KamerkringInloggen
UitspraakVoorlopig

Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen

7 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b6db01586bead152 · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank je wel, voorzitter. De VVD wil dat gedupeerden snel en goed geholpen worden. Daarbij is het belangrijk dat gedupeerden een route kunnen kiezen die het beste past bij hun situatie of hun behoefte. Tegelijkertijd staat de uitvoering van de hersteloperatie onder zware druk. Ondanks de inzet van steeds meer mensen en middelen treden vertragingen op in de behandeling van aanvragen en bezwaren. Door gerechtelijke procedures wegens termijnoverschrijding ontstaan verdere vertragingen. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de wetgever aan zet om de overschrijding van termijnen te verhelpen. Een vraag aan de staatssecretaris is de volgende. Vindt zij dat met het voorliggende wetsvoorstel waarin een aantal termijnen wordt aangepast, de overschrijding van termijnen wordt verholpen? Op 18 juni 2024 is het wetsvoorstel Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen ingediend. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt onder andere voorzien in een wettelijke regeling om te komen tot termijnen die realistisch en uitvoerbaar zijn. Op 10 september is de eerste nota van wijziging aangeboden. Een aantal ontwikkelingen rondom de hersteloperatie hebben er volgens de staatssecretaris toe geleid dat de voorgenomen wijziging van de beslistermijn voor een aanvraag voor aanvullende compensatie niet langer nodig is. Op 1 oktober is de tweede nota van wijziging aangeboden. In deze nota van wijziging wordt de termijn voor het doen van een aanvraag voor aanvullende compensatie verder verlengd tot en met 31 maart 2025. De reden is dat de digitale schaderoute en het aanmeldportaal later dan verwacht in gebruik zullen worden genomen. Tot zover de geschiedenis van dit wetsvoorstel. Dat de staatssecretaris opnieuw kijkt naar de maatregelen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, begrijpt de VVD. Dat voortschrijdend inzicht kan leiden tot andere keuzes, begrijpt de VVD ook. De onderbouwing en de gemaakte keuzes overtuigen eerlijk gezegd echter nog niet. De VVD heeft een aantal vragen over drie onderdelen uit het wetsvoorstel. Ten eerste over de beslistermijn op aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was het voorstel om de beslistermijn van de huidige zes maanden te wijzigen naar twaalf maanden na indiening van de aanvraag. Dit is een meer realistische en uitvoerbare termijn, met meer duidelijkheid over de behandelvolgorde. Met andere woorden, dit is eerlijker naar gedupeerden over de termijn waarbinnen wordt beslist. Dit betekent in de behandelvolgorde minder veranderingen doordat telkens anderen voorgaan. Medewerkers die nu bezig zijn met procesmatige zaken, kunnen worden ingezet om te werken aan daadwerkelijk herstel. De hersteloperatie kan sneller worden afgerond. Daarnaast zou de druk op de rechtspraak worden verlicht. In minder dan drie maanden blijkt het er echter allemaal veel beter voor te staan dan gedacht. De staatssecretaris lijkt er voldoende vertrouwen in te hebben dat de huidige termijnen ondanks de nog altijd lange wachtrij toereikend zijn. Ze noemt in de toelichting een aantal ontwikkelingen. Ik vraag aan de staatssecretaris: wat zijn dan de verwachte resultaten van de opschaling van de SGH-route en de regieroute en van de ontwikkeling van de digitale schaderoute? Hoe schat de staatssecretaris het risico in dat de huidige termijnen ondanks alle inspanningen toch niet toereikend blijken te zijn? Welke oplossing heeft ze daar dan voor? Ten tweede over de termijn voor het doen van een aanvraag voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. De termijn voor het doen van een aanvraag wordt met terugwerkende kracht verlengd van 1 januari naar 1 januari 2025, of tot zes maanden na afronding van de integrale beoordeling indien die na 1 juli 2024 onherroepelijk komt vast te staan. In de tweede nota van wijziging wordt de termijn verlengd tot en met 31 maart 2025. Zoals gezegd is de reden voor de verdere verlenging van de aanvraagtermijn dat de digitale schaderoute en het aanmeldportaal later in bedrijf zullen worden genomen dan verwacht. Om gedupeerde aanvragers van de kinderopvangtoeslag voldoende gelegenheid te bieden om zich te oriënteren op de voor hen meest geschikte schaderoute, wordt daarvoor meer tijd geboden. De VVD heeft hierover de volgende vragen aan de staatssecretaris. Waarom