statement · 5 jun 2025 · Tweede Kamer
Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om een tegenbewijsregeling te introduceren bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Wet tegenbewijsregeling box 3) (36706)
Brontekst
Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Voorzitter, dank u wel. Vandaag spreken we over de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daar ben ik blij om, want zoals demissionair premier Schoof gisteren ook zei: sommige onderwerpen kunnen niet wachten. En dit is er zo een. Box 3 is een onderwerp in mijn portefeuille waar ik vanaf dag twee van mijn aantreden hard mee bezig ben geweest. Dag één was 15 november; toen heb ik andere dingen gedaan. Ik wil mij de komende tijd maximaal blijven inzetten voor de onderwerpen die niet kunnen wachten; en dat zijn er een aantal bij de Belastingdienst. Naast box 3 geldt dit ook voor de handhaving zzp maar ook het nieuwe Douanewetboek. Én niet geheel onbelangrijk: de rust bewaren bij de Belastingdienst. Want de druk op wijzigingen voor de Belastingdienst is al jaren hoog. En voor elke wijziging in de toekomst moeten zij ook klaar zijn voor de toekomst. Voordat ik verderga met mijn inleiding, eerst een reactie op de heer Grinwis. Als je me uitdaagt met een quote van Augustinus, dan kunnen wij natuurlijk niet achterblijven. Iemand van de Belastingdienst kwam met de volgende suggestie, die ik graag met u wil delen: "Een vriend is iemand die alles van je weet, en toch van je houdt." Zo is het ook met de Belastingdienst. Terug naar het onderwerp van vandaag: box 3. Het is mijn ambitie om box 3 in rustiger vaarwater te brengen. Dit wetsvoorstel is daarvoor de eerste stap. Maar, en het is goed om dat ook even met elkaar door te nemen: hoe zijn we hier gekomen? De Hoge Raad heeft in 2015 het eerste signaal afgegeven dat het forfaitaire box 3-stelsel niet meer kon. Vanaf dat moment hebben we alles op alles moeten zetten om werkelijk rendement in box 3 in te voeren. Maar achteraf is makkelijk praten. Trouwens: achteraf is ook mooi wonen. De regering en het parlement hebben steeds veel waarde gehecht aan eenvoud, doenvermogen en uitvoerbaarheid. Daarom is ingezet op het verbeteren en verfijnen van de forfaitaire systematiek. De verwachting was dat betere forfaits juridisch houdbaar zouden zijn, maar niks is minder waar. Vanaf 2017 is de hoogte van het forfait afhankelijk gemaakt van de omvang van het box 3-vermogen. Het rendement op grote vermogens is gemiddeld hoger dan het rendement op kleinere vermogens. Hierdoor zou het forfait beter aansluiten op de werkelijkheid. Maar daarover heeft de Hoge Raad in 2021 gezegd dat het forfait toch weer te veel afweek van de werkelijkheid en dat dit een schending van het eigendomsrecht was. Toen is nogmaals ingezet op een verbetering van het forfait en de systematiek die erachter zit. Per 2023 is het forfaitaire rendement afhankelijk gemaakt van het daadwerkelijk aangehouden vermogen in verschillende categorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor elke categorie geldt een eigen forfaitairrendementspercentage. Het doel was opnieuw om het werkelijke rendement beter te benaderen. Afgelopen juni, volgens mij nu met één dag verschil op de dag af een jaar geleden, heeft de Hoge Raad hierover geoordeeld dat dit stelsel nog steeds tot een schending van het eigendomsrecht leidt. De les die we daaruit kunnen trekken, is dat eenvoud, doenvermogen en uitvoerbaarheid nooit ten koste mogen gaan van juridisch houdbare wetgeving. Door de uitspraak van de Hoge Raad van juni vorig jaar moeten belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement, de gelegenheid krijgen om aannemelijk te maken wat zij dan aan rendement hadden. "Moeten". Ik onderstreep dat. Ik heb geen keus. Ik móét herstel bieden. Over