BHO
Brontekst
Versie 5811182c3eceed5e · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigenDe heer Lohman (CDA): Dank u wel, voorzitter. 2025 was een jaar met grote turbulentie. Dat is ook te zien in het jaarverslag, waarin gesproken wordt over de toename van gewelddadige conflicten in Oekraïne, Sudan en Gaza, van de toenemende handelsconflicten wereldwijd en van een onvoorspelbaar handelsbeleid van de Verenigde Staten. Tegelijkertijd lezen we in bijna elk beleidsartikel de zinsnede "conform de bezuinigingsopdracht". Er wordt bezuinigd op voedselzekerheid, op water, op vrouwenrechten, op onderwijs. Het CDA staat voor een buitenlandbeleid dat realistisch is over de Nederlandse belangen, maar ook eerlijk over onze verantwoordelijkheid in de wereld. De balans moet kloppen. Die klopte in 2025 niet. Voorzitter. Ik wil beginnen met een rapport dat los van het jaarverslag verschenen is, maar op het gebied van voedselzekerheid wat mij betreft essentieel is. Ik heb het over het onderzoek van ECDPM en Wageningen University naar de structurele effecten van Nederlandse voedselexporten naar kwetsbare Afrikaanse landen. De hoofdbevinding is helder: er is geen statistisch bewijs dat de Nederlandse uienexport naar Senegal of aardappelexport naar Ivoorkust de lokale productie structureel verdringt. In beide gevallen is er sprake van complementariteit. Nederlandse producten vullen in wat lokaal niet beschikbaar is of komen het land binnen buiten het oogstseizoen. Dat is goed nieuws voor onze exporteurs. Het kan ook goed nieuws zijn voor de Senegalese consument die in de droge maanden afhankelijk is van dat aanbod. Maar ik wil hier wel kanttekeningen bij zetten. Het rapport kijkt naar de twee gevallen met het grootste Nederlandse marktaandeel: 71% voor uien in Senegal en 84% voor aardappelen in Ivoorkust. Dat zijn uitzonderlijk hoge percentages. De conclusie dat er in die gevallen geen verdringing plaatsvindt, is geen vrijbrief voor alle andere exportstromen. De onderzoekers zeggen zelf ook: de effecten zijn contextspecifiek en complex. Wat het CDA betreft is dit rapport een uitnodiging om het monitoringssysteem aan te scherpen, want we moeten structureel over de hele keten kunnen aantonen dat handel complementair is aan lokale ontwikkeling. Bij het rondetafelgesprek over dit onderwerp — dat was vorige week, geloof ik; de tijd gaat snel — hoorden we ook de zorgen van professor Uche van het African Studies Centre in Leiden: geef Afrikaanse landen de mogelijkheid om meer waarde toe te voegen aan primaire producten en let op de impact van het Europese landbouwbeleid op de Afrikaanse markten. Ik heb daarover een vraag aan de minister. Is het kabinet bereid om op basis van dit rapport te werken aan een periodiek monitoringskader voor de effecten van de Nederlandse agrifoodexport op kwetsbare markten, juist zodat we eventuele problemen vroegtijdig signaleren en ons beleid kunnen bijstellen? Voorzitter. Ik wil ook iets zeggen over de rol van kennisoverdracht. Hetzelfde rapport maakt iets zichtbaar wat we als Nederland soms onderschatten. Nederlandse uitgangsmaterialen zoals zaaiuien en pootaardappelen worden door Senegalese en Ivoriaanse partijen gezien als essentiële input voor hun eigen productiviteitsverbetering. Onze sector exporteert daarmee niet alleen uien en aardappelen, maar ook kennis. Dat is precies het soort handel waar het CDA warm van wordt: geen afhankelijkheid creëren, maar capaciteit opbouwen. Uireka, 150 uienexperts die samen de export vooruit helpen, is daar een goed voorbeeld van. Dat verdienvermogen en die kenniscomponent moeten we koesteren, ook in het handels- en ontwikkelingsbeleid. Terug naar het jaarverslag. De economische missies. Het jaarverslag bevestigt dat het streven van tien missies in 2025 is gehaald: Kenia, Italië, Frankrijk, Indonesië … Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Maar