statement · 29 jan 2024 · Tweede Kamer
Water
Brontekst
Minister Harbers: De vraag zat ergens verderop in mijn beantwoording, maar laat ik 'm meteen even erbij pakken. We zien een combinatie van een aantal zaken. Eén. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma heeft een paar jaar nodig gehad om echt op stoom te komen. Ik zit er ook bovenop, want ik wil wel dat we het aantal kilometers dat we ons per jaar voornemen, gaan halen. Vervolgens zie je natuurlijk datgene waar we het bij de begroting vorige week ook over hadden, namelijk dat als de enveloppen opengaan, de aanbestedingen nogal eens hoger uit komen dan begroot is, gegeven de hoge inflatie en krapte op de arbeidsmarkt. Daarnaast merken we dat er ook stikstofproblemen zijn. We proberen daar ook samen met alle partners in het Hoogwaterbeschermingsprogramma het hoofd aan te bieden. Het is bijvoorbeeld een van de sectoren waar al het meest met verduurzaamd bouwmateriaal wordt gewerkt. Op die manier kijken we ook hoe we de opgave zo veel mogelijk op peil kunnen houden. Ergens verderop kom ik nog op de samenwerking tussen Rijk en waterschappen. Het probleem is behoorlijk geïdentificeerd. We werken er hard aan met elkaar om dat op te lossen. Los daarvan is het natuurlijk zaak dat we aan de ene kant gebruikmaken van innovatieve technieken. Van alles, bijvoorbeeld damwanden, is zojuist in het debat langsgekomen. Aan de andere kant moet je ook kijken of je dat op de een of andere manier kunt standaardiseren, zodat je op die manier weer tempo kunt gaan maken. We wisselen al die leerervaringen uit binnen de organisatie van het HWBP. Dan even de manier waarop je dat doet. Ik begin maar even bij de vraag van de heer Tjeerd de Groot, die het rapport van de Algemene Rekenkamer aanhaalde over meerlaagse veiligheid. Het is essentieel — dat hebben we altijd in dit land zo vastgesteld — dat de maatregelen passen bij de aard en omvang van de wateropgave en kosteneffectief zijn. We zien toch nog altijd dat voor de bescherming tegen catastrofale overstromingen, zoals in 1953, dijken — dat is de eerste laag van preventie — de beste beschermingsmaatregel zijn. Dat geldt voor grote delen van laaggelegen Nederland, waar vervolgens ook grote belangen achter zitten die je wil beschermen. Denk aan bebouwing, bedrijvigheid en economisch verdienvermogen. Dat type bescherming kan moeilijk worden bereikt met andere, bijvoorbeeld ruimtelijke maatregelen. Tegelijkertijd zijn voor kleinere overstromingen of wateroverlast ruimtelijke maatregelen vaak het best passend. Deze kunnen ook in gebieden achter de dijken helpen om de gevolgen te beperken. Dan de derde laag: crisisbeheersing. Die is in alle gevallen van belang. We zijn ook bezig met wat daarvoor werd aanbevolen naar aanleiding van de overstromingen in Limburg in 2021. Ik kom straks nog wel op water en bodem sturend, want bij de ruimtelijke maatregelen hebben we een aantal keuzes gemaakt die precies met dit principe rekening houden. We komen overigens ook nog met een uitvoerige reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer. Wat mij betreft is het dus niet een keuze voor één laag, dus voor één, twee of drie, maar is het en-en-en, omdat alle drie de lagen van de veiligheid ook hun eigen specifieke doelen en effecten hebben. Het ging in het debat vervolgens veel over Ruimte voor de Rivier en hoe we daarmee verdergaan. Een van de zaken waarin we dat een plek willen geven, is het programma Integraal Rivier Management. De heer Peter de Groot vroeg of we daarin ook maatregelen nemen die we in de jaren twintig nodig hebben om binnenlandse overstromingen te voorkomen. Hiervoor geldt dat als we echt overstromingen willen voorkomen, het wat ons betreft begint bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Langs de rivieren lopen op dit moment diverse projecten, onder andere met een gecombineerde aanpak van dijkversterking en rivierverruiming. Er zijn na het hoogwater van 2021 op enkele knelpunten ook extra projecten opgestart bij Maastricht en Venlo. Dat zijn bijvoorbeeld noodzakelijke maatregelen op korte termijn. Daarnaast is het ontwerpprogramma IRM, dat we in december naar de Kamer hebben gestuurd, richtinggevend voor de uitwerking van een klimaatrobuust rivierengebied in 2050, met tegelijk een doorkijk naar het jaar 2100. Naast waterveiligheid gelden dan de belangen van natuur, scheepvaart, zoetwater en de regionale economie. De vertaling doen we de komende jaren bij het vaststellen van het daadwerkelijke programma. Dan bouwen met de natuur. De heer Grinwis had het over meer uiterwaardherinrichting en natuurontwikkeling bij dijkherstel. Daarbij vind ik het belangrijk om waar mogelijk die opgaven te combineren. Dat hebben we om die reden dus ook een plek gegeven in dat ontwerpprogramma voor Integraal Rivier Management. De Programmatische Aanpak Grote Wateren, die we daarnaast ook nog hebben, combineert ook steeds vaker z'n opgaven met het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Op die manier zetten we ook in op uiterwaardherinrichting bij dijkherstel. Tegelijkertijd zeg ik er ook maar gelijk bij dat we natuurlijk die spanning hebben bij het HWBP-budget, zoals ik zojuist ook uitlegde. Ik vind het van groot belang dat we goed verkennen waar er meerwaarde is en waar we die makkelijker kunnen bereiken. Die meerwaarde zou ook kunnen blijken uit dat je uiteindelijk procedureel sneller van start kunt gaan, omdat de omgeving daarmee beter wordt bediend. Maar we moeten ook beseffen dat de financiering soms ook bij de verantwoordelijke partij ligt, al is het maar omdat we uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma sec de hoogwaterbescherming kunnen betalen. Daar is de dijkrekening in dat Hoogwaterbeschermingsprogramma namelijk voor bedoeld. Als je daar aanpalende opgaven in wilt meenemen, zul je soms ook breder over de programma's heen moeten kijken om te zien hoe je dat kunt bereiken. Tegelijkertijd vind ik dat we er bij het HWBP ook op moeten sturen dat het niet tot onnodige vertraging leidt. Dat gebeurt ook. We moeten het tempo er namelijk in houden om die 2.000 kilometer in 2050 rond te krijgen. Dan nogmaals een reactie op de heren Tjeerd de Groot en Gabriëls, die vroegen om het adagium "sober en doelmatig" los te laten en daarop de Waterwet aan te passen. Met alles wat ik net gezegd heb en met dat het binnen de projecten altijd mogelijk en vaak ook noodzakelijk is om integraal te werken, wil ik hier benadrukken dat het adagium "sober en doelmatig" enkel betrekking heeft op de subsidiabiliteit, dus of je subsidie kunt krijgen, van een dijkversterkingsontwerp en dus niet op de manier van werken. Dat adagium in de Waterwet gaat dus kortgezegd over welk aandeel van de dijkversterking wordt gefinancierd uit de dijkrekening. En op het moment dat we daar aanpalend andere werkzaamheden in willen meenemen, zullen we dus breder moeten kijken hoe we dat financieren. Daar zijn straks bijvoorbeeld het programma Integraal Rivier Management en de Programmatische Aanpak Grote Wateren voor beschikbaar. Daarmee ben ik in ieder geval aan het eind van de vragen hierover.
Versie 0a0c7de2ede42b3f9e33ebae2f9c0d353081ba7a2921474e4d0f103853bd6c0e · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.