KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – winter 2025 (Kamerstuk 32043-681)

8 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dcca10c00229cfda · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 684 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 8 mei 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over de brief van 30 januari 2025 over devoortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – winter2025 (Kamerstuk 32 043, nr. 681).De vragen en opmerkingen zijn op 19 februari 2025 aan de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 8 mei 2025zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,TielenAdjunct-griffier van de commissie,Meester-Schaap kst-32043-684ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6841 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de voortgangsrap-portage met interesse gelezen. Deze leden hebben enkele vragen.De Minister schrijft dat voor ongeveer 92,5% van de deelnemers in eenpensioenregeling het transitieplan is afgerond. De leden van deGroenLinks-PvdA-fractie vragen hoeveel fondsen nog geen transitieplanhebben ingediend, en waarom niet. Wat zijn de gevolgen van het te laatindienen van het transitieplan?De mijlpalen, zoals vastgelegd in de wet, zijn richtinggevende mijlpalen.De eerste mijlpaal, reeds verstreken op 1 januari 2025, brengt met zichmee dat er uiterlijk op deze datum overeenstemming moet zijn bereiktover de wijziging van de pensioenovereenkomst. De mijlpalen zijn in wet-en regelgeving opgenomen om te borgen dat alle partijen in de transitievoldoende tijd krijgen voor de overige stappen die zij moeten zetten in detransitie. Uit de uitvraag van DNB (Q4–2024) blijkt dat 131 van de 160pensioenfondsen/-kringen verwachten een (principe)besluit te ontvangenvan hun sociale partners/ beroepspensioenvereniging.1 Daarbij dientopgemerkt te worden dat de redenen waarom er nog geen transitieplan isontvangen zeer divers zijn en het aantal pensioenfondsen/-kringen datnog geen transitieplan heeft ontvangen, afnemend is. Zo kan het nietnodig zijn om een transitieplan in te dienen bijvoorbeeld wanneer het eengesloten pensioenfonds/ -kring betreft en/of men voornemens is teliquideren. Het later ontvangen van een transitieplan leidt er toe dat depensioenuitvoerder minder tijd heeft om de volgende stappen te zetten,zoals het opstellen van het implementatieplan en indien van toepassingde invaarmelding bij DNB te doen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast in hoeverre decijfers over de keuze tussen het solidaire en het flexibele contract afwijkenvan wat de regering verwachtte toen de Wet toekomst pensioenen (Wtp)werd ingediend bij de Kamer. Is de Minister het met hen eens dat 64% aande lage kant is als het gaat om het aantal fondsen en kringen dat kiestvoor het solidaire contract? Is bekend waarom in de overige gevallen isgekozen voor het flexibele contract?Als Minister ga ik niet in op de inhoudelijke keuzes die door de socialepartners in de arbeidsvoorwaardelijke fase van de transitie zijn gemaakt.Ik merk op dat dit percentage een weergave is van het aantal pensioen-fondsen dat gekozen heeft voor een solidaire premieregeling. Dit zijnveelal de grote fondsen. De qua omvang gemiddeld kleinere onderne-mingspensioenfondsen, de algemene pensioenfondsen en de beroeps-pensioenfondsen hebben in vergelijking vaker gekozen voor een flexibelepremieregeling. Het daadwerkelijke deelnemersaantal waarvoor gekozenis voor een solidair contract, ligt daarom hoger.Daarnaast maken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich zorgenover de eerbiedigende werking. Zoals deze leden ook tijdens de behan-deling van de Wtp hebben opgemerkt, zorgt de eerbiedigende werkingvoor een potentieel pensioengat bij jongeren die langere tijd met eenprogressieve premie pensioen op blijven bouwen, terwijl de rest van desamenleving over is op de vlakke premie.1Terugkoppeling WTP-vragenlijst Q4-2024 (V6) sector en risicobeeldenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6842 Als zij van baan wisselen lopen zij immers aan tegen het feit dat zij wélmet een lagere premie pensioen hebben opgebouwd terwijl ze jongwaren, maar niet kunnen profiteren van de hogere premie die zij zoudenkrijgen als zij hun hele leven bij dezelfde werkgever (met progressievepremie en eerbiedigende werking) zouden blijven. Is de Minister het metdeze leden eens dat 80% een schrikbarend hoog percentage is als het gaatom het toepassen van de eerbiedigende werking? Om hoeveelwerknemers gaat het hierbij in totaal? Hoelang blijven deze werknemersgemiddeld naar verwachting nog bij hun huidige werkgever werken enwelk potentieel pensioengat bouwen zij daarmee op? Deze leden horengraag of de Minister van plan is dit probleem op te lossen. Zo ja, hoe? Enzo nee, waarom niet?In de arbeidsvoorwaardelijke fase maakt de werkgever of maken desociale partners onder andere een keuze ten aanzien van de wijziging vande pensioenregeling, de overstap naar een leeftijdsonafhankelijkepremieregeling. Aangezien het voor veel werkgevers die de overstap vaneen regeling met een progressieve premie naar een regeling met eenvlakke premie zouden maken niet mogelijk bleek te zijn om tot eenadequate, kostenneutrale compensatie te komen, is het mogelijk gemaaktde bestaande regeling te eerbiedigen (het overgangsrecht). Dit omdatcompensatie uit vermogen bij een verzekerde regeling niet mogelijk is encompensatie uit de premie zeer kostenverhogend is. Door gebruik temaken van dit overgangsrecht vinden ten aanzien van de bestaandedeelnemers geen transitie-effecten plaats. Deelnemers aan een premiere-geling met een progressieve premie bouwen op een andere manierpensioen op dan de deelnemers in een premieregeling met een leeftijdso-nafhankelijke premie. De werkgever kan bestaande werknemers diedeelnemen aan een geëerbiedigde regeling met progressieve premie-staffel (op individuele basis of collectief) ook de keuze bieden om over testappen naar de vlakke premieregeling die voor nieuwe werknemers isafgesloten.Zoals in de memorie van toelichting (MvT) bij de Wet toekomst pensi-oenen (hierna: Wtp) is aangegeven, kan een overstap door eenwerknemer van een werkgever die gebruik maakt van het overgangsrecht,naar een andere werkgever nadelige gevolgen hebben voor het tebereiken pensioen, omdat de deelnemer dan niet meer onder deeerbiedigende werking valt. Grosso modo kan daarbij worden gesteld datdit effect het grootst is voor werknemers die halverwege hun werkzameleven overstappen van een premieregeling met een progressieve premie,naar een premieregeling met een vlakke premie. Zorgvuldige communi-catie zodat deze deelnemers een goed beeld hebben van de gevolgen vanzo’n overstap voor hun pensioen is dan ook van groot belang. Pensioen-uitvoerders zijn daarom verplicht om deelnemers te informeren over detoepassing van een progressieve premie en (kwalitatief) te wijzen op degevolgen van een overstap naar een andere werkgever voor het tebereiken pensioen. Deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijksepensioenoverzicht dat de pensioenuitvoerder aan de deelnemer verstrekt,is voor de deelnemer beschikbaar op de website van de pensioenuit-voerder en wordt toegelicht in de stopbrief. De deelnemer kan dezegevolgen meewegen bij een overstap naar een werkgever met een vlakkepremieregeling. Bij een baanwisseling spelen over het algemeen ookandere arbeidsvoorwaarden dan de pensioenregeling een rol.In de MvT bij de Wtp is opgenomen dat op dat moment 1.385.000deelnemers pensioen opbouwden bij een verzekeraar of premiepensioen-instelling in een regeling met progressieve premie.Tevens is in de MvT de verwachting uitgesproken dat het overgrote deelvan de werkgevers met een verzekerde regeling (naar schatting 85%,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6843 42.500 werkgevers) gebruik zal maken van eerbiedigende werking.Immers, dit vereenvoudigt voor hen de transitie. Uit de voortgangsrap-portage monitoring Wtp blijkt dat circa 80% van de werkgevers met eenleeftijdsafhankelijke premie kiest voor het toepassen van de eerbiedi-gende werking. Dat is in lijn met de verwachting. Zoals in de voortgangs-rapportage monitoring Wtp staat, stellen verzekeraars dat zo’n 39% van detotale portefeuille betreft. PPI’s hebben deze informatie niet verstrekt,maar herkennen dit beeld.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat slechts 77% vande pensioenfondsen verwacht in te varen. Is dit percentage hoger, lager,of gelijk aan wat werd verwacht toen de Wtp werd ingediend? Deze ledenvragen of de Minister het met hen – en met uw voorganger – eens is datinvaren een essentieel deel is van de stelselherziening en dat een dubbeletransitie noodzakelijk is, omdat een enkele transitie voor veel deelnemersnadelig uit kan pakken. Zo ja, ziet hij nog mogelijkheden om hetpercentage fondsen dat gaat invaren te verhogen? Zij vragen ook wat dereden is dat zoveel fondsen niet verwachten in te varen. Gaat het hiervooral om gesloten fondsen? Wat is het «onevenwichtig nadeel» waar deMinister in zijn brief naar refereert en wat is de oorzaak van dat nadeel?Hoe moet compensatie voor het afschaffen van de doorsneepremieplaatsvinden als er niet ingevaren wordt? Gaat de Minister erop toeziendat adequate compensatie alsnog plaatsvindt, ook al wordt er nietingevaren?De Wtp heeft als doel om deelnemers eerder perspectief te bieden op eenkoopkrachtig pensioen, het pensioen persoonlijker en transparanter temaken en beter aan te laten sluiten bij de moderne arbeidsmarkt. Door deafschaffing van de doorsneesystematiek wordt het stelsel transparanter.Het bij elkaar houden van het collectief draagt bij om de doelen van deWtp het snelst te kunnen bereiken, omdat daarmee de voordelen van hetnieuwe pensioenstelsel neerslaan op het gehele pensioenvermogen inplaats van alleen op de nieuwe pensioenopbouw. Daardoor profiteren allegeneraties deelnemers sneller van de voordelen van het nieuwepensioenstelsel.2De verbetering in het verwachte pensioen op de korte en lange termijn isook een van de redenen geweest om in de Wtp een standaard invaarpadop te nemen. Als er niet wordt ingevaren, komt de bestaande pensioen-opbouw apart van de toekomstige opbouw te staan. Bij niet-invarenworden de tot dat moment opgebouwde pensioenaanspraken en -rechtenin een apart financieel geheel gescheiden van de nieuwe opbouw. Hetbetekent een toename van de uitvoeringskosten vanaf het moment van deovergang naar de nieuwe pensioenregeling omdat er twee administratieszullen zijn, met twee sets aan regels en afspraken. Op de reedsopgebouwde pensioenaanspraken en -rechten blijft het ftk vantoepassing. Ook maakt dit de communicatie richting de deelnemersingewikkelder en onoverzichtelijker. Deze situatie van kleinere collectievenen beperktere solidariteitselementen brengt met zich mee dat dehoudbaarheid van de verplichtstelling onder druk kan komen te staan. Deverplichtstelling is een wezenlijk kenmerk van het Nederlandse pensioen-stelsel, waardoor miljoenen werknemers kunnen rekenen op eenadequate financiële oude dag.In het Pensioenakkoord is afgesproken dat de nieuwe opbouw en de reedsopgebouwde pensioenaanspraken en -rechten zoveel mogelijk in éénpensioenregeling bij het pensioenfonds bijeen worden gehouden, door2Zie ook de reeds verleende pensioenverhogingen voor de eerste pensioenfondsen die zijningevaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6844 middel van het standaard invaarpad. De regering is er daarom vanuitgegaan dat het merendeel van de pensioenaanspraken en -rechten wordtingevaren. Uit de DNB-data blijkt dat inderdaad het merendeel, namelijk77% van de pensioenfondsen, verwacht in te varen. Het aantal (gewezen)deelnemers en gepensioneerden dat zal invaren ligt naar verwachtinghoger omdat verwacht wordt dat met name qua omvang kleine (gesloten)pensioenfondsen/-kringen niet zullen invaren. Redenen om geeninvaarverzoek aan de pensioenuitvoerder te doen, zijn bijvoorbeeld datsociale partners van mening zijn dat invaren tot een onevenwichtig nadeelleidt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een onvoorwaardelijketoeslagverlening of de bijstortingsgarantie van de werkgever komt tevervallen wanneer er wordt ingevaren. Als een invaarverzoek in strijd ismet de wettelijke voorschriften, onuitvoerbaar is binnen een