het jaarverslag voegt er direct een relativering aan toe: vanwege wisselingen van bewindspersonen was het een uitdaging om voldoende economische missies op te zetten. Het doel is uiteindelijk gehaald door inzet van andere bewindspersonen of een directeur-generaal. Dat is winst op papier, maar het bevestigt precies het knelpunt dat ook uit een aparte effectmeting van deze missies naar voren komt: de rol van de bewindspersoon is niet voor iedereen helder en matchmaking kan scherper. Diezelfde effectmeting laat zien dat er 668 deelnemers waren en 436 unieke bedrijven, waarvan 57% mkb. Dat is een goede ontwikkeling, maar die mkb-bedrijven voelen zich soms achtergesteld bij grotere bedrijven. Juist het mkb heeft een brugfunctie die van de handelsmissies meer maakt dan alleen pr. Het jaarverslag meldt dat er nu nauwer wordt samengewerkt met VNO-NCW in de planningsfase. Hoe wordt geborgd dat die nauwe samenwerking ook specifiek het mkb versterkt en niet vooral de grote bedrijven en brancheorganisaties? Wat bijzonder opvalt, is de Indonesiëmissie. Daarbij ging het om drie sectoren — tuinbouw, waterbeheer en maritiem — en ging men langs vier locaties. De missie heeft een potentiële exportwaarde van 650 miljoen euro. Het jaarverslag zelf noemt dat er inmiddels meer dan 600 bedrijven betrokken zijn bij de combitracks, met concrete voorbeelden in Kenia met agrologistiek, in Zuid-Afrika met tuinbouw, in Vietnam met aquacultuur en in Nigeria met zonne-energie. Dat is precies de aanpak waarvan het CDA zegt: dit is duurzame economische diplomatie. De missie naar Indonesië liet zien dat sectorspecifieke voorbereiding via combitracks aanzienlijk betere resultaten oplevert. Mijn vraag aan de minister is: is de minister bereid om voor de agri- en watersector een meerjarige missiestrategie te ontwikkelen, gekoppeld aan de combinatielanden, die voortbouwt op het bestaande combitrackinstrumentarium? Voorzitter. Ik kan niet voorbijgaan aan de bevindingen van de regenkamer. Ik bedoel de Rekenkamer. Een interessante verspreking, zeker met dit weer. Het jaarverslag bevestigt die zelf. Er is een verklaring met beperking afgegeven, met als voornaamste reden de onzekerheid rondom de door Invest International en RVO gerapporteerde cijfers van de regelingen die zij onder mandaat uitvoeren. Het jaarverslag schrijft dat Invest International nog een jaar nodig heeft om de gevraagde versnelling te kunnen bereiken, met de verwachting dat alle verbetermaatregelen in 2026 zijn doorgevoerd. Dat is dus een toezegging die het kabinet zichzelf al doet, maar dat hebben we eerder gehoord. Ook over het verslagjaar 2025 zijn er rechtmatigheidsoverschrijdingen op artikel 1, deels omdat er nog geen formele afspraken zijn tussen Buitenlandse Zaken en Invest International over het aantonen van de rechtmatigheid. Mijn vraag aan de minister is: wanneer is dit opgelost? Graag niet in vage termen, maar met een concrete datum en concrete maatregelen. Wat is de consequentie als er ook in het jaarverslag van 2026 opnieuw een onvolkomenheid is? Voorzitter. Ik sluit af. Het rapport van ECDPM en Wageningen liet zien dat de Nederlandse handel en lokale ontwikkelingen elkaar kunnen versterken in plaats van verdringen, maar alleen als we dat structureel blijven monitoren, juist ook bij markten met het grootste Nederlandse aandeel. Dat is precies waar het CDA voor staat: handel als motor voor ontwikkeling, niet als excuus om zij die onze hulp het meest nodig hebben weg te bezuinigen, maar als instrumentarium om duurzame partnerschappen te bouwen, met de toevoeging van waarde in de keten, de kennisoverdracht en de monitoring die daarbij horen. Ik hoor dan ook graag of de minister bereid is om de toezegging over een periodiek monitoringskader hier te bevestigen. Dank u wel.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.