Mentale gezondheid scholieren en studenten
Mentale gezondheid scholieren en studenten
statement · 14 mei 2025 · Tweede Kamer
Minister Bruins: Dank u wel, voorzitter. We zijn hier vandaag bij elkaar om te praten over de mentale gezondheid van scholieren en studenten. Dat is een thema, zo zeg ik maar eerlijk, waarbij ik best weleens met mijn handen in het haar zit, destijds als Kamerlid maar ook wel als minister. Mentale gezondheid is namelijk een maatschappelijk vraagstuk. Ik kan dit als minister niet alleen oplossen. We moeten het samen doen, de overheid, ouders, opvoeders, docenten, verenigingen en jongeren zelf onderling. Ondanks dat we soms anders denken en weleens sombere geluiden horen, wil ik vooropstellen dat het goed gaat met onze jongeren. We kregen zelfs vandaag nog allemaal in onze timeline een bericht van UNICEF dat onze jongeren nog steeds de gelukkigste op aarde zijn, nummer een. Dat was overigens een recent onderzoek, maar dat waren geen recente getallen. We klimmen na corona weer uit het dal, maar we zijn er nog niet. Het zijn nog geen precoronacijfers. Ondanks dat we kunnen zeggen dat het goed gaat met onze jongeren, heeft een deel van onze jongeren last van mentale problemen. Een op de drie jongeren kampt met stress, waarbij ze het gevoel hebben aan heel veel verwachtingen te moeten voldoen. Ik denk weleens, om misschien even te verzuchten met de wijze woorden van de heer Uppelschoten: wat doen we de jongeren allemaal aan? Ik denk dat het belangrijk is dat we jongeren vertellen en leren dat enige mate van onzekerheid en stress hoort bij de ontwikkeling naar volwassenheid. Iedereen die een puber is geweest, kent dat gevoel. Zoals we hier zitten, kent iedereen dat. Toch zou het voor jongeren goed zijn als er minder nadruk komt te liggen op dat onbestemde gevoel van maximale zelfontplooiing — we weten allemaal niet heel goed wat dat is — en als we wegkomen van het idee dat hoger beter is. Dat zei de heer Kisteman zo mooi. Van betekenis zijn voor de samenleving en voor de ander is belangrijk. Dat draagt bij aan de mentale gezondheid, de weerbaarheid en het geestelijk welzijn van studenten en jongeren in het algemeen. Deze kijk op onderwijs — hoe vormen we jongeren zo dat ze een betekenisvolle rol in de samenleving kunnen krijgen voor anderen? — is voor mij het leidend principe waarmee ik dit ambt draag. Dat is hoe ik naar onderwijs kijk. Ik zie de enorme behoefte aan zingeving bij jongeren, de behoefte om bij te kunnen dragen aan de samenleving en in verbinding te staan met andere jongeren en hun omgeving. Als ik naar de huidige generatie kijk, heb ik juist hele goede hoop voor de samenleving. Gemeenschapszin en zingeving zijn bij hen bekend. Die mogen dan ook niet ontbreken in het verhaal over welzijn. Ik zei al: we komen uit de coronapandemie. Daarin stond de gezondheid van jongeren flink onder druk. We zien nu weer een positieve trend. Komend najaar krijgen we weer nieuwe cijfers over mbo-, hbo- en wo-studenten en kunnen we zien of de trend na corona ook de goede kant op doorzet. Mede dankzij alle goede initiatieven die de afgelopen jaren door onderwijsinstellingen zijn opgetuigd, gaat het weer beter. Dank aan alle docenten en andere mensen in het onderwijs die hier zo veel tijd in hebben gestoken. Natuurlijk komt het ook door de jongeren zelf. Zij agenderen het onderwerp. Het is steeds minder een taboe. Ik heb daar bewondering voor. Dat kan ik alleen maar toejuichen. In mijn eerste maanden als minister was ik bij de introductieweek in Zwolle; ik heb het in een ander debat eerder verteld. Daar was ook een groep studentenondersteuners, een aantal psychologen. Het mooie was: ze zaten daar niet als team om te wachten totdat mensen met problemen bij hen kwamen, maar ze zaten daar om de eerstejaars te vertellen dat het belangrijk is om goed op elkaar te letten en dat