KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verschillen normbedragen studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld

14 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie eaf5b037e328e0b0 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202624 724StudiefinancieringNr. 249 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 november 2025Tijdens het commissiedebat mbo van 1 oktober jl. heb ik uw Kamertoegezegd in november van dit jaar een brief te sturen over de verschillenin financiële regelingen tussen mbo-studenten en hbo- en wo-studenten(Kamerstuk 31 524, nr. 679). Ook heb ik toegezegd om in het tweedekwartaal van 2026 met een nadere uitwerking te komen. Het commissie-debat van 1 oktober ging in het bijzonder over de verschillen in de hoogtevan de studiefinanciering naar aanleiding van het Manifest van JOBmboen de MBO Raad1 en over het restitutiebeleid. Ik ga daarom in deze briefin op wat nodig zou zijn om de verschillen op deze twee aspecten op teheffen. In deze brief voldoe ik gelijktijdig aan beide toezeggingen.2Mijn ambtsvoorganger heeft op 27 maart 2024 een brief aan uw Kamergestuurd over het vervolgonderwijs als waaier (de zogenaamde «waaier-brief»), waarin de verschillen in het studiefinancieringsstelsel inzichtelijkzijn gemaakt.3 Daarin is toegelicht dat de oorzaken van de verschillen nieteenduidig zijn. Aan sommige verschillen ligt een duidelijke beleidstheorieten grondslag. Voor andere verschillen is geen duidelijk verband met eenbeleidstheorie te vinden. Deze zijn vooral historisch of vanuit budgettaireafwegingen ontstaan. Voorts zijn sommige verschillen ten gunste vanmbo-studenten, terwijl andere verschillen ten gunste zijn van hbo- enwo-studenten. In het algemeen geldt dat verschillen het stelsel complexermaken, voor zowel studenten als de uitvoering. In het verleden zijn alenkele verschillen in de studiefinanciering geharmoniseerd, zoals hetgelijktrekken van de terugbetalingsvoorwaarden en het vervallen van debijverdiengrens.41Verkiezingsinzet MBO Raad x JOBmbo – JOB MBO.2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, TZ202510-131 en TZ202510-133.3Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11114Wet herinvoering basisbeurs in het hoger onderwijs. Stb., 2023, nr. 186. kst-24724-249ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 724, nr. 2491 Gelet op de grote impact van het rechttrekken van sommige van deverschillen uit de waaierbrief, en de samenhang tussen de verschillendemaatregelen, is ervoor gekozen om in deze brief maatregelen uit tewerken ten aanzien van de studiefinancieringsbedragen (de zogenaamde«normbedragen») en het restitutiebeleid. Dit zijn ook verschillen waarvaneen deel van uw Kamer heeft aangegeven het wenselijk te vinden deze teveranderen.Normbedragen studiefinancieringMbo-studenten ontvangen over het algemeen een lager totaalbedrag aanstudiefinanciering dan hbo- en wo-studenten. Sommige normbedragenzijn juist voor hbo- en wo-studenten weer lager dan voor mbo-studenten.In de genoemde brief «het vervolgonderwijs als waaier» kunt u eenuitgebreidere toelichting lezen. Tabel 1 geeft een overzicht van de huidigeverschillen in de normbedragen.Tabel 1: Normbedragen studiefinancieringOnderdeel studiefinancieringNormbedragmbo (2025)Normbedraghbo/wo (2025)Basisbeurs thuiswonend€ 103,78€ 125,99Basisbeurs uitwonend€ 338,68€ 314,00Aanvullende beurs thuiswonend€ 427,83(incl. top-uplesgeld)€ 475,17(met leenmo-gelijkheidcollegegeld)Aanvullende beurs uitwonend€ 455,22(incl. top-uplesgeld)Basislening1€ 226,08€ 304,951 De basislening kan iedere student lenen. Ten aanzien van de aanvullende beurs zijn naast de hoogte van hetnormbedrag ook andere aspecten verschillend:•De hoogte van de aanvullende beurs is verschillend voor thuis- enuitwonende mbo-studenten. Dit onderscheid bestaat niet voor hbo- enwo-studenten.