Toekomstperspectief Energie-intensieve Industrie
Brontekst
Versie e092fd484df8ada6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 826IndustriebeleidNr. 265 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 5 september 2025Nederland staat op een kruispunt waar een nieuwe benadering van beleidvoor de energie-intensieve industrie (hierna: EII) gekozen moet worden.De wereld om ons heen verandert snel: geopolitieke spanningen nementoe, internationale productieketens staan onder druk, en het concurren-tieveld verschuift razendsnel. De vanzelfsprekendheid van goedkopeenergie, vrije wereldhandel en stabiele partnerschappen is verdwenen. Indeze nieuwe context wordt strategische autonomie opnieuw van waarde:het vermogen om als land of als Europa vitaal te blijven functioneren, ookals mondiale relaties onder druk staan.De EII speelt een onmisbare rol in dit streven naar strategischeautonomie. Zij is cruciaal voor het Nederlandse verdienvermogen, biedthoogwaardige werkgelegenheid in verschillende regio’s, en levertproducten die essentieel zijn voor sleutelketens zoals woningbouw,infrastructuur, voedselvoorziening, gezondheid, defensie en de energie-transitie zelf. Staal, kunstmest, chemie en materialen zijn niet alleen deoutput van deze sector, maar ook de grondstof voor een duurzametoekomst.Juist daarom baart het zorgen dat de concurrentiekracht van de Europeseen Nederlandse EII onder druk staat. Hoge energieprijzen, toenemendemondiale concurrentie, en onzekerheid over vergunningen en infra-structuur zorgen ervoor dat bedrijven terughoudend worden metinvesteringen. In de afgelopen jaren is dit al zichtbaar geworden inafschaling van productie en uitstel van cruciale investeringen in duurzamebedrijfsvoering. Deze situatie raakt niet alleen de bedrijven zelf, maar ookde maatschappelijke doelen waarvoor zij nodig zijn, zoals emissiereductieen economische veiligheid. Daarnaast zou het verdwijnen van delen vande EII een grote sociaaleconomische impact hebben, afhankelijkheidsri-sico’s met zich meebrengen en waarschijnlijk leiden tot weglek van CO2.Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen. Bedrijven blijven bereidom in Nederland te investeren, mits de juiste randvoorwaarden aanwezig kst-29826-265ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2651 zijn. Nederland heeft nog steeds een logistiek sterke positie en hoogopge-leide beroepsbevolking die investeringen ook aantrekkelijk maken. Zowordt er momenteel gebouwd aan het Porthos-project voor opslag vanCO2 onder de zeebodem (CCS), bouwt Nesté een grote biobrandstoffa-briek in Rotterdam en gaat kunstmestfabrikant Yara nu CO2 afvoeren naarNoorwegen. Ook het recente besluit van AirLiquide om op de Maasvlakteeen 200 MW elektrolyser (ELYgator) te gaan bouwen, is goed nieuws. Erworden verder concrete stappen gezet in CCS-projecten, groenewaterstof, recycling en elektrificatie. Met het Pakket Groene Groei en demaatwerkaanpak ondersteunt het kabinet bedrijven actief om dezetransitie te realiseren. Het kabinet zet ook de komende jaren demaatwerkaanpak voort, met focus op realisme. Maar het vraagt om meer:om langetermijnperspectief, om beleid dat zekerheid biedt, en omgezamenlijkheid in keuzes voor onze toekomstige industrie. Het kabinet iservan overtuigd dat verduurzaming en versterking van de EII geentegenstelling vormen, maar elkaar kunnen versterken. Alleen eenduurzame industrie is in staat om ook in de toekomst bij te dragen aanbrede welvaart, geopolitieke weerbaarheid en het behalen van klimaat-doelen. Die transitie zal niet vanzelf gaan. Ze vraagt om scherpe keuzes,beleidsmatige consistentie en gezamenlijke inspanning van overheid,bedrijven en kennisinstellingen.De discrepantie tussen de wens en noodzaak tot verduurzaming en dedaadwerkelijke realisatie hiervan, vraagt om een nieuw perspectief op deenergie-intensieve industrie van het kabinet. Het Europese perspectief ishierbij onmisbaar, omdat waardeketens niet ophouden bij de grenzen vanNederland en industriële clusters sterke grensoverschrijdende verbon-denheid kennen. Het Europese beleid is daarnaast voor Nederlandbepalend als het gaat om beprijzing (denk aan het emissiehandelsstelselETS), normering (o.a. certificering en bijmengverplichtingen) en – via hetstaatssteunkader – voor subsidiëring. De Europese Commissie zet vol inop Europees industriebeleid ter verduurzaming van de energie-intensieveindustrie. Dit vraagt van Nederland daarmee ook een actieve positioneringin Brussel en keuzes in de nationale beleidsinzet omtrent de NederlandseEII.Nederland beschikt over sterke uitgangsposities: goed ontsloten havens,toegang tot de Noordzee voor energie, hoogopgeleide beroepsbevolkingen krachtige industriële clusters met innovatiekracht. Als we deze troevenweten te benutten, kan Nederland in de voorhoede blijven van de schoneindustrie van de toekomst. Dat is goed voor onze economie, goed vooronze energiezekerheid en goed voor het vertrouwen van burgers enbedrijven dat Nederland de transitie aankan – en er sterker uitkomt.De Minister van Economische Zaken zal een brief aan de Kamer sturenover de toekomst van de bredere industrie en de vernieuwing van hetindustriebeleid. Met deze brief geeft het kabinet richting aan het toekomst-perspectief voor de energie-intensieve industrie in Europa en Nederland,in navolging van de motie-Kostic c.s.1. Dat vraagt om een actieverindustriebeleid waarin de EII gestimuleerd wordt in Nederland te blijvenproduceren, maar wel anders dan nu: schoner, concurrerender en minderafhankelijk van fossiele energie en kwetsbare importketens. Na eenbeschrijving hoe industriebeleid in Europese context dient te worden1Kamerstuk 29 826, nr. 250; deze motie is daarmee afgedaan. Daarnaast is hiermee voldaan aantoezegging aan mevrouw Teunissen over deze motie tijdens het plenaire debat van 2 juli jl.over de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei(XXIII) voor het jaar 2025 (Wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstuk36 725 XXIII) + Wijziging van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds voor het jaar 2025(wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstuk 36 725 M).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2652 bezien, wordt daarna toegelicht hoe in die context 1) een groene enconcurrerende markt gecreëerd kan worden; 2) de uitrol van transitie-paden voor de lange termijn eruitziet; 3) hoe Nederlandse EII compara-tieve voordelen kan blijven benutten. Over de verkenning naar mogelijk-heden om nettarieven te verlagen middels amortisatie, wordt de Kamerop Prinsjesdag geïnformeerd.Industriebeleid in een Europese contextDe komende jaren worden bepalend voor de positie van Europa binnenmondiale industriële ketens. De schaalgrootte en economische kracht vande Europese interne markt maken de EU tot het juiste overheidsniveau ommet elkaar afspraken te maken ter bevordering van een gelijk speelveld,groene marktcreatie, lagere energieprijzen, onafhankelijkheid vangrondstoffen en om interstatelijke (energie-)infrastructuur voor de EII teadresseren en realiseren. Op die manier kan Europees beleid voor schoneindustrie bijdragen aan het halen van de Europese en nationale klimaat-en milieudoelen. De EU werkt via de Clean Industrial Deal, de wijzigingvan de Europese klimaatwet en aanverwante trajecten aan randvoor-waarden die kunnen zorgen dat verduurzaming en concurrentievermogenelkaar versterken. Het kabinet onderstreept het belang van deze inzet,maar ziet dat de praktische uitwerking van dit beleid nog in eentussenfase zit. Nederland wil in die uitwerking meebepalen en daarbijnadrukkelijk haar eigen sterktes en belangen inbrengen.Op basis van bestaande installaties, infrastructuur, aanvoerroutes entechnologische specialisaties verschillen lidstaten sterk in hun rol binnenindustriële ketens. Nederland beschikt bijvoorbeeld over grootschaligeimportcapaciteit voor grondstoffen en waterstof, robuuste logistiek,toegang tot CO2-opslag en een hoogwaardige procesindustrie. Diefuncties zijn niet inwisselbaar en verdienen erkenning binnen hetEuropese industriebeleid.Het kabinet pleit er daarom voor om Europese inzet selectief en gerichtvorm te geven. Dat betekent: sectoren met strategische waarde identifi-ceren, risico’s op weglek en de-industrialisatie tijdig signaleren, en dejuiste instrumenten inzetten op plekken waar ze het meest effect hebben.In lijn met de motie-Rooderkerk2, die verzoekt om te bepalen welkeindustrie noodzakelijk is voor onze onafhankelijkheid en innovatie, heeftNederland dit al ingebracht in EU-trajecten rond staal/metaal, chemie enautomotive. In deze analyses, zoals reeds