kabinet en het CPB in 2026 en 2027? Antwoord op vraag 70 De onderstaande tabel toont de verschillen tussen de CPB-raming en de raming van Financiën in de Miljoenennota. Beide ramingen zijn op basis van het macro-economische beeld uit de Macro Economische Verkenning 2027 (MEV). De kabinetsraming is gebaseerd op de departementale begrotingen en de belastingraming van het ministerie van Financiën; het CPB maakt een onafhankelijke raming en kan daarbij andere uitgangspunten hanteren. Met name op het gebied van onderuitputting hanteert het CPB andere uitgangspunten: het CPB verwacht in 2026 minder onderuitputting dan verwerkt is in de begroting en in 2027 juist meer onderuitputting. Zie paragraaf 1.4 bij het Verantwoordingsdocument MEV 2027 van het CPB voor meer toelichting op de onderuitputtingsraming van het CPB. De overige beleidsmatige verschillen komen onder andere omdat het CPB verwacht dat de woningbouwmiddelen uit het HLA van kabinet Schoof vertraagd uitgegeven worden en het CPB de apparaatskorting Rijk uit het coalitieakkoord niet volledig overneemt. Zie bijlage A bij het Verantwoordingsdocument MEV 2027 van het CPB voor meer toelichting op de beleidsmatige verschillen. De verschillen in de post ‘Saldo decentrale overheden en overige verschillen’ worden voor 2026 vooral verklaard door een negatievere raming van het saldo decentrale overheden door het CPB. Voor 2027 wordt deze post vooral verklaard door een lagere raming van de uitgaven aan zorg en rente door het CPB. Tabel 42 Verschillen tussen saldoraming CPB en kabinet In procenten bbp 2026 2027 EMU-saldo kabinet ‒ 2,3% ‒ 2,9% Raming onderuitputting en overige beleidsmatige verschillen ‒ 0,1% 0,5% Verschil inkomsten 0,0% 0,1% Saldo decentrale overheden en overige verschillen ‒ 0,3% 0,1% EMU-saldo CPB ‒ 2,7% ‒ 2,2% Vraag 71 Vraag 71 Kunt u nader toelichten wat de verschillen zijn in de raming van de onderuitputting door het kabinet en het CPB voor 2026? En wat zijn de belangrijkste overige beleidsmatige verschillen? Antwoord op vraag 71 Zie antwoord vraag 70 Vraag 72 Vraag 72 Kunt u de rentelasten op de staatsschuld t/m 2031 weergeven en de gevoeligheid daarvan bij een rentestijging van 1 procentpunt over de gehele curve, na 1, 3 en 5 jaar? Antwoord op vraag 72 Zie onderstaande tabel. Voor de gevoeligheidsanalyse is uitgegaan van een rentestijging van zowel de lange als de korte rente, waarbij het effect op zowel de vlottende als de vaste schuld is meegenomen. Tabel 43 Gevoeligheid rentelasten staatschuld (vlottend en vast) voor rentestijging (lang en kort) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Stand Miljoenennota 2027 8.056 11.632 12.480 14.306 15.931 17.503 Δ 1%-punt rentestijging na 1 jaar 1.385 2.040 2.690 3.332 3.960 Δ 1%-punt rentestijging na 3 jaar 1.327 1.968 2.597 Δ 1%-punt rentestijging na 5 jaar 1.305 Vraag 73 Vraag 73 Wat merken burgers en mkb-ondernemers in het dagelijkse leven van hoge publieke schulden? Antwoord op vraag 73 De totale overheidsschuld heeft effect op de risicopremie die de overheid betaalt, een grotere overheidsschuld betekent een hogere af te dragen premie. De risicopremie op (staats)obligaties fungeert als een referentiepunt voor premies op private leningen en beïnvloedt daarmee de rentelasten die ondernemers en burgers betalen op bijvoorbeeld hypotheken, studieschuld en leningen (zie Miljoenennota 2027 paragraaf 1.3.2). Hogere publieke schulden leiden tot onzekerheid bij burgers en ondernemers omdat dit ruimte wegneemt voor de overheid om bij toekomstige crises steun te verlenen, daarnaast moet deze schuldpositie uiteindelijk ook weer worden teruggebracht, met hogere lasten of lagere voorzieningen voor burgers en bedrijven tot gevolg. Vraag 74 Vraag 74 Kunt u een overzicht maken van alle maatregelen die met deze Miljoenennota zijn teruggedraaid t.o.v. de Startnota, inclusief het budgettair belang? Kunt u hetzelfde overzicht maken van de maatregelen die aanvullend zijn genomen t.o.v. de Startnota, inclusief het budgettair belang? Antwoord op vraag 74 Een overzicht van maatregelen die aanvullend zijn genomen t.o.v. Startnota is terug te vinden in de kadertoets van de Miljoenennota 2027. Uitgebreidere toelichtingen van alle maatregelen zijn tevens terug te vinden in de Verticale Toelichtingen. Vraag 75 Vraag 75 Kan in tabelvorm geschetst worden hoe de lastenontwikkeling in dit pakket zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de startnota en ten opzichte van het basispad uit het vorige kabinet, uitgesplitst per maatregel? Antwoord op vraag 75 In het Belastingplan is zichtbaar dat de inkomstenbelasting volgend jaar met 4 miljard euro omhoog gaat. Dit komt voor het overgrote deel (80%) door maatregelen in de inkomstenbelasting die samenhangen met de maatregelen in de zorg. Het kabinet neemt maatregelen in de zorg die een stijging van de premies van 2,4 miljard euro voorkomt en structureel 4,6 miljard euro per jaar. Deze premies vallen buiten het Belastingplan. Deze augustus zijn ten opzichte van de startnota maatregelen genomen in het kader van een koopkrachtpakket. Zo is onder andere de arbeidskorting fors verhoogd om werkenden er niet teveel op achteruit te laten gaan, zijn de tarieven eerste en tweede schijf verlaagd. Naast de lastenmaatregelen in de inkomstenbelasting zijn andere belastingen aangepast. Zo is er een miljard lastenverlichting op consumptie gerealiseerd in het augustuspakket, waaronder lagere accijnzen en lagere vliegbelasting. In de Miljoenennota 2027 (kamerstuk 37 020, nr 1) is in tabel 4 het inkomstenkader met de verschillende maatregelen weergegeven. Dit betreffen beleidswijzigingen ten opzichte van de Voorjaarsnota 2026. In de Voorjaarsnota 2026 (kamerstuk 36 915, nr. 1) is in tabel 7 het inkomstenkader vastgesteld op basis van het coalitieakkoord. Dit betreffen de maatregelen van het Coalitieakkoord (startnota) ten opzichte van het basispad. Vraag 76 Vraag 76 Kunt u een overzicht geven van alle ombuigingen uit het coalitieakkoord die sinds het aantreden van het kabinet zijn geschrapt, verzacht of uitgesteld, met per maatregel het budgettaire effect in 2027, 2031 en structureel? Antwoord op vraag 76 Zie het antwoord op vraag 74. Vraag 77 Vraag 77 Waarom komt het budgettair belang van de reeks uit het coalitieakkoord betreffende het verlagen van het maximum dagloon (zoals weergegeven in feitelijke vraag 194 behorende bij de Voorjaarsnota 2026 (Kamerstuk 36 915, nr. 3)) niet overeen met de reeks die in de Miljoenennota 2027 (pagina 38) of in de begroting SZW 2027 (pagina 27) staat om deze verlaging te schrappen? Waarom komt het optellen van deze bedragen niet uit op nul? Antwoord op vraag 77 Het verschil is het gevolg van indexatie. De oorspronkelijke bezuiniging en het terugdraaien daarvan zijn beleidsmatig even groot, maar worden in de begroting weergegeven in het actuele prijspeil. Vraag 78 Vraag 78 Kan in een tabel aangegeven worden hoe de maatregel ''inhouden LPO tranche 2027 en 2028 over CA-middelen" wordt verdeeld over de verschillende begrotingen? Hoe dienen deze besparingen gerealiseerd te worden op de departementale begrotingen? Antwoord op vraag 78 Zie het antwoord op vraag 2. Vraag 79 Vraag 79 Kunt u bevestigen dat, conform de aangenomen motie Grinwis/Stoffer (Kamerstuk 31 305, nr. 551), er geen prijsbijstelling wordt ingehouden op het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds voor de tranches 2027 en 2028 en ook niet op de Aanvullende Post, in het licht van de onder de maatregelen 59 en 60 (tabel 3, p. 38-39) voorziene al dan niet voorwaardelijke inhouding van de prijsbijstelling indien de aanvullende onderuitputting niet wordt gerealiseerd? Waarom wel/niet? Antwoord op vraag 79 In de Miljoenennota is besloten om de loon- en prijsbijstellingstranches 2027 en 2028 over gereserveerde Coalitieakkoord (CA) middelen in te houden (maatregel 59). Indien de aanvullende onderuitputting (maatregel 60) niet wordt gerealiseerd, wordt (een deel van) de loon- en prijsbijstelling ingehouden, dit wordt bezien bij Voorjaarsnota 2027 en 2028. Vraag 80 Vraag 80 Kunt u bevestigen of het uitstel van de verhoging van het eigen risico (maatregel 27, tabel 3, p. 38) conform de gebruikelijke spelregels is doorvertaald naar het inkomstenkader en of dit heeft geleid tot een corrigerende verlaging van de tarieven in de IB en de aof? Waarom wel/niet? Antwoord op vraag 80 Door het uitstel van de verhoging van het eigen risico zullen de zorguitgaven en de zorgpremies in 2027 stijgen ten opzichte van het basispad. Er is geen compenserende lastenverlichting toegepast om het EMU-saldo niet verder te belasten. Vraag 81 Vraag 81 Kunt u een overzichtelijke uitsplitsing maken van de maatregelen in de Rijksbegroting 2027 die de Zvw-premie raken, inclusief impact op de IB-tarieven en de aof-premie, zowel in 2027 en de kabinetsperiode als structureel? Antwoord op vraag 81 De tabel hieronder geeft een uitsplitsing van de kaderrelevante maatregelen in de verticale toelichting bij de Miljoenennota die de Zvw-premie raken. De overboeking doorbraakmiddelen sociaal domein is niet opgenomen in de tabel, omdat deze overboeking al eerder was opgenomen in de premieraming. De verticale toelichting Zorg staat in hoofdstuk 9 van de bijlage van de Miljoenennota (zie p. 253 en verder). Sommige posten van de verticale toelichting die onder overig vallen, zijn in de tabel gespecificeerd als dit de Zvw betreft. In de tabel die daarop volgt, geeft de impact weer op de IB-tarieven en de aof-premie. Tabel 44 Verticale toelichting kaderrelevante bijstellingen met effect op Zvw-premie In miljoenen euro's (+=saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Meevallers Actualisatie Zvw niet-akkoordsectoren ‒ 100 ‒ 140 ‒ 142 ‒ 149 ‒ 114 ‒ 111 Actualisatie Zvw akkoordsectoren ‒ 354 Correctie overschrijding IZA transformatiemiddelen* ‒ 129 Overgang budgetbekostiging SEH ‒ 7 Tegenvallers Actualisatie Zvw akkoordsectoren 361 Actualisatie Zvw niet-akkoordsectoren 251 82 82 82 82 82 Correctie beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen 48 8 8 8 8 8 Actualisatie Zvw eigen risico (ontvangsten) ‒ 2 42 8 10 10 Intensiveringen Uitstel van verhoging eigen risico met 60 euro naar 2028 * 613 Uitstel van verhoging eigen risico met 60 euro naar 2028 (ontvangsten) * 437 Ombuigingen Opleidingsplekken gezondheidszorgpsychologen ‒ 11 ‒ 15 ‒ 18 ‒ 9 ‒ 9 Overboekingen met andere begrotingen Overheveling middelen strategisch opleiden MSZ 0 247 247 247 247 247 Overheveling middelen opleiden in de wijkverpleging 60 60 60 60 Overheveling SPUK transformatiemiddelen 20 ‒ 29 ‒ 5 Totale bijstelling Zvw 225 1199 148 238 284 287 W.v. relevant voor compenserende lastenverlichting ** 150 148 237 284 286 * Deze mutaties zijn niet meegenomen in de compenserende lastenverzwaring of -verlichting. ** Door afronding kan de totaalreeks afwijken van de optelling