Verslag van een schriftelijk overleg over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en het Omgevingsbesluit in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting (Besluit versterking regie volkshuisvesting) (Kamerstuk 28325-301)
Brontekst
Versie 5b5378ac11fe415c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202628 325BouwregelgevingNr. 304 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 13 maart 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heefteen aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de brief van 19 december2025 over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bouwwerkenleefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit toegelateninstellingen volkshuisvesting 2015 en het Omgevingsbesluit in verbandmet de versterking van de regie op de volkshuisvesting (Besluitversterking regie volkshuisvesting) (Kamerstuk 28 325, nr. 301).De vragen en opmerkingen zijn op 11 februari 2026 aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van13 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,BeckermanAdjunct-griffier van de commissie,Beekmans kst-28325-304ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3041 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie1.De leden van de D66-fractie lezen dat de keuze voor het nemen van hetlandelijk gemiddelde sociale huur als ijkpunt volgens rekenvoorbeeldenkan leiden tot een lagere bijdrage van verschillende gemeenten in eenregio.1 Kan de Minister toelichten hoe wordt geborgd dat alle gemeenteneerlijk bijdragen binnen de verdeling van de invulling van de betaalbaar-heidseisen?Elke gemeente moet haar bijdrage leveren om de regionale doelstellingvan 2/3e betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen tebehalen. Gemeenten maken daarom afspraken over de verdeling van deprogrammering van betaalbare woningen in de woningbouwregio. Opeen aantal manieren is dat in het ontwerpbesluit versterking regievolkshuisvesting (hierna: ontwerpbesluit) gewaarborgd.Allereerst moeten gemeenten een extra stap zetten in de bouw vanwoningen in het segment dat ondervertegenwoordigd is in de betreffendegemeentelijke woningvoorraad. Gemeenten met minder sociale huurwo-ningen dan het landelijk gemiddelde moeten gedurende een periode vantien jaar in ieder geval 30% sociale huurwoningen realiseren. Gemeentenmet meer sociale huurwoningen in de voorraad dan het landelijkgemiddelde moeten in ieder geval 40% realiseren voor mensen metmiddeninkomens, middenhuur en betaalbare koop. Daarnaast moeten allegemeenten gezamenlijk bijdragen aan de realisatie van twee derdebetaalbare woningen en 30% sociale huurwoningen in de regio. Boven-staande is een verplichting en niet vrijblijvend. Op grond van deOmgevingswet kunnen provincie of Rijk via instructies interveniërenrichting achterblijvende gemeenten. Zo dragen het wetsvoorstel en hetontwerpbesluit bij aan een fair share-verdeling van de bouw vanvoldoende betaalbare woningen over de woningbouwregio en hetbehalen van de betaalbaarheidsdoelstellingen.De hoogte van het ijkpunt voor sociale huurwoningen heeft geen invloedop het realiseren van de regionale doelstelling. Het ijkpunt bepaalt alleenof een gemeente extra focus moet leggen, op de programmering vansociale huur of op de programmering van woningen in het midden-segment. Uit de gegevens over de DAEB-voorraad van gemeenten blijktdat meer dan 2/3e van alle gemeenten de focus legt op het realiseren vansociale huurwoningen.Bovendien is het uitgangspunt dat de opdracht die een gemeente moetuitvoeren (30% sociaal of 40% in het middensegment) voor een periodevan 10 jaar ongewijzigd blijft. Dat is belangrijk voor de uitvoeringspraktijkwaarbij bestuurlijke afspraken worden gemaakt over een langere termijnop basis waarvan gemeenten vervolgens het aantal betaalbare woningenprogrammeren voor een langere termijn.2.Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten wat de beoogde vervolg-stappen zijn als afspraken over de verdeling van de betaalbaarheidsdoel-stelling in een regio na een jaar uitblijven. In de Nota van Toelichting(NvT) wordt verwezen naar de mogelijkheden die Rijk en provincies1Kamerstuk 36 512, nr. 20Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3042 hebben. Is de Minister van mening dat het Rijk of de provincie hier ineerste instantie aan zet is?Uitgangspunt is dat gemeenten in goed overleg en onder regie van deprovincie afspraken maken over de onderlinge verdeling van debetaalbare woningen in de woningbouwregio. Dit past ook bij debestuurlijke verhoudingen in algemene zin en de ervaringen op dit gebieddie zijn opgedaan met de bestuurlijke samenwerking bij de regionalewoondeals. Wanneer de afspraken over de totale aantallen en het aantalbetaalbare woningen zijn gemaakt, wordt de eigen opgave doorgemeenten vastgelegd in hun volkshuisvestingsprogramma. Gemeentenleggen daarbij ook vast welke maatregelen zij gaan nemen om dezeopgave te realiseren.Ik wil voorkomen dat de totstandkoming van de afspraken te lang duurt.Daarom is in de nota van toelichting van het ontwerpbesluit verduidelijktdat binnen een half jaar na inwerkingtreding van de wet afsprakengemaakt moeten zijn om deze op tijd in het volkshuisvestingsprogrammate laten landen. Het volkshuisvestingsprogramma wordt een jaar nainwerkintreding van het wetsvoorstel verplicht. Dat betekent datgemeenten ruim daarvoor afspraken gemaakt moeten hebben om dezetijdig in het volkshuisvestingsprogramma te landen. Op basis van deeerder genoemde ervaring die is opgedaan bij het maken van afsprakenbij de totstandkoming van de woondeals acht ik het wenselijk datgemeenten deze afspraken binnen een half jaar na inwerkingtreding dewet maken. Het is van belang dat de sturing op de betaalbaarheidsdoel-stellingen voor medeoverheden goed uitvoerbaar is, maar tegelijkertijd ishet van belang dat het overleg tijdig tot afspraken leidt.Waar tijdige afspraken over de verdeling van de betaalbare woningen inde woningbouwregio uitblijven, zal de provincie knopen doorhakken. Datkan via instructieregels of een instructiebesluit (op grond van respectie-velijk artikel 2.33 en artikel 2.34 van de Omgevingswet) op het gemeen-telijk volkshuisvestingsprogramma over het regionale aandeel dat eengemeente dient op te nemen. De provincie is, gegeven de bestuurlijkeverhoudingen in het omgevingsrecht, in eerste instantie aan zet. Waarnodig kan ik ook zelf de knoop doorhakken. Provincies zijn inmiddels aande slag met de voorbereiding van deze afspraken.3.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Minister kantoelichten wat de gevolgen zijn van het wijzigen van het ingangsmomentvan de instandhoudingstermijn voor betaalbare koopwoningen.Het ingangsmoment van de instandhoudingstermijn voor betaalbarekoopwoningen wordt met het ontwerpbesluit gewijzigd van deingebruikname van de woning naar het moment van sluiten van dekoopovereenkomst. Het gevolg hiervan is tweeledig. Allereerst zorgt dezewijziging ervoor dat de regeling in het ontwerpbesluit overeenkomt metde fiscale voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voorhypotheekrenteaftrek. Om in aanmerking te kunnen komen voorhypotheekrenteaftrek, moet namelijk ook fiscaal sprake zijn van eigendomvan de woning. Hierbij is van belang dat de waardeontwikkeling van eenkoopwoning voldoende voor rekening komt van de eigenaar. Voor deperiode waarover de waardeontwikkeling wordt bepaald, wordt hetmoment van aankoop van de woning als vertrekpunt genomen. Dewijziging is daarmee essentieel voor de rechtszekerheid van de koper overde hypotheekrenteaftrek en de mogelijkheid om financiering voor deaankoop van een betaalbare woning rond te krijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3043 Het tweede gevolg van deze wijziging is dat de instandhoudingstermijnvoor betaalbare koopwoningen voortaan eerder zal ingaan, namelijk vóórhet moment dat de woningen in gebruik worden genomen. Als het gaatom gerealiseerde woningen die gebruiksklaar worden verkocht, zal ditverschil in de praktijk gering zijn. Voor woningen die tijdens hetbouwproces worden verkocht, kan het verschil groter zijn. In dit geval kanhet voorkomen dat de instandhoudingstermijn op het moment vaningebruikname van de woning al voor een deel is verstreken. Degemeente bepaalt, wanneer zij regels stelt over de samenstelling van dewoningvoorraad, de instandhoudingsduur van een betaalbarekoopwoning binnen de kaders van dit ontwerpbesluit. Deze termijn moettussen de een en tien jaar bedragen. Bij het bepalen van deze instandhou-dingsduur kan de gemeente daarbij ook rekening houden met boven-staande verschuiving.4.Deze leden vragen of jongeren die uitstromen uit een jongerenwoningvolgens de Minister ook onder de aandachtsgroep «starters» vallen. Zonee, waarom niet?Ja, ook jongeren die uitstromen uit een jongerenwoning zijn in hetontwerpbesluit aangemerkt als aandachtsgroep. In het ontwerpbesluit isgeregeld dat het gaat om woningzoekende personen tussen de18 en 30 jaar die voor het eerst een zelfstandige woning willen betrekkenals (mede)hoofdbewoner. Hieronder vallen ook (oud-)studenten die opgrond van een tijdelijk contract op grond van het Besluit specifiekegroepen tijdelijke huurovereenkomst of een campuscontract tijdelijk eenzelfstandig woonruimte hebben gehuurd gedurende het volgen van eenstudie. Meestal zullen zij na het afronden van hun studie een tijdelijkewoonruimte verlaten en als starter een vervolgstap maken in hunwooncarrière.5.Kan de Minister voor de leden van de D66-fractie uiteenzetten hoe deleegstandheffing zich verhoudt tot de andere instrumenten om leegstandtegen te gaan zoals genoemd in de NvT?De leegstandbelasting een extra instrument voor gemeenten omleegstand te bestrijden met een financiële prikkel parallel aan de instru-menten verankerd in de Leegstandwet. De instrumenten van deLeegstandwet zijn gericht op het tegengaan van leegstand middels eenleegstandverordening, een meldplicht en toezicht op leegstand en demogelijkheid voor eigenaren om tijdelijke verhuurvergunningen aan tevragen. De leegstandbelasting kan na twaalf maanden leegstandopgelegd worden aan de eigenaar die begin dat kalenderjaar eigenaar vande woning is als de gemeente dit zo heeft geregeld in een belastingveror-dening. Beide instrumenten kunnen gelijktijdig worden ingezet bijeenzelfde eigenaar. De voorkeur geniet dat gemeenten ofwel gebruikmaken van een leegstandverordening op basis van de Leegstandwet,ofwel gebruik maken van de leegstandbelasting op basis van de Gemeen-tewet. Via een modelverordening die de VNG gaat opstellen kan dit naderworden geduid.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie6.