statement · 12 okt 2026 · Tweede Kamer
Pakket Belastingplan 2027
Brontekst
Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank, voorzitter. Ik ben aangekomen bij de woningbouw. Het is belangrijk dat de investeringscapaciteit voor de woningbouw wordt vergroot. De aangekondigde verruiming van de earningsstrippingmaatregel heeft uiteraard onze steun, omdat het heel erg belangrijk is dat die er gaat komen, maar komt uitsluitend ten goede van woningbouwcorporaties. Voor het realiseren van voldoende betaalbare huurwoningen zijn ook private investeerders noodzakelijk. Zij worden ook geraakt door hoge rente, bouwkosten en de renteaftrekbeperking, terwijl zij niet beschikken over de gunstige financieringsmogelijkheden die corporaties via WSW-borging hebben. Aangezien deze maatregel afgelopen vrijdag met een nota van wijziging aan het Belastingplan 2027 is toegevoegd en er geen schriftelijk overleg heeft plaatsgevonden, voel ik mij genoodzaakt hier wat langer bij stil te staan en er meer vragen over te stellen. Voor de aangekondigde uitzondering van woningcorporaties kiest het kabinet voor een dubbele afbakening: alleen voor woningcorporaties en alleen voor diensten van algemeen economisch belang. De corporaties bezitten ongeveer 2,3 miljoen woningen, waarvan 2,1 miljoen woningen binnen DAEB vallen. Op termijn komen er ongeveer 130.000 middeldure huurwoningen bij, die nu nog niet onder DAEB vallen, in het kader van de herziening van het Vrijstellingsbesluit van de Europese Commissie. Juridisch zijn de begrippen "DAEB" en "gereguleerde huur" volstrekt verschillend, maar in de praktijk zien beide op de verhuur van sociale en straks middeldure huurwoningen. Door te kiezen voor het begrip "DAEB" vernauwt het kabinet zijn blik tot de corporatiesector. De private sector bezit ongeveer 400.000 huurwoningen, circa 35% van het totale bezit. Onbekend is hoeveel hiervan in de sociale en middeldure categorie vallen, maar voor de gehele sector is dit respectievelijk 43% en 27%. Met de invoering van de Wet betaalbare huur zal dit percentage sinds 2024 zijn veranderd, maar het gaat om ongeveer 290.000 woningen, ongeveer 12% van het aantal woningen van woningcorporaties dat op termijn baat heeft bij de uitzondering van de generieke renteaftrekbeperking. Heeft het kabinet overwogen om ook private vastgoedvennootschappen die sociale en middeldure huurwoningen bouwen uit te zonderen van de generieke renteaftrekbeperking? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is hier dan uiteindelijk niet voor gekozen? Aan de keuze voor de uitzondering ligt volgens het kabinet de uitzonderingsmogelijkheid voor langlopende openbare infrastructuurprojecten in de Europese richtlijn ten grondslag. In het verleden is hier niet voor gekozen, omdat dan sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun. Maar gegeven de contextverandering van DAEB in Europa kiest het kabinet hier nu wel voor. Wel treedt de voorgestelde maatregel pas in werking nadat is vastgesteld dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Waarom is het kabinet van mening dat een duidelijke objectvrijstelling, zoals als langlopende openbare infrastructuurprojecten, kan worden beperkt tot woningcorporaties, waarmee het feitelijk een subjectvrijstelling wordt? Hoe zit het met het gelijkheidsbeginsel? Zou niet juist alle verhuur van sociale en straks middeldure huurwoningen onder de vrijstelling moeten vallen? Is het kabinet van mening dat de contextverandering van DAEB het risico van staatssteun vermindert, terwijl tegelijkertijd de verhuur van sociale en middeldure huurwoningen door private vastgoedvennootschappen niet als "DAEB" kwalificeert? Kiest het kabinet er hiermee niet juist voor om staatssteun uitsluitend aan woningbouwcorporaties te laten toekomen en creëert het hiermee niet juist een ongelijk speelveld? Klopt het dat de maatregel geen ruimte creëert voor woningcorporaties om de tot de invoering van de maatregel voortgewentelde rente