gedaan in het kader van deactieplannen voor staal en metalen en automotive3, en het actieplanchemie4, komen dan ook de comparatieve voordelen van Nederland naarvoren. Daarbij wordt niet gekozen voor sectoren ten koste van anderesectoren, maar wordt onderzocht waar extra inzet gepleegd dient teworden om een bepaalde dreiging te adresseren, maar ook innovatie enverdienvermogen te verbeteren. Nederland volgt deze lijn, rekeninghoudend met de Europese context (concurrentiepositie en reeds ingezetEU-beleid, waaronder ook het ETS). Ook als het speelveld binnen Europagelijk is, kan het zo zijn dat bepaalde bedrijven van strategisch belang zijn(bijvoorbeeld voor de defensie-industrie) en daarom extra overheidson-dersteuning legitimeren ter verduurzaming van kwetsbare bedrijfsactivi-teiten in Nederland. De huidige geopolitieke situatie laat niet toe datongewenste kwetsbaarheden in strategische waardeketens blijvenvoortduren, of verergeren (mede) als gevolg van de ambitie ten aanzien2Kamerstuk 29 826, nr. 247. Deze motie is hiermee afgedaan.3Kamerstuk 22 112, nr. 4055; Kamerstuk 22 112, nr. 4044.4Het BNC-fiche over Actieplan Chemie zal binnenkort naar de Kamer gestuurd worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2653 van de klimaat- en energietransitie. Het kabinet beoordeelt de situatie enbeleidsrespons van geval tot geval.Hieronder schetst het kabinet het perspectief voor de EII langs driehoofdlijnen, namelijk groene marktcreatie in Europese context, inzet optransitiepaden voor de lange termijn en benutten van Nederlandseonderscheidende voordelen.Lijn 1: Groene marktcreatie in Europese contextVoor Nederland gaan concurrentievermogen en verduurzaming inEuropees verband hand in hand. De Europese Commissie verwacht in hetvierde kwartaal van 2025 de Industrial Decarbonisation Accelerator Act(IDAA) te publiceren. Dit zal het eerste wetgevende kader zijn onder deCID. Een van de belangrijke onderdelen van de IDAA zal het creëren vangroene markten zijn. Dit is voor het kabinet ook een belangrijk speerpunt.In navolging van de moties van de leden Thijssen5 en Koekoek6 gaat dezebrief in op de wijze waarop dit kabinet groene markten wil vormgeven enstimuleren aan de hand van een beleidskader voor groene marktcreatie(zie bijlage). In dit beleidskader zet Nederland in op een integralebenadering van groene marktcreatie. Het betreft een Europese benaderingten behoeve van economisch schaalvoordeel en een gelijk speelveld.Tevens dient daarbij gekeken te worden hoe producenten wordengestimuleerd groen te produceren en hoe daarvoor het juiste ecosysteemwordt gecreëerd. Tot slot gaat het ook om vraagcreatie naar groeneproducten. Het kabinet zal in Brussel ook actief concrete maatregelenaandragen die zowel de industrie in Nederland als ook in de rest vanEuropa duurzaam concurrerend kan maken.Alleen stimulering van duurzame productie (de aanbodkant) doorbeprijzing en subsidiëring is vaak onvoldoende om een groene markt tecreëren; ook stimulering van de vraag naar groene producten is nodig.Duurzame producten zijn immers meestal initieel duurder dan het «grijze»alternatief, waardoor groene producenten het afleggen en groeneinvesteringsplannen geen financiering kunnen krijgen. Daarbij brengtfossiele productie nog externe kosten mee, doordat het een bredernegatief effect heeft op klimaat en leefomgeving. Extra maatregelen zijndan nodig om marktvraag naar groene producten en investeringen totstand te brengen, totdat voldoende schaalgrootte is bereikt en hetkostennadeel is verholpen. We moeten van groen de norm maken. Datvraagt om een actievere overheid die, allereerst Europees maar soms ooknationaal, stappen neemt om niet alleen markten te faciliteren, maar waarnodig ook actief te creëren.Groene marktcreatie en vraagstimulering zijn niet nieuw. Afgelopendecennia zijn er veel instrumenten en maatregelen geïntroduceerd ombepaalde markten te stimuleren. Daarbij gaat het breed om normeringen,verplichtingen, labels, certificeringen etc. Zo leidt bijvoorbeeld deEuropese bijmengverplichting van 10% bio-ethanol voor benzineleveran-ciers (E10) tot een grotere vraag naar biobrandstoffen. Het EU Ecolabelkeurmerk draagt eraan bij dat consumenten duurzamere keuzes makenvoor non-food producten. Voor veel productgroepen waar wel duurzamealternatieven voor beschikbaar zijn bestaat echter nog geen of weinigvraagstimulerend beleid. Voor meer samenhang en strategische sturing,presenteert het kabinet bijgevoegd beleidskader waarlangs komende tijdmeer concrete maatregelen worden vormgegeven voor het creëren vangroene markten.5Kamerstuk 29 826, nr. 237. Deze motie is hiermee afgedaan.6Kamerstuk 29 826, nr. 244 en Kamerstuk 32 813, nr. 1485. Deze moties zijn hiermee afgedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2654 De sectoren staal en chemie kennen een hoge toegevoegde (keten)waardeen zijn van belang voor Europa en Nederland. Daarom zal het kabinet dekomende tijd vooral inzetten op concrete groene marktcreatie in dezesectoren. Dit zijn ook bij uitstek sectoren waar op Europese schaalmaatregelen genomen moeten worden en waar de urgentie het hoogst isdoor de sterke mondiale concurrentie. Met het Staal- en Metalen Actieplanen het Actieplan Chemische Industrie is de eerste stap al gezet en wordtingegaan op groene marktcreatie. Met het beleid dat wordt ontwikkeldvolgens bijgaand beleidskader, kunnen echter alle bedrijven geholpenworden groener te produceren. Tevens zal het kabinet bij de verdereuitwerking van de Europese plannen in de staal- en metaalsector nogterugkomen op de motie Dijk (verzoek tot een kabinetsvisie over meerzeggenschap in de staalsector).7 Het kabinet streeft ernaar dit najaar eenconcreet overzicht met maatregelen voor vraagcreatie in de staal enchemische sector met de Europese Commissie te delen. Het kabinetstreeft ernaar dit najaar een voorstel voor de concretere uitwerking vanvraagcreatie in de staal en chemische sector met de Europese Commissiete delen. Hierbij gaat het, in lijn met de BNC fiches over de CID-medede-ling en de actieplannen voor staal en chemie, om maatregelen alsproductcriteria, gemeenschappelijke Europese definities wat als «groen»kwalificeert voor producten en stimulering van gebruik vanbio-gebaseerde materialen in productieprocessen.8Lijn 2: inzet voor transitiepaden op lange termijnDe verduurzaming van de energie intensieve industrie vereist een scherpelange-termijnkoers. Bedrijven willen investeren, maar verkeren inonzekerheid over aanwezigheid van benodigde randvoorwaarden, zoalsbetaalbare energieprijzen, eenduidige wet- en regelgeving en noodzake-lijke energie- en industrie-infrastructuur. Tegelijkertijd worden beleidsin-strumenten, plannen en subsidies steeds specifieker. Het risico is dat weverzanden in losse projecten en incidentele impulsen, terwijl juistduidelijkheid op systeemniveau nodig is, verbijzonderd naar elk van degrote industrieclusters waar zich coördinatieproblemen voordoen in detransitie. Daarom werkt het kabinet aan robuuste transitiepaden voor deindustrie. Niet als blauwdruk, maar als koers: welk type productie willenwe in Nederland behouden, welke verduurzamingsroutes zijn technolo-gisch en economisch haalbaar, en hoe zorgen we voor een samenhan-gende inzet van infrastructuur, financiering en regelgeving? Dat vraagt ommeer dan tempo, het vraagt om richting.Bij de transitie naar een duurzame industrie zijn er meerdere transitie-paden: elektrificatie voor processen die dat technisch aankunnen, CCSwaar directe emissiereductie nog niet mogelijk is, import van waterstof-rijke halffabricaten voor kostenefficiëntie, én het opschalen van circulaireproductieroutes. Elk pad vraagt om andere instrumenten, partners enkeuzes. In deze lijn werkt het kabinet aan het versterken van die routes,met speciale aandacht voor:•schaalbare elektrificatie van processen;•substitutie van fossiele grondstoffen door circulaire en biobasedalternatieven;•inzet van CCS en koolstofverwijdering als aanvulling op reductie;•strategische innovatie en opschaling van nieuwe technologieën;In bijlage 4 is dit verder uitgewerkt. Daarin wordt duidelijk dat er vooralmeer inzet op elektrificatie mag worden verwacht, daarom is het ActieplanElektrificatie Industrie bij deze brief gevoegd (bijlage 1).7Kamerstuk 21 501-20, nr. 2146.8Kamerstuk 22 112, nr. 4020; Kamerstuk 22 112, nr. 4055.