KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid 7-8 juli 2025 (Kamerstuk 21501-31-793)

4 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 23ebadfce8e07456 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-31Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid,Volksgezondheid en ConsumentenzakenNr. 796 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 juli 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over de brief van 24 juni 2025 over degeannoteerde agenda Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid7–8 juli 2025 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 793).De vragen en opmerkingen zijn op 2 juli 2025 aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 4 juli 2025 zijn devragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,Van der BurgAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-21501-31-796ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7961 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie vande bewindspersoon1Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieen reactie van de bewindspersoon1Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindsper-soon2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en reactie van de bewindspersoon9Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie en reactie van de bewindspersoon9 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Informele Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid 7–8 juli 2025.Deze leden hebben hierover een aantal vragen aan de regering.De leden van de PVV-fractie lezen dat het eerste agendapunt vande geannoteerde agenda onder andere gaat over de vrije uitwis-seling van Europese Unie (EU)-arbeidsmigranten, waarbij hetvrijwel altijd uitkomt op Oost-Europese arbeidsmigranten dievoor weinig geld werken in de West-Europese landen. Is hetkabinet het met deze leden eens dat er in Nederland een grootonbenut arbeidspotentieel is en dat dit aanpakken leidt totminder behoefte aan arbeidsmigranten?Over de Nederlandse inzet op het tweede agendapunt van degeannoteerde agenda over het concurrentievermogen metbetrekking tot werkgelegenheid zijn de leden van de PVV-fractiepositiever. Ook deze leden zien het belang van het bevorderenvan talent en vaardigheden, zodat ieder individu zich optimaalkan ontwikkelen op de arbeidsmarkt. Toch zijn deze ledenbenieuwd hoe dit rijmt met het feit dat werkgevers in Nederlandstaan te springen om werknemers, terwijl die er gewoon al zijn.Ziet het kabinet hier een noodzaak dat om dit doel te bereiken ereerst meer mensen in Nederland aan het werk moeten gaan en/ofiets meer werkuren zouden moeten maken?Het kabinet is het eens dat het aanspreken van onbenut arbeidspotentieelbelangrijk is. Het aanwenden van dit potentieel kan ertoe leiden dat erminder behoefte is aan arbeidsmigratie. De netto arbeidsparticipatie inNederland is de afgelopen decennia hard gestegen en behoort tot deEuropese top. Onbenut arbeidspotentieel is geen statische groep vanmensen. Uit cijfers van de afgelopen jaren weten we dat veel van depersonen die in deze groep zitten snel weer een baan vinden of meer urengaan werken. Dit is de gebruikelijke dynamiek op de arbeidsmarkt. Deovergebleven groep mensen die langdurig aan de kant staat, is relatiefklein1. Maar dat wil niet zeggen dat we niks moeten doen. In mijn briefover de brede arbeidsmarktagenda van december jongstleden benoem ikverschillende acties van het kabinet om de duurzame arbeidsparticipatiete verhogen2. Daarnaast zet ik met de landelijke meerjarenagenda samen1https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85648NED/table?dl=C359C2Kamerstukken II, 2024/25, 29 544, nr. 1260.