Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis
Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis
statement · 19 jan 2026 · Tweede Kamer
De heer Ceulemans (JA21): Voorzitter, dank u wel. We bespreken vandaag de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis. Om te beginnen complimenten aan de SGP-fractie, die besloot dit wetsvoorstel te onthameren. Dat was zeer terecht, want aan het wetsvoorstel zitten wat JA21 betreft flink wat haken en ogen, zowel met betrekking tot het doorlopen wetstraject als met betrekking tot de aanleiding voor het wetsvoorstel en, niet onbelangrijk, de inhoud ervan. Om met het eerste te beginnen: mijn fractie vindt het echt de omgekeerde wereld en bijzonder ongelukkig hoe bij deze wetsbehandeling met de Kamer wordt omgegaan. De Tweede Kamer wordt feitelijk onder druk gezet om in te stemmen met het wetsvoorstel omdat er al onomkeerbare stappen zijn gezet en de wet de facto al in werking is gesteld voordat de Kamer erover gestemd heeft. Sterker nog, dat is een van de hoofdargumenten van het kabinet in de ontstane discussie. Het kabinet waarschuwde voor grote problemen bij inwerkingtreding van de wet later dan 1 januari 2026. Dit omdat de uitvoeringsorganisaties SVB en UWV "reeds belangrijke en deels onomkeerbare stappen hebben gezet". ICT-systemen zijn reeds aangepast, budgethouders waren al geïnformeerd, overeenkomsten zijn aangepast en via Rijksoverheid, de SVB en UWV zijn ook pgb-zorgverleners op de hoogte gesteld van de voorgenomen wetswijziging. In de nota naar aanleiding van het nader verslag komt het kabinet tot de conclusie dat "uitstel van het wetsvoorstel zonder terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat reeds in gang gezette en deels afgeronde processen moeten worden teruggedraaid, wat deels eenvoudigweg niet mogelijk is". In reactie op de zorgen en bezwaren vanuit de Kamer en pgb-budgethouders heeft het kabinet twee stappen gezet: een nota van wijziging om de wet met terugwerkende kracht per 1 januari te laten ingaan toen bleek dat de parlementaire behandeling voor die tijd niet meer ging lukken en een brief van de staatssecretaris van VWS over de implementatie van de wet voor Zvw-budgethouders en de compensatie voor deze groep. Met deze stappen poogt het kabinet obstakels rond de invoering van de wet weg te nemen, maar de centrale vraag is natuurlijk of de Kamer deze wet überhaupt ingevoerd wil zien. De Kamer is geen stempelmachine en kritiek vanuit de Kamer is geen hapering van een stempelmachine die op te lossen is met wat smeerolie in de vorm van invoering met terugwerkende kracht. "We kunnen nu eenmaal niet meer terug" is de afgelopen maanden een van de belangrijkste argumenten van het kabinet geweest en dat hoort gewoon niet. Graag een reflectie van de minister hierop. Natuurlijk, de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is een feit en daar moeten we ons, linksom of rechtsom, toe verhouden. Zo simpel is het. Dat wil overigens niet zeggen dat het geen rare uitspraak is. De redenering dat hier sprake is van indirecte discriminatie van vrouwen, puur omdat een relatief groot deel van de pgb-zorgverleners die onder de uitzonderingsbepaling vallen, vrouw is, doet ons de wenkbrauwen fronsen, en dan druk ik het heel voorzichtig uit. Ik vind het eigenlijk een schoffering aan het adres van vrouwen die doelbewust deze vorm van zorg verlenen. Het kabinet is in twee verslagen meermaals gevraagd naar een inhoudelijke reactie op deze uitspraak, maar die is vooralsnog achterwege gebleven. Ik vraag het kabinet daarom opnieuw, los van het feit dat we iets met de uitspraak moeten: is het kabinet van mening dat hier sprake is van indirecte discriminatie van vrouwen? Met dit wetsvoorstel wordt een flinke groep pgb-houders geconfronteerd met forse bijkomende werkgeversverplichtingen en administratieve lasten, terwijl we het hier over een zorgbehoevende en soms bijzonder kwetsbare doelgroep hebben. Dat was eerder in de lange discussie over deze kwestie dan ook een reden om niet te doen wat het kabinet nu beoogt met dit wetsvoorstel. Toen oordeelde de Centrale Raad van Beroep nog dat de uitzondering met betrekking tot de verplichte werknemersverzekering legitiem was vanwege onder andere de zware administratieve lasten die erdoor zouden ontstaan en de mogelijke vlucht in het zwarte circuit. Ook werd destijds aangegeven dat van uitsluiting van de publiekrechtelijke werkloosheidsverzekering geen sprake was omdat het op vrijwillige basis