KamerkringInloggen
Kamerbrief

MIRT-brief najaar 2024

12 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie fa2b55857bba1ec4 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 AVaststelling van de begrotingsstaat van hetMobiliteitsfonds voor het jaar 2025Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN INFRA-STRUCTUUR EN WATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 12 november 2024Goede mobiliteit en bereikbaarheid zijn van cruciaal belang voor onzesamenleving. Voor onze welvaart, onze economie en ons welzijn. Met eengroeiende bevolking en groeiende economie groeit ook de behoefte aanmobiliteit. Ook de eisen die daaraan worden gesteld nemen toe, bijvoor-beeld als gevolg van het veranderende klimaat of op het terrein vancyberveiligheid. De veiligheid, betaalbaarheid en de toegankelijkheid vande infrastructuur en het gebruik ervan moeten op orde zijn en blijven. Ditkabinet doet veel op het gebied van bereikbaarheid, zowel op instand-houding als op aanleg. Ook heeft het kabinet € 2,5 mld. beschikbaargesteld voor investeringen in het infrastructuurnetwerk en ontsluiting vanwoningbouw. Dit in aanvulling op de middelen die het vorige kabinetbeschikbaar heeft gesteld. Door een combinatie van verschillendeontwikkelingen (onder andere beschikbaarheid van vakmensen envergunningen voor stikstofruimte) staat de uitvoering van plannen van hetMobiliteitsfonds (MF) wel in toenemende mate onder druk en daarmeeook de bereikbaarheid en mobiliteit van Nederland.Daarnaast is de aankomende decennia sprake van groeiende opgaven ophet gebied van instandhouding, waardoor een groter deel van debeschikbare middelen en vakmensen hiervoor nodig is en dus niet kanworden ingezet om de netwerken verder te ontwikkelen. Ook kunnenprijsontwikkelingen van de Grond-, Weg- en Waterbouwsector in depraktijk tot toekomstige budgettaire knelpunten op het MF leiden, zoals inde eerder verzonden Kamerbrief over de prijsbijstellingssystematiek isaangegeven.1 Alles bij elkaar is het in toenemende mate merkbaar dat nietalles tegelijk mogelijk is. De ruimte om nieuwe projecten te starten isschaars. Dit geldt voor de vergunningsruimte, financiële middelen en debeschikbaarheid van vakmensen bij uitvoeringsorganisaties en de markt.1Kamerstuk 36 410 XII, nr. 50 kst-36600-A-16ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 161 Het vorige kabinet werd geconfronteerd met de gevolgen van boven-staande ontwikkelingen. Dit heeft in 2023 geleid tot de herprioritering vanhet MF waarbij belangrijke projecten zijn gepauzeerd.2 Een groot deel vanhet budget bij de projecten die gepauzeerd zijn, is ingezet voor het dekkenvan tekorten op in uitvoering zijnde projecten en instandhouding. Dit allesom – met datgene wat wel kan – Nederland veilig, bereikbaar en leefbaarte houden. Deze projecten zijn behouden in het MIRT-overzicht, omdat deonderliggende opgaven niet zijn verdwenen. Deze projecten blijvenbelangrijk.Zoals in het Regeerprogramma is vermeld (en met de Kamer tijdens debegrotingsbehandeling is besproken), is het de ambitie om binnen dezecontext op infrastructuurterrein toch het maximale te doen binnen dekaders van het Regeerprogramma en het Hoofdlijnenakkoord. Daarbij gaathet zowel om de instandhouding, het naar behoren uitvoeren van gestarteinvesteringen in de afgelopen jaren én de ontwikkeling van de netwerken.De Kamer is eerder geïnformeerd over de adviezen en aanbevelingen uittwee rapporten (validatierapport Rebel Group en rapport Kohsiek), die hetbelang onderstrepen van de huidige focus op instandhouding gelet op deforse opgave en daarmee het vergroten van de maakbaarheid.3 Daaromgaat het jaarlijkse onderhoudsbudget voor Rijkswaterstaat (RWS) omhoogvan € 2 mld. naar € 3 mld. in de periode tot 2030. Ook is extra budgetvrijgemaakt voor instandhouding van het spoor waardoor het jaarlijksonderhoudsbudget voor spoor stijgt naar ongeveer € 2,3 mld. per jaar.Voor zowel de RWS-netwerken als het spoor is het basiskwaliteitsniveau(BKN) vastgesteld. Dat geeft aan waar een weg, vaarweg, waterwerk ofeen spoorweg in de basis aan moet voldoen om gebruikers goed tekunnen blijven bedienen. Het vormt de basis van de instandhoudings-opgave. Door daarop te richten en binnen de gehele keten van beleid,uitvoering en marktpartijen goed samen te werken, kan toch zo veelmogelijk gedaan worden met de beschikbare mensen en middelen.Voor wat betreft de MIRT-projecten is aan het lid Van Dijk toegezegd omvoorafgaand aan het notaoverleg MIRT een prioritering aan te brengen inde MIRT-projecten en daarbinnen inzichtelijk te maken op basis van welkeafwegingen volgend uit het analysekader deze prioritering is aangebracht.Daarbij wordt ook de motie van de leden Stoffer en Grinwis betrokken.4Benadrukt wordt dat er ten aanzien van de MIRT-projecten nog geenkeuzes zijn gemaakt. Hiervoor is meer tijd nodig. De integrale afwegingkan pas plaatsvinden bij de voorjaarsbesluitvorming. Er is baat bij eenordentelijk proces. Dat is ook besproken met de regio’s. Uiteraard is bij deregio’s sprake van teleurstelling, maar er is ook begrip. De regio heeft metvergelijkbare problematiek te maken. In de Bestuurlijke Overleggen (BO’s)MIRT is daarom slechts een beperkt aantal nieuwe besluiten genomen tenaanzien van infrastructuurprojecten.Het budgettaire kader is – naast de vergunbaarheid en maakbaarheid –voor deze kabinetsperiode echter het uitgangspunt waarbinnen,wederom, scherpe keuzes moeten worden gemaakt. Grote projecten die inhet Regeerprogramma expliciet zijn genoemd, kunnen alleen een stapverder worden gebracht door het bestaande MIRT-programma erbij tebetrekken en integraal af te wegen. Deze scherpe keuzes moetendaarnaast ook hand in hand gaan met het verbeteren van de beheersing.Voorkomen moet worden dat het starten van nieuwe of gepauzeerdeprojecten met onvoldoende beheersing leidt tot kostenoverschrijdingenen daarmee een nieuwe ronde herprioritering noodzakelijk maakt. Alleen2Kamerstuk 29 385, nr. 1193Kamerstuk 29 385, nr. 1394Kamerstuk 36 600 XII, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 162 zo kan de jaarlijkse investeringsruimte weer ingezet worden om nieuweopgaven aan te pakken.Op dit moment komt jaarlijks na aftrek van verplichtingen circa € 1,5 mld.aan investeringsruimte beschikbaar door extrapolatie van de meerjaren-raming van het MF. In de Ontwerpbegroting 2025 is deze ruimte voor 2038toegevoegd. In de Ontwerpbegroting 2025 is een deel hiervan (€ 400 mln.)ingezet ter dekking van het BKN spoor. Er resteert hiervan dus nog circa€ 1,1 mld. In de ontwerpbegroting 2026 wordt hier weer een nieuwetranche aan toegevoegd waardoor deze ruimte verder aan zal groeien.Een substantieel deel van deze middelen zal ingezet moeten worden terdekking van tegenvallers, reeds voorziene kostenstijgingen bij deprojecten die al in realisatie zijn en onvoorziene tegenvallers, zoals bij deA27 Houten – Hooipolder en de ViA15. Het gaat hier om grote bedragen.De inzet is vanzelfsprekend om deze kostenstijgingen door scopeaan-passing en een andere fasering en contractering zoveel mogelijk tebeperken. De mogelijkheid hiertoe bij projecten die reeds een vastgesteldprojectbesluit hebben is evenwel beperkt. Bij projecten die ook al zijngecontracteerd is er nog minder ruimte om dit te doen. Tegenover de (aldan nog resterende) investeringsmiddelen, staan dan onder meer deambities en opgaven opgenomen zoals in het Regeerprogramma.Aan de toezegging aan het lid Van Dijk om een prioritering aan te brengenin de MIRT-projecten en daarbinnen inzichtelijk te maken op basis vanwelke afwegingen volgend uit het analysekader deze prioritering isaangebracht, zal stapsgewijs worden voldaan. De eerste stap is omcriteria vast te stellen aan de hand waarvan de weging plaats zal vinden.In willekeurige volgorde betreft het de volgende criteria:•de benodigde personele en financiële middelen,•de bijdrage aan de woningbouwopgave,•de fase waarin het MIRT-project zich bevindt (realisatie, planning- enstudies, verkenning of onderzoek),•de mate waarin het MIRT-project bijdraagt aan maatschappelijkeopgaven op terrein van bereikbaarheid, (verkeers)veiligheid, leefbaar-heid en duurzaamheid,•de mate waarin het project bijdraagt aan het functioneren vaninternationale, nationale of regionale netwerken,•de mate waarin sprake is van cofinanciering door andere overheden ofpartijen,•de regionale verdeling,•het zicht op de vergunbaarheid (stikstofruimte).Het doel is om richting het voorjaar te komen tot een integrale afwegingtijdens de voorjaarsbesluitvorming. De onderdelen van de motie van deleden Stoffer en Grinwis over de strategische keuzes met betrekking tot debudgetspanning en de mogelijke risico’s van budgettekorten wordenhierin meegenomen.Het gaat hierbij nadrukkelijk om een politieke en bestuurlijke weging. Deinzet van IenW is daarom om in de eerste plaats recht te doen aan deprioriteiten zoals deze in het Regeerprogramma zijn opgenomen. Naasthet mogelijk maken van de groeiende opgave van instandhouding,betekent dat het zetten van bijvoorbeeld vervolgstappen met de Lelylijn,Nedersaksenlijn en OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer, en ishet de wens van IenW om ieder jaar één van de gepauzeerde projecten opte starten (onder voorbehoud van de benodigde vergunningsruimte,financiële middelen en personeel waarna al dan niet wordt begonnen metde opstart, zoals vermeld in het Regeerprogramma). Daarnaast is het deintentie om met de aannemerscombinatie tot overeenstemming te komenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 163 over de realisatie de ViA15 en de «kansrijke» stikstofprojecten verder tebrengen. Tot slot is de inzet om een aantal kleine maatregelen te treffenom de bereikbaarheid zo goed mogelijk op orde te houden. Gegeven hethierboven geschetste financieel kader en de beperkte maakbaarheid, is ditzeer ambitieus te noemen en kan dit alleen met een combinatie vanenerzijds een verscherpte beheersing op de inzet van de beschikbaremiddelen, capaciteit en stikstofruimte en anderzijds prioritering binnenhet bestaande MIRT-programma waarbij rekening wordt gehouden met deopgave voor instandhouding. Zoals hierboven aangegeven wordt deKamer bij de voorjaarsnota 2025 nader geïnformeerd over de integraleafweging binnen het MF.Het besluit rond de inzet van de restbudgetten van de gepauzeerdeprojecten (in totaal zo’n € 700 mln.), moet in dit licht worden bezien. DeKamer heeft op 20 juni 2024 het beoordelingskader voor de inzet vanrestbudgetten ten behoeve van mitigerende maatregelen ontvangen,waarin ook het besluitvormingsproces daaromtrent is uiteengezet.5 In lijnmet dit proces heeft de regio – na samenspraak met ambtelijk IenW – inseptember voorstellen voor de maatregelpakketten ingediend. IenW heefthierover vervolgens besloten. Daarbij zijn niet alle voorstellen gehono-reerd.De gereserveerde budgetten zullen als volgt worden ingezet:1.€ 47 mln. wordt ingezet voor een tweetal kleine, maar belangrijkemaatregelen: de A4/N211 Harnaschknoop en verbindingsboog A1/A30.Hierbij worden delen van de projecten A4 Haaglanden – N14 en A1/A30gerealiseerd. Vanwege schaarse RWS-capaciteit, is een voorwaardevan IenW dat de provincie Zuid-Holland de realisatie (incl. planuitwer-king) van de A4/N211 op zich neemt.2.