Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
statement · 28 sep 2026 · Tweede Kamer
Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank u wel, voorzitter. De VVD steunt de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Consumenten moeten beter worden beschermd tegen problematische schulden. Nieuwe kredietvormen, zoals koop nu, betaal later, mogen geen achterdeur zijn om verantwoord kredietbeleid te omzeilen. Tegelijkertijd moet de implementatie proportioneel en uitvoerbaar zijn. Regels moeten aansluiten bij de daadwerkelijke risico's. Ze moeten niet leiden tot onnodige regeldruk voor ondernemers of tot onnodige belemmeringen voor consumenten die verantwoord gebruikmaken van kortlopend krediet. Voorzitter. De gevolgen voor de regeldruk. Europese regelgeving moet wat de VVD betreft zo lastenluw mogelijk en in beginsel een-op-een worden geïmplementeerd. Het is daarom positief dat het kabinet verschillende lidstaatopties benut om onnodige regeldruk te beperken, onder meer bij informatie- en reclameverplichtingen en voor kleinere kredietbemiddelaars die slechts als nevenactiviteit bemiddelen. Tegelijkertijd wordt niet overal voor de meest lastenluwe implementatie gekozen. Voor kaarten met uitgestelde debitering kiest Nederland voor een relatief zwaar regime. De verplichte kredietwaardigheidsbeoordelingen, BKR-raadplegingen en verificatieverplichtingen veroorzaken aanzienlijke structurele kosten. De proportionaliteitsnorm uit artikel 18 van de CCD II moet wat de VVD betreft niet alleen gelden voor het inwinnen van informatie, maar ook voor het verifiëren daarvan. Alleen dan kan artikel 113 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft daadwerkelijk risicogebaseerd worden toegepast. Kan de minister bevestigen dat dit inderdaad het geval is? In reactie op ons laatste informatieverzoek gaat de minister in op de toekomstige invulling van die kredietwaardigheidsbeoordeling. Daarbij wordt verwezen naar de beoogde herziening van de leennormen van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland. Daaruit blijkt dat voor kredieten tot €1.000 en met een looptijd tot drie maanden de mogelijkheid wordt geboden voor een intern risicomodel, terwijl die voor kredieten tot €1.000 met een looptijd langer dan drie maanden niet geldt. Met deze invulling dreigt een situatie te ontstaan dat voor koop nu, betaal later tot drie maanden en een maandlast die kan oplopen tot €333 een veel soepeler regime gaat gelden dan voor een langerlopend krediet tot €1.000, zoals telecomkrediet, met een maandlast tot maximaal €42. Graag krijg ik hier een reactie van de minister op. Als dit een juiste lezing is, blijft er dan naast de VFN-leennormen een op maat gemaakte telecomkredietcode waarin invulling kan worden gegeven aan een verificatieregime dat daarvoor passend is? Voorzitter. Dan de gevolgen voor consumenten. De sterke groei van koop nu, betaal later vraagt om duidelijke regels. Het is goed dat deze kredietvorm onder het Europese kader voor consumentenkrediet komt te vallen en dat vergunningseisen, kredietwaardigheidstoetsen, BKR-raadplegingen en betere bescherming van minderjarigen gaan gelden. Maar ook hier moeten de regels aansluiten bij het daadwerkelijke risico. Kortlopende betaalfaciliteiten voor kleine bedragen verschillen wezenlijk van langlopende consumptieve kredieten. Ze kunnen consumenten bovendien helpen om timingverschillen tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Extra toezicht- en nalevingskosten kunnen tegelijkertijd leiden tot hogere prijzen of een kleiner aanbod. Daarom hoor ik graag van de minister hoe wordt geborgd dat de kredietwaardigheidstoets en de verificatie van gegevens proportioneel blijven en dat bij kleine laagrisicotransacties geen onnodig zware uitvraag plaatsvindt. Daarbij is ook meer duidelijkheid nodig over de reikwijdte van de regels richting het dagelijkse betalingsverkeer. Het kabinet legt de beoordeling of een constructie onder het kredietregime valt nu in belangrijke mate bij aanbieders zelf. Juist bij telecomdiensten, parkeerapps, zorgfactuur- en mobiliteitsdiensten kan daardoor onduidelijkheid ontstaan. De VVD wil daarom een zo concreet en limitatief mogelijke toelichting op welke gangbare betaal- en facturatievormen wel en niet onder de nieuwe regels vallen. Voorzitter. Specifiek over de telecomdiensten wil ik het volgende zeggen. Telecomaanbieders bieden als onderdeel van het telecomabonnement of via het gebruik van de tv-mediabox de mogelijkheid om bepaalde digitale content te betalen via de maandfactuur voor de afgenomen elektronische consumentendienst. Het gaat om de administratieve afwikkeling van de aankoop van bijvoorbeeld apps, digitale nieuwsdiensten en elektronische tickets voor bijvoorbeeld het openbaar vervoer. Deze factureringsdienst is voor een beperkt aantal categorieën van digitale producten en tot een maximumbedrag opgenomen als telecom-exceptie in de Payment Services Directive, en is daarmee uitgezonderd als gereguleerde betaaldienst. Rond deze implementatiewet is discussie ontstaan over de reikwijdte van de kredietregels. Kan de minister bevestigen dat de telecom-exceptie als doorlopende factureringsdienst voor de levering van beperkte categorieën van digitale producten valt onder de uitzondering voor overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde soort goederen, waarbij de consument, zolang de dienst of goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt? Voorzitter. De implementatietermijn is een breed gedragen zorg. De Europese richtlijn ging uit van ongeveer twaalf maanden voorbereidingstijd, maar belangrijke onderdelen van de lagere regelgeving worden pas kort voor de inwerkingtreding op 20 november 2026 definitief. Voor aanbieders die hun systemen moeten aanpassen, is enkele weken voorbereidingstijd niet realistisch. Dit knelpunt raakt veel aanbieders. De VVD wil daarom een harde uiterste publicatiedatum voor het implementatiebesluit en de ministeriële regeling. Kan de minister aangeven wat die uiterste datum is? Wat zijn de consequenties als die datum niet wordt gehaald? Daarnaast wil ik graag duidelijkheid over de handhavingslijn van de AFM in de eerste maanden na inwerkingtreding. Ook vraag ik de minister om de Kamer vóór de inwerkingtreding te informeren over eventuele achterstanden bij vergunningaanvragen. Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde betaling is er een overgangstermijn van zes maanden. Hebben bestaande aanbieders daarmee voldoende tijd om hun systemen en processen zorgvuldig aan de nieuwe Nederlandse eisen aan te passen, zo vraag ik de minister. Voorzitter. In het verlengde daarvan heb ik nog een punt over bemiddeling en provisies. Nu de deferred debit card als krediet wordt gereguleerd, kunnen partijen die worden ingeschakeld bij de totstandkoming ervan, zogenoemde "co-branders", als bemiddelaar worden aangemerkt. Daardoor gelden na de vergunningsplicht en de provisieregels de artikelen 154 en 155 van het besluit. Deze partijen kunnen dan aanspraak maken op doorlopende provisie over uitstaand krediet, terwijl ze na de aanvraag geen rol meer hebben in de beheerfase. Zo'n doorlopende provisie past niet bij hun feitelijke werkzaamheden. Om de mogelijkheid te creëren om een vergoeding af te spreken die wel aansluit bij de daadwerkelijke rol van bemiddelaars, kan de AFM de bevoegdheid worden gegeven om de ontheffing van het provisieverbod te verlenen. Heeft de minister het voornemen om dit zo te regelen? Voorzitter. Dan de evaluatie en de monitoring. Na de inwerkingtreding moeten we zorgvuldig volgen of deze wet daadwerkelijk doet waarvoor deze bedoeld is: het beter beschermen van consumenten, het tegengaan van overcreditering en problematische schulden, en het creëren van een gelijk speelveld tussen kredietvormen. Daarbij moeten we niet alleen kijken naar betalingsachterstanden, schuldstapeling en het gebruik van "koop nu, betaal later". We moeten ook kijken naar de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van verantwoord consumentenkrediet, de administratieve lasten, de werking van de kredietwaardigheids- en verificatieprocessen, en de gevolgen voor het dagelijks betalingsverkeer. Ik hoor daarom graag van de minister op welk concreet moment de gevolgen voor de prijzen, de beschikbaarheid en de concurrentiepositie worden geëvalueerd, naast de gerealiseerde winst voor de consumentenbescherming. Ook mogelijke ontwijkconstructies en verschuivingen naar andere kredietvormen moeten daarbij worden gevolgd. Als blijkt dat nationale keuzes onevenredige lasten of hogere consumentenkosten veroorzaken zonder aantoonbare verbetering van de consumentenbescherming, verwacht de VVD dat het kabinet bereid is deze keuzes opnieuw te bezien. Voorzitter. Nog twee onderwerpen: de productinterventiebevoegdheid en de kredietregistratie. De VVD begrijpt dat de AFM in uitzonderlijke gevallen moet kunnen ingrijpen als kredietproducten ernstige risico's voor consumenten opleveren, maar een productinterventiebevoegdheid is een zwaar instrument. Waarom vindt er voor de inwerkingtreding van deze bevoegdheid geen invoeringstoets plaats, in overeenstemming met het advies van het ATR? Of kan de productinterventiebevoegdheid als een expliciet onderdeel worden meegenomen in een eerste evaluatie, bijvoorbeeld na drie jaar? De VVD steunt een volledig en toekomstbestendig stelsel van kredietregistratie. Het is daarom ongelukkig dat de registratieverplichting onder de CCD2 al op 20 november ingaat, terwijl het wetsvoorstel voor het stelsel van kredietregistratie naar verwachting pas begin 2027 wordt ingediend. Kan de minister aangeven hoe de registratie, de registratiegrenzen en de bewaartermijn in deze tussenperiode juridisch en praktisch worden geborgd? Welke gevolgen heeft dit tijdelijke stelsel voor het zicht op de stapeling van kleine kredieten? Daarbij moet ook worden bezien of registratie van zeer klein krediet noodzakelijk en proportioneel is. Zou bij kleine bedragen bijvoorbeeld een negatieve registratie bij betalingsachterstanden kunnen volstaan, zoals het BKR heeft verzocht? Tegelijkertijd zijn er partijen die juist verzoeken om bij positieve registraties van álle kredieten geen ondergrens te hanteren en voor negatieve registraties een ondergrens van €250 te behouden. Ik hoor graag hoe de minister deze verschillende belangen weegt om tot een proportioneel en effectief registratiestelsel te komen. Voorzitter. Ik had nog een punt over de gemeentelijke kredietbanken, maar ik denk dat collega Inge van Dijk daar nog op ingaat. Dat punt sla ik dus over. Afrondend. De VVD steunt het doel van deze implementatiewet: betere bescherming van consumenten, het tegengaan van problematische schulden en duidelijke regels voor nieuwe kredietvormen. Effectieve consumentenbescherming vraagt echter ook om proportionaliteit, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid, geen zwaardere verplichtingen dan het risico rechtvaardigt, geen onnodige regeldruk en voldoende voorbereidingstijd voor partijen die de nieuwe regels moeten uitvoeren. Ik kijk uit naar de reactie van de minister en de staatssecretaris. Dank u wel.
Versie d900d7d59cc915c8b13ca740f9df5c299aaaa9936ddb87a453f55bb07e451175 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.