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2655 De komende jaren zullen we scherp moeten blijven bijsturen. Niet allestappen kunnen nu al gezet worden, maar keuzes kunnen niet blijvenwachten. Deze lijn richt zich daarom op de inhoudelijke kern van hettoekomstpad: het vertalen van technologie, marktontwikkelingen enmaatschappelijke eisen naar robuust, uitvoerbaar en toekomstgerichtbeleid. Het kabinet zet ook in op een gezonde leefomgeving vooromwonenden van industrie. Dit wordt gedaan door middel van deActieagenda Industrie en Omwonenden.9 De Kamer ontvangt eind 2025een brief met de verdere uitwerking van de actieagenda.Lijn 3: benutten van de Nederlandse onderscheidende voordelenHuidig onderscheidende voordelenNederland beschikt over onderscheidende sterktes om ook in eenduurzame economie een aantrekkelijke vestigingsplaats te blijven voorenergie intensieve industrie. Productielocaties in ons land behoren tot demeest concurrerende in Europa, dankzij efficiënte processen, schaal-grootte, toegang tot grondstoffen en markten via onze havens, en eenhoogwaardig industrieel ecosysteem. Als er sprake is van een Europeesgelijk speelveld, kunnen Nederlandse vestigingen zich ook in eenkoolstofarme toekomst handhaven én vernieuwen zo blijkt uit analysesvan marktpartijen.Het is voor een integraal industriebeleid gericht op de langere termijn vanbelang om te begrijpen dat de concurrentiepositie van EII-productie-locaties dus niet alleen bepaald wordt door verschillen in (toekomstige)energiekosten. Echter, relatief hoge energiekosten kunnen voor EII weleen reden zijn om (gedeeltelijke) import van halffabricaten te overwegen(zie ook bijlage 4).Met name multinationals die voor de keuze staan om te investeren inombouw of nieuwbouw kennen de verschillende opties goed en zullenzorgvuldig overwegen waar zij het beste welke halffabricaten kunnenmaken. PwC heeft recent de aantrekkelijkheid om in Noordwest-Europa teinvesteren in duurzame productiecapaciteit in energie-intensievewaardeketens geanalyseerd.10 PwC rekent voor dat met geïmporteerdehalf- of eindfabricaten substantiële kostenbesparingen mogelijk kunnenzijn (tot 14% bij hoogwaardige chemische producten, 36% bij staal).Gunstige vestigingsfactoren in Noordwest Europa zijn echter:1.technologische ontwikkelkracht: een hoger tempo van ontwikkeling enopschaling kan de relatieve prijs van waterstofproductie drukken. Demanifestatie van voldoende elektriciteit en waterstofproductie eldersmoet bovendien nog blijken. Ook kan import door buisleidingen vanuitlanden met lage elektriciteitskosten de kosten van groene waterstofreduceren;2.een sterke uitgangspositie wat betreft human capital, onder andere inde chemie;3.voordeel van gebruik bestaande infrastructuur: dit bespaart kosten vankapitaalintensieve investeringen in buisleidingen en terminals;4.lagere kapitaalkosten en;5.institutionele stabiliteit.Nederland onderscheidt zich bovendien door de ligging aan de Noordzee,met directe toegang tot logistieke hubs, CO2-opslagcapaciteit en eensnelgroeiend potentieel voor hernieuwbare energie. Daarmee is ons landniet alleen aantrekkelijk om in te investeren, maar ook strategischgepositioneerd binnen het Europese energiesysteem. Zoals het PBL9Kamerstuk 28 089, nr. 28510PWC (2024). The Future of Energy-Intensive Industry in Northwestern Europe: A Balancing Act.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2656 aangeeft in de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050, is het nietwaarschijnlijk dat vóór 2050 elders al zóveel duurzame productiecapaciteitontstaat dat ook aan de Nederlandse industriële vraag kan wordenvoldaan. Dit onderstreept het belang van versterking van onze binnen-landse productiecapaciteit.Perspectief op onderscheidende voordelenHet kabinet zet zich daarom actief in om deze krachtposities te benutten.Dat vraagt om een Europees gelijk speelveld, onder meer wat betreftnettarieven voor energie. Ook moet de EU strategisch durven optreden alsindustriële functies dreigen te verdwijnen die van wezenlijk belang zijnvoor de veiligheid, autonomie en duurzaamheid van Europa. Deze briefgaat ook in op motie-Dekker11 om qua regeldruk inzake duurzaam-heidseisen en energiebelasting voor de industrie tot een gelijk speelveldte komen binnen de EU (zie bijlage 2).Tegelijkertijd erkent het kabinet dat niet alle productie behouden zalblijven en dat publieke ondersteuning selectief moet zijn. Daarbij pastterughoudendheid bij steun aan activiteiten die structureel een concurren-tienadeel kennen. Het kabinet kiest er bewust voor om in te zetten op hetversterken van voorwaarden waar álle toekomstgerichte bedrijven vanprofiteren: infrastructuur, innovatie, talent, betrouwbare kaders. DeNederlandse industrie heeft alle voorwaarden in huis om ook in eenklimaatneutrale toekomst concurrerend te blijven. Door nú te investeren inonze unieke combinatie van kennis, ligging en infrastructuur, leggen wehet fundament voor een duurzame economie die werkt – voor bedrijven,werkgelegenheid en Europa als geheel.Er zijn zorgen dat (bijvoorbeeld onder het mom van strategische functies)grote financiële ondersteuning wordt gegeven aan bedrijven die nietlevensvatbaar blijken op langere termijn (zie tekstbox). Binnen demaatwerkaanpak blijft het kabinet de komende jaren grote industriëlebedrijven ondersteunen bij het komen tot concrete verduurzamings- eninvesteringsprojecten.12 We helpen bij maatwerk om het generiekeinstrumentarium te laten passen bij het bedrijf, zodat het meer zekerheidheeft over middelen, de planning van de infrastructuur en vergunningenom de stap naar verduurzaming te kunnen maken. Het kabinet heeft indeze aanpak nadrukkelijk oog voor de lange termijn. Verduurzaming blijftde enige route voor de Nederlandse industrie om toekomstbestendig enconcurrerend te blijven binnen Europa. Daarom blijft het kabinet inzettenop CO2-reductie, verbetering van de leefomgeving, vermindering van deimpact op omwonenden, vermindering van stikstofuitstoot, innovatie eneen aantrekkelijk investeringsklimaat. Ten algemene geldt voor alleondersteuning die een overheid biedt aan bedrijven, dat er geen garantiebestaat dat bedrijven over 15 à 20 jaar nog steeds bestaan. De marktdy-namiek en technologische vooruitgang laat zich immers moeilijkvoorspellen. Mede daarom is het kabinet van mening dat kiezen tussensectoren of bedrijven niet de juiste aanpak is. Het kabinet zal evenwelterughoudend zijn met het ondersteunen van specifieke activiteiten,waarvan verwacht wordt dat ze structureel een concurrentienadeel zullenondervinden met het buitenland.Naast sturing op randvoorwaarden kiest het kabinet voor positiefstimuleringsbeleid in plaats van negatief ontmoedigingsbeleid. Ontmoe-diging, zeker van specifieke bedrijven, is juridisch complex, potentieelkostbaar (vanwege eventuele compensatieclaims) en mogelijk overbodig,11Kamerstuk 29 826, nr. 252. Deze motie is hiermee afgedaan.12Kamerstuk, 29 826, nr. 260.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2657 omdat sturing op randvoorwaarden tot hetzelfde resultaat kan leiden.Bovendien kan actief ontmoedigingsbeleid negatieve consequentieshebben voor het algemene Nederlandse vestigingsklimaat. Het stimulerenvan gewenste ontwikkelingen in sectoren in het kader van klimaatbeleid isook niet nieuw. Zo zijn er naast de maatwerkaanpak de afgelopen jarenenkele instrumenten ontwikkeld om duurzame en/of innovatieve productiete stimuleren in diverse fasen van ontwikkeling en schaalgrootte (VEKI,NIKI, OWE, IMKE, uitbreiding van de DEI+, MOOI). Bedrijven kunnen bij deRVO terecht voor de ondersteuning die het best bij hun verduurzamings-project past. Dit sluit aan op een advies van de OESO om verduurzamingin de industrie te bevorderen door ervoor te zorgen dat meer veelbelo-vende innovaties tot commerciële schaal kunnen komen.13 Met deversterkte aanpak nieuwe industrie wil het kabinet ook nieuwe spelers metinnovatieve duurzame technieken stimuleren bij de vestiging en dooront-wikkeling in Nederland.14 Deze bedrijven ondersteunen daarnaast deverduurzaming van de bestaande industrie door de waardeketens teverduurzamen en groene grondstoffen en producten aan te leveren bijbestaande partijen.Bereidheid bij de overheid tot het delen van investeringsrisico’s om zo eentransitieperiode met onzekerheid over toekomstige businessmodellendoor te komen, acht het kabinet gepast en noodzakelijk. Het kabinet leunthier zoveel mogelijk op generiek instrumentarium, waaronder de NIKI, dieontworpen is om verduurzamingsprojecten mogelijk te maken voortechnieken die door hun unieke toepassing niet passen in de SDE++.15 Hetvalt te overwegen om, waar de financieringsproblemen hardnekkigblijken, ook meer gericht beleid in te zetten, mits dit in lijn is metfinanciële toetsingskaders. Om investeringen vlot te trekken suggereerthet Sustainable Industry Lab (SIL) om ook onorthodoxe maatregelen tenemen, zoals