beheerste enintegere bedrijfsvoering of sprake is van onevenredig ongunstigeuitkomsten voor (groepen van) deelnemers, kan een pensioenfonds eeninvaarverzoek niet uitvoeren. Ook wanneer het pensioenfondsvoornemens is te liquideren, zal het veelal niet invaren. Uit de cijfers blijktdat de belangrijkste redenen om niet in te varen de overgang naar eenandere kring of liquidatie zijn. 16% van de door DNB bevraagde fondsenverwacht in de komende 5 jaar te stoppen als zelfstandig pensioenfonds.De meeste fondsen die liquideren verwachten dat of in 2025 (31%) of 2027(35%) te doen.Bij de overgang naar het nieuwe stelsel is voorgeschreven dat geenenkele deelnemersgroep onevenredig nadeel ondervindt van hetafschaffen van de doorsneesystematiek. Daarbij is het uitgangspunt datcompensatie plaatsvindt binnen de arbeidsvoorwaarde pensioen, zodatook de compensatie de pensioenbestemming behoudt. Bij het invaren kandaartoe bijvoorbeeld een compensatiedepot worden gevormd. Mochtdaar niet voor worden gekozen of is dat onvoldoende, dan kan compen-satie plaatsvinden door bijvoorbeeld een opslag op de pensioenpremie.Ook kunnen werkgevers en werknemers besluiten om op een anderemanier te compenseren dan binnen de arbeidsvoorwaarde pensioen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen ook op het feit dat in 92%van de gevallen afspraken zijn gemaakt over compensatie binnen depensioenregeling. Hoe vindt compensatie plaats bij de overige 8%? Omhoeveel deelnemers gaat het daarbij?Compensatie vindt in 92% van de gevallen binnen de pensioenregelingplaats. De overige 8% vindt buiten de pensioenregeling plaats, dit kanbijvoorbeeld in de loonsfeer zijn. Het genoemde percentage volgt uit degeanalyseerde transitieplannen uit de transitiemonitor en is niet directherleidbaar tot een concreet aantal deelnemers.Tot slot merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat zijuitkijken naar de komende rapportage over de omvang van de witte vlek.Deze leden vragen de Minister of hij signalen heeft ontvangen over devoortgang op dit dossier en wat zijn plannen zijn om de witte vlek verderte verkleinen.De cijfers over de omvang van het aantal werknemers zonder pensioenworden periodiek door het CBS beschikbaar gesteld om de voortgang vande reductiedoelstelling te monitoren. In de Wtp en het aangescherpteaanvalsplan van de Stichting van de Arbeid is opgenomen dat er eentussenevaluatie plaatsvindt op basis van de cijfers over 2024.In dit aangescherpte aanvalsplan is ook een aantal actiepuntenopgenomen voor SZW. Afgelopen periode heeft een campagne plaatsge-vonden gericht op werkgevers die nog geen pensioenregeling voor hunwerknemers hebben. Via meerdere online platformen werden werkgeversTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6845 doorverwezen naar een webpagina met informatie over het treffen vaneen pensioenregeling voor werknemers. Deze campagne is onderdeel vaneen meerjarig plan en in de komende jaren zal er dus blijvend aandachtworden gevraagd voor werkgevers die nog geen pensioenregelinggetroffen hebben.Ik ben gecommitteerd aan het behalen van de reductiedoelstelling.Vooruitlopend op de afgesproken tussenevaluatie zal ik een extramonitoring aanvragen bij het CBS over de omvang van het aantalwerknemers zonder pensioen in 2023. Deze cijfer kan ik na de zomer metuw Kamer delen. De CBS-cijfers over 2023 bieden mij de mogelijkheid omde eerder genomen maatregelen alvast te evalueren. Zo wordt bijvoor-beeld zichtbaar wat het afschaffen van de wachttijd van uitzendkrachtenvoor toetreding tot een pensioenregeling heeft gedaan voor de reductie-doelstelling. Deze maatregel is geïntroduceerd naar aanleiding van hetamendement Nijboer/Maatoug.3 In de Wtp en het aangescherpteaanvalsplan van de Stichting van de Arbeid is verder vastgelegd datuiterlijk op 1 oktober 2025 wordt gerapporteerd over het aantalwerknemers zonder pensioen in 2024. Uit eerdere ervaringen, is deverwachting dat de cijfers in het voorjaar van 2026 beschikbaar zullen zijn.Het CBS is afhankelijk van de informatieverschaffing van pensioenuit-voerders en die zijn druk met de pensioentransitie. Dit betekent dat detussenevaluatie zoals vastgelegd, enkele maanden later kan plaatsvinden.Aan de hand van de resultaten over de omvang van het aantalwerknemers zonder pensioen zal ik samen met de partners van deStichting van de Arbeid bekijken of het noodzakelijk is om nieuwe acties teformuleren. Ik blijf mij samen met de Stichting van de Arbeid inspannenom een halvering van de groep werknemers zonder pensioen in 2028waar te maken.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie lezen op pagina 3 dat uit de transitiemonitorblijkt dat 46% van de gevraagde pensioenfondsen neutraal is over of deuitvoeringsorganisatie in staat is om de transitie vanuit IT-perspectieftijdig en beheerst te laten verlopen. Deze leden vragen wat de reden isvoor deze groep om neutraal en niet positief of negatief te zijn. Hoe grootis het risico bij deze groep dat de transitie vanuit IT-perspectief tochnegatief uitpakt?Een pensioenbeheersysteem is het geheel van geautomatiseerdesystemen waarmee de nieuwe pensioenregeling wordt uitgevoerd,bestaande uit de rekenkern voor de rechtenadministratie, gerelateerdetoepassingen zoals incasso, excasso, ontsluiting van informatie aandeelnemers en koppelingen met het vermogensbeheer. Een groot deelvan de pensioenfondsen is afhankelijk van de pensioenuitvoeringsorgani-satie en/of de softwareleverancier voor de implementatie van het nieuwepensioenbeheersysteem. Vanwege de complexiteit van IT-processen en deschaarse capaciteit ontstaat er druk op de tijdslijnen om de beoogdebeheerste transitie te waarborgen. Dit kan een belangrijke reden zijnwaarom pensioenfondsen zich neutraal hebben uitgedrukt in het kadervan het IT-perspectief. De uitgezette vragenlijst geeft echter geen inzicht inde achterliggende redenen waarom een bepaald oordeel wordt gegeven.In het implementatieplan van pensioenfondsen wordt ook ingegaan oprisicobeheersmaatregelen die het pensioenfonds neemt tijdens detransitie met betrekking tot de operationele en IT-risico’s waaronder de3Kamerstukken II 2021–2022, 36 067, nr. 167Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6846 continuïteit en betrouwbaarheid van de dienstverlening voor, tijdens enna de transitie. Dit staat expliciet in de wet benoemd. Ook DNB heeft inhet toezicht nadrukkelijk aandacht voor (de beheersing van) financiële enandere risico’s. Met deze waarborgen voel ik voldoende comfort dat detransitie goed gaat verlopen.De leden van de VVD-fractie lezen op pagina 5 dat de sector signalen uitde uitvoeringspraktijk kan delen via Werkenaanonspensioen.nl. Dezeleden vragen hoe het gebruik van deze website wordt ervaren. Vindt desector zijn weg naar de website?De website wordt goed bezocht. De bezoekcijfers van Werkenaanonspen-sioen.nl laten een stabiel beeld zien met in januari 2025 het hoogste aantalbezoekers tot nu toe (zie figuur 1). In die maand waren er ruim 19.600sessies en meer dan 34.000 bekeken pagina’s. In februari waren er zo’n17.300 sessies met ruim 30.900 paginaweergaven. Het percentageterugkerend bezoekers is circa een kwart. Het meest wordt gezocht op deonderwerpen: transitieplan, invaren, eerbiedigende werking, waardeover-dracht en partnerpensioen. Het meest gedownloade document is hetformat transitieplan voor verzekeraars.De leden van de VVD-fractie lezen op pagina 8 dat de koplopersfondsenaangeven dat toekomstige invarende pensioenfondsen het beste eengedetailleerd invaardraaiboek bij kunnen houden. Deze leden vragen inhoeverre samenwerking tussen de verschillende pensioenfondsenplaatsvindt om dergelijke invaardraaiboeken uit te wisselen en op testellen.De Pensioenfederatie heeft desgevraagd aangegeven dat er veeluitwisseling van ervaring plaatsvindt. Dit gebeurt zowel binnen dePensioenfederatie zelf als binnen de kringen waarin pensioenfondsensamenkomen. Hieruit blijkt dat het leerzaam is om geleerde lessen tedelen, maar dat het proces en de inhoud van de invaarmelding ergafhangt van de specifieke eigenschappen van het fonds.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangs-rapportage monitoring Wtp. Deze leden hebben hierover nog een aantalvragen.Figuur 1: Gebruik website Werkenaanonspensioen.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6847 De leden van de NSC-fractie lezen dat de eerste resultaten van dedoelstellingenmonitor begin 2026 zullen verschijnen, waaronder dedoelstelling «eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen». Dezeleden vinden dit rijkelijk laat, de transitieplannen van pensioenfondsenzijn als het goed is al afgerond en daaruit is de doelstelling al temonitoren. Is de Minister bereid dit proces te vervroegen? Immers wil depensioensector de doelstellingen halen dan is het belangrijk hier tijdig opin te zetten voordat het onomkeerbare proces van invaren is ingezet.In de Wtp transitiemonitor (EY, 2025) wordt, op basis van de geanaly-seerde transitieplannen, een overzicht gegeven van de doelstellingen diesociale partners in het transitieplan hebben opgenomen. Op basis vandeze gegevens kunnen echter nog geen conclusies worden getrokken tenaanzien van de vraag in hoeverre de doelstellingen van de Wtp daadwer-kelijk behaald zullen worden. Het antwoord op deze vraag kan pas wordenonderzocht nadat de nieuwe regelingen daadwerkelijk vorm hebbengekregen.Het vervroegen van de doelstellingenmonitor is daarom ook niet zinvol.Wel kan worden gemeld dat de aanbesteding van de doelstellingenmo-nitor gestart is en dat de eerste inzichten eind 2025 worden verwacht.De leden van de NSC-fractie vragen de Minister of hij ook een wettelijkerol in het implementatieproces heeft overwogen voor gepensioneerden-verenigingen. Veel details van de pensioenregeling zijn namelijk nog nietin het transitieplan vastgelegd en komen pas in het implementatieplanaan de orde, maar kunnen wel degelijk materieel effect hebben op deverwachte pensioenen, waardoor gepensioneerdenverenigingen geentotaaloverzicht hebben gehad tijdens het officiële hoorrecht bij hettransitieplan. Daarbij lezen deze leden dat de Minister aangeeft datgepensioneerden aan tafel zitten via verschillende pensioenfondsorganen,maar hoe zit dat met gewezen deelnemers?In een formele, wettelijk vastgelegde rol voor verenigingen van gepensio-neerden in het implementatieproces is nu niet voorzien. Enerzijds geziende bestaande governance, waarbij bijvoorbeeld vertegenwoordigers vangepensioneerden al reeds zitting hebben in het pensioenfondsbestuur enin het verantwoordingsorgaan. Anderzijds omdat er een pakket aancollectieve waarborgen is opgenomen in de Wtp dat aansluit bij ieders rolen verantwoordelijkheid tijdens de transitie. Daarnaast heeft het pensioen-fondsbestuur de taak in het kader van evenwichtige besluitvorming debelangen van álle deelnemers mee te wegen, zo ook die van gewezendeelnemers en gepensioneerden.Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat deze verenigingenbetrokken blijven bij het verdere transitieproces. Een aantal pensioen-fondsen betrekt bijvoorbeeld al verenigingen van gepensioneerden bij debesluitvorming over de transitie, naast de reguliere formele deelnemers-vertegenwoordiging. Het is goed wanneer dit grotere navolging krijgt.Ik wil samen met de sector op korte termijn komen tot een aantal concreteacties waarmee de betrokkenheid van deelnemers bij het pensioenbeleidkan worden vergroot. Het is cruciaal om te luisteren naar de deelnemers,op basis van deze gesprekken kunnen verbeteringen worden ingezet.VoortgangsrapportageDe leden van de NSC-fractie lezen in de voortgangsrapportage dat eind2024 slechts 34% van de pensioenfondsen het transitieplan openbaar hadgemaakt. Klopt het dat alle pensioenfondsen/werkgevers de transitie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6848 plannen beschikbaar moeten stellen aan deelnemers? Hebben depensioenfondsen/werkgevers wel aan die voorwaarden voldaan? Zo ja, opwelke manier?Het is juist dat pensioenfondsen geen wettelijke verplichting hebben omhun transitieplannen openbaar te maken. Wel moeten zij deze transitie-plannen beschikbaar stellen aan hun eigen (gewezen) deelnemers engepensioneerden. Dit kan ook in de besloten digitale omgeving op dewebsite van het pensioenfonds zijn. In aansluiting op het advies van dePensioenfederatie in het «Servicedocument transitiecommunicatie» merkik daarbij op dat het in het kader van transparantie en de monitoringwenselijk is dat pensioenfondsen de transitieplannen van de socialepartners en hun implementatieplannen openbaar maken op hun website.Daarnaast lezen de leden van de NSC-fractie dat uit de geanalyseerdetransitieplannen is gebleken dat in 39 van de 61 transitieplannen (64%) isopgenomen dat verenigingen van pensioengerechtigden, respectievelijkverenigingen van gewezen deelnemers zich hebben gemeld. Uit degeanalyseerde transitieplannen is op te maken dat in 14 van de 39gevallen het hoorrecht heeft geleid tot daadwerkelijke aanpassingen vande door sociale partners gemaakte afspraken. Wat zeggen deze cijfersvolgens de Minister over de werking van het hoorrecht, gelet op het feitdat het hoorrecht zou moeten dienen als een van de adequate vervan-gingen van het individueel bezwaarrecht?De introductie van het hoorrecht over het transitieplan in de arbeidsvoor-waardelijke fase voor verenigingen van gewezen deelnemers en voorverenigingen van gepensioneerden (hierna: verenigingen) vormt één vande zes collectieve waarborgen die zijn opgenomen ten behoeve van hetproces van de pensioentransitie. Deze waarborgen zijn aanvullend op debestaande governance waarbinnen reeds checks and balances zijningebouwd om een evenwichtige belangenafweging te waarborgen. In deverzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2024 (hierna: verzamelbrief)ben ik naar aanleiding van de motie van de leden Joseph (NSC) enVermeer (BBB) uitgebreid ingegaan op de vraag of het hoorrecht in depraktijk voldoet aan de wensen van de deelnemers en of het hoorrechtook juridisch voldoet.4Het hoorrecht betreft een recht met een inspanningsverplichting en geenresultaatverplichting. Met andere woorden, het is aan sociale partners omzich voldoende in te spannen het hoorrecht onder de aandacht te brengenbij gepensioneerden en gewezen deelnemers. Het is vervolgens aan henom tot de oprichting van een vereniging te komen en zich als hoorrecht-vereniging te melden. Het feit dat er geen overgrote meerderheid isgeweest waar één of beide verenigingen zich hebben gemeld, zegtdaarmee allereerst niets over de werking van het hoorrecht. Het is immerseen besluit van de gewezen deelnemers en/of van de gepensioneerdenom zich te verenigen en zich vervolgens als vereniging te melden. Het feitdat in 36% van de gevallen hiervan dus geen sprake is geweest, kandaarom ook gelegen liggen in andere omstandigheden. Tevens hoeftuitoefening van het hoorrecht niet per definitie te leiden tot eenaanpassing van het transitieplan. Vanuit een positieve gedachte isnamelijk eveneens te veronderstellen dat een evenwichtige belangenaf-weging ten aanzien van deze groepen deelnemers door de socialepartners voldoende heeft plaatsgevonden waaraan het hoorrecht geenextra toevoeging heeft kunnen geven. De wet vraagt immers om eenevenwichtige belangenafweging voor alle groepen deelnemers. Samen-4Kamerstukken II 2023–2024, 32 043, nr. 639.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6849 vattend is een oordeel over de werking van het hoorrecht niet te baserenop deze cijfers.De leden van de NSC-fractie lezen dat financieel adviseurs vaak ook actiefzijn bij ongebonden werkgevers (werkgevers die niet onder een verplicht-stelling vallen), waarbij het merendeel (67%) kiest voor een flexibelepremieregeling. Deze leden vragen de Minister dit verschil in contract-keuze ten opzichte van de vakbonden en werkgevers nader te verklaren.Sociale partners dan wel de werkgever en werknemers gaan over deinhoud van de pensioenregeling, en besluiten daarmee over het typecontact dat aansluit bij de kenmerken van de (gewezen) deelnemers engepensioneerden. De transitiemonitor biedt geen inzicht in de redenenwaarom partijen voor een bepaald contract hebben gekozen. In algemenezin kiezen partijen die voorheen een uitkeringsovereenkomst haddenvaker voor de solidaire premieregeling en indien er onder het oude stelselsprake was van een premieregeling wordt vaker voor de flexibelepremieregeling gekozen.De leden van de NSC-fractie maken uit de voortgangsrapportage op dat62 pensioenfondsen/-kringen vanaf 1 januari 2027 beogen om in te varennaar de Wtp. Dit hoewel er nog geen wetsvoorstel is aangenomen om detransitiedatum te verlengen naar 1 januari 2028. Kan de Minister ingaanop de juridische gevolgen voor deze pensioenfondsen/-kringen indien hetwetsvoorstel met de verlenging van de transitieperiode niet wordtaangenomen door zowel de Tweede als de Eerste Kamer? Verwacht deMinister daarnaast gelet op de eerdere verschuivingen in invaardata datde einddatum van de transitie mogelijk nog verder wordt uitgesteld dan1 januari 2028?Het wetsvoorstel dat ziet op de verlenging van de pensioentransitie is op20 juni 2024 bij de Tweede Kamer aangeboden. Dit wetsvoorstel isvoortgekomen uit de Wtp-behandeling in de Eerste Kamer, en is eentoezegging geweest om meer ruimte te geven aan de uitvoering. Zo langhet wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, zal de einddatumformeel ongewijzigd blijven. Dat betekent dat fondsen uiterlijk op 1 januari2027 kunnen invaren. Gegeven de politieke toezegging en de voordelenvoor de uitvoering van de pensioentransitie zal ik mij inzetten om dezedatum op te schuiven naar 1 januari 2028. Ik hoop dat de Staten-Generaalook tijdig duidelijkheid zal bieden over de verlenging van de pensioen-transitie en deze ruimte ook zal bieden. Mocht de Tweede of de EersteKamer het voorliggende wetsvoorstel om andere redenen dan deverlenging van de pensioentransitie verwerpen, dan zal ik mij ervoorinspannen om dat met een nieuw wetsvoorstel alsnog tijdig te regelen. Degevolgen van het niet tijdig afronden van de transitie zijn beschreven inde MvT van de Wtp. Ik heb tot nu toe geen signalen uit de sector dat deuiterste transitiedatum verder verschoven dient te worden dan 1 januari2028. Ook de regeringscommissaris transitie pensioenen heeft aange-geven dat voor een verdere verschuiving dan al reeds voorzien, nu geenaanleiding is.De leden van de NSC-fractie lezen dat een verlaging van de opgebouwdeaanspraken tijdens de transitie, solidariteit en het voorkomen vanfluctuaties van pensioen de top 3 meest voorkomende doelstellingen in degeanalyseerde transitieplannen zijn. Hoe staat dit in verhouding tot deverschillende doelen van de wet, zoals een koopkrachtiger, persoonlijkeren transparanter pensioen?De drieledige doelstelling van de Wtp is eerder perspectief op eenkoopkrachtig pensioen, een transparanter en meer persoonlijk pensioen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68410 stelsel, en een pensioenstelsel dat beter aansluit op ontwikkelingen in desamenleving en op de arbeidsmarkt. In het transitieplan leggen socialepartners de afspraken vast die zij maken in de arbeidsvoorwaardelijke fasevan de transitie. De top 3 doelstellingen, geen verlaging van deopgebouwde aanspraken, solidariteit, en voorkomen van fluctuaties vanpensioen zijn doelen die bijdragen aan de algemene doelstellingen van deWtp. Mijn rol in de transitie is om de wettelijke kaders te bewaken. Het isniet aan mij om in te gaan op individuele keuzes of casuïstiek uit detransitieplannen.De leden van de NSC-fractie lezen dat financieel adviseurs aangeven datin de nieuwe situatie slechts voor 67% van de gevallen afspraken zijngemaakt over nabestaandenpensioen. Kan de Minister hierop reflecteren?Wat vindt hij van dit percentage?In de Wtp transitiemonitor, winterrapportage 2024, van EY gevenwerkgevers en vakbonden in de uitvraag aan dat in bijna alle gevallen hetnabestaandenpensioen zowel in de oude als in de nieuwe situatieonderdeel is van de pensioenregeling voor en na de pensioendatum. Vande ondervraagde financieel adviseurs geeft 67% aan dat in de nieuwesituatie het nabestaandenpensioen bij overlijden voor en na pensioen-datum is geregeld. De overige 33% van de ondervraagde financieeladviseurs geeft aan dat in de nieuwe regeling het nabestaandenpensioenenkel is geregeld bij overlijden vóór pensioendatum. Er is in de uitvraaggeen rekening gehouden met het aantal en soort regelingen waarvoor ditgeldt.Indien de pensioenregeling in de opbouwfase alleen voorziet in eenouderdomspensioen en geen partnerpensioen vanaf pensioendatum, danheeft de (gewezen) deelnemer op pensioendatum het recht om een deelvan het ouderdomspensioen uit te ruilen voor een partnerpension vanafpensioendatum. Dit volgt uit artikel 61 van de Pensioenwet en artikel 73Wet verplichte beroepspensioenregeling.Sociale partners of de werkgever en werknemers gaan over de invullingvan de pensioenregeling en besluiten of nabestaandenpensioen bijoverlijden vóór de pensioendatum en/of nabestaandenpensioen bijoverlijden op of na de pensioendatum onderdeel uitmaakt van depensioenregeling. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te vormen.Wel zal ik dit gedurende de transitieperiode monitoren.De leden van de NSC-fractie lezen dat voor wat betreft de hoogte van hetpartnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum uit de geanalyseerdetransitieplannen blijkt dat 56% van de gevallen een overlijdensdekking vanminder dan 35% voorzien. Wat vindt de Minister van dit niveau?Denkt de Minister dat dit toereikend is voor de bestaanszekerheid vannabestaanden en kan hij dit toelichten met enkele rekenvoorbeelden vanmaatmensen?Het nabestaandenpensioen ter dekking van het risico op overlijden vóórpensioendatum is gekoppeld aan het pensioengevend salaris en isdiensttijdonafhankelijk. Het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioen-datum mag fiscaal maximaal 50% van het pensioengevend salaris zijn.Het is aan de sociale partners om de hoogte van het percentage tebepalen. Dit diensttijdonafhankelijke partnerpensioen is gunstig voordeelnemers die nog niet zolang deelnemen aan een pensioenregeling envooral voor lagere inkomens is dit een verbetering, omdat er geenrekening gehouden wordt met de franchise. Met name deze groepen zijnkwetsbaar voor nabestaandenrisico’s. In tabel 1 is voor drie maatmensenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68411 een overzicht gegeven van de maximale dekking bij een partnerpensioenvan 35%.Daarnaast blijkt uit de geanalyseerde transitieplannen dat naast desalarisafhankelijke uniforme dekking voor het nabestaandenpensioen, ookveelvuldig is gekozen voor een tijdelijk nabestaandenpensioen. 50% vande geanalyseerde plannen voorziet in een dergelijke uitkering van eenvast bedrag per jaar.Tabel 1: Maximale dekking partnerpensioen (nieuw) 35%, deelnemer A, B en CDeelnemerPensioengevend loonPartnerpensioenuitkeringDeelnemer A63.354 euro (1,5 keer modaal)22.173,90 euro (35% van € 63.354).Deelnemer B46.500 euro (1 keer modaal)16.275 euro (35% van € 46.500).Deelnemer C23.250 euro (0,5 keer modaal)8.137,50 euro (35% van € 23.250). De leden van de NSC-fractie lezen dat sociale partners en financieeladviseurs aangeven dat vrijwillige voortzetting van de risicodekking voornabestaandenpensioen door middel van uitruil in de meeste gevallenmogelijk is. Waarom is het in sommige gevallen niet mogelijk? Aanhoeveel gevallen en deelnemersaantallen moeten deze leden denken?Op grond van de Wtp is het partner- en wezenpensioen ter dekking vanhet overlijden vóór pensioendatum enkel nog op risicobasis verzekerd.Kenmerkend aan een partner- en wezenpensioen op risicobasis is dat derisicodekking vervalt op het moment dat er niet langer sprake is vandeelnemerschap in de pensioenregeling. Om het risico te verkleinen datiemand die tussen twee dienstverbanden in zit of iemand die werkloos ofzelfstandige wordt, tijdelijk geen of een lagere dekking voor partnerpen-sioen heeft, is een aantal wettelijke waarborgen opgenomen.Na einde deelname wordt het nabestaandenpensioen voortgezetgedurende de afgesproken uitloopperiode (3 of 6 maanden), dan wel naafloop van de voortzetting van de risicodekking gedurende de Ziektewet-of Werkloosheidswet-periode of de combinatie daarvan. Tot slot krijgt de(gewezen) deelnemer bij het einde van de uitloopperiode dan wel naafloop van de WW/ZW-periode een keuze om de risicodekking van hetnabestaandenpensioen vrijwillig voort te zetten door middel van eenuitruil van het opgebouwde pensioenvermogen.In een aantal gevallen is het niet mogelijk om de risicodekking voor hetnabestaandenpensioen vrijwillig voort te zetten door middel van uitruil.Namelijk wanneer:–De uitruil ertoe zou leiden dat op basis van de opgebouwde aanspraakop ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen opjaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zou bedragen dan dewettelijke afkoopgrens voor een klein pensioen (zijnde maximaal€ 613,52 bruto per jaar).