Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
statement · 28 sep 2026 · Tweede Kamer
De heer Hoogeveen (JA21): Dank u, voorzitter. Laat ik vooropstellen dat JA21 de wens deelt om problematische schulden bij jongeren via "koop nu, betaal later" aan te pakken. De reikwijdte van deze wet gaat echter verder. Dit raakt meer bedrijven. De snelheid waarmee we dit als Kamer behandelen, baart ons zorgen. Voorzitter. We hebben de minister in de schriftelijke ronde voor de zomer al gevraagd naar de korte implementatietermijn. Die is al door een aantal collega's aangekaart. De richtlijn had uiterlijk 20 november 2025 in nationale wetgeving omgezet moeten zijn, waarna oorspronkelijk een jaar resteerde voordat de nieuwe regels vanaf 20 november 2026 daadwerkelijk zouden moeten worden toegepast. Vandaag behandelen we het wetsvoorstel, minder dan twee maanden voor die datum. Als de wet pas eind oktober in het Staatsblad verschijnt, resteert voor de definitieve Nederlandse regels ongeveer vier weken in plaats van twaalf maanden. Het kabinet erkent zelf dat de marktpartijen weliswaar al langer bekend zijn met de richtlijn, maar dat ze weinig voorbereidingstijd hebben voor de nationale keuzes en de daarmee samenhangende verplichtingen. Voorzitter. Meerdere marktpartijen die hiermee te maken krijgen, waarschuwen ervoor dat dit onvoldoende tijd is om deze wetgeving zorgvuldig te implementeren. Ik begrijp dat de minister de datum van 20 november niet zomaar kan verschuiven, maar ik vraag hem wel om in te zetten op een zachte landing in de handhaving. Is de minister bereid om hierover met de AFM in overleg te treden en om te bevorderen dat er bijvoorbeeld gedurende de eerste zes maanden sprake is van een proportionele en risicogebaseerde handhavingsaanpak? Daarbij moet uiteraard wel direct prioriteit liggen bij wezenlijke consumentenbescherming, zoals de leeftijdsverificatie om minderjarigen te beschermen, maar kan tegelijkertijd rekening worden gehouden met bonafide ondernemers die aantoonbaar bezig zijn om hun complexe IT-systemen en processen aan definitieve regelgeving aan te passen. Als het kabinet voor kaarten met uitgestelde debitering wel aanleiding ziet voor een overgangstermijn van zes maanden, waarom zou enige vorm van overgang naar of coulance voor andere ondernemingen met grote implementatieproblemen dan bij voorbaat onmogelijk zijn? Voorzitter. Wij vragen ons af of de zeer brede implementatie voldoende onderscheid maakt tussen verschillende vormen van kredietverlening. Doorlopende constructieve kredieten, achterafbetalingen bij een webshop en een kortlopende praktische betalingstermijn dragen niet hetzelfde risico. Kan de minister daarom uiteenzetten in hoeverre de voorgestelde reikwijdte ook situaties kan raken waarin geen sprake is van een klassiek kredietproduct, maar van een praktische betaaltermijn? Denk bijvoorbeeld aan parkeerapps, mobiliteitsdiensten of facturen voor zorg. Onder welke omstandigheden vallen dergelijke betaalconstructies straks wel en niet onder het kredietregime? Vindt de minister dat voor ondernemingen voldoende duidelijk en voorspelbaar is wanneer zij vergunningsplichtig worden? De richtlijn kent namelijk zelf uitzonderingen voor bepaalde vormen van kosteloos uitstel van betalingen. Voor onder meer mkb-ondernemingen geldt onder voorwaarden een termijn van 50 dagen, terwijl voor bepaalde grote webwinkels een 14 dagenregime geldt. Collega Van Dijk kaartte al aan dat hetzelfde geldt voor de creditcards zoals wij die in Nederland kennen, de zogeheten deferred debit cards, waarbij de consument het saldo aan het einde van iedere maand volledig terugbetaalt. Waarom worden producten met aantoonbaar verschillende kenmerken en risicoprofielen op onderdelen toch gelijk behandeld, vraag ik de minister. De richtlijn geeft lidstaten namelijk expliciet de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen. Duitsland, Frankrijk en België maken van die mogelijkheid gebruik, Nederland niet. Is de minister bereid om nogmaals te bezien of Nederland gebruik kan maken van de uitzonderingsbepaling in artikel 2, lid 5 van de richtlijn? Als hij dat niet wil, waarom wegen de argumenten voor regulering in Nederland dan zwaarder dan in de omringende landen? Voorzitter. Dat brengt mij bij een fundamenteler punt: de afbakening van wat onder krediet valt. In de schriftelijke behandeling is veel discussie geweest over gewone vormen van uitstel van betaling en over de rol van derden, bijvoorbeeld bij factoring. Het kabinet stelt dat Nederland en Duitsland voor de uitzondering voor kortdurend uitstel van betaling in beginsel hetzelfde regime hanteren, omdat de uitzondering rechtstreeks uit de richtlijn volgt. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat de richtlijn 23 lidstaatopties en verschillende open normen bevat, waardoor in de praktijk toch verschillen tussen landen kunnen ontstaan. Daarom vraag ik de minister of hij risico's ziet dat ondernemingen die economisch vrijwel dezelfde dienst aanbieden, door verschillen in nationale implementatie of interpretatie toch onder verschillende regimes komen te vallen. Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse bedrijven, bijvoorbeeld bij grensgevallen, met een zwaarder regime worden geconfronteerd dan vergelijkbare bedrijven in onze buurlanden? Kan de minister daarnaast toezeggen dat hij bij relevante onduidelijkheden actief afstemming zoekt met de Europese Commissie en andere lidstaten, zodat bedrijven vooraf zo veel mogelijk rechtszekerheid hebben? Voorzitter. Dan de kredietwaardigheidsbeoordeling. Wij waarderen het dat de minister voor kredieten tot €100 een lichtere toets toestaat. Het is wat ons betreft niet proportioneel als consumenten voor kleine alledaagse aankopen onnodig een diepgaand inzicht in hun persoonlijke financiën moeten geven. Maar die grens van €100 ligt vrijwel precies op de gemiddelde waarde van een BNPL-transactie. Die bedroeg in 2024 zo'n €96,60. Daarmee kan een gewone aankoop van bijvoorbeeld €120 of €130 al buiten het expliciet lichtere regime vallen. Daarom vraag ik de minister waarom er precies voor €100 is gekozen. Is hij bereid om te bezien of het drempelbedrag uit artikel 113 van de Wgfo kan worden verhoogd, bijvoorbeeld naar €150, zonder dat daarmee de bescherming tegen daadwerkelijke overkreditering onevenredig wordt aangetast? Voorzitter. Boven die grens is ook niet alles koek en ei. De minister geeft aan dat de informatie die in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt opgevraagd, moet worden geverifieerd. In Duitsland en Zweden gebeurt verificatie volgens het kabinet eveneens verplicht, maar er wordt gesproken over "verificatie op passende wijze". In het Belgische wetsvoorstel lijkt volgens het kabinet meer ruimte te bestaan voor een zelfverklaring van de consument. Tegelijkertijd geldt voor de richtlijn voor alle lidstaten dat de kredietwaardigheidsbeoordeling proportioneel moet zijn. De vraag is daarom hoe zwaar die verificatie in Nederland bij relatief kleine bedragen in de praktijk wordt. Neem een consument die voor €120 of €150 een paar schoenen of kleding achteraf betaalt, omdat hij of zij die eerst wil passen en daarna retourneren. Kan de minister uitsluiten dat bij zulke alledaagse bedragen automatisch loonstroken, volledige bankafschriften of integrale transactiedata moeten worden aangeleverd? Kan hij concreet aangeven wanneer een eenvoudige plausibiliteitscontrole voldoende is en wanneer aanvullende verificatie noodzakelijk wordt? Kredietaanbieders moeten bij een kredietwaardigheidsbeoordeling financiële gegevens kunnen verwerken. Dat gaat niet zonder privacyrisico's. Bankafschriften en transactiedata kunnen buitengewoon gevoelige informatie bevatten, bijvoorbeeld aan welke organisatie iemand doneert, waar iemand zijn boodschappen doet of welke medische of andere persoonlijke uitgaven iemand heeft. Wij worstelen daarom ook wel een beetje met die proportionaliteit. Staat de verwerking van zulke gegevens bij relatief lage kredietbedragen nog wel in verhouding tot het risico? Hoe weegt de minister dit tegenover het beginsel van dataminimalisatie uit de AVG? Kan hij bevestigen dat er niet meer financiële informatie mag worden verwerkt dan voor de specifieke kredietwaardigheid noodzakelijk is? Bij welke partijen kunnen deze gegevens terechtkomen en hoelang mogen zij eigenlijk worden bewaard nadat de toets is uitgevoerd? Het kabinet zegt zelf dat door de proportionaliteitsnorm naar verwachting niet meer informatie wordt opgevraagd dan nodig is, terwijl uit de richtlijn geen specifieke aanvullende beveiligingswaarborgen voor die gegevens volgen. Daarom vraag ik de minister om bij de uitwerking van artikel 13 van het BGfo maximaal ruimte te bieden aan een risicogebaseerde aanpak: een eenvoudige controle waar dat kan en aanvullende verificatie waar dat nodig is. Kan de minister toezeggen dat bij verdere uitwerking van de kredietwaardigheidsbeoordeling dit uitgangspunt leidend zal zijn? Voorzitter. Tot slot wil ik graag stilstaan bij de kosten. Uitgesteld betalen is voor verkopers geen gratis betalingsoptie. Aan het aanbieden ervan zijn ook kosten verbonden, die uiteindelijk ergens moeten worden gedragen. Valt het te overwegen en acht de minister het redelijk dat verkopers voor specifieke kredietproducten gerichte en transparante kosten in rekening kunnen brengen bij degene die van die dienst gebruikgemaakt, in plaats van dat die kosten ergens verdwijnen in een algemene prijs? Dat maakt de werkelijke kosten niet alleen transparanter, maar het kan bovendien een bijkomend voordeel hebben: de consument wordt aangespoord om nog eens extra na te denken voordat hij of zij voor krediet kiest. Wat is de reactie van de minister? Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel.
Versie d900d7d59cc915c8b13ca740f9df5c299aaaa9936ddb87a453f55bb07e451175 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.