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het goed is dater gekozen wordt voor een uniformering van definities. Deze leden ziendaarbij echter dat er tussen de verschillende categorieën verschillendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3044 randvoorwaarden gelden. Zo is er gekozen om de instandhoudingstermijnvan een sociale huurwoning vast te leggen op 25 jaar, terwijl die van eenmiddenhuurwoning slechts 10 jaar is. Wat is de reden van dit verschil?Wat betekent dit voor de prijzen waarmee middenhuurwoningen na10 jaar verhuurd kunnen worden? Wat verandert er na 10 jaar in de aardvan de woning, waardoor het ineens voor een veel hogere huur verhuurdmag worden? Wat zijn de effecten van de veranderde staatssteunregelsvoor middenhuurwoningen op de instandhoudingstermijn die jeredelijkerwijs zou kunnen vastleggen? Waarom is er niet gekozen ombetreft de instandhoudingstermijn één lijn te trekken voor alle catego-rieën? Waarom is er geen instandhoudingstermijn vastgelegd voorbetaalbare koopwoningen? Wat is het effect van deze keuze op debetaalbaarheid van deze woningen op de lange termijn?De instandhoudingstermijn is een belangrijk instrument om tewaarborgen dat een betaalbare woning die wordt gerealiseerd, vaak metinzet van publieke middelen, ook gedurende een bepaalde termijn instand wordt gehouden als betaalbare woning. Om die reden regelt ditontwerpbesluit dat een woning alleen als betaalbare woning wordtaangemerkt als de instandhoudingstermijn is gewaarborgd conform dedefinities in dit ontwerpbesluit. De gemeente waarborgt deze instandhou-dingstermijn via het privaatrecht (zoals een anterieure overeenkomst) ofvia regels in het omgevingsplan, al dan niet gecombineerd. Voor allebetaalbare woningen regelt het ontwerpbesluit een instandhoudings-termijn. Ook voor betaalbare koopwoningen.De instandhoudingstermijn is op grond van het ontwerpbesluit ten minste25 jaar voor een sociale huurwoning die niet in beheer is bij een woning-corporatie. Deze termijn wordt gehanteerd om ervoor te zorgen dat eensociale huurwoning, gegeven de volkshuisvestelijke opgave, ook langjarigbeschikbaar is voor de doelgroep en niet al op korte termijn wordtverkocht. Voor een sociale huurwoning in beheer bij een woningcorpo-ratie geldt geen instandhoudingstermijn omdat voor woningcorporaties alvoldoende waarborgen bestaan voor instandhouding van de socialevoorraad in de Woningwet, gezien het een Dienst van AlgemeenEconomische Belang (DAEB) betreft. Voor middenhuurwoningen is dezetermijn ten minste tien jaar. Voor betaalbare koopwoningen is eeninstandhoudingstermijn opgenomen van ten minste een jaar.Om een aantal redenen is de instandhoudingstermijn voor socialehuurwoningen, middenhuur en betaalbare koop niet dezelfde termijn. Ookin het huidige recht zijn deze termijnen niet gelijk. De reden is dat eenvastgelegde instandhoudingstermijn regulering is van het eigendoms-recht, omdat gedurende de instandhoudingstermijn beperkingen geldenten aanzien van de maximale huurprijs die de eigenaar mag vragen of tenaanzien van de maximale verkoopprijs van de koopwoning gedurende dietermijn. De bescherming van het eigendomsrecht, geregeld in hetEuropees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), vergt dat deinbreuk op het eigendomsrecht proportioneel is in verhouding tot hetpublieke belang van de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Naastde beschikbaarheid van betaalbare woningen zal daarbij ook de omvangvan de publieke bijdrage een rol spelen bij de weging of de instandhou-dingstermijn proportioneel is. De publieke bijdrage is bij sociale huurwo-ningen hoger dan bij betaalbare koopwoningen. Voor betaalbarekoopwoningen is de maximale instandhoudingstermijn korter omdat debeperking dat de eigenaar de woning niet mag verkopen boven debovengrens van een betaalbare koopwoning zwaar ingrijpt op heteigendomsrecht. Bij regels in het omgevingsplan bedraagt de instandhou-dingstermijn voor thans sociale (straks: betaalbare) koopwoningenminimaal een en maximaal tien jaar. De gemeentelijke bevoegdheid omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3045 deze termijn vast te leggen betreft een voortzetting van het huidige recht.De instandhoudingstermijn voor middenhuurwoningen van minimaal tienjaar vormt ook een ongewijzigde voortzetting van het huidige recht. Dezetermijnen zijn dus beproefd in de huidige praktijk.De instandhoudingstermijn die de gemeente voor nieuwe woningen kanvastleggen, werkt voor de maximale huurprijs aanvullend op de regelingop grond van het woningwaarderingsstelsel (WWS). Voor een midden-huurwoning en sociale huurwoning betekent dit dat gedurende deinstandhoudingsduur de maximale huurprijs niet meer mag bedragen dande bovengrens voor een middenhuurwoning of sociale huurwoning. Datgeldt tussen de gemeente en de ontwikkelaar/rechtsopvolger in het kadervan het omgevingsrechtelijk spoor, ook als de huurprijs op grond van hetpuntenstelsel wel hoger mag zijn. Na het verstrijken van de instandhou-dingsduur vervalt deze aanvullende regeling. Dat betekent dat vanaf datmoment de huurprijs uitsluitend wordt bepaald door de huurprijsregu-lering op grond van het WWS of dat deze valt in het vrije segment.Het gesorteerde effect van de nieuwe staatssteunregels van de EuropeseCommissie is dat woningcorporaties ook geborgde leningen kunnenafsluiten voor de financiering van middenhuurwoningen omdat dit danook een DEAB-taak wordt, waar ze dat nu alleen kunnen voor socialehuurwoningen. Conform motie De Hoop2 zal vóór de zomer 2026 een planvan aanpak worden gezonden voor de implementatie van de ruimte diehet nieuwe EC Staatssteunbesluit biedt voor middenhuur, met inacht-neming van de kaders uit dat besluit. De verdere uitwerking hiervan zal ineen wijziging van de Woningwet zijn beslag krijgen.7.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het zorgelijk dat er geenharde betaalbaarheidseisen per gemeente of nieuwbouwproject wordengeïntroduceerd. Deze leden zien een serieus risico in het regionaalafstemmen van de betaalbaarheidseisen, zonder individuele gemeentende verantwoordelijkheid te geven voor de uitkomsten. Freeridergedrag ligtdaarmee op de loer. Waarom denkt de Minister dat gemeenten huneerlijke deel in het programmeren van betaalbare woningen toch gaannemen? Welke maatregelen worden er getroffen om het doel vantwee derde betaalbaar landelijk zeker te bereiken? Hoe zorgt de Ministerervoor dat dit ook snel gebeurt? Wat gebeurt er als de regio’s er nietbinnen de afgesproken zes maanden uitkomen? Hoe ziet de indeling vande verschillende regio’s (op basis van interactie-effecten) eruit? Hoe zorgtde Minister ervoor dat deze samenwerking vlot en in goede banenverloopt wanneer gemeenten die eerder niet of weinig hebben samenge-werkt op het gebied van volkshuisvesting in dezelfde woningbouwregioworden geplaatst?In het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds hetwaarborgen van het halen van de doelstellingen en anderzijds voldoenderuimte te bieden om aan te kunnen sluiten bij de verschillende lokalesituaties. Die ruimte voor maatwerk is vooral op lokaal niveau noodza-kelijk. Om die reden zijn de doelstellingen van twee derde betaalbarewoningen en 30% sociale huurwoningen niet geregeld op het niveau vaneen gemeente, project of wijk, maar op regionaal, provinciaal en landelijkniveau. Deze doelstelling is wettelijk verankerd in het ontwerpbesluit. Vooreen uitgebreidere toelichting op hoe in het ontwerpbesluit is geborgd datelke gemeente een eerlijke bijdrage levert, verwijs ik naar mijn antwoordop vraag 1.2Kamerstukken II 2025/26, 36 800 XXII, nr. 40.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3046 De provincie stelt in de omgevingsverordening vast welke gemeentensamen een woningbouwregio vormen. Dit gebeurt in afstemming metgemeenten. Uit de bestuurlijke overleggen is mijn beeld dat vrijwel altijdwordt aangesloten bij de bestaande indeling van de regionale woondealsen daarmee ook bij de praktijk waarin gemeenten al jaren samenwerken.Een nadere toelichting over hoe ik zorg dat de verdeling van betaalbarewoningen in de woningbouwregio snel gebeurt en wat er gebeurt alspartijen er niet binnen zes maanden uitkomen, vindt u in mijn antwoordop vraag 2.Er is bewust voor gekozen om geen betaalbaarheidseisen per project ofper wijk aan een gemeente op te leggen zodat die keuze vooral lokaalgemaakt kan worden. Lokale omstandigheden zoals de financiëleuitvoerbaarheid van een concreet project, maar ook een evenwichtigesamenstelling van een wijk met het oog op leefbaarheid spelen daarbijeen rol.8.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetvoornemen van de nieuwe regering om naast 30 procent sociale huur ook25 procent van de nieuwbouw te bestemmen voor betaalbare koopwo-ningen. Deze leden vragen zich af welke effecten dit heeft op de voorraadbetaalbare huurwoningen. Is het programmeren van 11% middenhuurgemiddeld genoeg voor wat er aan aanbod nodig is? Welke inkomens-groepen zijn geholpen bij deze extra eis? En welke juist niet? Welkeeffecten heeft deze extra eis, gemiddeld, op de businesscase vanwoningbouwprojecten? Welk effect van deze eis verwacht u op dediversiteit aan verschillende prijscategorieën van de gebouwdemiddenhuur en betaalbare koopwoningen? Op welke manier kan dezeextra vereiste worden vastgelegd, moet dat via de Wet versterking regievolkshuisvesting? Kan daarbij ook worden bepaald dat de betaalbarekoopwoningen niet allemaal tegen de maximale prijs worden opgeleverd(de bovengrens van wat als betaalbare koopwoning mag wordengekwalificeerd)? Hoe kan er worden gegarandeerd dat deze betaalbarekoopwoningen ook op de lange termijn betaalbare koop blijven zodat debelastingbetaler niet de onverdiende overwaarde van de eerste kopersubsidieert? Hoe kijken bouwers zoals woningcorporaties en pensioen-fondsen naar deze extra maatregel?Er is niet alleen een groot tekort aan woningen voor mensen met een laaginkomen. Ook veel mensen met een middeninkomen willen graag eenbetaalbare woning, waaronder een betaalbare koopwoning. Daaromstreeft het kabinet er bij nieuwe woondeals naar twee derde betaalbarewoningen te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen en 25%betaalbare koopwoningen. Bij de uitwerking om in nieuwe woondeals testreven naar 25% betaalbare koopwoningen te realiseren zal ik goed kijkennaar de uitvoerbaarheid in de praktijk. Aandachtspunten zijn de grotelokale verschillen, de benodigde flexibiliteit en het voorkomen van deverdringing van middenhuurwoningen. Ik zal uw Kamer informeren overdeze uitwerking, in ieder geval voor aanvang van het meireces.Het ontwerpbesluit bevat uniforme definities ten aanzien van betaalbarekoopwoningen. Onderdeel daarvan is dat de instandhoudingstermijngeborgd moet zijn, om als betaalbare koopwoning te worden aangemerkt.Dit zorgt ervoor dat ook na de bouw van een betaalbare koopwoning dezegedurende de instandhoudingstermijn ten minste een jaar en ten hoogstetien jaar na het sluiten van de koopovereenkomst als betaalbare koop instand wordt gehouden, ook bij doorverkoop aan een volgende koper. Diemoeten gemeenten regelen via het omgevingsplan of via privaatrechtelijkinstrumentarium. De gemeente kan daarbij ook bepalen dat de boven-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3047 grens lager ligt dan het maximum in het ontwerpbesluit. Dit zal bijvoor-beeld vaak het geval zijn in regio’s waar de koopprijzen lager liggen, of ingevallen waar gemeenten via flankerend beleid afspraken maken met deontwikkelaar voor een lagere prijs, in samenhang met bijvoorbeeld eenlagere grondprijs.9.Aedes geeft aan dat het gemiddelde percentage sociale huurwoningendalende is. Dat betekent dat meer gemeenten zich kunnen onttrekken aande verantwoordelijkheid om extra sociale huurwoningen te bouwen. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af hoeveel gemeentendoor het dalende gemiddelde (peil 2025 25,6%) geen verplichte opdrachtmeer krijgen om 30% sociale huur te realiseren, ten opzichte van hetgemiddelde in de oorspronkelijke toelichting op de Wet versterking regievolkshuisvesting (peil 2022 27%). Is de Minister bereid om het ontwerpbe-sluit zo aan te passen dat er een hard en ambitieus streefgetal wordtgebruikt in plaats van een dalend gemiddelde? Welke effecten verwachtde Minister van het straffen van gemeenten die meer sociale huurprogrammeren, ook al zitten ze al boven het gemiddelde (via lageretoekenning van rijksmiddelen)? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat ermeer sociale huurwoningen komen wanneer onderprestatie niet wordtafgestraft, maar overprestatie wel wordt gestraft?Het doel van het kabinet is om twee derde betaalbare woningen terealiseren, waarvan 30% sociale huur. Zodat er in absolute zin meerbetaalbare woningen worden gebouwd, sociale huurwoningen énwoningen in het middensegment. Deze doelstelling is wettelijk geborgd inhet ontwerpbesluit en in die zin dus een «hard getal». Het doel is dus nietom te sturen op een bepaald aandeel sociale huurwoningen in devoorraad. In de wijze waarop dit doel gerealiseerd moet worden is hetbelangrijk dat er meer balans komt in de voorraad tussen gemeentenzodat mensen met een laag inkomen en met een middeninkomen in allegemeenten meer kans maken op een betaalbare woning. Het ijkpunt voorhet landelijke gemiddelde sociale huurwoningen is daarbij geendoelstelling maar een middel om te zorgen voor meer balans in dewoonvoorraad tussen gemeente.De in het ontwerpbesluit wettelijke verankerde doelstelling om regionaal,provinciaal en landelijk 30% sociale huurwoningen te realiseren, sluit aanbij wat met gemeenten en corporaties is afgesproken in de Nationaleprestatieafspraken 2024. Daarbij is geconstateerd dat met de realisatie van30% sociale huurwoningen de sociale huurvoorraad in absolute zin zalgroeien.Ik wil voorkomen dat woningbouwprojecten stilvallen, omdat ze nietfinancieel haalbaar zijn. Het uitgangspunt is dat gemeenten niet meer dantwee derde betaalbare woningen programmeren. Wel kan het voor hetrealiseren van de regionale doelen nodig zijn dat een gemeente meer dan2/3 betaalbaar programmeert. Die ruimte biedt het ontwerpbesluit daaromook. Ik ontmoedig bovenmatige betaalbaarheidseisen via financiëleregelingen wanneer deze niet noodzakelijk zijn om de regionale doelen tebereiken. Zie hierover ook het antwoord op vraag 18.