Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
statement · 3 feb 2025 · Tweede Kamer
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA): Dank, voorzitter. Ik begin alleen niet voordat ik heb gezegd dat ik een beetje in shock ben naar aanleiding van het berichtje van collega Helder. Ik wil vanuit hier ook mijn eigen waardering richting haar uitspreken. Ik heb het afgelopen jaar heel nauw, heel intensief met haar gewerkt. Ze is een pitbull, maar zo eerlijk als de neten. Daar moet je van houden en ik waardeer dat enorm in haar. Ik moet zeggen: ik ga haar heel erg missen en met name haar inhoudelijke bijdragen. Misschien klinkt het als afscheid, maar ik heb behoefte om dit via u te zeggen, voorzitter, omdat ik juist de afgelopen maanden heel fijn met haar heb mogen samenwerken om dingen voor elkaar te krijgen. Ik vind het gewoon erg jammer dat ze gaat. Dan ga ik, heel gek, naar Boek 2. Dat is ook niet onbelangrijk, omdat het betrekking heeft op het opsporingsonderzoek en de fase waarin verdachten al in hechtenis kunnen worden genomen, ze afgeluisterd kunnen worden, ze DNA-materiaal moeten afstaan en huizen worden doorzocht. De keuzes die in het opsporingsonderzoek worden gemaakt, zijn dus des te belangrijker omdat die gevolgen kunnen hebben voor de latere fase, als de verdachte voor de rechter komt te staan. De regels in Boek 2 moeten er dus voor zorgen dat de opsporing de ruimte krijgt om haar werk te kunnen doen, terwijl tegelijkertijd de rechten van de verdachten niet onnodig en onrechtmatig geschonden worden. In die afweging van belangen kan het gaan schuren. Ik zal daar in mijn bijdrage nader op ingaan middels een aantal concrete vragen. Maar ik wil beginnen met voorlopige hechtenis. Daar hebben we nu het een en ander over gezien, ook qua amendementen. Er is inderdaad al jaren kritiek op Nederland als het gaat om het toepassen van voorlopige hechtenis. Ook al is het misschien EVRM-proof, wij doen dat te vaak en te lang, terwijl er alternatieven zijn, zoals elektronisch toezicht. Er wordt al jaren beterschap beloofd. Ik zie ook wel dat het nieuwe wetboek handvatten biedt voor verbetering. Zo krijgt de rechter de wettelijke opdracht om, als hij een voorlopige hechtenis wil opleggen, na te gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis onmiddellijk of op termijn mogelijk is. Dat is natuurlijk prima, maar hoe wordt ervoor gezorgd dat rechters daarmee daadwerkelijk serieuzer naar alternatieven voor voorlopige hechtenis gaan kijken? Ik wil niet op de stoel van de rechter zitten; dat misverstand wil ik wegnemen. Ik ga ook geen streefcijfers opleggen, want dat lijkt mij zeer onverstandig. Maar ik denk dat de vier universiteiten ons terecht hebben gewezen op het vaker inzetten van alternatieven voor voorlopige hechtenis. Je kunt bijvoorbeeld altijd een reclasseringsrapportage aanvragen, waarin mogelijkheden voor alternatieven zijn onderzocht. De rechter kan die informatie nodig hebben. Er worden al pilots voorbereid om de advisering door de reclassering te intensiveren. De reclassering brengt dan vaker advies uit over de vraag of de verdacht in vrijheid kan worden gesteld en zo ja, onder welke voorwaarden. Ik ben van mening dat er, als er vanuit de reclassering meer informatie over de verdachte beschikbaar komt, misschien minder gebruik van voorlopige hechtenis hoeft te worden gemaakt. Ik wil dan ook graag dat het de praktijk wordt dat er bij iedere overweging om voorlopige hechtenis op te leggen een rapport van de reclassering komt. Ik weet dat dat iets betekent voor de praktijk, maar ik stel deze vraag even heel concreet, omdat ik denk, in