op DAEB-activiteiten in te brengen op winst op die activiteiten ná invoering? Hoe kan dan het stuwmeer aan voortgewentelde rente ooit nog aftrekbaar worden? Voorzitter. Dan het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups. Hiermee wordt een nieuwe fiscale regeling voor aandelenopties voor werknemers van kwalificerende start-ups en scale-ups geïntroduceerd. De VVD is er trots op dat het nu eindelijk is gelukt om een aantrekkelijke fiscale regeling voor aandelenopties te introduceren. De motie-Van Eijk/Martens-America over een ruimhartige en investeringsvriendelijke fiscale regeling voor start-ups en scale-ups met oog voor liquiditeit van aandeelhouders, is goed uitgevoerd. Daar ben ik blij mee. Tegelijkertijd is de regeling complex en misschien te beperkt. Ik wil dat elke mogelijkheid wordt benut om de regeling eenvoudiger vorm te geven. Een te beperkte toepassing is een gemiste kans op een kans voor groei. In relatie tot dit wetsvoorstel heb ik opmerkingen en vragen over de definitie, het toetsingskader, staatssteun, de einderegeling, lucratief belang en inwerkingtreding. Ik sluit af met een suggestie voor een investeerdersregeling. Het kabinet kiest ervoor om de eigen definities van "start-up" en "scale-up" te hanteren. De Nederlandse definitie zoals in dit wetsvoorstel voorgesteld, zou beter aansluiten bij de praktijk, waarbij verschillende soorten start-ups en scale-ups, zoals op het gebied van software, deep tech en biotech, verschillende groeipaden hebben. Tot zover prima. Een grens aan omzet of medewerkers om te kunnen kwalificeren als start-up of scale-up kan ertoe leiden dat veelbelovende ondernemingen met innovatie- en groeipotentieel toch niet als start-up of scale-up zouden kunnen kwalificeren. Het laatstgenoemde risico is niet helemaal weg zolang wordt vastgehouden aan de mkb-definitie uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Graag een reactie van de staatssecretaris. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft een toetsingskader in ontwikkeling. Elk onderdeel wordt beoordeeld en meegenomen in een integraal oordeel op elk van de criteria. De VVD is van mening dat in het geval dat een onderneming een durfkapitaalinvestering heeft ontvangen, feitelijk door investeerders al is geoordeeld dat sprake is van schaalbaarheid. Kan deze toets als zelfstandig criterium in het toetsingskader worden opgenomen? Wij begrijpen dat het kabinet de invulling van de beoordeling van de criteria van het toetsingskader voor de plenaire behandeling aan de Kamer zal doen toekomen. Is de staatssecretaris bereid om hier representatieve positieve en negatieve voorbeelden aan toe te voegen? Voorzitter. Een paar opmerkingen en vragen over de regels over staatssteun. Het kabinet geeft aan dat de regeling mogelijk onder de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening kan worden gebracht. Voor de AGVV moet een onderneming voldoen aan de Europese mkb-definitie. Moet bij iedere afzonderlijke toekenning van aandelenopties opnieuw worden getoetst of een onderneming aan die voorwaarden voldoet? Wat betekent dit voor snelgroeiende scale-ups die gedurende de looptijd van de regeling op enig moment boven deze grenzen uitkomen? Ondernemingen in moeilijkheden vallen buiten de AGVV. Als gevolg hiervan kan een groep bedrijven geen gebruik maken van deze route. Juist start-ups kunnen in hun groeifase verlieslatend zijn zonder dat het toekomstperspectief slecht is. Hoe wordt voorkomen dat deze bedrijven buiten de boot vallen? De de-minimisverordening heeft ruimte voor maximaal €300.000 aan steun over een periode van drie jaar, maar hoe werkt dat concreet bij aandelenopties? Begrijp ik goed dat de berekeningsmethode wordt uitgewerkt in lagere regelgeving? Wanneer wordt deze gepubliceerd? Het is belangrijk dat ondernemers weten waar ze aan toe zijn. Het zou daarom enorm helpen als Europese goedkeuring van de gehele regeling wordt verkregen. Hoe gaat de staatssecretaris zich hier