–De pensioenregeling voorziet in een maximale duur voor de vrijwilligevoortzetting die langer of gelijk is aan vijftien jaar, bij het bereiken vande maximale duur; of–De pensioenregeling voorziet in een maximum voor de omvang van deuitruil bij het bereiken van dat maximum.Op dit moment is het ook niet mogelijk om de risicodekking voor hetwezenpensioen vrijwillig voort te zetten. Zoals eerder aan uw Kamergemeld, wordt dit in een eerstvolgend passend wetsvoorstel geregeld.Over het aantal gevallen en deelnemersaantallen zijn geen cijfers bekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68412 De leden van de NSC-fractie lezen dat in 10% van de gevallen alleengecompenseerd wordt voor afschaffing doorsneesystematiek bij eenminimaal gedefinieerde dekkingsgraad. Wat gebeurt er als de dekkings-graad niet voldoende is? Worden mensen dan wel gecompenseerd voorde afschaffing van de doorsneesystematiek? Zo ja, hoe?In het Pensioenakkoord is afgesproken dat een evenwichtige overstapvergt dat het nadeel voor de betreffende groepen deelnemers adequaaten kostenneutraal wordt gecompenseerd. Partijen kunnen besluiten dataanvullende compensatie niet nodig is om tot een evenwichtige overgangte komen. Er zijn, zo blijkt uit de geanalyseerde transitieplannen, eenaantal mogelijke situaties hoe de compensatie kan plaatsvinden. In veelgevallen gaat de voorkeur uit naar compensatie uit vermogen (via dedekkingsgraad), maar dit kan ook via de premie plaatsvinden. Tot slot ishet ook mogelijk om de compensatie buiten de pensioenregeling te latenplaatsvinden. In het transitieplan wordt inzichtelijk gemaakt hoe definanciering van de compensatie eruit gaat zien. Daarbij geven socialepartners in het transitieplan en vervolgens het betrokken pensioenfonds inhet implementatieplan verder invulling aan complete besluitvorming. Zoworden bij de verschillende dekkingsgraden evenwichtige afsprakengemaakt. Tevens wordt het niveau van de dekkingsgraad vastgesteldvanaf wanneer de financiële positie van een pensioenfonds dusdanig isdat de gemaakte afspraken uit het transitieplan niet meer toereikend zijnen wordt afgesproken welke procedure er in deze situatie gevolgd zalworden.De leden van de NSC-fractie lezen dat in 7 gevallen (11%) op grond vanhet transitieplan niet duidelijk is hoe de financiering van de compensatie-regeling zal plaatsvinden. Deze leden vragen de Minister hoe dit in 11%van de transitieplannen niet duidelijk kan zijn, en of dit nader verklaard ofuitgevraagd kan worden.Als Minister geef ik u een beeld van de feitelijke situatie, het is aan detoezichthouder om de invaarmeldingen en implementatieplannen, waarde financiering van de compensatie onderdeel van uitmaakt, te beoor-delen. In algemene zin kan opgemerkt worden dat in de meeste gevallencompensatie noodzakelijk is om tot een evenwichtige transitie te komen.Echter er zijn ook situaties voorstelbaar waarbij aanvullende compensatieniet nodig is, bijvoorbeeld omdat de voordelen van de nieuwe regeling alvoldoende voorzien in een beter pensioenperspectief en daarmee denadelen van de afschaffing van de doorsneesystematiek opheffen (dezogenoemde dubbele transitie). Compensatie is dus niet verplicht, maarde transitie als geheel dient evenwichtig te zijn. Van de zeven gevallenhebben er vier aangegeven dat er geen compensatieregeling zal wordengetroffen. In één van de andere gevallen wordt vermeld dat de compen-satie via het salaris zal worden verstrekt. Voor de overige twee gevallen iser, in het transitieplan, geen specifieke informatie beschikbaar over definanciering van de compensatieregeling. Tot slot, kan het ook nog zo zijndat er wel compensatie-afspraken zijn gemaakt, maar deze (per abuis) nietin het transitieplan zijn vastgelegd. Op grond van de beschikbareinformatie is dat niet te zeggen. Ook wanneer er geen expliciete afsprakenzijn vastgelegd over (financiering van de) compensatie heeft vervolgenshet pensioenfonds een eigenstandige verantwoordelijkheid om eenevenwichtige transitie te waarborgen en daarbij de (financiering van de)compensatie expliciet bij in ogenschouw te nemen.De leden van de NSC-fractie zien bevestigd in de voortgangsrapportagedat belangrijke belanghebbenden herhaaldelijk communiceren alsof1 januari 2028 de einddatum van de transitie is, terwijl het wetsvoorstelwat ziet op wijziging van de wettelijke termijnen niet is aangenomen. KanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68413 de Minister aangeven hoe deze verwarring is ontstaan en hoe hier in hetvervolg feitelijk juist over gecommuniceerd gaat worden?Het wetsvoorstel dat ziet op de verlenging van de pensioentransitie is op20 juni 2024 bij de Tweede Kamer aangeboden. Dit wetsvoorstel isvoortgekomen uit de Wtp-behandeling in de Eerste Kamer, en is eentoezegging geweest om meer ruimte te geven aan de uitvoering. Dit iseen breed gedragen toezegging in de Eerste Kamer. Bovendien zijn erinhoudelijk geen redenen om de einddatum op 1 januari 2027 te laten. Ikvind het om die reden gerechtvaardigd om uit te gaan van een uiterstetransitiedatum op 1 januari 2028, zolang daarbij wordt vermeld dat datnog parlementaire goedkeuring nodig heeft. Dit voorbehoud is bijvoor-beeld ook zo opgenomen op de site werkenaanonspensioen.nl.Daarnaast lezen de leden van de NSC-fractie dat nieuwe verwarring isontstaan door de brief van de Staatssecretaris van Financiën over defiscale knelpunten met betrekking tot de Wtp, vooral omdat deze tweeweken voor het invaren van de eerste drie fondsen aan de Tweede Kamerwerd gezonden. Ondanks het feit dat de uiting volgens sommigebelanghebbenden als verduidelijking wordt gezien, ontstaat de verwarringmet name door het moment waarop de aanwezigheid van fiscaleknelpunten zijn geconstateerd. Deze leden vragen de Minister om tereflecteren op de timing van de verzending van de brief over de fiscaleknelpunten met betrekking tot de Wtp.De eerste signalen van mogelijke knelpunten met betrekking tot hettijdelijk overbruggingspensioen en prepensioen zijn richting de zomer van2024 ontvangen. Deze knelpunten zagen erop dat de fiscale wetgevingnog niet volledig in lijn was gebracht met de inhoudelijke keuzes diegemaakt zijn bij de behandeling van de Wtp. Vervolgens is directgehandeld door op ambtelijk niveau in gesprek te gaan met de Pensioen-federatie, Belastingdienst en het Ministerie van Financiën. Door dezegesprekken is helderheid verkregen over de knelpunten en is ervervolgens afstemming geweest over een mogelijke oplossing. In deKamerbrief van 12 november 2024 heb ik aangegeven dat er naar eenoplossing gezocht werd voor het overbruggings- en prepensioenvraagstuk.5 Kort na deze Kamerbrief werden fiscale knelpunten metbetrekking tot wezenpensioen vastgesteld. De Staatssecretaris vanFinanciën heeft vervolgens op 18 december 2024 een Kamerbriefverzonden, waarin is aangegeven hoe de fiscale knelpunten wordenopgelost.6 De aanpassing van de fiscale wetgeving brengt dus de fiscalewet- en regelgeving in lijn met de keuzes gemaakt bij de behandeling vande Wtp. Deze betreffende brief, die met mij is afgestemd, verschaftduidelijkheid voor de sector en over het proces.Daarnaast houd ik mijn oren en ogen open voor signalen uit de sector.Vaak worden knelpunten tijdig gesignaleerd. In uitzonderlijke gevallenblijkt echter dat knelpunten in een later stadium naar voren komen, zoalsbij de genoemde fiscale knelpunten aan de orde was. Ongeacht hetmoment dat knelpunten worden gesignaleerd, is er behoefte aanduidelijkheid en een oplossing. Ik ben van mening dat de sector metbetrekking tot de genoemde fiscale knelpunten voldoende duidelijkheidheeft over de oplossing en het proces daarnaartoe.De leden van de NSC-fractie lezen dat voor de financiële risico’s uit deDNB Sectorbeelden blijkt dat opnieuw een groot deel van depensioenfondsen/-kringen overweegt om tijdelijk af te wijken van het5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 668.6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 067, nr. 200.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68414 strategisch beleggingsbeleid om de dekkingsgraad te beschermen en zode kans op een plotselinge daling van de dekkingsgraad te beperken. Dezeleden zijn benieuwd naar de invloed van dit strategisch beleggingsbeleidop jonge deelnemers en op de mogelijke indexatie van pensioenen, envragen de Minister of hier duidelijkheid over gegeven kan worden.Pensioenfondsen hebben wettelijk de mogelijkheid om voor invarentijdelijk af te wijken van de vastgestelde risicohouding en het daaruitvoortvloeiende strategische beleggingsbeleid. Pensioenfondsen krijgen inde transitieperiode tot het moment van invaren meer ruimte om hetbeleggingsbeleid aan te passen. Het is reeds mogelijk het beleggings-beleid aan te passen in de zin dat minder risicovol belegd kan worden. Bijhet uitvoeren van het beleggingsbeleid zorgt het pensioenfonds voor eenbeheerste en integere bedrijfsvoering (art. 143 Pw) en dient het pensioen-fonds steeds oog te hebben voor de belangen van de aanspraak- enpensioengerechtigden (voor alle leeftijdsgroepen in het pensioenfonds)(artikelen 135, eerste lid en 105, tweede lid Pw) en haar eigen doelstel-lingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding (art. 102aPw). Elk pensioenfondsbestuur maakt hierbij zijn eigen afwegingen enbeslissingen om tot een evenwichtige uitkomst te komen voor het gehelepensioenfonds.De leden van de NSC-fractie hebben gelezen7 dat een van de koplopers-pensioenfondsen vlak voor invaren nog aanvullende vragen van DNBheeft gekregen over de bandbreedtes bij het invaren, ofwel de grenzenwaar zaken als rente, aandelenkoersen, dekkingsgraad et cetera binnenmoeten blijven, om toch evenwichtig in te kunnen varen. Waar ging diediscussie over bandbreedtes precies over? Zijn de bandbreedtes in deweken voor het invaren nog aangepast? En zo ja, hoe zijn deelnemershierover geïnformeerd en in hoeverre beschermen de vooraf afgesprokenbandbreedtes deelnemers indien de bandbreedtes op het laatste momentnog aangepast kunnen worden? En zo niet, hoe kan het dat die discussieover bandbreedtes met DNB zo laat nog plaatsvond, immers diebandbreedtes stonden toch al lang vast en daarover had DNB dan toch alveel eerder aan de bel kunnen trekken? Vindt u dit getuigen van eenzorgvuldig en beheerst proces?Het is niet aan mij om in te gaan op individuele casuïstiek. Ik heb dieinformatie ook niet tot mijn beschikking. Het toezicht dat DNB uitoefent inindividuele gevallen valt onder de toezicht vertrouwelijkheid.Hoe in het proces van de transitie wordt omgegaan met bandbreedtes inde fase na het invaarbesluit wordt weergegeven in het stappenplan datDNB recent heeft gepubliceerd als good practice.8De leden van de NSC-fractie zijn daarnaast benieuwd hoeveel kosten dekoplopers voor de transitie hebben gemaakt tot nu toe en of zij nog eenprognose hebben van de nog te maken kosten in euro’s en per deelnemer.En hoe deze kosten zijn uitgesplitst naar adviseurs, IT en mogelijk anderekosten.Met de invoering van de Wtp is een stijging van de kosten in verband metde transitie voorzien en deze is onderbouwd in de MvT van hetwetsvoorstel van de Wtp. Momenteel valt de stijging van de totaleuitvoeringskosten nog ruim binnen de bandbreedtes zoals gesteld in deMvT. Voor de gemaakte kosten wordt een overstap naar een ander en7Pensioen Pro, 9 januari 2025, «PWRI: «Discussie met DNB over bandbreedtes wasingewikkeld»», https://pensioenpro.nl/pwri-discussie-over-bandbreedtes-was-ingewikkeld/.8Good practice: stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie door pensioenfondsen diebeogen in te varen | De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68415 toekomstbestendig pensioenstel gerealiseerd. Zoals in de transitiemonitorstaat, is het niet altijd makkelijk een onderscheid te maken tussen kostendie gerelateerd zijn aan de transitie in het kader van de Wtp en kostenvoor vernieuwing en onderhoud aan de uitvoering die er ook zonder detransitie waren geweest. In