navolging van wat het lid Sneller aangaf, dat het ons kan helpen om de strafrechtketen te ontlasten. Ik zou hier dus heel stevig over nadenken: geld stoppen in die rapportages kan wellicht de kosten voor de maatschappij op een later moment verminderen. Dan de mogelijkheid om mensen die hun boete niet betalen, een taakstraf op te leggen. Dat heeft de nodige aandacht gehad de afgelopen paar dagen. Wij omarmen elk voorstel dat ervoor zorgt dat de gevangenissen niet overvol raken of dat recidive vermindert of voorkomen wordt. Straffen is goed, maar ook ik geloof heel erg in de effectiviteit van straffen. Een individu in hechtenis nemen na het niet betalen van een geldboete, waarna zo iemand zijn baan kwijtraakt en schulden opbouwt, lijkt mij in deze tijd weinig effectief. Ook ik omarm dus het idee om de rechters een extra mogelijkheid te geven om een alternatieve straf op te leggen en het liefst dus ook te kijken naar de reclasseringsrapportages. Ik heb er nog even over nagedacht of ik wilde ingaan op het fenomeen "in hechtenis" en een link wilde leggen met de kunstroof die recent heeft plaatsgevonden. Beelden van de verdachten, die in hechtenis waren, werden gedeeld in de media. Dat gebeurde "om goede redenen", werd er gezegd, namelijk om in ieder geval de buit terug te krijgen. Ergens snap ik dat heel goed en ik heb ook geen medelijden met hen — laat ik dat vooropstellen — maar aan de andere kant begrijp ik ook de kritiek die hierop kwam: zien we hier een glijdende schaal en wat betekent dit voor de toekomst? We zien dat er vaker beelden van verdachten worden getoond. Sommigen van die verdachten blijken uiteindelijk onschuldig te zijn en dan komt er weer een hele rechtszaak voor compensatie, want dat doet wat met mensen. Ik wil heel oprecht, in alle nieuwsgierigheid, aan de minister vragen hoe hij de afweging die gemaakt wordt, in de praktijk ziet. Een van de suggesties die, volgens mij door professoren, in de media werd gedaan, was: moet de rechter daar geen oordeel over vellen? Ik ben benieuwd hoe de minister de huidige procedure ziet. Ziet hij, in het licht van Boek 2, dat we nu behandelen, mogelijkheden om de procedure te heroverwegen en zo ja, hoe zou die er dan uit moeten zien? De actualiteit is hiertoe de aanleiding, maar het heeft me wel aan het denken gezet, zeker naar aanleiding van de kritiek van de buitenwereld. Ik wil gewoon van de minister weten hoe hij daarnaar kijkt. Dan ga ik weer naar de slachtoffers, voorzitter. In de schriftelijke ronde hebben wij al vragen gesteld over de mogelijkheid om slachtoffers tijdens het vooronderzoek het recht te geven om de officier van justitie te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te laten verrichten. In de antwoorden lees ik — ik druk het misschien wat kort door de bocht uit — dat dat het strafproces te veel op zijn kop zou zetten omdat het slachtoffer dan een procespartij in plaats van een procesdeelnemer zou worden. Ik begrijp ergens wel dat dit een hele grote stap is, maar dat neemt niet weg dat slachtoffers mogelijk wel relevante informatie of wensen voor het opsporingsonderzoek kunnen hebben. Dan is het, mede in het kader van de beweging naar voren, wel van belang dat het slachtoffergesprek niet pas voor de zitting plaatsvindt. Mijn vraag is: hoe kan ervoor worden gezorgd dat het slachtoffergesprek in een zo vroeg mogelijk stadium plaats kan vinden en wat is daarvoor nodig? Misschien een OM-aanwijzing? Dat kan. Ik hoor het graag. Dan nog twee punten, voorzitter.
Versie 2993003231abfaa96ff4940c8d64f6b7077aafabe5d02a9fa53d83f302bfbe59 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.