van individuele Zvw-mutaties. In het lopende jaar wordt er geen compenserende lastenverlichting doorgevoerd. Tabel 45 Gevolgen Zvw-bijstelling op inkomstenkader In miljoenen euro's (- =saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Aandeel Zorgtoeslag 37,20% Nominale premie 75 74 119 142 144 Inkomensafhankelijke bijdrage 75 74 119 142 144 Zorgtoeslag ‒ 28 ‒ 28 ‒ 44 ‒ 53 ‒ 53 TES en TTS ‒ 73 ‒ 72 ‒ 116 ‒ 139 ‒ 140 AOF ‒ 49 ‒ 48 ‒ 77 ‒ 92 ‒ 93 Totale compenserende lastenverlichting ‒ 150 ‒ 148 ‒ 237 ‒ 284 ‒ 286 Vraag 82 Vraag 82 Wat is de budgettaire consequentie van het uitstellen van de verhoging van het eigen risico met 60 euro in 2027? Hoeveel is de inkomstenbelasting naar beneden bijgesteld als gevolg van dit uitstel? Antwoord op vraag 82 Het niet verhogen van het eigen risico met 60 euro, leidt tot 437 miljoen euro lagere opbrengst van het eigen risico (financieringseffect, huishoudens betalen minder mee) en 613 miljoen euro aan hogere zorguitgaven (remgeldeffect, huishoudens gebruiken meer zorg). Per saldo zijn de verwachte totale netto zorguitgaven in 2027 1,05 miljard euro hoger dan wanneer het eigen risico wel verhoogd was in 2027. Hogere zorguitgaven leiden automatisch tot hogere zorgpremies. Ook de lagere verwachte opbrengst uit het eigen risico zorgt ervoor dat zorgverzekeraars meer moeten ophalen met de zorgpremies. De zorgpremies nemen daarmee ook toe met grofweg een miljard euro en maken deel uit van het inkomstenkader. Er is geen compenserende lastenverlichting toegepast om het EMU-saldo niet verder te belasten. Vraag 83 Vraag 83 Wat wordt het eigen risico in de jaren 2027 tot en met 2031, per jaar uitgesplitst? Antwoord op vraag 83 De tabel hieronder geeft de verwachte hoogte van het eigen risico per jaar weer vanaf 2027 tot en met 2031. Voor de jaren 2028 tot en met 2031 betreft dit een raming: de precieze hoogte kan nog wijzigen wanneer de groei van de uitgaven in de Zorgverzekeringswet wijzigt. Tabel 46 Verwachte hoogte eigen risico In euro’s 2027 2028 2029 2030 2031 Hoogte eigen risico 400 465 475 490 505 Vraag 84 Vraag 84 Wat zijn de gasbaten in 2026 en 2027? Antwoord op vraag 84 De gasbaten bestaan uit het dividend van Energie Beheer Nederland (EBN), het dividend van GasTerra en de mijnbouwheffingen (winstaandeel, cijns en oppervlakterecht). In onderstaande tabel staan de verwachte ontvangsten voor 2026 en 2027. Op basis van het vastgestelde dividendbeleid van EBN keert EBN in 2026 en 2027 geen dividend uit. Tabel 47 Bedragen in miljoenen euro 2026 2027 Dividend Energie Beheer Nederland 0,0 0,0 Dividend GasTerra 3,6 3,6 Mijnbouwheffingen 81,0 43,0 Totaal 84,6 46,6 Vraag 85 Vraag 85 Hoe wordt de beoogde verhoging van de kinderopvangtoeslag in 2027 vormgegeven, gegeven het resterende beschikbare budget van circa 365 miljoen euro? Klopt het dat het verlagen van de verhoging van de kinderopvangtoeslag in 2027 vanwege de voorschotsystematiek ook leidt tot lagere uitgaven in 2026? Zo ja, hoe hoog is dit budgettaire effect? Antwoord op vraag 85 Het ontwerpbesluit met de vormgeving van de verhoging van de kinderopvangtoeslag is op 15 september naar uw Kamer gestuurd voor voorhang door de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris van Financiën. In het ontwerpbesluit wordt de vormgeving van de verhoging toegelicht. De verhoging bestaat uit vier onderdelen. Ten eerste ontvangen ouders met een inkomen tot ongeveer 72.000 euro een vergoedingspercentage van 96% voor de opvangkosten van het eerste kind. Ten tweede wordt de vaste voet (het vergoedingspercentage waar ouders ten minste recht op hebben, ongeacht hun inkomen) in de eerste kindtabel in 2027 verhoogd van 36,5% naar 39,1%. De vaste voet wordt daardoor met 2,6 procentpunt verhoogd. Ten derde nemen de vergoedingspercentages op het afbouwpad van de kinderopvangtoeslag toe. Ouders met een toetsingsinkomen tussen de circa 72.000 en 179.000 euro ontvangen in 2027 een vergoedingspercentage dat 5,1 procentpunt hoger ligt dan in 2026 in de eerste kindtabel. Ten vierde worden de vergoedingspercentages in de tweede kindtabel verhoogd met 1,5 procentpunt voor alle ouders die geen vergoedingspercentage van 96% ontvangen. Het verlagen van de verhoging van de toeslag in 2027 leidt inderdaad tot een lager voorschot in 2026. Dit effect wordt geraamd op circa 31 miljoen euro. Het lagere voorschot zal bij de eerstvolgende gelegenheid in de begroting van SZW worden verwerkt. Vraag 86 Vraag 86 Kunt u de overige ombuigingen op de sociale zekerheid uit het coalitieakkoord, die wel doorgaan, inclusief het budgettair belang benoemen? Kunt u dezelfde opsommingen maken op het gebied van zorg, inclusief het budgettair belang? Antwoord op vraag 86 In onderstaande tabellen zijn de actuele standen van ombuigingen op het gebied van sociale zekerheid en zorg weergegeven. Dit beeld is exclusief de rijksbrede subsidietaakstelling, de efficiencytaakstelling en de maatregel vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheid. Tabel 48 Actuele stand ombuigingen sociale zekerheid In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc. WW-duurverkorting naar 12 maanden* 5 ‒ 718 ‒ 1.246 ‒ 1.172 WW overige maatregelen** 5 5 ‒ 293 ‒ 622 ‒ 623 IVA afschaffen (incl. taakherschikking) 6 14 13 17 ‒ 56 ‒ 210 ‒ 1.229 Vervallen compensatieregeling transitievergoeding*** ‒ 506 ‒ 792 ‒ 831 ‒ 870 ‒ 870 Korting re-integratiemiddelen ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 Totaal ‒ 18 ‒ 538 ‒ 925 ‒ 1.658 ‒ 2.893 ‒ 4.040 ‒ 5.025 *Incl. duurverkorting naar 18 maanden van Kabinet Schoof. **Betreft vertraagde opbouw van WW-rechten, aanscherping voorwaarden voor instroom (referte-eis) en verhoging uitkering van 75% naar 80% in de eerste twee maanden. ***Twee maatregelen rond compensatieregeling transitievergoeding zijn samengevoegd: vervallen (CA) en beperken (Schoof). Tabel 49 Actuele stand ombuigingen zorg In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Eigen risico niet verlagen en indexeren per 2027 ‒ 3.705 ‒ 3.926 ‒ 4.127 ‒ 4.222 ‒ 4.317 ‒ 4.766 Verhoging eigen risico met 60 euro per 2027* ‒ 1.019 ‒ 1.023 ‒ 1.026 ‒ 1.112 ‒ 1.122 Tranchering eigen risico op 150 euro ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 Passende zorg (wet- en regelgeving) ‒ 112 ‒ 198 ‒ 266 ‒ 548 Versterken informatieplicht zorgverzekeraars** ‒ 110 ‒ 120 ‒ 120 ‒ 190 Afschaffen vergoeding ongecontracteerde zorg ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 Selectie geneesmiddelen uit basispakket en strakker pakketbeheer ‒ 35 ‒ 115 ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 Bestuurlijk akkoord Wlz / Scheiden wonen en zorg*** ‒ 542 ‒ 786 ‒ 1.027 ‒ 1.251 ‒ 1.251 Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg ‒ 8 ‒ 321 ‒ 320 ‒ 470 ‒ 470 ‒ 470 Huishoudelijke hulp uit Wmo met vangnet ‒ 435 ‒ 435 ‒ 435 ‒ 435 Gelijktrekken vermogensgrenzen zorgtoeslag naar heffingsvrij vermogen ‒ 24 ‒ 289 ‒ 299 ‒ 311 ‒ 329 ‒ 329 Eigen bijdrage wijkverpleging 15 15 ‒ 225 ‒ 225 ‒ 225 ‒ 225 Aftrek specifieke zorgkosten ‒ 66 ‒ 133 ‒ 147 ‒ 152 ‒ 154 Vervolgopleidingen medisch-specialisten ‒ 110 ‒ 110 ‒ 110 ‒ 110 Beschikbaarheidbijdrage academische zorg ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 Totaal 0 ‒ 3.722 ‒ 6.383 ‒ 8.245 ‒ 8.892 ‒ 9.387 ‒ 10.200 *De raming voor het remgeld is geüpdatet na publicatie van het coalitieakkoord. **Versterken informatieplicht zorgverzekeraars is in het voorjaar vervroegd. ***De opgave is ten opzichte van het CA verhoogd met het terugdraaien van de tariefmaatregelen in de gehandicaptenzorg (Kamerstuk 34104, nr. 473). Vraag 87 Vraag 87 Hoeveel wordt er nu in totaal omgebogen op sociale zekerheid? Hoeveel verschilt dit met het begin van de kabinetsperiode? Antwoord op vraag 87 In onderstaande tabel zijn de optellingen van de ombuigingen op sociale zekerheid weergegeven ten tijden van het coalitieakkoord en na de augustusbesluitvorming. Tabel 50 Totale ombuigingen op sociale zekerheid bij CA en na augustusbesluitvorming In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc. Ombuigingen sociale zekerheid bij coalitieakkoord ‒ 16 ‒ 775 ‒ 1.435 ‒ 2.857 ‒ 3.839 ‒ 4.400 ‒ 8.275 Ombuigingen sociale zekerheid na augustusbesluitvorming ‒ 18 ‒ 538 ‒ 925 ‒ 1.658 ‒ 2.893 ‒ 4.040 ‒ 5.025 Vraag 88 Vraag 88 Hoeveel wordt er nu in totaal omgebogen op zorg? Hoeveel verschilt dit met het begin van de kabinetsperiode? Antwoord op vraag 88 In de onderstaande tabel staan alle ombuigingen op de zorg uit het coalitieakkoord (CA). De rijksbrede taakstellingen uit het CA zijn geen onderdeel van het overzicht. Het totaal aan ombuigingen op zorg is hoger door ombuigingen die zijn ingeboekt tijdens het kabinet-Rutte IV en het kabinet-Schoof. Per saldo nemen de uitgaven aan zorg overigens nog steeds elk jaar toe: de ombuigingen op zorg remmen de autonome stijging van de zorguitgaven af. In de Miljoenennota 2027 is de verhoging van het eigen risico met een jaar uitgesteld (+1.050 miljoen euro in 2027) en is de opbrengst van zorgfraude taakstellend ingeboekt (-50 miljoen euro structureel). Tabel 51 Ombuigingen zorg uit het coalitieakkoord In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Eigen risico niet verlagen en indexeren per 2027 ‒ 3.705 ‒ 3.926 ‒ 4.127 ‒ 4.222 ‒ 4.317 ‒ 4.766 Verhoging eigen risico met 60 euro per 2027* ‒ 1.050 ‒ 1.019 ‒ 1.023 ‒ 1.026 ‒ 1.112 ‒ 1.122 Tranchering eigen risico op 150 euro ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 ‒ 200 Passende zorg (wet- en regelgeving) ‒ 112 ‒ 198 ‒ 266 ‒ 548 Versterken informatieplicht zorgverzekeraars** ‒ 110 ‒ 120 ‒ 120 ‒ 190 Afschaffen vergoeding ongecontracteerde zorg ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 Selectie geneesmiddelen uit basispakket en strakker pakketbeheer ‒ 35 ‒ 115 ‒ 150 ‒ 150 ‒ 150 Bestuurlijk akkoord Wlz / Scheiden wonen en zorg*** ‒ 542 ‒ 786 ‒ 1.027 ‒ 1.251 ‒ 1.251 Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg ‒ 8 ‒ 321 ‒ 320 ‒ 470 ‒ 470 ‒ 470 Huishoudelijke hulp uit Wmo met vangnet ‒ 435 ‒ 435 ‒ 435 ‒ 435 Gelijktrekken vermogensgrenzen zorgtoeslag naar heffingsvrij vermogen ‒ 24 ‒ 289 ‒ 299 ‒ 311 ‒ 329 ‒ 329 Eigen bijdrage wijkverpleging 15 15 ‒ 225 ‒ 225 ‒ 225 ‒ 225 Aftrek specifieke zorgkosten ‒ 66 ‒ 133 ‒ 147 ‒ 152 ‒ 154 Vervolgopleidingen medisch-specialisten ‒ 110 ‒ 110 ‒ 110 ‒ 110 Beschikbaarheidbijdrage academische zorg ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 ‒ 100 Totaal 0 ‒ 4.772 ‒ 6.383 ‒ 8.245 ‒ 8.892 ‒ 9.387 ‒ 10.200 *De raming voor het remgeld is geüpdatet na publicatie van het coalitieakkoord. **Versterken informatieplicht zorgverzekeraars is in het voorjaar vervroegd. ***De opgave is ten opzichte van het CA verhoogd met het terugdraaien van de tariefmaatregelen in de gehandicaptenzorg (Kamerstuk 34104, nr. 473). Vraag 89 Voor welke soort projecten is de reeks onder punt 43, investering regionale mobiliteit/ontsluiting, bedoeld? Zijn