spaargeld heeft de Hoge Raad gezegd dat de forfaits meestal goed aansluiten op de werkelijkheid. Het gaat hier dus vooral over beleggers. De arresten van de Hoge Raad zijn geldend recht. Belastingplichtigen kunnen zich op deze arresten beroepen. Het is onze rechtsstatelijke plicht om uitvoering te geven aan de arresten. Daar sta ik voor. De Hoge Raad heeft mij dit bevolen. Met het wetsvoorstel wordt de wetgeving in lijn gebracht met de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft regels gegeven voor het bepalen van het werkelijk rendement. De regels zijn voor een groot deel duidelijk. Ze staan weliswaar in dit wetsvoorstel, maar ik ben gebonden aan wat de Hoge Raad daarover schrijft. De Hoge Raad heeft op een aantal punten ook juist niet expliciet geoordeeld. In die gevallen moet ik met deze wet duidelijkheid bieden aan belastingplichtigen over hoe ze met deze zaken moeten omgaan. Het kabinet ziet dit wetsvoorstel als een noodzakelijke stap, niet alleen voor burgers, maar ook voor de Belastingdienst. Want als burgers het niet precies weten, hoe ga je dat dan uitvoeren en handhaven als Belastingdienst? Als duurzame oplossing ziet het kabinet een andere route. Die heb ik ook al met uw Kamer gedeeld. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement is recent ingediend. Graag ga ik daarover ook zo snel mogelijk met u in gesprek. Voor de definities van werkelijk rendement voor de tegenbewijsregeling sluiten we dus aan bij de Hoge Raad. Vanaf 2028 wil ik de ellende rondom de forfaits tot het verleden laten behoren. Dan wil ik dus ook een aantal zaken toevoegen, zoals kostenaftrek en verliesverrekening. Want ik zie de problemen met vastgoedbeleggers die last hebben van illiquide vermogen. In de tussentijd aanpassingen doen aan de tegenbewijsregeling brengt de tijdige invoering van het nieuwe stelsel in gevaar. Als dat gebeurt, is dat bijkans nog slechter voor de mensen met illiquide beleggingen. Het zorgt er ook voor dat burgers nog langer moeten wachten op een goed stelsel. De tegenbewijsregeling zal flink wat vragen van de belastingplichtigen en de Belastingdienst. De Belastingdienst zal er alles aan doen om het herstel in goede banen te leiden. Ze heeft mij in ieder geval overtuigd van het feit dat ik volmondig kan staan achter wat ik hierover geschreven heb. De Belastingdienst is hard aan het werk om de tegenbewijsregeling in de systemen in te bouwen, zodat mensen snel rechtsherstel kunnen krijgen. Daar kunnen wij conform de planning deze zomer, in juli, mee beginnen. Hiervoor is een formulier ontwikkeld om belastingplichtigen te helpen bij het opgeven van hun werkelijk rendement. Belastingplichtigen kunnen per jaar kiezen om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Ook zal het rechtsherstel gefaseerd plaatsvinden. Belastingplichtigen krijgen een attentiebrief wanneer zij het formulier kunnen invullen. De benodigde gegevens moeten ze zelf verzamelen. Hier kunnen ze nu al mee beginnen. De Belastingdienst heeft hiervoor verschillende checklists opgesteld en deelt deze met mensen die ze willen krijgen; ze zijn te vinden op internet. Daarnaast is het goed om af te wegen of het werkelijk rendement per jaar lager lag dan het rendement waarvoor men is aangeslagen, want als je zeker weet dat je een hoger rendement had, dan hoef je natuurlijk helemaal geen tegenbewijsregeling toe te passen. Ik wil heel graag de vragen beantwoorden. Dit was mijn inleiding. Zo willen wij de herstelactie vormgeven. Ik begin met de vraag van de heer Stultiens: "We moeten als overheid miljarden gaan compenseren, waarvan het grootste deel gaat naar mensen die dit geld totaal niet nodig hebben. Wat hadden we beter kunnen doen om dit te voorkomen?" Dat probeerde ik net toe te lichten in de inleiding. De Hoge Raad heeft in 2015 