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie10.Op blz. 8 van het ontwerpbesluit wordt in artikel 4.32 de definitie van eensociale huurwoning gegeven. Onder het vierde punt staat dat eenhuurwoning die wordt verhuurd door een toegelaten instelling alsbedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet en die valt onder deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3048 opgedragen diensten van algemeen economisch belang als bedoeld inartikel 47, eerste lid, onder b, van de Woningwet, een sociale huurwoningis. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of «onzelfstandigewoonruimten» die vallen onder Diensten van Algemeen EconomischBelang (DAEB) ook het stempel van «sociale huurwoning» krijgen.Voor het bepalen van het aandeel sociale huurwoningen van woningcor-poraties wordt gekeken naar de voorraad woningen in het DAEB-segment.Gedeelten van een woonfunctie voor afzonderlijke bewoning (kamerge-wijze verhuur) worden voor het bepalen of de programmering in eenvolkshuisvestingsprogramma voldoet aan de betaalbaarheidsinstructiesniet als woning beschouwd. Een woning van een woningcorporatie die inde DAEB-voorraad zit, met daarin vier onzelfstandige woonruimten(bijvoorbeeld kamers), wordt dus gezien als één sociale huurwoning.11.Op blz. 12 van het ontwerpbesluit staat in Artikel 4.35 (provinciaalvolkshuisvestingsprogramma) o.a. dat een provinciaal volkshuisvestings-programma als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de wet in ieder gevaleen beschrijving bevat van het beleid ter verwezenlijking van de provin-ciale woningbouwopgave, waaronder in elk geval wordt verstaan beleidgericht op het tot stand brengen van 130% bruto plancapaciteit inverhouding tot de provinciale woningbouwopgave. In de eind 2024aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 32 847, nr. 1272) werd deregering verzocht om alle provincies op te roepen om net als de provincieNoord-Holland spoedig een realiteitscheck op de plancapaciteit uit tevoeren, teneinde tijdig tekorten te kunnen opsporen. De leden van dePVV-fractie willen de Minister vragen of nu is gewaarborgd dat provinciesperiodiek (bijvoorbeeld elk kwartaal) hun plancapaciteit onderwerpen aaneen realiteitscheck.Voldoende locaties zijn essentieel om de woningbouwopgave te reali-seren. Voor de kortere termijn (circa 5 jaar) is het van belang dat deruimtelijke plannen voorzien in voldoende realistische locaties metjuridische zekerheid (harde plannen). Op deze locaties kan de bouw vanwoningen relatief snel starten. Voor de langere termijn is het juistbelangrijk om flexibiliteit te behouden. Ik maak daarom in de instructieaan provincies ten aanzien van de 130% bruto plancapaciteit in hetontwerpbesluit onderscheid tussen harde en zachte plancapaciteit. Via deLandelijke Monitor Voortgang Woningbouw houd ik samen met medeo-verheden periodiek zicht op de totale plancapaciteit en het aandeel hardeplancapaciteit. Hierover voer ik halfjaarlijks overleg met provincies.Wanneer de totale plancapaciteit of het aandeel harde plancapaciteitachterblijft, maken we afspraken over wat er nodig is om deze naar hetgewenste niveau te brengen.12.Op blz. 13 van het Besluit valt in lid 2 van artikel 4.36 (nationaal volkshuis-vestingsprogramma) te lezen dat het beleid, bedoeld in het eerste lid,onder b, voorziet wat betreft de samenstelling van de woningvoorraad inieder geval in de verwezenlijking van de woningbouwopgave als hettotale aantal te realiseren woningen: voor 30% uit sociale huurwoningenbestaat; en b. voor twee derde uit betaalbare woningen bestaat. De ledenvan de PVV-fractie willen de Minister vragen in hoeverre gemeenten enwoningbouwregio’s verantwoordelijk kunnen worden gehouden, als blijktdat door onvoldoende beschikbare rijksmiddelen genoemde ambitiesonhaalbaar zijn. Worden genoemde ambities dan naar beneden bijge-steld?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3049 De doelstelling van 2/3 betaalbaar en 30% sociaal sluit aan bij waarlandelijk behoefte aan is. Het langjarig vastleggen van deze betaalbaar-heidsdoelstelling geeft duidelijkheid aan overheden, marktpartijen encorporaties. De financiële haalbaarheid van de betaalbaarheidsdoel-stelling van 2/3 betaalbaar en 30% sociaal is in 2024 getoetst metmedeoverheden, corporaties en marktpartijen. De beschikbare middelenvoor de komende vijf jaar zouden grotendeels toereikend zijn om demeest directe kosten te dekken. Samen met medeoverheden, marktpar-tijen en corporaties blijf ik in gesprek over de financiële haalbaarheid.3Deze haalbaarheid wordt sterk beïnvloed op lokaal niveau. Zo hebbengemeenten invloed hierop. Het gaat dan bijvoorbeeld over locatiekeuze enambities voor groen, voorzieningen, parkeeroplossingen en het soortwoningen dat gebouwd wordt. Daarnaast is het belangrijk dat gemeententerughoudend zijn met aanvullende eisen en dat daar waar zij deze stellen,zij flankerend beleid voeren. Een voorbeeld daarvan is het hanteren vanlagere grondprijzen. Om te voorkomen dat woningbouwprojectenstilvallen omdat ze financieel niet haalbaar zijn, is het uitgangspunt datgemeenten niet meer dan twee derde betaalbare woningen program-meren. En daarnaast ook geen vaste betaalbaarheidspercentageshanteren per project of per wijk. Wanneer gemeenten toch regels stellendie de financiële haalbaarheid van projecten belemmeren waardoor degemeente de opgave niet dreigt te realiseren, kan ik via instructieregels ofin een uiterst geval via een instructiebesluit ingrijpen.13.Op blz. 17 van het Besluit valt in artikel 7.8b, derde lid, te lezen dat eenwoningbouwregio een voor de woningbouwopgave met het oog op eenevenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid aante merken verzameling van gemeenten omvat binnen het provincialegrondgebied en, voor zover van toepassing, nabijgelegen gemeenten ophet grondgebied van aangrenzende provincies. De leden van dePVV-fractie willen aan de Minister vragen hoe kan worden gewaarborgdbinnen een woningbouwregio dat woningbouwbelangen van grotegemeenten niet de woningbouwbelangen van kleine gemeenten kunnendomineren.Voor de realisatie van woningbouw is bestuurlijke samenwerkingessentieel. Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit bouwen voort op dezesamenwerking. Onderdeel daarvan is dat gemeenten niet alleenvoldoende woningen bouwen gelet op hun eigen woningbehoefte enlokale belangen, maar dat er ook wordt gekeken naar wat er regionaalnodig is. Het ontwerpbesluit geeft daarbij heldere kaders voor hetregionale doel waarbij iedere gemeente moeten bijdragen. Binnen dewoningbouwregio zijn alle gemeenten gelijkwaardig, waarbij ook deprovincie een belangrijke rol speelt om te komen tot een goede verdeling,rekening houdend met de belangen van alle betrokken gemeenten.14.Op blz. 26 van de NvT staat dat op grond van de monitoringsplichtgemeenten informatie moeten verzamelen en waar nodig aan deprovincie kunnen verstrekken over het aantal aanvragen voor indeling ineen urgentiecategorie, het aantal besluiten tot indeling in een urgentieca-tegorie (urgentieverklaringen), het aantal woonruimten dat in gebruik isgenomen op grond van een huisvestingsvergunning op basis van indelingin een urgentiecategorie en de urgentiecategorieën waarvoor eenhuisvestingsvergunning op basis van urgentie is verleend. De leden vande PVV-fractie willen aan de Minister vragen hoe de genoemde gegevens3Kamerstukken II 2025/26, 32 847, nr. 1395Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30410 moeten worden verzameld en verstrekt. En kan de Minister aangeven watde praktische gevolgen zijn voor particuliere sociale verhuurders encorporaties?Gemeenten hebben een monitoringsplicht op basis van het nieuweartikel 12, vijfde lid van de Huisvestingswet 2014, in het wetsvoorstel. Hetgaat daarbij om het aantal verstrekte urgentieaanvragen en-toekenningen, en om het aantal huisvestingsvergunningen dat isverstrekt aan de urgent woningzoekenden. De gemeente beschikt overdeze gegevens door haar wettelijke rol inzake urgentieaanvragen en-toekenningen, en door haar rol inzake het verstrekken van huisvestings-vergunningen. Met deze gegevens kan de opgave voor urgent woningzoe-kenden op termijn ook op landelijk, provinciaal en regionaal niveau inkaart worden gebracht en kunnen alle overheden de beleidsmaatregelenin hun volkshuisvestingsprogramma’s daarop laten aansluiten. Particu-liere, sociale verhuurders en corporaties hebben op het gebied van demonitoringsplicht geen rol; daardoor zijn er voor hen geen praktischegevolgen te verwachten.Bij het verzamelen en verstrekken van de genoemde gegevens is het welvan belang dat duidelijk is om welke gegevens het exact gaat. Ook is vanbelang dat elke gemeente de gegevens zodanig verstrekt dat dezegegevens op eenvoudige wijze kunnen leiden tot overzichten opregionaal, provinciaal en landelijk niveau. Mocht daar aanleiding toe zijndan kan bij ministeriele regeling worden bepaald dat het college vanburgemeester en wethouders voor het overzicht gebruik maakt van een bijministeriele regeling vastgelegd formulier.15.Op blz. 31 van de NvT staat dat een beperkt aantal gemeenten eenleegstandverordening heeft. De leden van de PVV-fractie willen aan deMinister vragen hoeveel gemeenten op dit moment een leegstandsveror-dening hebben, alsmede wat de toegevoegde waarde kan zijn om eenleegstandsverordening verplicht te stellen voor alle gemeenten.Op dit moment hebben ongeveer dertig gemeenten een leegstandveror-dening vastgesteld. Dit zijn veelal grote of middelgrote gemeenten. Enkeleandere gemeenten hebben aangekondigd in de nabije toekomst eenleegstandverordening in te stellen. Niet alle gemeenten hebbenproblemen met leegstand of bestrijden leegstand op een andere wijze.Bijvoorbeeld door het aanstellen van een leegstandmanager. Het zou dusniet redelijk zijn alle gemeenten te verplichten een leegstandverordeningte implementeren. Daar waar leegstand volgens de gemeente welproblematisch is, geef ik er de voorkeur aan dat zij een leegstandveror-dening gebruiken. Een verplichting vind ik om bovengenoemde redenenniet wenselijk. Daarbij komt dat ook het instrument van de leegstandbe-lasting op korte termijn beschikbaar komt voor gemeenten. Zie hieroverook het antwoord op vraag 5.16.Op blz. 32 van de NvT staat dat het raadzaam is dat gemeenten in hunvolkshuisvestingsprogramma ook ingaan op de inspanningen die zijleveren op het gebied van doorstroming. Met betrekking tot ouderen,kunnen gemeenten in het volkshuisvestingsprogramma onder meerbeschrijven hoe zij ouderen informeren en voorlichten, bijvoorbeeld overhet vrijkomende woningaanbod, of welke inspanningen zij leveren omouderen van financieel advies te voorzien. De leden van de PVV-fractiewillen aan de Minister vragen of gemeenten verplicht zijn omdoorstroming als aandachtspunt op te nemen in het volkshuisvestingspro-gramma. En wat is de visie van de Minister om doorstroming van ouderenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30411 (wat de PVV betreft altijd gebaseerd op volledige vrijwilligheid) ook tebenoemen in het nationaal volkshuisvestingsprogramma en daar eenruimhartige, landelijke stimuleringsregeling voor beschikbaar te stellen?Het ontwerpbesluit verlangt dat gemeenten in hun volkshuisvestingspro-gramma beschrijven welke beleidsmaatregelen zij treffen om binnen debestaande woningvoorraad in de woonbehoefte te voorzien. Hierbijbrengen ze specifiek de woonbehoefte van ouderen, starters en andereaandachtsgroepen in kaart. Doorstroming is één van de instrumentenwaarmee gemeenten in de woonbehoefte kunnen voorzien, net alswoningdeling, splitsen, optoppen of vastgoedtransformatie. Gemeentenkunnen dus kiezen uit een breed palet aan mogelijkheden en zijn nietverplicht specifieke beleidsinstrumenten gericht op doorstroming tehebben. In het nationale volkshuisvestingsprogramma zal ook aandachtworden besteed aan het belang van maatregelen om doorstroming testimuleren. Samen met IPO, VNG en Aedes kijk ik welke ondersteuning eninformatie provincies, gemeenten en corporaties nodig hebben bij eeneffectieve lokale doorstroomaanpak, zodat dit verwerkt kan worden in deprovinciale en lokale volkshuisvestingsprogramma’s. Daarnaast ben ikvoornemens informatie over haalbare en effectieve doorstroomaanpakkente verstrekken. Het ligt niet voor de hand een landelijke stimuleringsre-geling op te zetten omdat passend wonen en effectief doorstroombeleidecht lokaal maatwerk zijn. Zoals in het coalitieakkoord