KamerkringInloggen
Kamerbrief

Afwegingskader bestuursrecht

13 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d682d41a282a1e23 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 279Rechtsstaat en RechtsordeNr. 1030 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 mei 2026Met deze Kamerbrief kom ik twee aan uw Kamer gedane toezeggingen naop het gebied van het bestuursrecht. Als eerste ga ik in op het ontwikkeldeafwegingskader voor het instellen van hoger beroep. Daarna zal ik ingaanop de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over artikel 6 EVRMwaar het lid Sneller een vraag over had gesteld in het commissiedebatStaats- en bestuursrecht van 11 december 2025.1Afwegingskader procederen in hoger beroepIn de Kamerbrief De Staat als procespartij van 4 juli 20252 is toegezegd dateen rijksbreed afwegingskader wordt ontwikkeld voor het instellen vanhoger beroep in het bestuursrecht. Als bijlage bij deze brief treft u hetafwegingskader aan dat ik hieronder graag toelicht. Naast het afwegings-kader zijn ook normen voor behoorlijk procedeergedrag opgesteld. Dezenormen beperken zich niet tot hoger beroep maar geven aan wat er vande overheid mag worden verwacht wanneer deze in bestuursrechtelijkeprocedures tegenover de burger staat.Het besluit van de overheid om hoger beroep in te stellen nadat burgerseerder in het gelijk zijn gesteld door de rechter kan de nodige impacthebben. Burgers moeten tijd en energie steken in de procedure en zijblijven langer in onzekerheid over de uitkomst van het geschil. Deoverheid zal daarbij vaak gezien worden als een sterk bovengeschikteprocespartij met meer expertise, meer middelen en meer proceservaring.Van de overheid mag daarom worden verwacht dat zij terughoudendheidbetracht bij het instellen van hoger beroep en dat zij bij haar afwegingextra rekening houdt met de impact ervan op burgers.1Zie verslag in Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 396 en TZ202512–059.2Kamerstukken II 2024/2025, 29 279, nr. 980. kst-29279-1030ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10301 Mijn beeld is dat veel overheden al zorgvuldig omgaan met het instellenvan hoger beroep. Zoals ook toegelicht in de brief Staat als Procespartijkunnen er evenwel gegronde redenen zijn voor de overheid om in hogerberoep te gaan. Zo kan de uitspraak in eerste aanleg (rechts-)vragenoproepen waarbij het, naar het oordeel van de overheid, van belang is dateen rechter in hoger beroep zich daarover buigt. Dit kan bijvoorbeeld hetgeval zijn wanneer een uitspraak voor brede toepassing (te) onduidelijkgemotiveerd is, er om onduidelijke redenen wordt afgeweken van degangbare lijn in de jurisprudentie, er onduidelijkheid is ontstaan over deuitleg van het overheidsbeleid of doordat de uitspraak fundamentelerechtsvragen oproept. In die gevallen kan het gerechtvaardigd zijn dat deoverheid hoger beroep instelt vanuit het belang van rechtseenheid,rechtszekerheid of rechtsgelijkheid.3Het ontwikkelde afwegingskader is bedoeld om overheden concreteondersteuning te bieden bij het afwegen van de belangen van de burgeren het algemeen belang. Bij de totstandkoming van dit afwegingskader isonder andere gekeken naar reeds bestaande afwegingskaders voor hogerberoep, relevant wetenschappelijk onderzoek, Kamerstukken en enkelerelevante richtlijnen van de Nationale ombudsman.4 Daarnaast is in eenexpertsessie input opgehaald bij circa 30 professionals werkzaam bijdecentrale overheden, uitvoeringsorganisaties en departementen.Het ontwikkelde afwegingskader is een handreiking met minimaleuitgangspunten voor een zorgvuldige belangenafweging. Organisatiesbehouden de ruimte om het kader vorm te geven op een manier die pastbij hun eigen organisatie(structuur). De belangrijkste uitgangspunten zijn:•de verschillende belangen worden door het bestuursorgaan in beeldgebracht aan de hand van het afwegingskader;•de motivering van de beslissing wordt schriftelijk vastgelegd;•het besluit om hoger beroep in te stellen dient binnen het bestuursor-gaan op een zodanig niveau te worden genomen dat de doelstellingvan objectiviteit ten aanzien van de belangenafweging wordt behaald;•na een besluit om in hoger beroep te gaan, wordt op begrijpelijke wijzeaan de burger toegelicht waarom die stap wordt genomen;•en als hoger beroep wordt ingesteld, worden de normen van behoor-lijk procederen gevolgd.VervolgHet afwegingskader wordt actief verspreid binnen de rijksoverheid en zalgepubliceerd worden op de website van het Kenniscentrum Beleid enRegelgeving (KCBR). Daarmee is het toegankelijk voor alle beleidsmakersen overheidsjuristen van de rijksoverheid. In overleg met de VNG enDivosa, zal het worden verspreid en onder de aandacht gebracht bijdecentrale overheden.Dit afwegingskader is een van de stappen die het kabinet de