middelen uit deze reeks onder andere bedoeld voor de vier nieuwe grootschalige woningbouwlocaties - Hengelo/Enschede, Helmond, Apeldoorn en Alkmaar - die tot nu toe nul euro toegewezen hebben gekregen voor het bereikbaar maken van de door hen te bouwen 30.000 woningen? Kan uit deze middelen ook de fout in de Brede Doeluitkering van het vorige kabinet worden hersteld, waardoor er onbedoeld in 2027 73 miljoen euro, en structureel 110 miljoen euro, wordt bezuinigd op het stads- en streekvervoer in en om de drie grootste steden van Nederland? Antwoord op vraag 89 De structurele middelen voor regionale mobiliteit/ontsluiting zijn onlangs toegevoegd aan het Mobiliteitsfonds. Deze middelen zijn onderdeel van de herprioriteringsopgave van IenW, hierover wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd. Vraag 90 Vraag 90 Kunt u de 1,3 miljard euro extra subsidie voor het CO2-opslagproject Aramis nader motiveren? Antwoord op vraag 90 Deze subsidie is nodig zodat in 2027 gestart kan worden met noodzakelijke investeringen in het CO2-opslag project Aramis. Het gaat onder andere om investeringen in de aanleg van de benodige transportleiding. De opslag van CO2 is op relatief korte termijn cruciaal voor de verduurzaming van de industrie. Door onzekerheid in de markt is er onvoldoende vraag naar CO2-afvang, waardoor Energie Beheer Nederland (EBN) en Gasunie zonder aanvullende bijdrage naar verwachting geen positieve finale investeringsbeslissing (FID) kunnen nemen in 2027. Vraag 91 Hoeveel geeft Nederland cumulatief t/m 2040 uit aan onderhoud en aanleg van infrastructuur? Hoeveel zou dit volgens adviesorganen moeten zijn? Antwoord op vraag 91 Op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds is tot en met 2040 circa 188 miljard euro aan budget gereserveerd voor onderhoud en aanleg van infrastructuur in Nederland. Daarvan is specifiek voor instandhouding 93 miljard gereserveerd, voor aanleg is 54 miljard gereserveerd en ondersteunend aan zowel aanleg als instandhouding (voornamelijk apparaat en DBFM) is er 41 miljard gereserveerd.   Vraag 92 Vraag 92 Kunt u bij maatregel 49 (intensivering ontwikkelingssamenwerking) een nadere uitsplitsing geven van de te besteden bedragen aan de verschillende doelen ten laste van de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en kunt u daarbij aangeven wat voorheen reeds aan Oekraïne is uitgegeven? Antwoord op vraag 92 Met maatregel 49 wordt er verwezen naar de intensivering op ontwikkelingssamenwerking waartoe is besloten bij Miljoenennota 2027. Deze intensivering bedraagt voor de jaren 2027 tot en met 2029 respectievelijk 367 miljoen euro, 384 miljoen euro en 391 miljoen euro. Deze middelen komen bovenop het reeds bestaande ODA-budget. De eerste tabel hieronder toont de doorverdeling van de intensivering. De tweede tabel toont de niet-militaire steun aan Oekraïne voor 2027 tot en met 2029. Voor de Nederlandse niet-militaire steun aan Oekraïne van de afgelopen jaren verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 50. Tabel 52 Doorverdeling intensivering ontwikkelingssamenwerking In miljoenen euro's 2027 2028 2029 1.3 Handel en economie voor ontwikkeling 40 57 58 2.3 Klimaat 40 63 64 3.4 Onderwijs voor sociale ontwikkeling 15 30 30 4.1 Humanitaire hulp 40 63 64 4.2 Migratie en Ontheemding 18 28 29 4.3 Veiligheid en democratische rechtsorde 35 55 56 5.3 Oekraïne 149 89 89 5.4 Verdeelartikel (nog nader in te vullen) 30 0 1 Tabel 53 Niet-militaire steun aan Oekraïne, 2027-2029 In miljoenen euro's 2027 2028 2029 Stand Voorjaarsnota 2026 (incl. NvW) 960 403 401 Aanvulling vanuit intensivering ontwikkelingssamenwerking + overige mutaties 152 89 89 Stand Miljoenennota 2027 1.112 492 490 Vraag 93 Kunt u toelichten waarop het bedrag van 6 miljoen euro bij maatregel 53 (Dienst Terugkeer en Vertrek, tabel 3, p. 43) is gebaseerd? Antwoord op vraag 93 In 2027 wordt 6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV). Dit bedrag is gebaseerd op de verwachte toename van het aantal terugkeertrajecten, onder andere als gevolg van het Europese Asiel- en Migratiepact en de hogere verwachte afhandeling van asielverzoeken door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Een hoger aantal terugkeertrajecten vraagt om extra capaciteit bij de DTenV en om aanvullende middelen voor de uitvoering van het vertrek. Vraag 94 Vraag 94 Hoeveel wordt er cumulatief geïnvesteerd in NADI? Hoeveel hiervan is saldorelevant? Over welke jaren zijn de investeringen gespreid? Antwoord op vraag 94 Er wordt cumulatief 500 miljoen euro geïnvesteerd in de NADI over de jaren 2027 tot en met 2035. Deze middelen zijn EMU-saldorelevant. Vraag 95 Kunt u nader toelichten op welke begrotingsposten de bij maatregel 60 (tabel 3, p. 44) opgenomen aanvullende onderuitputting wordt verondersteld? Antwoord op vraag 95 De aanvullende onderuitputting kent geen concrete invulling, omdat vooraf niet aan te wijzen is waar op de begroting de onderbesteding plaats zal vinden. Gaandeweg het jaar wordt deze ingevuld. De invulling kan bestaan uit onderuitputting of andere meevallers van alle begrotingen. Vraag 96 Kunt u toelichten wat het effect is van het niet indexeren van de schijfgrens van het toptarief (maatregel 4, tabel 4) op de afbouw van de algemene heffingskorting, gegeven het feit dat de afbouw van de algemene heffingskorting gekoppeld is aan het aangrijpingspunt van het toptarief? Welk deel van de budgettaire opbrengst komt vooruit uit het niet opschuiven van het aangrijpingspunt zelf en welk deel uit het effect op de algemene heffingskorting? Welke inkomenskwintielen dragen in welke mate de gevolgen van deze maatregel? Antwoord op vraag 96 Het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting wordt met de technische invulling van het koopkrachtpakket met 0,288%-punt steiler afgebouwd (van 6,35% naar 6,638%) vanaf minimumloon door de bevriezing van het aanvangspunt toptarief. De totale opbrengst van het bevriezen van het aanvangspunt toptarief in 2027 is 749 miljoen euro. Daarvan is 317 miljoen euro toe te wijzen aan de steilere afbouw van de algemene heffingskorting en 432 miljoen euro toe te wijzen aan het feit dat mensen eerder het toptarief betalen. Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van deze maatregel, uitgesplitst naar inkomenskwintiel. Tabel 54 Mediaan effect (huishoudens met effect) Alle huishoudens ‒ 0,1% Inkomensgroepen 1e (<=107% WML) 0,0% 2e (107-173% WML) 0,0% 3e (173-257% WML) ‒ 0,1% 4e (257-380% WML) ‒ 0,1% 5e (>380% WML) ‒ 0,2% Vraag 97 Kunt u voor alle werkende inkomensgroepen een overzicht maken van hoeveel diegene er maandelijks netto op vooruit gaat op zijn loonstrookje als gevolg van het verhogen van de arbeidskorting? Antwoord op vraag 97 De verhoging van de arbeidskorting is deel van de technische invulling van de koopkrachtmiddelen die in de augustusbesluitvorming zijn vrijgemaakt voor het verbeteren van de koopkrachtontwikkeling. De arbeidskorting wordt op alle knikpunten verhoogd met 173 euro. Onderstaande tabel toont het netto effect van de verhoging van de arbeidskorting voor alleenstaande werknemers met een jaarlijks bruto-inkomen tussen de 20.000 en 150.000 euro. Op een bruto-inkomen van 150.000 (en hoger) is de arbeidskorting volledig afgebouwd, waardoor er geen inkomensvooruitgang meer plaatsvindt door de verhoging van de arbeidskorting. Tabel 55 Netto effect van het verhogen van de arbeidskorting voor een alleenstaande werknemer, per inkomensniveau Bruto-inkomen per jaar Netto effect per jaar Netto effect per maand 20.000 173 14 30.000 173 14 40.000 173 14 50.000 173 14 60.000 173 14 70.000 173 14 80.000 173 14 90.000 173 14 100.000 173 14 110.000 173 14 120.000 173 14 130.000 173 14 140.000 173 14 150.000 0 0 *In de tabel is gerekend met een voltijdswerker (tenzij het inkomen lager is dan het wettelijk minimumloon) en een aftrekbare pensioenpremie van 6,32% zonder verdere aftrekposten. Vraag 98 Kunt u voor alle werkende inkomensgroepen een overzicht maken van hoeveel diegene er maandelijks netto op vooruit gaat op zijn loonstrookje als gevolg van verlagen van het tarief eerste en tweede schijf? Antwoord op vraag 98 De verlaging van het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting is deel van de technische invulling van de koopkrachtmiddelen die in de augustusbesluitvorming zijn vrijgemaakt voor het verbeteren van de koopkrachtontwikkeling. De belastingtarieven nemen hierdoor volgend jaar met 0,06%-punt minder toe. Per saldo neemt het tarief in de eerste schijf en tweede schijf in 2027 toe met 0,57%-punt, wat in combinatie met eerdere Belastingplannen uitkomt op een stijging van respectievelijk 0,48%-punt en 0,6%-punt ten opzichte van 2026. Onderstaande tabel toont het netto effect van het beperken van de toename van het tarief in de eerste en tweede schijf met 0,06%-punt voor alleenstaande werknemers met een jaarlijks bruto-inkomen tussen de 20.000 en 150.000 euro. Het positieve effect van de maatregel is in euro’s groter voor de hogere inkomens, omdat deze de eerste en tweede schijf (voor een groter deel) vol maken. Tabel 56 Netto effect in euro's van het verlagen van het tarief in de eerste en tweede schijf voor een alleenstaande werknemer, per inkomensniveau Bruto-inkomen per jaar Netto effect per jaar Netto effect per maand 20.000 12 1 30.000 18 1 40.000 23 2 50.000 29 2 60.000 34 3 70.000 40 3 80.000 46 4 90.000 47 4 100.000 47 4 110.000 47 4 120.000 47 4 130.000 47 4 140.000 47 4 150.000 47 4 *In de tabel is gerekend met een voltijdswerker (tenzij het inkomen lager is dan het wettelijk minimumloon) en een aftrekbare pensioenpremie van 6,32% zonder verdere aftrekposten. Vraag 99 Kunt u een overzicht maken van alle maatregelen van het kabinet die zowel positieve als negatieve gevolgen hebben voor de portemonnee van ouderen, inclusief het budgettair belang? Kunt u tevens inzichtelijk maken hoeveel ouderen in 2027 op de eindstreep overhouden in hun portemonnee als gevolg van de maatregelen van dit kabinetsbeleid? Antwoord op vraag 99 De belangrijkste beleidsmaatregelen met gevolgen voor de koopkracht van ouderen zijn de verhogingen van de tarieven in de eerste en tweede schijf van inkomstenbelasting (hoofdzakelijk) als gevolg van de ontwikkeling van de zorgpremies (budgettair belang: 2838 miljoen euro in 2027), de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage) (budgettair belang: 1502 miljoen euro in 2027), de verlaging van de ouderenkorting (budgettair belang: 197 miljoen euro in 2027), en het bevriezen van het aanvangspunt toptarief (budgettair belang: 749 miljoen euro in 2027). Per saldo leiden deze maatregelen tot een negatief inkomenseffect. Door het totaal aan economische ontwikkelingen en beleid stijgt de mediane koopkracht van ouderen in 2027 naar verwachting met 0,3%. Er is echter sprake van spreiding binnen de