het inzetten van overheidsdeelnemingen.16 De Raad voor deLeefomgeving en Infrastructuur is vorig jaar gestart met een adviestraject«Overheid als aandeelhouder». Het kabinet zal in haar reactie op hetRLI-advies deze vraag meenemen, rekening houdend met de notadeelnemingenbeleid. Ook adviseert het SIL om raffinaderijen in eenprivaat consortium te laten werken aan een systeemombouw met doelen,budget en tijdlijn; dit type samenwerking zijn deze bedrijven gewend bijgrote internationale projecten. Het kabinet nodigt het PBL uit om deideeën van SIL mee te nemen in een Industrieverkenning.Tekstbox brief 13 economenOp 17 maart jl. verscheen er in de media een brief aan het kabinetvan dertien economen, die opriep om alleen te investeren in diedelen van de industriesector die toekomstperspectief hebben inNederland en om dit te doen in afstemming met Europa, opdatstrategisch belangrijke productie binnen de EU behouden blijft.17Gerichte investeringskeuzes bieden kansen voor groene industrie endragen bij aan het oplossen van schaarsten, zoals netcongestie,fysieke ruimte en arbeidsmarktkrapte. Deze brief werd in hetKamerdebat over de verduurzaming van de industrie op 20 maart jl.opgebracht.13OECD (2021). Policies for a Carbon Neutral Industry in the Netherlands.14Kamerstuk 29 826, nr. 234.15Generiek dient hier gelezen te worden in context van nationale subsidies. In termen vanstaatssteun is bij de NIKI geen sprake van generiek instrumentarium.16Zie: www.sustainableindustrylab.nl17250317_AftF_Brief_aan_het_kabinet_mbt_steun_voor_industrie_finaal.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2658 Het kabinet stuurde de Eerste Kamer (met afschrift aan de TweedeKamer) onlangs een brief met een appreciatie van twee rapportenvan CE Delft en TNO naar verduurzamingsroutes en risico’s opverplaatsing van elementen in waardeketens naar elders.18 Hetkabinet vindt het onverstandig om op dit moment keuzes te makendie hele bedrijfstakken voor Nederland afschrijven, nog los van dejuridische problemen die dit zou opleveren. Ten eerste zijn er groteonzekerheden over de toekomstige prijsontwikkelingen van schoneenergie(dragers), het tempo van technologische ontwikkeling en hettempo van opbouw van groene industrie hier en elders. Ten tweedezijn er voordelen van ketenintegratie en het gebruik van bestaandeinfrastructuur die doorgaans buiten beschouwing blijven vanmacro-economische verhandelingen. Ten derde is de aanname datproducten als staal homogeen zijn te gemakkelijk; met name de hogekwaliteit staal die een bedrijf als Tata Steel Nederland levert isbelangrijk voor zowel de business case als de Europese openstrategische autonomie.Voor alle duidelijkheid, daarmee is niet gezegd dat het kabinetonrendabele sectoren en bedrijven oneindig overeind zou willenhouden met subsidie, zoals de brief impliceert. Het kabinet heeft aleerder aangegeven dat het aan de bedrijven zelf is om ervoor tekiezen om in Nederland te verduurzamen.19 In dezelfde brief gaf hetkabinet ook aan dat niet alles bij het oude zal blijven, zoals deverwachting dat import van duurzame ammoniak binnenlandseproductie op termijn (deels) zal vervangen. Ook zet het kabinet in ophet afbouwen van fossiele brandstofsubsidies, maar in Europeesverband, om een ongelijk speelveld te voorkomen. Het kabineterkent daarnaast ook dat de overheid een rol heeft, met name voorhet versnellen van investeringen in (gezamenlijke) projecten, en zijverkent daartoe mogelijkheden op het niveau van de industrie-clusters.20Het kabinet wil graag dat de industrie zoveel mogelijk duurzameinvesteringen in Nederland doet, omdat er verdienkansen liggen dieeconomisch voordeel en open strategische autonomie koppelen aanlagere milieudruk, energie- en grondstoffengebruik: dit verstaat hetkabinet onder Groene Groei. Tegelijkertijd is het kabinet terug-houdend in het sterk inzetten op nieuwe industriële activiteiten, diein lijn met de onderzoeken van CE Delft en TNO structureel eenconcurrentienadeel zullen ondervinden met het buitenland, terwijl erduurzame alternatieven zijn en/of import mogelijk is, zoals degrootschalige productie van synthetische brandstoffen op basis vanhernieuwbare waterstof en CO2 (e-fuels).Net-zero Industry ActDe EU heeft met de Net-Zero Industry Act (NZIA) het concept van valleien(ook versnellingsgebieden genoemd) geïntroduceerd. Het doel is om indeze gebieden de ontwikkeling van netto-nul-technologieën te versnellen,investeringen in deze locaties aantrekkelijk te maken, «know-how» voorde netto-nul-technologieën op te bouwen en de versnellingsgebiedenEuropa-breed zichtbaar te maken. Door in de verschillende lidstaten deversnellingsgebieden strategisch te positioneren draagt dit, volgens deEuropese richtlijnen vanuit NZIA, bij aan:18Kamerstuk 36 169, I.19Kamerstuk 29 826, nr. 176, Bijlage 1.20Kamerstuk 29 826, nr. 234.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2659 •het vergroten van de concurrentievermogen van de Europeseindustrie;•het bevorderen dat Europa zelfstandig in zijn energiebehoefte kanvoorzien en bijdragen aan het klimaatakkoord van Parijs, en•de creatie en opbouw van specialistische kennis en werkgelegenheidin de netto-nul-technologiesector.De Europese Verordening voor NZIA is vertaald naar een Nederlandseaanpak voor versnellingsgebieden. Met de verschillende stakeholdersvanuit NPVI zal gekeken worden wat kansrijke locaties zijn en welketechnologie het beste aansluit bij het profiel van het betreffende cluster.Deze inzet is in lijn met de motie Grinwis-Erkens, waarin wordt verzochtom het instellen van versnellingsgebieden zo goed mogelijk te benutten.21Het kabinet acht het van belang dat Nederland zich niet alleen op groenebasisindustrie richt, maar ook op technieken en activiteiten die deindustrie (en andere sectoren) in Nederland en elders in staat stellenduurzamer te produceren. Nederland blinkt daarin momenteel alleen uitop het terrein van CCS, blijkt uit onderzoek van Ecorys voor de EuropeseCommissie.22 De inzet op chemie- en energiethema’s in eerder genoemdeIndustriebrief zal hier verder op ingaan.Tot slotOndanks zorgen over krimp of sluiting ziet het kabinet reëel perspectiefvoor de energie-intensieve industrie in Nederland en Europa. De sectorwerkt aan een ingrijpende transitie, waarvan het eindbeeld zich nog nietvolledig laat voorspellen. Duidelijk is wel dat de industrie van de toekomstschoner, slimmer en internationaler zal zijn met mogelijk andere produc-tielocaties en andere grondstofstromen. Juist daarom is nu het momentom de condities te creëren waarin bedrijven wel kunnen verduurzamen,investeren en concurreren.Met deze brief zet het kabinet concrete stappen: via bijgevoegde deActieagenda Elektrificatie Industrie, versterkte inzet op CO2-afvang en-opslag, gerichte maatwerkaanpak voor investeringsprojecten, meerruimte en sturing voor circulaire productie, opbouw van een markt voorkoolstofverwijdering, en een stevig beleidskader voor groene markt-creatie. Al deze inzet bouwt voort op de onderscheidende kracht vanNederland, van infrastructuur en kennis tot havenlogistiek, en versterktonze bijdrage aan het Europese industriebeleid.De verduurzaming van de EII is geen eenvoudige opgave, maar wel eennoodzakelijke én kansrijke. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat deindustrie, met heldere keuzes, gerichte ondersteuning en een strategischsterk Europa, die weg vooruit kan vinden als duurzame motor van onzeeconomie.