de praktijk zie ik dat de transitie ook wordtaangegrepen om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Zo grijpenpensioenuitvoerders de transitie bijvoorbeeld aan om de administratiesys-temen te vernieuwen of de datakwaliteit te verbeteren. Deze (incidentele)kosten worden nu gemaakt in samenhang met de transitie, maar warenook zonder transitie een keer gekomen. In dat kader kan er dus ook geenuitsplitsing of prognose gegeven worden van de nog te maken kosten.De leden van de NSC-fractie lezen dat DNB opmerkt dat er mogelijk eenpiekbelasting is waar capaciteitsproblemen kunnen ontstaan bij pensioen-uitvoeringsorganisaties (PUO’s), adviseurs, actuarissen, accountants,IT-auditors, juristen of bij DNB en/of Autoriteit Financiële Markten (AFM).Het is van belang dat fondsen/kringen hier vroegtijdig op anticiperen.Deze leden vragen de Minister welke mogelijkheden hij ziet om vanuit zijnrol bij te dragen aan het spreiden van de piekbelasting.Om het risico op een piekbelasting te mitigeren, volg ik het tussentijdseadvies van de regeringscommissaris transitie pensioenen op om detussenliggende mijlpaal voor de indiening van het implementatieplan tedynamiseren. Het dynamiseren zorgt ervoor dat het tijdsbestek tussen hetindienmoment van het implementatieplan en het daadwerkelijkeinvaarmoment dichter bij elkaar komen te liggen. Hierdoor is de kans opveranderingen in de financiële situatie van een pensioenfonds in detussentijd kleiner. Daarnaast biedt het dynamiseren gelegenheid voor desector om meer van elkaar te leren. Door het dynamiseren wordt hetmogelijk voor pensioenfondsen om tot 12 maanden voor het daadwerke-lijke invaarmoment hun implementatieplan in te kunnen dienen. De AMvBwaarmee dit wordt geregeld ligt op dit moment ter advisering bij de Raadvan State. Beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 juli 2025. Pensioen-fondsen nemen zelf ook stappen om risico’s te beheersen, dit isopgenomen in het transitieplan. Het risico op het uitlopen op de planningvalt hier ook onder.De leden van de NSC-fractie lezen dat uit gesprekken met PUO’s in hetkader van de IT-transformatie die voor de Wtp-transitie nodig is, door allePUO’s (met uitzondering van één partij) en IT-providers werd aangegevendat het uitvoeren van een FTK-administratie naast de nieuweWtp-administratie vanuit een IT-perspectief niet als uitdaging wordtgezien. Dat wordt immers tijdens de transitieperiode ook gedaan en is inhet verleden ook al gedaan. Zij stelden dat als een groot deel van depensioenfondsen besluit niet in te varen, dit niet tot grote problemen zalleiden vanuit een IT-perspectief. Veel IT-leveranciers hebben ook een«legacy-DB»-module beschikbaar, waarmee de opgebouwde rechten dienog onder FTK vallen kunnen worden afgehandeld. Deze leden vragen deMinister om voorts te bevestigen dat twee of meerdere pensioen-regelingen naast elkaar uitvoeren vanuit IT-perspectief in de praktijk weldegelijk mogelijk is.Zoals mijn ambtsvoorganger ook tijdens de behandeling van de Wtpmeermaals heeft aangeven, is het in de praktijk technisch mogelijk dat eenpensioenfonds twee of meerdere pensioenregelingen uitvoert. Het is danook aan het pensioenfonds om te bepalen of het uitvoeren van tweesystemen naast elkaar een uitvoerbare situatie is en dus of het eenopdracht daartoe van sociale partners aanvaardt. Dat het technischmogelijk is, neemt niet weg dat er ook evidente nadelen zijn verbondenaan het uitvoeren van twee of meerdere regelingen. Daarbij valt onder teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68416 denken aan de gevolgen voor de communicatie richting de deelnemer, detoenemende kosten, het uitvoeren van twee regelingen die elk onder eenander toezichtsregime vallen en het doorsnijden van de collectiviteit ensolidariteit tussen de verschillende pensioenregelingen.De leden van de NSC-fractie lezen daarnaast dat 77% van de pensioen-fondsen verwacht in te varen. Kan de Minister bevestigen dat er dus ookpensioenfondsen zullen zijn die niet invaren en dus de administratie vande bestaande rechten in stand moeten houden en dat er dus PUO’s zullenblijven die uitkeringen onder het huidige FTK blijven administreren?Er zullen pensioenfondsen zijn die niet invaren, de wet voorziet ook indeze situatie. Dat is bijvoorbeeld wanneer een invaarverzoek in strijd ismet de wettelijke voorschriften, onuitvoerbaar is binnen een beheerste enintegere bedrijfsvoering of sprake is van een onevenredig ongunstigeuitkomsten voor groepen van deelnemers. In dat geval zullen er PUO’s zijndie de uitkeringen onder het FTK blijven administreren. Tot slot dientopgemerkt te worden dat er onder de 23% niet invarende pensioen-fondsen ook fondsen zitten die voornemens zijn te liquideren en hunpensioenen overdragen naar een andere uitvoerder.De leden van de NSC-fractie lezen uit het onderzoek van EY dat desector-brede conclusie is dat het leiderschap de neiging heeft om –gegeven de druk – zich sterk te laten leiden door de waan van de dag,waardoor andere belangrijke topics soms niet de ruimte krijgen die ookvan belang zijn (zoals implementatie van goede keuzebegeleiding, inzichtkrijgen in hoogte van kosten ten opzichte van de markt, et cetera). Ditkomt volgens het onderzoek – deels – doordat alle capaciteit wordtweggetrokken door de transitie. Dit baart deze leden zorgen, en zij vragende Minister hoe hij vanuit zijn rol de sector stimuleert om ook verder tekijken dan de waan van de dag.De sector is gebaat bij zekerheid in de transitie. De sector moet de ruimtekrijgen om deze grote stelseltransitie zorgvuldig uit te voeren. De sectorgeeft aan dat het aankondigen van grote koerswijzigingen in de wet- enregelgeving leidt tot onzekerheid, zoals ook genoemd in deEY-transitiemonitor.De regeringscommissaris geeft in haar recente rapportage aan dat rust enduidelijkheid over de wet- en regelgeving randvoorwaardelijk is voor hetbenodigde tempo in de transitie.9 Alle beschikbare capaciteit is namelijknodig om de transitie binnen het huidige wettelijke kader op tijd terealiseren. Ik zet mij in om te zorgen dat pensioenuitvoerders op dit puntzo goed mogelijk weten waar zij aan toe zijn, zodat zij kunnen doorgaanmet de transitie die de wet van ze vraagt. Een voorbeeld hiervan is deaangekondigde AMvB waarin het dynamiseren van de inleverdatum vanhet implementatieplan wordt geregeld. Dit geeft bestuurders de ruimteom verder te kijken dan de waan van de dag en de belangrijke onder-werpen zoals keuzebegeleiding goed vorm te geven en uit te voeren.Brief van de Pensioenfederatie over Ervaringen koplopers pensioentran-sitieDe leden van de NSC-fractie lezen in de bijlage geschreven door dePensioenfederatie dat aangepaste guidance consequenties had voor detransitieplannen en koplopers een deel van het werk opnieuw moestendoen. In hoeverre zijn ook de slapers- en gepensioneerdenverenigingenbetrokken bij de aanpassingen aan de transitieplannen?9Regeringscommissaris transitie pensioenen, Tweede rapportage, d.d. 14-1-2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68417 Desgevraagd geeft de Pensioenfederatie aan dat de decentrale partnersvolgens de pensioenfondsen de hoor echtverenigingen hebben betrokken.De leden van de NSC-fractie lezen hierin ook dat er technische beper-kingen waren aan de kant van DNB die voor extra doorlooptijd zorgden.Wat voor technische beperkingen waren dit precies? En zijn die inmiddelsverholpen?Het betrof de beperking dat er maar een beperkt aantal documenten konworden geüpload in het portaal waar de implementatieplannen ingediendkunnen worden. Nadat dit was doorgegeven aan DNB, is dit vrijwel directverholpen. Volgens de Pensioenfederatie zijn er geen andere technischebeperkingen geweest.De leden van de NSC-fractie lezen dat het «zonneklaar» is dat als er straksmeer fondsen tegelijk overgaan, de capaciteit aan de kant van de fondsenen DNB niet toereikend is om de processen in dezelfde intensiteit op tijdtot een goed einde te brengen. Deze leden willen er daarbij op wijzen dater nu slechts drie fondsen zijn ingevaren en er in 2026 67 fondsen willeninvaren. Hoe denkt de Minister dat dit praktisch mogelijk is, zelfs als deintensiteit voor deze fondsen door een soepeler proces afneemt, lijkt ditimmers toch een enorme opgave? Hoe realistisch acht de Minister het dater in 2026 voldoende capaciteit is voor het invaren van al deze fondsen?Zoals ik in mijn Kamerbrief van afgelopen januari schreef, waren de driepensioenfondsen die op 1 januari 2025 zijn ingevaren aan het pionieren.10Zowel DNB als de pensioenfondsen hebben aangegeven dat uitdagingenaan de oppervlakte zijn gekomen, die vooraf niet volledig te voorspellenwaren. Dat is inherent aan een stelselwijziging van deze omvang, envraagt om nauw contact tussen de sector en de toezichthouders. In datkader wil ik het belang om lessen te trekken uit deze eerste ervaringen endeze te verspreiden binnen de sector herhalen.In 2024 zijn in het nieuwe kostenkader (2025–2028) voor DNB-afsprakengemaakt zodat DNB gedurende de stelseltransitie de toezicht capaciteitkan uitbreiden om te borgen dat er voldoende capaciteit beschikbaar isvoor de transitie.DNB heeft hiermee extra werknemers vrijgemaakt en opgeleid om tehelpen bij het beoordelen. Daarnaast biedt DNB de mogelijkheid ompartiële beoordelingen in te dienen, en zo vooruit te werken (hiervan werdvolgens DNB al 63 keer gebruik gemaakt). DNB heeft daarbij aangegevennaar aanleiding van de eerste ervaringen een aantal stappen te hebbengezet om het beoordelingsproces soepeler te laten verlopen, zoals hetvroegtijdig aangegeven van aspecten die pensioenfondsen ook ná invarenkunnen adresseren.Gegeven voorgaande zie ik geen aanleiding tot zorgen over een ontoerei-kende capaciteit voor het invaren van fondsen. Ik heb er vertrouwen in datpensioenuitvoerders, pensioenuitvoeringsorganisaties (PUO’s) enpensioenadviseurs voldoende capaciteit hebben om de transitie te kunnenvolbrengen.Evaluatie eerste ervaringen beoordelen invaarmeldingen. Input DNB t.b.v.SZW-voortgangsrapportage monitoring WtpDe leden van de NSC-fractie lezen dat DNB aangeeft vroegtijdig aan tewillen geven welke aspecten pensioenfondsen ook ná het invaren kunnenadresseren. Kan de Minister aangeven aan welke aspecten de leden dan10Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 681.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68418 moeten denken en wat de mogelijke invloed van deze aspecten kan zijn opde verwachte hoogte van en risico’s op de pensioenuitkeringen.DNB beoordeelt op grond van artikel 150m, tweede lid Pensioenwet enartikel 46b Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspen-sioenregeling «het voornemen tot waardeoverdracht», oftewel de internecollectieve waardeoverdracht van het reeds opgebouwde vermogen en deopgebouwde aanspraken naar de nieuwe pensioenregeling. De invaarbe-oordeling van DNB betreft daarom niet de aspecten van de transitie dieniet gerelateerd zijn aan de interne collectieve waardeoverdracht. Zokunnen bijvoorbeeld (elementen van) de toekomstige financiële opzet ende toekomstige pensioenregeling buiten de DNB-invaarbeoordeling vallenwanneer deze geen (materiële) impact hebben op de fondsbesluitvormingover het invaren. Deze elementen vallen dan onder het reguliereDNB-toezicht en zijn qua timing niet direct gekoppeld aan het invaren.De leden van de NSC-fractie hebben gelezen11 dat onder meer hetpersoneelspensioenfonds van APG in zijn implementatieplan heeftopgenomen dat het de solidariteitsreserve kan aanspreken om tekorten inde operationele reserve te vullen, terwijl dit wettelijk niet mag. Het fondsdat op 1 januari al is ingevaren, heeft van DNB tot 30 juni 2025 de tijdgekregen om het beleid hiermee in lijn te brengen, laat de fondsvoorzitterweten. Hoe kan het dat een pensioenfonds wettelijk niet voldoet en dat ertoch is ingevaren?Ik treed niet in de relatie tussen toezichthouder en onder toezicht-gestelden, de pensioenfondsen. In zijn algemeenheid toetst DNB op basisvan artikel 46b van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichteberoepspensioenregeling. Interne collectieve waardeoverdracht fondsen(Besluit toekomst pensioenen) de norm evenwichtige belangenafweging.Dit is een marginale toetsing. DNB betrekt de specifieke omstandighedenvan het pensioenfonds en weegt deze mee bij de beoordeling of aan denorm is voldaan.DNB