kon. In alle jaren hierna hebben opeenvolgende kabinetten geen aanleiding gezien om van deze redenering en regeling af te wijken tot de uitspraak van de CRvB in 2023. Onze vraag aan het kabinet is dan ook: staat u, los van de nieuwe uitspraak van de CRvB, inhoudelijk nog steeds achter de argumenten en overwegingen van de afgelopen jaren om de uitzonderingspositie in stand te houden? Zo nee, op grond waarvan komt u dan nu tot een andere conclusie? Zo ja, houdt dat dan in dat puur en alleen de CRvB-uitspraak de reden is voor de aanpassing die nu voorligt? Als dat laatste het geval is, werpt dat de vraag op waarom het kabinet er in dit wetsvoorstel niet voor kiest om zo dicht mogelijk bij de bestaande situatie te blijven. Immers, het kabinet kiest ervoor om in dit wetsvoorstel veel verder te gaan dan de reikwijdte van de CRvB-uitspraak. Die ging immers alleen over de uitzondering met betrekking tot werknemersverzekeringen, maar het kabinet heeft besloten om ook de uitzonderingen te schrappen met betrekking tot onder andere loondoorbetaling bij ziekte, ontslagrecht, de Wet flexibel werken, scholing et cetera. In de schriftelijke vragenrondes is het kabinet meermaals en door meerdere fracties gevraagd waarom voor deze brede implementatie van de uitspraak is gekozen. Dit wetsvoorstel heeft als gevolg daarvan grote gevolgen voor veel pgb-budgethouders. Het is daarom een heel legitieme vraag welke andere varianten, lightvarianten of routes het kabinet heeft overwogen naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB. Deze vragen zijn door meerdere fracties, waaronder de mijne, gesteld in het verslag en het nader verslag. Hierop is vooralsnog eigenlijk geen antwoord gekomen, behalve dan dat het kabinet aangeeft — ik citeer — de kans niet aanwezig te achten dat de andere uitzonderingen voor langere periode wel voldoende gerechtvaardigd kunnen worden, omdat hiervoor dezelfde Europese toets geldt en hieraan ook dezelfde overwegingen ten grondslag liggen. Dat is een vrij stellige uitspraak. Kan het kabinet die nader toelichten? Erkent u dat de uitspraak enkel betrekking heeft op de uitzondering met betrekking tot werknemersverzekeringen en dat we ons dus netjes aan die uitspraak houden wanneer we de wet daartoe beperken? Erkent u ook dat de overige uitzonderingen wel degelijk voor langere perioden gerechtvaardigd kunnen worden, zolang er hierover geen aparte uitspraken liggen? Deelt het kabinet de conclusie dat een dergelijke benadering meer mogelijkheden biedt voor het in stand houden van een verlicht regime? Daar is door verschillende fracties naar gevraagd. Onderschrijft het kabinet dat het beperken van de wetswijziging tot slechts dat onderdeel waarop de uitspraak van de CRvB betrekking heeft, niet tot problemen voor pgb-budgethouders hoeft te leiden, anders dan de verwachting van het kabinet dat nieuwe rechtszaken over andere onderdelen wellicht tot nieuwe wetswijzigingen zullen leiden? Graag een reactie hierop. Zo nee, welke problemen ziet u dan wel concreet opdoemen? Voorzitter. Als dit wetsvoorstel erdoorheen komt, is het uiteraard van belang om de risico's op negatieve financiële consequenties en de risico's voor de continuïteit van de zorg af te hechten. Iedereen heeft, neem ik aan, kennis kunnen nemen van de concrete punten waarvoor Per Saldo in de brief van 14 januari aandacht heeft gevraagd. Ook hierop graag een reactie van het kabinet. Er zijn al heel veel vragen gesteld, dus ik beperk me tot één aanvullende vraag. In het nader verslag heb ik een vraag gesteld over loondoorbetaling bij ziekte. Er staat dat budgethouders worden gecompenseerd op het moment dat een zorgverlener uitvalt, zodat nieuwe zorg kan worden ingekocht en de loondoorbetaling kan plaatsvinden, tenzij er sprake is van verwijtbaar handelen van de budgethouder. Ik heb gevraagd: wat is "verwijtbaar handelen" in zo'n geval? Daarop kwam het antwoord: bijvoorbeeld niet voldoen aan de Wet verbetering poortwachter op het punt van re-integratie. Ziet het kabinet nou niet in dat juist het opzadelen van pgb-budgethouders met dergelijke bijkomende werkgeversverplichtingen ertoe kan leiden dat de continuïteit van zorg en het in stand houden van het budget alsnog in gevaar komt op het moment dat budgethouders worden geconfronteerd met verantwoordelijkheden die zij eigenlijk niet aankunnen? Daar hou ik het eventjes bij.
Versie cfa399cb14de624b5cf96186a987ab8c1c6a5b58b112d426b2d7b7240830a778 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.