hun medestudent eigenlijk hun allereerste luisterend oor is, hun evenknie. Die onderlinge verbinding tussen studenten is cruciaal. Je hebt geen psycholoog als eerste aanspreekpunt, maar je medestudent. Voorzitter. Er zijn veel programma's opgetuigd. Na corona hebben we ook middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs gekregen voor het funderend en het vervolgonderwijs. We hebben de Werkagenda mbo. We hebben het Kader Studentenwelzijn voor het hbo en het wo. Vanuit de Gezonde School-aanpak hebben we het programma Stijn over studentenwelzijn, waarin wordt gewerkt aan het structureel verankeren van het welzijn van studenten. Komende september gaat een aantal onderwijsinstellingen aan de slag met proeftuinen om te kijken wat er in de praktijk wel en niet werkt en wat andere onderwijsinstellingen daarvan kunnen leren. Scholen in het vervolgonderwijs kunnen elkaar blijven inspireren tijdens maandelijkse bijeenkomsten vanuit het Netwerk Studentenwelzijn en de jaarlijkse Stijnconferentie. Er gebeurt dus een heleboel. Er gebeurt heel veel moois. Enkelen van uw leden vroegen of het dan ook evidencebased, evidence-informed is. Er is heel weinig evidence-informed op het gebied van welzijn. Het is zeker niet zo dat hoe meer geld er is voor onderwijs, hoe beter het welzijn van studenten is of hoe minder geld er is voor onderwijs, hoe minder het welzijn van studenten is. Wat wel en niet in de praktijk werkt, zijn we eigenlijk nu pas met z'n allen aan het ontdekken. Daar gaan we juist binnen Stijn en de Gezonde School-aanpak mee verder. Ik kom bij het slot van mijn inleiding. Daarna kom ik op mijn blokjes. Ik zie dat mbo-scholen, hogescholen en universiteiten hun aandacht verbreden van hulp bij problematiek naar het voorkomen van mentale problemen. Enkelen van u noemden het belang van preventie. Ze zetten ook in op wat ze een "sense of belonging" noemen. Ik noem dat gemeenschapszin, het gevoel dat je erbij hoort. Dat is belangrijk om studenten zich thuis te laten voelen op opleidingen en om eenzaamheid te voorkomen. Dat is ook iets waar de heer Ceder aandacht voor vroeg. Er is nauwelijks iets belangrijkers dan het mentale welzijn van onze jongeren. Maar de vraag blijft die waarmee ik begon: wat kan ik als minister, wat kunnen we als overheid daaraan doen? We moeten dat met z'n allen doen. Daarover ga ik graag met u in gesprek. Ik kreeg veel vragen uw leden. Ik wil dat in drie blokjes indelen. Ik begin met sport, want dat is toch waar u allemaal op zit te wachten, dan mentale gezondheid in het onderwijs en dan overige vragen. Dat is mijn voorstel. Het eerste blokje gaat over de sportvoorziening. We hebben daar veel over gehoord in de bijdragen. Laat ik beginnen met het rechtzetten van het beeld dat ik beleid gewijzigd heb. Dat heb ik niet. Het is niet zo dat ik beleid gewijzigd heb waardoor het aanbieden van sportvoorzieningen nu ineens niet meer zou mogen. Wat ik heb gedaan, is 21 jaar oud beleid verduidelijken, zodat er nu een duidelijk proces geldt. Ik neem u even mee in het verleden. Onder het kabinet-Kok II — Loek Hermans was OCW-minister van 1998 tot 2002 — kwam de hbo-fraude aan het licht en bleek dat er belastinggeld werd gebruikt voor private activiteiten. Terecht sprong de Kamer daar bovenop. Daarom heeft de opvolger van Loek Hermans, Maria van der Hoeven, in 2003 een helderheidsnotitie geschreven over wat nou wel en wat nou niet van belastinggeld mag. Dat is inderdaad indachtig de Mededingingswet en de Wet markt en overheid. Universiteiten vallen niet onder de Wet markt en overheid, maar we behandelen ze wel volgens dezelfde filosofie, omdat je belastinggeld niet mag besteden aan marktverstorende activiteiten. Er was dus een helderheidsnotitie in 2003. Toen kwam er in 2011 een handreiking publiek-private arrangementen van Marja van Bijsterveldt, ook om het weer te