•De inkomensgrens (vrije voeten) tot welk ouderlijk inkomen eenstudent nog in aanmerking komt voor de maximale aanvullende beursligt in het mbo hoger dan in het hbo en wo.5•De inkomensgrens tot welk ouderlijk inkomen een student nog inaanmerking komt voor een minimale aanvullende beurs ligt in het mbolager dan in het hbo en wo.6•Mbo-studenten krijgen een hogere aanvullende beurs zodra zij lesgeldbetalen (de top-up).7 Hbo- en wo-studenten kunnen het collegegeldlenen in de vorm van het collegegeldkrediet. Het is mogelijk om delesgeld top-up in de aanvullende beurs af te schaffen en mbo-studenten ook de mogelijkheid te geven om het lesgeld te lenen. Ditkan bijvoorbeeld op een wijze vergelijkbaar met het collegegeldkredietvoor hbo-en wo-studenten.5De diverse vrije voeten staan in de artikelen 3.9 en 3.9a van de Wet studiefinanciering 2000.6Hiervoor is het kortingspercentage relevant, dat is het percentage dat de aanvullende beursafneemt bij elke extra euro ouderlijk inkomen. Het kortingspercentage is voor het mbo 26% envoor het hbo/wo 13,6%.7Mbo-studenten betalen lesgeld als zij bij aanvang van het studiejaar 18 jaar zijn. Als zij tijdenshet studiejaar 18 jaar worden, betalen ze pas lesgeld bij aanvang van het nieuwe studiejaar. Detop-up is een verhoging van de aanvullende beurs met 1/12 deel van het wettelijk lesgeld vooréén studiejaar. Mbo-studenten die geen recht hebben op een (volledige) aanvullende beurs,kunnen dat deel van de top-up lenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 724, nr. 2492 Harmoniseren van verschillenEr zijn veel verschillende opties om de huidige verschillen in de normen(inkomensgrenzen) en normbedragen van de studiefinanciering teharmoniseren.•In de maximumvariant worden alle normen en normbedragen van debasisbeurs, de aanvullende beurs en de basislening verhoogd naar hethoogste van de huidige niveaus. De lesgeld top-up wordt vervangendoor de mogelijkheid om het lesgeld te lenen.8 Deze variant vraagt eeninvestering van structureel ongeveer € 391 miljoen (prijspeil 2025,exclusief uitvoeringskosten9). In de maximumvariant gaat geen enkelestudent er financieel op achteruit.•In de opgenomen minimumvariant worden de normbedragen voor debasisbeurs en basislening verlaagd naar het laagste van de huidigeniveaus. Bij de aanvullende beurs wordt het normbedrag geharmoni-seerd naar de thuiswonende aanvullende beurs in het mbo voorstudenten die lesgeld betalen. De overige normen (vrije voet enkortingspercentages) van de aanvullende beurs worden niet geharmo-niseerd. Deze variant levert structureel een besparing op van € 167miljoen (prijspeil 202510, exclusief uitvoeringskosten).•Het is ook mogelijk om de normen en normbedragen binnen hethuidige budget te harmoniseren. Dit kan op veel verschillendemanieren, waarbij altijd sommige normen en normbedragen verlaagden andere verhoogd zouden worden. Bij een besparings- of budget-neutrale variant, waarbij een deel van de bedragen lager zoudenworden, gaan groepen studenten er financieel op achteruit.Tenslotte is het ook mogelijk om alleen op bepaalde onderdelen bijstel-lingen te doen. Bijvoorbeeld alleen op het gebied van de aanvullendebeurs of alleen voor de basisbeurs voor uitwonende studenten. Dit kost bijeen verhoging minder dan de maximumvariant en levert bij een verlagingminder op dan de minimumvariant.Juridische en uitvoeringstechnische gevolgenEen wijziging van de normen en normbedragen vergt een wetswijziging.Hiervoor geldt een doorlooptijd van minimaal 2 jaar vanaf het momentdat de inhoudelijke contouren duidelijk zijn. Aanpassing is wenselijk per1 januari van enig jaar, omdat de normen en normbedragen