toetst of de belangen van de bij het pensioenfonds betrokkendeelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, depensioengerechtigden en de werkgever adequaat zijn meegenomen in debelangenafweging. Hoe DNB dit doet staat beschreven in de goodpractice: het stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie doorpensioenfondsen die beogen in te varen.12 Daarnaast ben ik ermeebekend dat pensioenfondsen het wenselijk achten om de solidariteitsre-serve aan te spreken om tekorten in de operationele reserve op te vullen.Dit vraagstuk heeft mijn aandacht en ik verwacht op korte termijn meerduidelijkheid te kunnen bieden.Brief AFM: Eerste observaties n.a.v. overgang naar het nieuwe stelsel doorpensioenuitvoerdersDe leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM niet de capaciteit heeft omeen doorlopende accounttoezichtrelatie met alle individuele pensioenuit-voerders te onderhouden en de pensioenuitvoerders niet in alle gevallenregelmatig één op één kan spreken over de inrichting van hun transitie-communicatie. Vindt de Minister het ook niet van belang dat de AFM indeze transitieperiode met grote impact voor deelnemers, waarbij goededeelnemerscommunicatie van groot belang is, een doorlopende account-toezichtrelatie onderhoudt? Zo niet, waarom niet en wat zijn de mogelijke11Pensioen Pro, 8 januari 2025, «DNB waarschuwt voor onwettig gebruik solidariteitsreserves»,https://pensioenpro.nl/dnb-waarschuwt-voor-onwettig-gebruik-solidariteitsreserve/.12Good practice: stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie door pensioenfondsen diebeogen in te varen | De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68419 gevolgen daarvan voor de communicatie naar deelnemers? Worden welalle voorlopige en definitieve communicatie-uitingen ten aanzien van detransitie getoetst door de AFM?Met het kostenkader AFM 2025–2028 is er ruimte voor de AFM omgedurende de transitieperiode extra capaciteit in te zetten. De AFM houdtrisicogestuurd toezicht en bepaalt als onafhankelijk toezichthouder opwelke wijze zij het toezicht op de wettelijke taken inricht. De AFM geefthier invulling aan door, alle pensioenfondsen die invaren te bevragen overhun transitiecommunicatie, en dat naar aanleiding daarvan de AFMmogelijk gericht transitiecommunicatie zal opvragen en toetsen.Vanwege het eenmalige karakter en het belang van de transitiecommuni-catie heeft de AFM ervoor gekozen om de voorlopige en definitievecommunicatie-uitingen van de kopgroep fondsen vooraf op te vragen ente beoordelen. Zij deelt haar bevindingen breed met de sector, zodat depensioenfondsen die nog moeten overstappen hiervan kunnen leren, enervoor kunnen zorgen dat de transitiecommunicatie voldoet aan dewettelijke normen. Dit is een proces van voortschrijdend inzicht. De AFMdeelt haar inzichten breed met de sector via diverse middelen alspublicaties, ronde tafels, externe presentaties, individuele gesprekken enhet Transitiebulletin. Verder zorgt de AFM ervoor dat zij bereikbaar is voorpensioenuitvoerders, zo is zij bijvoorbeeld bereikbaar voor dilemma’swaar de sector tegenaan loopt. Hierbij spelen de contacten met dekoepelorganisaties ook een belangrijke rol. De AFM vult daarmee haar rolals onafhankelijk toezichthouder naar eigen inzicht in. Ik heb dan ook niethet beeld dat zonder accounttoezicht de AFM haar rol als toezichthouderniet goed kan uitoefenen.De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM voorschrijft dat hetvoorlopige transitieoverzicht minimaal een maand voorafgaand aan detransitie naar deelnemers moet worden gestuurd en dat het definitievetransitieoverzicht niet later dan zes maanden na het transitiemoment bijde deelnemers mag liggen. Betekent dit dat deelnemers pas zes maandenna het invaren duidelijkheid krijgen over de werkelijke gevolgen vaninvaren voor hun uitkering?Wat gebeurt er als de uitkering na zes maanden toch anders blijkt te zijndan in de eerste zes maanden uitgekeerd? Kunnen de uitkeringen dan metterugwerkende kracht aangepast kunnen worden? Zijn deelnemershiervan op de hoogte gebracht?Deelnemers krijgen uiterlijk één maand voorafgaand aan de transitie,maar bij voorkeur eerder, hun persoonlijke transitie-informatie. Voordathet definitieve overzicht kan worden verstrekt, moeten de jaarlijksverplichte werkzaamheden, van onder andere de accountant, wordenafgerond. Zo spoedig mogelijk daarna, maar niet later dan zes maandenna de transitie ontvangen deelnemers het definitieve overzicht.Deelnemers kunnen daarnaast op meer momenten informatie verkrijgen.Dat zit bijvoorbeeld in de reguliere UPO-reeksen of up-to-date informatieop de mijnomgevingen, daarin worden eventuele mutaties tijdig verwerktzodat deelnemers niet voor verrassingen komen te staan.De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM ernstige zorgen heeft overde verstrekking van transitie-informatie door verzekeraars en premiepen-sioeninstellingen (PPI’s). En deze leden lezen dat de AFM heeft geconsta-teerd dat deelnemers niet tijdig het prognose transitieoverzicht hebbenontvangen. Welke consequenties heeft de AFM verbonden aan dezeconstateringen? Wat gaat de Minister doen om ervoor te zorgen dat er ookbij PPI’s en verzekeraars tijdig gecommuniceerd wordt over de transitie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68420 Het is aan de AFM om te beslissen welke consequenties zij verbindt aanhet feit dat niet tijdig het prognose transitieoverzicht door deelnemers isontvangen. Mij is bekend dat het AFM hiernaar onderzoek doet maar daarvanuit toezichtvertrouwelijkheid geen uitspraken over doet. Met de AFMvind ik het van belang dat deelnemers correct, tijdig, duidelijk, enevenwichtig worden geïnformeerd. Dat geldt ook voor verzekeraars enPPI’s. In gesprekken met de sector geef ik dat ook aan.De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM aangeeft dat in de praktijkde verschillende informatiemomenten gezamenlijk nog niet altijd eenevenwichtig beeld scheppen en dat verschillende boodschappen niet éénverhaal vertellen dat in samenhang begrijpelijk is voor de deelnemers. Alsvoorbeeld geeft de AFM aan dat positieve kanten van het nieuwe stelselvaker prominent benadrukt worden dan mogelijke risico’s. En dat het vanbelang is om onrealistische verwachtingen over de nieuwe pensioenre-geling te voorkomen, waarvoor het van belang is dat deelnemers zichonder meer realiseren dat ingegane uitkeringen ook kunnen dalen ofbijvoorbeeld dat niet langer sprake is van opbouw van aanspraken opnabestaandenpensioen. Kan de Minister reflecteren op deze geuite zorgenvan de AFM? Wat gaat de Minister doen om te waarborgen dat pensioen-fondsen niet een te positief beeld schetsen en ook de risico’s duidelijkercommuniceren?Gelet op de fase van de transitie vind ik het niet vreemd dat we juist nu inde communicatie tegen aspecten aanlopen, die te verbeteren zijn.Enerzijds is vanuit wet- en regelgeving immers bepaald aan welke eisende informatieverstrekking moet voldoen. Zowel qua proces als zeker ookde inhoud. Hoe dit uiteindelijk dan eruitziet zodra de wet- en regelgevingis toegepast op de nieuwe processen die ten grondslag liggen aan deWtp, is vaak op een later moment zichtbaar. Dat moment is nu. Juistdoordat de AFM dit soort observaties deelt, maakt het dat de sectorhiervan kan leren en nader toe- of aanpast in haar communicatie richtingdeelnemers. Ik blijf dan ook in gesprek met de sector over de vraag hoe deinformatie aan de deelnemer nog beter kan worden vormgegeven.De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM aangeeft dat er bij debedragen in de prognose transitieoverzichten een persoonlijke toelichtingmoet staan, anders ontstaat bij deelnemers mogelijk een onrealistischbeeld van het toekomstig pensioen, bijvoorbeeld omdat er pensioenbe-dragen zijn die veel hoger uitvallen in het nieuwe pensioenstelsel. Inhoeverre vindt de Minister het consistent dat pensioenfondsen aan de enekant via verplichte berekeningen hoge bedragen aan deelnemers moetentonen en aan de andere kant in woorden of met eigen berekeningenmoeten uitleggen dat diezelfde bedragen een onrealistisch beeld kunnengeven en erg hoog uitvallen? Waarom is ervoor gekozen de voorge-schreven rekenmethodiek niet aan te passen als breed bekend en erkendis dat de rekenmethodiek een onrealistisch beeld kan schetsen?De zorgen van de AFM dat scenariobedragen mogelijk een onrealistischeverwachting over het nieuwe stelsel wekken, zijn in 2023 geuit en uwKamer is daar destijds ook over geïnformeerd. Daarna hebben tweeexpertsessies plaatsgevonden met verschillende stakeholders (de sector,koepelorganisaties, Actuarieel genootschap, DNB en SZW). Het resultaatvan deze overleggen is dat de sector heeft aangegeven de bedragen oppersoonlijk niveau te zullen toelichten en dat de Pensioenfederatie eenvoorbeeldbrief heeft gemaakt die pensioenuitvoerders kunnen gebruikenvoor de voorgeschreven transitie-informatie. Verder heeft de AFM voor detransitie-informatie enkele te hanteren uitgangspunten geformuleerd,waaronder: wees doelgroep specifiek, bied gelaagde informatie enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68421 consistentie tussen verschillende informatiedragers.13 Met deze aanpakkan de sector hier goede invulling aan geven. Het tonen van de transitie-informatie met de verwachte pensioenbedragen in drie scenario’s, zowelin de ongewijzigde en gewijzigde regeling, helpt om de risico’s individueelinzichtelijk en voor deelnemers relevant te maken. Hiermee ontstaat voordeelnemers een realistisch beeld van hun verwachte pensioen enbijbehorende risico’s.Voorgeschreven is dat deelnemers toegelicht moeten krijgen dat hetkarakter van de pensioenovereenkomst verandert met de transitie. Voordeelnemers die overstappen van een uitkeringsovereenkomst naar eenWtp-regeling verandert de aard van de pensioentoezegging. Niet langerwordt een te verwachten pensioen toegezegd; voortaan is de ingelegdepremie de toezegging van de werkgever. De ingelegde premie wordtbelegd en het zijn de behaalde rendementen die leiden tot verhoging vanhet verwacht pensioen. Dit is omgeven met een groter risico met eengrotere mogelijke spreiding van uitkomsten, maar het kan leiden tot hogeverwachte pensioenbedragen, zeker in het optimistisch scenario voorjonge deelnemers. Hier heeft mijn voorganger de Kamer eerder opgewezen.14Verschillende pensioenfondsen hebben voor de transitieoverzichten voorhet invaren per 1 januari 2025 een peildatum gebruikt van 1 januari 2024,met mogelijk grote consequenties voor de informatie aan deelnemers,constateren de leden van de NSC-fractie. Zo kan iemand die gedurendehet jaar uit dienst is getreden mogelijk een compleet verkeerd beeldkrijgen van de verwachte pensioenuitkering bij het pensioenfonds. Inhoeverre is dit juridisch houdbaar gezien de gevolgen voorzienbaarmoeten zijn voor deelnemers?Uitvoerders kunnen de pensioengevolgen tonen van veranderingen vanpersoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld uitdiensttreding,overlijden of echtscheiding – ook als de pensioenregeling wijzigt. Er isgeen aanleiding die erop wijst dat uitvoerders tijdens de transitie zoudenafwijken van de uitvoeringspraktijk zoals die al jaren verloopt en deinformatievoorschriften die daarvoor gelden. Op 19 december 2024 zijnTweede Kamervragen van de NSC-fractie beantwoord over informatiever-strekking aan deelnemers in het geval dat tijdens de transitie persoonlijkeomstandigheden wijzigen.15De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM aangeeft dat er in depraktijk bij deelnemers sprake is geweest van (te voorkomen) fouten in hetprognose transitieoverzicht en dat pensioenuitvoerders moetenvoorkomen dat er fouten worden gemaakt of dat er slordigheden ontstaandie vermeden hadden kunnen worden door een zorgvuldig proces metcontroles. Kan de Minister aangeven wat er precies mis is gegaan in deprognose van het transitieoverzicht? Kan de Minister aangeven hoe grootde gemaakte fouten maximaal waren in de gecommuniceerde verwachtepensioenuitkeringen in euro’s en relatief? Bij hoeveel mensen zijn erachteraf bekende fouten gemaakt in de prognose transitieoverzichten? Inhoeverre was er sprake van een zorgvuldig proces? Wanneer hebben dedeelnemers de juiste transitieoverzichten alsnog ontvangen? En zijn debetreffende deelnemers wel transparant geïnformeerd over de gemaaktefouten? Zo