gaat de digitale route later live dan verwacht? Is verdere vertraging uitgesloten? De oudercommissie heeft in haar recente advies aangedrongen op verruiming van de termijn. Waren er nog andere adviezen? Zo ja, in hoeverre hebben deze betrekking op termijnen en regelingen in het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen? De verwachting is dat ouders het verlengen van de termijn als positief zullen ervaren. Ouders hebben meer ruimte om zich te oriënteren op alle aanvullende schaderoutes. Waar is deze verwachting op gebaseerd? Is het niet ontzettend belangrijk voor het herstel dat er zo snel mogelijk een keuze kan worden gemaakt, ervan uitgaande dat de verlengde termijn ertoe leidt dat ouders beter een bij hen passende route kunnen kiezen? Waarom kan die keuze niet nu al gemaakt worden? Welke nieuwe of aanvullende informatie wordt nog verwacht? Het ouderperspectief lijkt te concurreren met de uitvoerbaarheid. In de nota wordt een korte toelichting gegeven op de voor- en nadelen van een verlenging van zes maanden in plaats van drie maanden. Kan de staatssecretaris een nadere toelichting geven op het ouderperspectief enerzijds en de uitvoerbaarheid anderzijds? Hoe heeft zij dit gewogen bij haar uiteindelijke besluit om te kiezen voor een verlenging van drie maanden? Wat betekent het als de verwachte aanmeldpiek van meer dan 20.000 ouders in enkele maanden zich daadwerkelijk gaat voordoen? Is er voldoende capaciteit om dit uit te voeren? Ruim de helft van de rechthebbenden op aanvullende schade komt op dit moment niet in aanmerking voor de SGH-route, terwijl deze route wel de grootste productiesnelheid kent. In de nota staat dat beleidsvorming voor deze groepen op dit moment nog bezig is. Wat bedoelt de staatssecretaris hier precies mee? Hoe beïnvloedt de uitkomst hiervan de voorliggende keuze voor een verlenging met slechts drie maanden? Ten derde. Termijnen worden geïntroduceerd bij de brede ondersteuning door gemeenten. In de afgelopen jaren is gebleken dat brede ondersteuning voor ouders en kinderen essentieel is voor hun herstel en om een nieuwe start te kunnen maken. Onze waardering gaat uit naar gemeenten die deze belangrijke taak op zich hebben genomen en zo goed mogelijk proberen uit te voeren. Maar daarmee is er ook grote druk op gemeenten ontstaan. De aanpassingen in het wetsvoorstel betreffen een verbetering om de brede ondersteuning toekomstbestendig te maken. De VNG is hier tevreden over. Zijn hiermee alle knelpunten opgelost? Zo nee, welke knelpunten moeten nog worden aangepakt en wanneer kunnen we een voorstel hierover verwachten? Uit recente rechtspraak volgt dat gedupeerden het bedrag van €30.000 gebruiken, of al gebruikt hebben, om een nieuwe start te maken, ook al is het bedrag daarvoor niet bedoeld. Als terugwerkende kracht niet mogelijk zou zijn, zouden die gedupeerden geen tegemoetkoming kunnen krijgen. In de uitspraak is te lezen dat die consequentie door de wetgever niet lijkt beoogd. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat vergoeding met terugwerkende kracht wel mogelijk is. Is deze uitspraak de staatssecretaris bekend en wat vindt zij hiervan? Zouden we in de wet een verduidelijking moeten opnemen om nieuwe procedures te voorkomen en om gemeenten en gedupeerden hierover duidelijkheid te geven? Voorzitter. Tenslotte nog een aantal vragen over de uitvoering. De voorstellen in het onderhavige wetsvoorstel worden over het algemeen uitvoerbaar geacht, met uitzondering van de schaderegeling voor ex-partners. Deze regeling is technisch uitvoerbaar, maar pas op het moment dat de werkvoorraad dat toelaat. Wanneer is dat moment volgens de staatssecretaris? Dienst Toeslagen accepteert bij uitzondering dat vanaf 2025 nog wel van schijnzelfstandigen gebruik wordt gemaakt, omdat deze nodig zijn om de doelstellingen van herstel te realiseren. In hoeverre komen de termijnen opnieuw in gevaar als het aantal medewerkers zal afnemen, al dan niet tijdelijk, omdat nota bene de Belastingdienst zelf gaat handhaven op schijnzelfstandigheid? Zou de staatssecretaris er niet verstandig aan doen om hierop te anticiperen? Hoe voorkomt ze dat we medio 2025 tot de conclusie komen dat de termijnen nog altijd niet realistisch en uitvoerbaar zijn en dat we opnieuw een wetsvoorstel voorgelegd krijgen, met weer andere termijnen? Voorzitter, tot zover mijn inbreng in de eerste termijn.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 805ab21009997f9d

13 okt 2026 · 3f3a416d178f7da4

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.