vermeld kijk ik naarde mogelijkheden voor een doorstroombank of -hypotheek. Over deuitwerking hiervan zal ik uw Kamer rond de zomer informeren, samen metde evaluatie van het convenant «Ouderen & ToekomstbestendingWonen».17.Op blz. 38 van de NvT valt te lezen dat provincies worden geacht dewoonbehoefte van ouderen, starters en andere in artikel 4.33 van hetBesluit kwaliteit leefomgeving opgenomen aandachtsgroepen expliciet temaken als onderdeel van de totale regionale en provinciale woonbe-hoefte. De leden van de PVV-fractie willen voor de zekerheid aan deMinister vragen of de aandachtsgroep «economisch daklozen» hierbijwordt meegenomen. Op welke manier heeft de Minister rekeninggehouden met de inzet van tijdelijke huurcontracten door gemeenten encorporaties om «economisch daklozen» te helpen?De aandachtsgroepen worden aangewezen in het voorgestelde artikel 4.33van het Besluit kwaliteit leefomgeving van het ontwerpbesluit. Econo-misch daklozen vallen hieronder als zij dreigend dakloos zijn conform hetbepaalde onder d: personen die dreigen dakloos te worden, waaronderbegrepen woningzoekenden die buitenslapen, woningzoekenden inniet-conventionele woonplekken en woningzoekenden die uit noodverblijven bij familie en vrienden. Op grond van het Besluit specifiekegroepen tijdelijke huurovereenkomst kunnen tijdelijke huurcontracteningezet worden om economisch daklozen te huisvesten in de gevallen dateen vast huurcontract niet past of niet mogelijk is. Dit besluit maakt hetmogelijk om tijdelijke huurcontracten aan te bieden aan personen diedirect voorafgaand aan de ingangsdatum van de huurovereenkomsturgent woningzoekenden waren als bedoeld in artikel 12, derde lid, van deHuisvestingswet 2014.18.Op blz. 46 van de NvT valt te lezen dat het voor het realiseren van deregionale doelen noodzakelijk kan zijn dat een gemeente meer dantwee derde betaalbare woningen realiseert. Op dezelfde bladzijde staatook dat een programmering van meer dan twee derde betaalbarewoningen ook kan leiden tot een lagere toekenning aan gemeenten vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30412 rijksmiddelen die worden ingezet voor de stimulering van betaalbarewoningbouw. De leden van de PVV-fractie willen de Minister vragen of ditbetekent dat individuele gemeenten die gaan voor meer dan twee derdebetaalbaar bouwen op basis van in de regio gemaakte afspraken, gekortkunnen worden op rijksmiddelen voor de stimulering van betaalbarewoningbouw.Het kan voor het realiseren van de regionale doelen noodzakelijk zijn dateen gemeente meer dan twee derde betaalbare woningen realiseert. Daarmoet dus ook ruimte voor zijn. Wel ontmoedig ik bovenmatige betaalbaar-heidseisen bij de inzet van financiële regelingen wanneer deze eisen nietnoodzakelijk zijn om de regionale doelen te bereiken. Bovenmatigebetaalbaarheidseisen kunnen immers een negatief effect hebben op definanciële haalbaarheid van woningbouwprojecten. Ik wil voorkomen datprojecten stilvallen doordat deze financieel onhaalbaar zijn.In de Realisatiestimulans is er rekening mee gehouden dat de hoogte vanuitkeringen voor betaalbare woningen aan een gemeente met maximaal33% kan worden verlaagd als de gemeentelijke woningbouwprogram-mering van die gemeente leidt tot een evidente overschrijding van denationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen.4 In de Woningbou-wimpuls is de bijdrage van een project aan de doelstellingen ten aanzienvan de betaalbaarheidsopgave in de regio in relatie tot de landelijkebetaalbaarheidsprogrammering meegenomen in het beoordelingskadervoor aanvragen. Zo kan flankerend worden gestuurd op een landelijkevenwichtiger verdeling van de middelen voor betaalbare woningen enwordt er rekening gehouden met wat er regionaal nodig is.19.Op blz. 51 en 52 van de NvT valt te lezen dat de Monitor HuisvestingAandachtsgroepen nog niet alle data over de aandachtsgroepen bevat. Zozijn mensen met een beperking, medisch urgenten, uittredendesekswerkers, mantelzorgverleners en ontvangers, uitstroom uit jeugdde-tentie en justitiële jeugdinstellingen en dakloze mensen die geen toegangtot de maatschappelijke opvang hebben gekregen op grond van de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 niet in beeld. De leden van dePVV-fractie willen aan de Minister vragen of er een specifieke deadline isgesteld om genoemde data in beeld te krijgen en wat de Minister aaninstrumenten tot haar beschikking heeft om partners te stimulerengenoemde data zo snel mogelijk in kaart te brengen.Het klopt dat gegevens over sommige aandachtsgroepen op dit momentniet goed in beeld te brengen zijn, soms omdat er geen kwantitatievegegevens op het niveau van de provincie of regio verzameld kunnenworden, soms omdat juist de kwalitatieve gegevens, zoals informatie overde woonwensen, beperkt voorhanden zijn. Om die reden dient het verslagwaarin het Rijk op grond van dit ontwerpbesluit gegevens publiceert, alsuitgangspunt voor gemeenten bij het vaststellen van de woningbouw-opgave voor die aandachtsgroepen waarvan de gegevens nietvoorhanden zijn. Gemeenten en provincies kunnen de gegevensaanvullen met eigen gegevens en zo de opgave voor aandachtsgroepenbeter in beeld brengen. Het is de bedoeling dat de Monitor HuisvestingAandachtsgroepen met deze informatie van gemeenten en provinciesaangevuld wordt en deze groepen op termijn voor Nederland, perprovincie, per regio en gemeente in kaart worden gebracht.20.4Zie artikel 2,2, derde lid, van de Tijdelijke regeling realisatiestimulans.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30413 Op blz. 63 van de NvT staat dat, gelet op de maatschappelijke belangendie hiermee zijn gediend, de regering het gerechtvaardigd acht omlandelijk te waarborgen dat woningen op het achtererfgebied voormantelzorg en voor familieleden in de eerste graad – onder voorwaarden– vergunningsvrij zijn. De leden van de PVV-fractie willen aan de Ministervragen waarom vergunningsvrije familiewoningen alleen wordentoegestaan voor familieleden van de eerste graad. Wat betekent ditbijvoorbeeld voor kleinkinderen die een familiewoning willen realiserenop eigen achtererf voor hun grootouders?De vergunningvrije regeling voor familiewoningen is bewust beperkt toteerstegraads familieleden, om de regeling helder en in ruimte en tijdafgebakend te houden. In het voorbeeld van een kleinkind dat een woningwil realiseren voor zijn grootouders geldt dat dit niet onder de vergun-ningvrije regeling valt tenzij sprake is van een mantelzorgrelatie, maar dathet mogelijk blijft om dit te realiseren via een reguliere omgevingsver-gunning of via het omgevingsplan.Een verdere verruiming zou het risico vergroten dat de regeling wordtgebruikt voor reguliere extra bewoning, in situaties die daar niet voorgeschikt zijn. Dat is een lokale ruimtelijke afwegingen die gemeenten zelfmoeten maken. Het staat het gemeenten vrij om – binnen de geldendewettelijke kaders – een ruimere lokale regeling vast te stellen, inclusief eeneventuele verbreding van de doelgroep.21.Op blz. 120 van de NvT staat dat voor zover het gaat om het bouwen,gebruiken en in stand houden van de aangewezen bouwwerken voorhuisvesting in verband met mantelzorg en huisvesting van familieledengeen omgevingsvergunning nodig is voor een omgevingsplanactiviteit.De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat ook de huursectorhaar steentje kan bijdragen en daarom willen zij aan de Minister vragen ofer mogelijk extra belemmeringen zijn voor een verhuurder in vergelijkingmet een grondeigenaar die zelf op de kavel woonachtig is.Dit ontwerpbesluit regelt uitsluitend het omgevingsrechtelijke kader. Hethuurrecht en privaatrechtelijke verhoudingen worden hierdoor nietgewijzigd. Bij het realiseren van een vergunningvrije mantelzorg- offamiliewoning gelden voor een verhuurder/huurder derhalve dezelfdevoorwaarden als voor iedere andere eigenaar of gebruiker; het ontwerp-besluit maakt daarin geen onderscheid. Er zijn dan ook geen extrapubliekrechtelijke beperkingen specifiek voor verhuurders opgenomen.Dat neemt echter niet weg dat in de praktijk wel privaatrechtelijkeaspecten een rol kunnen spelen, zoals afspraken met huurders,eigendoms- of aansprakelijkheidskwesties of intern beleid van eenverhuurder. Voor huurders geldt dat in veel gevallen toestemming van deverhuurder vereist zal zijn, aangezien het realiseren van een dergelijkewoning een ingrijpende wijziging van het gehuurde betreft. Dit iseveneens het geval wanneer een huurder zelf voorzieningen aan hetgehuurde wil aanbrengen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie22.De leden van de CDA-fractie hebben over de regionale verdeling van tweederde betaalbare woningen enkele vragen. Deze leden constateren dat hetontwerpbesluit uitgaat van regionale afspraken, zonder dat een minimalebijdrage per individuele gemeente wordt vastgelegd. Zij vragen hoe wordtgewaarborgd dat binnen een regio niet structureel grote verschillenontstaan tussen gemeenten in hun bijdrage aan betaalbare woningbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30414 Welke norm of bandbreedte geldt voor individuele gemeenten indienregionale afspraken leiden tot sterk uiteenlopende percentages betaalbarewoningen? Welke correctiemogelijkheden bestaan indien regionaleafspraken naar het oordeel van provincie of Rijk onvoldoende bijdragenaan een evenwichtige verdeling?In het ontwerpbesluit is geborgd dat elke gemeente een evenredigebijdrage levert aan de realisatie van de wettelijk verankerde doelstellingvan 2/3 betaalbaar en 30% sociaal op regionaal niveau. In mijn antwoordop vraag 1 licht ik toe op welke wijze dit is geborgd in het ontwerpbesluit.De wijze waarop gemeenten onder regie van de provincie afsprakenmaken in de woningbouwregio heb ik toegelicht in mijn antwoord ondervraag 2. Daarbij ga ik ook in op de interventiemogelijkheden die provincieen rijk hebben.23.De leden van de CDA-fractie hebben over de norm van 30% sociale huurenkele vragen. Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen deze norm tekoppelen aan het landelijk gemiddelde aandeel sociale huur, terwijl ditgemiddelde dalend is. Op basis van welke analyse acht de Minister ditcriterium stabiel en toekomstbestendig? Hoe wordt voorkomen datgemeenten met een lage sociale huurvoorraad structureel onder hetniveau blijven dat nodig is voor een evenwichtige regionale verdeling?Welke rol heeft de provincie bij de beoordeling van deze bijdrage pergemeente?Het doel van het kabinet is om 30% sociale huur te realiseren, zodat er inabsolute zin meer betaalbare woningen worden gerealiseerd. In de wijzewaarop gemeenten daaraan bijdragen, streven we ook naar meer balansin de voorraad tussen gemeenten zodat mensen met een laag en met eenmiddeninkomen in alle gemeenten meer kans maken op een betaalbarewoning. Voor gemeenten met weinig sociale huurwoningen wordt diebalans verbeterd en de lage voorraad verhoogd doordat zij de komendetien jaar 30% sociale huurwoningen moeten bouwen. Een verplichting vaneen hoger percentage dan 30% sociale huurwoningen voor gemeentenmet een zeer kleine voorraad sociale huurwoningen is niet realistisch enniet wenselijk: het zou er toe leiden dat dit óf ten koste gaat van de bouwvan woningen voor mensen met een middeninkomen óf dat het nietfinancieel uitvoerbaar is.24.De leden van de CDA-fractie hebben over de samenhang tussen regionaleprogrammering en rijksmiddelen enkele vragen. Op welke wijze wordende uitkomsten van regionale afspraken betrokken bij de toekenning vanrijksmiddelen voor betaalbare woningbouw? Is het mogelijk dat eengemeente die conform regionale afspraken meer dan twee derdebetaalbaar bouwt desalniettemin minder aanspraak maakt op rijksmid-delen dan een gemeente die minder bijdraagt? Zo ja, hoe verhoudt zichdat tot het uitgangspunt van regionale solidariteit? Zo nee, hoe wordt ditgeborgd?Met de rijksmiddelen voor woningbouw wordt flankerend gestuurd opeen evenwichtige verdeling van betaalbare woningen tussen gemeenten,waarbij iedere gemeente bijdraagt aan de bouw van twee derdebetaalbare woningen op regionale schaal. Onderdeel van eenevenwichtige verdeling is ook dat het stellen van bovenmatige lokalebetaalbaarheidseisen door gemeenten wordt voorkomen. Bovenmatigebetaalbaarheidseisen kunnen er namelijk toe leiden dat woningbouwpro-jecten financieel niet meer rondrekenen. In de Realisatiestimulans is errekening mee gehouden dat de hoogte van uitkeringen voor het bouwenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30415 