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.Th.M. Hermans21Kamerstuk 32 813, nr. 1492, een nadere uitwerking van de versnellingsgebieden is in voorbe-reiding, mede ten behoeve van de Nota Ruimte.22Ecorys (2024). The Net-Zero manufacturing industry landscape across Member States. Detechnieken waarnaar gekeken is, zijn zon-PV en zon-thermisch, windenergie op land en zee,batterijen en opslag, warmtepompen en geothermie, elektrolysers en brandstofcellen,duurzaam biogas, CCS en energienetwerktechnologie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26510 – BELEIDSKADER GROENE MARKTCREATIEHieronder presenteert het kabinet een beleidskader met uitgangspuntenwaarlangs beleid voor groene marktcreatie ontwikkeld wordt.1. Groene/schone marktcreatie dient op EU-niveau gerealiseerd te wordenvoor een (mondiaal) gelijk speelveld;Groene marktcreatie op EU-niveau heeft de voorkeur: het zorgt voor eengelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven met Europese concurrentenen zorgt voor schaalvoordelen die nodig zijn om de groene business casete realiseren. Het kabinet zet bij voorkeur in op vraagstimulering aan heteind van de keten: dit voorkomt ontwijking door import en beperktkostprijsverhoging door de keten doordat de kostprijs van het groeneeindproduct over meer ketenpartners verdeeld kan worden. Ook biedtvraagstimulering van het eindproduct kansen voor bestaande zowel alsnieuwe industrie om aan de groene vraag te voldoen.Naast vraagstimulering binnen Europa is ook een zoveel mogelijk gelijkmondiaal speelveld een belangrijke randvoorwaarde om groene marktente creëren. Aangezien handelsbeleid een exclusieve Europese compe-tentie is, dient marktverstorend gedrag van derde landen op Europeesniveau op WTO conforme wijze geadresseerd te worden, zoals deEuropese anti-subsidiemaatregelen tegen Chinese elektrische voertuigen).Hierbij is het van belang dat kosten ook niet op andere sectoren wordenafgewenteld. Daarnaast kunnen via ESPR-regelgeving duurzaam-heidseisen worden gesteld aan producten of halffabricaten. Dergelijkestandaarden gelden voor alle producten die op de Europese interne marktworden gebracht. Ook kan via de verordening buitenlandse subsidies23,aanbestedingsregels, normering en productvereisten gekeken wordenhoe, WTO-conform, ook de markttoegang voor groene productengestimuleerd kan worden. Dit vraagt om een goed werkendeCBAM-systematiek om het concurrentienadeel met minder schoneproducten van buiten de EU zo klein mogelijk te houden. De huidigeCBAM-regelgeving voorkomt CO2-weglek als het aankomt op import,maar niet rondom export en geldt niet voor alle ETS-sectoren. DeCommissie heeft aangekondigd met beleid te komen om dit hiaat voorEuropese producten te adresseren. Het kabinet staat open voor hetadresseren van deze onwenselijke situatie rond export in CBAM-sectoren(met inachtneming van WTO-conformiteit en de klimaatdoelen). Hetkabinet neemt met interesse kennis van de aangekondigde mededelingenen eventuele toekomstige herzieningen of uitbreidingen van CBAM en zaldeze te zijner tijd beoordelen en constructief meedenken over verdereverbetermogelijkheden.Motie Dekker verzoekt qua regeldruk inzake duurzaamheidseisen voor deindustrie tot een gelijk speelveld te komen met de andere landen binnende EU; bovenstaande inzet op groene marktcreatie is hiermee in lijn. Demotie ziet daarnaast op een gelijk speelveld voor de industrie voor watbetreft de energiebelasting. Om te kijken of en hoe het klimaatbeleid deconcurrentiepositie van onze industrie beïnvloedt, heeft het kabinet ook in2025 een Speelveldtoets laten uitvoeren.24 Daaruit blijkt dat de energiebe-lasting op het gebruik van elektriciteit en aardgas voor een aantalindustriële sectoren in Nederland relatief hoog is vergeleken met eenaantal andere landen die zijn opgenomen in de analyse, te weten Belgiëen Frankrijk. De energiebelasting is echter onderdeel van een mix vanverduurzamingsinstrumenten en dient daarom niet geheel in isolatie te23Ecodesign for Sustainable Products Regulation24Speelveldtoets 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nlBIJLAGE 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26511 worden vergeleken met de tarieven in andere landen. In dit verband is indezelfde Speelveldtoets geconstateerd dat Nederland een van de hoogsteabsolute beschikbare budgetten voor industriële emissiereductie heeft ende grootste subsidiehoeveelheid voor industriële emissiereductie relatieften opzichte van de bijdrage van de industrie aan het BBP (gegevenshebben betrekking op 2024). Desalniettemin deelt het kabinet de noodzaakvoor een zoveel mogelijk gelijk speelveld en werkt het daar actief aan,bijvoorbeeld door inzet op het in EU-verband tot stand komen van deEnergy Taxation Directive, met uniforme kadervoorwaarden en verplichteminimumtarieven voor de belasting van het gebruik van energiepro-ducten in de EU.2. Een groen en weerbaar ecosysteem als basis;Met «ecosysteem» wordt het geheel aan randvoorwaarden en omstandig-heden dat noodzakelijk is voor de creatie van een concurrerende,weerbare en duurzame industrie bedoeld. Conform de motie Erkens25 iseen stevig uitvoeringspakket nodig om de groene transitie richting 2040vorm te geven. Hieronder beschrijft het kabinet, in willekeurige volgorde,de belangrijkste randvoorwaarden die op Europees niveau geadresseerdmoeten worden om succesvol groene markten te kunnen creëren.Een eerste randvoorwaarde is betaalbare, schone energie zodat de kostenvoor duurzame alternatieven dalen. Het kabinet vindt het van belang datNederland een gelijk speelveld behoudt ten aanzien van omliggendelanden. De discrepantie in de elektriciteitskosten wordt vooral bepaalddoor de verschillen in de nettarieven. Zoals in de kabinetsreactie op hetIBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur uiteengelegd26, kijkt hetkabinet naar verschillende opties om de stijging van de nettarieven in dekomende jaren te dempen. Het kabinet kijkt daarnaast hoe onder de CID,inclusief het nieuwe staatssteunkader Clean Industry State Aid Framework(CISAF) hoge elektriciteitsprijzen voor de energie intensieve industriegericht (gedeeltelijk) gecompenseerd kunnen worden, ten behoeve vanverdere stimulering van elektrificatie (zie ook kabinetsreactie op het IBO).In het kader van de uitwerking van het actieplan betaalbare energieprijzenkijkt het kabinet ook naar opties om te zorgen voor lange termijnprijsstabiliteit voor industriële consumenten door het bevorderen vanlange-termijncontracten.Een tweede randvoorwaarde betreft een vergaande mate van autonomieop energie- en grondstoffengebied voor schone industriële productie. DeEU dient op de korte termijn in te zetten op wederzijds voordeligepartnerschappen met verschillende derde landen, om zo afhankelijkhedente verkleinen en eventuele schokken in leveringszekerheid te mitigeren. DeCID heeft expliciet als doel de circulaire economie te bestendigen (in hetvierde kwartaal van 2026 wordt hier wetgeving op verwacht). Namens hetkabinet zal ik er bij de Commissie op aandringen om eerder een regel-gevend kader voor de circulaire economie te presenteren om beter zicht tehouden op het behalen van de 2030 doelstellingen voor een circulaireeconomie en daadwerkelijk minder afhankelijk te worden van derdelanden voor toelevering van (bio)grondstoffen. De ontwikkeling van éénEuropese interne markt voor hoogwaardige afval en recycling is daarvooreen belangrijke voorwaarde. Hierbij dient, conform het BNC-fiche staal- enmetaal, ervoor gezorgd te worden dat handel, verwerking en recyclingvan, bijvoorbeeld, schroot of recyclaat, binnen de EU plaats gaat vinden.2725Kamerstuk 31 793, nr. 257.26Kamerstuk 29 023, nr. 567.27Kamerstuk 22 112, nr. 4044.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26512 Een derde randvoorwaarde is acceptabele regeldruk en efficiënterevergunningsprocedures. Hier dient strakker regie op gevoerd te wordendoor gebiedsontwikkeling te organiseren vanuit economische clusters.Middels publiek-private samenwerking kan economische activiteitgeclusterd worden en elkaar aanvullen en versterken. Rondom dezeclusters kan dan ingezet worden op een integrale benadering van(grensoverschrijdende) infrastructuur, woningbouw en ruimte voorinnovatie (zoals ook met Project Beethoven gebeurde). Dit zal in het kadervan de IDAA een belangrijk punt worden voor het kabinet. Daarnaast heeftde Commissie al een voorschot genomen op het aanscherpen vanregelgeving met de recente publicatie van de omnibus voorstellen op deCSRD en CSDDD. Daarbij komt stabiele regelgeving ook ten goede vaninvesteringszekerheid. Tot slot is het stroomlijnen van vergunningproce-dures ook van belang. Dit kan bijvoorbeeld door versnelde gecoördi-neerde vergunningverlening voor grensoverstijgende strategischeprojecten, maar ook door het tijdelijk toestaan van stikstofdepositie bijaanleg van energieprojecten.Een vierde randvoorwaarde is een goed functionerende Europese internemarkt zonder ongerechtvaardigde belemmeringen, als onderdeel van eenaantrekkelijk Europees vestigingsklimaat voor bedrijven binnen én buitende EU. Op 21 mei 2025 publiceerde de Europese Commissie haarhorizontale interne-marktstrategie met een reeks acties ter versterking vande interne markt. De Kamer wordt hierover binnenkort geïnformeerd viaeen BNC-fiche. Huidige regelgeving houdt in onvoldoende mate rekeningmet het vaak verschillende karakter van nieuwe groene initiatieven. Zo zijner obstakels op basis van kapitaalbehoefte, regelgeving en durenfinancieringsaanvragen soms lang. Ook de toegang tot en inzet vanfinanciering dient verbeterd te worden. Huidige EU-programma’sstimuleren momenteel met name de innovatiefase, wat belangrijk is omEuropese bedrijven tot de innovatieve koplopers in de wereld te maken.Het is daarnaast ook van belang voldoende financieringsopties