€ 159 mln. wordt beschikbaar gesteld aan de regio’s voor de voorstel-len van de regio tot mitigerende maatregelenpakketten. Mitigerend inde zin dat ze een (beperkte) oplossing bieden voor de oorspronkelijkeproblematiek die een gepauzeerd project beoogde op te lossen. Dezevoorstellen zijn positief beoordeeld door IenW langs de lat van hetgezamenlijk afgestemde beoordelingskader tussen Rijk en regio. Hetbetreft maatregelen(pakketten) voor een werkgevers- en logistiekeaanpak, voor OV en fiets, voor een aanpak van sluipverkeer op hetonderliggend wegennet of een korte termijn aanpak met ondersteu-nende fysieke maatregelen. Het gaat om de volgende projecten: A58Stedelijke Regio Breda Tilburg (€ 23 mln.), A2 Deil – Vught (€ 54 mln.),A15 Papendrecht-Gorinchem (€ 16 mln.), A4 Haaglanden – N14(€ 16 mln.) en A1/A28 knooppunt Hoevelaken (€ 50 mln.). Ook voordeze maatregelen geldt dat de regio deze moet kunnen uitvoeren.3.De verdeling van de resterende circa € 490 mln. loopt mee in devoorjaarsbesluitvorming 2025. Intentie is om dit bedrag deels tereserveren voor de herstart van projecten en deels voor kleinemaatregelen, gericht op het verbeteren van het autonetwerk (op OWNof HWN) of de doorstroming van automobiliteit op het nationalenetwerk. Een eventuele reservering voor kleinere maatregelen kentdaarbij een maximum van € 290 mln. Onder voorbehoud van deintegrale weging blijft er zo minimaal € 200 mln. beschikbaar voor deherstart van projecten. Maakbaarheid en stikstofruimte zijn daarbijrandvoorwaarden. De regio’s is gevraagd met voorstellen te komen dieop korte termijn te realiseren zijn. Definitieve besluitvorming over dezemaatregelen loopt mee met de integrale besluitvorming rond het MFin het kader van de voorjaarsbesluitvorming 2025. De exacte voorwaar-den aan de hand waarvan deze maatregelen worden getoetst, zullennog dit najaar, na overleg met de regio’s door IenW worden vastge-steld. Anders dan de besluiten 1 en 2 hoeft er geen directe koppeling te5Kamerstuk 36 410 A, nr. 61Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 164 zijn met de opgaven waarvoor de gepauzeerde projecten eenoplossing bieden. Voorwaardelijk is wel dat de maatregelen maakbaarmoeten zijn (onder andere stikstof) en er geen personele inzet vanRWS voor de realisatie van de maatregelen nodig is. Dit betekent datde resterende projectbudgetten op nul worden gezet en niet meerbeschikbaar zijn binnen het project. Wel blijven de projecten in hetMIRT-overzicht opgenomen.Verder verzoekt de motie van de leden Stoffer en Grinwis om inzicht tegeven in de precieze budgetbehoefte voor instandhouding en nieuweinfrastructuurprojecten tot 2038 in verhouding tot de hiervoor beschikbaremiddelen. Om aan dit deel van de motie invulling te geven, wordtverwezen naar het overzicht met mogelijke financiële tegenvallers ennieuwe beleidswensen van meer dan € 500 mln. dat eerder aan infor-mateur Plasterk is verstrekt. Dit overzicht biedt een grof overzicht van demogelijke financiële vraagstukken over de gehele looptijd van het MF. Hetoverzicht laat ook zien dat er scherpe inhoudelijke keuzes nodig zijn omhet lopende programma in te blijven passen binnen het MF. Het spreektvoor zich dat dit binnen de begrotingsregels moet gebeuren. Bij hetoverzicht moeten de volgende punten in acht genomen worden:•De motie vraagt om de precieze budgetbehoefte voor nieuweinfrastructuurprojecten. Een gedetailleerd actueel inzicht, post perpost, kan niet openbaar gemaakt worden omdat het hier om marktge-voelige informatie gaat. Desgewenst kan de Kamer hier vertrouwelijkover worden geïnformeerd.•Voor wat betreft de instandhouding RWS wordt verwezen naar de briefaan de Kamer inzake de validatie van de budgetbehoefte van deRWS-netwerken.•De tegenvaller op het BKN spoor is verminderd door alsnog een stevigpakket aan versobering en efficiencymaatregelen te treffen. Hierdoorwas circa € 900 mln. extra benodigd vanuit het MF ter dekking hiervan.•De budgetten van projecten- en programma’s zijn in beginseltaakstellend. Dit betekent dat tegenvallers ingepast dienen te wordenmiddels scope-aanpassingen of fasering. De regels budgetdisciplinestellen dat departementen tegenvallers zelf inpassen door middel vankeuzes elders binnen de eigen begroting. Dat geldt ook voor het MF.•Er zijn ook kostenstijgingen en tegenvallers die kleiner zijn dan€ 500 mln. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het project Kornwerderzand.•Bij de A27 Houten – Hooipolder worden de ontwerpen en planningenmomenteel nader uitgewerkt door de opdrachtnemers. Hierbij is hetbeeld dat de kosten aanzienlijk hoger uitvallen dan eerder wasvoorzien. Deze inzichten zullen worden betrokken bij een besluit overdeze tegenvaller bij de integrale besluitvorming voorjaarsnota 2025,waarna de Kamer hierover zal worden geïnformeerd.•Er zijn nieuwe kostenramingen voor de Lelylijn en Nedersaksenlijn metde Kamer gedeeld.6•Ook heeft de Kamer inzicht gekregen in de mogelijke meerkosten vande intelligente wegkantstations.Naast het voorgaande is er in de BO’s MIRT 2024 gesproken oververschillende MIRT-projecten en -programma’s. Met het vervolg van dezebrief wordt de Kamer, mede namens de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening, geïnformeerd over de uitkomsten van de BO’s MIRT2024 en over de laatste ontwikkelingen binnen de verschillendeMIRT-projecten en -programma’s. Een volledig overzicht van allegemaakte bestuurlijke afspraken is te vinden in de bijlage bij deze brief.Het vervolg van deze brief is als volgt opgebouwd:6Kamerstuk 36 600 A, nr. 6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 165 1.Terugmelding afspraken BO’s MIRT en voortgang MIRT-projecten en-programma’s1.1.Regio Zuidwest1.2.Regio Zuid1.3.Regio Noord1.4.Regio Noordwest1.5.Regio Oost1.6.Goederenvervoercorridors1.7.Algemeen2.Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT3.Slot1. Terugmelding afspraken BO’s MIRT en voortgangMIRT-projecten en -programma’s In het MIRT is afgelopen periode weer hard gewerkt aan het volbrengenvan tal van MIRT-projecten. Zo kan na de uitspraak van de Raad van Stateeen vervolg worden gegeven aan de ViA15, om de doorstroming rondArnhem en Nijmegen te verbeteren. Dat is in Groningen al gebeurd;eerder dan gepland ging daar de Zuidelijke Ringweg open, belangrijk voorde bereikbaarheid en veiligheid van weggebruikers. Ook op het spoorgebeurt veel; begin 2025 starten de werkzaamheden voor verbetering vande Maaslijn, een belangrijk regionaal spoortraject dat er voor zorgt datdieseltreinen vervangen kunnen worden voor elektrische treinen. Tevenszijn afspraken gemaakt over de cofinanciering van twaalf doorfietsroutesdoor het hele land, zodat mensen makkelijker en veiliger met de fiets naarhet werk kunnen.Op en aan het water houdt ons werk ook niet op. Met de feestelijkeopening van de Nieuwe Sluis in Terneuzen krijgt Zeeuws-Vlaanderen eeneconomische boost en kunnen schepen sneller doorvaren. Ook is deaanleg begonnen van de projecten Meanderende Maas en Lauwersmeer-Vierhuizergat, om de waterveiligheid in Brabant, Gelderland en Groningente vergroten.Ten slotte zet IenW ook in op infrastructuur ten behoeve van nieuwewoningen. Dit kabinet voegt € 2,5 mld. toe aan het MF om deze (nieuwe)woningen te ontsluiten. De Ministeries van VRO en IenW stemmen degebiedsgerichte investeringen voor nieuwe woningbouw (onderdeel vande € 5 mld.) en de investeringen in bijbehorende infrastructuur (€ 2,5mld.) op elkaar af. De verwachting is om komend voorjaar bij de Bestuur-lijke Overleggen Leefomgeving (BOL’s) 2025 de eerste afspraken hieroverte kunnen maken.1.1. Regio Zuidwest In het BO MIRT Zuidwest is een open gesprek gevoerd over het Regeer-programma, opgaven in de regio én over de samenwerking Rijk-regio dekomende jaren. Aandacht is gevraagd voor gezamenlijke realisatiekrachten randvoorwaarden. Vanuit Rijkszijde is uitgesproken om na de studievan het Toekomstbeeld Midden-Zeelandroute met gelijkwaardigeinspanning de ruimtelijke en infrastructurele keuzes te maken die zullenlanden in een gezamenlijke propositie ter besluitvorming aan het kabinet,gedeputeerde staten en betreffende colleges van burgemeester enwethouders. Met Zeeland is een afspraak gemaakt voor financiering vanZeeland Bereikbaar voor de periode 2025–2028. Hiermee kan hetsamenwerkingsverband voor een gezamenlijke hinderaanpak opgestartworden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 166 Met Zuid-Holland zijn afspraken gemaakt over het inzetten van een deelvan de restbudgetten van de gepauzeerde projecten A4 Haaglanden – N14en A15 Papendrecht – Gorinchem. Voor beide projecten zijn maatregelenafgesproken die een bijdrage leveren aan het tegengaan van de negatievegevolgen van pauzeren met een omvang van € 16 mln. voor de A4Haaglanden – N14 en € 16 mln. voor de A15 Papendrecht – Gorinchem.Voor de capaciteitsuitbreiding van de aansluiting van de N211 op de A4(Harnaschknoop) is het besluit tot realisatie genomen. IenW draagt dekosten en de provincie Zuid-Holland zal het werk uitvoeren. Op het BOMIRT Zuidwest is een terugmelding gedaan uit het BO goederenempla-cement IJsselmonde dat op 5 november plaatsvond en waarin Rijk,gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam deelnamen. Voor deverdere uitwerking van het project station Stadionpark wordt, met het oogop o.a. ruimte voor extra woningbouw, verplaatsing van goederenempla-cement IJsselmonde als uitgangspunt gehanteerd. De betrokken partijen(Rijk, gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam) werken, ondervoorbehoud van diens politieke besluitvorming (waaronder financiering),het daarvoor benodigde investeringsbesluit richting BOL en/of BO MIRTverder uit en spreken elkaar hierover in februari 2025.Dit ondervoorbehoud van (politieke) besluitvorming van genoemde betrokkenpartijen.1.1.1. Openstelling Blankenburgverbinding Op 7 december 2024 wordt de Blankenburgverbinding opengesteld voorhet verkeer. Deze nieuwe snelweg, de A24, verbindt de A20 bij Vlaar-dingen (noordoever) en de A15 bij Rozenburg (zuidoever) en draagt bijaan een robuust netwerk. Hiermee neemt de drukte op de A15 en deBeneluxcorridor af en verbetert de bereikbaarheid tussen de Rotterdamsehaven en de Randstad.Met de openstelling is het project nog niet volledig afgerond. Er vindennog afrondende werkzaamheden plaats, zoals het asfalteren van de A15en het verder aanleggen van diverse groenvoorzieningen. Dit in samen-werking met de omgevingspartijen. Deze afrondende werkzaamhedenlopen naar verwachting nog door tot eind 2025.1.1.2. Bestuursovereenkomst Randstadrail Metronet Tijdens het BO MIRT 2024 hebben de Metropoolregio Rotterdam DenHaag (MRDH) en IenW de bestuursovereenkomst (BOK) RandstadrailMetronet ondertekend. In de BOK zijn afspraken gemaakt over investe-ringen in uitbreiding van het Metronet Rotterdam en de Randstadrail doorde MRDH. In totaal gaat het om een investering van € 550 mln., waarvande MRDH en IenW ieder de helft voor hun rekening nemen. De uitbreidingbehelst:1.Het gekoppeld rijden op RandstadRail Lijn 4 (Den Haag – ZoetermeerStation Lansingerland);2.Het gekoppeld rijden op RandstadRail Lijn 2 (Den Haag – Leidschen-dam) of Lijn 3 (Den Haag – Zoetermeer Centrum) in het stedelijk gebiedvan Den Haag;3.Verhoging van het aantal metro’s op de E-lijn (Den Haag Centraal –Pijnacker – Rotterdam Centraal – Slinge) per 2030 en op de C-lijn(Capelle aan den IJssel – Blaak – Schiedam – Spijkenisse) per 2032–2035;4.Het vergroten van de capaciteit en doorstroming van metrostationBeurs rond 2035;5.Het vernieuwen van de spoorbeveiliging van het gezamenlijk spoorvan RandstadRail en Metronet om hier vaker te kunnen rijden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 167 1.1.3. Opening Nieuwe Sluis Terneuzen Op 11 oktober 2024 is door de Koning van Nederland en de Koning vanBelgië de Nieuwe Sluis in Terneuzen officieel geopend. De gezamenlijkeopening onderstreept de prettige onderlinge samenwerking waarin ditproject met succes tot stand is gekomen en het grensoverstijgende belangvan de Nieuwe Sluis in Terneuzen. De Nieuwe Sluis zorgt voor een beteretoegang en snellere doorstroming voor scheepvaart vanaf de Wester-schelde naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen en verder. De komst vande Nieuwe Sluis zorgt voor nieuwe economische activiteiten in zowel deZeeuws-Vlaamse als de Vlaamse regio en een betere benutting van heteconomisch potentieel van de Kanaalzone in beide regio’s. De capaciteitvan de sluizen neemt toe, waardoor de wachttijd voor binnenvaart-schepen afneemt.1.2 Regio Zuid In het BO MIRT Zuid is gesproken over de brede waaier aan opgaven inBrabant en Limburg. Hoewel het pauzeren van enkele wegenprojectenmet name in Brabant behoorlijke impact heeft, werken regio en Rijksamen aan het zo goed mogelijk bereikbaar houden van de regio. Daarbijis ook de aandacht voor de grensoverschrijdende projecten. Door deligging van Brabant en Limburg lopen er meerdere goederencorridorsdoor deze provincies. Beide provincies hebben daar sociaal economischvoordeel van, maar ondervinden lokaal ook de lasten. Ook voor personen-vervoer zien Rijk en regio mogelijkheden om Nederland beter met debuurlanden te verbinden. Om dit in samenhang te doen, is het afgelopenjaar een Multimodale Agenda voor Zuid-Nederland opgesteld. Hierin zijnzes hoofdopgaven gedefinieerd, die het komende jaar verder wordenuitgewerkt.1.2.1. Brainport Met de extra impuls uit het Beethovenconvenant onderstreept het kabinethet belang van de Brainportregio voor heel Nederland.7 De afspraken uithet Beethovenconvenant zijn tijdens het BO MIRT verder uitgewerkt envastgelegd. Over de mobiliteitsprojecten die daar onderdeel vanuitmaken, zijn afspraken gemaakt om zo snel mogelijk tot uitvoering tekomen. Naar verwachting kan in 2025 een voorkeursbeslissing voor demultimodale OV-Knoop Eindhoven worden genomen. Daarmee verbetertde lokale en regionale bereikbaarheid door een nieuw busstation