groep ouderen. Sommige ouderen hebben bijvoorbeeld veel baat bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, waardoor hun aanvullende pensioenen fors kunnen worden verhoogd. In dat geval valt de koopkracht hoger uit. Als dat niet het geval is, kan de koopkrachtontwikkeling ook lager uitvallen. Vraag 100 Kunt u voor de midden- en hoge inkomensgroepen een overzicht maken van hoeveel diegene er maandelijks netto op achteruit gaat op zijn loonstrookje als gevolg van het bevriezen van het aanvangspunt toptarief 2027 op het niveau van 2026? Antwoord op vraag 100 Het bevriezen van het aanvangspunt van het toptarief is deel van de technische invulling van de koopkrachtmiddelen die in de augustusbesluitvorming zijn vrijgemaakt voor het verbeteren van de koopkrachtontwikkeling. De maatregel fungeert als gedeeltelijke dekking voor het verhogen van de arbeidskorting en het beperken van de tariefsverhogingen in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. Het aanvangspunt van het toptarief wordt bevroren op het niveau van 2026 (€ 78.426). Onderstaande tabel toont het netto effect van het bevriezen van het aanvangspunt van het toptarief voor alleenstaande werknemers met een jaarlijks bruto-inkomen tussen de 20.000 en 150.000 euro. Mensen met een inkomen boven het aanvangspunt van het toptarief ondervinden het grootste negatieve effect op hun netto-inkomen, omdat hun inkomen deels tegen het toptarief wordt belast. Omdat het afbouwtraject van de algemene heffingskorting tussen het voltijds wettelijk minimumloon (wml) en het aanvangspunt van het toptarief plaatsvindt, krijgen mensen met een inkomen onder het aanvangspunt van het toptarief (maar boven het wml) ook met een negatief effect op het netto-inkomen te maken. Tabel 57 Netto effect in euro's van het bevriezen van het aanvangspunt van het toptarief voor een alleenstaande werknemer, per inkomensniveau Bruto-inkomen per jaar Netto effect per jaar Netto effect per maand 20.000 0 0 30.000 0 0 40.000 ‒ 22 ‒ 2 50.000 ‒ 49 ‒ 4 60.000 ‒ 76 ‒ 6 70.000 ‒ 103 ‒ 9 80.000 ‒ 130 ‒ 11 90.000 ‒ 244 ‒ 20 100.000 ‒ 244 ‒ 20 110.000 ‒ 244 ‒ 20 120.000 ‒ 244 ‒ 20 130.000 ‒ 244 ‒ 20 140.000 ‒ 244 ‒ 20 150.000 ‒ 244 ‒ 20 *In de tabel is gerekend met een voltijdswerker (tenzij het inkomen lager is dan het wettelijk minimumloon) en een aftrekbare pensioenpremie van 6,32% zonder verdere aftrekposten. Vraag 101 Kunt u aangeven hoeveel een huishouden met een gemiddeld waterverbruik jaarlijks meer gaat afdragen als gevolg van het verhogen van het tarief belasting op leidingwater? Antwoord op vraag 101 Een gemiddeld huishouden verbruikt ca. 275 liter drinkwater per dag. Dit is ca. 100 kubieke meter per jaar. Een stijging van de belasting op leidingwater met 10 cent per kubieke meter betekent een gemiddelde lastenstijging per huishouden van € 10 per jaar. Vraag 102 Kunt u nader toelichten wat de maatregel toespitsen energiebelastingvermindering op de huishoudens precies inhoudt? Wat voor financiële gevolgen heeft dit voor bedrijven? Kunt u de gevolgen uitdrukken in cijfers? Antwoord op vraag 102 De belastingvermindering in de energiebelasting is een vast bedrag dat ongeacht de verbruikte hoeveelheid elektriciteit en aardgas in mindering wordt gebracht op de energierekening. In 2026 is het bedrag € 519,80 (exclusief 21% btw). Op dit moment wordt de belastingvermindering toegepast op elektriciteitsaansluitingen van objecten met een zogenoemde verblijfsfunctie. Het gaat om onroerende zaken die kunnen dienen tot woning of ten behoeve van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben. Het object moet geschikt zijn voor mensen om er langdurig te verblijven. Het gaat om woningen maar bijvoorbeeld ook om het overgrote deel van de bedrijfspanden. Er is veel discussie tussen energieleveranciers en hun klanten enerzijds en tussen energieleveranciers en de Belastingdienst anderzijds over de vraag of sprake is van een verblijfsfunctie. Het toespitsen van de belastingvermindering op huishoudens houdt in dat de belastingvermindering alleen nog toegepast wordt op elektriciteitsaansluitingen van woningen. Op die manier ontvangen alleen nog huishoudens de vermindering. De inschatting is dat de belastingvermindering in 9% van de gevallen wordt toegepast op een elektriciteitsaansluiting van een object dat géén woonfunctie heeft. In het eerste jaar waarin de toespitsing kan worden ingevoerd ‒ 2030 – zou dat neerkomen op ongeveer 800.000 aansluitingen. Per elektriciteitsaansluiting gaat het dan om € 530,47. De budgettaire opbrengst van de maatregel komt hiermee in 2030 op 401 miljoen euro (prijzen 2026). Vraag 103 Vraag 103 Kunt u nader toelichten wat de maatregel «hoger vastgestelde premie Werkhervattingskas (Whk) door UWV» precies inhoudt? Wat voor effect heeft deze maatregel? Antwoord op vraag 103 Het UWV stelt de Whk-premie voor het aankomende jaar vast. Dat moet het UWV zodanig doen dat de inkomsten uit de Whk-premie gelijk zijn aan de verwachte uitgaven ten laste van het fonds. De Whk-premie is daarmee dus lastendekkend. Voor 2027 heeft het UWV de Whk-premie 0,15 procentpunt hoger vastgesteld dan in 2026 (zie ook het antwoord op vraag 62). Dat heeft als effect dat publiek verzekerde werkgevers in 2027 meer Whk-premies gaan afdragen. Vraag 104 Vraag 104 Kunt u bevestigen dat het maximum premieloon niet daalt en dat de compenserende lastenverzwaring ook niet door gaat, nu het verlagen van het maximum dagloon niet door gaat? Antwoord op vraag 104 Het niet verlagen van het maximum premieloon leidt tot hogere premie-inkomsten, omdat de uitgaven en inkomsten gekoppeld zijn. Om deze hogere premie-inkomsten te compenseren worden de Aof-premie, Whk-premie, opslag Wko, AWf-premie en Ufo-premie verlaagd. Dit is het gespiegelde effect zoals gepresenteerd in de Voorjaarsnota 2026.  Vraag 105 Vraag 105 Hoe komt het dat de bedragen die zijn ingeboekt voor het verlagen van het maximum dagloon, de doorwerking daarvan op werkgeverspremies en de compenserende lastenverzwaring (maatregelen 17 t/m 21 uit tabel 7 inkomstenkader bij startnota uit de voorjaarsnota 2026 (Kamerstuk 36 915, nummer 1)) niet overeenkomen met de bedragen die zijn ingeboekt om dit terug te draaien (maatregelen 46 t/m 49 uit tabel 4 uit de miljoenennota 2027)? Antwoord op vraag 105 In het regeerakkoord staat het voornemen om het maximumdagloon en het maximumpremieloon vanaf 2029 met 20 procent te verlagen. Voor de premie-inkomsten betekent een lager maximumdagloon dat de premieplichtige loonsom afneemt, waardoor minder premies worden betaald. Deze daling van de premie-inkomsten zou worden gecompenseerd door de premietarieven te verhogen. In de Miljoenennota 2027 is aangegeven dat deze maatregelen niet doorgaan. Het maximumdagloon en het maximumpremieloon gaan dus niet omlaag, en de premietarieven ook niet omhoog. In de Voorjaarsnota stond een eerste berekening van het effect van een 20 procent lager maximumpremieloon op de premie-inkomsten. Dit telde op tot iets meer dan 2,3 miljard euro. Daartegenover stond dus een premiestijging van hetzelfde bedrag. Na het verschijnen van de CEP-raming van het CPB is de berekening herijkt. Hieruit volgt dat de premie-inkomsten iets meer dan 2,6 miljard euro dalen, en de premie-inkomsten dus met 2,6 miljard euro moeten stijgen. Deze actuelere bedragen zijn opgenomen in de Miljoenennota, waar de maatregel uit het regeerakkoord ongedaan wordt gemaakt. Vraag 106 Vraag 106 Hoe hoog zou de premieverhoging zijn voor de Aof, Whk, Wko, Awf en Ufo zijn als de verlaging van het maximum dagloon (en maximum premieloon) wel door zou gaan? Kunt u dit uitsplitsen per premie? Kunt u dit tevens weergeven in termen van premieverhoging in percentage(punten) en in miljoenen euro's? Antwoord op vraag 106 Als de verlaging van het maximumpremieloon met 20% door zou gaan dan zou dat zorgen voor 2,6 miljard aan gederfde premie-inkomsten (in prijzen 2026). In onderstaande tabel staan de tariefstijgingen die nodig zijn om per fonds de gederfde inkomsten goed te maken. Deze tariefmutaties, en de andere tariefmaatregelen uit het regeerakkoord, staan ook toegelicht in de technische kamerbrief over de fondsensystematiek werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 2025/26, 32716 nr. 67). Figuur 5 Vraag 107 Vraag 107 Kunt u toelichten waarom de hoger vastgestelde premie Werkhervattingskas (Whk) van 357 miljoen euro (maatregel 5, tabel 4, p. 46) niet, zoals gebruikelijk, wordt gecompenseerd via de Aof-premie? Antwoord op vraag 107 De meevaller die is ontstaan door de hoger vastgestelde premie Werkhervattingskas is ingezet als dekking van het koopkrachtpakket. Met het koopkrachtpakket wordt de arbeidskorting verhoogd en worden de tarieven in de eerste en tweede schijf verlaagd. Vraag 108 Als de ATAD-uitzondering van woningcorporaties 425 miljoen euro kost, hoeveel kost het dan om de volledige Vpb voor corporaties af te schaffen? Antwoord op vraag 108 Naar verwachting zal de belastinglast in 2028 ongeveer € 700 miljoen, oplopend naar ongeveer € 1,1 miljard structureel zijn. Vraag 109 Waarom heeft u ervoor gekozen om de accijnskorting op diesel te verlengen en dat niet te doen voor benzine? Hoeveel zou het verlengen van de accijnskorting op benzine hebben gekost? Antwoord op vraag 109 Ook de accijnskorting op benzine wordt voor 2027 verlengd. Hiervoor is in het Belastingplan 2027 900 miljoen euro beschikbaar. Voorgesteld wordt om het accijnstarief voor 2027 op benzine licht te verhogen, maar niet te indexeren, waardoor de accijnskorting voor 2027 de facto ruimer wordt. De accijnskorting gaat naar € 0,17643 per liter in 2027, ten opzichte van € 0,15738 per liter in 2026. Met de nota van wijziging wordt aanvullend de accijnskorting op diesel voor 2027 volledig verlengd. Hiervoor is 475 miljoen euro gereserveerd. De Miljoenennota 2027 vermeldt bij de aanvullende besluitvorming daarom alleen de maatregel «verlengen accijnskorting op diesel». Het totale budgettaire beslag van de verlenging van de accijnskorting in 2027 bedraagt daarmee circa 1.375 miljard euro. Met het Belastingplan 2027 worden de kortingen op benzine en diesel vervolgens in samenhang geregeld. In 2027 blijft voor beide brandstoffen de korting bestaan. In 2028 wordt de korting voor zowel benzine als diesel gedeeltelijk afgebouwd. De gezamenlijke budgettaire derving van de accijnskorting op benzine en diesel bedraagt in 2028 750 miljoen euro. Per 1 januari 2029 wordt de korting voor beide brandstoffen volledig beëindigd. Vraag 110 Kunt u aangeven welk deel van de structureel ingeschatte 425 miljoen euro voor de investeringscapaciteit woningcorporaties (ATAD) ziet op de aftrek van het voort te wentelen saldo aan renten uit voorgaande jaren? Antwoord op vraag 110 Door een uitzondering van de earningsstrippingmaatregel is jaarlijks het volledige saldo aan renten in een aangiftejaar aftrekbaar voor woningcorporaties.