ja, op welke manier?13Zie ook het verslag van het Platform Pensioentransitie maart 2024 (link).14Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 597 (Brief 22-12-2022, zie tabel 1)15Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, Aanhangsel nr. 892 (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68422 Het is niet aan mij om in te gaan op individuele casuïstiek; ik heb dieinformatie ook niet tot mijn beschikking. Het toezicht dat de AFM uitoefentin individuele gevallen valt onder de toezichtsvertrouwelijkheid. De AFMvindt het belangrijk dat pensioenuitvoerders transparant zijn overgemaakte fouten, en zorgen dat deelnemers over correcte informatiebeschikken. Ik kan mij daarin vinden. Deelnemers moeten ervan uitkunnen gaan dat de informatie die zij ontvangen klopt en dat eventuelefouten snel en transparant worden hersteld.De leden van de NSC-fractie lezen dat de AFM-pensioenfondsen oproeptom in het bestuursverslag verantwoording af te leggen over de uitvoe-ringskosten en deze kosten kritisch te evalueren en waar mogelijkverbeteringen door te voeren. Vindt de Minister het ook van groot belangdat de kosten inzichtelijk gemaakt worden? In hoeverre gebeurt dit al goeddoor de pensioenfondsen volgens de Minister, ook in het licht dat de AFMhet blijkbaar nodig vindt om pensioenfondsen hiertoe op te roepen?De beheersing van kosten en hierover transparant zijn richting hundeelnemers is een belangrijke opgave voor pensioenfondsen. In de Wtp isdan ook een aantal waarborgen opgenomen om deze kosten voordeelnemers inzichtelijk te maken. Zo moet op het uniforme pensioenover-zicht van iedere deelnemer komen te staan welke kosten het fonds maakt.Dit geldt ook voor het tonen van de kosten in het jaarverslag. Pensioen-fondsbesturen moeten verantwoording afleggen over deze kosten, ookaan het verantwoordingsorgaan. De rol van het verantwoordingsorgaanhierin is met de Wtp geëxpliciteerd. Hierop wordt ook toegezien door hetintern toezicht van een pensioenfonds. Er is dus een prikkel om trans-parant te maken hoeveel geld waaraan wordt besteed, en of dat uitlegbaaren te verantwoorden is. Tot slot houden ook de externe toezichthoudershier toezicht op.DNB houdt toezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering, de AFMhoudt toezicht op de transparantie en informatievoorziening aandeelnemers van pensioenuitvoerders met betrekking tot kosten.De leden van de NSC-fractie lezen dat niet ieder pensioenfonds in hetjaarverslag onderscheid maakt tussen structurele uitvoeringskosten enkosten die specifiek gerelateerd zijn aan de transitie. Dat is wettelijk ookniet verplicht, maar dat neemt niet weg dat het daardoor lastig is tebeoordelen of de gemaakte kosten incidenteel zijn van aard, dus gerela-teerd aan de transitie naar het nieuwe stelsel, of ook kosten voorachterstallig onderhoud bevatten. Vindt de Minister het niet belangrijk datpensioenfondsen dit inzicht geven? En kan de Minister in de volgendetransitiemonitor in zomer 2025 ook meenemen welk deel van de kostennaar welke partijen gaat?Vooraf wil ik opmerken dat de uitvoeringskosten van pensioenfondsenniet altijd makkelijk zijn te onderscheiden in kosten die gerelateerd zijnaan de transitie in het kader van de Wtp, en kosten voor vernieuwing enonderhoud aan de uitvoering die ook zonder de transitie waren gemaakt.Beide toezichthouders houden hier ieder vanuit de eigen verantwoorde-lijkheid toezicht op de uitvoeringskosten. DNB houdt toezicht op debeheerste en integere bedrijfsvoering, de AFM houdt toezicht op detransparantie en informatievoorziening aan deelnemers van pensioenuit-voerders met betrekking tot kosten. Zoals gezegd, is het onderscheidtussen structurele uitvoeringskosten en kosten die specifiek gemaakt zijnin het kader van de transitie niet altijd makkelijk te maken en dit is ook nietwettelijk verplicht. Het is aan de fondsen zelf om hier over te rapporteren.Ik zie dan ook geen objectiveerbaar aangrijpingspunt om de exacteuitsplitsing van de kosten mee te nemen in de transitie-monitor in dezomer van 2025. Dat neemt niet weg dat de transitiemonitor het antwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68423 op de vraag: «Welke kosten maken pensioenuitvoerders die specifiek metde transitie naar het nieuwe stelsel te maken hebben?» zo inzichtelijkmogelijk maakt op basis van de beschikbare informatie.De leden van de NSC-fractie lezen dat het doel is dat het pensioen voor dedeelnemer transparanter en persoonlijker wordt. En dat deelnemers meerinzicht moeten krijgen in hun eigen pensioen en in hun persoonlijke, voorde uitkering gereserveerde, pensioenvermogen. Deze leden begrijpenechter dat pensioenfondsen, ook de koplopers die al zijn ingevaren, nietover kapitalen communiceren.16 Hoe kan dat volgens de Minister? En isdat volgens de Minister wel in lijn met de doelstellingen van de nieuwepensioencontracten?In de Wtp is opgenomen dat actieve en gewezen deelnemers op hetdefinitieve transitieoverzicht informatie ontvangen over het kapitaal dat zijbij invaren meekrijgen. Tevens maakt het pensioenvermogen onder deWtp ook onderdeel uit van het verplichte Uniform Pensioenoverzicht datdeelnemers jaarlijst ontvangen. Deze vorm van transparantie draagt bijaan het vertrouwen. Voor pensioenfondsen is het overigens wettelijk nietverplicht om de kapitalen richting gepensioneerden te communiceren.Deze keuze is gemaakt om te voorkomen dat er zorgen kunnen ontstaanover de levenslange pensioentoezegging op het moment dat hetvermogen steeds verder daalt. Voor de volledigheid merk ik op dat de linkin de voetnoot naar PPF APG overigens over de pensioengerechtigdengaat.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangs-rapportage omtrent de Wtp. Deze leden vragen of de deadline van1 januari 2028 voor PPI’s en verzekeraars nog realistisch is. De voort-gangsrapportage geeft een blijk van het opstroopeffect en de grote drukop pensioenfondsen, maar geeft geen duidelijk antwoord op de vraag ofde deadline eventueel verder wordt uitgesteld wat de Minister betreft. Erwordt gesteld dat een verschuiving van de deadline niet lichtvaardigwordt genomen, maar het rapport onderbouwt niet wat het plan is als eengroot deel van de sector vertraging oploopt. Kan de Minister dit verdertoelichten? Wat zijn de gevolgen voor deelnemers als de deadline niet ofniet volledig gehaald wordt?Waar het bij pensioenfondsen gaat over de tijdige omzetting van huneigen regelingen, geldt bij verzekeraars en ppi’s dat het gaat om hetstimuleren van hun klanten (werkgevers) om tijdig gebruik te maken vande mogelijkheid om hun pensioencontracten te laten overzetten naarWtp-regelingen. Ik heb tot nu toe geen signalen uit de uitvoering dat deuiterste transitiedatum verder verschoven dient te worden dan 1 januari2028. Mocht ik deze signalen wel ontvangen, dan zal ik een zeerzorgvuldige weging maken. Vanzelfsprekend worden de beide Kamershier ook bij betrokken. Bij een eventueel besluit over verdere verlengingvan de transitie, kan van verschillende sturingsinformatie gebruik wordengemaakt, zoals de periodieke monitoringsinformatie, signalering uit depraktijk en de periodieke adviezen van de regeringscommissaris.Sommige knelpunten in de transitie kunnen pas laat in het transitieprocesnaar voren komen. Als een pensioenuitvoerder de transitie niet op tijd lijktte halen, dan kunnen de consequenties groot zijn. In de MvT van de Wtp isbeschreven wat deze sancties zijn (zie daarvoor paragraaf 5.1). Het iswenselijk om te voorkomen dat dit plaatsvindt voor pensioenfondsen en16Zie onder meer PPF APG, «Uw pensioenpot», https://www.ppf-apg.nl/pensioen-bij-ppf-apg/uw-pensioen/pensioenpot#:~:text=Dan%20ziet%20u%20geen%20pensioenpot%20meer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68424 daarmee deelnemers die de transitie net niet kunnen halen. Daarom is hetnoodzakelijk om tijdig in de transitie te kunnen bijsturen.De leden van de BBB-fractie lezen in de rapportage dat er fouten zijngemaakt in het prognose transitieoverzicht dat deelnemers hebbenontvangen. Bij hoeveel pensioenfondsen zijn deze fouten gemaakt, en opwelke schaal? Hoe worden deze fouten rechtgezet? Er wordt benadrukt datcommunicatie met deelnemers belangrijk is. Hoe gaan pensioenfondsenfouten voorkomen in de informatie die deelnemers ontvangen?Het is niet aan mij om in te gaan op individuele casuïstiek; ik heb dieinformatie ook niet tot mijn beschikking. Het toezicht dat de AFM uitoefentin individuele gevallen valt onder de toezichtsvertrouwelijkheid. De AFMvindt het belangrijk dat pensioenuitvoerders transparant zijn overgemaakte fouten, en zorgen dat deelnemers over correcte informatiebeschikken. Ik kan mij daarin vinden. Deelnemers moeten ervan kunnenuitgaan dat de informatie die zij ontvangen klopt en dat eventuele foutensnel en transparant worden hersteld.Voorts hebben de leden van de BBB-fractie enkele vragen over detransitiekosten, die gepaard gaan met de invoering van het nieuwesysteem. De extra transitiekosten worden geschat op 1 miljard euro, maarin het rapport wordt aangegeven dat kosten mogelijk hoger uitvallen. Hoeaannemelijk is het dat de kosten verder stijgen, en met hoeveel euro?Wie betaalt uiteindelijk als pensioenfondsen en verzekeraars hogerekosten maken? Werkgevers, werknemers of gepensioneerden?De stijging van de kosten in verband met de transitie was voorzien in deMvT van de Wtp.17 Momenteel valt de stijging van de totale uitvoerings-kosten nog ruim binnen de bandbreedtes zoals gesteld in de MvT. Weldient opgemerkt te worden dat sinds het maken van die achterliggendeberekeningen er sprake is geweest van (forse) inflatie, onder andere oplonen en diensten zoals IT-dienstverlening. Zoals in de transitiemonitoraangegeven bestaat er nog geen eenduidig beeld of de transitiekostenvan de transitie hoger zijn dan vooraf gedacht.De transitiekosten vallen onder de uitvoeringskosten van pensioen-fondsen. Hierbij moet worden aangegeven dat het niet altijd makkelijk iseen onderscheid te maken tussen kosten die gerelateerd zijn aan detransitie in het kader van de Wtp, en kosten voor vernieuwing enonderhoud aan de uitvoering die er ook zonder de transitie warengeweest. In de praktijk zie ik namelijk dat de transitie ook wordt aange-grepen om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Deze gemaakteuitvoeringskosten worden gemaakt ten behoeve van het pensioenfondsen haar pensioendeelnemers en zullen, zoals gebruikelijk is bij kostengemaakt door pensioenfondsen, ten laste komen van de deelnemers vanhet pensioenfonds.