en wordttegelijk de spoorknoop Eindhoven toekomstvast aangepakt. Ook isafgesproken om richting het volgende BO MIRT te kijken of en hoe deextra perrons ten aanzien van de spoorknoop Eindhoven op een slimmewijze kunnen worden gerealiseerd, zodat werk met werk kan wordengemaakt in de spoorknoop. In de eerste helft van 2025 kunnen de bussenover de vluchtstrook van de A67 rijden. De andere Bus op Vluchtstrook-trajecten – eerst de A2, dan de A50 – worden met prioriteit daarnagerealiseerd. Tot slot zijn voor de MIRT-verkenning naar het verbeterenvan de A2/N2 en de Brainportlijn afspraken gemaakt om in het voorjaarvan 2025 formeel te kunnen starten.1.2.2. Wilhelminakanaal Sluis II IenW heeft de projectbeslissing genomen waarmee de realisatie van hetproject Wilhelminakanaal Sluis II kan worden opgestart en Tilburguiteindelijk bereikbaar kan worden gemaakt voor klasse IV schepen.Nadere afspraken over onder andere de cofinanciering van het project7Kamerstuk 33 009, nr. 141Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 168 door Noord-Brabant en Tilburg zullen uiterlijk begin 2025 in een bestuurs-overeenkomst definitief worden bevestigd.1.2.3. AROV/Spoorbrug Maastricht Rijk en de provincie Limburg hebben in lijn met en binnen de gesteldekaders van de Kamerbrief van 20 juni 2024 (en binnen het beschikbarebudget van € 36,7 mln. (prijspeil 2024)) afspraken gemaakt over deherbestemming van de Rijksbijdrage voor de tram Hasselt – Maastricht, inhet kader van het Actieprogramma Regionaal Openbaar Vervoer (AROV)voor het verbeteren van de regionale en internationale bereikbaarheid.8De provincie Limburg zal er met deze middelen voor zorgdragen dat deoverwegaanpassingen tussen Maastricht en Eijsden voor de tweedeDrielandentrein naar Luik worden uitgevoerd en de spoorbrug inMaastricht inclusief de pijlers wordt gesloopt, wat leidt tot het oplossenvan een maritiem knelpunt en daling van de waterstand in de Maas vancirca 5 cm. Daarnaast worden de gronden en assets van ProRail westelijkvan de spoorbrug door de provincie Limburg verworven. Tevens zal deprovincie Limburg een afspraak maken met de gemeente Maastricht overde AROV-bijdrage aan de nieuwe langzaam-verkeersbrug onder devoorwaarde dat gemeente Maastricht uiterlijk in 2026 de benodigdevergunning voor sloop van de spoorbrug zal afgeven. DeAROV-overeenkomst zal met een bestuursovereenkomst wordenbeëindigd en zullen door de provincie Limburg nieuwe projectovereen-komsten worden opgesteld. In lijn met de motie van het lid De Hoop c.s.zijn verschillende mogelijkheden voor de spoorbrug samen met de regioonderzocht in Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht.9 Dit heeft aan debasis gelegen van deze afspraak.1.2.4. Meanderende Maas Op 9 juli 2024 is de Bestuursovereenkomst Realisatie Meanderende Maasdoor alle betrokken partijen ondertekend.10 Dit project is daarmee officieelovergegaan naar de realisatiefase. Gewerkt wordt aan maatregelen op hetgebied van hoogwaterveiligheid (dijkversterking en rivierverruiming), deKaderrichtlijn Water (KRW), de Programmatische Aanpak Grote Wateren(PAGW) en regionale (gebieds)opgaven zoals natuur, recreatie encultuurhistorie. Vanuit IenW is hiervoor in totaal € 46,88 mln. beschikbaarvanuit het Deltafonds. Het project is naar verwachting in 2030 gereed.1.3. Regio Noord In het BO MIRT Noord is uitgebreid gesproken over de Lelylijn en deNedersaksenlijn. Er is veel waardering geuit voor de uitgevoerdeonderzoeken en de opgestelde rapporten. Er is geconcludeerd dat beidelijnen en de daarmee samenhangende gebiedsontwikkeling inhoudelijk deintentie onderstrepen om een vervolgstap te willen zetten. In hetHoofdlijnenakkoord en Regeerprogramma is er geen budget vrijgemaaktvoor de Lelylijn en Nedersaksenlijn. Doordat er evenwel geen zicht is op75% van de financiering, kan voor zowel de Lelylijn als de Nedersaksenlijnnog geen startbeslissing worden genomen voor een MIRT-verkenning. Eris afgesproken dat Rijk en regio voor het eind van het jaar een vervolgge-sprek hebben over deze lijnen.8Kamerstuk 36 410 A, nr. 619Kamerstuk 29 984, nr. 95910Stcrt. 2024, nr. 23 978, d.d. 24 juli 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 169 Verder is kort stilgestaan bij het sluiscomplex Kornwerderzand en debereikbaarheid van Ameland. Voor beide onderwerpen wordt eenvervolgoverleg georganiseerd. Tot slot is de Hoofdvaarweg Lemmer –Delfzijl aan bod gekomen. Voor de Friese bruggen Kootstertille enSpannenburg zullen uiterlijk in december 2024 bestuurlijke afsprakenworden gemaakt. Voor de Groningse Paddepoelsterbrug zijn afsprakengemaakt over de bouw van een nieuwe brug.1.3.1. Zuidelijke Ringweg Groningen Op 1 september 2024 is de Zuidelijke Ringweg Groningen opengesteldvoor verkeer. Dit is eerder dan de geplande openstelling in 2025 die eerderis gecommuniceerd.11 De nieuwe infrastructuur verbetert de bereik-baarheid van belangrijke bestemmingen in de stad, de doorstroming vanhet verkeer en is met aandacht voor detail ingepast in de stad-Groningerleefwereld. Rondom de opening zijn diverse activiteiten georganiseerd omdit moment te markeren. Met de openstelling is het project nog nietvolledig klaar. Er vinden nog afrondende werkzaamheden plaats, zoals hetafbreken van oude infrastructuur en de aanleg van het Zuiderplantsoen.Dit loopt naar verwachting nog door tot in het derde kwartaal van 2025.1.3.2. N33 Midden en N33 Noord Tijdens het BO MIRT 2024 hebben Rijk en regio besloten tot een program-matische benadering voor de N33 Midden en Noord. Het doel hiervan isom samenhangende keuzes te maken voor de tracédelen Midden(Zuidbroek – Appingedam) en Noord (Appingedam – Eemshaven).Daarnaast zal samen met onder meer het project Eelwerderbrug(onderdeel van het Programma Vernieuwing Hoofdwegen), ingezetworden op overkoepelende communicatie richting de omgeving.Het MIRT-onderzoek N33 Noord wordt momenteel voortvarend uitge-voerd. Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op brede participatie vanmedeoverheden, bewoners, bedrijfsleven en maatschappelijke organi-saties. Tijdens het BO MIRT 2025 worden de uitkomsten van hetonderzoek geagendeerd. Het streven is dat partijen dan besluiten over hetvervolg kunnen nemen. Voor de N33 Midden hebben partijen afgesprokenom een kwartiermakersfase in te stellen voor de gefaseerde herstart. Hetuitgangspunt is dat dit zo snel mogelijk plaatsvindt, zodra er voldoendezicht is op de benodigde stikstofruimte, financiën en personele capaciteit.1.3.3. Knelpunten hoofdwegennet en onderliggend wegennet In het BO MIRT 2023 hebben het Rijk en de provincie Drenthe afsprakengemaakt over de aanpak van een drietal knelpunten op het snijvlak vanhet hoofdwegennet en het onderliggend wegennet. Vanwege eenherijking van het investeringsprogramma Verkeer en Vervoer van deprovincie, zijn de twee voorgenomen maatregelen voor de knelpuntenA28/N855 en A37/N376 komen te vervallen. Ter vervanging hebbenpartijen afgesproken de middelen nu in te zetten voor kortetermijnmaatre-gelen bij de N33/N34 knooppunt Gieten en realisatie van een rotonde opde kruising van A32 aansluiting 4. Deze maatregelen worden uitgevoerddoor de provincie en zijn uiterlijk 2026 gereed.Over de aanpak van het knelpunt A7 afrit 34 Leek hebben Rijk en deprovincie Groningen definitieve afspraken gemaakt. De infrastructurelemaatregelen zijn gericht op voorkomen van terugslag op de A7 en hetbevorderen van de veiligheid en afwikkeling van het lokale verkeer.11Kamerstuk 36 600 A, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1610 Maatregelen worden uitgevoerd onder regie van de provincie Groningen.Het streven is om de maatregelen uiterlijk halverwege 2027 gereed tehebben.1.3.4. Lelylijn en Nedersaksenlijn In het Regeerprogramma en het Hoofdlijnenakkoord staan de Lelylijn enNedersaksenlijn opgenomen als belangrijke spoorlijnen. Het kabinet zougraag een stap willen zetten. De afgelopen twee jaar is door Rijk en regioconstructief samengewerkt aan de MIRT-onderzoeken Lelylijn enNedersaksenlijn. Daarbij is de afgelopen periode gewerkt om de deelrap-portages, die eerder naar de Kamer zijn gezonden, samen te voegen toteindrapportages.12 Met deze brief worden deze eindrapportages ookaangeboden (zie bijlagen). In het BO MIRT zijn beide rapportagesvastgesteld. De rapportages onderstrepen de intentie om voor beide lijneneen vervolgstap te willen zetten.Op dit moment is de tijd daar echter nog niet rijp voor. Met het kabinet isnog geen standpunt ingenomen hoe het beste verder gegaan kan wordenmet deze twee projecten. Enerzijds zijn er grote ambities en wordt geziendat beide spoorlijnen van meerwaarde kunnen zijn voor NoordelijkNederland. Uit de vastgestelde rapportages blijkt dat de Lelylijn enNedersaksenlijn een belangrijke rol kunnen spelen in de toekomst vanNoordelijk Nederland. De twee spoorlijnen bieden in potentie een groterekans op werk voor de inwoners van Noordelijk Nederland en belangrijkevoorzieningen zoals ziekenhuizen, scholen en culturele instellingenworden beter bereikbaar. Daarnaast zouden de spoorlijnen veel nieuwewoningen kunnen ontsluiten. Anderzijds is er op dit moment geen zicht opde financiële middelen die nodig zijn voor deze projecten en liggen er ookop het gebied van maakbaarheid uitdagingen. Volgens de MIRT-spelregelsontbreekt het benodigde zicht op 75% van de financiering van het meestwaarschijnlijke alternatief, waardoor er nu nog geen stap naar eenMIRT-verkenning gezet kan worden. Op dit moment heeft het kabinet ruim€ 3,4 mld. voor de Lelylijn gereserveerd en € 87 mln. voor de Nedersak-senlijn. Voor de Lelylijn is nog zo’n € 7 mld. nodig en voor de Nedersak-senlijn zo’n € 1,3 mld. om aan de eis van zicht op 75% financiering tevoldoen.In het BO MIRT 2024 tussen het ministerie en provinciale bestuurders, isnadrukkelijk gevraagd om zo spoedig mogelijk duidelijkheid over hetvervolg te verschaffen. Daarvoor is ook vanuit Rijkszijde veel begrip. Tochvraagt zo een belangrijk besluit om zorgvuldigheid. Gegeven alleinvalshoeken en de grote hoeveelheid betrokken partijen (o.a. zesprovincies, tientallen gemeenten, zes waterschappen, veel maatschappe-lijke organisaties – scholen, ziekenhuizen, milieuorganisaties – en hetregionale bedrijfsleven) wordt het een grote uitdaging om voor het eindvan dit jaar tot een gedragen besluit te komen. Het ministerie gaat zichhiervoor maximaal inspannen. Het kabinet blijft de komende periode metde betrokken partijen in gesprek en ook binnen het kabinet worden degesprekken vervolgd. In het overleg met de regio is afgesproken om voorhet einde van dit jaar een vervolggesprek te plannen, waarin met de regioover een vervolgstap van Lelylijn en Nedersaksenlijn gesproken wordt. Ditook conform de aangehouden moties van de leden De Hoop en Vedderover de Lelylijn13 en van de leden Grinwis c.s. over de Nedersaksenlijn14,en de kamerbreed aangenomen motie van de leden Pierik en Van Dijk12Kamerstuk 36 600 A, nr. 613Kamerstuk 29 984, nr. 121114Kamerstuk 36 600 XII, nr. 52Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1611 over de Nedersaksenlijn.15 Uiterlijk bij voorjaarsnota (april 2025) zal doorhet kabinet het definitieve besluit over de vervolgstappen voor de Lelylijnen de Nedersaksenlijn worden genomen.1.3.5. Spoor Meppel ProRail heeft in opdracht van het Rijk en met nauwe betrokkenheid van deregio een brede pre-verkenning uitgevoerd naar maatregelen rondMeppel. Hieruit is een voorstel naar voren gekomen voor het uitvoerenvan maatregelen in drie stappen; op korte, middellange en lange termijn.Rijk en regio constateren dat het beschikbare budget ontoereikend is omhet spoorknooppunt Zwolle-Meppel in volledigheid te kunnen aanpakken,in lijn met het amendement van het lid Grinwis c.s.16 Rijk en regio zijndaarom overeengekomen dat het beschikbare budget wordt ingezet voorde aanpassing van emplacement Meppel (waarbij er een vierde perron-spoor wordt aangelegd) en verscheidene maatregelen op de korte termijndie de robuustheid verhogen. Overwegen behoeven nader onderzoek,waarbij resultaten van de studie naar de verbetering van bestaand spoorin het kader van het Deltaplan Noordelijk Nederland worden meege-nomen. Tot slot is gekeken naar de inpassing van extra stations,waaronder station Staphorst conform de motie van het lidPouw-Verweij.17 Voor een stop in Staphorst is extra rijtijd nodig. Dezemoet gevonden worden bovenop de geplande tijdwinst uit lopendeprojecten. Hiermee is invulling gegeven aan de motie.1.3.6. Bereikbaarheid Ameland Over de bereikbaarheid van Ameland is afgesproken dat er op kortetermijn een bestuurlijk overleg volgt met de Provincie Fryslân en degemeente Ameland. De Kamer wordt nog voor het notaoverleg MIRT van25 november a.s. met een separate brief geïnformeerd over de uitkomstenhiervan.1.3.7. Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl (fase 2) Voor diverse bruggen in Friesland en Groningen is vervanging voorzien inhet kader van het nu lopende MIRT-programma voor de HoofdvaarwegLemmer Delfzijl. Het gaat om vijf Friese bruggen (Spannenburg, Uitwellin-gerga, Oude Schouw, Kootstertille en Schuilenburg) en drie Groningsebruggen (Paddepoelsterbrug, Gerrit Krolbrug en Busbaanbrug).In 2020 is afgesproken dat het Rijk en de regio een haalbaarheidsstudievoor het realiseren van aquaducten voor de bruggen Spannenburg enKootstertille opstellen. Het Rijk heeft een financieringsvoorstel van deprovincie ontvangen. Dit voorstel is aanzienlijk hoger dan het Rijk aanmiddelen beschikbaar heeft. Provincie en Rijk hebben afgesproken omuiterlijk in december 2024 tot bestuurlijke afspraken te komen over debruggen Spannenburg en Kootstertille. In 2023 heeft de gemeenteSúdwest-Fryslân aangegeven te overwegen een financieringsvoorstelvoor een aquaduct voor Uitwellingerga in te dienen. De gemeente heeftaangegeven hiervan af te zien. Voor de bruggen Spannenburg enUitwellingerga gaat de voorkeur uit naar een draaibrug met eendoorvaarthoogte van 7,40 m. Voor brug Spannenburg geldt dit tenzij er uithet bestuurlijke overleg over het financieringsvoorstel een andere15Kamerstuk 36 600 XII, nr. 4216Kamerstuk 36 410 A, nr. 4317Kamerstuk 36 200 XII, nr. 40Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1612 uitkomst komt. Over brug Uitwellingerga is de Kamer recent afzonderlijkgeïnformeerd met de beantwoording van schriftelijke vragen.18In juni 2024 is de voorkeursbeslissing voor Oude Schouw genomen. Er isgekozen voor een draaibrug met een doorvaarthoogte van 7,40 m. Voorde aanleg van de Paddepoelsterbrug heeft het Rijk een extra bijdrage van€ 9,34 mln. aan de gemeente Groningen toegezegd, zodat de bouw vaneen nieuwe brug door kan gaan. Dit is onder voorbehoud van parlemen-taire goedkeuring van de begroting van IenW door beide Kamers.1.3.8. Kornwerderzand Aan het lid Stoffer is toegezegd de Kamer zo mogelijk voorafgaand aanhet notaoverleg MIRT te informeren over de resultaten van het gesprekmet de regio inzake het sluizencomplex Kornwerderzand. Op 24 oktober2024 heeft er overleg plaatsgevonden met de gedeputeerden vanFriesland, Overijssel en Flevoland. Dit overleg heeft niet geresulteerd ineen (financiële) oplossing voor het verschil tussen de beschikbaremiddelen en de kosten. Hiermee is invulling gegeven aan de motie.Tijdens het BO MIRT 2024 heeft IenW aangegeven dat het budgetontoereikend is. Op korte termijn wordt het overleg voortgezet om heteens worden over een (financiële) oplossing voor het vraagstuk Kornwer-derzand en te komen tot een oplossing/voorkeursvariant. De regio isuitgenodigd om met een alternatief te komen.1.3.9. PAGW-Project Lauwersmeer-Vierhuizergat Binnen de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) is voor hetproject Lauwersmeer-Vierhuizergat (onderdeel van de dijkversterking opdit traject) op 3 juni 2024 de Uitvoeringsovereenkomst getekend en is derealisatie gestart. Het gaat om het aanleggen van een dijkdoorgang metgetijdengebied van 70 hectare in de Marnewaard, de aanleg van kunst-matige riffen en getijdenpoelen langs de dijk en het maken van eennatuurlijke kwelder. Voor de realisatie is een PAGW-bijdrage verstrekt van€ 13,5 mln. De maatregelen kosten in totaal € 24,84 mln. Voor de overigekosten zijn bijdragen uit de regio verkregen.1.4. Regio Noordwest Voor de Metropoolregio Utrecht (MRU) zijn in het BO MIRT Noordwestafspraken gemaakt over de vervolgfasen van de lopende MIRT-verkenningOV en Wonen en het MIRT-onderzoek A12-zone en Rijnenburg. In dezetrajecten wordt integraal onderzoek gedaan naar de benodigde ingrepenvoor de grootschalige woningbouwontwikkeling van Groot Merwede enRijnenburg. Voor de bereikbaarheidsopgaven zetten Rijk en regio zich invoor het nemen van een (voorlopig) voorkeursbesluit voor de Merwe-delijn (MIRT-verkenning) in combinatie met vervolgstappen voor hetHWN, OWN en fietsnetwerk (MIRT-onderzoek) in het BO MIRT 2025. Rijken regio hebben de urgentie van een snelle realisatie van het gepauzeerdeMIRT-project A1/A28 knooppunt Hoevelaken herbevestigd. Omdat er opdit moment geen zicht is op de volledige herstart is afgesproken dat hetRijk in samenspraak met de regio kijkt naar de mogelijkheden van faseringen opdeling in kleinere projecten. Daarnaast heeft IenW besloten€ 50 mln. beschikbaar te stellen voor een maatregelenpakket uit deMobiliteitsagenda Regio Amersfoort 2040, ter mitigatie van de effectenvan het pauzeren van het project A1/A28 knooppunt Hoevelaken. De regio18Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 234Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1613 stelt eveneens € 50 mln. voor het maatregelenpakket beschikbaar. Rijk enregio werken het maatregelenpakket in 2025 nader uit.In de Metropoolregio Amsterdam (MRA) zijn verschillende (vervolg)af-spraken gemaakt over de voorbereiding van grootschalige woningbouw-locaties in Flevoland. Onder meer is de ruimtelijk strategische verkenningvoor grootschalige woningbouw in Almere Pampus vastgesteld.Afgesproken is te beginnen met de uitwerking van de eerste fase van7.500 woningen in dit nieuwe stadsdeel, waarbij het doel is ruim voor2030 te starten met de bouw. Voor de (OV-)ontsluiting wordt € 54 mln.gereserveerd voor een HOV-verbinding tussen Almere Pampus en AlmereCentraal. Verder is op initiatief van de regio afgesproken een«P-verkenning» te starten naar de mogelijkheden en kansrijkheid vanalternatieve bekostiging van een IJmeerverbinding, als alternatieve routenaar de start van een MIRT-verkenning. Over Almere/ZeewoldeOosterwold hebben Rijk en regio afgesproken in fase 2 op basis vanbestaande afspraken meer woningen toe te voegen. Na besluitvormingover de mogelijke komst van een defensiekazerne in Flevoland worden in2025 nadere afspraken gemaakt over de verdere ontwikkeling vanOosterwold. Voor de HOV-verbinding Haarlem-Schiphol-Amsterdam isafgesproken te starten met een pilot Bus Rapid Transit.De MRA heeft aandacht gevraagd voor de grote beheer en onderhouds-werkzaamheden aan het hoofdwegennet in de komende jaren. Om dehinder hiervan zoveel mogelijk te beperken zijn alternatieve maatregelennodig, waarbij het openbaar vervoer een belangrijke rol speelt. De regio isvan mening dat dit haaks staat op de door het Rijk doorgevoerde kortingop de BDU vanaf 2026 en stelt dat cumulatieve effecten moeten wordenvoorkomen.Voor het draaiend houden van de Ringen rond grote steden, waaronderdie voor Amsterdam en Utrecht, zijn nadere afspraken gemaakt over deinvulling en financiering. Voor Noord-Holland Noord is afgesproken dat ermet medewerking van het Rijk een onderzoek start naar debereikbaarheids- en verkeersveiligheidsopgaven van de multimodale RingAlkmaar (spoorzone-N9-N242), mede in relatie tot de woningbouwopgaveen economische ontwikkelingen in het gebied.1.4.1. Overdracht Merwedekanaal Utrecht-Vaartsche Rijn – Catharijne-singel Zuid Sinds de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal hebben delen van deVaartsche Rijn, het Merwedekanaal, en de Catharijnesingel alleen nogmaar een regionale en lokale recreatieve en waterhuishoudkundigefunctie. Zodoende zou het doelmatiger zijn als het Rijk het eigendom,onderhoud en beheer overdraagt aan de gemeente Utrecht en hetHoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Rijk en regio hebbendaarom afgesproken om te streven naar een overdracht in het voorjaarvan 2027. Het Rijk stelt voor de overdracht een budget van ten hoogste€ 125 mln. beschikbaar en zal deze afspraak opnemen in de financiëleprogrammering van RWS. De budgettaire verwerking volgt bij devoorjaarsnota 2025. De komende twee jaar worden gebruikt om eenconceptovereenkomst uit te werken met daarin afspraken over onderandere de assets, het beheer en de onderhoudstaken, de exacteoverdrachtsdatum, de definitieve overdrachtsvergoeding en de eventueleresterende risicoverdeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1614 1.4.2. OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer Rijk en regio werken samen aan de verkenning OV-verbindingAmsterdam-Haarlemmermeer. Doel van de verkenning is om ruimte tecreëren in de Schiphol-treintunnel waardoor meer nationale en interna-tionale treinen kunnen rijden dan nu. Dit sluit aan bij de ambitie om overhet gehele treinnetwerk meer treinen te rijden. Daarnaast is het doel omknelpunten op te lossen die zijn gesignaleerd in de Integrale Mobiliteits-analyse (IMA). De toenemende mobiliteit binnen de MetropoolregioAmsterdam (MRA) levert problemen op voor de OV-bereikbaarheid. Als erniets wordt gedaan, worden de problemen in de toekomst steeds groter.Dit heeft gevolgen voor een (goede) ontsluiting van nieuwe woon- enwerklocaties. Er moeten immers tot aan 2050 ruim 325.000 woningenworden bijgebouwd om in de vraag naar woningen te voorzien.In een Samenwerkingsovereenkomst hebben de samenwerkende partijenafspraken over o.a. financiën en risico’s vastgelegd.19 Eerder was debeoogde planning om eind 2025 de voorkeursbeslissing te kunnennemen. Gebleken is dat deze planning te ambitieus is en bijgesteld moetworden. Dit komt omdat rekening gehouden moet worden met stedelijkgebied en bestaande infrastructuur, waaronder start- en landingsbanenvan Schiphol. Het is geen sinecure om in deze omgeving eenOV-verbinding toe te voegen. Daarnaast is er sprake van krapte vanpersoneel, waardoor het ingewikkeld is om op het juiste moment de juisteexpertise te kunnen verkrijgen. Dit is een algemene zorg die voor meerprojecten helaas aan de orde is. De hernieuwde planning is om eind 2026de beslisinformatie gereed te hebben voor het kunnen nemen van devoorkeursbeslissing.1.4.3. OV-verbinding Amsterdam Sloterdijk – Amsterdam Centrum Rijk en de regio Amsterdam hebben de samenwerkingsovereenkomstvoor de MIRT-Verkenning OV-Verbinding Amsterdam Sloterdijk-Amsterdam Centrum ondertekend. Met deze overeenkomst leggenpartijen afspraken vast over de samenwerking in de verkenningsfase. Hetonderzoek richt zich op een betere bereikbaarheid en ontsluiting metopenbaar vervoer tussen Sloterdijk en Amsterdam Centrum, specifiekvoor de eerste fase van de grootschalige woningbouwontwikkeling inHaven-Stad. Deze samenwerkingsovereenkomst is een belangrijkemijlpaal in het verdere gezamenlijke proces.1.4.4. Station Lelylaan In het BO MIRT 2020 is besloten om voor het project verbetering stationAmsterdam Lelylaan door IenW € 15,8 mln. uit te trekken. Het projectrealiseert onder andere een nieuw stationsgebouw met een gecombi-neerde stationshal, een nieuwe fietsenstalling, een middeneiland entramkeerlus. Hierdoor wordt de sociale veiligheid, beleving en kwaliteitvan het station flink verbeterd. Op 9 juli 2021 is hierover een bestuursover-eenkomst afgesloten met daarin een verdeelsleutel voor de kosten. Nu hetproject richting aanbesteding gaat is het noodzakelijk om de reserve-ringen te actualiseren. Door de gestegen bouwkosten en langeredoorlooptijd van het project leidt dit, volgens de afgesproken verdeel-sleutel, tot een aanvullende bijdrage van IenW van € 10,01 miljoen. Debudgettaire verwerking volgt bij voorjaarsnota 2025.19Stcrt. 