KamerkringInloggen
Uitspraak

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met verdere versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II) (36463)

24 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d98c5659f0616cdd · officiële bron

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA): Dank u wel, voorzitter. Als het gaat om ondermijnende criminaliteit en om criminelen de weg zien te versperren, dan zal de minister de Kamer geheel aan zijn zijde vinden. Dat lukt namelijk nog niet in voldoende mate. We zien dat criminelen miljarden verdienen met drugshandel, witwassen en andere illegale activiteiten, terwijl de regering daar nog steeds te weinig tegenover zet. We pakken slechts een fractie af. De discussie hierover hebben wij eerder in menig commissiedebat gevoerd. We hebben moties ingediend met onder andere collega Michon-Derkzen om veel meer geld af te pakken dan we nu doen, want er gaan echt miljarden in om. Die scheve verhouding ondergraaft niet alleen onze rechtsstaat, maar ook het vertrouwen van burgers dat misdaad niet loont. Het frustreren van dat verdienvermogen en het raken waar het daadwerkelijk pijn doet, namelijk in de portemonnee, is volgens mij cruciaal. Zolang criminelen hun vermogen behouden en kunnen herinvesteren, blijft het dweilen met de kraan open. Daarbij moeten we ook de partijen die dat mogelijk maken, de facilitators, nadrukkelijk in beeld brengen. Ik kan met dat uitgangspunt in het achterhoofd de voorliggende voorstellen op hoofdlijnen begrijpen, al verwacht ik niet dat dit pakket op zichzelf een hele doorbraak zal betekenen. Daarvoor is in mijn beleving veel meer nodig: een veel sterkere inzet op vermogensontneming, een versnelling van onderzoeken die opsporing verbeteren en intensieve internationale samenwerking. Ik heb wat vragen. Het is ook wel goed om nader uitleg te geven voor de Handelingen. De eerste vraag betreft de hoofdelijke aansprakelijkheid bij ontneming. Wanneer meerdere daders samen strafbare feiten hebben gepleegd, is het vaak buitengewoon lastig om precies vast te stellen wie welk voordeel heeft genoten. Daarom is een aantal jaren terug in de wet vastgelegd dat een rechter kan bepalen dat een veroordeelde niet alleen voor een deel, maar ook hoofdelijk aansprakelijk is voor het totaal te plukken bedrag. Dat kan in gevallen waarin sprake is van criminele winst, die is verkregen door misdrijven waarvoor de persoon zelf is veroordeeld, of door andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen zijn dat deze door de veroordeelde zijn begaan. Wat nu wordt voorgesteld, gaat een stap verder. Het verschil met de huidige situatie is dat het niet langer vereist is dat de veroordeelde zelf het strafbare feit heeft gepleegd, waaruit het vermogen afkomstig is. Ook zonder dat er een direct aantoonbaar verband bestaat met een specifiek misdrijf kan de rechter hoofdelijke aansprakelijkheid aannemen, mits er sprake is van een economische eenheid en mits er onverklaarbare uitgaven zijn gedaan. Een economische eenheid is bijvoorbeeld een gezamenlijke huishouding of een crimineel samenwerkingsverband. Ik snap de gedachtegang. Als criminelen gezamenlijk grote winsten vergaren, maar zwijgen over de verdeling en de Staat kan alleen plukken als per persoon precies vaststaat wat hij of zij heeft ontvangen, dan kunnen we iets mislopen wat ons toekomt. Dat zou niet de bedoeling moeten zijn. Tegelijkertijd moet het ook niet zo zijn dat een medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor onverklaarbare uitgaven van een ander, bijvoorbeeld als ze niets te maken hebben met het feit waarvoor men samen is veroordeeld. Ik weet dat dit nu aan de rechter wordt overgelaten, maar ik zou toch aan de minister willen vragen om in de wetsgeschiedenis helder te maken waar de grens ligt en uit te leggen hoe de uitbreiding van die hoofdelijke aansprakelijkheid zich verhoudt tot de onschuldpresumptie, zoals we die kennen van het EHRM. Ik heb in de schriftelijke ronde al hiernaar gevraagd. Het antwoord was kortweg dat iemand pas geplukt kan worden na een veroordeling. Er is dus geen sprake van onschuld. Dat is formeel zo, maar doordat in het voorstel het verband tussen de daad waardoor iemand veroordeeld is, en de maatregel toch op zijn minst een stuk losser wordt, wil ik dat de minister hierop ingaat. Al weet ik dat het ontnemen op zichzelf formeel geen straf is, maar een maatregel die geen punitief maar een reparatoir karakter zou moeten hebben, toch kan het wringen als iemand geplukt wordt voor een daad die hij of zij niet heeft begaan. Ik wil dat de minister daar uitgebreid op ingaat. Hoe proportioneel is dit voorstel verder, gegeven hoe ingewikkeld het straks in de nieuwe situatie voor iemand is om te kunnen bewijzen dat er niet is geprofiteerd van het wederrechtelijk verkregen vermogen? Het heeft natuurlijk al een stuk geholpen, zeg ik ook na kritiek van de Raad van State en derden, dat de uitbreiding van de hoofdelijke aansprakelijkheid is ingeperkt tot economische eenheden. Dan nog is het goed als de minister uitlegt voor welk probleem deze uitbreiding nodig is. Volgens mij stelde collega Jesse Six Dijkstra die vraag ook. Kunnen we straks veel meer vermogens gaan plukken? Daarnaast de praktische vraag hoe een veroordeelde in de praktijk kan aantonen dat hij of zij, hoewel onderdeel van die economische eenheid, niet van het criminele vermogen heeft geprofiteerd. Welke mogelijkheden heeft iemand om zich daartegen te verzetten? Verder ben ik het volledig eens met de opmerking die is gemaakt over het geconfisqueerde vermogen. Wat ons betreft gaan we het geld dat we van criminelen hebben geplukt investeren in wijken. Er zijn voorbeelden in den lande waarbij die gelden zijn ingezet om huizen voor de wijk ter beschikking te stellen. Daar voel ik heel veel voor, omdat met name de kwetsbare wijken dan ook iets kunnen terugzien van het afgepakte vermogen. Wat mij betreft gaan we dat veel breder inzetten. Ik hoop dat ik daar samen met de collega van NSC in kan blijven optrekken. Voorzitter. Dan ontzetting uit ambt of beroep, en de verruiming van de mogelijkheid om veroordeelden uit hun beroep te ontzetten. Dat lijkt mij nodig, want we zien dat functies bij uitvoeringsorganisaties of overheidsdiensten worden misbruikt om criminele netwerken te faciliteren. We hebben dat recent in Amsterdam nog gezien bij de ambtenaren die gegevens met criminelen deelden, waardoor op die locaties explosies konden plaatsvinden. Mijn vraag is hoe dit gehandhaafd wordt. Het gaat vaak via de vog, de verklaring omtrent het gedrag, terwijl die niet altijd verplicht is. Ook de reclassering krijgt hierin een taak. Gaat de rechter dat dan in alle gevallen meegeven? Kortom, hoe effectief is dit instrument in de praktijk? Zou het niet verstandig zijn als iemand die uit zijn beroep is gezet jaarlijks een verklaring omtrent het gedrag aan bijvoorbeeld de reclassering moet overleggen, zolang het verbod geldt?

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 067896b25861dc23

13 okt 2026 · 517024829909ebeb

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.