[voetnoot 24] Daarnaast is het kabinet zich bewust dat veel woningcorporaties sinds de inwerkingtreding van de earningsstrippingmaatregel per 1 januari 2019 een bedrag aan voort te wentelen saldi aan renten hebben opgebouwd. In de nota van wijziging bij het Belastingplan 2027 zal hier nader op worden ingegaan. Het budgettaire beslag van de in de nota van wijziging opgenomen methodiek voor het voort te wentelen saldo aan renten uit voorgaande jaren bedraagt enkele miljoenen euro’s per jaar. Vraag 111 Kunt u nader toelichten wat de maatregel «langzamer afbouwen accijnskorting op diesel en benzine» precies inhoudt? Hoeveel bedraagt de accijnskorting nu, hoeveel zou hij worden en hoeveel langzamer wordt hij nu afgebouwd in de komende jaren? Antwoord op vraag 111 De maatregel houdt in dat de accijnskorting op benzine en diesel in 2028 nog gedeeltelijk in stand blijft. Zonder deze maatregel vervalt de accijnskorting per 1 januari 2028 volledig. De volledige afbouw van de korting verschuift daarmee naar 1 januari 2029. De onderstaande tabellen laten voor benzine en diesel zien hoe het accijnstarief en de accijnskorting zich in de jaren 2026 tot en met 2029 ontwikkelen. Uit de tabellen volgt dat in 2028 nog een accijnskorting resteert van € 0,10195 per liter benzine en € 0,06897 per liter diesel. Vanaf 1 januari 2029 is de korting voor beide brandstoffen volledig afgebouwd. Tabel 58 Overzicht accijnstarieven en accijnskorting benzine per liter 2026 2027 2028 2029 Accijnstarief benzine in basispad1 € 1,00207 € 1,02812 € 1,04868 € 1,07280 Accijnstarief benzine2 € 0,84469 € 0,85169 € 0,94673 € 1,07280 Accijnskorting € 0,15738 € 0,17643 € 0,10195 € 0,00 Accijnstarief per liter zonder korting en met jaarlijkse indexatie sinds 2022. Het accijnstarief per liter ongelode benzine dat van toepassing is. Tabel 59 Overzicht accijnstarieven en accijnskorting diesel per liter 2026 2027 2028 2029 Accijnstarief diesel in basispad1 € 0,65433 € 0,67134 € 0,68477 € 0,70052 Accijnstarief diesel2 € 0,55229 € 0,55229 € 0,61580 € 0,70052 Accijnskorting € 0,10204 € 0,11905 € 0,06897 € 0,00 Accijnstarief per liter zonder korting en met jaarlijkse indexatie sinds 2022. Het accijnstarief per liter gasolie (diesel) dat van toepassing is. Vraag 112 Vraag 112 Hoe komt het dat het uitstellen van de verhoging van het eigen risico met 60 euro ervoor zorgt dat de zorgpremies met 1 miljard euro stijgen? Hoe is deze berekening precies gemaakt? En wat betekent dit voor de inkomstenbelasting? Antwoord op vraag 112 Het niet verhogen van het eigen risico met € 60, leidt tot 437 miljoen euro lagere opbrengst van het eigen risico (financieringseffect, huishoudens betalen minder mee) en € 613 miljoen euro aan hogere zorguitgaven (remgeldeffect, huishoudens gebruiken meer zorg). Per saldo zijn de verwachte totale netto zorguitgaven in 2027 1,05 miljard euro hoger dan wanneer het eigen risico wel verhoogd was in 2027. Hogere zorguitgaven leiden automatisch tot hogere zorgpremies. Ook de lagere verwachte opbrengst uit het eigen risico zorgt ervoor dat zorgverzekeraars meer moeten ophalen met de zorgpremies. De zorgpremies nemen daarmee ook toe met grofweg een miljard euro en maken deel uit van het inkomstenkader. Om het EMU-saldo niet verder te belasten, is bij deze maatregel niet gekozen om de lastenverzwaring, waartoe eerder besloten was, terug te draaien. Vraag 113 Vraag 113 Met hoeveel stijgen de zorgpremies jaarlijks gemiddeld per persoon als gevolg van het uitstellen van de verhoging van het eigen risico met 60 euro? Antwoord op vraag 113 Een verhoging van het eigen risico in 2027 zou hebben geleid tot een lagere nominale premie en een lager percentage voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw ten opzichte van het basispad. Met een verhoging van het eigen risico in 2027 is de verwachting dat de jaarpremie in 2027 €48 lager zou zijn. Het percentage voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zou dan met 0,05 procentpunt lager vastgesteld kunnen worden. Vraag 114 Hoeveel werknemers maken ongeveer gebruik van de onbelaste reiskostenvergoeding en hoeveel kilometers leggen zij gemiddeld jaarlijks af? Antwoord op vraag 114 Deze gegevens zijn niet exact bekend. Uit beschikbare gegevens van het CBS en onderzoek van Motivaction is op te maken dat er per jaar ongeveer 6 miljoen FTE gebruikmaken van de onbelaste reiskostenvergoeding, en dat zij gemiddeld bijna 5.000 km per jaar reizen voor werk.[voetnoot 25] Vraag 115 Hoeveel duurder wordt een glaasje bier en een glaasje wijn als gevolg van het indexeren van de alcoholaccijns in de komende jaren (per jaar uitgesplitst)? Antwoord op vraag 115 Onderstaande tabel laat voor een glas bier en wijn zien wat de huidige accijns is, de accijns na 1 jaar indexatie en de accijns na 6 jaar indexatie. Dit is het accijnstarief exclusief btw. Tabel 60 Accijnsverhogingen voor bier en wijn, exclusief btw Type consumptie Huidige accijns Accijns in 2027 Accijns in 2032 Een glas bier, 250 ml 5% alc. € 0,10150 € 0,10404 € 0,11566 Een glas wijn, 100 ml, 12% alc.  € 0,09569 € 0,09808 € 0,10904 Vraag 116 Vraag 116 Hoe werkt de technische schuif tussen de inkomstenbelasting en de zorgpremie? Volgens welke wet is dit geregeld? Antwoord op vraag 116 De uitgaven aan de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden betaald uit de zorgpremies. De zorgpremies zijn lastendekkend. Daarnaast zijn zorgpremies onderdeel van het inkomstenkader. Er zijn twee premies: de nominale zorgpremies en de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB). Deze financieren beide voor de helft de Zvw. Lagere uitgaven aan de zorg, leiden daarmee tot lagere premies, en daarmee tot lagere ontvangsten (en omgekeerd). Hierdoor heeft besluitvorming over de uitgaven aan de Zvw altijd een directe doorwerking op het inkomstenkader. De nominale zorgpremie werkt ook door op de zorgtoeslag, die ook onderdeel is van het inkomstenkader. Een tegenvaller in de zorguitgaven heeft dus twee effecten op de kaders: het leidt aan de ene kant tot minder ruimte onder het uitgavenkader en aan de andere kant tot een overschot binnen het inkomstenkader (door hogere zorgpremies). In de Miljoenennota 2027 is de laatste mutatie (uitvoeringsinformatie) op de Zvw verwerkt. Per saldo is er een tegenvaller aan de uitgavenkant (hogere zorgkosten). Dit leidt tot hogere zorgpremies in het inkomstenkader. Om dit te compenseren is conform de gebruikelijke systematiek lastenverlichting toegepast middels verlaging van de tarieven in de 1e en 2e schijf in de IB en een verlaging van de Aof-premie. Zie voor bijbehorende tabellen het antwoord op vraag 81. Vraag 117 Vraag 117 De zorgpremie wordt geïnd door verzekeraars. Waarom is er een technische schuif met de inkomstenbelasting als de IB een andere ontvanger heeft? Antwoord op vraag 117 Het inkomstenkader normeert de beleidsmatige lastenontwikkeling voor burgers en bedrijven. Het stuurt dus op de lastendruk, niet op de kasstroom of op de vraag wie de betaling ontvangt. Bepalend is of een betaling een collectieve last is. Daarvan is sprake bij een door de overheid opgelegde verplichte betaling waar geen concrete, individuele tegenprestatie tegenover staat, of bij een bijdrage voor een voorziening waarvan het gebruik verplicht is. De zorgverzekering is wettelijk verplicht en de hoogte van de premies volgt rechtstreeks uit de lastendekkende financiering van de Zvw-uitgaven, waarover het kabinet besluit. Zorgpremies zijn daarom vanwege het verplichte karakter van de zorgverzekering inkomstenkaderrelevant, net als de zorgtoeslag. Dat de nominale premie bij een private verzekeraar binnenkomt, verandert daar niets aan. Voor een belastingplichtige is een hogere zorgpremie dus net zo goed een lastenverzwaring als een hoger tarief in de inkomstenbelasting. Het inkomstenkader stuurt op het totaal van de lasten. Daarom kan een stijging van de zorgpremies worden gecompenseerd met een verlaging van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting en van de Aof-premie. Bij de keuze van het compensatie-instrument wordt ook gekeken naar de verdeling. De nominale premie drukt op huishoudens en wordt gecompenseerd via de inkomstenbelasting. De inkomensafhankelijke bijdrage drukt grotendeels op werkgevers en wordt gecompenseerd via de Aof-premie. Zo blijft niet alleen het totaal, maar ook de verdeling van de lasten tussen huishoudens en bedrijven in evenwicht. De schuif is per saldo neutraal voor het EMU-saldo: hogere premieontvangsten staan tegenover lagere belastingontvangsten. Vraag 118 De helft van de gebruikers van de aftrek specifieke zorgkosten is AOW-gerechtigd en de meeste gebruikers hebben een inkomen tussen de 10.000 en 40.000 euro. Wat zijn de inkomenseffecten van het afschaffen van de regeling? Heeft deze maatregel effect voor de groep mensen die in armoede leven? Is de enveloppe tegemoetkoming chronisch zieken voldoende om deze negatieve inkomenseffecten voor lagere inkomensgroepen te compenseren? Met welke andere koopkrachtmaatregel kan dit effect gericht worden gecompenseerd voor deze groep? Antwoord op vraag 118 Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten voor huishoudens die van deze regeling gebruikmaken. De tabel toont dus alleen de huishoudens die een effect ervaren door de maatregel. Dit is anders dan het koopkrachtbeeld, waarin de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen voor huishoudens wordt geraamd op basis van alle relevante beleidsmaatregelen en macro-economische ontwikkelingen. In doorsnee ondervinden huishoudens met effect een negatief inkomenseffect van 0,7% door deze maatregel, waarbij uitkeringsgerechtigden er in doorsnee meer op achteruitgaan dan andere groepen. Voor 5% van de huishoudens is het negatieve inkomenseffect meer dan 5%. Dit is met name het geval bij gepensioneerden, uitkeringsgerechtigden en lagere inkomens. Voor deze groepen leidt het afschaffen van de aftrek ook tot lagere toeslagen, waardoor zij er meer op achteruitgaan dan andere groepen. In de tabel is geen rekening gehouden met het afschaffen van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten, omdat deze geen onderdeel is van het rekenmodel voor de koopkrachtramingen van het Centraal Planbureau (MIMOSI). De maatregel leidt tot een toename van de armoede onder personen vanaf 2028 van minder dan 0,1%-punt. Er zijn middelen gereserveerd om de impact van maatregelen in het coalitieakkoord te verzachten, via de enveloppe voor tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken van 350 miljoen euro. De precieze inzet van deze middelen moet nog ingevuld worden, waarbij de effecten van de verschillende maatregelen die betrekking hebben op zorgkosten meegewogen worden. In de augustusbesluitvorming in de zomer van 2027 wordt het koopkrachtbeeld voor 2028 integraal bekeken, inclusief