2024, nr. 1439, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1615 1.5. Regio Oost In het BO MIRT Oost is gesproken over maatregelen ten behoeve van deverkeersveiligheid bij het knooppunt A1/A30 en op de N36. Er isafgesproken dat Rijk en regio in gesprek blijven over de aanpak van hetresterende deel van de N36. Over het realiseren van de verbindingsboogop de A1/A30 is een afspraak gemaakt.Ook is afgesproken om te starten met de eerste fase van de alternatieven-studie voor de keervoorziening Veluwelijn bij Hardewijk. Verder is eraandacht geschonken aan de planuitwerking van de N50 Kampen –Kampen Zuid en de afspraak voor een bijdrage van ruim € 1,3 mln. vanhet Rijk voor de doorfietsroute het Picobello Pad tussen Ede enWageningen. Ten slotte is de voortgang op lopende zaken besproken,zoals de Landelijke Aanpak Benutten Mobiliteitsnetwerken. IenW maakt€ 2,25 mln. vrij voor de Regionale Bereikbaarheidsaanpak in de provincieGelderland.1.5.1. ViA15 Ressen – Oudbroeken De Raad van State heeft op woensdag 2 oktober 2024 uitgesproken dathet Tracébesluit ViA15 onherroepelijk is. Het Tracébesluit lag sinds 2017voor bij de Raad van State. De afgelopen jaren stond de beroepspro-cedure voornamelijk in het teken van effecten van stikstofdepositie, demanier van berekenen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ende manier waarop mogelijke schade aan deze natuurgebieden konworden voorkomen. Met het onherroepelijke Tracébesluit ViA15 is zekerdat de A15 doorgetrokken mag worden tot de A12. Dit is belangrijk voorde bereikbaarheid van de regio Arnhem-Nijmegen, en voor een goedeverbinding voor het goederenvervoer vanuit de Rotterdamse haven naarDuitsland en achterliggende aangrenzende landen.Het onherroepelijk Tracébesluit betekent echter niet dat gelijk de schop inde grond kan: nadat alle voorbereidingen aan het Tracébesluit warenafgerond, is de projectorganisatie afgebouwd. Deze projectorganisatiemoet, door RWS en door de aannemer, weer worden opgebouwd en ermoeten nieuwe afspraken worden gemaakt over de kosten en over debijbehorende nieuwe planning. De Kamer wordt geïnformeerd wanneerhierover meer duidelijkheid is.1.5.2. Uitbreiding A1 Apeldoorn – Azelo Het project A1 Uitbreiding Apeldoorn – Azelo nadert zijn voltooiing. Methet project worden extra rijstroken in beide rijrichtingen toegevoegd,waarmee de doorstroming en de verkeersveiligheid verbeteren en deeconomische ontwikkeling wordt gestimuleerd. Tussen Twello en Azelozijn de werkzaamheden al in 2020 en 2021 afgerond. Momenteel wordt delaatste hand gelegd aan het traject tussen Apeldoorn-Zuid en Twello. Opdit traject, waar emissieloos gewerkt wordt, vinden in het laatste kwartaalvan 2024 nog diverse asfalteerwerkzaamheden plaats. Afhankelijk van hetweer lopen deze nog door tot in het eerste kwartaal van 2025. Zodra dezewerkzaamheden gereed zijn kan de weg in zijn geheel worden openge-steld. Na openstelling vinden er nog diverse afrondende werkzaamhedenplaats, zoals het terugbrengen van beplanting en herstel van aanslui-tingen op het onderliggend wegennet. Naar verwachting loopt dit door totin het tweede kwartaal van 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1616 1.5.3. MIRT-verkenning A50 Ewijk – Bankhoef – Paalgraven Eerder dit jaar is het voorkeursalternatief A50 Ewijk – Bankhoef –Paalgraven vastgesteld en de bestuursovereenkomst met regionalepartijen getekend. Hiermee is de MIRT-verkenning afgerond. Rijk en regioblijven vooruitlopend op de planning- en studiefase in gesprek over devergunningsruimte, de vervolgstappen in (of uitwerking van) de strate-gische mobiliteitsagenda voor de A50 tussen Nijmegen en Eindhoven, enmogelijke andere maatregelen die een bijdrage leveren aan het oplossenvan de knelpunten op deze corridor.1.5.4. Optimalisatie verkeersveiligheidsaanpak N18 Vanuit de € 200 mln. voor het verbeteren van de verkeersveiligheid vanRijks-N-wegen worden maatregelen getroffen op de N18: delen van deberm worden verbeterd en er wordt een verkeersregelinstallatie geplaatstop het kruispunt Lichtenvoordseweg. Met aanvullende middelen diebeschikbaar zijn gekomen via het amendement van de leden Koerhuis enVan der Graaf wil IenW samen met de regio de huidige aanpak optimali-seren.20 Concreet gaat het om het plaatsen van de verkeersregelinstallatieop het kruispunt Lichtenvoordseweg, gecombineerd met het opheffen vanhet kruispunt Landstraat. Dit draagt bij aan het verminderen vankop-staartongevallen en zorgt voor een betere doorstroming. Daarnaastworden de resterende obstakels in de berm verwijderd. Na realisatie vandeze maatregelen is de N18 in zijn geheel ingericht volgens ontwerpeisenvoor Rijks-N-wegen.Met het oog op deze optimalisatie investeert IenW € 5,8 mln. extra in deN18. De overige beschikbare € 1,2 mln. uit het hiervoor genoemdeamendement waren nodig om financiële tekorten te dekken bij lopendeprojecten binnen de verkeersveiligheidsaanpak op de N18. RWS voertmomenteel gesprekken met de regio over de planstudie en realisatie vande diverse verkeersveiligheidsmaatregelen op de N18. Naar verwachtingstart de realisatie van de maatregelen in 2025.1.5.5. Elektrificatie regionale spoorlijnen Met de voorjaarsnota 2024 is € 98 mln. beschikbaar gekomen voor deelektrificatie van de trajecten Almelo – Mariënberg en Zutphen –Oldenzaal. Met Gelderland en Overijssel wordt nu overlegd welkefinanciële bijdragen er vanuit deze provincies aan deze elektrificatieskunnen worden gedaan om zo met elkaar tot een sluitende begroting tekomen. Ook wordt gesproken over bijvoorbeeld de inrichting van degovernance, projectbegeleiding en risicoverdeling. Alle afspraken wordenmet elkaar vastgelegd in één of meerdere bestuursovereenkomsten. Allebetrokken partijen zetten zich in om zo spoedig mogelijk tot dezeafspraken te komen om zo de planuitwerkingen van deze projecten verderte kunnen brengen.1.5.6. Vaarweg IJsselmeer – Meppel In het voorjaar van 2023 is het project Vaarweg IJsselmeer – Meppel(VIJM) als onderdeel van de herprioritering binnen het MF gepauzeerd.Het project gaat om het verdiepen van de vaarweg voor het kunnentoelaten van grotere schepen van klasse Va/b en betreft daarmeegrotendeels een baggeropgave waarmee zand/grond beschikbaar komtvoor andere doeleinden. Rijk en regio hebben daarom afgesproken omsamen met het waterschap Zuiderzeeland meekoppelkansen te onder-20Kamerstuk 36 200 A, nr. 55Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1617 zoeken bij het project Versterking IJsselmeerdijk. Dit bleek echter niethaalbaar gelet op de planning en aanbestedingsstrategie van dat project.Vervolgens is de blik verlegd naar mogelijkheden voor het meekoppelenvan de opgave voor de VIJM met 3e tranche Kaderrichtlijn Water (KRW)en/of Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) projecten. Dit lijktmeer perspectief te bieden, mits de kwaliteit van de bodem in de VIJMhiervoor geschikt is. RWS heeft in juli 2024 opdracht gekregen om debodemkwaliteit te onderzoeken en is gevraagd een offerte op te stellenvoor de mogelijke meekoppeling met KRW en/of PAGW projecten. Voor deuitvoering van het bodemonderzoek heeft RWS inmiddels een specialis-tisch bureau ingeschakeld. Naar verwachting zal in de eerste helft van2025 duidelijk worden of en onder welke voorwaarden de projectopgavevan de VIJM via deze wijze kan worden gerealiseerd.1.5.7. Overnachtingshaven Spijk De nieuwe overnachtingshaven Spijk is sinds 1 februari 2024 toegankelijkvoor het scheepvaartverkeer. De 50 extra ligplaatsen in Spijk bieden deschippers de mogelijkheid goed uitgerust en veilig hun reis aan te vattenof voort te zetten. De ligplaatsen zijn duurzaam ingericht met walstroomom daarmee ook uitstoot te beperken. Naast 50 reguliere ligplaatsen heeftde haven twee ligplaatsen voor duwschepen met duwbakken en specialeligplaatsen voor schepen met gevaarlijke ladingen. Met de realisatie vandit project kan Nederland zijn rol als schakel in de logistiek en hetgoederenvervoer in Europa in de toekomst nog beter vervullen.1.5.8. Reevesluis Eind 2023 is met het weghalen van de voormalige IJsseldijk het projectReevesluis volledig uitgevoerd. Hiermee is het watersysteem alsonderdeel van het programma IJsseldelta in werking getreden. Met hetgereedmaken van de waterinlaat kan bij hoogwater circa een kwart vanhet IJsselwater via het Reevediep worden afgevoerd richting hetDrontermeer en IJsselmeer. Bij het hoogwater van december 2023 heefthet nieuw aangelegde watersysteem direct zijn meerwaarde getoond toenhet Reevediep meestroomde met de IJssel.1.5.9. Pannerdensch Kanaal Met het project krib- en oeververlaging Pannerdensch Kanaal zijn 35kribben en vijf oevers tussen de Pannerdensche Kop en de tunnel van deBetuweroute verlaagd. Hiermee kan het rivierwater in het PannerdenschKanaal bij hoge waterstanden beter doorstromen, waardoor de water-stand in de Boven-Rijn bij zeer hoogwater met vijf cm daalt en de kans opoverstromingen afneemt. Zo kunnen twee miljoen mensen in hetNederlands rivierengebied veilig blijven wonen, leven en werken.Daarnaast heeft het project een positieve bijdrage geleverd aan de ambitieklimaatneutrale en circulaire Rijksinfraprojecten. Bij de uitvoering zijn devrijkomende materialen (klei en breuksteen) maximaal hergebruikt.Daarbij zijn de werkzaamheden voor een groot deel met emissieloosmaterieel uitgevoerd. Eind 2023 is het project succesvol opgeleverd.1.6. Goederenvervoercorridors De rol van onze internationale, multimodale goederenvervoercorridorsvoor de aan- en afvoer van zeehavens en andere economische clusters inhet achterland wordt alleen maar belangrijker. Ze zijn nodig om de extragroei van (internationale) transportstromen in de toekomst te faciliteren.Dat wordt ingevuld door de individuele modaliteiten te versterken en omde onderlinge uitwisselbaarheid van modaliteiten te vergroten (multimo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1618 daliteit). Tegengaan van congestie op de weg en het beter benutten vande (extra)capaciteit binnen spoor, binnenvaart, weg en buisleidingen zijndaarin belangrijk. De afspraken uit het BO Goederenvervoercorridors(GVC) worden gedekt uit het budget van € 160 mln. voor het programmaGoederenvervoercorridors.1.6.1. Realisatiepacten Bij de grotere multimodale knooppunten op de goederenvervoercorridorsontwikkelen IenW en provincies/gemeenten en (haven)bedrijven samenprogramma’s voor het versterken van deze knooppunten als motor vaneen efficiënt, multimodaal en duurzaam goederenvervoer op de corridorsen als schakelpunt tussen de corridors en de regionale logistiek. Voor deuitvoering ervan worden door Rijk en regio «realisatiepacten» gesloten.Het proces van het ontwikkelen van deze programma’s gebeurt daarbijonder aanvoering van onafhankelijke pactregisseurs.Aan de uitwerking en uitvoering van het realisatiepact Venlo is – bovenopde in 2023 toegezegde middelen – een bijdrage vanuit het Rijk van€ 500.000 toegekend. De budgettaire verwerking volgt bij voorjaarsnota2025. In het realisatiepact Rotterdam en omgeving worden afsprakengemaakt voor het versterken van het multimodale vervoer van verselevensmiddelen en landbouwproducten via een vers-corridor vanuit deRotterdamse haven, het versterken van initiatieven om de filedruk op deweg tegen te gaan en een inzet op de logistieke efficiëntie te verbeterenmet verdere digitalisering van processen. Voor de verdere uitwerking,verkenning en uitvoering van dit programma stelt IenW een bijdragebeschikbaar van € 2,5 mln. De provincie Zuid-Holland en het HavenbedrijfRotterdam leggen elk € 2 mln. in.Ten behoeve van de in ontwikkeling zijnde realisatiepacten voor deknooppunten Zeeland, Moerdijk, Amsterdam, Sittard-Geleen, Nijmegen enTiel maakt IenW een reservering van € 1 mln. per pact. Dit gebeurt ondervoorwaarde van cofinanciering vanuit de regio. Het is daarbij deverwachting dat deze realisatiepacten bij het BO GVC in 2025 kunnenworden gesloten.1.6.2. Truckparking Limburg In het BO MIRT 2023 is een onderzoek aangekondigd naar een pilot vooreen beveiligde truckparking die wordt ontsloten via een verzorgingsplaats.Het afgelopen jaar zijn verschillende mogelijke locaties in kaart gebracht.Vanwege het tekort aan beveiligde parkeerplaatsen voor de lange rust,met name in de provincie Limburg, heeft IenW besloten om in twee faseseen budget van in totaal € 2,5 mln. beschikbaar te stellen. De budgettaireverwerking volgt bij voorjaarsnota 2025. Daarmee kan deze pilot in detailworden uitgewerkt en indien kansrijk ook gerealiseerd worden op eendaarvoor geschikte locatie.1.6.3. Pilot emissieloos rangeren Op de «uiteinden» van het spoorgoederennetwerk wordt veel gebruikgemaakt van diesellocomotieven. Uit een haalbaarheidsonderzoek komtnaar voren dat voor de haven van Moerdijk de inzet van een batterijloco-motief op korte termijn de meest haalbare oplossing is om tot zeroemissie te komen. Met een batterijrangeer-locomotief zal in de praktijkworden getest of deze locomotief geschikt is om onder verschillendeomstandigheden de gangbare rangeeroperatie in de haven van Moerdijkuit te voeren en welke operationele en financiële impact dat heeft. Lessenuit de pilot kunnen worden toegepast op soortgelijke «uiteinden» bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1619 andere herkomsten en bestemmingen van het spoorgoederenvervoer,zoals in andere havengebieden.1.6.4. Beter benutten last mile spoor Door het gebruik van sensoren en camera’s kan de capaciteit op emplace-menten effectiever benut worden. In 2022 en 2023 zijn middelenbeschikbaar gesteld voor pilotprojecten bij spooremplacementen Botlek,Maasvlakte West, Moerdijk en Amsterdam Houtrakpolder. Met de pilotswordt beoogd om de planbare capaciteit op deze emplacementen met25% te verhogen. Vanwege positieve resultaten wordt ingezet opdoorontwikkeling van de instrumenten binnen Last Mile