van betaalbare woningen aan een gemeente met maximaal 33% kanworden verlaagd als de gemeentelijke woningbouwprogrammering vandie gemeente leidt tot een evidente overschrijding van de nationale ofregionale betaalbaarheidsdoelstellingen.5 Verder wordt verwezen naar hetantwoord op vraag 18.25.Deze leden hebben over bestuurlijke regie en doorzettingsmacht enkelevragen. Welke concrete criteria gelden voor inzet van provinciale ofrijksdoorzettingsmacht indien regionale afspraken uitblijven of onvol-doende bijdragen aan de landelijke doelstellingen? Binnen welke termijnwordt vastgesteld dat regionale afstemming is vastgelopen en welkestappen volgen daarna? Hoe wordt voorkomen dat de gelaagde bestuur-lijke structuur leidt tot vertraging van woningbouwprojecten?Het inzetten van provinciale of rijksdoorzettingsmacht kan op grond vande Omgevingswet door middel van een instructiebesluit. Een instructiebe-sluit kan door de provincie of het Rijk worden gegeven op hetomgevingsplan of het volkshuisvestingsprogramma als er sprake is vaneen provinciaal of nationaal belang en dit belang niet op een doelmatigeen een doeltreffende wijze wordt behartigd. De instructie moet verdernoodzakelijk zijn en niet verder gaan dan nodig (proportionaliteit ensubsidiariteit) en de beoogde ontwikkeling moet ruimtelijk aanvaardbaaren (financieel) uitvoerbaar zijn. Een instructie moet worden voorafgegaandoor bestuurlijk overleg. Een instructie vergt, gegeven de omstandig-heden van het geval, de nodige nadere onderbouwing over de noodzake-lijkheid en aanvaardbaarheid van die instructie om stand te houden bij derechterlijke toets. Er zijn dan ook geen generieke concrete criteria entermijnen te geven die in alle gevallen toepasbaar zijn.Wordt het instructiebesluit niet of niet volledig opgevolgd dan kan het Rijkof de provincie via interbestuurlijk toezicht ingrijpen. Ingrijpen kan viaindeplaatsstelling vanwege taakverwaarlozing waarbij op kosten van debetreffende provincie of gemeente het instructiebesluit uitgevoerd zalworden. Bijvoorbeeld door in plaats van de gemeenteraad of provincialestaten het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsverordening tewijzigen. Voor de inzet van dit instrument gelden procedurestappen in devorm van een interventieladder. Deze bestaat uit 6 stappen: van signa-leren tot en met het definitief toepassen van indeplaatsstelling bijtaakverwaarlozing of schorsing en vernietiging.26.De leden van de CDA-fractie hebben over de gegevensverzameling enmonitoring enkele vragen. Hoe wordt gewaarborgd dat de verplichtingentot gegevensverzameling proportioneel en uitvoerbaar zijn voorgemeenten? Welke administratieve lasten worden voorzien en hoeworden deze gemonitord? Op welke wijze wordt de regionale verdelingvan betaalbare woningen inzichtelijk gemaakt, zodat transparantie envergelijkbaarheid tussen regio’s gewaarborgd zijn?In het ontwerpbesluit is vastgelegd dat het Rijk verantwoordelijk is voorde periodieke gegevensverzameling die ziet op de totale woningbehoefteen woningbouwopgave die nodig is voor de beleidsmaatregelen in devolkshuisvestingsprogramma’s. Gemeenten en provincies hebben diewettelijke taak niet. Het Rijk verzamelt bijvoorbeeld gegevens over hethuidige woningtekort, de toename van het aantal huishoudens en hoeveelwoningen er gesloopt worden. Voor zover mogelijk wordt ook dewoonbehoefte van ouderen, starters en andere aandachtsgroepen in5Zie artikel 2,2, derde lid, van de Tijdelijke regeling realisatiestimulans.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30416 beeld gebracht. Hiervoor worden verschillende bronnen gebruikt,bestaande uit prognoses en monitors. Het Rijk publiceert deze gegevensvervolgens in verslagen die voor alle overheden het vertrekpunt zijn bijhet opstellen van hun volkshuisvestingsprogramma.Omdat niet over alle aandachtsgroepen gegevens op nationaal, provin-ciaal en regionaal beschikbaar zijn, zullen gemeenten voor een deel vandie groepen een eigen inschatting van de specifieke woonbehoefte en hunaandeel in het benodigde aandeel woningen en wooneenheden moetenmaken, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave.Het ontwerpbesluit stelt geen nadere eisen aan deze inschatting. Zo wordtgewaarborgd dat de verplichtingen ten aanzien van gegevensverzamelingproportioneel en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en worden administra-tieve lasten zo beperkt mogelijk gehouden. Het wettelijk stelsel zal na eenperiode van vijf jaar ook worden geëvalueerd. De regionale verdeling vanbetaalbare woningen wordt bestuurlijk afgesproken in de woningbouw-regio, en leidt ertoe dat elke gemeente haar eigen aandeel in de regionaleopgave opneemt in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma. Deprovincie ziet erop toe dat de uitkomsten op regionaal niveau optellen totwat provinciaal nodig is, namelijk dat in elke regio 2/3e betaalbaar en 30%sociaal wordt gerealiseerd.27.Deze leden hebben ook over de regionale verantwoordelijkheid bijuitstroom uit instellingen enkele vragen. In signalen vanuit gemeentenwordt de zorg geuit dat regio’s waar verblijfsinstellingen zijn gevestigdverantwoordelijk zouden worden voor de huisvesting van personen diedaar verblijven, ook indien zij van buiten de regio afkomstig zijn. Zijvragen hoe het ontwerpbesluit en de daarop gebaseerde ministeriëleregeling zich verhouden tot deze zorg. Kan de Minister toelichten of en opwelke wijze wordt voorkomen dat regionale programmeringsafsprakenfeitelijk leiden tot structurele toerekening van uitstroom aan de regio vanverblijf, zonder dat herkomstgemeenten daarin een rol blijven spelen?Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat alle gemeenten verplicht een urgentie-regeling moeten opstellen met daarin de wettelijk verplichte urgentegroepen. Gemeenten maken afspraken over de evenwichtige verdelingvan deze urgent woningzoekenden over de woningmarktregio. Daarnaastmaken ze afspraken over welk percentage van de vrijkomende huurwo-ningen zij beschikbaar stellen voor toewijzing aan de urgent woningzoe-kenden. Daarmee wordt de huisvesting van urgent woningzoekendenbeter over de woningmarktregio verspreid en draagt iedere gemeente bij.Het onderwerp waar de leden van de CDA-fractie aan refereren wordtgeregeld in de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting (hierna:ontwerpregeling). In de ontwerpregeling wordt nader bepaald wanneereen woningzoekende maatschappelijke binding heeft met een regio. Hetwetsvoorstel verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening metdaarin ten minste een urgentieregeling vast te stellen en regionaleafspraken te maken over de evenwichtige verdeling van urgent woning-zoekenden.Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerkgericht op hulp en ondersteuning zonder eigenbelang van grotemeerwaarde. Daarom is in de ontwerpregeling rekening gehouden met demogelijkheid dat elke woningzoekende die uitstroomt uit een instelling,zich zal kunnen wenden tot de regio van herkomst voor een aanvraagvoor urgentie. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn om juist nietterug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege debelangen van slachtoffers van huiselijk geweld of de aanwezigheid vaneen crimineel netwerk. Gemeenten en woningmarktregio’s kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30417 afspraken maken over de wijze waarop een overdracht van urgentwoningzoekenden plaatsvindt. Daarmee kan maatwerk worden geleverd,dat blijft met de ontwerpregeling mogelijk. Juist met regionale program-meringsafspraken kan er een evenwichtige verdeling van urgent woning-zoekenden tot stand komen.28.De leden van de CDA-fractie hebben ook over de positie van herkomstge-meenten bij uitstroom enkele vragen. In signalen wordt gesteld dat ergeen grondslag meer zou bestaan voor uitstroom naar de herkomstge-meente. Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten hoe het ontwerp-besluit zich verhoudt tot bestaande regionale en bovenregionaleafspraken over terugkeer naar de herkomstgemeente.Naar aanleiding van het signaal van gemeenten dat druk wordt gelegd bijgemeenten met bovenregionale voorzieningen, zoals beschermd woneninstellingen, is gesproken met de VNG. Dit heeft geleid tot een aanpassingvan de ontwerpregeling ten opzichte van de eerder geconsulteerde versie.Hiermee is een onderdeel toegevoegd aan de uitwerking van het begrip«maatschappelijke binding». Hierdoor is het mogelijk voor urgentwoningzoekenden om binding te behouden met de woningmarktregio vanherkomst, ondanks langer verblijf in een instelling in een andere regio. Zowordt geborgd dat een woningzoekende zich, wanneer deze zichgedurende een bepaalde termijn in die regio heeft bevonden, zal kunnenwenden tot de regio van herkomst voor een aanvraag voor een urgentie;ook een woningzoekende die uitstroomt uit een instelling in een andereregio. Sommige urgent woningzoekenden kunnen er belang bij hebbenzich niet in de regio van herkomst te vestigen, ook daar wordt met deontwerpregeling in voorzien. Hiermee wordt voorkomen dat eenwoningzoekende tussen wal en schip kan vallen en in geen enkele regio inaanmerking komt voor urgentie.29.Zij hebben ook over de samenhang met het woonplaatsbeginsel uit deJeugdwet enkele vragen. Gemeenten geven aan spanning te ervarentussen regionale woningbouwprogrammering en het woonplaatsbeginseldat bepalend is voor financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid in hetzorgdomein. Deze leden vragen de Minister toe te lichten hoe bij deuitwerking van het ontwerpbesluit en de ministeriële regeling rekeningwordt gehouden met dit woonplaatsbeginsel.Het beoogde woonplaatsbeginsel op grond van de Wet maatschappelijkeondersteuning 2015 bepaalt welke gemeente de kosten voor opvangdraagt (namelijk de gemeente van herkomst) en bepaalt niet welkegemeente verantwoordelijk is voor (vervolg)huisvesting. Het wordtdaarom niet logisch geacht om dit principe te hanteren voor dit onderdeelvan de ontwerpregeling.30.De leden van de CDA-fractie hebben ook over de mogelijke uitvoeringsge-volgen voor gemeenten met grote verblijfsvoorzieningen enkele vragen.In signalen wordt gewezen op het risico dat gemeenten met relatief veelinstellingen onevenredig worden belast en dat de landelijke spreiding vanaandachtsgroepen daardoor onder druk kan komen te staan. Deze ledenvragen de Minister hoe bij de toepassing en monitoring van het ontwerp-besluit wordt voorkomen dat verschillen in concentratie van instellingenleiden tot een onevenwichtige woningbouw- of huisvestingsopgave. Kande Minister toelichten welke correctiemechanismen of verdeelprincipesbeschikbaar zijn om te waarborgen dat de beoogde evenwichtigespreiding daadwerkelijk wordt gerealiseerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30418 Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar vraag 27.31.Zij hebben tot slot over de uitvoerbaarheid in de tijd enkele vragen. Achtde Minister de termijn waarbinnen regionale afspraken moeten wordenafgerond realistisch, mede gelet op de benodigde afstemming tussengemeenten en provincies? Welke gevolgen heeft het niet tijdig bereikenvan overeenstemming voor de voortgang van de woningbouwprogram-mering?Het is van belang dat de termijn voor het maken van afspraken overbetaalbare woningen binnen de regio goed uitvoerbaar is. Tegelijkertijdwil ik voorkomen dat het overleg te lang duurt. Ook uw Kamer heeft hetbelang van tijdige afronding van de afspraken over betaalbare woningenbenadrukt in de aangenomen motie Vijlbrief c.s6. Gebaseerd opervaringen en samenwerking binnen de regionale woondeals acht ik determijn van een half jaar waarbinnen de regionale woningbouwafsprakenmoeten worden afgerond realistisch. Ik zie ook dat diverse provinciesinmiddels hiermee ook volop aan de slag zijn. Waar nodig zal daarbijondersteuning worden geboden vanuit het Rijk. In mijn antwoord opvraag 2 ga ik nader in op de gevolgen van het niet tijdig bereiken vanovereenstemming en de mogelijkheden die provincies en het Rijk hebbenom de knoop door te hakken.