de effecten van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten. Voor de aftrek specifieke zorgkosten geldt ook dat deze negatief is geëvalueerd en zeer complex voor burgers en uitvoering, ook als het gaat om terugvorderingen en niet-gebruik. Tabel 61 Inkomenseffecten afschaffen aftrek specifieke zorgkosten, voor huishoudens met effect Inkomenseffecten <-5% ‒ 5 tot ‒ 2% ‒ 2 tot 0% Mediaan (huishoudens met effect) Aandeel huishoudens Alle huishoudens 5% 16% 79% ‒ 0,7% 100% Inkomensgroep 1e (<=107% WML) 5% 17% 78% ‒ 0,8% 33% 2e (107-173% WML) 8% 19% 73% ‒ 0,9% 38% 3e (173-257% WML) 3% 13% 84% ‒ 0,6% 16% 4e (257-380% WML) 1% 12% 87% ‒ 0,4% 8% 5e (>380% WML) 1% 4% 94% ‒ 0,3% 5% Inkomensbron Werkenden 1% 13% 86% ‒ 0,5% 30% Uitkeringsgerechtigden 9% 26% 65% ‒ 1,3% 13% Gepensioneerden 6% 16% 78% ‒ 0,8% 57% Vraag 119 Vraag 119 Is er bij een hogere zorgpremie en lagere inkomstenbelasting minder budgettaire ruimte in de algemene middelen? Antwoord op vraag 119 Zie antwoord op vraag 116. Vraag 120 Hoeveel levert het schrappen van de aftrek specifieke zorgkosten per 2028 op en hoe verdeelt deze lastenverzwaring zich over inkomensdecielen en over AOW-gerechtigden versus werkenden? Antwoord op vraag 120 Het kabinet schaft de aftrekpost voor specifieke zorgkosten af per 2028. Dit leidt tot een structurele opbrengst in het inkomstenkader van 560 miljoen euro vanaf 2028. Op basis van het rekenmodel MIMOSI van het Centraal Planbureau (CPB) is een schatting gemaakt van hoe deze lastenverzwaring neerslaat bij de verschillende inkomensgroepen, die het CPB standaard hanteert in haar ramingen (zie onderstaande tabel). In de tabel is geen rekening gehouden met het afschaffen van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten, omdat deze geen onderdeel is van het rekenmodel voor de koopkrachtramingen van het Centraal Planbureau. Het afschaffen van deze tegemoetkoming leidt vooral bij lagere inkomens tot een effect. Tabel 62 Verdeling budgettair effectnaar inkomensgroep Aandeel van de lastenverzwaring Alle huishoudens 100% Inkomensgroepen 1e (<=107% WML) 22% 2e (107-173% WML) 44% 3e (173-257% WML) 16% 4e (257-380% WML) 9% 5e (>380% WML) 9% Inkomensbron Werkenden 26% Uitkeringsgerechtigden 14% Gepensioneerden 60% Vraag 121 Hoe is het budgettaire beslag per jaar van de ATAD-vrijstelling voor woningcorporaties berekend? Antwoord op vraag 121 Zie antwoord op vraag 68. Vraag 122 Kan worden gekwantificeerd wat het verschil is tussen enerzijds de eerder in het coalitieakkoord voorziene vpb-faciliteit voor woningcorporaties en anderzijds de nu gekozen uitzondering op de renteaftrekbeperking? Wat is per jaar het verschil in financiële opbrengst voor de corporatiesector? Antwoord op vraag 122 In het regeerakkoord is voor de faciliteit in de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties taakstellend per 2028 een bedrag van € 250 miljoen per jaar beschikbaar gesteld, oplopend tot structureel € 325 miljoen per jaar vanaf 2032. Het kabinet geeft invulling aan deze faciliteit door woningcorporaties uit te zonderen van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting. De budgettaire derving van de uitzondering voor woningcorporaties van de earningsstrippingmaatregel bedraagt jaarlijks € 425 miljoen vanaf 2028. Het verschil in financiële opbrengst voor woningcorporaties ten opzichte van de in het regeerakkoord opgenomen faciliteit bedraagt daarmee € 175 miljoen vanaf 2028, aflopend tot € 100 miljoen structureel vanaf 2032. Vraag 123 De totale subsidie van de eigen woning – de hypotheekrenteaftrek – wordt verruimd doordat het tarief tweede schijf wordt verhoogd. Wat is hiervan het budgettaire gevolg binnen de hypotheekrenteaftrek? Antwoord op vraag 123 Het belastingplan 2027 zorgt voor een verhoging van het aftrektarief van 0,57 procentpunt, namelijk van 37,59% naar 38,16%. Dit zorgt ervoor dat het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek met 173 miljoen euro toeneemt. Vraag 124 Wanneer dient u de nota van wijziging m.b.t. het Belastingplan 2027 in die de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties wettelijk regelt? Staat de vormgeving hiervan wat het kabinet betreft al volledig vast? Antwoord op vraag 124 Woningcorporaties vervullen een essentiële maatschappelijke taak bij het waarborgen van voldoende, betaalbare en passende huisvesting in Nederland. Daarom heeft het kabinet zich gecommitteerd aan de ambitieuze afspraken uit de Nationale Prestatieafspraken 2025-2035 (NPA). De NPA bevatten afspraken met woningcorporaties over hun bijdrage aan de volkshuisvestelijke opgaven voor de komende jaren. In het regeerakkoord zijn er afspraken gemaakt over een pakket maatregelen die een bijdrage leveren aan een grotere financiële slagkracht van de corporatiesector om uitvoering te kunnen geven aan de NPA.[voetnoot 26] Een van deze maatregelen is een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel die wordt opgenomen in een nota van wijziging voor het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Deze nota van wijziging zal na advies van de Raad van State zo spoedig mogelijk met uw Kamer worden gedeeld, zodat de nota van wijziging kan worden betrokken in de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2027. Vraag 125 Ontstaat door afschaffing van ATAD voldoende investeringsruimte om de Nationale Prestatieafspraken te verlengen? Zo nee, hoeveel investeringsruimte komen woningcorporaties tekort om de Nationale Prestatieafspraken te verlengen? Als de vpb voor corporaties wordt afgeschaft, zou het dan wel kunnen? Antwoord op vraag 125 Het kabinet neemt verschillende maatregelen om de investeringsruimte van woningcorporaties te verbeteren. Alle maatregelen zorgen er tezamen voor dat de investeringsruimte van woningcorporaties met circa 28 miljard euro toeneemt. Circa 14 miljard euro komt beschikbaar door de voorgestelde uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel. Bij de NPA zal ook rekening moeten worden gehouden met de meest recente macro economische omstandigheden. Het volledig afschaffen van de vennootschapsbelasting (bovenop een uitzondering in de earningsstrippingmaatregel) kan woningcorporaties circa 24 miljard euro aan extra investeringsruimte opleveren. In theorie kan hiermee de huidige NPA weer financieel haalbaar worden gemaakt en ontstaat er ook enige financiële ruimte om nieuwe afspraken te maken als de NPA aflopen. Wel dient voor het afschaffen van de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties dekking te worden gevonden. Ook dient bij afschaffing van de Vpb rekening te worden gehouden met staatssteunrisico’s. Daarnaast zullen woningcorporaties bij een volledige afschaffing van de vennootschapsbelasting tegen een verplichte eindafrekening over de stille reserves aanlopen (over met name de waardeontwikkeling van de woningen). Eerder is ingeschat dat een dergelijke fiscale eindafrekening de sector mogelijk 35 miljard euro gaat kosten. [voetnoot 27]Bovendien zal wanneer de wens bestaat om woningcorporaties uit te zonderen van deze eindafrekening, dit ook op staatssteun beoordeeld moeten worden. Vraag 126 Wat is de consequentie voor woningcorporaties als bij de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties als overgangsregime geldt dat met betrekking tot het in aftrek brengen van het voort te wentelen saldo aan renten dat is ontstaan vóór de aanvang van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2028, de huidige systematiek van de generieke renteaftrekbeperking van toepassing blijft? Antwoord op vraag 126 Zoals in het antwoord op vraag 124 is aangegeven zal een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel worden opgenomen in een nota van wijziging voor het wetsvoorstel Belastingplan 2027 met een beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028. Dit heeft tot gevolg dat toekomstige renten van woningcorporaties niet meer in aftrek worden beperkt door de earningsstrippingmaatregel. Daarnaast is het kabinet zich bewust dat veel woningcorporaties sinds de inwerkingtreding van de earningsstrippingmaatregel per 1 januari 2019 een bedrag aan voort te wentelen saldi aan renten hebben opgebouwd. In de nota van wijziging bij het Belastingplan 2027 zal hier nader op worden ingegaan. Deze nota van wijziging zal na advies van de Raad van State zo spoedig mogelijk met uw Kamer worden gedeeld, zodat de nota van wijziging kan worden betrokken in de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2027. Vraag 127 Hoeveel vennootschapsbelasting betalen woningcorporaties naar verwachting nog in 2027, 2028 en structureel, nadat de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties is ingecalculeerd? Welk aandeel in het operationele resultaat en de investeringskasstroom betreft dit? Antwoord op vraag 127 Naar verwachting zal de belastinglast van woningcorporaties in 2027 ongeveer € 1,1 miljard zijn en in 2028 ongeveer € 700 miljoen, oplopend naar ongeveer € 1,1 miljard structureel. Deze belastinglast heeft betrekking zowel op de DAEB als de niet-DEAB activiteiten. Het aandeel van de vennootschapsbelasting in de operationele en investeringskasstroom tezamen bedraagt in 2027 naar verwachting ruim 6%. In 2028 zakt dit aandeel naar ruim 4%, daarna loopt het aandeel gestaag op tot ruim 8% in 2034. Dat komt mede door een afname van de investeringskasstroom. Vraag 128 Hoeveel extra investeringsruimte ontstaat volgens u door de ATAD-uitzondering voor woningcorporaties, hoeveel extra nieuwbouwwoningen en verduurzamingsinvesteringen kunnen daarmee worden gefinancierd en welke veronderstellingen zijn daarbij gehanteerd? Antwoord op vraag 128 De uitzondering van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting levert woningcorporaties circa 14 miljard euro aan extra investeringsruimte op. Zie ook de beantwoording van vraag 125. Bij een pro-rata verdeling van de extra investeringsruimte over de investeringsopgaven kunnen hiermee circa 35.000 nieuwe woningen worden gebouwd en circa 142.000 woningen worden verduurzaamd. Overigens is het goed om hierbij te vermelden dat de verkregen investeringsruimte door woningcorporaties gebruikt zal worden om de bestaande afspraken uit de NPA gestand te doen. Vraag 129 Vraag 129 Waarom is voor 2027 geen compenserende lastenverlichting opgenomen voor de hogere zorgpremies als gevolg van het uitstel van de verhoging van het eigen risico? Hoe past dit binnen de begrotingsregels van het kabinet? Antwoord op vraag 129 Zie antwoord op vraag 32. Vraag 130 De doelstelling van de verlaging het hoge tarief van de vliegbelasting is het creëren van een gelijker speelveld. Wat zijn de inschattingen van lagere grenseffecten van deze maatregel? Antwoord op vraag 130 De verwachte kwantitatieve beleidseffecten van de verlaging van het hoge tarief van de vliegbelasting zijn niet onderzocht. Wel zijn de verwachte beleidseffecten