Spoor, hetverdiepen van de pilot op emplacement Houtrakpolder, het uitwerken vande wijze waarop de toepassing op de diverse pilotlocaties kan wordenbestendigd en de uitwisseling van data met de digitale systemen van dehavens.1.6.5. Machinistenpool Brabantroute In november 2024 start een periode van 80 weken waarin er intensiefgewerkt wordt aan de realisatie van het Derde Spoor in Duitsland (hetspoor tussen Emmerich en Oberhausen). De aanleg van het Derde Spooris nodig om de capaciteit op de Betuweroute te vergroten. Verspreid overdeze 80 weken zijn er ruim 20 weken met dubbelsporige buitendienststel-lingen. Al het spoorgoederenvervoer moet in deze periode wordenomgeleid van de Betuweroute. IenW steunt het voorstel van de spoorgoe-derenvervoerders om een gezamenlijke machinistenpool in te richten,waarmee de beschikbare goederenpaden op het traject Rotterdam – Venlotijdens de periodes van buitendienststellingen maximaal benut kunnenworden.1.6.6. Vervolg nachtelijke weekendbediening op de Maas en BrabantseKanalen In samenwerking met de corridorpartijen heeft IenW besloten om extrabudget in te zetten voor een maatwerkoplossing waarmee nachtelijkeweekendbediening van bruggen en sluizen op de Maas en de Brabantsekanalen tot en met 2030 kan worden voortgezet. Dit is onder voorbehoudvan parlementaire goedkeuring van de begroting 2025 van IenW doorbeide Kamers. Hiermee kunnen deze waterwegen 24 uur per dag, zevendagen per week worden gebruikt door de binnenvaart en kan hetbedrijfsleven profiteren van een efficiënte logistieke doorstroming.1.6.7. Meldingen Verstoringen Infrastructuur ProRail is dit jaar toegetreden als partner in het online platform Meldingenverstoringen infrastructuur (Melvin) van het Nationaal DataportaalWegverkeer (NDW). De mobiliteitsafstemming wordt verder verbeterddoor verrijking van het Melvin systeem met informatie over stremmendeoverwegen en beperkingen van spoorbrugopeningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1620 1.7. Algemeen 1.7.1. Mobiliteitsvisie In december 2023 is een verkenning van varianten van bereikbaarheids-doelen aan de Kamer gezonden voor personenvervoer in het Uitwerkings-document bereikbaarheidsdoelen.21 In maart 2024 is dat aangevuld metvarianten voor het goederenvervoer.22 In het Uitwerkingsdocument is eenstappenplan opgenomen om te komen tot een afweging, in antwoord opde verzoeken van de Kamer om bereikbaarheidsdoelen te ontwikkelen.23De afgelopen maanden zijn er concrete stappen gezet in de uitvoeringhiervan:•Het in kaart brengen van het burgerperspectief. Dit vindt plaats doormiddel van een Participatie Waarde Evaluatie (PWE). Deze is in dezomer van 2024 afgerond. Op basis van de uitkomsten wordt eenanalyse uitgevoerd en een rapportage voorbereid.•Een kwantitatieve analyse van de huidige reisafstanden naar voorzie-ningen vanuit het perspectief van de eerder ontwikkelde perspectievenop bereikbaarheid (zogenoemde nulmeting). Deze analyse bevindt zichop dit moment in een afrondende fase.•De nulmeting wordt aangevuld met een analyse naar mogelijkemaatregelen en hun doelbereik. In deze effectanalyse wordt – naastandere sturingsinstrumenten – ook de motie van het lid Temmink overde afstanden van bushaltes tot woonlocaties meegenomen.24•Oefenen met het werken met bereikbaarheidsdoelen op regionaalniveau op zowel inhoud als proces. Dit is opgestart en wordt in driegebieden samen met de decentrale overheden ingevuld (metropoolre-gio Rotterdam-Den Haag; groene metropoolregio Arnhem-Nijmegenen Parkstad Limburg).De komende periode zal deze beleidsinformatie worden gebundeld opbasis waarvan een reactie inclusief kabinetsstandpunt wordt geformu-leerd op de genoemde verzoeken uit de Kamer. Het voornemen is omdeze reactie met alle onderliggende verzamelde inzichten in het eerstekwartaal van 2025 aan de Kamer te verzenden.1.7.2. Integrale Mobiliteitsanalyse Naar verwachting wordt de volgende Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA)eind 2026 uitgebracht. Normaal gesproken publiceert IenW deze analyseelke vier jaar, maar vanwege de vervroegde verkiezingen vorig jaar isbesloten om in december 2023 een update van de IMA 2021 uit tebrengen.25 De IMA voorziet het nieuwe kabinet van inzichten over delange termijn mobiliteitsontwikkeling, effecten daarvan op verkeersvei-ligheid, leefomgeving en gezondheid, en potentiële bereikbaarheids- enmobiliteitsopgaven op de hoofdnetwerken van weg, spoor en water (ingebieden en voor groepen mensen). De volgende IMA baseert zich ondermeer op de verkeersgegevens van 2023, de nieuwe Welvaart en Leefom-geving Scenario’s van PBL en post-covid gedragseffecten uit 2023 en2024. Rekening houdend met verwerkingstijden van de modellen, vormteind 2026 de eerste mogelijkheid voor publicatie van de IMA.21Kamerstuk 31 305, nr. 43922Kamerstuk 34 244, nr. 1023Motie Krul en Van der Graaf (Kamerstuk 29 398, nr. 1047), motie Van der Graaf (Kamerstuk29 385, nr. 126), motie Krul c.s. (Kamerstuk 29 385, nr. 130), motie Temmink (Kamerstuk 29 697,nr. 132), gewijzigde motie Van der Graaf en Bushoff ter vervanging van Kamerstuk 29 697,nr. 122 (Kamerstuk 29 697, nr. 137)24Kamerstuk 29 697, nr. 13225Kamerstuk 36 410 A, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1621 1.7.3. Landelijke aanpak benutten mobiliteitsnetwerken De Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 2050 beschrijft hoe IenW werkt aanbereikbaarheid in de context van grote maatschappelijke opgaven zoalswonen, de energietransitie, sociale inclusie en leefbaarheid.26 Eenbelangrijk uitgangspunt is «de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd».Dat vraagt, naast de aanleg en onderhoud van infrastructuur, ruimtelijk-en voorzieningenbeleid om een optimale benutting van bestaandemobiliteitsnetwerken. Rijk, IPO, VNG, vervoerregio’s en regionale partnershebben in een gezamenlijk traject het afgelopen jaar gewerkt aan delandelijke aanpak. Daar is afgesproken om te blijven samenwerken, ondermeer aan de thema’s zoals genoemd in het plan van aanpak, te weten:hubs, deelmobiliteit, publiek vervoer, digitalisering en spits spreiden.Binnen al deze thema’s wordt volop gewerkt om de bereikbaarheid voorde reizigers te verbeteren. Vanuit de landelijke aanpak zal worden bekekenop welke wijze kennis en best practices gedeeld kunnen worden en hoetoepassing eruit ziet in verschillende type gebieden (verstedelijkt,suburbaan en landelijk). Dit zal, waar aan de orde, worden toegepast bijde uitwerking van andere gezamenlijke trajecten (bijvoorbeeld in deuitwerking programma hubs in het kader van ontsluiting woningbouw enbinnen gezamenlijke gebiedsprogramma’s).In 2025 wordt een landelijke overlegstructuur ingericht ten behoeve vanhet versterken van de samenhang, samenwerking en effectieve implemen-tatie en uitvoering. Ook zal verder onderzocht worden welke mogelijkeknelpunten reizigers ervaren in hun mobiliteitskeuzes en bezien welkemogelijkheden er zijn om hierin stappen te zetten. Daarnaast werken Rijken regionale partners samen aan een gezamenlijke werkwijze voormonitoring en evaluatie met als doel om de effecten van maatregelenbeter in beeld te brengen.1.7.4. Landelijke aanpak spits spreiden De drukte op de weg en het spoor neemt toe door groei van de economie,inwoneraantallen en werkzaamheden. De bereikbaarheid staat hierdooronder druk. In het BO MIRT 2024 heeft IenW met regionale overhedenafgesproken om dit probleem gezamenlijk aan te pakken. Het Rijk stelt opdit moment een landelijke aanpak op. Dit plan wordt voor het einde vanhet jaar separaat naar de Kamer gestuurd. Hiermee wordt invullinggegeven aan de motie van het lid Olger van Dijk en hetregeerprogramma.27Onderdeel van de aanpak is een eerste landelijkereservering van € 16 mln. IenW werkt samen met regionale partijen aanspecifieke knelpunten en opgaven. Landelijk en regionaal worden ondermeer werknemers, werkgevers en onderwijsinstellingen betrokken. Hetstreven is om in het BO MIRT van 2025 de regionale aanpakken vast testellen, inclusief eventuele bijbehorende financiering van Rijk en regio.1.7.5. Vernieuwing MIRT In maart 2024 is de Kamer geïnformeerd dat het van belang is om hetgesprek te blijven voeren over het bereikbaarheidsbeleid.28 IenW is hettraject «Vernieuwing MIRT» gestart om het MIRT-proces toekomstbe-stendig te houden. IenW is in gesprek met de vijf MIRT-regio’s, koepelsIPO en VNG, de vervoerregio’s VRA en MRDH en de betrokken departe-menten over de perspectieven op het huidige MIRT en mogelijkeverbeteringen hierin. Hierbij is een aantal punten geïdentificeerd om bij de26Kamerstuk 31 305, nr. 38827Kamerstuk 36 410 XII, nr. 4328Kamerstuk 36 410 A, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1622 doorontwikkeling van het MIRT aandacht aan te besteden. Dit gaat ondermeer om het behoud van de sterke elementen van het MIRT-proces, depositie van het MIRT in het ruimtelijk domein en het type afspraken in hetBO MIRT. In 2025 gaat IenW samen met de andere betrokken partijenverder aan de slag met de uitwerking van deze denkrichtingen, zodat inhet najaar van 2025 hier de eerste richtinggevende besluiten op kunnenworden genomen.1.7.6. Woningbouw en Mobiliteit In heel Nederland wordt aan de slag gegaan om de woningbouwproductiezo snel mogelijk te verhogen naar 100.000 woningen per jaar. Om dezebouw te ondersteunen, stelt het kabinet verschillende middelenbeschikbaar. Voor het stimuleren van de woningbouw heeft het kabinet€ 5 mld. vrijgemaakt. Een deel van deze middelen is voor een zogehetenrealisatiestimulans. Aanvullend op de realisatiestimulans zet het Rijk meteen gebiedsgerichte aanpak in op locatie specifieke uitdagingen, onderandere met het voorzetten van de woningbouwimpuls en het gebieds-budget. Om de nieuwe woningen te ontsluiten wordt door het kabinet€ 2,5 mld. toegevoegd aan het MF.De komende periode werken VRO en IenW de investeringsrichtingen,uitgangspunten en criteria voor de inzet van de vanuit het Regeerpro-gramma extra beschikbare middelen verder uit. Het is de bedoeling om deuitgangspunten op de Woontop in december 2024 te delen tussen Rijk,regio en andere bij de woningbouw en infrastructuur betrokken partijen.De Kamer wordt per brief over de Woontop geïnformeerd.De verwachting is om komend voorjaar de eerste concrete beslissingen tenemen over de inzet van de gebiedsgerichte middelen voor de «reguliere»woningbouwlocaties. Parallel voert het Rijk het gesprek met de bestaandegrootschalige woningbouwlocaties. Het kabinet wijst in de Nota Ruimte(verwacht in de zomer van 2025) door heel Nederland nieuwe locatiesvoor grootschalige woningbouw aan. Investeringsbeslissingen voor debestaande en nieuwe grootschalige woningbouwlocaties zullen wordengenomen bij de BO’s MIRT en Leefomgeving 2025.1.7.7. Maatregelpakket draaiend houden ringen De Kamer is eerder geïnformeerd dat het maatregelpakket voor hetdraaiend houden van de ringen rond de grote steden binnen vijf«werksporen» zal plaatsvinden.29 Rijk en regio hebben in de afgelopenperiode overeenstemming bereikt over een nadere invulling van entoedeling van budgetten voor deze werksporen.Het beschikbare budget van IenW van € 300 mln. wordt als volgt over dewerksporen verdeeld:•werkspoor 1 (incidentmanagement) maximaal € 65,6 mln., verminde-ren van de effecten van ongeplande verstoringen door een snellerestart en afhandeling van incidentmanagement in combinatie met in-carveiligheidswaarschuwingen.•werkspoor 2 (verkeersinformatie) maximaal € 58,6 mln., effectieverinformeren van de reiziger pré-trip en on-trip via in-car informatie overmet name verkeershinder en routering.•werkspoor 3 (verkeersmanagement) maximaal € 49 mln. beterebenutting van het bestaande netwerk met behulp van investeringen inverkeersmanagementsystemen: matrixborden, lussen, camera’s,toeritdosering (TDI’s) en verkeersregelinstallaties (iVRI’s).29Kamerstuk 36 410 A, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1623 •werkspoor 4 (kleine infrastructurele maatregelen) maximaal€ 76,8 mln., vergroten buffercapaciteit op-/afritten, betere inrichtingvan knooppunten, verbetering van belijning, verbindingen enaansluitingen en ontwikkelen van mobiliteitshubs.