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7962 met de partners in de arbeidsmarktinfrastructuur de komende jarenexpliciet in op het betrekken van mensen met een afstand tot de arbeids-markt. Ook wil het kabinet meer werken laten lonen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomenvan de agenda en het Fiche Mededeling horizontale interne-marktstrategie.3 Deze leden hebben hier enkele vragen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinetkansen ziet in het zogenaamde 28e regime, waar vennootschaps-recht, insolventierecht, fiscaal recht en zelfs arbeidsrecht onderkunnen vallen. Deze leden maken zich hierover grote zorgen. Zijvragen of het kabinet onderschrijft dat sociale minimumnormeneen intrinsiek onderdeel zijn van de interne markt, en dat dezenormen bijdragen aan opwaartse sociale convergentie binnen deEU. Deze leden vragen of het kabinet erkent dat het invoeren vaneen 28e regime dat minimumbescherming centraal stelt in depraktijk kan leiden tot een verlaging van het beschermings-niveau. Zij vragen de Minister of hij het ermee eens is dat socialeminimumbescherming niet als standaard mag worden opgelegdvia een optioneel regime, waarbij nationale wet- en regelgevingwordt omzeild.Het kabinet acht het noodzakelijk om de concurrentiekracht van de EU teversterken. Een meer concurrerende economie zorgt voor florerendebedrijven, meer kwalitatieve banen en hogere inkomens, betere productenen diensten, en voldoende belastinginkomsten om publieke voorzieningente financieren. Daarmee versterken we onze bestaanszekerheid, onzeweerbaarheid en kunnen we maatschappelijke opgaven aan. Om dit tebewerkstelligen zet het kabinet in op een sterke en eerlijke interne markt,conform de Kamerbrief over het EU-concurrentievermogen4. Zoals ookgeconcludeerd in het rapport van Enrico Letta5 gaan een goed functione-rende en eerlijke interne markt hand in hand. Het kabinet erkent daarbijdat sociale minimumnormen hierin een essentiële rol spelen, omdat zijbijdragen aan de bescherming van werkenden, opwaartse convergentieen een gelijk speelveld. Ter versterking van de interne markt zet hetkabinet in op het wegnemen van ongerechtvaardigde belemmeringen opde interne markt. Uitgangspunt van het kabinet is dat hiermee geenafbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau van werkenden.Ten aanzien van het aangekondigde 28e regime ziet het kabinet kansenvoor de groei van innovatieve bedrijven, omdat deze bedrijven op deinterne markt nu belemmeringen ervaren. Tegelijkertijd is over hetvoorgenomen voorstel voor een 28e regime nog weinig bekend. Het isdaarom voor het kabinet nog onduidelijk hoe dit voorstel zich zalverhouden tot het arbeidsrecht. Voor het succes van het 28e regime, achthet kabinet het van doorslaggevend belang dat een dergelijk regelgevendkader in de behoeften van alle belanghebbenden voorziet, onder wiewerknemers. Ook acht het kabinet het van belang dat het EU-raamwerkjuridisch duidelijk wordt vormgegeven, met een heldere status enjuridische basis. Het kabinet zal het voorstel van de Europese Commissieop zijn merites beoordelen wanneer het voorstel wordt gepubliceerd. Uw3Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4096.4Kamerstukken II, 2024/25, 21 501-30, nr. 621.5Zie voor de kabinetsreactie op het Letta-rapport Kamerstuk 21 501-30, nr. 603Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7963 Kamer zal hierover via de geëigende weg via een BNC-fiche wordengeïnformeerd.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet of hetkan aangeven wat de toegevoegde waarde is van het 28e regimevoor werknemers, als daarin ook het arbeidsrecht meegenomenwordt. Deze leden vragen het kabinet om aan te geven op welkepunten de positie van werknemers verslechtert en of erüberhaupt punten zijn waarvan verwacht kan worden dat depositie van werknemers versterkt wordt als ook het arbeidsrechtonder dit regime gebracht wordt.Het voorstel voor het 28e regime is nog niet gepubliceerd. Het is daaromvoor het kabinet nog onduidelijk hoe dit voorstel zich zal verhouden tothet arbeidsrecht. Uitgangspunt voor het kabinet is dat het 28e regime zoumoeten voorzien in de behoeften van alle belanghebbenden, onder wiewerknemers. Wanneer het voorstel wordt gepubliceerd zal het kabinet hetvoorstel op zijn merites beoordelen. Uw Kamer wordt hierover via eenBNC-fiche geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat hetkabinet in de brief aangeeft dat de Wet toelating terbeschikking-stelling arbeidskrachten (Wtta) zonder vertraging moet wordeningevoerd en dat het beschermingsniveau daarvan niet magworden ondermijnd. Deze leden vragen de Minister of hij bereid iszijn veto uit te spreken over aankomende wetgeving of beleids-maatregelen indien de implementatie of werking van de Wtta ingevaar