Jeugdbeleid
Jeugdbeleid
statement · 30 sep 2026 · Tweede Kamer
Staatssecretaris Van Bruggen: Dan de vraag van de heer Van Houwelingen die gaat over de aanwezigheid van de inspectie bij gesprekken, dus over kinderen en ouders die niet of wel gehoord worden als er een inspectie plaatsvindt. Even gechargeerd: het is niet alleen maar kopjes koffie drinken vanuit een kantoor of met een raad van bestuur of een raad van toezicht. De inspecties spreken altijd met ouders en kinderen als zij toezicht houden bij jeugdzorginstellingen. Zo hebben de inspecties in hun onderzoek naar de uitvoering van de jeugdbescherming in 2025 met meer dan 100 kinderen, ouders en cliëntenraden gesprekken gevoerd. Dat is natuurlijk best wel direct, dus daarnaast hebben ze ook indirect ruim 1.000 kinderen en ouders via een digitale vragenlijst bevraagd. Bevindingen uit de gesprekken en de vragenlijsten zijn meegenomen in de beoordeling van de bezochte GI's. Ik zie dat de inspectie echt probeert om de vinger erachter te krijgen of er de juiste zorg en bescherming is voor jeugdigen en voor de ouders die al dan niet hun kinderen hebben moeten loslaten voor enige tijd. Dat nemen ze ook mee in hun oordeel. Dan een andere vraag. Omdat het over continuïteit gaat, merk ik dat het een heel divers blokje is geworden. Deze vraag gaat over de William Schrikker Stichting, en dan heel specifiek over wat er na Vlaardingen precies is gebeurd. In het halfuur dat we hadden om deze beantwoording voor te bereiden, hadden we het ook over wat nou eigenlijk specifiek de vraag was. De vraag was natuurlijk hoe het nou kan dat er toch weer een behoorlijk funest inspectierapport naar buiten komt over kinderen die in een gezinshuis geplaatst zijn en die daar niet veilig bleken. De William Schrikker Stichting is de grootste GI van Nederland. De kans dat als er iets misgaat, het dan ook daar is, is dus groter. Dat is gewoon kansberekening. Desalniettemin heeft de William Schrikker Stichting naar aanleiding van Vlaardingen alle lopende zaken doorgenomen en getoetst op de verbeteringen die naar aanleiding van Vlaardingen aan hen zijn voorgelegd. Dan kom ik ook weer op waar je op zo'n moment, in zo'n situatie, de signalen wel of niet kunt zien. Ik kan natuurlijk op de individuele casus niet ingaan, maar gezien de verbeterslagen die gemaakt moeten worden en die nu, ook weer naar aanleiding van dit inspectierapport, bij de William Schrikker Stichting worden neergelegd, lijkt het alsof er geen blinde vlekken zijn. Het is wel zo dat er situaties zijn, die zich dus kunnen blijven voordoen, die we te kwetsbaar vinden. Hebben we daar dan in het stelsel iets te veranderen? Ja, wellicht. Wellicht. Kan ik dat van deze casus al zeggen? Nee, dat vind ik te snel, en ik wil in alle eerlijkheid ook zeggen — dat heeft de minister net ook gedaan — niet alleen over het proces waar we nu in zitten, maar ook over hoe je uiteindelijk de allerbeste jeugdzorg, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering kan organiseren, dat we met elkaar in een veld blijven opereren waar incidenten zullen blijven plaatsvinden. Het aantal moeten we naar beneden brengen; we doen er alles aan om dat te minimaliseren. Dat is niet eenvoudig. Dit gaat ongetwijfeld nog een keer gebeuren, maar we zien wel dat de organisaties bewust de verbeteracties oppakken. Ook de William Schrikker Stichting doet dat, maar die is dus in deze casus, geleerd hebbende van Vlaardingen, weer in zo'n kwetsbare situatie terechtgekomen. Ik heb gisteren toevallig de voorzitter van de raad van bestuur nog aan de telefoon gehad, omdat ik ook zelf wil weten hoe het in de organisatie is. Reken er namelijk maar op dat dit ook iets doet met jeugdbeschermers. Zij zijn blijkbaar toch ook weer in een situatie gekomen waarvan ze gedacht hadden er niet