•Voor werkspoor 5 (netwerkoptimalisatie Ring Eindhoven) is al eerder€ 50 mln. overeengekomen.Tot uiterlijk medio 2025 zal worden onderzocht hoe de maatregelen vanhet Rijk kunnen worden ingepast in de werkplanning van RWS, waarna zalworden besloten over de realisatie in relatie tot voor het geheel vanprojecten op het gebied van exploitatie, onderhoud, vernieuwing enaanleg. Parallel vindt overleg met de regio plaats over de door de regio terealiseren maatregelen.1.7.8. Spooremplacementen en woningbouw Binnen een aantal grootschalige woningbouwlocaties wordt door Rijk enregio gekeken naar woningbouw in de nabijheid van of op (binnenstede-lijke) spooremplacementen. Zo lopen er concrete trajecten in Rotterdam(bij Stadionpark), Dordrecht (Maasterras), Arnhem-Oost en AmsterdamZaanstraat (Havenstad). Daarnaast zijn in het BOL afspraken gemaakt vooreen haalbaarheidsonderzoek naar de kansen en mogelijkheden vangedeeltelijke uitplaatsing van Roosendaal West en optimalisatiemogelijk-heden voor het emplacement Maastricht. Dit zijn complexe vraagstukkenwaar alle betrokken partijen zich maximaal inspannen om enerzijdswoningbouw mogelijk te maken en anderzijds de functies van deemplacementen -bij mogelijke uitplaatsing- te borgen.Om meer inzicht te krijgen in de kansen en randvoorwaarden bijwoningbouw rond spooremplacementen hebben IenW en VROgezamenlijk een quickscan laten uitvoeren (zie bijlage). Parallel werktProRail aan het opstellen van een langetermijnvisie op emplacementen.Deze visie geeft vanuit het perspectief van het spoorsysteem inzicht inwaar op de lange termijn (2050 en verder) opstelcapaciteit nodig is engeeft daarmee ook meer richting waar eventueel kansen liggen voorwoningbouw op of bij emplacementen. Emplacementen hebben eenessentiële rol in dit systeem. Gezien de gewenste groei van het (interna-tionale) personen- en goederenvervoer blijft voldoende emplacementsca-paciteit ook richting de toekomst van groot belang.Zowel uit de quickscan als uit de langetermijnvisie komt naar voren dat deaanvullende locatiemogelijkheden voor woningbouw op en bij emplace-menten beperkt zijn. Veelal komt dit doordat het spoorsysteem in de regiogeoptimaliseerd is rondom de functie die het emplacement biedt.Emplacementen zijn daardoor op korte en middellange termijn niet altijdkosteneffectief elders te beleggen. De komende periode gaat het kabinetmet de regio’s in gesprek over de uitwerking van haar ambities op hetgebied van de woningbouwopgave en ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit demaatschappelijke kosten en baten ligt t.a.v. het benutten van de woning-bouwkansen nabij en op spooremplacementen de prioriteit bij de reedsgenoemde trajecten.1.7.9. Ingebruikname PHS-infrastructuur en dienstregeling 2025 In december 2024 start NS de dienstregeling 2025. In deze dienstregelinggaan ongeveer 1600 treinen per week extra rijden ten opzichte van dit jaar.NS voert een grote structuurverandering door. Een aantal voorbeeldenvan verbeteringen zijn: de invoering van de Airport Sprinter, meertienminutentreinen, herstel van kwartierdiensten (bijvoorbeeld tussenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1624 Utrecht en Woerden), verruiming van de reismogelijkheden in deavonduren en de nacht en meer treinen in de spits en aan de randen vande dag.Met de start van de dienstregeling 2025 zal een nieuwe tienminuten-sprinter tussen Den Haag en Rotterdam gaan rijden. Dit is mogelijk omdathet grootste deel van de extra infrastructuur binnen het ProgrammaHoogfrequent Spoor (PHS) is opgeleverd. Met deze verbetering wordt hetreisgemak en treinaanbod op dit drukke corridor verhoogd.1.7.10. Spoorcapaciteit 2030 Met het programma Spoorcapaciteit 2030 wordt ervoor gezorgd datspoorvervoer ook op de middellange termijn voldoende capaciteit enkwaliteit heeft om in de vervoersvraag te voorzien en dat deze veilig,betrouwbaar en betaalbaar is. Sinds 2022 ligt het accent op het voorzienin de extra vervoersbehoefte voortvloeiend uit de nieuwe woningbouwlo-caties en het op peil houden van het nationale spoornetwerk richting2030. Dat is in het BO MIRT van 2022 bekrachtigd met een bijdrage van€ 585 mln. vanuit de middelen voor woningbouw en mobiliteit.Eind 2023 is een eerste pakket urgente inframaatregelen van € 121 mln.uit deze middelen beschikt. Hiervoor wordt met name de tractie- enenergievoorziening uitgebreid en verzwaard voor een nieuwe dienstrege-lingsstructuur vanaf eind 2024. Voor de zomer van dit jaar heeft IenW eentweede maatregelenpakket van € 437,8 mln. beschikt. Dit pakket bevat eencombinatie van studies en realisatieprojecten van verdere verbetering vande tractie-energievoorziening, baanstabiliteit en geluidsmaatregelen.Hiermee wordt onder meer de verdere instroom mogelijk gemaakt van denieuwe ICNG-treinstellen en de introductie van een zesde IC Direct tussenRotterdam en Amsterdam. Voor baanstabiliteit voorziet dit pakket inrealisatie van structurele maatregelen tussen Delft en Schiedam. Ookfinanciert IenW hiermee drie gerichte studies naar baanstabiliteit op decorridors Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad, Alkmaar –Amsterdam en Breda – Tilburg om meer treinen op die trajecten mogelijkte maken. Deze studies vinden plaats parallel aan het wetenschappelijkonderzoek naar baanstabiliteit. Ook met dit tweede maatregelenpakketdraagt IenW bij aan de ontsluiting van woningbouwlocaties in deMetropoolregio Amsterdam, Schiphol, Groene Hart, Zuidelijke Randstad,Utrecht-Amersfoort, Stedelijk Brabant, Regio Zwolle en Groningen.1.7.11. Doorfietsroutes IenW heeft jaarlijks € 6 mln. beschikbaar op het MF om via cofinancieringbij te dragen aan een landelijk dekkend netwerk van doorfietsroutes. Voor2024–2026 is het geld gebundeld tot een eerste tranche van € 18 mln. HetRijk heeft hiervoor in mei 2024 een uitvraag voor projecten gedaan bijprovincies en vervoerregio’s. In reactie hierop zijn 34 projecten ingediend.De ingediende plannen kenmerken zich door een hoge kwaliteit. Allevoorgestelde routes dragen substantieel bij aan de versterking van hetfietsnetwerk en bevorderen de verkeersveiligheid voor fietsers. Eenbeoordelingscommissie heeft deze beoordeeld en een selectie van meesteffectieve projecten voorgedragen. Tijdens de BO’s MIRT hebben Rijk enregio afspraken gemaakt over de financiering en verdere uitwerking vantwaalf doorfietsroutes door het hele land. De routes maken het voor meermensen aantrekkelijk om de fiets te pakken naar het werk. Daarnaastwordt op veel trajecten de verkeersveiligheid voor fietsers aanzienlijkverbeterd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1625 1.7.12. Participatieve Waarde Evaluatie De onderzoeksbureaus MuConsult en Ecorys hebben in 2024 eenverkennende evaluatie gedaan naar de toegevoegde waarde van deParticipatieve Waarde Evaluatie (PWE) voor het MIRT. Dit rapportbevestigt dat de PWE toegevoegde waarde kan hebben bijMIRT-projecten, met name in de analyse- en beoordelingsfase, alsparticipatiemiddel evenals effectenraming.Het onderzoek naar de PWE was aangekondigd in de MIRT-najaarsbriefvan 2022 en inmiddels afgerond.30 In de bijlage is het rapport te vinden.De PWE is een instrument ontwikkeld door een start-up van de TU Delft.Het betreft een nieuwe manier om maatschappelijke waarde van effectenvan voorgenomen overheidsbeleid af te leiden door het bevragen vangrote groepen mensen. In een PWE worden mensen op grote schaal éénof meerdere dilemma’s voorgelegd. Met deze methode kan in beeldworden gebracht wat de bereidheid van mensen is om een eurooverheidsgeld meer/minder uit te geven aan het adresseren van eenbepaalde opgave. Binnen het MIRT wordt de PWE al incidenteeltoegepast, onder meer onlangs bij de Oude Lijn en Lelylijn en binnenkortbij de Mobiliteitsvisie.In de evaluatie komen de onderzoekers tot de conclusie dat de PWE vooraltoegevoegde waarde lijkt te hebben voor twee fasen van het MIRT. Zo zoude PWE kunnen worden ingezet bij het bepalen van de scope vanoplossingsrichtingen en bij het beoordelen van effecten van projectalter-natieven. Het instrument kan helpen bij het onderbouwen van strate-gische keuzes of een afweging tussen meerdere (uiteenlopende) effecten.De onderzoekers concluderen daarnaast dat de PWE een effectief middelis om grote groepen mensen te bevragen over een project. De PWE isminder effectief als participatiemiddel bij projecten waar het draait omeen zeer lokale opgave voor een zeer kleine niche, een zeer technisch ofeen te eenvoudig vraagstuk.Net als de MKBA, kan de PWE ook worden ingezet om effecten opwelvaart te ramen. Dit doet de PWE door contextafhankelijk naar devoorkeuren van burgers te vragen en die effecten in samenhang tebeschouwen. Dit is wezenlijk anders dan de MKBA, dat zich baseert opkengetallen per projecteffect. Daarmee komt de maatschappelijke waardein een PWE op een andere manier tot stand dan in de MKBA. Vanwege deverschillende benadering van maatschappelijke waarde, kunnen demethoden elkaar versterken. Bij verdere ontwikkeling en brederetoepassing van deze nieuwe methodiek zien de onderzoekers eenmogelijke rol voor de planbureaus.2. Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT 2.1. A2 Het Vonderen – Kerensheide De motie Van Aalst verzoekt de regering om de verbreding van de A2tussen knooppunt Het Vonderen en Kerensheide in overleg met deprovincie sneller te realiseren.31 In september 2023 is het project gegundaan de aannemer en is de realisatie gestart. De aannemer is sindsdiengestart met het prepareren van de grond en het treffen van anderevoorbereidingen om te beginnen met de verbetering van het tracé.Hiermee is invulling gegeven aan de motie.30Kamerstuk 36 200 A, nr. 931Kamerstuk 35 300 A, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1626 2.2. Vervanging geluidsschermen A10 Noord De Kamer is eerder geïnformeerd dat RWS mogelijk al in 2024 in plaatsvan 2025 kon starten met de vervanging van de geluidsschermen aan deA10 Noord bij Amsterdam.32 RWS heeft de opdracht in maart 2024gegund en kort na de zomer zijn de werkzaamheden begonnen. Volgensde huidige planning lopen de werkzaamheden door tot medio 2025.Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging om de schermenversneld te vervangen.2.3. BRT-pilots Haarlem – Schiphol – Amsterdam en Eindhoven(A50 – Meierij) Via een amendement van de leden Minhas en Van Ginneken is € 2 mln.beschikbaar gesteld om pilots op te starten voor het vervoerssysteem BusRapid Transit (BRT).33 Op de Landelijke OV- en Spoortafel van december2023 zijn Einhoven (A50) – Meierij in Noord-Brabant en Haarlem –Schiphol – Amsterdam in Noord-Holland gekozen als trajecten voor deuitwerking van pilots. De provincie Noord-Brabant en de VervoerregioAmsterdam hebben als trekkers van deze pilots ieder een plan van aanpakuitgewerkt met daarin het type maatregelen, de kosten en de planning. Depilots zijn onderdeel van een bredere multimodale mobiliteitsaanpak in deregio en bevatten elementen van BRT met perspectief op een volwaardigeBRT-verbinding. Op basis hiervan hebben Rijk en regio afgesprokengezamenlijk maximaal € 2 mln. per pilot beschikbaar te stellen op basisvan een 50/50 verdeling Rijk-regio.Beide pilots kunnen binnen twee jaar worden uitgevoerd. De voortgangvan de pilots wordt jaarlijks geëvalueerd en gemonitord door middel vaneen voortgangsrapportage. Bij afronding wordt een afsluitenderapportage gemaakt met leerpunten. Deze leerpunten worden gebruikt bijde verdere ontwikkeling van BRT in Nederland. Tevens worden deleerpunten landelijk gedeeld, zodat ook regio’s elders ervan kunnen lerenen profiteren.2.4. Baanstabiliteit spoordijken Tijdens het NO MIRT van 22 januari 2024 is toegezegd de Kamer teinformeren over het landelijke onderzoek naar de stabiliteit van spoor-dijken (de baanstabiliteit).34 De «landelijke netwerkanalyse» van ProRailbrengt voor het volledige spoorwegennetwerk de baanstabiliteit in kaart.Voor het huidige vervoer beoordeelt ProRail de baanstabiliteit als veilig.Voor toekomstige groei van het treinverkeer op een aantal trajecten isnader onderzoek nodig.35 ProRail voert nu verdiepend onderzoek uit opbaanvakken waar groei van het treinverkeer wordt voorbereid. De Kamerzal in de brieven waarin infrastructuurmaatregelen voor die specifiekeproductstappen aan bod komen, worden geïnformeerd over deuitkomsten van het onderzoek voor die baanvakken.36Het wetenschappelijk onderzoeksprogramma van ProRail verdiept dekennis over berekenings- en beoordelingsmethodieken voor baanstabi-liteit en over maatregelen om de stabiliteit te verbeteren. Dit onderzoekheeft inmiddels opgeleverd dat goederentreinen van 740 meter op deinternationale goederencorridors kunnen rijden zonder dat aanpassingen32Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 188833Kamerstuk 36 200 A, nr. 4834Kamerstuk 36 410 A, nr. 4635Kamerstuk 29 893, nr. 26436Kamerstuk 32 404, nr. 124Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1627 aan de spoordijk nodig zijn. Dat geldt ook voor internationale reizigers-treinen met zware locomotieven op de corridors waar eerder