komt.Ik acht het cruciaal dat de Wtta zonder vertraging kan worden ingevoerden het beschermingsniveau hiervan niet wordt ondermijnd. Zoals ookaangegeven in het BNC-fiche over de Horizontale Interne Markt Strategiegaat het kabinet hierover in gesprek met de Commissie en zal het kabinethierover verduidelijkende vragen stellen. Het is vooralsnog onduidelijk ofde Commissie met een voorstel zal komen dat raakt aan de implementatievan de Wtta. Bij eventuele publicatie van een voorstel wordt duidelijkvolgens welke procedure een eventueel voorstel wordt vastgesteld en ofer al dan niet bij gekwalificeerde meerderheid wordt besloten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat destrategie voor de interne markt gericht moet zijn op debescherming van werknemers tegen onderbetaling en uitbuiting.Deze leden vragen of het kabinet deze visie deelt. Ook vragendeze leden of het kabinet de opvatting deelt dat nationale wettendie als doel hebben werknemers te beschermen leidend moetenzijn boven de strategie de zich vooral richt op de vraag vanwerkgevers en ondernemers die voordeel hebben in de handelvan arbeid van mensen.Het kabinet is positief over de strategie en verwelkomt de nadruk van deCommissie op de versterking, vereenvoudiging en stroomlijning van deinterne markt. Het kabinet acht het van belang om ongerechtvaardigdebelemmeringen weg te nemen om de interne markt te versterken, zonderafbreuk te doen aan de inzet op hoge sociale en milieustandaarden. Eengoedwerkende, sterke, eerlijke, circulaire en duurzame interne markt isbelangrijk voor onze brede welvaart en draagt bij aan het concurrentiever-mogen van de EU. Het kabinet hanteert daarbij het uitgangspunt dat hetinterne-marktbeleid moet worden gebaseerd op de behoeften van zowelondernemers, burgers als werknemers. Ook zou de uitwerking van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7964 strategie geen afbreuk mogen doen aan de bescherming van werkendenop nationaal en Europees niveau.De leden van de GroenLinks-PvdA-merken op dat richtlijnen diebetrekking hebben op arbeidsomstandigheden, zoals die overwerken met gevaarlijke stoffen, in alle gevallen slechts eenbodem leggen voor regelgeving en er altijd de ruimte moetblijven om een beter beschermingsniveau te behouden en tevormen. Deze leden vragen tevens of het kabinet bereid is zichtegen standaardbepalingen te verzetten die deze ruimte zoudenbeperken.Jaarlijks zijn er in Europa circa 100.000 (ex-)werknemers die komen teoverlijden als gevolg van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen inhet verleden. Mede door de Nederlandse inzet is inmiddels een goedbegin gemaakt door voor een groot deel van de belangrijkste kankerver-wekkende stoffen een minimumnorm op EU-niveau vast te stellen. Hetkabinet zet deze inzet onverminderd voort. Daarbij is voor het kabinet vanbelang dat de bescherming van werkenden en een gelijk speelveld op deinterne markt, waarbij wordt geconcurreerd op kwaliteit in plaats vanarbeidsomstandigheden, wordt bevorderd. Verder merkt het kabinet opdat zij conform de Kamerbrief over het EU-concurrentievermogen inalgemene zin inzet op meer harmonisatie en uniforme implementatie vanwet- en regelgeving en op versterking van de interne markt6. Harmoni-satie mag echter niet leiden tot een minder goed beschermingsniveauvoor het werken met gevaarlijke stoffen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erkennen dat uitzonde-ringen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) legitiem kunnenzijn. Deze leden maken zich echter zorgen over het mogelijkintroduceren van een aparte categorie mid cap-bedrijven dieuitzonderingen zouden krijgen op normen die werknemersbeschermen. Deze leden vragen wat de toegevoegde waarde isvan de nieuwe categorie voor wie uitzonderingen gaan gelden enof hier al zicht op is en om zodra hier zicht op bestaat dit directaan de Kamer te melden.Op 21 mei jl. publiceerde de Europese Commissie (hierna: de Commissie)een vierde Omnibuspakket dat tot doel heeft onnodige regeldruk teverminderen, waaronder een voorstel om bepaalde steunmaatregelenvoor het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) uit te breiden naar smallmid-cap ondernemingen (hierna: SMC’s).In de aanbeveling definieerde