op datmoment worden geïndexeerd. Er dient ook rekening te worden gehoudenmet de doorlooptijd van aanpassingen in de uitvoering door DUO.De incidentele uitvoeringskosten voor DUO worden geschat op maximaal€ 2 miljoen (prijspeil 2025). De structurele uitvoeringskosten wordengeschat op maximaal € 1 miljoen (prijspeil 2025). De hoogte van destructurele uitvoeringskosten is afhankelijk van de gekozen variant, omdateen variant met een leenvoorziening voor het lesgeld een nieuwinstrument is voor DUO en daardoor structureel extra kosten met zichmeebrengt. Indien gekozen wordt voor verhoging van (alle) normen of8Er zijn ook varianten denkbaar waarbij de lesgeldvergoeding in de aanvullende beurs in eenvergelijkbare vorm als nu behouden blijft. Hiermee blijft een verschil met het hbo-wo bestaan,wat de uitlegbaarheid vermindert. Dit is wel ongeveer € 30 miljoen euro structureel goedkoper.Dat komt omdat de maximale aanvullende beurs voor meerderjarige mbo-studenten die geenlesgeld betalen, dan lager wordt. Dat is doelmatiger: studenten die geen lesgeld betalenhebben immers lagere studiekosten, wat een lagere aanvullende beurs zou kunnenrechtvaardigen.9Bij invoering moeten de indicatieve kosten geactualiseerd worden aan de hand van de recentecijfers over het studiefinancieringsgebruik en de normbedragen in het actuele prijspeil.10In de ombuigingslijst is een vergelijkbare variant opgenomen, waarbij in de ombuigingslijst debasislening niet is geharmoniseerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 724, nr. 2493 normbedragen is er mogelijk geen overgangsrecht nodig. Geen enkelestudent gaat er dan financieel op achteruit. Indien gekozen wordt voor eenverlaging van (een deel van de) normen of normbedragen is mogelijkovergangsrecht nodig. Dit compliceert de uitvoering, waarbij deincidentele- en structurele uitvoeringskosten stijgen.Restitutie les- en cursusgeldDe regels rondom restitutie van collegegeld (hbo en wo) en het lesgeld(mbo bol, voltijd vavo) en cursusgeld (mbo bbl, deeltijd vavo) zijnverschillend. Dit is eerder met uw Kamer gedeeld.11 Dit verschil ziet er optoe dat mbo-studenten en vavo-scholieren12 aan specifieke voorwaarden,zoals het hebben van een ernstige ziekte, moeten voldoen om inaanmerking te komen voor restitutie van het les- of cursusgeld.13 Ookmoeten zij zelf een aanvraag doen bij DUO (lesgeld) of bij de onderwijs-instelling (cursusgeld). In het hbo en wo wordt het collegegeld automa-tisch en zonder voorwaarden terugbetaald bij tijdige uitschrijving.14Dat er sprake is van strikter restitutiebeleid in het mbo en vavo hangtsamen met de startkwalificatie. Bij de totstandkoming van het Uitvoe-ringsbesluit Les- en Cursusgeld 2000 is ervoor gekozen om les- encursusgeld in beginsel niet te restitueren bij voortijdige beëindiging vaneen opleiding. Het doel hiervan was om studenten te stimuleren eenstartkwalificatie te behalen, die mbo-studenten en vavo-scholieren integenstelling tot hbo- en wo-studenten nog vaak niet hebben behaald.15Dit verschil vindt dus – in tegenstelling tot sommige andere verschillen –zijn oorsprong in een beleidstheorie. Er zijn ook andere instrumenten omhet behalen van een startkwalificatie te stimuleren, zoals de prestatie-beurssystematiek voor het mbo niveau 3–4 en de vsv-aanpak.Een deel van uw Kamer heeft de wens uitgesproken om het restitutie-beleid te willen harmoniseren16, zodat ook mbo-studenten in aanmerkingkomen voor restitutie zonder voorwaarden en aparte aanvraag. Als devoorwaarden voor restitutie vervallen, leidt dit ertoe dat mbo-studentendie zich gedurende het studiejaar uitschrijven, ongeacht de reden, geenles- of cursusgeld meer hoeven te betalen voor de maanden dat zij geenonderwijs meer volgen. Een uitzondering hierop zijn de