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie32.De leden van de JA21-fractie vragen de Minister waarom niet gekozen isvoor een grotere rol van de gemeenteraad bij de voorbereiding en/ofvaststelling van het lokale volkshuisvestingsprogramma. Wetende dat demeeste vigerende omgevingsvisies zijn opgesteld in een periode waarin«volkshuisvesting» nog geen beleidsdoel was van de Omgevingswet, ende actuele woonbeleidskaders in de woonvisie bij de vaststelling van hetlokale Volkshuisvestingsprogramma vervallen.Met dit wetsvoorstel wordt ingezet op een geïntegreerd volkshuisves-tingsbeleid, als vast onderdeel van het beleid voor de fysieke leefom-geving, zoals dat op grond van de Omgevingswet moet worden vastge-steld in een omgevingsvisie. Met het wetsvoorstel komt eerst dewoonvisie op grond van de Woningwet te vervallen en komen dehoofdlijnen van het het volkshuisvestelijk beleid in de omgevingsvisie énhet op uitvoering gerichte gemeentelijk volkshuisvestelijke beleid in hetvolkshuisvestingsprogramma. In lijn met de uitgangspunten van deOmgevingswet wordt de bevoegdheid voor programma’s belegd bij hetdagelijks bestuur, dus voor de gemeenten bij het college van B&W. Daarkan de gemeenteraad wel bij betrokken worden. Op basis van hetwetsvoorstel moeten in de omgevingsvisie de hoofdlijnen van hetvolkshuisvestingsbeleid voor de langere termijn worden beschreven. Datbetekent dat de gemeenteraad op het terrein van de volkshuisvesting dekaders en de hoofdlijnen van het te voeren beleid blijven vaststellen. Dezekaders zijn ook van toepassing voor het volkshuisvestingsprogramma.Daarnaast kan de gemeenteraad ook bij de totstandkoming van hetvolkshuisvestingsprogramma worden betrokken.33.De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of zij op de hoogte is vande publicatie «Raad van State ziet berg bezwaren tegen nieuwbouw6Kamerstukken II, 2024/25, 36 512, nr. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30419 groeien» van 23 april 2025 op het mediaplatform Vastgoed Actueel.7Daarin staat dat de Minister op de Woontop in december 2025 aangaf datze de vergunningverlening wil versnellen. Maar dat zou de Raad van Statejuist meer werk opleveren. Bezwaar tegen de omgevingsvergunning zouzonder tussenkomst van een rechtbank, direct naar de Raad van Statemoeten gaan. Die zou binnen zes maanden uitspraak moeten doen.Uylenburg: «Maar dat is wensdenken. We moeten eerlijk zijn: diezes maanden halen we nu al niet.» Kan de Minister aangeven op welkewijze de zes maanden termijn voor aangewezen zaken (wel) gewaarborgdkan worden. Bijvoorbeeld, met hoeveel mensen zou de personelecapaciteit toe moeten nemen zodat de zes maanden termijn (wel)gewaarborgd kan worden? Kan de Minister aangeven wat het verband istussen de behandeltermijnen van de relevante beroepsprocedures en depersonele capaciteit bij de relevante afdelingen van de Raad van State.Met hoeveel FTE’s is die personele capaciteit toegenomen tussen 1 januari2020 en 1 januari 2025? Indien waarborging een toename van personelecapaciteit vraagt, overweegt de Minister dan een dergelijke uitbreidingvan de personele capaciteit? En/of welke andere maatregelen (inaanvulling op de in het te wijzigen Omgevingsbesluit voorgenomenmaatregelen) zou de Minister willen onderzoeken om de uitgesprokenambities te realiseren?De doorlooptijden van woningbouwzaken zijn met het nieuwe project vande Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanzienlijkverkort. Bij deze aanpak worden woningbouwzaken sinds de zomer van2024 met een team van gespecialiseerde staatsraden en griffiers metvoorrang behandeld. Op de website8 van de Raad van State zijn daaroveralle gegevens te vinden.9 Daaruit volgt dat sinds de zomer van 2024 ruim415 woningbouwprojecten met voorrang zijn behandeld, samen goedvoor ongeveer 86.650 woningen. In 299 woningbouwzaken die voorrangkregen, is al uitspraak gedaan, samen goed voor ruim 65.600 woningen. Inzo’n 50 zaken die samen 7.750 woningen mogelijk maken, is al wel eenrechtszitting gehouden, maar wordt nog gewerkt aan de uitspraak. En67 woningbouwzaken die voorrang kregen, samen goed voor zo’n13.300 woningen, werden vlak voor de zitting of de uitspraak ingetrokken.Het met voorrang behandelen van woningbouwzaken leidt ook totsnellere uitspraken, met name voor de woningbouwzaken die in 2024 zijningediend. Deze zaken zouden voorlopig nog niet op zitting zijn behandeldals zij op hun beurt hadden moeten wachten. De doorlooptijd in woning-bouwzaken is gemiddeld een stuk korter dan de doorlooptijd in de overigeomgevingszaken. Uit het project, waarmee vooruit werd gelopen op de indit ontwerpbesluit aanvankelijk voorgenomen aanwijzing van woning-bouwprojecten van twaalf of meer woningen, blijkt dus dat de Afdelingbestuursrechtspraak daadwerkelijk een versnelling van de beroepsproce-dures over woningbouwprojecten kan realiseren. Deze resultaten biedeneveneens een positief vooruitzicht dat ook voor kleinere woningbouwpro-jecten van minder dan twaalf woningen een versnelling kan wordengerealiseerd. Wel moet bedacht worden dat als meer zaken prioriteitmoeten krijgen dat ten koste gaat van andere zaken op het terrein van hetomgevingsrecht.7https://vastgoedactueel.nl/raad-van-state-ziet-berg-procedures-tegen-nieuwbouw-groeien/8https://www.raadvanstate.nl/voorrang-woningbouwzaken/9Op de website is ook een overzicht te vinden waarin de Afdeling bestuursrechtspraak bijhoudtwelke beroepszaken in het kader van het project worden behandeld en voor hoeveel woningendeze samen goed zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30420 Hoewel de doorlooptijden met deze nieuwe aanpak aanzienlijk zijnverkort, wordt om verschillende redenen de zes maanden termijn niet inalle gevallen waarvoor deze is voorgeschreven, gehaald. In veel gevallenis er sprake van uitloop vanwege de complexiteit van het beroep of door«incidenten» in de procedure. Het komt best vaak voor dat bestuursor-ganen tijdens de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak een nieuwbesluit nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak is verplicht om datnieuwe besluit mee te nemen in haar beoordeling. Dat leidt tot vertragingwaardoor de doorlooptijden onder druk komen te staan. In anderegevallen wordt de zes maanden termijn niet gehaald vanwege personelecapaciteiten. Van de Afdeling bestuursrechtspraak heb ik begrepen dat hetgelukt is een aantal openstaande vacatures te vervullen en dat er deafgelopen periode meer juristen zijn aangenomen dan vertrokken, maarook dat er nog steeds een tekort is. Er is dus nog steeds behoefte aanmeer juristen voor de ondersteuning van de staatsraden bij het afdoenvan zaken. Van het aantal op dit moment openstaande vacatures ben ik opdit moment niet op de hoogte.34.De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of zij parallellen ziettussen het Deltaprogramma en de woningcrisis, beide een existentieelbelang vertegenwoordigend. Voor de opzet en uitvoering van het(succesvolle) Deltaprogramma is een regeringscommissaris aangesteld.Op dit moment zijn er (nog) geen plannen voor een regeringscommissariswoningbouwproductie. Kan de Minister aangeven hoe een regeringscom-missaris woningbouwproductie (met voldoende bevoegdheden)behulpzaam zou kunnen bij het (helpen) oplossen van de woningcrisis?Er is een aantal redenen waarom nut en noodzaak van een regeringscom-missaris voor de woningbouw niet geheel vergelijkbaar is met eenregeringscommissaris voor het Deltaprogramma. Een belangrijke redenvoor het aanstellen van een Deltacommissaris was destijds gelegen inlangjarige borging van het belang van het waterbeheer. Deze borging vanhet belang van het waterbeheer was destijds nog niet vanzelfsprekend.Daarnaast zijn Rijk en medeoverheden zelf opdrachtgever en financiervoor de uitvoering van het Deltaprogramma met publieke investeringen inde waterveiligheid zoals dijkversterking.Voor de realisatie van woningbouw zijn er vooral private opdrachtgeversmet veel inzet van private middelen. De uitvoering van de woningbouwvraagt dus vooral ook om publiek-private samenwerking. Het is de vraagwat de aanstelling van een regeringscommissaris bijdraagt aan hetbereiken van de volkshuisvestelijke opgave. Ik zit boven op de realisatievan de woningbouwopgave. Dit doe ik door te versnellen in alle fasen. Hetinrichten en ondersteunen van de commissaris kost ook veel ambtelijkecapaciteit en tijd. De introductie van een regeringscommissaris voorvolkshuisvesting zou mogelijk tot gevolg hebben dat we elkaar voor devoeten gaan lopen. Het kabinet heeft gekozen voor een gecoördineerdeinterdepartementale aanpak, door een ministeriële taskforce versnellenwoningbouw in te stellen onder voorzitterschap van de Minister-President.Ook dat draagt bij aan het versnellen van doorbraken voor dewoningbouw.35.De leden van de JA21-fractie vragen de Minister waarom zij de mogelijk-heden van de Crisis- en herstelwet niet benut om projecten voorwoningbouw of infrastructuur als dringend belang aan te wijzen en(tijdelijk) vrij te stellen van de stikstofregels. Is de Minister bereid deCrisis- en herstelwet zo nodig aan te passen opdat deze mogelijkheid tenvolle benut kan worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30421 Het instrumentarium van de voormalige Chw is grotendeels in deOmgevingswet opgegaan en wordt nu al gebruikt om de realisatie vanwoningbouwlocaties en infrastructuur te versnellen. Uw Kamer is in denota naar aanleiding van het verslag behorende bij de novelle totwijziging van het wetsvoorstel recent geïnformeerd over de wijze waaropde instrumenten uit de Chw zijn overgegaan in de Omgevingswet en hoedeze instrumenten kunnen worden ingezet.10 Het is dan ook aanprovincies en gemeenten om daar nu al mee aan de slag te gaan.De Omgevingswet kent een experimenteerbepaling ter opvolging van dehuidige regeling uit de Crisis- en herstelwet. Met deze bepaling kan –evenals onder de Chw – niet van het beschermingsregime van deHabitatrichtlijn worden afgeweken.Stikstof is een belangrijk knelpunt voor de realisatie van woningbouwpro-jecten. Er wordt hard gewerkt aan een oplossing. De Minister van LVVN ishet aanspreekpunt voor het stikstofdossier en is verantwoordelijk voor deuitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord. De Minister van LVVNzal uw Kamer over de voortgang informeren.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie36.De leden van de BBB-fractie hebben zorgvuldig het ontwerpbesluitgelezen en hebben nog enkele vragen. Deze leden lezen dat in hetontwerpbesluit, in artikel 2.30b, expliciet wordt gesteld dat vergunnings-vrije mantelzorg- en familiewoningen uitsluitend in het achtererfgebiedmogen worden geplaatst. Kan de Minister uitgebreid motiveren waaromdeze regeling strikt beperkt blijft tot het achtererf? En is er overwogen dat,zeker in landelijke gebieden of bij monumentale boerderijen, de plaatsingop een zij-erf of voorerf soms ruimtelijk wenselijker of praktischer kan zijnzonder dat dit de omgeving onredelijk schaadt?De regeling is van toepassing op de delen van het erf die kunnen wordenaangemerkt als achtererfgebied. Het achtererfgebied omvat een zeer grootdeel van het erf en betreft het deel dat achter een denkbeeldige lijn ligt.Die lijn doorkruist het hoofdgebouw op een meter achter de voorkant enloopt vanuit daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijkgebied. Op basis van deze definitie kunnen vergunningvrije mantelzorg-en familiewoningen derhalve ook op een feitelijk gesitueerd zij-erf wordengebouwd, mits dat zij-erf is gelegen op ten minste een meter achter devoorgevel van het hoofdgebouw.Deze regeling sluit aan bij de landelijke regeling, zoals die ook gold methet Besluit omgevingsrecht en de huidige regels in de zogenoemdebruidsschat (naar de gemeente overgedragen milieuregels welke vanrechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan). Daarmeewordt aangesloten bij een bestendige en herkenbare systematiek.Ik erken evenwel dat zich situaties kunnen voordoen – bijvoorbeeld bijgrote erven of monumentale boerderijen in landelijk gebied – waarinplaatsing op een zij- of zelfs voorerf, in afwijking van de landelijkeregeling, ruimtelijk passend kan zijn. In dergelijke gevallen blijft lokaalmaatwerk mogelijk via een reguliere omgevingsvergunning die degemeente verleent of via een wijziging van het omgevingsplan. Delandelijke vergunningvrije regeling kan dus aangevuld worden met lokaleregels die voorzien in vergunningvrije situaties.10Kamerstukken II, 2025/26, 36 881, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30422 De leden van de BBB-fractie lezen dat een mantelzorg- of familiewoninggeen eigen adres krijgt en bewoners op hetzelfde adres als de hoofdbe-woner worden ingeschreven. Erkent de Minister dat dit grote financiëlegevolgen kan hebben voor de AOW- of nabestaandenuitkering (dezogenoemde mantelzorgboete)? Welke stappen onderneemt de Ministermet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om te voorkomendat deze regeling financieel ongunstig uitpakt voor families die zorg voorelkaar dragen?Een vergunningvrije gerealiseerde mantelzorg- of familiewoning kan eeneigen nummeraanduiding krijgen, indien zij kwalificeert als eenzelfstandig verblijfsobject in de zin van de Wet basisregistratie adressenen gebouwen (BAG-eisen). Daarvan is sprake wanneer de woonruimtefeitelijk als zelfstandige eenheid functioneert, beschikt over eigenessentiële voorzieningen (zoals keuken en sanitair) en via een afsluitbaretoegang rechtstreeks bereikbaar is zonder de hoofdwoning te betreden.De beoordeling hiervan vindt plaats door de gemeente op basis van eenmelding of op basis van de feitelijke situatie. Indien aan de BAG-eisenwordt voldaan, moet de woonruimte als zelfstandig verblijfsobject in deBAG worden geregistreerd en krijgt het een afzonderlijke nummeraan-duiding.Het al dan niet toekennen van een eigen adres kan financiële en adminis-tratieve gevolgen hebben voor betrokkenen. Voor regelingen waarbij dehuishoudsituatie bepalend is voor de hoogte van een uitkering of toeslag,zoals bij de AOW, kan dit verschil maken voor de uitkomst van debeoordeling. Toekenning van een afzonderlijk adres kan daarnaast leidentot een afzonderlijke WOZ-beschikking en daarmee samenhangendegemeentelijke heffingen.Deze systematiek is niet nieuw en gold ook onder eerdere regelingen,zoals het voormalige Besluit omgevingsrecht en de bruidsschat die in hetgemeentelijk omgevingsplan is opgenomen. De invoering van het besluitwijzigt deze uitgangspunten niet. De nota van toelichting bij het ontwerp-besluit zal op dit punt worden verduidelijkt.