de Commissie wat onder een SMC dient teworden verstaan: ondernemingen met 250 tot 750 werkzame personen, incombinatie met een jaaromzet van 50 tot 129 miljoen euro en/of eenbalanstotaal van 43 tot 150 miljoen euro. Ten aanzien van de toepassingvan deze definitie, stelde de Commissie voor om bepaalde lichtereregimes voor het mkb uit te breiden naar SMC’s in de volgende wetge-vingen: de Algemene Verordening Gegevensbescherming, Antidumping-maatregelen, de Verordening bescherming tegen invoer met subsidiëring,de Prospectusverordening en de Verordening batterijen en afgedanktebatterijen. Ook werd een aanpassing van de Verordening gefluoreerdebroeikasgassen voorgesteld om onbedoelde regeldruk voor kleinerebedrijven te beperken. Daarnaast stelde de Commissie voor om tweerichtlijnen aan te passen, zodat de daarin opgenomen bepalingen voor hetmkb eveneens van toepassing worden op SMC’s: de Richtlijn betreffende6Kamerstukken II, 2024/25, 21 501-30, nr. 621.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7965 markten voor financiële instrumenten (MiFID II) en de Richtlijn betreffendeweerbaarheid van kritieke entiteiten.In algemene zin verwelkomt het kabinet de inzet van de Commissie opeen geharmoniseerde definitie van SMC’s, als bijdrage aan het vermin-deren van onnodige regeldruk. Een heldere definitie maakt het mogelijkom gerichtere steunmaatregelen te ontwikkelen. Verder biedt de nieuwedefinitie de mogelijkheid om systematische dataverzameling over SMC’sop te zetten – eveneens een positieve ontwikkeling. Het kabinet onder-streept hierbij dat steunmaatregelen voor SMC’s niet ten koste mogengaan van bestaande regelgeving en (financiële) steun voor het mkb.Op dit moment is mij geen voorstel bekend waar SMC’s uitzonderingenzouden krijgen op normen die werknemers beschermen. Het kabinetbenadrukt dat bij toekomstige aanpassingen van Europese wet- enregelgeving per geval zorgvuldig moet worden afgewogen of hetnoodzakelijk en wenselijk is om een apart regime voor SMC’s te introdu-ceren. Die afweging dient te worden gebaseerd op de verwachtemeerwaarde voor administratieve lastenverlichting, het behalen vanbeleidsdoelstellingen, complexiteit van regelgeving, het waarborgen vaneen gelijk speelveld en de mogelijke impact op mens en milieu. Voor eenuitgebreidere toelichting op het betreffende Omnibusvoorstel en dekabinetsinzet daaromtrent, verwijs ik u naar het bijbehorende BNC-fiche7.Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieaandacht voor de relatie tussen de interne-marktstrategie en hetbestrijden van armoede. Deze leden vragen of het kabinet bereidis te erkennen dat een minimum aan prijscompensatie noodza-kelijk is om de koopkracht van mensen in armoede op peil tehouden. Zij onderstrepen dat er meer nodig is om armoedestructureel te bestrijden, maar prijscompensatie kan hier eenonderdeel van zijn.Het kabinet onderschrijft het belang van armoedebestrijding. De statischekoopkrachtontwikkeling van mensen is afhankelijk van beleidsmatigeaanpassingen en de ontwikkeling van lonen en prijzen. Deze onderdelenmoeten in balans zijn om de koopkracht te behouden. In Nederland wordtdit voor een belangrijke mate geregeld via de koppeling tussen uitke-ringen en het wettelijk minimumloon, dat meestijgt met de gemiddeldeloonontwikkeling. Daarmee houden uitkeringen gelijke tred met deloonontwikkeling en stijgen uitkeringen op de lange termijn juist harderdan de prijzen. Ook de toeslagen worden geïndexeerd. In bijzonderesituaties kan met gerichte steun hulp worden geboden aan huishoudens,bijvoorbeeld het noodfonds energie. Het kabinet heeft recent hetNationaal Programma Armoede en Schulden aan de Kamer gestuurdwaarin maatregelen zijn benoemd die het kabinet neemt om armoede tebestrijden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomenvan de verkenning aanpak onrechtmatige detachering derdelan-derwerknemers. Zij hebben hier nog enkele vragen over. Dezeleden lezen dat de cijfers omtrent het aantal gedetacheerdederdelanderwerknemers nog steeds niet goed inzichtelijk is. Dezeleden vragen de Minister wat gedaan kan worden om het aantalgedetacheerde derdelanderwerknemers beter in kaart te kunnenbrengen. Zij benadrukken dat deze cijfers al langer slechtinzichtelijk zijn en hier oplossingen voor moeten worden gezocht.7Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4085.