te hebbenten behoeve van de hogere TRL-niveaus, zodat innovaties door kunnengroeien richting commercialisatie. Voor wat betreft de mogelijkheden voornationale financiering geldt dat het kabinet in beginsel terughoudend isten aanzien van het gebruik van het staatssteun instrument. In het lichtvan de transities en in geval van marktfalen kan gerichte staatssteunnodig zijn. Ook de mobilisatie van privaat kapitaal verdient aandacht. Doorvoor de lange termijn meer zekerheid te bieden, stimuleert onderne-mingen en financiers ook om in te zetten op verduurzaming.3. Stimulans en zekerheid bieden voor groene productie;De inzet kent hier twee lijnen: de eerste is gericht op producenten, detweede op consumenten.a. Stimulering van producentenBinnen de Europese context is het noodzakelijk dat de nationale overheidzekerheid en stimulans biedt aan industrie en afnemers om groen teproduceren. Hierbij kan aan verschillende instrumenten worden gedacht.Een van de instrumenten die onderzocht wordt is het ondersteunen vanbedrijven om volgens de principes van veilige en duurzame innovatie(Safe and Sustainable by Design, SSbD) willen werken. Hierbij wordtaansluiting gezocht met de door de Europese Commissie op te zettensubstitutiecentra die moeten zorgen voor de vervanging van de meestgevaarlijke stoffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26513 Hoewel fiscale aangelegenheden een nationale bevoegdheid zijn, kan opEU-niveau afstemming plaatsvinden over maatregelen ten behoeve vanhet stimuleren van groene productie. De Commissie heeft hier zelf al eeneerste aanbeveling voor gepubliceerd.28 Via mandateringen kan deoverheid bijvoorbeeld bedrijven verplichten bepaalde hoeveelhedengroene producten af te nemen. Ook zou via generieke subsidies ofbelastingvoordelen gekeken kunnen worden hoe de green premium opgroene producten verkleind kan worden. Daarnaast zou de overheidrisico’s van groene productie kunnen verkleinen middels financiëlegaranties. Voor afnemers is leveringszekerheid ook van groot belang. Totslot kunnen overheden bij publieke aanbestedingen rekening houden metniet-prijs gedreven criteria, zoals duurzaamheid of weerbaarheid, of,onder strikte voorwaarden, vormen van local content requirements.Hierdoor zorgt de overheid zelf voor groene vraag; in bepaalde markten,zoals op gebied van infrastructuur en huisvesting, kan de overheid eenleidende rol spelen in het creëren van groene markten op bijvoorbeeldconstructiestaal, beton/cement, keramiek of glas. Daarbij dient te wordenopgemerkt dat de EU in beginsel baat heeft bij een open aanbestedings-markt met een ruime mate van concurrentie. Het gebruik van kwalitatieveeisen mag daarom niet tot een onnodige afscherming van de Europeseaanbestedingsmarkt leiden en dient in lijn te zijn met de internationaleverplichtingen van de EU, waaronder het WTO-akkoord inzake overheids-opdrachten en EU-handelsakkoorden. De inzet van kwalitatieve eisenvergt daarom een zorgvuldige en gerichte aanpak.b. Groene consumptie loont;Uiteindelijk dienen bovenstaande interventies consumenten en afnemerste stimuleren groene producten te verkiezen boven niet-duurzameproducten. Naast dat prijsprikkels de afname van groene productenkunnen stimuleren, kan ook worden ingezet op productlabels, norme-ringen of bewustwordingscampagnes. Ook kan via de hierbovengenoemde ESPR regelgeving duurzaamheidseisen aan productgroepenworden toegekend. In plaats van te focussen op het verlagen van degroene premium kan ook gekeken worden hoe het grijze voordeelopgeheven kan worden. Het kabinet zal nader onderzoeken hoe dergelijkeprikkels vormgegeven kunnen worden en welke sturing de EU hierin kangeven, waarbij het de fiscale bepalingen uit het CISAF en de aanbevelingover fiscale maatregelen voor groene marktcreatie zal meenemen29. Hetkabinet zet hiervoor in op het in Europees verband afbouwen van fossielesubsidies gericht op de energievoorziening, zodat klimaateffecten diegepaard gaan met het gebruik van fossiele brandstoffen Europeesbeprijsd worden. Daarnaast zet het kabinet (doorlopend) in op versterkingvan het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS), het koolstofcorrectie-mechanisme aan de grens (CBAM), en op het verhogen van minimumta-rieven en het afschaffen van vrijstellingen in de Europese richtlijnenergiebelastingen in sectoren waar dat effectief is (ETD).28COM 2025-4319.29CISAF: C/2025/7600, Aanbeveling: COM 2025-4319.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26514 – DUURZAME BOUWMATERIALEN EN GROENE MARKTCREATIEMotie Koekkoek roept de regering op uit te werken hoe de vraag naarduurzame bouwmaterialen kan worden vergroot via marktcreatie.30 Debouwsector is, in tegenstelling tot veel andere energie-intensievesectoren, een relatief lokale markt – met meer sturingsmogelijkheden voornationale overheden. Onder leiding van het Ministerie van VRO wordtmomenteel met diverse branches van bouwmaterialenproducentengewerkt aan een bouwmaterialenakkoord. Binnen dit traject is vraagzijdesturing één van de belangrijke onderwerpen als middel om de markt voorduurzame bouwmaterialen aan te jagen en binnen deze context zal ookworden gekeken naar mogelijkheden voor marktcreatie.31Het kabinet hecht veel waarde aan dat de bedrijven die bouwmaterialenproduceren, bijvoorbeeld de keramische, glas- of cementindustrie, debenodigde stappen kunnen zetten om te verduurzamen. Omdat ook voordeze markten geldt dat duurzame producten voorlopig duurder zijn dan defossiele alternatieven kan ook hier marktcreatie een middel zijn om groenevraag te stimuleren. Op dit moment zet het kabinet in op twee sporen omde markt voor duurzame bouwmaterialen verder te ontwikkelen:1.Publieke aanbestedingen: bij infrastructurele aanbestedingen in degrond-, weg- en waterbouwsector (GWW) gebruikt Rijkswaterstaat,ProRail en andere aanbestedende diensten al steeds vaker demilieukostenindicator (MKI) om de milieu-impact van bouwprojectente scoren. Gebruik van duurzame bouwmaterialen resulteert in eenbetere score, en vergroot daarmee de kans om een aanbesteding tewinnen. Een wetsvoorstel om aanbestedende diensten te verplichtenom milieuprestatie-eisen op te nemen in opdrachten en aanbestedin-gen is in voorbereiding. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat aanbeste-dende diensten op consistente en uniforme wijze milieuprestatie-eisenstellen bij hun inkoopprocedures van werken in de GWW. Hiermeekrijgt het bedrijfsleven de gewenste duidelijkheid over de manierwaarop opdrachtgevers inkopen met milieuprestatie-eisen enzekerheid om te investeren in maatregelen die bijdragen aan mindergrondstoffenverbruik en schonere productiemethodes en bouwmateri-alen. Naar verwachting zal het voorstel vóór de zomer in internetcon-sultatie gaan. Voor de burgerlijke- en utiliteitsbouw is de milieupresta-tie gebouwen (MPG) bij de aanvraag van omgevingsvergunningenreeds wettelijk verplicht; de MPG geeft de milieubelasting aan van dematerialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij omnieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m2) en om nieuwbouwwo-ningen. Ook de MPG geeft een prikkel voor projectontwikkelaars omduurzame bouwmaterialen te gebruiken. Tot slot streven Rijkswater-staat, het Rijksvastgoedbedrijf en ProRail met de zogenaamdeCirculaire Rijksinkoop ook naar het creëren van een circulairebouwmaterialenmarkt, door circulariteitscriteria en -eisen te stellen bijhun aanbestedingen. Hier zijn in het vorige Coalitieakkoord ookmiddelen voor beschikbaar gesteld.2.Europese normering: ook op EU-niveau vinden diverse ontwikkelingenplaats die het gebruik van duurzame bouwmaterialen stimuleren.Meest relevant is de vorig jaar aangenomen herziening van deEuropese Verordening voor Bouwproducten (Construction ProductsRegulation). De herziene CPR wordt op dit moment uitgewerkt indiverse expertwerkgroepen; naast het Ministerie van VRO zijn hierverschillende NL bedrijven direct bij betrokken om ervoor te zorgen datde voorziene normering van bouwmaterialen goed aansluit bij ookonze nationale inzet.30Kamerstuk 29 826, nr. 244. Deze motie is hiermee afgedaan.31Kamerstuk 32 847, nr. 1159.BIJLAGE 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26515 Samenvattend gebeurt er op dit moment al veel om het gebruik vanduurzame bouwmaterialen te stimuleren: zowel nationaal als inEU-verband. Daarnaast is innovatie een onmisbare schakel richtingduurzame bouwmaterialenproductie. Niet strikt genomen marktcreatie;wel een onmisbare randvoorwaarde. Ook hieraan wordt door het Rijk –vanuit een faciliterende rol – gewerkt. Ik noem twee initiatieven:•Het Nationaal Groeifondsprogramma Toekomstbestendige Leefomge-ving. Dit programma, waarvoor € 40 mln is toegekend vanuit het NGF,realiseert samenwerkingsverbanden van bedrijven consortia eninnovatie-infrastructuren voor een continue stroom van nieuwetechnologieën, producten, diensten en kennis gericht op een toekomst-bestendige leefomgeving.•Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB). NABB, gefinancierd met200 miljoen vanuit Klimaatfonds, heeft als doel een markt voorbiobased bouwen te ontwikkelen door bevordering van de teelt vanbiogrondstoffen, opschaling van de verwerkingscapaciteit en toepas-sing van biogrondstoffen in bouwmaterialen.3232https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/11/08/nationale-aanpak-biobased-bouwenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26516 UITWERKING TRANSITIEPADEN OP LANGE TERMIJN (LIJN 2)Elektrificatie, waterstof en CCSElektrificatie is voor de meeste EII-bedrijven de meest energie-efficiëntemanier om de eigen (scope 1) emissies te verminderen. Het biedtvoordelen zoals hoge energie-efficiëntie, minimale stikstofuitstoot,energiebesparing en praktische voordelen zoals minder ruimtegebruik.Recente inzichten zijn ook dat, dankzij technologische vooruitgang, directeelektrificatie voor meer industriële toepassingen geschikt is als verduurza-mingsroute dan eerder gedacht. Zoals blijkt uit de analyse voor deActieagenda Elektrificatie Industrie (zie bijlage) kan met bestaandetechnologieën nu al circa 62 procent van de benodigde proceswarmteworden geëlektrificeerd. Vanaf 2030 komt daar naar verwachting nog eens20 procent bij, dankzij technologieën die nu in ontwikkeling zijn. Deverwachting is dat vanaf 2035 tot 90 procent van de industriële proces-warmtevraag technisch gezien geëlektrificeerd kan worden. Alleenelektrificatie voor hoge temperatuurprocessen, bijvoorbeeld elektrificatievan krakers, vereist nog verdere innovatie.Ondanks dat elektrificatie de meest kosteneffectieve route is voor veelbedrijven, stokt de ontwikkeling en blijft de elektrificatie van de industrie,voornamelijk door de ongunstige randvoorwaarden, achter bij de groeivan hernieuwbare elektriciteit.33 Daarom heeft het kabinet wederomgekeken naar de belangrijkste knelpunten – naast netcongestie en hogeelektriciteitskosten – en concrete acties ontwikkeld, gericht op het creërenvan de juiste randvoorwaarden voor opschaling van industriële elektrifi-catie. Deze acties zijn gebundeld in de Actieagenda ElektrificatieIndustrie (AEI), die als bijlage is bijgevoegd. Daarmee wordt tevensinvulling gegeven aan de toezegging van 29 januari 2025 om de bijge-stelde routekaart voor industriële elektrificatie in de zomer aan de Kamerte versturen.34Zoals vermeld in de AEI zijn veel acties direct uitvoerbaar binnenbestaande kaders en kan er voor enkele instrumenten aanvullendefinanciering nodig zijn. Inzichten uit deze agenda worden meegenomen inhet Actieplan Wind op Zee, dat op Prinsjesdag verschijnt, en sluiten aanbij de motie-Thijssen om samenhang tussen vraag- en aanbodontwik-keling te versterken.35 Tot slot bevat de AEI ook de inhoudelijke inbrengvan Nederland op Europees niveau, onder meer ten behoeve van deinvulling van de randvoorwaarden van de Clean Industrial Deal en hetbeoogde Electrification Action Plan van de Europese Commissie in 2026.36Daarnaast werkt het kabinet, conform regeerprogramma en in reactie opmotie Postma37, aan het niet significant uit de pas laten lopen van deenergiekosten met buurlanden. Hiervoor werkt het kabinet aan maatre-gelen om de elektriciteitskosten te verlagen, waaronder de herinvoeringvan de IKC (indirecte kostencompensatie ETS). Daarnaast wordt verkendhoe aanvullende instrumenten kunnen bijdragen aan verdere kostenver-laging, waaronder een gerichte verlaging van de energiebelasting opelektriciteit en nieuwe staatssteunmogelijkheden binnen het EuropeseCISAF-kader ter demping van hoge elektriciteitsprijzen voor energie-intensieve bedrijven. Hiermee zal elektrificatie van lage- en midden-temperatuurprocessen in de industrie in toenemende mate een haalbare33PBL (2024) KEV2024; Power Barometer, 2024; Eurostat, 2024. De Voortgangsrapportage LAN(Landelijk actieprogramma netcongestie) toont daarnaast dat de versterking van elektriciteits-infrastructuur minder snel gaat dan gehoopt. Bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 29 023,nr. 559.34Toezegging:TZ202502-00635Kamerstuk, 29 826, nr. 220.36Mission Letter | Europese Commissie37Kamerstuk 29 826, nr. 241BIJLAGE 4:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26517 optie worden. Een besluit over de maatregelen is echter aan een volgendkabinet.De impact van relatief hoge elektriciteitskosten in Nederland is met namevoelbaar bij de productie van energie-intensieve grond- en brandstoffenvia waterstof: omdat daarvoor veel elektriciteit nodig is, is het Neder-landse kostennadeel groter. Uit studies blijkt dat het concurrentienadeelvan hogere waterstofprijzen op lange termijn (richting 2050) grotendeelsof geheel kan worden weggenomen door import van duurzaam geprodu-ceerde energie-intensieve halffabricaten voor hoogwaardige verwerkingin Nederland (zoals import van koolstofarme ammoniak voor directetoepassing in productie van kunstmest en chemicaliën als salpeterzuur enmelanine, maar ook import van groene halffabricaten voor brandstoffenen staal is denkbaar). Hierover is een uitvoerige beschouwing aan deEerste en Tweede Kamer gestuurd op basis van studies van CE-Delft enTNO38. In deze context van toekomstige energiekosten weegt de industriezelf de beste verduurzamingsroute. Bedrijven kijken daarbij steeds meernaar het importeren van waterstofrijke energiedragers, grondstoffen enenergie-intensieve halffabricaten. Het kabinet houdt daarom rekening methet scenario dat bepaalde energie-intensieve processtappen in detoekomst niet in Nederland plaatsvinden. Hierdoor is op lange termijn inNederland minder gasvormige hernieuwbare waterstof nodig dan eerdervoorzien in het NPE.In de tussenliggende periode (tot de daadwerkelijke verduurzamings-routes zich aftekenen), blijft het zaak de industrie te verduurzamen en derandvoorwaarden te creëren om competitief te kunnen blijven. Het kabinetzet daarom al versterkt in op elektrificatie en vergroot ook de inzet opCCS. Als transitietechnologie biedt koolstofarme (blauwe) waterstofmogelijk kansen, maar ook nog uitdagingen, waaronder hogere kosten.Ook de productie van deze waterstof draagt bij aan de behoefte aanCCS-capaciteit. Op termijn kan een deel van de CCS-infrastructuur incombinatie met biogene en circulaire koolstofbronnen ingezet wordenvoor zowel koolstofverwijdering als CCU, waarbij biogene koolstofgebruikt wordt om nieuwe producten te maken. CCS is daarom eenessentiële aanvulling op elektrificatie en waterstof, met Porthos en Aramisals concrete projecten. De gevolgen van deze ontwikkelingen voor deverduurzaming van de industrie en het energiesysteem zal het kabinetnader beschrijven in de Klimaat- en energienota (op Prinsjesdag) en deactualisatie van het NPE (2026). In bijlage 4 wordt nader ingegaan op hetperspectief voor circulaire economie en koolstofverwijdering. Beide zijnnodig om de economie te verduurzamen en kennen een centrale rol voorde industrie.Circulaire economieNaast het doel van klimaatneutraliteit in 2050, zet het kabinet in opcirculariteit, zoals verwoord in het Nationaal Programma CirculaireEconomie (NPCE) en het ontwerp-Klimaatplan. Het NPCE zet in op hetverminderen van grondstoffengebruik (de input van de waardeketen), desubstitutie van grondstoffen (door middel van secundaire en duurzamebiobased grondstoffen), levensduurverlenging en hoogwaardigeverwerking. Deze circulaire transitie brengt naast grote kansen, ook eenaantal dilemma’s met zich mee, waarvoor het kabinet momenteelbesluitvorming voorbereidt. Deze besluiten worden in verschillende,hieronder toegelichte, kamerbrieven medegedeeld.38Kamerstuk 36 169, I. Zie ook verwijzing in Tekstbox Brief 13 economen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26518 Ten eerste vraagt een circulaire economie extra ruimte, doordat niet alleproducten oneindig herbruikbaar zijn en «afval», schroot en recyclaat voorverwerking als grondstof gesorteerd en voorbewerkt moeten worden.Bovendien zullen biobased en recyclaatgebaseerde processen tijdelijknaast fossiele processen bestaan, inclusief bijbehorende terminal- enopslagcapaciteit. Fossiele brandstof- en grondstofproductie kan immersniet van de ene op de andere dag worden afgebouwd, dat zal geleidelijkgaan. In het kader hiervan heeft de Kamer op 20 juni jl. een briefontvangen over de resultaten van het onderzoek Nationale