KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 9 sep 2026 · Tweede Kamer

Versterking decentraal bestuur

Brontekst

Minister Heerma: Ik kan hier niet met u in debat gaan over de begroting; dat begrijpt u ook. De oproep tot de samenwerkingsagenda volgt uit het rapport van de commissie-Polman. Dat gaat ook over de balans tussen die vier zaken: ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarmee is het meer dan alleen "taken en knaken". Dat heb ik eerder in een debat in de Eerste Kamer ook gezegd. Ik snap dat ie lekker klinkt, maar het gaat echt over meer dan dat. Er wordt tussen ons en medeoverheden op dit moment heel hard gewerkt aan het vormgeven van deze samenwerkingsagenda. Ik kan nu niet zeggen op welk moment dat helemaal rond is. Ik realiseer me terdege dat als daar geen vorderingen in zijn bij de begrotingsbehandeling, dat nadrukkelijk onderdeel van het debat zal worden, niet alleen vanuit de fractie van PRO maar ook vanuit andere fracties. Zowel de BBB-fractie als de CDA-fractie vroeg volgens mij aandacht voor de positie van kleine gemeenten. Om beter zicht te krijgen op de specifieke problematiek van kleine gemeenten ga ik met gemeenten en provincies in overleg. Ik kijk daarbij naar hoe landelijk meer inzicht te krijgen in de bestuurskracht van het lokale bestuur. Met de UDO en het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur wil ik scherper toezien op een goede balans tussen wat we van gemeenten vragen en hun draagkracht. Daarnaast zet ik in op versterking van de decentrale volksvertegenwoordigers door te werken aan goede effectieve ondersteuning en goed samenspel tussen volksvertegenwoordigers en het dagelijks bestuur. Eerder, voor de zomer, heb ik u toegezegd hierop terug te komen voor het einde van 2026 als onderdeel van een beschouwing over de positie en de regie op het vraagstuk van kleinere gemeenten en die daar dus in te betrekken. De BBB-fractie had een vraag naar aanleiding van een aangehouden motie met betrekking tot de plattelandstoets en de overweging om die mogelijk alsnog in stemming te brengen. Ook hierover ga ik zeggen: dat is uiteindelijk de afweging die elke fractie individueel maakt. Ik deel het uitgangspunt dat rijksbeleid rekening moet houden met specifieke regio- en gebiedsgerichte kenmerken. Daar ga ik ook op in in de brief van vorige week, waar de heer Vermeer aan refereerde. Ik heb in het debat van 25 maart, waarin de heer Vermeer het ook over die plattelandstoets had, aangegeven dat ik niet wil inzetten op nieuwe instrumenten maar dat we beter gaan toepassen wat er al is: concreet het Beleidskompas en de UDO. Op ons verzoek is daarom inmiddels in de handreiking bij het Beleidskompas opgenomen dat rekening gehouden wordt met effecten van het beleid op het platteland en verschillende regio's in Nederland. Daarnaast heb ik toegezegd de NPVR-regio's vroegtijdig en actief te betrekken bij de ontwikkeling van rijksbeleid. BZK en het ministerie van LVVN trekken samen op als het gaat om het bewaken van rijksbeleid en of dat rekening houdt met de noden van het platteland. Maar ik heb dus ook in het debat van maart gezegd dat ik eigenlijk dit erbij wil betrekken en aandacht heb voor bestaande middelen, in plaats van weer een nieuwe toets in te voeren. De heer Vermeer kan daar een andere mening over hebben. Dan staat het hem dus ook vrij om daar dan een motie over in te dienen.

Versie 3f198e6e59deeb06bf5df9a247a19862c9036b4adaa6b2a3c72f1010a573bf10 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.