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7966 Het klopt dat bij de cijfers uit het meldloket, die worden aangeleverd doorwerkgevers, altijd het risico bestaat dat deze onvolledig zijn, of dat erfouten in zitten. Wel is het zo dat er dankzij de meldplicht veel meergedetacheerde werknemers in beeld zijn dan voor de invoering van demeldplicht in 2020. Ook is de kwaliteit van de data de afgelopen jarenverbeterd. Zo is sinds ongeveer een jaar ook bekend hoeveel gedeta-cheerde werknemers werken als uitzendkracht. Tegelijkertijd zie ik hier ooknog ruimte voor verbetering. Daarom blijf ik inzetten op het verbeterenvan de naleving van de meldplicht, onder andere door voorlichting.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het groeiendeaantal derdelanders dat in Nederland werkzaam is onder meerveroorzaakt wordt door de uitbesteding van het werkgeverschap.Is het wat de Minister betreft dus niet ook logisch en noodza-kelijk om de uitbesteding van het werkgeverschap terug tedringen om illegale doordetachering terug te dringen, bijvoor-beeld door in te zetten op meer rechtstreekse dienstverbanden enminder flexibele contracten?Ik zet erop in dat mensen in flexibele contracten meer zekerheid krijgenover hun inkomen en hun rooster en dat schijnzelfstandigheid wordtteruggedrongen. Hiertoe dienen bijvoorbeeld het wetsvoorstel «Meerzekerheid flexwerkers» en het wetsvoorstel «Verduidelijking beoordelingarbeidsrelatie en rechtsvermoeden». Deze initiatieven kunnen, tezamenmet andere maatregelen, ook bijdragen aan het adresseren van degeschetste problematiek.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister wat nahet gezamenlijke «Position paper on the posting of third countrynationals»8 de vervolgstappen zijn geweest om een verduide-lijking van het juridische kader verder te brengen. Welke stappengaan nog genomen worden? Zijn er inmiddels meer lidstatenvoornemens zich bij dit initiatief aan te sluiten?Ik benut elke gelegenheid om in Europees verband aandacht te vragenvoor de uitdagingen rondom de detachering van derdelanders en denoodzaak om deze aan te pakken.Zo heb ik Eurocommissaris Mînzatu tijdens haar bezoek aan Nederlandeind maart uitgenodigd om deel te nemen aan een inspectie van deNederlandse Arbeidsinspectie, waarbij ook gedetacheerde derdelander-werknemers zijn aangetroffen. Ook heb ik met diverse collega’s bilateralegesprekken gevoerd over de uitdagingen rond de detachering vanderdelanders. Ook de komende periode zal ik aandacht blijven vragenvoor deze uitdagingen en de noodzaak deze aan te pakken, waarondertijdens de Informele Raad in Denemarken.De Europese Commissie zal naar verwachting begin 2026 een «FairLabour Mobility Package» presenteren, een pakket met voorstellen gerichtop het bevorderen van eerlijke arbeidsmobiliteit. Ik zet me er voor in datdit pakket ook voorstellen bevat op het gebied van detachering vanderdelanderwerknemers.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het voornemen om de (informatie)positie vanderdelanderwerknemers te verbeteren door met het project Workin NL (WIN) te werken aan landelijk dekkende informatievoor-ziening voor arbeidsmigranten. Is de Minister het met deze leden8Kamerstuk 29 861, nr. 158.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7967 eens dat het essentieel is om het aantal WIN-punten landelijk uitte breiden?Het is inderdaad essentieel om te komen tot een landelijk dekkendeinformatievoorziening voor arbeidsmigranten. Er zijn op dit moment in 11regio’s WIN-punten actief. In 23 regio’s worden voorbereidingen getroffenom een WIN-punt op te zetten. Daarbij wordt er gekeken naar de populatiearbeidsmigranten in een regio, welke partners aanwezig zijn en deinrichting van een punt (bijvoorbeeld naast fysiek ook mobiel). Gedurendehet jaar verwacht ik dat steeds meer regio’s hun WIN-punt zullen openen.We zien in veel regio’s dat actief de samenwerking opgezocht wordttussen verschillende (overheids)loketten. Zo wordt in het merendeel vande regio’s samenwerking met de Werkcentra gezocht. Ook wordt er eensamenwerking ingericht met de «International welcome