in Brussel actief voor inzetten? De VVD is tevreden met het feit dat de motie-Van Eijk over aansluiten bij wat internationaal gebruikelijk is bij uitdiensttreding van de werknemers, is uitgevoerd. De doelgroep bestaat voor een groot deel uit internationaal mobiele werknemers. We hebben gevraagd om cijfervoorbeelden bij emigratie. We kregen één voorbeeld terug: emigratie na uitoefening, verkoop na een waardedaling. Maar wat als het bedrijf na emigratie failliet gaat? Wat als iemand emigreert voor uitoefening, terwijl er dan nog geen euro vrijkomt? Hoe werkt het als iemand terugkeert naar Nederland? Is de staatssecretaris bereid om in de schriftelijke beantwoording enkele extra voorbeelden op te nemen en daarbij in te gaan op de situaties zoals hiervoor genoemd? Als de geldigheidsduur van de beschikking die door de RVO is afgegeven, verloopt, is niet langer sprake van een start-up of scale-up voor het doeleinde van de regeling. Voor zover werknemers of oud-werknemers van start-ups of scale-ups opties of daaruit verkregen aandelen houden waarover op dat moment nog geen heffing heeft plaatsgevonden, wordt teruggevallen op de bestaande regeling voor aandelenopties in de loonheffingen. De werknemer behoudt het fiscale voordeel voor de periode waarin er sprake was van een start-up of scale-up en dit voordeel wordt naar tijdsgelang toegekend. Dit lijkt me erg complex. De VVD is er dan ook voorstander van om dit aanvullende heffingsmoment niet in de wet op te nemen. Wordt dit nog heroverwogen of kan dit nog gedaan worden? En waarom wel of waarom niet? Aandelen of aandelenoptierechten in de start-up of scale-up die kwalificeren als lucratief belang, worden uitgesloten van de met het wetsvoorstel voorgestelde aandelenoptieregeling. Veel start-ups en scale-ups maken gebruik van durfkapitaal, waardoor kwalificatie als lucratief belang in de praktijk regelmatig aan de orde zal zijn. Door de dynamische toets in de lucratiefbelangregeling kan een latere instap van de durfkapitaalinvesteerder ertoe leiden dat de aandelen en daarmee de onderliggende werknemersopties pas na toekenning als lucratief belang worden aangemerkt. Zijn er mogelijkheden om voorkoming van misbruik gerichter vorm te geven? De VVD is voorstander van een regel waarbij toegekende werknemersopties de faciliteit niet verliezen door latere kapitaalstructuurwijzigingen waarop werknemers geen invloed hebben. Graag een reactie van de staatssecretaris. Het kabinet beoogt dat de voorgestelde tegemoetkomingen voor de loonbelasting in box 1 met betrekking tot aan werknemers van start-ups en scale-ups verstrekte aandelenoptierechten en daaruit verkregen aandelen met ingang van 1 januari 2027 in werking treden. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Wat is er nodig om die datum van 1 januari 2027 te halen? Ten slotte op dit punt, voorzitter. Wat nog ontbreekt in het instrumentarium voor fiscale stimulering van start-ups en scale-ups, is een prikkel voor vroegefase-investeringen door vrienden, familie en fools. In het rondetafelgesprek is hier uitgebreid over gesproken. Dit naar voorbeeld van het Britse EIS en SEIS. De Kamer vroeg hier al eerder om. De motie-Dassen/Martens-America verzoekt de regering om varianten van zo'n regeling uit te werken. De Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups biedt daarvoor aanknopingspunten. De wet stimuleert nu alleen de werknemerskant. Voor de investeerder, die als eerste risico loopt, is er geen prikkel zoals een inlegkorting of verliesverrekening. Dat is de kern van EIS/SEIS. In de memorie van toelichting zelf staat dat investeringen in een vroege fase risicovol en illiquide zijn. Daarin wordt het Verenigd Koninkrijk als benchmark genomen. De RVO-beschikking voor start-ups en scale-ups kan ook dienen als kwalificatie voor een investeerdersregeling. Het kabinet onderzoekt volgend jaar een regeling voor indirecte investeringen via fondsen. Directe angelinvesteringen zouden daar logisch op