prognoseruimtebehoefte industrieclusters.39 Hieruit wordt duidelijk dat zonderingrijpen op termijn onvoldoende fysieke- en milieuruimte is voor deverduurzaming en ontwikkeling van de industrie, met name circulaireproductie. Met het nationaal programma Ruimte voor Economie heeft hetkabinet daarom richting gegeven om te zorgen voor voldoende enkwalitatief goede ruimte voor bedrijvigheid op de juiste plek, waarondervoor de industrieclusters. Dit is tevens een belangrijk thema dat hetkabinet betrekt bij de Nota Ruimte.Het tweede dilemma betreft de vraag welke circulaire productieroutesingezet zullen gaan worden, welke consequenties dat heeft voor hetgrondstoffen- en energiesysteem, wat de kosten van producten zijn en detoekomstige samenstelling van de industrieclusters. Hoewel een keuzevoor een bepaalde route duidelijkheid zou scheppen, is de technologischeontwikkeling voor veel alternatieven nog dermate pril dat een bredereinzet verstandiger is.40 Het kabinet zoekt hierin een goede balans inopbouw, ombouw en afbouw om schokken in de clusters te verzachten.Het derde dilemma betreft de keuze tussen verschillende sturingsmecha-nismen. De transitie van fossiele naar circulaire en biobased grondstoffenis met name voor de petrochemie zeer ingrijpend en complex, waarbijpartijen naar elkaar kijken om de eerste stap te zetten. Er is samenwerkingvereist tussen partijen uit de afvalverwerking- recycling- raffinage- enchemiesector, die de transitie naar circulaire en biobased grondstoffenmoeten maken, terwijl fossiele productie nog nodig is en ondertussengeleidelijk wordt afgebouwd. Tegelijkertijd zal Nederland bij hetvervangen van fossiele grondstof te maken krijgen met een groeiendtekort aan hernieuwbare koolstof.41 Om dat op te vangen moetenbestaande en nieuwe internationale ketens voor duurzame, (bio)grond-stoffen uitgebouwd worden, die divers genoeg zijn om afhankelijkhedente verkleinen en eventuele schokken in leveringszekerheid te mitigeren.Daarbij is een rol voor de overheid weggelegd, om transitiefalen tevoorkomen (waaronder het oplossen van coördinatieproblemen), maar ishet niet wenselijk om private initiatieven in de weg te zitten.Om de transitie in goede banen te leiden, heeft de Nederlandse overheidsamen met een aantal gelijkgestemde landen de Europese Commissieopgeroepen te zorgen voor:1.Marktkansen en -bescherming: de vraag naar duurzame productenstimuleren en de concurrentiepositie beschermen (dit dient bij uitstekin Europees verband te gebeuren, zie lijn 3);2.Beschikbaarheid van niet-fossiele grondstoffen (waaronder duurzamebiogrondstoffen en recyclaat uit Nederland en elders) en duurzameenergie; en39Kamerstuk 29 826, nr. 258.40De subsidieregeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) maakt het mogelijk omeen breed scala aan innovatieve circulaire technieken te stimuleren – o.a. vergassingstechno-logie, pyrolyse, CCU, recycletechnologie en conversietechnologie – en projecten gericht op hetuitvoeren van pilots en demonstraties te ondersteunen.41SIL (2023). Groene keuzes voor de Nederlandse basisindustrie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26519 3.Middelen voor ontwikkeling van technologieën en bouw van (first-of-a-kind) productiefaciliteiten en installaties.42Het kabinet heeft deze lijn in de Nationale Visie op Duurzame Koolstof inde Chemische Industrie overgenomen, deze visie verschijnt dit najaar.Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de Visie Chemie, die ook in het najaarnaar de Kamer gestuurd zal worden. Het kabinet verwacht aan het eindvan dit jaar de Visie brandstoffen te presenteren, waarin het kabinetaangeeft hoe zij de transitie met de raffinagesector vorm wil geven. Naastdeze visies over de ontwikkeling van de vraag naar duurzame koolstof inverschillende delen van de industrie, werkt het kabinet aan een ActieplanAanbod Duurzame Koolstofdragers om het aanbod van duurzamekoolstofdragers op te schalen en daarbij leveringszekerheid zo goedmogelijk te borgen.KoolstofverwijderingKoolstofverwijdering, het actief uit de lucht halen en opslaan van CO2, iseen onmisbaar onderdeel van de weg naar klimaatneutraliteit en nieuw inde kabinetsinzet. Het is nodig om de resterende emissies van moeilijk teverduurzamen sectoren te compenseren, en op termijn zelfs nettonegatieve emissies mogelijk te maken een essentiële stap om verdereopwarming van de aarde te beperken. Voor substantiële negatieveemissies is een stabiele aanvoer van niet fossiele CO2 noodzakelijk,bijvoorbeeld uit duurzame biogrondstoffen of circulaire processen. Hetaanbod hiervan hangt sterk af van welke industriële processen inNederland plaatsvinden en in welke omvang. Tegelijkertijd neemt deconcurrentie toe: ook sectoren als de glastuinbouw en de voedingsmidde-lenindustrie vragen om biogene CO2. Het kabinet onderstreept daaromdat directe emissiereductie altijd prioriteit heeft boven verwijdering.Toch wil het kabinet dat Nederland nu begint met het ontwikkelen van debenodigde infrastructuur, kennis en marktmechanismen. Koolstofverwij-dering biedt niet alleen een klimaatoplossing, maar ook economischekansen onder andere in de vorm van technologieontwikkeling, kennis-export en koppeling met CCS-capaciteit.Het kabinet onderscheidt drie fasen in de ontwikkeling van koolstofverwij-dering:•Tot circa 2030 – opstartfase: gericht op innovatie, pilotprojecten en hetontwikkelen van regelgeving;•Vanaf 2030 – opschalingsfase: gericht op het ontwikkelen van eenmarkt voor negatieve emissies en inzet in Europese systemen;•Vanaf 2040 – internationaliseringsfase: een volwassen, grensover-schrijdende markt die bijdraagt aan netto negatieve emissies wereld-wijd.Tegelijkertijd wordt langs drie sporen gewerkt aan de randvoorwaarden:•Versterking van internationale boekhoudregels voor betrouwbarecertificering;•Het opzetten van een Europese koolstofmarkt;•En het voorbereiden van Nederlandse bedrijven via nationaleinnovatiesteun en kennisontwikkeling.Koolstofverwijdering zal niet de kern vormen van de industriële transitie,maar wel een strategische bouwsteen zijn voor de tweede helft van dezeeeuw. Door hier nú op in te zetten, creëert Nederland ruimte om rest-emissies op te vangen, technologie te ontwikkelen én een koploperspo-sitie te claimen in een opkomende mondiale markt.42Bijlage bij Kamerstuk 42 852, nr. 315. Deze drie actielijnen staan ook in het advies van deexpertcommissie Duurzame Koolstofchemie, dat openbaar gemaakt is met de consultatie vande Nationale visie op duurzame koolstof in de chemische industrie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26520 Innovatie en groeimarktenVoor het Ministerie van KGG vormt innovatie en opschaling de schakeltussen verduurzaming van de industrie en economisch groeipotentieel.Onlangs gaf het IEA in The State of Energy Innovation aan dat ongeveerde helft van de voor verduurzaming benodigde technieken nog inontwikkeling is of verdere opschaling behoeft.43 Dit betekent dat blijvendeinzet op innovatie een onmisbare pijler is en blijft in de beleidsmix terverduurzaming van de industrie.44 Daarbij zullen de inspanningen zichniet beperken tot de grote industrieclusters, maar is samenwerking methightech industrie-ecosystemen rond de Technische Universiteiten vangroot belang, omdat juist daar veel nieuwe vindingen wordengeoctrooieerd.45 Het kabinet is bovendien voornemens om de inzet tefocussen op een beperkt aantal groeimarkten: gebieden waar zowel meervraag verwacht wordt, als waar Nederlandse bedrijven goed in zijn, zoalsgeavanceerde chemie. Over het bredere industriebeleid en groeimarktenontvangt de Kamer dit najaar een brief van de Minister van EconomischeZaken.Nederland dient dit potentieel te benutten, omdat het goed aansluit opNederlandse kennis en kunde (o.a. chemie, materiaalkunde, hightech,logistiek, biotechnologie, voedingsmiddelentechnologie) en omdat ertoekomstig verdienvermogen ligt. Bovendien biedt het een kans om derest van de wereld te laten zien dat het kan, om zo een bijdrage te leverenaan mondiale emissiereductie. Met Kennis- en Innovatieagenda’s voorenergie en chemie stuurt de overheid op innovatiemiddelen die viaverschillende instrumenten worden ingezet, zoals MOOI, DEI+ en VEKI enwordt samengewerkt op tenders en inzet bij NWO en TNO.43IEA (2025). The State of Energy Innovation.44zie monitoringsgegevens op dashboardklimaatbeleid.nl, industrie innovatiepijler.45Rozendaal, R. en Vollebergh, H. (2024). Groene innovatie vooral bij grote bedrijven in Brabanten Randstad. ESB 110 (4843), pp. 114–117.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 26521
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.