centers» (expatcenters) en/of GrensInformatiePunten.Deze leden lezen dat de voorgestelde maatregel is om hetconcept «hoofdactiviteit» in nationale regelgeving te verduide-lijken. Deze leden vragen of en zo ja waarom er al is gekozenvoor de termijn van drie maanden waarin de gedetacheerdevoorafgaand aan tewerkstelling bij de werkgever in de zendendelidstaat moet hebben gewerkt. Is het mogelijk om deze termijnuit te breiden naar zes of twaalf maanden? Daarnaast zijn dezeleden benieuwd hoe de Minister de handhaving hiervan voor zichziet.Er is nog niet gekozen voor de duur van de termijn, de precieze termijn zalik de komende maanden zorgvuldig uitwerken. Het Europese Hof vanJustitie heeft eerder geoordeeld dat termijnen van zes of twaalf maandeneen ongerechtvaardigde beperking vormen op het vrij verkeer vandiensten9.Arbeidsinspecties houden toezicht op detacheringen. Door het juridischkader te verduidelijken kunnen meer detacheringen in het grijze gebiedaangemerkt worden als rechtmatig of onrechtmatig. Daarmee geeft het deArbeidsinspecties betere handvatten om onderscheid te maken tussenrechtmatige en onrechtmatige detachering om zo effectief op te kunnentreden tegen onrechtmatige detachering. Verduidelijking van het juridischkader en een effectief toezicht gaan dus hand in hand.De leden van GroenLinks-PvdA lezen in de brief dat de maatre-gelen verschillende doorlooptijden hebben. De misstandenomtrent derdelanderdetachering blijven zich echter iedere dagvoordoen. Deze leden vragen wat de Minister in de tussentijdconcreet gaat doen om de misstanden met derdelanderdeta-chering tegen te gaan. Is de Minister bijvoorbeeld bereid om metzijn ambtsgenoten in Litouwen, Polen en Hongarije in gesprek tegaan over de terugvorderprocedures van vrachtwagens vanstakende chauffeurs die via bedrijven in deze landen illegaalworden doorgedetacheerd naar Nederland?Ik zet al concrete stappen op bijvoorbeeld het verbeteren van de informa-tievoorziening en het versterken van Europese samenwerking, zowelbilateraal als via de ELA. Ik blijf met andere lidstaten in gesprek omgezamenlijk de schaduwkanten van het vrij verkeer te adresseren, ook inde transportsector. Waar nodig en relevant zoeken ook toezichthoudende9Zie C-168/04 (Commissie v Oostenrijk). Zie ook C-244/04 (Commissie v Duitsland) en C-445/03(Commissie v Luxemburg).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7968 autoriteiten op casusniveau de samenwerking op met collega-diensten inandere landen, ondersteund door ELA.Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of hetkabinet kan aangeven of er een apart derdelandersregime kankomen. Ook vragen deze leden of er daarmee geshopt kanworden tussen regimes en wat de gevolgen zijn voor derde-landers. Tevens vragen deze leden of de detacheringsrichtlijngewijzigd moet worden.Er bestaan verschillende opties om het juridisch kader op EU-niveau teverduidelijken, waaronder het introduceren van een nieuwe richtlijn, hetwijzigen van bestaande wetgeving, en het ontwikkelen van richtsnoeren.Het is aan de Europese Commissie om al dan niet met een voorstel tekomen voor verduidelijking van het juridisch kader voor derdelanderwerk-nemers. Voor mij is uiteindelijk het doel leidend, namelijk beterebescherming van derdelanderwerknemers. Daar blijf ik me de komendeperiode actief voor inzetten.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de agenda van de Informele Raad Werkgelegenheid enSociaal Beleid van 7 en 8 juli aanstaande, en danken de Ministervoor zijn toelichting op de geagendeerde thema’s. Deze ledenhebben hiertoe geen vragen of opmerkingen. Zij wensen deMinister dan ook veel succes met deze Informele Raad.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de Informele Raad voor Werkgele-genheid en Sociaal Beleid op 7 en 8 juli 2025, en het verslag vande Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid 19 juni 2025.Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de NSC-fractie zijn positief over de aandacht die deMinister nationaal en internationaal vraagt voor de detacheringvan derdelanders. Deze leden onderstrepen het belang van hetaanpakken van onrechtmatige detachering van derdelanderwerk-nemers, om uiteindelijk meer grip te krijgen op arbeidsmigratie.Het is belangrijk dat eerlijke arbeidsmobiliteit hiervoor wordtbevorderd. Deze leden vragen de Minister welke stappen hijvoornemens is nog in 2025 te zetten om Europese opvolging telaten geven aan de oproep uit het gezamenlijke position paperom het juridisch kader te verduidelijken.Ik benut elke gelegenheid om in Europees verband aandacht te vragenvoor de uitdagingen rondom de detachering van derdelanders en denoodzaak om deze aan te pakken. Ook de komende tijd zal ik aandachtblijven vragen voor deze uitdagingen en de noodzaak deze aan te pakken,waaronder tijdens de Informele Raad in Denemarken. De EuropeseCommissie zal naar verwachting begin 2026 een «Fair Labour MobilityPackage» presenteren, een pakket met voorstellen gericht op hetbevorderen van eerlijke arbeidsmobiliteit. Ik zet me er op in dat dit pakketook voorstellen bevat op het gebied van detachering van derdelander-werknemers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 7969 Zij vragen de Minister tevens hoe hij gaat borgen dat eeneventuele nieuwe richtlijn over de detachering van derdelander-werknemers daadwerkelijk handhaafbaar en effectief is, zonderde bureaucratische lasten. En hoe voorkomt de Minister tenslotte dat een uitbreiding van de European Labour Authority(ELA) leidt tot een sluipende uitbreiding van EU-bevoegdheden?De Europese Commissie zal, naar verwachting begin 2026, met een «FairLabour Mobility Package» komen, een pakket met voorstellen gericht ophet bevorderen van eerlijke arbeidsmobiliteit. Het kabinet zal allevoorstellen uit het pakket op zijn merites beoordelen wanneer het pakketwordt gepubliceerd. Uw Kamer zal hierover via de geëigende weg via eenBNC-fiche worden geïnformeerd. Daarbij zal het kabinet ook oog hebbenvoor de handhaafbaarheid en effectiviteit. Juist omdat er momenteelonduidelijkheid bestaat over het juridisch kader, verwacht ik dat eeneventueel voorstel op dit terrein meer duidelijkheid kan scheppen en toteen betere handhaafbaarheid leidt.De Commissie concludeert in de evaluatie van Europese Arbeidsautoriteit(ELA) dat gerichte wijzingen van het mandaat de ELA zouden kunnenversterken. Naar verwachting zal het eerdergenoemde pakket over eerlijkearbeidsmobiliteit ook een voorstel voor versterking van de ELA bevatten.De Nederlandse prioriteiten voor de evaluatie van de ELA zijn in januari2024 met uw Kamer gedeeld10. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten omdie prioriteiten ook te laten landen in het uiteindelijke Commissievoorstel.Conform de bestaande informatieafspraken zal het kabinet na publicatievan het voorstel uw Kamer via een BNC-fiche informeren over deNederlandse onderhandelingsinzet. Daarbij wordt ook ingegaan op debevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit van Commissievoor-stellen. Daarbij teken ik aan dat arbeidsmobiliteit bij uitstek een thema isdat grensoverschrijdende samenwerking vraagt. Een intensieve enstructurele samenwerking tussen arbeidsinspecties is van groot belangom misstanden met een grensoverschrijdend karakter effectief te kunnenaanpakken.De leden van de NSC-fractie onderstrepen de noodzaak van hetbevorderen van vaardigheden en leven lang ontwikkelen in degeplande gedachtewisseling over concurrentievermogen op hetgebied van werkgelegenheid. In het licht van de uitdagingen opde arbeidsmarkt moet de aandacht voor scholing en leven langontwikkelen fors worden vergroot. Deze leden vragen de Ministerdaarom hoe de faciliterende rol voor de Europese Commissie metbetrekking tot het bevorderen van vaardigheden en leven langontwikkelen vorm zou moeten worden gegeven. Welke concreteverantwoordelijkheden en taken beoogt de Minister hierin voorde Commissie?Het kabinet deelt de analyse van de Commissie en het Draghi-rapport dateen goed opgeleide beroepsbevolking met de juiste vaardighedenessentieel is voor het concurrentievermogen van de EU11. Lidstaten staanop dit gebied voor gedeelde uitdagingen. Tegelijkertijd zijn de bevoegd-heden van de EU beperkt op het gebied van scholing en Leven LangOntwikkelen (LLO). De Commissie richt zich vooral op het faciliteren,ondersteunen en coördineren van nationale inspanningen, met de nadrukop het bevorderen van gelijke kansen, mobiliteit en de aansluiting op dearbeidsmarkt.10https://open.overheid.nl/documenten/92444fcf-870c-4224-8721-ddc0cdf01a86/file11Kamerstukken II, 2024/25, 21 501-30, nr. 614.