aansluiten. Hoe en wanneer wordt echt invulling gegeven aan de eerdergenoemde motie-Dassen/Martens-America? Kan het onderzoek naar investeringen via fondsen uitgebreid worden met directe angelinvesteringen? Voorzitter. Nederland kan zijn fiscale beleid niet los zien van de landen om ons heen. Een groot deel van onze welvaart wordt over de grens verdiend. Bij internationale belastingregels moet het uitgangspunt zijn dat afspraken zo veel mogelijk internationaal worden gemaakt en dat Nederland niet onnodig nationale koppen toevoegt. In dit blok heb ik het over twee onderwerpen: het Side-by-Sidepakket en de valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten. Op 5 januari jongstleden is er internationaal een akkoord bereikt over het "Pillar Two"-Side-By-Sidepakket. De Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 voert dit pakket door in de Nederlandse wet. Tijdige implementatie draagt bij aan consistente toepassing van de regels over de minimumbelasting: helemaal eens. Het uitgangspunt daarbij moet wel zijn dat internationale belastingafspraken worden gemaakt zonder nationale koppen en voor een gelijk speelveld. Daar wringt het toch een beetje bij het zogenoemde Side-by-Sidepakket. Met dit wetsvoorstel wordt de inkomen-inclusiebijheffing voor Amerikaanse concerns met terugwerkende kracht uitgeschakeld, terwijl Nederlandse en andere Europese concerns die heffing wel moeten blijven betalen. De vraag is dan ook: hoe gelijk is het internationale speelveld? We hebben het kabinet gevraagd om een rekenvoorbeeld waarin een Nederlands en een vergelijkbaar Amerikaans concern allebei een laag belaste dochteronderneming hebben in een land zonder binnenlandse bijheffing. Het kabinet erkent dat de belastinguitkomst kan verschillen, maar geeft geen voorbeeld. Kan dit alsnog worden gegeven? Landen kunnen ook in '27 en '28 nog verzoeken om als kwalificerend Side-by-Sideregime te worden aangemerkt. Brazilië en Colombia lijken zo'n verzoek al te hebben ingediend. Ook andere grote economieën kunnen mogelijk volgen. Dat kan gevolgen hebben voor de Nederlandse belastingopbrengsten en voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven. Het kabinet heeft bijvoorbeeld aangegeven dat kwalificatie van China nog eens 50 miljoen euro aan belastingopbrengsten kan kosten. Kan de staatssecretaris voor deze drie landen per land aangeven welk deel van de huidige en geraamde Nederlandse opbrengst van de minimumbelasting afkomstig is van concerns uit die landen en wat de gevolgen voor die opbrengst zijn als die landen zouden kwalificeren? Met de nieuwe veiligehavenregel kunnen bepaalde fiscale stimuleringsmaatregelen buiten de berekening van de minimumbelasting blijven. Voor Nederland kwalificeren onder andere EIA, MIA en KIA, maar de innovatiebox kwalificeert niet. Dat geldt ook voor het tonnageregime. Het kabinet stelt dat de innovatiebox niet kwalificeert als uitgavengerelateerde stimuleringsmaatregel, omdat het fiscale voordeel hoger kan zijn dan de gemaakte innovatiekosten. Maar in de memorie van toelichting ontbreekt een afzonderlijke analyse waaruit blijkt of de innovatiebox mogelijk wel als productiegerelateerde stimuleringsmaatregel kan kwalificeren. Kan de staatssecretaris toelichten waarom die mogelijkheid niet afzonderlijk is onderzocht? Is het mogelijk om te onderzoeken of de innovatiebox langs die route onder de veiligehavenregel kan vallen? De bereidheid van het kabinet om breder te kijken naar de toekomst van ons fiscale innovatie-instrumentarium wordt gewaardeerd. Wanneer gaat het kabinet deze analyse uitvoeren? Wanneer kan de Kamer concrete voorstellen verwachten? Kan hier ook de voorgestelde Europese R&D-aftrek bij worden betrokken, zodat Nederland optimaal gebruik kan maken van de ruimte die de internationale regels bieden? Het kabinet stelt voor de …
Versie 23eecc80aaf2f91059d10d5e61a46267c0b3083fef411c9292c1d6257e96c85c · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Wendy Van Eijk