KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 3 feb 2025 · Tweede Kamer

Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)

Brontekst

De heer Van Nispen (SP): Dank u wel, voorzitter. We hebben vorige week al uitgebreid gedebatteerd over Boek 1, inclusief de algemene thema's. We hebben daar ook al de complimenten gegeven aan beide rapporteurs: de heer Ellian en mevrouw Helder. Ook ik stond net al even met de mond vol tanden als fungerend voorzitter toen mevrouw Helder haar vertrek aankondigde. Inmiddels hoop ik er al enkele woorden aan te kunnen geven. We zijn erg overvallen. We hebben altijd met veel waardering en heel veel respect samengewerkt. Ik denk daarbij aan de uitgebreide dossierkennis en de juridische precisie. We zien hier weer een uitgebreide, indrukwekkende map liggen. Zo kennen we mevrouw Helder inderdaad. Soms botsten we heel hard op de inhoud, maar dat was nooit op de persoon. Het was altijd op een eerlijke wijze, zoals Mutluer al zei. Ik dank u hartelijk. We gaan elkaar nog treffen. Vandaag gaat het dus specifiek over het opsporingsonderzoek. Ik denk dat ik mevrouw Helder geen groter plezier doe dan me gewoon weer op de inhoud te richten, in plaats van dat ik hier nog veel meer woorden aan wijd. We spreken over Boek 2. Dit betreft een fase in het strafproces waarin verschillende belangen spelen die kunnen botsen: het opsporingsbelang versus de belangen van de verdediging en ook het belang van het slachtoffer. Het is een fase waarin behoorlijke inbreuken kunnen worden gemaakt op rechten van verdachten. Die hebben voldoende rechtsbescherming nodig, maar het wetboek moet personen die met dit wetboek moeten werken zowel voldoende houvast als flexibiliteit bieden. Dat zijn behoorlijke uitdagingen. We lopen wel het risico dat we bepaalde onderwerpen vorige week al besproken hebben, zoals de aanwezigheid van de verdachte bij het getuigenverhoor. Het amendement op stuk nr. 21 kreeg al oordeel Kamer, maar hoort volgens mij eigenlijk thuis in dit wetboek. Maar de kan-bepaling gaat mijn fractie ook steunen. Ik denk dat de praktijk heeft aangegeven daar goed mee uit de voeten te kunnen. Ik denk dat het verstandig is om mijn fractie te adviseren om dat ook te gaan steunen. Ik wil ook nog wel mijn reserves uitspreken bij het amendement van het lid Ellian op stuk nr. 20. Ik begrijp zijn intentie. In zijn amendement schrijft hij op dat artikel 2.10.1, eerste lid komt te luiden dat de officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht. Dat klinkt vrij simpel. Maar als je kijkt wat er vervalt uit het voorstel van de regering voor 2.10.1, staat daar inderdaad dat de officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht door … En dan worden de bevoegdheden specifiek opgesomd. Mijn zorg is een beetje, in navolging van wat de heer Koops daarover vroeg aan de heer Ellian, wat je dan mist. Hoe ruim geef je dan ruim baan aan de officier van justitie en de rechter-commissaris om dat type onderzoek te verrichten? In hoeverre strookt dat nog wel met het legaliteitsbeginsel, dat mensen mogen verwachten dat wat in de wet staat, door de wetgever democratisch is gelegitimeerd? Aan de ene kant wil je niet te star zijn in het wetboek — ik begrijp de bedoeling van de heer Ellian dus wel degelijk — maar aan de andere kant wil je ook geen blanco cheque afgeven. Ik vind dat dus nog lastig te wegen. Ik hoop dat straks met een wijze appreciatie voor mij ook duidelijker gaat worden wat we daarvan moeten vinden.

Versie 2993003231abfaa96ff4940c8d64f6b7077aafabe5d02a9fa53d83f302bfbe59 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.