meer in verzeild te raken. Ik denk echt dat het verbeteren van casuïstiekbesprekingen, multidisciplinair overleggen, het versterken van de positie van het kind en het horen van het kind allemaal stappen zijn die naar aanleiding van Vlaardingen gezet zijn in alle dossiers van William Schrikker. Dan blijven we in een situatie zitten dat dit soort zaken kan voorkomen, hoe treurig ook. Dat was mijn blokje over continuïteit van zorg. Voorzitter. Ik kan door naar de uithuisplaatsingen naar aanleiding van het kinderopvangtoeslagschandaal. Ik zeg maar UHP KOT; ik denk dat dat voor de meeste mensen op de tribune en thuis een bekende term is. Ik ben er zelf nog niet helemaal aan gewend, moet ik zeggen. Als ik eens even op een dinsdagavond met een deel van de kinderen die uit huis zijn geplaatst naar aanleiding van het toeslagenschandaal heb gegeten, vind ik het heel gek om dan te praten over UHP KOT-kinderen. Maar we begrijpen allemaal wie we voor ons hebben, en het zijn er echt heel veel. Er zijn er ook heel veel die nog steeds betrokken zijn bij het proces waar we nu in zitten. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat de excuses die we maken, lege excuses vormen? Ik wil daar niet op vooruit te lopen, want we beogen dat nu in januari te doen. We doen dat juist ook in samenspraak met deze jongeren, die hun hand hebben opgestoken. Sommigen zijn gewoon al begin 30, even voor uw beeld; die zijn natuurlijk ook echt al verdergegaan met hun leven, maar die hebben nog iets af te sluiten en dat hebben wij met hen te doen. De excuses geven we samen vorm, in de zin dat wij nu aan de Jeugdraad hebben gevraagd een proces met elkaar te doorlopen, waarin op de eerste twee bijeenkomsten vooral de jongeren zelf konden aangeven wat zij belangrijk vonden in hoe die excuses worden uitgesproken, wie daarbij aanwezig zijn en hoe we dat verleden toch enigszins dienend kunnen laten zijn aan het helen in de toekomst — dat is misschien een beetje cryptisch, maar u begrijpt hopelijk wat ik bedoel — zodat de excuses kunnen bijdragen aan heling en herstel. In de laatste bijeenkomst zijn de staatssecretaris Herstel Toeslagen, mevrouw Palmen, en ik met deze groep ook wat nader ingegaan op wat belangrijk is voor hen in dit excuustraject. We krijgen 15 oktober een advies van de Jeugdraad. Zij hebben natuurlijk ook meegegeven wat de jongeren in dit geval belangrijk vinden om mee te krijgen vanuit het excuustraject en vooral ook bij de vraag wat je daarna nog weer doet. Dat is natuurlijk ook precies waarover u het gesprek met de minister heeft gehad. Met excuus is dat niet afgerond. Wat is dus belangrijk? Hoe houd je elkaar daarna ook vast? Dat nemen wij ook mee richting januari. De indieners van de petitie die gisteren aan u is aangeboden, heb ik inmiddels ook uitgenodigd om mee te denken over dat traject, want daar zag ik wel weer wat andere gezichten. Natuurlijk is het voor hen ook mogelijk om aan te sluiten bij het bestaande traject. Misschien is het een parallel proces dat we met elkaar moeten gaan lopen. De heer Ceder en mevrouw Westerveld van PRO vroegen: wordt wel alles op alles gezet om zo veel mogelijk kinderen weer een leven te geven, en natuurlijk het liefst bij hun eigen ouders? Dat is en blijft maatwerk. Uitgangspunt is dat het contact wordt hersteld en dat dat veilig en verantwoord kan. Om ouders hierbij te ondersteunen, hebben we het ondersteuningsteam opgericht, dat direct ondersteuning biedt bij onder andere het contactherstel en bij de terugplaatsingen. We hebben ook kosteloze rechtsbijstand beschikbaar gesteld. Zo heeft het ondersteuningsteam sinds de oprichting in 2022 meer dan 1.000 ondersteuningstrajecten afgerond. De heer Ceder vraagt terecht: waarom gaat het dan niet lukken om nog voor het eind van het jaar die herbeoordelingsdossiers