KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 25 sep 2025 · Tweede Kamer

Goedkeuring van het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb. 1988, 7); van het op 10 oktober 2018 te Straatsburg tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb. 2018, 201 en Trb. 2023, 54) (36455-(R2188))

Brontekst

Staatssecretaris Rutte: Mevrouw Kathmann vraagt: "Is de staatssecretaris het met mij eens dat we de privacy in Europa en ons Koninkrijk juist moeten versterken? Hoe is hij van plan om dat te doen?" Het antwoord daarop is uiteraard ja. In een tijd van grote maatschappelijke en technologische veranderingen is het recht op privacy — de heer Six Dijkstra had het daar ook al over — een onmisbaar grondrechtelijk fundament. Het is een groot goed dat de bescherming van persoonsgegevens op een passende wijze wordt gewaarborgd. Daarom is het van belang dat wij steeds voldoende oog hebben voor de risico's voor de privacy- en de gegevensbescherming. De Autoriteit Persoonsgegevens en de toezichthouders uit andere lidstaten hebben daarbij een rol, maar ook de wetgever en de nationale en Europese rechters. Bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving zijn goede data protection impact assessments van belang. Daarin wil ik de nadruk leggen op de kernvragen: kan de voorgestelde gegevensverwerking worden gerechtvaardigd; wat zijn de risico's voor de privacy en welke maatregelen zijn nodig om deze aan te pakken? Door deze kernvragen voorop te stellen wil ik het recht op privacy versterken. Op welke manier werkt de staatssecretaris gelijkwaardig samen met vertegenwoordigers van de Caribische eilanden en de Caribische landen om de komende jaren de privacy van al onze inwoners beter te beschermen? Ik heb daar volgens mij al het nodige over gezegd. Daar wil ik het nu even bij laten. Is de staatssecretaris het eens met GroenLinks-PvdA dat we geen concessies mogen doen aan ons privacyrecht en dat deze bescherming zwaarder weegt dan, zoals mevrouw Kathmann zei, dealtjes sluiten met de Verenigde Staten? Het antwoord daarop is: ja, dat ben ik met u eens. De inzet is vanuit Nederland dat een adequaatheidsbesluit geen afbreuk doet aan het recht op gegevensbescherming en toetsen van het EU-Hof van Justitie doorstaat. Uiteraard moet het EU-Hof van Justitie dit toetsen als daar twijfel over is. Daar houden wij ons aan. Laat de staatssecretaris het zitten bij afspraken op papier of is dit slechts het begin van betere privacybescherming in ons Koninkrijk? Dit is ook een vraag van mevrouw Kathmann. De goedkeuringswet en de consensusrijkswet waar momenteel in gezamenlijkheid aan wordt gewerkt, beogen juist in de praktijk tot een veiligere en betere uitwisseling van gegevens te komen. Daarmee rond ik het blokje implementatie af en kom ik niet bij het blokje overig, zoals ik had beloofd, maar bij een wat bredere beschouwing van privacy in het algemeen. Dit raakt soms direct aan wat vandaag voorligt en gaat daar heel misschien soms een beetje buiten. Laten we maar eens kijken waar we komen, zonder van dit debat een 100%-privacydebat te maken, want de heer Valize zei al dat er wel ergens een grens zit aan hoever we het daar vandaag over kunnen hebben. Wellicht kunnen we daar in de toekomst nog een ander mooi debat over hebben. De heer Six Dijkstra vroeg daar nogal wat over. Ik heb de vragen een beetje gebundeld. Bent u het ermee eens dat recente gebeurtenissen de noodzaak onderstrepen dat politici pal staan voor het recht op privacy? Onderkent u dat dit recht in het huidige politieke klimaat onder druk staat? Welke concrete maatregelen neemt u om dit grondrecht actief en blijvend te bewaken en te versterken? Het klinkt bijna als een hartenkreet van de heer Six Dijkstra en dat is het volgens mij ook. Het lid Six Dijkstra heeft een aantal recente voorbeelden aangehaald van schendingen van of spanningen met het recht op privacy. In tijden van technologische ontwikkelingen, veiligheidsuitdagingen en digitalisering is het daarom des te meer van belang om scherp te zijn op toegang tot gegevens, toezicht en, eventueel, uitzonderingen. De inzet is daarbij om geen afbreuk te doen aan grondrechten, waaronder ook het recht op gegevensbescherming. Hoewel dit recht essentieel is, is het geen absoluut recht. Het hoeft niet te worden afgewogen tegen andere grondrechten en belangen. Verschillende rechtsstatelijke en institutionele waarborgen dragen daaraan bij. In een wetgevingsproces wegen de onafhankelijke adviezen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens zwaar. In EU-verband wegen we de opinie van het Europees Comité voor gegevensbescherming, het EDPB, ook zwaar. Bovendien staan uitvoering en handhaving van de AVG onder toezicht van onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten zoals de Autoriteit Persoonsgegevens. Die kunnen optreden bij schendingen en dat doen ze ook. Tot slot werk ik verder aan de versterking van de positie van de functionarissen gegevensbescherming. Nog een vraag van de heer Six Dijkstra: gaat u onomwonden uitdragen dat het Nederlandse gezag zich volledig te houden heeft aan artikel 5, lid 1h, het verbod op realtime biometrische surveillance, van de AI-verordening? U had hier ook al een klein interruptiedebatje over met de heer Verkuijlen. Laat duidelijk zijn dat de inzet van realtime gezichtsherkenning bij een fysieke ordeverstoring een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich meebrengt die zich ook uitstrekt naar onschuldige omstanders. De inzet van realtime gezichtsherkenning moet niet onderschat worden. Met dit zware middel dient dan ook zeer terughoudend om te worden gegaan. Niet voor niets is de inzet van realtime gezichtsherkenningstechnologie voor rechtshandhaving in de openbare ruimte in de AI-verordening verboden. Slechts in een beperkt aantal limitatief opgesomde gevallen — daarover ging ook uw interruptiedebatje — mag via nationale wetgeving een uitzondering worden gemaakt op deze verboden. Vanzelfsprekend acht Nederland zich aan deze wetgeving gehouden. Dan kom ik — dat is spannend — bij de laatste vraag met antwoord, de vraag van mevrouw Kathmann: wat zijn de gevolgen voor Conventie 108 en de consensusrijkswet als de plannen om de AVG aan te passen doorgaan in het zogenaamde Omnibusvoorstel in Europa? Over het Omnibus IV-voorstel wordt op dit moment nog in de Raad van de Europese Unie onderhandeld. Zoals uiteengezet in het BNC-fiche waarin de inzet voor het Omnibus IV-voorstel wordt uiteengezet, bevat het voorstel van de Commissie enkele zeer gerichte wijzigingen in de AVG. Zo wordt artikel 30, lid 5, AVG in het Commissievoorstel verduidelijkt en uitgebreid naar organisaties met minder dan 750 werknemers, tenzij sprake is van hoogrisicogegevensverwerking. De zeer gerichte en beperkte wijzigingen die in het Omnibusvoorstel worden voorgesteld hebben geen gevolgen voor Conventie 108+. Daarmee, voorzitter, kom ik tot mijn afronding in eerste termijn, tenzij er nog vragen leven bij de leden van de Kamer.

Versie 7443fcf11f80f54507a6cc57f45eb002c7c5ab34df083d8fab78165d42135100 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · f97c302e4c93d25a

13 okt 2026 · dd2dadb8e78f8cd8

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.