eenvergelijkbare zware locomotief reed.Baanstabiliteit speelt ook een rol in andere spoordossiers, zoals deimplementatie van de herziene TEN-T-verordening, klimaatadaptatie, enhet Programma Hoogfrequent Spoorvervoer. De Kamer wordt hierover viade desbetreffende Kamerbrieven op de hoogte gehouden.2.5. Inventarisatie knelpunten in relatie tot dehoofdrailnetconcessie De motie van het lid De Hoop verzoekt de regering om voor het komendeMIRT-debat een inventarisatie naar de Kamer te sturen over welkeinfrastructurele knelpunten de komende periode opgelost moeten wordenom de afspraken uit de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet (HRN) uitte kunnen voeren.37 Uitgangspunt van de concessie van het hoofdrailnet2025–2033 is het zogenaamde «6basismodel». Hiervoor zijn voldoendeMF-middelen beschikbaar in de budgetten voor PHS en spoorcapaciteit2030. Er zijn dan ook geen (vervoer)knelpunten aan de orde zolang er nietmeer treinen zouden moeten worden gefaciliteerd dan 6basis. Gezien deactuele vervoerontwikkeling is een dergelijke stijging van het aantaltreinen de komende jaren niet voorzienbaar. Bovendien is het in dat gevalniet reëel dat extra inframaatregelen binnen enkele jaren uitvoerbaar zijn.Bij de midterm review van het volume van de hoofdrailnet concessie in2027 wordt integraal stilgestaan bij de ontwikkeling, het eventuele extratreinaanbod dat daarvoor nodig is en de benodigde maatregelen.2.6. Dubbelspoor Zwolle – Deventer Tijdens het CD Spoor van 12 september 2024 (Kamerstuk 29 984, nr. 1214)is aan het lid De Hoop toegezegd in gesprek te gaan met de regio enProRail over spoorverdubbeling tussen Zwolle en Deventer. Het eerstegesprek is inmiddels gevoerd met de drie aanliggende gemeenten en deprovincie Overijssel. Dubbelspoor tussen Zwolle en Deventer maakt hetversnellen van de Intercity, het laten rijden van een sprinter en hetaanleggen van een extra station in Zwolle of Deventer mogelijk. Dit biedtkansen voor woningbouw langs dit traject.In het verleden is hier onderzoek naar gedaan. Er is vastgesteld datactualisatie van die onderzoeksgegevens nodig is om te bepalen hoe enmet welke urgentie dit dossier verder op te pakken. Dit heeft te maken metde woningbouwopgave in de regio en de beperkte budgetten uit het MFen bij de regionale partners. Rijk en regio gaan hierover verder in gesprek.In Deventer spelen ook andere opgaven; zo kijkt ProRail wat nodig is vooreen robuuste inpassing van de treinverbindingen van en naarOost-Nederland en de Berlijnlijn, bijvoorbeeld door het ontwikkelen vaneen vierde perron op station Deventer. Verwacht wordt dat ProRail deresultaten medio 2025 kan opleveren.2.7. Verkeerssituatie fietsers Jan Blankenbrug Aan de Kamer is toegezegd dat deze wordt geïnformeerd over degewenste maatregelen en aanpak over de verkeersveiligheidssituatie vanfietsers op de Jan Blankenbrug.38 RWS gaat de verkeersveiligheid vanfietsers in 2024 verbeteren door het fietspad op de Jan Blankenbrug met37Kamerstuk 36 410 A, nr. 5438Kamerstuk 35 925 A, nr. 76Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1628 45 cm te verbreden en een lamellenscherm op de reeds aanwezige barrierte plaatsen. De werkzaamheden zullen in 2024 worden uitgevoerd. Het Rijken de provincie Utrecht financieren elk 50% van de investeringskosten.Voor IenW betekent dit een investering van € 250.000. Dit is ondervoorbehoud van parlementaire goedkeuring van de begroting van IenWdoor beide Kamers. Hiermee is ook invulling gegeven aan de toezegging.2.8. EU-fondsen fietsinfra Aan de Kamer is toegezegd dat deze voor 1 december wordt geïnfor-meerd naar aanleiding van het onderzoek of er EU-fondsen zijn voorfietsinfra. Er wordt een onderzoek uitgezet om meer inzage te krijgen inkansen voor EU-financiering van fietsinfra. De resultaten worden in hetvoorjaar van 2025 met de Kamer gedeeld.2.9. Doorfietsroutes en woningbouwgelden fietsinfra Aan het lid Van Dijk is toegezegd dat de Kamer nader wordt geïnformeerdover de stand van zaken van de doorfietsroutes en de bestemming van dewoningbouwgelden voor fietsinfra. Over de doorfietsroutes is de Kamergeïnformeerd in paragraaf 1.7.11. Onder het programma Woningbouw enMobiliteit (WoMo) wordt breed ingezet op de bereikbaarheid enontsluiting van nieuwe woningen. Onderdeel hiervan zijn investeringen infietsmaatregelen. De Kamer is eerder geïnformeerd over de verdeling vande € 7,5 mld. vanuit het programma WoMo.39 Hierbij is voor circa€ 780 mln. geïnvesteerd in 505 maatregelen (mede) gericht op fietsinfra-structuur. Samen met cofinanciering van de regio telt dit op tot eeninvestering meer dan € 1,1 mld. in fietsinfrastructuur. Het gaat hierbijonder andere om betere fietsaansluitingen richting OV-knooppunten,fietstunnels, doorfietsroutes en stationsstallingen. Dit om de bereik-baarheid en ontsluiting van nieuwe woningen met de fiets te garanderenen bij te dragen aan de mobiliteitstransitie. In 2023 en 2024 zijn debedragen vanuit de € 7,5 mld. als onderdeel van specifieke uitkeringen viabeschikkingen toegekend aan gemeenten. Met de eerste voorschotten diegemeenten inmiddels ontvangen hebben kunnen zij aan de slag met deuitvoering van de maatregelen. Over de voortgangsrapportage van hetprogramma WoMo wordt de Kamer geïnformeerd in paragraaf 2.10.Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging.2.10. Voortgangsrapportage Woningbouw en Mobiliteit Aan de Kamer is toegezegd dat de voortgangsrapportage van hetprogramma Woningbouw en Mobiliteit (WoMo) vanaf 2024 jaarlijkssamen met de MIRT-najaarsbrief naar de Kamer wordt gestuurd.40 Hetdoel van deze voortgangsrapportage (VGR) is om de Kamer te informerenover de voortgang van en ontwikkelingen in de scope, planning, realisatie,risico’s en financiën van de gemaakte afspraken uit het programma WoModie betrekking hebben op het jaar 2023 (zie bijlage).De resultaten uit de eerste voortgangsrapportage laten zien dat derealisatie van infrastructurele maatregelen en woningbouw is gestart. Opbasis van deze eerste resultaten is het nu niet mogelijk om betrouwbareuitspraken te doen over het verdere verloop van de realisatie ten opzichtevan de vastgestelde scope. Vanaf de VGR 2025 en latere jaren is het welmogelijk om in de voortgangsrapportages trends over het verloop van derealisatie weer te geven. Aan het eind van deze rapportage wordt deaanpak voor de monitoring en evaluatie op brede welvaart geïntrodu-39Kamerstuk 36 200 A, nr. 940Kamerstuk 36 410 A, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1629 ceerd. Hierdoor zal op termijn inzicht worden verkregen in de effecten vanhet programma Woningbouw en Mobiliteit op brede welvaart.2.11. Analyse-instrument Mobiliteitsfonds Op Prinsjesdag 2024 is de Kamer geïnformeerd over het analyse-instrument Mobiliteitsfonds. In het wetgevingsoverleg begrotingson-derzoek IenW van 3 oktober 2024 is gevraagd om dit in de MIRT-brief toete lichten. Met het analyse-instrument MF kan de beschikbare beslisinfor-matie over mogelijke investeringsopties en andere maatregelen metbetrekking tot het MF worden verzameld, gestructureerd en geanalyseerd.Mede naar aanleiding van de motie Van Dijk c.s. hebben brede welvaart,de Mobiliteitsvisie 2050 en «Elke Regio Telt!» een plek gekregen in hetinstrument.41 Meer concreet wordt bij nieuwe investeringen bijvoorbeeldook getoetst in hoeverre deze verschillen tussen regio’s verkleint. Hetinstrument is een hulpmiddel voor de politieke afweging over investe-ringsbeslissingen waarover in de BO’s MIRT afspraken worden gemaakt.2.12. Instandhouding in het MIRT De motie Krul en Van der Graaf verzoekt het kabinet de instandhoudings-opgave te integreren in alle onderdelen van de MIRT-cyclus.42 Op19 september 2023 is de Kamer geïnformeerd over hoe RWS hier invullingaan wil geven.43 In de verdere uitwerking hiervan is meegewogen dat deproductie op instandhouding van de RWS-netwerken fors moet wordenverhoogd. Dit vereist continuïteit in de opgave en ruimte voor RWS omhet werk slim vorm te geven in samenwerking met de markt.RWS programmeert de instandhoudingswerkzaamheden met een jaarlijksgeactualiseerde meerjarenplanning. In de uitwerking van deze planningvoert RWS regelmatig het gesprek met decentrale overheden, in verschil-lende samenstellingen en over verschillende thema’s. Dit is al jaren dewerkwijze die RWS hanteert. Aan de Kamer is toegezegd dat RWS in hetnajaar de planning met de regio’s bespreekt.44 Ook dit jaar heeft RWS hetgesprek gevoerd met de regio’s. Deze heeft daar kennis van genomen endat heeft dit jaar niet tot nadere afspraken in het BO MIRT geleid.Aanvullend wordt nu ter integratie van instandhouding in het MIRT hetvolgende ondernomen:•Jaarlijks in het najaar deelt RWS de geactualiseerde programmeringmet de regionale partijen en ProRail in een bijeenkomst per RWS regio.Centraal staan informeren over de voorziene geprogrammeerdewerkzaamheden voor de komende drie jaar en kennisnemen van debijbehorende hinder en de te ontwikkelen hinderaanpak. Voor deprojecten die drie jaar of verder vooruit geprogrammeerd staan, wordtook bezien of er ruimte is voor het benutten van eventuele meekoppel-kansen.•In de daaropvolgende BO’s MIRT worden de belangrijkste instandhou-dingswerkzaamheden die in de komende paar jaar gepland staan terkennisneming opgenomen. Dit is inclusief bijbehorende hinderaanpaken eventuele afspraken over meekoppelkansen.•Jaarlijks worden vanaf 2025 in de MIRT-brief in het najaar de belang-rijkste brede ontwikkelingen in de instandhoudingsopgave vermeld.41Kamerstuk 36 410 A, nr. 3742Kamerstuk 29 385, nr. 13143Kamerstuk 36 410 A, nr. 844Kamerstuk 36 410 A, nr. 9Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1630 2.13. Herplantplicht RWS en ProRail In de MIRT-brief van 15 december 2021 (Kamerstuk 35 925 A, nr. 24) is ervoor het eerst gerapporteerd over de herbeplantingsplicht op grond vande Wet natuurbescherming die geldt bij infrastructurele werken. Hiermeewordt invulling gegeven aan de motie Schonis c.s.45 In deze MIRT-briefwordt over de stand van zaken over het jaar 2023 gerapporteerd.Het kappen van bomen wordt gemeld bij het bevoegd gezag; dit is veelalde Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De compensatie-opgave wordt vervolgens berekend en uitgedrukt in hectares. Hetafgelopen jaar is de registratie geactualiseerd en afgestemd met de RVO.De gerapporteerde omvang is daardoor en als gevolg van uitgevoerdeherbeplanting en nieuwe projecten gewijzigd ten opzichte van de vorigeopgave. De herbeplantingsopgave ziet er per 1 januari 2024 als volgt uit:•Voor RWS bedraagt deze opgave 600 hectare. In 2023 is ongeveer 25hectare herbeplant. Voor ca. 389 hectare is de wettelijke termijn voorherbeplanting verstreken. Daarnaast is sprake van 524 hectareonverplicht (extra) aangeplante bomen. RWS overlegt met hetMinisterie van LVVN in hoeverre deze als invulling van de herplant-plicht kan worden gezien.•Voor ProRail bedraagt deze herplantingsopgave 4,2 hectare. In 2023 is0,6 hectare herbeplant. Voor 2,6 hectare is de wettelijke termijn voorherbeplanting verstreken, maar deze zal alsnog worden uitgevoerd.Daarnaast is sprake van 0,27 hectare onverplicht (extra) aangeplantebomen.2.14. Dom-tot-Dam doorfietsroute In het CD MIRT van 5 juli 2023 (Kamerstuk 36 200 A, nr. 99) is aan deKamer toegezegd dat de inzet is dat eind 2024 besluiten genomen kunnenworden over het al dan niet realiseren van de Dom-tot-Dam doorfiets-route. Deze zomer is gestart met een werkgroep van alle vertegenwoor-digde wegbeheerders ten behoeve van het opstellen van het voorlopigontwerp. De benodigde beslisinformatie is eind dit jaar nog nietbeschikbaar, maar zal naar verwachting bij het BO MIRT van 2025 gereedzijn.3. Slot Ondanks de krappe financiën op het MF gebeurt er dus nog enorm veelbinnen het MIRT. Op basis van de afspraken uit de BO’s MIRT worden hierkomende periode weer verdere stappen in gezet. Dat is goed voor deveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland. In het voorjaarvan 2025 vinden de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving plaats. Overde uitkomsten hiervan wordt de Kamer zoals gebruikelijk per briefgeïnformeerd, in aanloop naar het volgende commissiedebat MIRT.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,B. MadlenerDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,C.A. Jansen45Kamerstuk 35 300 A, nr. 43Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 1631

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b78cde4a80fd41a1

14 okt 2026 · 0e8d0b2afabf3161

13 okt 2026 · 685837b11294ce2d

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.