op orde te krijgen? Hier is, natuurlijk voor zolang dat kan, lang over doorgesproken, omdat dit vraagstuk op tafel lag toen ik binnenkwam op 23 februari en ik dit dossier onder mijn verantwoordelijkheid kreeg. Wij hebben daarin gezien dat op een eerder moment ook gekeken is naar verschillende dossiers. In dit geval waren dat er twee. Dat is stukgelopen, omdat je in de resultaten en de verwachtingen zag dat het die heling en duidelijkheid niet bracht. Maar dit onderwerp is niet gaan liggen. Er zijn ook steeds gesprekken gevoerd, zowel met kinderen als met professionals vanuit het veld, die betrokken zijn bij dit onderwerp en die vandaag onder anderen op de tribune zitten. Zij geven nog steeds aan: het gaat ons er niet om dat we nog even een stok willen hebben om mee te slaan; het gaat ons erom dat we gewoon duidelijkheid krijgen over de afwegingen die zijn gemaakt. Dat zeggen ze met alle goede bedoelingen van dien, die wij natuurlijk op dit moment ook hebben. Dat betreft dus de inzage in dossiers en het kunnen meekijken. Onze professionals die daarbij betrokken zijn moeten dat inzicht geven. Zo willen wij heel graag die objectiviteit erin krijgen. Als we dat proberen vast te pakken bij hoe we dat gaan doen, dan willen we zo min mogelijk extra schade aanrichten. Dat maakt dat we nu een beperkt aantal dossiers als eerste, als start, nemen, waarin we de scope, de werkwijze en de kwaliteitsborging die het uiteindelijk zou moeten hebben, vastleggen. We toetsen in die eerste fase ook of we met een bepaalde universiteit of met een ander onderzoeksinstituut in zee zouden moeten gaan. Dat zeg ik ook heel specifiek, omdat je, als het over zo'n opdracht gaat — het gaat namelijk niet over iets kleins — ook aan aanbestedingsregels gebonden bent. Je kunt dus eigenlijk niet van het ene op het andere moment zeggen: dit is een mooie opdracht en we zien dat er een universiteit geïnteresseerd is die ook echt heel degelijk onderzoek zou kunnen doen. Dat betekent niet dat dat zomaar zou kunnen, maar natuurlijk nemen we dat nu wel mee in hoe we dit proces gaan inrichten. Na die eerste fase — ik realiseer mij dat hier niet staat wanneer we die precies afronden; misschien kunnen we daar nog even iets duidelijker over zijn — volgt een afwegingsmoment over het vervolg en de eventuele opschaling. De Kamer zal daar natuurlijk tijdig over worden geïnformeerd. Bestaande juridische routes, zoals de kinderrechter, de rechterlijke toetsing, de contra-expertise en de kosteloze rechtsbijstand, blijven allemaal bestaan. Ik weet niet of we meer duidelijkheid kunnen geven over wanneer we die eerste fase denken af te ronden, maar het helpt wel om dat aan u mee te geven. Ten tweede doen wij dit ook weer met de ouders, kinderen en briefschrijvers die ons natuurlijk ook net voor de zomer duidelijk hebben gemaakt dat het onderwerp echt niet is gaan liggen voor hen en dusdanig relevant is gebleven. Daarom zeggen we zelf ook: we moeten hier een andere keuze maken. Dan de vraag van mevrouw Dobbe die hierop aansloot, over de gefaseerde aanpak. Dat betreft eigenlijk precies het antwoord dat ik zonet heb gegeven. De criteria, de scope en de waarborgen zijn allemaal onderwerp van het nu inzichtelijk maken hoe dat eruit zou kunnen zien. We willen dit zo zorgvuldig doen, omdat we weten dat er aan de andere kant verwachtingen gewekt kunnen worden die je misschien niet waar kunt maken of die teleurstellen. Dat willen we natuurlijk op alle mogelijke manieren voorkomen. Vandaar dat we dit zo zorgvuldig mogelijk willen doen. Maar is hier een grote stap gezet? Ja, dat is er ook wel zeker.
Versie faccfeef9791f786376bdfb5b50dd4f656d4e231b2c6c631f47bf4825383b782 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Jeugdbeleid
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.