verhelderen. Toen kwam in 2021 de beleidsregel van Ingrid van Engelshoven, waarin werd geprobeerd om het nog helderder te krijgen, omdat het voor de onderwijsinstellingen nog steeds onhelder was wat er wel en niet mocht. In de regels van 2003 stonden twee voorbeelden van dingen waar onderwijs- en onderzoeksgeld niet aan besteed mocht worden. Het ene was studentenhuisvesting en het andere was sportvoorzieningen. In die zin was de regel helder. De vraag is alleen: hoe toon je nou aan of er onderwijs- of onderzoeksgeld naar die private activiteiten toe gaat? Daarvan zeiden de onderwijsinstellingen: dat is ons onvoldoende helder; help ons daarmee. In 2021 is dat verhelderd. In 2022 is daar een brief over gekomen, zodat de accountantscontrole nog duidelijker kon. In 2023 werd het nog duidelijker en nog verder verhelderd. Toen zeiden de onderwijsinstellingen voor het eerst: "Als u het zo stelt, moeten wij inderdaad zeggen: wij geven onderwijs- en onderzoeksgeld aan sportfaciliteiten. Maar wij vinden dat dat moet kunnen." En laten we wel wezen: het is eigenlijk al die jaren, ruim twee decennia, een grijs gebied geweest. Als je een grijs gebied laat bestaan, sta je het eigenlijk impliciet toe. Daarom heeft mijn voorganger, Robbert Dijkgraaf, een advies aan de landsadvocaat gevraagd. Hij vroeg: kan ik dit nog verder versimpelen, verduidelijken en misschien zelfs verruimen? Daarover is de brief van de landsadvocaat gekomen. Het is verder versimpeld. De manieren waarop je kunt aantonen dat onderwijs- en onderzoeksgeld niet naar private activiteiten gaat, zijn ook nog verruimd. Je kunt ook zeggen: kijk eens, wij hanteren een marktconform tarief. Maar nu zijn we eindelijk op het punt, na 21 jaar, dat zo helder is geworden of er nou wel of niet onderwijs- en onderzoeksgeld naar sport gaat, dat onderwijsinstellingen zeggen: dat gaat het dus wel. Ik ben met uw leden bezorgd over het feit dat dat zou betekenen dat sport zou gaan omvallen bij kennisinstellingen. Wij vinden met z'n allen al blijkbaar 21 jaar dat sport zo ontzettend hoort bij het onderwijs en dat studenten tegen een betaalbaar tarief moeten kunnen sporten. We weten uit wetenschap bovendien dat mensen die bewegen en sporten, beter leren. Het is dus ook nog goed voor de onderwijsprestaties. Daarom zeggen we met z'n allen: laten we sport alsjeblieft betaalbaar houden. Dat ben ik met u eens. Ik ben dus heel blij dat de onderwijsinstellingen zeggen: "Het is nu helder. Als wij nu echt zouden doen wat we eigenlijk al moeten doen sinds 2004, zou dat betekenen dat de prijzen fors omhoog zouden gaan." Daar schrikken we met z'n allen van. Ik wil dus heel graag uw Kamer toezeggen dat ik op basis van de signalen die we hebben, ga inventariseren welke gevolgen dit echt zou hebben, want ik kan de berekeningen die nu in de pers heen en weer gaan, niet reconstrueren. Ik wil dus graag met onderwijsinstellingen in gesprek over welke gevolgen dit nou echt heeft. Ik ben eigenlijk met u eens dat het onwenselijk is dat sporten vreselijk duur zou worden voor studenten. Ik ga de gevolgen in kaart brengen en dan ga ik graag met uw Kamer in gesprek — en dat is een politiek debat — over de vraag of onderwijs- en onderzoeksgeld mag worden besteed aan sportfaciliteiten en of daar inderdaad een uitzondering voor gemaakt zou moeten worden, want de landsadvocaat heeft inderdaad duidelijk gemaakt dat je uitzonderingen kunt maken. Daar moet ik wel bij zeggen: daarmee creëer je wel weer een nieuw grijs gebied, want als sport mag, wat mag dan nog meer? Maar dat is een gesprek dat ik heel graag met uw Kamer aanga, want ik heb dezelfde zorgen als uw Kamer.
Versie e5e8b0b6030185e0f366321043ec6d9568da81a546243d22c730106ab31634a3 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Mentale gezondheid scholieren en studenten
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.