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie37.Allereerst zijn de leden van de SGP-fractie verheugd te lezen dat in degemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s aandacht moet zijn voor dewoningbehoefte en -opgaven van starters. Deze leden lezen echter dat destarter een woningzoekende persoon is tussen de 18 en 30 jaar. Waaromis niet gekozen voor een maximumleeftijd 34 jaar, kortom «jonger dan35 jaar»? Wordt hiermee niet beter aangesloten bij de reeds geldendedefinitie van starters, zoals bij de startersvrijstelling in de overdrachtsbe-lasting? Is de Minister bereid de definitie van een starters in artikel 4.33sub j te veranderen in «woningzoekende personen tussen de 18 en35 jaar»?Bij aandachtsgroepen vraagt de woonopgave expliciete aandacht,bijvoorbeeld omdat hun huisvesting specifieke eisen stelt aan de woning,of omdat anders onvoldoende wordt voorzien in de woonbehoefte vandeze groepen. Dit kan leiden tot specifieke programmering, bijvoorbeeldvan woningen in geclusterde woonvormen. Maar ook van programmeringvan relatief kleinere woonruimten met een bescheiden huurprijs tot aande zogenaamde kwaliteitskortingsgrens of de eerste aftoppingsgrens. Inhet algemeen vraagt de groep starters van 30 tot 35 jaar niet om explicieteaandacht in de programmering. Starters zijn toegevoegd als aandachts-groep, waardoor gemeenten aan deze groep wel aandacht moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30423 besteden in het volkshuisvestingsprogramma. Daarbij geldt dat de groeptussen 18 en 30 jaar veelal niet beschikt over een zelfstandigewoonruimte, terwijl de groep tussen 30 en 35 jaar vaak wel over een eigenhuurwoning beschikt en een deel daarvan vervolgens doorstroomt alskoopstarter. Daarom is die groep geen starter op de woningmarkt. Hierbijgeldt dat het bij de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting gaat omstarters die voor de eerste keer een woning kopen.38.De leden van de SGP-fractie constateren dat het coalitieakkoord «Aan deslag» voorstellen bevat die raken aan de inhoud van het Besluit. Kan deMinister aangeven in hoeverre het Besluit aangepast moet worden aan deinhoud van het voorliggende Besluit.Een aantal doelstellingen in het coalitieakkoord heeft ook betrekking op deonderwerpen die worden uitgewerkt in dit ontwerpbesluit. Onderdeeldaarvan zijn de doelstellingen over betaalbaar bouwen. Bij de uitwerkingkijk ik ook heel goed naar de uitvoerbaarheid en consistentie van beleid. Ikzal uw Kamer op korte termijn, maar in ieder geval voor het meireces overdeze uitwerking informeren. Duidelijkheid hierover is ook van belang voorde medeoverheden.39.Deze leden zijn voorstander van het verruimen van de mogelijkheden ommantelzorgwoningen te plaatsen. Als gevolg van het voorliggende Besluitmag dit, onder voorwaarden, vergunningsvrij. Hoe wordt toegezien op denaleving van deze voorwaarden? Welke ruimte krijgen gemeenten daarin?Vergunningvrij betekent niet regelvrij: er moet worden voldaan aan devoorwaarden uit het ontwerpbesluit zelf, zoals de familie- of mantelzorgre-latie en de bebouwings- en stedenbouwkundige voorwaarden. Ook moetvoldaan worden aan de bouwtechnische voorschriften uit het Besluitbouwwerken leefomgeving. Net als in situaties waarin er sprake is vaneen vergunningplicht moet worden toegezien op de naleving. Gemeentenhebben daarvoor toezicht- en handhavingsbevoegdheden. Zij kunneninformatie opvragen om te controleren of nog aan de voorwaarden wordtvoldaan, bijvoorbeeld om na te gaan of er nog sprake is van eenmantelzorg- of familierelatie. Wordt er niet aan de voorwaarden voldaan,dan is er geen sprake van een vergunningvrije situatie en kan wordenoverwogen of legalisatie in het onderhavige geval wenselijk is of dathandhavend zal worden opgetreden.Met dit besluit worden regels landelijk geborgd die eerder al golden onderhet voormalige Besluit omgevingsrecht, en via de bruidsschat in hettijdelijke deel van het omgevingsplan zijn opgenomen. Inhoudelijk wordtdus grotendeels aangesloten bij reeds bestaande mogelijkheden, metverruiming naar eerstegraads familieleden. Toezicht vindt plaats binnenhet bestaande instrumentarium.40.Op grond van artikel 7.8c kunnen gemeenten een afwijkend percentagebetaalbare woningbouw in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogrammaopnemen, als de voorgeschreven percentages aantoonbaar niet passendzijn, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Hoe wordt voorkomen dat devoorwaarden hiervoor te hoog worden, waardoor afwijkende percentagesin de praktijk nauwelijks zullen voorkomen? Aan welke voorwaarden moetzijn voldaan om de «aantoonbare niet passendheid» aan te tonen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30424 Uitgangspunt is dat alle gemeenten bijdragen aan de realisatie vanvoldoende betaalbare woningen. Dat is ook wat ik ook terugzie in devragen van uw Kamer over het waarborgen van een fair share verdelingonder gemeenten van de betaalbaarheidsopgave. Om die reden is demogelijkheid tot ontheffing die in het ontwerpbesluit is opgenomen ookexpliciet bedoeld als uitzondering op de regel. Anderzijds moet de lat nietzo hoog liggen dat de regeling niet toegepast kan worden in situatieswaarvoor de regeling is bedoeld. Namelijk situaties waarin de afwijkendevolkshuisvestelijke context aanleiding geven voor een lager percentage. Ikvoorzie in voldoende ruimte door niet op voorhand uitputtend vast teleggen welke volkshuisvestelijke omstandigheden aanleiding zoudenkunnen zijn om een beroep te doen op de regeling. Ook wordt nietvoorgeschreven op welke wijze de afwijkende situatie onderbouwd kanworden. Een indicatie kan bijvoorbeeld zijn wanneer de wachtlijsten voorsociale huurwoningen in een gemeente of regio kort zijn en er ook geenverwachting is dat deze op enige termijn langer zullen worden. Het kanook gaan om regio’s waarin koopwoningen voor een deel voorzien in dewoonbehoefte van lage of middeninkomens gezien het zeer lageprijsniveau in die regio.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie41.De leden van de ChristenUnie-fractie zien in de uitwerking van de nadereregels voor het gemeentelijk en provinciaal volkshuisvestingsprogrammaeen bevestiging van de zorgen die er al waren bij de behandeling van deWet versterking regie volkshuisvesting, namelijk dat de Minister ervoorkiest om alleen op regionaal, provinciaal en nationaal niveau de eis vantwee derde betaalbare woningen aan het volkshuisvestingsbeleid teverbinden en dit niet voor het gemeentelijke niveau te verlangen. Dezeleden zien niet in hoe dit kan leiden tot voldoende betaalbare woningenverspreid over heel Nederland en tot voldoende gemengd bouwen in allewijken en dorpen. Zij nemen de bezwaren én de voorstellen van de VNG,IPO, Aedes en de Woonbond dan ook zeer serieus. Op welke manier heeftde Minister deze inbreng serieus genomen?Uiteraard neem ik de inbreng van VNG, IPO, Aedes en de Woonbondserieus. Ik lees in de voorstellen van VNG, IPO, Aedes en de Woonbondallereerst de wens om goed te borgen dat alle gemeenten bijdragen aanbetaalbare woningen maar ook om te waarborgen dat er 30% socialehuurwoningen worden gerealiseerd. In de uitwerking houdt ik daarbijrekening met zowel lokale verschillen als met het goed borgen van debetaalbaarheidsdoelstelling. Ook dat zijn beide wensen van uw Kamer. Inmijn antwoord op vraag 1 heb ik toegelicht hoe het halen van debetaalbaarheidsdoelstelling in het ontwerpbesluit is geborgd en hoe in hetontwerpbesluit geregeld is dat elke gemeente een eerlijke bijdrage levert.Ik onderschrijf volledig dat het overleg tussen gemeenten over deverdeling van betaalbare woningen te lang duurt. Daarom is in de notavan toelichting van het ontwerpbesluit verduidelijkt dat binnen eenhalf jaar na inwerkingtreding van de wet afspraken gemaakt moeten zijnom op tijd in het verplichte volkshuisvestingsprogramma te kunnenlanden. Waar nodig zal ik daarbij provincies en gemeenten ondersteunen.42.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af of de Minister geenrisico ziet op trage besluitvorming en het ontwijken van verantwoordelijk-heden in de keuze om gemeenten op regionaal niveau samen te latenafstemmen hoe twee derde betaalbare woningen wordt bereikt. Ziet deMinister ook dat er een groot risico is dat als een grote gemeente in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30425 regio minder dan twee derde betaalbaar bouwt, de andere gemeenten alverplicht zijn om flink meer dan twee derde betaalbaar te bouwen? Hoelang hebben gemeenten om gezamenlijke afspraken te maken over hetregionale programma? Is dat realistisch wat de Minister betreft, als er veelmoet worden overlegd en afgestemd? En als zij persisteert, hoe voorkomtze vertraging door te lang slepende afstemming tussen gemeenten en opregionaal niveau?Ik onderschrijf het belang volledig dat elke gemeente haar bijdrage levertmaar ook dat het overleg over de regionale verdeling van betaalbarewoningen daarover niet te lang duurt. Ik ben mij ervan bewust dat hetbieden van lokale ruimte ook betekent dat gemeenten in goed overleg enonder regie van de provincie afspraken moeten maken over de onderlingeverdeling van de betaalbare woningen in de woningbouwregio. Hetmaken van dergelijke afspraken is niet nieuw. Ook bij de totstandkomingvan afspraken in de regionale woondeals zijn eerder afspraken gemaaktover hoeveel, waar en voor wie er wordt gebouwd. Daarnaast is in denota van toelichting van het ontwerpbesluit verduidelijkt dat binnen eenhalf jaar na inwerkingtreding van de wet afspraken gemaakt moeten zijnom deze op tijd in het volkshuisvestingsprogramma te laten landen. Waartijdige afspraken over de verdeling van de betaalbare woningen in dewoningbouwregio uitblijven, zal de provincie knopen doorhakken. Waarnodig kan ik ook zelf de knoop doorhakken. In alle bestuurlijke overleggenvan de afgelopen periode over de woondeals is bovenstaand onderwerpaan de orde gekomen. Ik zie daarbij dat diverse medeoverheden inmiddelsaan de slag zijn gegaan met de voorbereiding van deze afspraken.43.Deze leden vragen waarom de Minister kiest voor het landelijk gemid-delde sociale huur als ijkpunt voor gemeentelijke volkshuisvestingspro-gramma’s. Dit gemiddelde laat een dalende trend zien. Waarom is heteerder gekozen percentage van 30% losgelaten? De leden van deChristenUnie-fractie vragen voorts waarom er niet is gekozen voor «tenminste» 30% sociale huur en «ten minste» twee derde betaalbaar bouwen.Geeft de marktdynamiek niet voldoende zekerheid dat er altijd wel genoegdure woningen zullen zijn?Zie de beantwoording op vraag 2. Het eerder gekozen vaste percentagevan 30% te programmeren sociale huurwoningen per gemeente islosgelaten om de gewenste ruimte voor lokaal maatwerk te bieden. Eengemeente dient op basis van het ontwerpbesluit afhankelijk van degemeentelijke