van de differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (hierna: gedifferentieerde vliegbelasting) recent geactualiseerd naar aanleiding van de motie van het lid Hoogeveen. [voetnoot 28] In het geactualiseerde onderzoek is ook gekeken naar de mogelijke uitwijk door passagiers. [voetnoot 29] Van de passagiers die ervoor kiezen om niet meer via Nederlandse luchthavens te vliegen, kiest een deel ervoor om via een buitenlandse luchthaven te reizen. Andere passagiers kiezen ervoor om over te stappen op andere vervoersmodaliteiten of om niet meer te vliegen. De verwachte additionele uitwijk van OD-passagiers (Origin Destination) naar buitenlandse luchthavens door de gedifferentieerde vliegbelasting is ongeveer 1%. De uitwijk verschilt per type vlucht. Voor korte vluchten wordt een verschuiving zichtbaar van buitenlandse luchtvaart en landvervoer naar luchtvaart vanaf Nederland. Voor middellange en lange vluchten is er uitwijk van Nederland naar buitenlandse luchthavens. Het kabinet verwacht dat de additionele uitwijk van OD-passagiers naar buitenlandse luchthavens door de gedifferentieerde vliegbelasting zal afnemen door de verlaging van het hoge tarief. Vraag 131 De doelstelling van de differentiatie in de vliegbelasting is het internaliseren van de externe kosten van de luchtvaart. Met verlaging van het hoge tarief wordt dit effect deels tenietgedaan. Wat is het verwachte effect op CO2-uitstoot van langeafstandsvluchten door de maatregel? Antwoord op vraag 131 De doelstelling van de differentiatie in de vliegbelasting is tweeledig: het realiseren van budgettaire opbrengst en het in hogere mate internaliseren van de externe kosten van de luchtvaart. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 57 zijn de verwachte kwantitatieve beleidseffecten van de verlaging van het hoge tarief van de vliegbelasting niet onderzocht. Wel is het onderzoek naar de verwachte beleidseffecten van de gedifferentieerde vliegbelasting recent geactualiseerd. [voetnoot 30] Uit dit onderzoek komt naar voren dat de gedifferentieerde vliegbelasting zorgt voor een hogere mate van internalisatie van de externe kosten van de luchtvaart. De gedifferentieerde vliegbelasting zorgt naar verwachting ook voor een reductie van de CO2-uitstoot van het vliegverkeer vanaf Nederlandse luchthavens van 1,6% tot 1,8% (0,1 tot 0,2 megaton CO2). Deze reductie komt voornamelijk voort uit een verschuivingen tussen typen vluchten, namelijk van langere naar kortere vluchten met een lagere CO2-uitstoot. Het totaal aantal vluchten vanaf Nederlandse luchthavens blijft naar verwachting gelijk vanwege de capaciteitsrestricties op Schiphol. Het kabinet verwacht dat de verlaging van het hoge tarief zal leiden tot een minimale afname van de CO2-reductie van de gedifferentieerde vliegbelasting, evenals een lagere mate van internalisatie van de externe kosten. De verlaging van het hoge tarief neemt niet weg dat de gedifferentieerde vliegbelasting ten opzichte van de huidige situatie nog steeds zorgt voor een reductie van de CO2-uitstoot van het vliegverkeer vanaf Nederlandse luchthavens, evenals een hogere mate van internalisatie van de externe kosten. Vraag 132 Kunt u een overzicht maken van alle koopkracht verbeterende en verslechterende maatregelen inclusief het budgettair belang? Antwoord op vraag 132 De belangrijkste koopkrachtverbeterende maatregelen voor 2027 zijn de verhoging van de arbeidskorting met € 173 (budgettair belang van 1.362 miljoen euro in 2027) als onderdeel van de technische invulling van het koopkrachtpakket en de verhoging van de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag (budgettair belang van 365 miljoen euro in 2027). Daarnaast stijgen de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting als gevolg van de zorgpremieontwikkeling (met 0,57%-punt, wat in combinatie met eerdere Belastingplannen uitkomt op een stijging van respectievelijk 0,48%-punt en 0,6%-punt ten opzichte van 2026 en een budgettair belang van 2.838 miljoen euro in 2027). Ook de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (vrijheidsbijdrage met budgettair belang van 1.502 miljoen euro in 2027) en het bevriezen van het aanvangspunt toptarief (budgettair belang van 749 miljoen euro in 2027) beïnvloeden de koopkracht. Een volledig overzicht van alle beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2027 is te vinden in paragraaf 7.2.9 van de SZW-begroting 2027. Per maatregel wordt ook steeds het mediane inkomenseffect getoond voor de huishoudens met een effect. Aandachtspunt hierbij is dat de mediane inkomenseffecten van verschillende maatregelen niet bij elkaar kunnen worden opgeteld, omdat niet alle huishoudens worden geraakt door elke maatregel. Vraag 133 Vraag 133 Kan de ontwikkeling van de ODA-gelden sinds 2022 t/m 2031 worden weergegeven? Kunt u dit vergelijken met het alternatieve scenario waarin de BNI-koppeling niet was losgelaten? Antwoord op vraag 133 Het ODA-budget is gekoppeld aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni). Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. Op deze manier blijft de ODA-prestatie langjarig stabiel. In lijn met het AIV-advies[voetnoot 31] wordt het ODA-budget één keer per jaar bijgesteld op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) van de CPB. Voorjaarsnota 2027 is het eerstvolgende moment waarop het ODA-budget wordt bijgesteld. Onderstaande tabel toont de horizontale ontwikkeling van het rijksbrede ODA-budget van 2022 tot en met 2031. Tabel 63 ODA-budget 2022-2031 In miljoenen euro's 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 ODA-budget (stand Miljoenennota 2027) 6.214 6.892 7.020 6.858 6.411 6.418 6.756 7.193 6.656 6.320 Vraag 134 Kunt u weergeven hoe de (nominale) uitgaven aan sociale zekerheid jaarlijks stijgen t/m 2031? Antwoord op vraag 134 De uitgaven aan sociale zekerheid zijn weergegeven in tabel 10 van de SZW-begroting voor 2027.[voetnoot 32] De tabel is voor de volledigheid hieronder weergegeven. Deze tabel is weergegeven in lopende prijzen, waarmee rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkeling. Daarnaast houden de bedragen rekening met niet-belastingontvangsten. Ook zijn de begrotingsgefinancierde uitgaven gecorrigeerd voor de rijksbijdragen aan de sociale fondsen, deze lopen mee in premiegefinancierde uitgaven. De premiegefinancierde uitgaven zijn inclusief de premies betaald over uitkeringen. Tabel 64 Nominale uitgaven aan sociale zekerheid, 2026-2031 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Begrotingsgefinancierde SZ-uitgaven 33 35,1 36,8 39,1 40,3 41,8 wv. loon- en prijsbijstelling begrotingsgefinancierd 0 1,2 2,3 3,5 4,5 5,6 Premiegefinancierde SZ-uitgaven 93,2 99,2 104 109 112,7 116,6 wv. loon- en prijsbijstelling premiegefinancierd 0 3,3 6,5 9,7 12,9 16,2 Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) 126,2 134,3 140,8 148,1 153 158,4 Vraag 135 Kunt u weergeven hoe de (reële) uitgaven aan sociale zekerheid jaarlijks stijgen t/m 2031? Antwoord op vraag 135 De ontwikkeling van de reële uitgaven aan sociale zekerheid is weergegeven in tabel 6 van de Miljoenennota, de horizontale ontwikkeling.[voetnoot 33] Voor de volledigheid is de reeks voor sociale zekerheid hieronder nogmaals weergegeven. Tabel 65 Reële netto-uitgaven aan Sociale Zekerheid Horizontale ontwikkeling Netto-uitgaven (in miljarden euro) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Sociale Zekerheid 124 128 131 134 134 136 Vraag 136 Vraag 136 Kunt u weergeven hoe de (nominale) uitgaven aan zorg jaarlijks stijgen t/m 2031? Antwoord op vraag 136 In de onderstaande tabel is de nominale ontwikkeling van de netto premiegefinancierde zorguitgaven weergegeven. De nominale zorguitgaven stijgen met 25,9 miljard euro tussen 2026 en 2031. Tabel 66 Nominale ontwikkeling netto premiegefinancierde zorguitgaven In miljarden euro's 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Premiegefinancierde zorguitgaven (nominaal) 104,4 110,7 114,4 119,3 124,5 130,3 Vraag 137 Vraag 137 Kunt u weergeven hoe de (reële) uitgaven aan zorg jaarlijks stijgen t/m 2031? Antwoord op vraag 137 In de onderstaande tabel is de reële ontwikkeling van de netto premiegefinancierde zorguitgaven weergegeven. De reële zorguitgaven stijgen met 5,6 miljard euro tussen 2026 en 2031. Tabel 67 Reële ontwikkeling netto premiegefinancierde zorguitgaven In miljarden euro's 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Premiegefinancierde zorguitgaven (reëel) 104,4 106,1 106,0 107,1 108,4 110,0 Vraag 138 Indien het nieuwe MFK een hogere bijdrage voor Nederland bevat, moet deze dan worden gefinancierd uit het inkomstenkader of uitgavenkader? Antwoord op vraag 138 Het kabinet zet in op een beperking van de stijging van de Nederlandse afdrachten aan de EU. De EU-afdrachten zijn relevant voor het uitgavenkader. Een eventuele tegenvaller als gevolg van het nieuwe MFK zal conform begrotingsregels dus onder het uitgavenkader ingepast moeten worden. Vraag 139 Welk deel van de defensie-intensivering richting 3,5% bbp in 2035 wordt gedekt door lastenverzwaring, welk deel door ombuigingen en welk deel door het EMU-saldo te laten verslechteren? Antwoord op vraag 139 De defensie-intensivering richting 2,8% in 2030 en 3,5% bbp in 2035 was onderdeel van de integrale besluitvorming voor het Coalitieakkoord en verwerkt bij Voorjaarsnota. Vraag 140 In 2027 ontvangt het Rijk naar verwachting 481,2 miljard euro aan belastingen en premies (EMU-basis). De loon- en inkomstenbelasting, omzetbelasting (btw), zorgpremies, de vennootschapsbelasting en premies volks- en werknemersverzekeringen zijn hierin de grootste posten. Kunt u de opbrengsten uitsplitsen naar enerzijds loonbelasting en anderzijds inkomstenbelasting? Graag een toelichting op uw antwoord. Antwoord op vraag 140 In 2027 wordt er 12,7 miljard euro inkomstenbelasting verwacht, en 103,7 euro loonbelasting. De loonbelasting is een voorheffing die wordt afgedragen door de werkgever, de inkomstenbelasting is de eindheffing op basis van het totale inkomen en aftrekposten. Vraag 141 Hoe hebben de lasten op werk zich in de afgelopen 10 jaar ontwikkeld? Kan dit voor ieder jaar worden uitgesplitst in miljarden euro’s verhoging of verlaging? Antwoord op vraag 141 Onderstaande tabel laat zien welk gedeelte van de rijksinkomsten bestaat uit lasten op arbeid. De ontwikkeling van deze inkomsten komt niet alleen door beleidswijzigingen, maar voornamelijk door economische ontwikkelingen zoals de loongroei. Hierbij is ook de jaar-op-jaar mutatie weergegeven sinds 2016. Tabel 68 Rijksinkomsten vanuit de grondslag arbeid (in miljarden euro's) 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 Inkomsten uit grondslag arbeid 137,1 144,7 151,6 155,5 155,6 160,4 172,3 184,3 199,2 214,3 221,0 Jaar-op-jaar mutatie - 7,6 6,9 4,0 0,0 4,8 11,9 12,0 14,9 15,2 6,7 Vraag 142 Kunt u een overzicht geven van de beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2026 t/m 2031 en daarbij onderscheid maken tussen gezinnen en bedrijven? Kunt u dit zowel inclusief als exclusief het basispad vermelden en daarbij tevens een onderheid maken in de onderdelen inkomen en arbeid, vermogen en winst, klimaat en milieu en overige lasten (graag per onderdeel uitsplitsen)? Antwoord op vraag 142 Onderstaande tabel geeft een splitsing weer van de beleidsmatige lastenontwikkeling (blo) naar huishoudens, bedrijven buitenland en een splitsing naar arbeid, kapitaal en consumptie. Een kruistabel tussen deze categorieën is niet beschikbaar. De onderste twee regels in de tabel geeft binnen de categorie consumptie weer welke lasten betrekking hebben op milieuheffingen.