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 79610 Het kabinet is over het algemeen positief over de ondersteuning door deCommissie van initiatieven van lidstaten die leren en ontwikkelen vooriedereen mogelijk maakt12. Dit kan het nationale LLO-beleid onder-steunen, bijvoorbeeld door het uitwisselen van kennis en goede praktijkenin het kader van de Raadsaanbeveling Individuele Leerrekeningen, demogelijkheden van een Pilot voor Vaardighedengarantie, en herzieningvan staatssteunregels op het gebied van opleidingen. Ook kan deCommissie faciliteren bij de ontwikkeling van instrumenten voor de(h)erkenning van (beroeps-)vaardigheden. Deze instrumenten kunnenindividuen beter ondersteunen bij het benutten van kansen op de internemarkt en het vrij verkeer binnen de Unie en verdere ontwikkeling van hunloopbaan in de EU. Tot slot is het kabinet positief over een faciliterende rolvoor de Commissie bij initiatieven die bijdragen aan het in kaart brengenvan de huidige en toekomstige vraag en aanbod naar banen en daaraanverbonden vaardigheden. Dit is van belang om tot effectief (nationaal)beleid te komen.Het kabinet is van mening dat dergelijke EU-initiatieven aanvullend enondersteunend moeten zijn aan nationaal onderwijs en arbeidsmarkt-beleid.De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de«Single Market Strategy» en het fiche van het kabinet over dezestrategie.13 De leden vragen de Minister hoe hij de balans tussenlastenverlichting uit de «Single Market Strategy» en debescherming van arbeidsvoorwaarden voor zich ziet. Op welkemanier is de Minister voornemens dit scherp te monitoren inEuropees verband?Het kabinet steunt de aandacht van de Commissie voor het verlagen vanadministratieve lasten en de nalevingskosten van regels. Daarbij hecht hetkabinet eraan dat geen afbreuk wordt gedaan aan andere beleidsdoelstel-lingen, waaronder de bescherming van werkenden. Het kabinet zal dit alsuitgangspunt nemen bij de beoordeling van voorstellen van deCommissie. Ook zal het kabinet dit uitgangspunt onder de aandachtbrengen bij de Europese Commissie en andere lidstaten, waarondertijdens het beleidsdebat over concurrentievermogen tijdens de InformeleRaad voor Werkgelegenheid en Sociaal beleid op 7 en 8 juli.De leden van de NSC-fractie hebben ten slotte kennisgenomenvan de raadpleging over aanvullende pensioenen die recent isuitgezet door de Europese Commissie14. Deze leden vragen deMinister welke risico’s en kansen hij ziet in deze EU-raadplegingover aanvullende pensioenen.Momenteel wordt gewerkt aan de beantwoording van deze consultatie. Ikzal de Kamer dit najaar informeren over de beantwoording van deconsulatie en eventuele andere relevante ontwikkelingen op dit punt. Hetresultaat van de consultatie en de eventuele vervolgstappen van deEuropese Commissie zal ik zorgvuldig volgen en beoordelen op hunconsistentie met het Nederlands pensioenstelsel. Mijn inzet is gericht opbevordering van de ontwikkeling van nationale (bedrijfs-)pensioenstelselsin andere lidstaten met behoud van nationale beleidsruimte. Nederlandroept andere lidstaten op stappen te zetten richting een robuuste,kapitaalgedekte pensioenopbouw. Dit kan bijdragen aan duurzame12Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4023.13Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4096.14https://finance.ec.europa.eu/regulation-and-supervision/consultations-0/targeted-consultation-supplementary-pensions-2025_enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 79611 oudedagsvoorzieningen binnen de EU en kan de weerbaarheid van de EUop lange termijn vergroten.Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de Mededeling inzake de spaar-en investeringsunie15 zal het kabinet de voorstellen voor de herzieningvan PEPP en IORP te zijner tijd op hun merites beoordelen.15Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4043.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-31, nr. 79612

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e4cec9d16089ddad

14 okt 2026 · 762f5954ad9374ef

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.