voorraad in relatie tot de landelijke voorraad in haarnieuwbouwprogrammering te focussen op sociale huur of middenhuur.Zie hierover ook het antwoord op vraag 1.44.Welke ruimte laat de Minister aan maatwerk voor gemeenten en regio’s?In welke gevallen kan de Minister ingrijpen en wanneer niet, zo vragen deleden van de ChristenUnie-fractie. Waarom kiest de Minister ervoor in tekunnen grijpen als er gemeenten meer betaalbaar bouwen dan voorge-schreven wordt? Hoe rijmt de Minister dit met de grote nood aanbetaalbare woningen die Nederland nu kent?In het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds hetwaarborgen van het halen van de doelstellingen en anderzijds voldoenderuimte te bieden om aan te kunnen sluiten bij de verschillende lokalesituaties. Die ruimte voor maatwerk is vooral op lokaal niveau noodza-kelijk. De woningbehoefte is niet in elke gemeente exact hetzelfde, ookniet de behoefte aan betaalbare woningen. Om die reden zijn de doelstel-lingen van twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huurwo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30426 ningen niet geregeld op het niveau van een gemeente, project of wijk,maar op regionaal, provinciaal en landelijk niveau. Voor een antwoord opde vraag wanneer en waarom ik kan ingrijpen als gemeenten meer dan2/3e betaalbaar programmeren, verwijs ik naar de beantwoording vanvraag 18.45.Ten aanzien van de groep urgente woningzoekenden hebben de leden vande ChristenUnie-fractie vragen over de huisvesting van ex-gedetineerden.Is de Minister het ermee eens dat de gemeente van herkomst in beginselhet meest aangewezen is voor huisvesting van ex-gedetineerden,vanwege bestaande (zorg)relaties, toezichtstructuren en kennis van depersoon in kwestie? Deze leden vragen of de Minister bereid is omexpliciet te borgen dat alleen in situaties waarin aantoonbaar sprake isvan een negatief of criminogeen netwerk in de gemeente van herkomst,het mogelijk blijft om gemotiveerd af te wijken en een urgentieverklaringte verlenen in de gemeente waar de penitentiaire inrichting is gevestigd ofin een andere passende gemeente. Zo ja, is de Minister bereid omgemeenten en woningbouwcorporaties mee te laten beoordelen in detoetsingscriteria voor het aantoonbaar maken van een negatief netwerk inde herkomstgemeente?Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed pro-sociaalnetwerk van grote meerwaarde. Daarom is in de ontwerpregelingrekening gehouden met de mogelijkheid dat elke woningzoekende dieuitstroomt uit een instelling, zich zal kunnen wenden tot de regio vanherkomst voor een aanvraag voor urgentie. Er kunnen echter zwaarwe-gende redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst,bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers of de aanwezigheidvan een crimineel netwerk. Gemeenten onderling binnen een woning-marktregio en over de woningmarktregio’s heen kunnen afspraken makenover de wijze waarop een overdracht van urgent woningzoekendenplaatsvindt. Daarmee kan maatwerk worden geleverd, dat blijft met deontwerpregeling mogelijk. Ik zie dan ook geen reden om in de ontwerpre-geling op te nemen dat alleen bij zwaarwegende reden urgentie aange-vraagd kan worden in de regio waar de instelling is gevestigd.De ontwerpregeling borgt dat de gemeente rekening kan houden met eennegatief of crimineel netwerk. Het is namelijk mogelijk om te bepalen datde urgentie alleen geldt voor een specifiek gebied; dus niet geldt voor hetgebied waar zich het negatief of misdaad bevorderende netwerk bevindtvan de woningzoekende.46.Is de Minister bereid om verplichte zorg, begeleiding of ondersteuning alsvoorwaarde te verbinden aan woningtoewijzing voor ex-gedetineerdendie een straf langer dan drie maanden hebben uitgezeten? Zo nee, hoevoorkomt de Minister dat gemeenten en woningcorporaties geconfron-teerd worden met onnodige overlast en maatschappelijke problemen alsgevolg van het huisvesten van personen die aantoonbaar nog niet in staatzijn zelfstandig te wonen?In de ontwerpregeling is een aantal algemene en specifieke voorwaardenopgenomen waar woningzoekenden aan moeten voldoen om inaanmerking te komen voor indeling in een urgentiecategorie. Hierondervalt onder meer de weigeringsgrond die het college kan gebruiken omeen aanvraag af te wijzen, indien de aanvrager nog niet in staat is omlangdurig zelfstandig te wonen. Om die reden zie ik geen reden omverplichte zorg, begeleiding of ondersteuning te verbinden aan woning-toewijzing voor ex-gedetineerden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30427 47.Ten aanzien van de familie- en mantelzorgwoningen vragen de leden vande ChristenUnie-fractie welke instrumenten gemeenten hebben of krijgenom dit in goede banen te leiden.Dit ontwerpbesluit introduceert geen nieuwe specifieke instrumenten voorgemeenten. Zij beschikken reeds over hun reguliere toezicht- en handha-vingsinstrumentarium en kunnen informatie opvragen om te controlerenof aan de voorwaarden binnen het ontwerpbesluit wordt voldaan,bijvoorbeeld om na te gaan of er nog sprake is van een mantelzorg- offamilierelatie. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, kanhandhavend worden opgetreden. Daarnaast kunnen gemeenten bij eeneerstvolgende wijziging van het omgevingsplan een ruimere lokaleregeling opnemen, binnen de kaders van het ontwerpbesluit. Naast huntoezichtrol kunnen gemeenten ook een ondersteunende en faciliterenderol vervullen, bijvoorbeeld door inwoners binnen hun bestaande woon- enzorgbeleid te informeren en te begeleiden bij het realiseren vanmantelzorg- of familiewoningen.48.Welke potentie heeft het vergunningsvrij bouwen van een mantelzorg- offamiliewoning in de huursector?Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar over de specifieke potentie in dehuursector, omdat het om vergunningvrije gevallen gaat die doorgaansniet afzonderlijk worden geregistreerd. In de praktijk zal de toepassing inde huursector beperkter zijn dan bij koopwoningen, omdat voor plaatsingop een gehuurd perceel naar verwachting in beginsel toestemming van deverhuurder vereist zal zijn. Het ontwerpbesluit regelt uitsluitend hetomgevingsrechtelijke kader; privaatrechtelijke verhoudingen, zoals hethuurrecht, blijven onveranderd. Dat betekent dat plaatsing bij eenhuurwoning in beginsel enkel mogelijk is als de verhuurder daarmeeinstemt en dit past binnen de huurovereenkomst. Zie ook de beant-woording van vraag 21.49.Heeft de Minister in beeld welk effect het zou hebben op toeslagen enuitkeringen als een mantelzorger op hetzelfde adres woont als demantelzorgontvanger?Zie het antwoord op vraag 36.50.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke manier degemeente kan controleren dat huisvesting in verband met mantelzorg ofhuisvesting van familieleden is beëindigd.Er geldt geen meld- of informatieplicht bij aanvang of beëindiging bij debouw of ingebruikname van een mantelzorg- of familiewoning, juist omhet vergunningvrije karakter te behouden. Gemeenten kunnen echter inhet kader van regulier toezicht informatie opvragen als er signalen ofgerede twijfel bestaan. Bijvoorbeeld wanneer uit inschrijving in de BRP,klachten of controles blijkt dat mogelijk geen sprake meer is van eenmantelzorg- of eerstegraads familierelatie. Zodra die relatie ontbreekt,eindigt automatisch de vergunningvrije situatie. Indien het gebruik nabeëindiging van de vergunningvrije situatie niet in overeenstemmingwordt gebracht met het omgevingsplan of wordt gelegaliseerd doormiddel van verlening van een omgevingsvergunning, kan handhavendworden opgetreden met het bestaande handhavingsinstrumentarium.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30428 51.Deze leden vragen de Minister nader in te gaan op het expliciet makenvan de woonbehoefte van aandachtsgroepen, als onderdeel van de totalegemeentelijke woonbehoefte in het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma. Aan welke voorwaarden moet dit «expliciet maken» voldoen? Ofzijn gemeenten hierin vrij?Met het expliciet maken van de woonbehoefte van aandachtsgroepenwordt bedoeld dat gemeenten en provincies in hun volkshuisvestingspro-gramma inzicht moeten bieden in de specifieke woonbehoefte die eendeel van deze aandachtsgroepen heeft, zoals tijdelijke arbeidsmigrantendie kortdurend in Nederland verblijven of ouderen die behoefte hebbenaan specifieke woningtypes als geclusterde woonvormen of zorggeschiktewoningen. De gemeentelijke woonbehoefte moet worden bepaald metinbegrip van het aandeel in de woningbouwregio waartoe de gemeentebehoort. Het gaat daarbij niet alleen om het in kaart brengen van deaantallen, maar ook om inzicht in woonwensen en passende wooncon-cepten. Aanvullend daarop wordt van gemeenten gevraagd om demaatregelen in kaart te brengen waarmee zij in deze woonbehoefte gaanvoorzien. Het ontwerpbesluit stelt hier geen nadere eisen aan, maarvereist wel dat gemeenten en provincies de verslagen, waarin het Rijkgegevens verzamelt en die periodiek gepubliceerd worden, alsuitgangspunt te nemen.52.Ten aanzien van artikel 2.30c lid 1 onder o. vragen de leden van deChristenUnie-fractie waarom is gekozen voor een vrijstelling vanarcheologisch vooronderzoek bij een bouwwerk (familie- of mantelzorg-woning) minder dan 50 m2, terwijl gemeenten op basis van het Besluitkwaliteit leefomgeving voor alle bouwwerken van minder dan 100 m2 zijnuitgegaan van een vrijstelling. Waarom vindt de Minister het passend omdit ten aanzien van familie- en mantelzorgwoningen te veranderen?Ik acht het van belang te onderstrepen dat artikel 2.30c, eerste lid, onder j,onder 1°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zoals in te voegenmet het voorgenomen ontwerpbesluit, geen verandering behelst maareen voortzetting is van het oude recht onder de Wet algemene bepalingenomgevingsrecht en de Monumentenwet 1988/Erfgoedwet. De verruimingmet eerstegraads familieleden is nieuw.De plicht tot het doen van archeologisch onderzoek kan, afhankelijk vanwat in het omgevingsplan is bepaald, aan de orde zijn bij bouwactivi-teiten, de sloop van bouwwerken of het uitvoeren van andere werken inde bodem, zoals graafwerkzaamheden. De gemeenteraad kan op grondvan artikel 5.130, derde lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgevingeen passend «vrijstellingsbeleid» voeren door – afhankelijk van deomvang of de diepte van een bodemverstorende ingreep – in hetomgevingsplan te bepalen dat (nader) archeologisch onderzoek of hetopleggen van daartoe strekkende verplichtingen achterwege kan blijven.Dit kan voor bijvoorbeeld zogenoemde «kruimelgevallen» of in gevallenwaarin is vastgesteld dat de bodem al tot een bepaalde diepte is verstoorddoor eerdere grondwerkzaamheden. Dit is een voortzetting van het ouderecht onder de Monumentenwet 1988.De vrijstellingsgrens van 100 m2 waar de leden van de ChristenUnie opwijzen, staat in artikel 5.130, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefom-geving. Daarvan mag de gemeente op grond van het vijfde lid vandatzelfde artikel een afwijkende andere oppervlakte vaststellen. Het vierdeen vijfde lid zijn een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet1988.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30429 Het vaststellen van een andere vrijstellingsoppervlakte gebeurt in depraktijk regelmatig. Welke vrijstellingsoppervlakte (en diepte) verantwoordis, is afhankelijk van de archeologische verwachting ter plaatse. Die kanper locatie verschillen. In historische binnensteden geldt er vanwege eenhoge archeologische verwachting vaak een vrijstellingsoppervlakte van50 m2 of 0 m2.De vrijstellingsgrens van 50 m2 voor de activiteit bouwen is ook overge-nomen uit het oude recht. Deze stond in artikel 5, vierde lid, van Bijlage IIvan het Besluit omgevingsrecht. Als een gemeente op achtererfgebiedeen archeologisch onderzoek verlangt voor bodemverstorende activiteitenmet een oppervlakte kleiner dan 50 m2, zal deze onderzoeksplicht niet aande omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit kunnen zijn verbonden,maar alleen aan de omgevingsvergunning voor eventuele voor hetbouwen vereiste graafwerkzaamheden (ook wel: «het uitvoeren van eenwerk, geen bouwwerk zijnde», of «aanlegwerkzaamheden»). Dit komt totuitdrukking in artikel 2.30, eerste lid, onder j, onder 2°, van het Besluitbouwwerken leefomgeving, zoals in te voegen met het voorgenomenBesluit versterking regie volkshuisvesting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30430
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.