[voetnoot 34] Tabel 69 blo effect (in miljard euro) (= in standen) blo effect(min = lastenverlichting) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Huishoudens-bedrijven-buitenland, basispad + beleid huidig kabinet huishoudens 1,38 5,36 12,45 11,17 12,10 12,34 bedrijven 0,94 3,06 4,04 4,21 4,28 4,30 buitenland 0,39 0,47 0,47 0,47 0,48 0,48 Totaal 2,70 8,88 16,98 15,85 16,86 17,13 Huishoudens-bedrijven-buitenland, beleid huidig kabinet huishoudens ‒ 0,15 0,27 2,27 2,96 3,56 3,52 bedrijven ‒ 0,18 2,02 1,02 1,35 1,69 1,71 buitenland 0,00 ‒ 0,02 ‒ 0,02 ‒ 0,02 ‒ 0,02 ‒ 0,02 Totaal ‒ 0,33 2,27 3,27 4,28 5,23 5,20 Arbeid-kapitaal-consumptie, basispad + beleid huidig kabinet arbeid 1,44 7,35 8,99 9,53 9,72 10,14 kapitaal ‒ 0,66 ‒ 0,76 2,46 1,63 1,55 1,70 consumptie (excl. zorgpremies) 2,00 2,34 6,89 6,93 8,18 8,11 consumptie w.v. nominale zorgpremie ‒ 0,07 ‒ 0,04 ‒ 1,37 ‒ 2,24 ‒ 2,59 ‒ 2,81 Totaal 2,70 8,88 16,98 15,85 16,86 17,13 Arbeid-kapitaal-consumptie, beleid huidig kabinet arbeid ‒ 0,15 5,89 8,36 9,28 9,17 9,26 kapitaal ‒ 0,18 ‒ 0,13 ‒ 0,51 ‒ 0,47 ‒ 0,52 ‒ 0,52 consumptie (excl. zorgpremies) 0,00 ‒ 1,04 ‒ 0,93 ‒ 0,42 0,99 1,07 consumptie w.v. nominale zorgpremie 0,00 ‒ 2,44 ‒ 3,65 ‒ 4,10 ‒ 4,42 ‒ 4,61 Totaal ‒ 0,33 2,27 3,27 4,28 5,23 5,20 blo milieu huidig kabinet + voorgaande kabinetten 0,73 0,84 5,06 5,00 5,33 5,22 blo milieu huidig kabinet 0,00 ‒ 0,92 ‒ 1,15 ‒ 0,68 ‒ 0,19 ‒ 0,13 Vraag 143 Kan de beleidsmatige lastenontwikkeling als gevolg van beleid van dit kabinet nader worden uitgesplitst naar de blo voor arbeid, kapitaal en consumptie? Antwoord op vraag 143 Zie het antwoord op vraag 142 Vraag 144 Hoeveel is er sinds 2021 cumulatief aan box 3-herstel en -compensatie uitgekeerd of gereserveerd en hoeveel verwacht u nog? Antwoord op vraag 144 Het Kerstarrest uit 2021 heeft geleid tot een derving van € 2,8 miljard cumulatief voor 2017–2022. [voetnoot 35]Daarnaast zijn per 2023 met de Overbruggingswet box 3 de wettelijke bepalingen voor box 3 aangepast wat ook tot een cumulatieve derving van € 1,9 miljard leidt voor de jaren 2023–2027. [voetnoot 36]Bij de invoering van de Wet tegenbewijsregeling box 3 is een totaalbedrag van circa € 12 miljard geraamd voor de periode 2017 tot en met 2027. [voetnoot 37]Hiervan heeft € 6,5 miljard betrekking op de periode 2017 tot en met 2024. Bij de uitvoering van de Wet tegenbewijsregeling box 3 zijn per 9 september 2026 voor € 1,38 miljard aan verminderingen doorgevoerd bij de inkomstenbelasting over box 3-inkomsten. De Belastingdienst verwacht nog een substantieel aantal formulieren «Opgaaf werkelijk rendement» (OWR) te ontvangen. Daarbij is het goed mogelijk dat het gemiddelde bedrag per teruggave nog substantieel kan stijgen. In de bijlage bij de stand-van-zakenbrief Belastingdienst van 1 september 2026 heb ik opgemerkt dat het op dit moment te vroeg is conclusies te verbinden aan de realisatiecijfers tot nu toe. [voetnoot 38] Vraag 145 Vraag 145 Waaruit bestaat de lastenverzwaring op burgers die de Raad van State beschrijft? Antwoord op vraag 145 De Raad van State beschrijft geen lastenverzwaring op burgers, maar een lastenverzwaring op arbeid van 5,8 miljard euro in 2027, gebaseerd op MEV cijfers van het CPB. Vanwege andere ramingsmethodiek voor een aantal beleidsmaatregelen (o.a. de premies werknemersverzekeringen) komt het ministerie van Financiën uit op een net ander bedrag. In 2027 is de mutatie 5,9 miljard euro. Deze mutatie bevat zowel beleidsmatige keuzes van het huidige kabinet als van voorgaande kabinetten. De lastenverzwaring op arbeid bestaat uit wijzigingen in de inkomstenbelasting, de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Dat de lasten op arbeid stijgen is echter niet het volledige beeld. Tegenover de verhoging staat namelijk een minder grote stijging van de zorgpremies en een daling van de accijnzen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de lasten voor huishoudens, zie je dat deze door het beleid van dit kabinet volgend jaar niet of amper stijgen. Daarnaast stuurt dit kabinet op koopkracht van huishoudens. Het kabinet heeft met een koopkrachtpakket maatregelen genomen om het beeld te verbeteren. Voor werkende is de reparatie het grootst geweest, met het verhogen van de arbeidskorting met bijna €1,4 miljard. Iedereen die werkt profiteert daarvan. Bij elkaar over de jaren opgeteld zorgen de aanpassingen van de augustusbesluitvorming voor een lastenverlichting van 3,1 miljard gedurende de kabinetsperiode. Onze commitment aan hogere defensie-uitgaven levert een flinke rekening op. Deze rekening wordt niet doorgeschoven naar toekomstige generaties. Het eerlijke verhaal is daarvoor een bijdrage nodig is in de vorm van hogere lasten. Vraag 146 Hoeveel heeft Nederland tot nu toe aan Oekraïne uitgegeven en hoeveel is Nederland nog van plan uit te geven in de komende jaren? Antwoord op vraag 146 In de periode 2022 t/m 2025 heeft Nederland circa 22 miljard euro uitgegeven aan Oekraïne, dit is terug te vinden in de Financieel Jaarverslagen van het Rijk (2022 t/m 2025). De toekomstige geraamde uitgaven staan beschreven in paragraaf 2.7.1 Oekraïne in de Miljoenennota 2027. Vraag 147 Hoe wordt voorkomen dat investeringsbudgetten voor woningbouw en infrastructuur structureel te vroeg in de begroting worden geplaatst, waarna zij jaarlijks worden doorgeschoven? Wanneer worden budgetten en veranderingen hierin ingeboekt? Antwoord op vraag 147 De meeste regelingen lopen al een aantal jaar en er is dus langere tijd ervaring opgedaan met in welk kasritme de middelen moeten staan. Daarbij wordt een gedeelte van de middelen overgeheveld naar medeoverheden. Er is veel contact met de medeoverheden over het door hen benodigde kasritme. Dit laat onverlet dat het, ondanks de inspanningen die het kabinet heeft gedaan om de middelen in het juiste ritme te zetten, voor kan komen dat een klein deel van de middelen om uitvoeringstechnische redenen toch in een ander kasritme wordt gewenst. Hier wordt bij reguliere besluitvormingsmomenten naar gekeken en zo kunnen middelen in een ander kasritme worden gezet. __In alle reeksen blijft het 4% tarief voor vastgoedaandelen behouden. Dit percentage is niet vanuit woningmarkt- of budgettair perspectief vastgesteld, maar om een ongewenst fiscaal voordeel dat voorheen gold te adresseren. __ https://open.overheid.nl/documenten/96b6843b-5154-4d74-98c7-f979412549d5/file __Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2024, Voorgenomen versus daadwerkelijke gedragsverandering __Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 | CPB Website __Tarievenlijst accijns en verbruiksbelasting ‒ 1 april 2026 __Comparative price levels of consumer goods and services - Statistics Explained - Eurostat __Btw-nota 2025 | CBS __https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/eu-budget/long-term-eu-budget/2021-2027/spending-and-revenue_en __https://www.rijksoverheid.nl/sie/binaries/site-content/collections/documents/2026/09/15/v-buitenlandse-zaken-rijksbegroting-2027/5-buitenlandse-zaken.pdf __De aannames van de Nederlandse raming voor het volgend MFK en EMB zijn o.a. gecommuniceerd in de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen: https://open.overheid.nl/documenten/5263d471-8248-4ee1-970e-ae5b1c62ed79/file __Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025 (https://open.overheid.nl/documenten/d7aadf0d-c9a3-46bb-9c79-7886a14907ec) __Official development assistance (ODA) | OECD __https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/eu-budget/long-term-eu-budget/2021-2027/spending-and-revenue_en __https://www.cpb.nl/handelsbaten-van-de-eu-en-de-interne-markt __De Russische inval in Oekraïne begon in januari 2022, er waren geen uitgaven voor militaire of niet-militaire Oekraïne in 2021. __Kiel Institut. Ukraine Support Tracker. Beschikbaar via https://www.kielinstitut.de/research/topics/war-against-ukraine/ukraine-support-tracker/. __Voorjaarsnota 2026 __EU-landen gebruiken de HICP om inflatie internationaal te vergelijken. Nederland gebruikt daarnaast de eigen CPI. Een belangrijk verschil is dat de HICP de kosten van een eigen woning en uitgaven in het buitenland niet meeneemt, terwijl de CPI dit wel doet. De grafiek is op basis van Eurostat data gemaakt. __DNB (2025): Waarom de inflatie in Nederland hoger is dan in het eurogebied __M3 is de meest brede maatstaf voor de geldhoeveelheid in de eurozone. Het bestaat uit al het contante geld in omloop; direct opvraagbare deposito’s; deposito’s met een looptijd tot twee jaar; deposito’s die binnen drie maanden opvraagbaar zijn; repo-overeenkomsten; claims op geldmarktfondsen en schuldpapier met een looptijd van minder dan twee jaar uitgegeven door monetaire financiële instellingen. __CPB (2019). Zorgen om morgen (link). __CPB (2025) Overheidsschuld op lange termijn en de effecten van begrotingsregels Link __Accrual Practices and Reform Experiences in OECD Countries | OECD (link) __Dit betreft alleen de renten die in aanmerking komen voor de earningsstrippingmaatregel, zoals genoemd in art. 15b Wet Vpb 1969. __Ministerie van Financiën __Kamerstukken II 2025/26, 29453 en 27962, nr. 583. __Vergaderstukken I, 2024/25, 36735, A __Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 111. __CE Delft (2026), Afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, juni 2026. __CE Delft (2026), Afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, juni 2026. __Een stabiel en voorspelbaar ODA-budget | Adviesraad Internationale Vraagstukken __Kamerstukken II 2026/27, 37 020 XV, nr. 2, p. 30 __Miljoenennota 2026 (Kamerstuk 36 800, nr. 1, p. 53) __Door afronding kunnen totaal en de som van de onderdelen van elkaar verschillen. __Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. __Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 223, p. 3. __Kamerstukken II 2024/25, 36706, nr. 3, p. 24. __Kamerstukken II 2026/27, 31066, nr. 1553, bijlage 1.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 9ecefe7386a85793

13 okt 2026 · edd9ce6df6cffb6f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.