het eerste signaal afgegeven dat het forfaitaire box 3-stelsel niet meer kon. Vanaf dat moment — dat is tien jaar geleden — hadden we alles op alles moeten zetten om over te stappen op werkelijk rendement. Maar nogmaals, achteraf is het mooi wonen. De regering en het parlement hebben steeds veel waarde gehecht aan eenvoud, doenvermogen en uitvoerbaarheid. Dat horen we ook steeds doorklinken, maar ook juridische houdbaarheid is bij wetsvoorstellen heel belangrijk. Vanaf 2017 is de hoogte van het forfait afhankelijk gemaakt van de omvang van het box 3-vermogen. Dat klonk goed, maar was niet goed, want het was nog steeds een benadering waarbij mensen uiteindelijk konden interen op hun vermogen als gevolg van belastingheffing. Precies dat punt is ook benoemd in de uitspraak. De vraag draait natuurlijk om de bewering dat het grootste gedeelte gaat naar mensen die dit totaal niet nodig hebben. Dat ben ik met u eens. Tegelijkertijd zijn dat ook mensen die misschien alsnog in de problemen komen vanwege het feit dat we nog steeds geen oplossing hebben voor de illiquide problemen, de illiquide beleggingen die niet te gelde te maken zijn. Rechtsherstel maakt uiteindelijk geen onderscheid op grond van de vraag of iemand rijk of arm is. De les die we kunnen trekken, is dat eenvoud, doenvermogen en uitvoerbaarheid nooit ten koste mogen gaan van juridische houdbaarheid. Wetgeving moet goed zijn. Daarom staan we hier, overigens. Nog een vraag: wat gebeurt er als het wetsvoorstel voor de tegenbewijsregeling niet wordt aangenomen? Ik zal u laten zien hoe ik mijn voorbereiding krijg. Netjes. Ik heb er één ding bij geschreven en daar begin ik mee: doe dit de Belastingdienst niet aan. Belastingplichtigen kunnen zich nu al beroepen op de arresten van de Hoge Raad. De Belastingdienst moet mensen dus hoe dan ook de mogelijkheid geven om hun werkelijk rendement op te geven aan de Belastingdienst. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat de wetgeving in lijn wordt gebracht met de Hoge Raad, maar op een aantal punten zitten we echt in de problemen, op het punt van hele kleine futiele dingen, waarbij je zou kunnen beoordelen of het het een of het ander is. Ik noem er een paar. Het genietingstijdstip. Wanneer is het genietingstijdstip? Als er rente wordt betaald over 2022, dan ontvang je dat, weet ik veel, 5 januari 2023 op je rekening. Reken je dat nou tot het rendement van 2022 of reken je dat tot het rendement van 2023? Dat is een heel fundamentele vraag waarover in de wet op dit punt geen uitsluitsel geboden wordt. Daarom kiezen wij in deze wet voor datgene wat we altijd doen bij de inkomstenbelasting, namelijk het kasstelsel, dus het moment van genieten. Daardoor voorkomen wij waarschijnlijk een hele hoop gedoe in de uitvoering en zaken voor mensen die het toch graag net anders zien dan de Belastingdienst. Een tweede voorbeeld. De keuze voor het buiten toepassing blijven van de schuldendrempel hebben we puur gemaakt om het makkelijker te maken. Doordat we de schuldendrempel buiten toepassing verklaren mogen alle schulden en dus ook alle rentes op schulden meegenomen worden. Als je de drempel handhaaft zoals die nu in de wet staat — volgens mij is dat €3.800 — krijg je straks de situatie dat mensen moeten gaan aantonen welk deel van hun schulden onder die schuldendrempel valt en welk deel niet en ook welke rente dan afgetrokken wordt en welke rente niet. Verschrikkelijk! Om die reden hebben wij ervoor gekozen om die €3.800 op nul te zetten, zodat je geen discussie krijgt. Het is een klein voordeel voor de belastingplichtige, maar je krijgt geen discussie over wat wel of niet aftrekbaar is.
Versie 9aa0b7a9418e086b5ca78b1cbb119f0d1093433718aa45a690fcdea177cb56a0 · Officiële bron.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.