afgelopenjaren heeft gezet om te zorgen voor een burgergerichte, responsieve endienstbare overheid. Om inzicht te krijgen in de stand van zaken rond ditthema, heb ik het WODC gevraagd om een analyse uit te voeren van hetaantal bestuursrechtelijke procedures in beroep en hoger beroep. Waarmogelijk worden de cijfers vervolgens voorzien van een kwalitatieve3Idem.4https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR702501/1; https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A4170309/view; https://www.nationaleombudsman.nl/informatie-en-folders/folders-en-brochures/behoorlijkheidswijzer; Kamerstuk 32123-VI, nr. 88Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10302 duiding. Het onderzoek is bedoeld om erachter te komen in hoeverre alleinspanningen tot het gewenste resultaat leiden.Het onderzoeksresultaat kan een indicatie geven of er nog verderestappen nodig zijn. Het rapport zal ik uw kamer, wanneer gereed, doentoekomen.Uitspraak Centrale Raad van Beroep over artikel 6 EVRMIn het commissiedebat Staats- en bestuursrecht op 11 december 2025heeft het lid Sneller gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad vanBeroep (CRvB).5 In die uitspraak oordeelde de CRvB dat artikel 6, eerstelid, van het EVRM het in die bepaling neergelegde recht (o.a. op eeneerlijk proces binnen een redelijke termijn) toekent aan een ieder, derhalveook aan publiekrechtelijke lichamen.6 Het lid Sneller vroeg wat mijnambtsvoorganger op zijn weg zag liggen om daarmee te doen. Mijnambtsvoorganger heeft toegezegd er bij gelegenheid op terug te komen.7Graag maak ik van de gelegenheid van deze brief gebruik om dezetoezegging gestand te doen.In zijn uitspraak heeft de CRvB aangegeven zich aan te sluiten bij hetoordeel van (de belastingkamer van) de Hoge Raad in een arrest uit 2005.8De CRvB nam letterlijk de overweging van de Hoge Raad over «dat art. 6lid 1 het in die bepaling neergelegde recht toekent aan een ieder, derhalveook aan publiekrechtelijke lichamen». Zowel bij het arrest van de HogeRaad uit 2005 als bij de uitspraak van de CRvB uit 2025 zijn in de juridischeliteratuur kanttekeningen geplaatst.9Mijn ambtsvoorganger heeft in het debat reeds gewezen op de heersendeleer dat overheidsinstanties zich in nationale procedures niet kunnenberoepen op het EVRM, aansluitend bij het uitgangspunt van hetEuropees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat overheidsin-stanties daarover ook geen klacht kunnen indienen bij het EHRM. In deeerdergenoemde literatuur is er tevens op gewezen dat het arrest van debelastingkamer van de Hoge Raad uit 2005 en de uitspraak van de CRvBuit 2025 moeilijk zijn in te passen in de lijn van de heersende leer en vastejurisprudentie. Uit het arrest en de uitspraak zelf kan niet direct wordenafgeleid wat de motivering is geweest om daarin af te wijken van deheersende leer. In de genoemde literatuur is de veronderstelling geuit datde CRvB duidelijk wilde maken dat ook in procedures waarbij overheid-sentiteiten zijn betrokken als (appellerende) partijen, het streven moet zijndat deze niet onredelijk lang duren. Bij gebreke van een nadere motiveringvalt dat echter niet vast te stellen.Gelet op het voorgaande acht ik het belang van de betreffende uitspraakvan de CRvB voor de rechtspraktijk vooralsnog gering. Gevolgen voorburgers en bedrijven zijn er in ieder geval niet.Eventuele nieuwe rechterlijke uitspraken van hoogste rechtscolleges overdit vraagstuk zouden wellicht meer duidelijkheid kunnen verschaffen over5Zie verslag in Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 396.6CRvB 18 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:382.7Het betreft de toezegging die bij uw Kamer is geregistreerd onder nr. TZ202512–059: «DeStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe de Kamer te informeren over deimplicaties van de afwijking van de heersende leer, dat overheidsorganen geen beroep kunnendoen op artikel 6 van het EVRM, door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.»8HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO2973.9Zie de annotaties van A.M.L. Jansen in AB 2006/17 en AB 2025/314 en diens publicatie «Artikel6 EVRM voor de overheid?» in NJB 2025, afl. 35, p. 2939–2943, NJB 2025/2572.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10303 de wijze waarop het arrest van de Hoge Raad uit 2005 en de uitspraak vande CRvB uit 2025 in het systeem van grondrechtenbescherming en daaropgebaseerde jurisprudentie moeten worden geplaatst.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,K.T. van BruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10304

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3c856bb501aae78c

14 okt 2026 · af6a6042ea711045

13 okt 2026 · 7b486edf3562109c

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.