statement · 12 feb 2026 · Tweede Kamer
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) antwoord 1e termijn + rest
Brontekst
Minister Moes: Dank u wel, voorzitter. We hebben gisteren een mooie eerste termijn gezien. Dank aan alle Kamerleden voor hun inbreng. Mevrouw Biekman, nogmaals van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech, die inspirerend was en die voor mij herkenbare elementen bevatte. Verder heb ik een interessante filosofische beschouwing gehoord van de heer Van Duijvenvoorde. Ik heb zelfs een Bijbels citaat gekregen van de heer Stoffer; ik ben toch blij dat het niet Spreuken 23, vers 13 was. De staatssecretaris en ik hebben de vragen natuurlijk al schriftelijk beantwoord, maar we willen graag ook mondeling ingaan op de verschillende thema's die wij gisteren in deze Kamer hebben gehoord. Aan het einde van mijn spreektekst zal ik de op mijn terrein ingediende amendementen appreciëren. Mijn tijd als minister zit er bijna op. Ik ben trots en dankbaar dat ik, zij het voor korte tijd, deze rol mocht vervullen. In de afgelopen maanden heb ik veel gesprekken gevoerd met studenten, docenten, praktijkopleiders en onderzoekers in het mbo, het hbo, het wo en in de wetenschap. Daarbij vielen mij steeds hun tomeloze inzet en hun professionaliteit op. Nederland heeft een sterk en toegankelijk stelsel van vervolgonderwijs en onderzoek. Dat is van grote waarde voor mensen, voor regio's en ook voor onze economie, maar dat stelsel staat onder druk. Ik noem twee ontwikkelingen die ons dwingen tot scherpe keuzes. Na jaren van groei dalen de studentenaantallen in het mbo, het hbo en het wo, met grote regionale verschillen. Daardoor dreigen het onderwijsaanbod en de leefbaarheid in de regio aan kracht te verliezen. Tegelijkertijd is er een tekort aan goede vakmensen; dat is de tweede ontwikkeling. Juist in sectoren die maatschappelijk en economisch cruciaal zijn, komen we talent op de arbeidsmarkt tekort: in de zorg, in het onderwijs, in de techniek. Het volgende kabinet moet daarom keuzes maken. Ik geef daarvoor vandaag, mede als reactie op uw inbreng, vier prioriteiten mee. Ten eerste moeten onderwijs en onderzoek zich sterker richten op wat de samenleving nodig heeft, zodat regio's vitaal blijven en onze economie sterk. Daarom ben ik het eens met mevrouw Rajkowski en mevrouw Van der Plas: er is in opleidingen en onderzoek meer focus nodig op maatschappelijke opgaven, tekortsectoren en concurrentiekracht. Het is noodzakelijk om meer studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, bijvoorbeeld in de techniek, de veiligheid, de woningbouw en de zorg. Ik vind het van belang dat de Nederlandse samenleving hier boven het individuele belang van onderwijsinstellingen hoort te staan. Als dat niet vanzelf gaat, zijn meer regie en bijsturen vanuit de politiek nodig. Dat kan onder andere door het maken van goede afspraken tussen overheid, werkgevers en onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld over betere voorlichting, goede stageplekken, salarissen en sturing op het aantal opleidingsplaatsen. Ook is het van belang dat studenten die van buiten Nederland komen, na hun afstuderen in Nederland kunnen en willen blijven, zodat zij een blijvende bijdrage aan onze maatschappij kunnen leveren, daar echt onderdeel van gaan worden en echt mee kunnen draaien in Nederland. Mevrouw Raijer en meneer Boomsma benadrukken het belang van de Nederlandse taal hierbij. Dat ben ik helemaal met hen eens. Het Nederlands moet niet alleen onze voertaal zijn, maar juist ook de academische taal. Dat maakt de universiteit geworteld, toegankelijk en van grotere toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving, taal en cultuur. Ten tweede moet onderwijs gericht zijn op de praktijk. Juist het mbo-talent is hard nodig in Nederland. Ik zie dat de waardering voor praktisch georiënteerde mensen in de samenleving steeds groter wordt. Dat is terecht. Veel Kamerleden, zoals meneer Ergin, mevrouw Armut, mevrouw Tseggai, mevrouw Van der Plas, mevrouw Rajkowski en mevrouw Biekman hameren dan ook terecht op het belang van het mbo. Maar er blijft inspanning nodig voor een gelijkwaardige positie van het mbo en de mbo-studenten. In de brief die ik uw Kamer een paar maanden geleden heb gestuurd, staat uitgewerkt wat de financiële verschillen zijn. Het gelijktrekken van de studiefinanciering voor mbo-studenten bijvoorbeeld kost ongeveer 400 miljoen. Dat bedrag heeft het huidige kabinet niet beschikbaar, maar ik heb hier gisteren bedragen gehoord van 1 miljard tot 1,5 miljard die het nieuwe kabinet gaat investeren in het onderwijs. Ik hoop van harte dat een nieuw kabinet de daad bij het woord voegt als het gaat om waardering en gelijkheid voor het mbo. Net als mevrouw Tseggai en meneer Ergin maak ik me zorgen over de beperkte voortgang op de doelen van het Stagepact. Het lukt nog onvoldoende om stagediscriminatie tegen te gaan en de begeleiding van studenten te verbeteren. Dit is onacceptabel. Ik ben met alle partners in gesprek om het actieplan aan te scherpen. We zorgen ervoor dat studenten meldpunten voor discriminatie beter kunnen vinden. We spreken alle besturen aan op hun verantwoordelijkheid als het gaat over goede stagebegeleiding. Ik ben heel blij met de stappen die ik heb kunnen zetten om de wettelijke stagevergoeding te regelen. Na een jarenlange discussie ligt de bal voor de wettelijke stagevergoeding op de stip. Het nieuwe kabinet kan met dit werk verder en de bal nu inschieten. Het is mooi om te zien dat dit ook is overgenomen in het nieuwe coalitieakkoord. De derde prioriteit is stabiliteit. Ons stelsel moet stabieler worden, zodat dalende studentenaantallen in het mbo en hbo niet leiden tot het verdwijnen van belangrijke opleidingen, vooral in krimpregio's. Mevrouw Van der Plas, mevrouw Armut en mevrouw Straatman vroegen wat ik doe om het opleidingsaanbod in deze regio's in stand te houden. Voor het mbo en hbo is hiervoor 180 miljoen beschikbaar voor de korte termijn. Tegelijkertijd werk ik voor de langere termijn aan een bekostiging die meer rust en stabiliteit geeft en die juist die mbo-instellingen in de regio meer financiële ruimte geeft. Het vraagt om een wetswijziging, die in 2029 in moet gaan. Maar stabiliteit gaat niet alleen over geld. Scholen zijn geen bedrijven. In plaats van elkaar te beconcurreren op leerlingenaantallen en studentenaantallen moeten onderwijs en kennisinstellingen met elkaar gaan zorgen voor goed onderwijs en onderzoek. Dat vraagt ook iets van de overheid, namelijk minder nadruk op details, maar meer sturing en verantwoording op hoofdlijnen. Mevrouw Raijer vroeg in haar bijdrage hier ook terecht aandacht voor. Zo kunnen we rust bieden voor instellingen en ruimte aan de docent en de onderzoeker, want zij maken dagelijks het verschil.
Versie 39a6a545a4170393bab31e8be4e7d20bc681d03f1eb0314b63e490709316bc11 · Officiële bron.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.