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangs-rapportage en de onderliggende stukken. Deze leden hebben naaraanleiding daarvan enkele vragen.BeleidsconclusiesBetrokkenen in de pensioensector wijzen erop dat rust en ruimtenoodzakelijk zijn voor een goede en zorgvuldige overgang. De leden van17Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 067, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68425 de SGP-fractie begrijpen en onderschrijven deze opvatting. Tegelijk is hetsoms noodzakelijk om aanpassingen in wet- en regelgeving te doen. Omenerzijds de transitie goed vorm te geven en te leren van ervaringen,maar anderzijds ook om aanvullende (politieke) wensen door te voeren.Zij vragen de Minister te reflecteren op dit spanningsveld. Hoe kanenerzijds rust en ruimte geboden worden en kunnen anderzijds noodzake-lijke aanpassingen doorgevoerd worden?De sector is gebaat bij zekerheid rondom de transitie, zodat de sector deruimte krijgt om deze grote stelseltransitie zorgvuldig uit te voeren. Desector geeft aan dat het aankondigen van grote koerswijzigingen in dewet- en regelgeving leiden tot onzekerheid, zoals ook genoemd in hetEY-rapport. De regeringscommissaris geeft in haar recente rapportage aandat rust en duidelijkheid over de wet- en regelgeving randvoorwaardelijkis voor het benodigde tempo in de transitie vanwege het grote beslag datnu reeds op de beschikbare capaciteit wordt gelegd.18 Ik zet mij in om tezorgen dat de sector op dit punt zo goed mogelijk weet waar die aan toeis, zodat zij kunnen doorgaan met de transitie die de wet van ze vraagt.Een voorbeeld hiervan is de aangekondigde AMvB waarin het dynami-seren van de inleverdatum van het implementatieplan wordt geregeld.Dat neemt niet weg dat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel vooriedereen nieuw is en ieder begin is ingewikkeld.Daarbij is het van cruciaal belang dat knelpunten uit de uitvoeringspraktijkworden opgepakt en dat het lerend vermogen van de sector wordtaangesproken om de transitie tijdig af te kunnen ronden. Ik neem mijn rolals stelselverantwoordelijke niet lichtvaardig op. Indien ik signalen krijg uitde sector die via wetgeving moeten worden opgepakt, dan zal ik dezesignalen zorgvuldig beoordelen en wegen en bezien of en zo ja welkestappen ik zal gaan zetten.Ervaringen met de koplopersfondsenDe leden van de SGP-fractie lezen dat een groot deel van de pensioen-fondsen voornemens is om in 2026 in te varen. Uit de ervaringen vankoplopers blijkt dat de capaciteit bij de fondsen en bij DNB «niettoereikend is om de processen in dezelfde intensiteit op tijd tot een goedeinde te brengen». Kan het kabinet reageren op deze waarschuwing? Enwelke stappen worden genomen, zowel door de Minister, als doorfondsen en DNB, om de benodigde capaciteit te verkrijgen om het invarenvan een groot aantal fondsen tegelijk mogelijk te maken? En hoe kan meerspecifiek DNB beter in staat gesteld worden om de doorstroom vangoedkeuring e.d. beter te stroomlijnen?De pensioensector werkt hard aan de transitie naar het nieuwe pensioen-stelsel en er moet ook nog veel gebeuren. Knelpunten uit de uitvoerings-praktijk worden opgepakt, waarbij het lerend vermogen van de sectorcruciaal is om de transitie tijdig af te ronden. De koplopersfondsen zijnpioniers.In 2024 zijn in het nieuwe kostenkader (2025–2028) voor DNB afsprakengemaakt zodat DNB gedurende de stelseltransitie de toezichtscapaciteitkan uitbreiden om te borgen dat er voldoende capaciteit beschikbaar isvoor de transitie. DNB heeft hiermee extra werknemers vrijgemaakt enopgeleid om te helpen bij het beoordelen. Daarnaast heeft DNB aange-geven een aantal stappen te zetten om het proces soepel te latenverlopen. Allereerst zal DNB zo vroeg mogelijk de focus leggen op demeest relevante aspecten van de beoordeling en daarbij communicerenover de belangrijkste door het pensioenfonds te zetten stappen.18Regeringscommissaris transitie pensioenen, Tweede rapportage, d.d. 14-1-2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68426 Onderdeel hiervan vormt het vroegtijdig aangeven van aspecten diepensioenfondsen ook ná invaren kunnen adresseren. Om het beoorde-lingsproces voorspelbaarder en transparanter te maken communiceertDNB voortaan de verwachte resterende doorlooptijd van de beoordeling.De pensioenfondsen waarderen dat DNB er blijk van geeft steeds ookkritisch naar de eigen inzet en processen te kijken en openstaat voorfeedback over het stellen van prioriteiten. Ook de pensioenfondsen zelfkunnen stappen zetten om het proces soepel te laten verlopen, zo blijkt uitde ervaringen van de koplopers. Belangrijk daarvoor zijn zorgen voorbestuurlijke betrokkenheid (beschikbaarheid en flexibiliteit), de uitingenvan de toezichthouders gebruiken als handvat, gebruik maken van departiële beoordelingen en het goed vastleggen van de (tussentijdse)besluitvorming.Ik roep de pensioenfondsen die in 2026 en 2027 gaan invaren nogmaalsop om van deze lessen samen met de informatie op Werkenaanonspensi-oen.nl en de informatie die door de toezichthouders wordt gedeeld om totkennisdeling te komen, te gebruiken in hun eigen transitieproces.Daarnaast zie ik dat de toezichthouders deze lessen gebruiken om hunwerkwijze kunnen verbeteren. Ik moedig alle betrokken partijen dan ookaan om dat te blijven doen.De leden van de fractie van de SGP hechten grote waarde aan het actiefen tijdig informeren van deelnemers. De AFM wijst erop dat hier nog welzorgen over zijn. Hoe kan de informatievoorziening vanuit fondsen betervormgegeven worden? Welke stappen zet de Minister om een tijdigeinformatievoorziening beter te borgen?Ik onderschrijf met de AFM dat het van belang is dat deelnemersevenwichtig en begrijpelijk beeld krijgen van de transitie. De wettelijkedoelstellingen rondom informatieverstrekking zijn daar ook op gebaseerd.Gelet op de fase van de transitie vind ik het niet vreemd dat juist nu in decommunicatie tegen aspecten wordt aangelopen die te verbeteren zijn.Enerzijds is vanuit wet- en regelgeving immers bepaald aan welke eisende informatieverstrekking moet voldoen. Zowel qua proces als zeker ookde inhoud. Hoe dit er uiteindelijk uitziet zodra de wet- en regelgeving istoegepast op de nieuwe processen die ten grondslag liggen aan de Wtp,is vaak op een later moment zichtbaar. Dat moment is nu. Juist doordat deAFM dit soort observaties deelt, maakt het dat de sector hiervan kan lerenen nader toe- of aanpast in haar communicatie richting deelnemers. Ik blijfdan ook in gesprek met de sector over de vraag hoe de informatie aan dedeelnemer nog beter kan worden vormgegeven.Daarnaast zijn de leden van de SGP-fractie van mening dat informatierichting deelnemers zo persoonlijk mogelijk moet zijn en zoveel mogelijktoegespitst op de persoonlijke situatie van deelnemers moet zijn. Ook hierheeft de AFM zorgen over. Welke mogelijkheden ziet de Minister om tezorgen voor een meer individuele benadering?De pensioenwet (artikel 48) stelt eisen aan de communicatie aan dedeelnemer. Zo moet de informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt ofbeschikbaar stelt correct, duidelijk en evenwichtig zijn en dient deinformatie tijdig verstrekt of beschikbaar te worden gesteld. Daarbijbevordert de pensioenuitvoerder dat persoonlijke informatie aansluit bijde informatiebehoefte en kenmerken van de deelnemer, gewezendeelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde. Ik wil samen met desector op korte termijn komen tot een aantal concrete acties waarmee dezorgen van deelnemers over de pensioentransitie kunnen wordengeadresseerd, bijvoorbeeld over de manier waarop wordt gecommuni-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68427 ceerd. Hierover heeft ook de AFM al een aantal nuttige aanbevelingengedaan.NabestaandenpensioenDe leden van de SGP-fractie lezen dat financieel adviseurs erop wijzen datin de nieuwe situatie slechts in 67% van de gevallen afspraken zijngemaakt over het nabestaandenpensioen. Deze leden vinden datpercentage erg laag. Wat zijn de gevolgen van dit lage percentage? Is hierniet meer actieve sturing op nodig? Hoe wordt geborgd dat zoveelmogelijk deelnemers de mogelijkheid krijgen om aanspraak te maken opeen nabestaandenpensioen?In de transitiemonitor, winterrapportage 2024, van EY geven werkgeversen vakbonden in de uitvraag aan dat in bijna alle gevallen het nabestaan-denpensioen zowel in de oude als in de nieuwe situatie onderdeel is vande pensioenregeling voor en na de pensioendatum. Van de ondervraagdefinancieel adviseurs geeft 67% aan dat in de nieuwe situatie hetnabestaandenpensioen bij overlijden voor en na pensioendatum isgeregeld. De overige 33% van de ondervraagde financieel adviseurs geeftaan dat in de nieuwe regeling het nabestaandenpensioen enkel isgeregeld bij overlijden vóór pensioendatum. Er is in de uitvraag geenrekening gehouden met het aantal en soort regelingen waarvoor dit geldt.Indien de pensioenregeling in de opbouwfase alleen voorziet in eenouderdomspensioen en geen partnerpensioen vanaf pensioendatum, danheeft de (gewezen) deelnemer op pensioendatum het recht om een deelvan het ouderdomspensioen uit te ruilen voor een partnerpension vanafpensioendatum. Dit volgt uit artikel 61 van de Pensioenwet en artikel 73Wet verplichte beroepspensioenregeling.Sociale partners of de werkgever en werknemers gaan over de invullingvan de pensioenregeling en besluiten of nabestaandenpensioen bijoverlijden vóór de pensioendatum en/of nabestaandenpensioen bijoverlijden op of na de pensioendatum onderdeel uitmaakt van depensioenregeling. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te vormen.Wel zal ik dit gedurende de transitieperiode monitoren.Daarnaast lezen de leden van de SGP-fractie dat de mogelijkheden zijnonderzocht om de risicodekking vrijwillig voort te zetten door middel vanuitruil. Welke conclusies verbindt de Minister hieraan?Om het risico te verkleinen dat iemand die tussen twee dienstverbandenin zit of iemand die werkloos of zelfstandige wordt, tijdelijk geen of eenlagere dekking voor partnerpensioen heeft, is in de Wtp een aantalwettelijke waarborgen opgenomen. Zo is een verplichte dekking van hetnabestaandenpensioen geïntroduceerd tijdens een uitloopperiode van 3maanden (of 6 maanden indien afgesproken door sociale partners) bijeinde dienstverband als ook bij werkloosheid en ziekte. Daarnaast is hetmogelijk om in de pensioenregeling de mogelijkheid tot vrijwilligevoortzetting van het partnerpensioen op te nemen. Dit is aan de partijendie de pensioenregeling overeenkomen, ik geef daar geen oordeel over.Ten behoeve van deze transitiemonitor hebben sociale partners enfinancieel adviseurs aangeven dat het in de meeste gevallen mogelijk isom het partnerpensioen vrijwillig voort te zetten.De leden van de SGP-fractie hebben tijdens de behandeling van de Wtp,en ook daarna, veel aandacht gevraagd voor schrijnende situaties in het(nieuwe) nabestaandenpensioen. Bijvoorbeeld in het geval waarin erongewenst geen dekking meer is. Welke stappen zet de Minister hierin?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68428 Welke mogelijkheden zijn onderzocht en/of stappen worden genomen omschrijnende situaties te voorkomen?Bij de behandeling van de Wtp is er aandacht gevraagd voor gevallen dietot schrijnende situaties kunnen leiden. Om dit soort situaties zoveelmogelijk te voorkomen, heeft de regering verschillende maatregelengenomen om te voorkomen dat voormalig werknemers onverzekerdoverlijden. Daarnaast is er bij de behandeling van de Wtp een onderzoeks-motie van het lid Oomen-Ruijten c.s. aangenomen over de mogelijkheidde vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen als default op tenemen.19 Op dit moment moet de deelnemer bewust kiezen voor devoortzetting van de risicodekking (opt-in). De onderzoeksmotie ziet op hetomdraaien van de default (opt-out). Aan dit onderzoek is de toezeggingaan het lid Flach toegevoegd, namelijk om te kijken of gegevensuit-wisseling een oplossing zou bieden voor de mensen die onvrijwilligonverzekerd zijn.20Op dit moment is de verkenning met uitvoeringspartijen om de voor- ennadelen van een default in kaart te brengen nog gaande.21 Daarbij wordtgekeken of een default een oplossing biedt voor de groep mensen dieonvrijwillig onverzekerd is en wordt het risico voor de groep mensen dieongewenst oververzekerd is (bij een default voortzetting) beschouwd. Inhet onderzoek betrek ik in hoeverre gegevensuitwisseling tussenpensioenuitvoerders de genoemde risico’s in de praktijk effectief kanbeperken.Stand van zaken (voorgenomen) wet- en regelgevingDe leden van de SGP-fractie lezen dat er voor de zomer een wetsvoorstelgedeeld zal worden over enkele pensioenonderwerpen. Worden hierin ookaanpassingen binnen het nabestaandenpensioen voorgesteld, en zo ja,welke?Bij de behandeling van de Wtp is toegezegd de vrijwillige voortzetting vanhet wezenpensioen mogelijk te maken en ook het kindbegrip te unifor-meren. Het wetsvoorstel bevat daarnaast een verruiming van hetovergangsrecht voor premievrije voortzetting van pensioenopbouw bijarbeidsongeschiktheid, voor zowel gesloten fondsen als verzekeraars.Gebleken is dat de huidige vormgeving van het overgangsrecht leidt totknelpunten in de uitvoering. Deze voorstellen beogen bij te dragen aanhet initiële doel van de stelselherziening die ten grondslag lag aan de Wtpen aan een soepele transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Deindiening van het wetsvoorstel zal mogelijk enige vertraging oplopen,vanwege het groter dan voorziene beslag op de ambtelijke capaciteit bijde parlementaire behandeling van het wetsvoorstel verlenging pensioen-transitie. Het is daarom niet zeker dat het wetsvoorstel nog voor de zomeringediend zal worden bij de Tweede Kamer.19Kamerstukken I, 2022/2023, 36 067, AS.20Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 2024D06890.21Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 043, nr. 666.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68429

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8eead9ddd87bb3e3

14 okt 2026 · d887a80b8ac09bd8

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.