laatste maandenvan het studiejaar (juni, juli) zoals dit nu ook al geldt in het mbo envergelijkbaar is met het hbo-wo. Daarnaast hoeven studenten geen aparteaanvraag meer te doen. Een uitschrijving is dan voldoende om inaanmerking te komen voor restitutie.De geschatte financiële gevolgen van de maatregel om ook restitutie vanles- en cursusgeld zonder voorwaarden en aanvraag mogelijk te maken11Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 31 524, nr. 569 en Aanhangsel Handelingen II 2023/24,nr. 1374.12Als in de brief wordt gesproken over mbo-studenten die les- of cursusgeld betalen, wordt ookverwezen naar deze groepen vavo-scholieren.13Zie artikel 7, tweede lid, en artikel 14 tweede en vijfde lid, Uitvoeringsbesluit Les- en Cursus-geldwet 2000. Mbo-instellingen kunnen ook aanvullende situaties formuleren voor restitutievan het cursusgeld (zie artikel 14, derde lid, Uitvoeringsbesluit Les- en Cursusgeldwet 2000).14In het hbo en wo geldt dat de maanden juli en augustus zijn uitgezonderd van restitutie.Studenten moeten zich voor 1 juni hebben uitgeschreven om in aanmerking te komen voorrestitutie van het collegegeld.15Een havo, vwo of mbo diploma op niveau 2 geldt als startkwalificatie.16Bijvoorbeeld middels de motie van het lid Tseggai c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar2024–2025, 31 524, nr. 633), de motie Westerveld c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024,31 524, nr. 586) en gestelde vragen tijdens het mbo debat van 1 oktober 2025 (Tweede Kamer,vergaderjaar 2025–2026).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 724, nr. 2494 worden geschat op € 27 miljoen structureel (exclusief uitvoerings-kosten17).Juridische en uitvoeringstechnische gevolgenDeze maatregel vergt een wijzing van het Uitvoeringsbesluit Les- encursusgeldwet 2000 met een doorlooptijd van ongeveer 1 jaar. Bezienmoet worden of dit ook een realistisch tijdpad is om de uitvoering doorDUO en de onderwijsinstellingen aan te passen.De incidentele uitvoeringskosten voor aanpassingen van het lesgeld-systeem van DUO worden geschat op maximaal € 1 miljoen (prijspeil2025). Er worden geen structurele kosten voorzien. De incidentele enstructurele uitvoeringskosten voor de onderwijsinstellingen zijn nog nietvolledig in beeld. Het is mogelijk dat de administratieve last voorinstellingen kan toenemen.Tot slotMet deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal financiëleverschillen waar uw Kamer om heeft gevraagd. Aanpassingen in destudiefinanciering en het restitutiebeleid zijn van invloed op de financiëlepositie van studenten. Voor de volledigheid verwijs ik uw Kamer ook naarde aanstaande beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad«Armoede en onderwijs» waarin ik onder andere inga op de financiëletoegankelijkheid van het mbo en hoe schoolkosten daarin een rol spelen.Het is aan een volgend kabinet om de politieke afweging te maken of denormbedragen in de studiefinanciering en de restitutie van het les- encursusgeld worden aangepast en zo ja, voor welke variant dan wordtgekozen en welke gevolgen dit heeft voor studenten en de uitvoering.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. Moes17De structurele kosten zijn in prijspeil studiejaar 2025–2026 en indicatief. Bij invoering van dezemaatregel moeten de indicatieve kosten geactualiseerd worden aan de hand actuelere cijfersover studentenaantallen, het aantal uitschrijvingen en de tarieven van het les- en cursusgeld inhet actuele prijspeil.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 724, nr. 2495

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0edce101500ceb6a

14 okt 2026 · 008039b8f1deff11

13 okt 2026 · 8f2c94f3755a5b5e

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.