KamerkringInloggen
Uitspraak

het Verantwoordingsdebat over het jaar 2021

9 jun 2022 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b8cca87f58f43967 · officiële bron

Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Voorzitter. Verantwoordingsdag gaat wat het CDA betreft over rentmeesterschap, over zuinig en zorgvuldig omgaan met gemeenschapsgeld. De vraag in hoeverre dat in 2021 voldoende is gebeurd staat vandaag centraal. Daarover wil ik graag in gesprek met de minister-president, de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering en de minister van Financiën, de minister van ons gemeenschapsgeld. Want, ja, we hebben te maken met bijzondere jaren: corona, inflatie en een vreselijke oorlog. En ja, dat heeft invloed op ons handelen en maakt het complex. Maar ik wil het ook omdraaien: want juist als we elkaar zo hard nodig hebben als regering, als parlement en als samenleving, moeten we onze inwoners laten zien dat we ook zorgvuldig kunnen samenwerken om te helpen wie geholpen moeten worden. Voorzitter. Ik wil beginnen met de vraag of het kabinet ons geld op de juiste manier uitgegeven heeft. Het antwoord is: daar is nog wel wat aan te verbeteren. De Algemene Rekenkamer constateert dat we nu, voor het derde achtereenvolgende jaar, moeten vaststellen dat de rechtmatigheid een probleem is en dat het echt tijd is om het financieel beheer op orde te brengen. Daarom heb ik over dit, voor ons belangrijke punt drie opmerkingen en een aantal vragen. Ten eerste zien we dat een groot deel van de verplichtingen niet aantoonbaar rechtmatig aangegaan zijn. Het is daarnaast ook nog een groeiend deel. Dat betekent niet alleen dat de tolerantiegrens van 1% fors is overschreden, maar het gaat ook om een groot bedrag. Late we eerlijk zijn: we hebben te maken met een structureel probleem. Ik ben dan ook benieuwd of het kabinet dit beeld deelt. We zien ook dat problemen verschillen per departement. Dat brengt me net als vorig jaar tot de conclusie dat de integrale verantwoordelijkheid van de minister van Financiën beter moet. Want ja, departementen zijn zelf verantwoordelijk: dat antwoord ken ik al van vorig jaar. Maar het lijkt me dat de minister van ons gemeenschapsgeld toch ook de intrinsieke motivatie moet voelen om met de collega-ministers mee te kijken. Dus net als vorig jaar mijn vraag: hoe kijkt de minister van Financiën naar mijn conclusie en hoe gaat ze haar rol verstevigen? Overigens is het niet zo dat wij als parlement sommige dingen niet wisten of dat wij er niet medeverantwoordelijk voor zijn. Ik doel dan met name op de ruim 1 miljard die samenhangt met herstel- en compensatiebetalingen aan gedupeerden van de kindertoeslagaffaire. Hier is geen wettelijke grondslag voor, en dat wisten we. Maar we hebben hier gekozen voor snelheid boven kwaliteit van voorbereiding. Of dit een goede keuze was voor de ouders, daar kom ik later in mijn verhaal op terug. Ten tweede zien we dat er in het afgelopen jaar veelvuldig een beroep werd gedaan op artikel 2.27 van de Comptabiliteitswet. Daar is al veel over gesproken. De minister-president deed dat in het Verantwoordingsdebat over 2020 af met de opmerking dat één extra postzegel ministers veel onrechtmatigheden had kunnen besparen. Wat bedoelt de minister-president hiermee? Bagatelliseerde hij het democratisch belang van de brief van 5 miljard die in die envelop had moeten zitten? Is deze uitspraak niet typerend voor wat we zien gebeuren? We maken steeds meer gebruik van het briefje zonder voldoende stil te staan bij de vraag waarom we hiervoor kiezen. Hetzelfde geldt voor alle suppletoire begrotingen. Vaak hadden ze te maken met coronamaatregelen. Dit leidde ertoe dat het parlement om de drie à vier weken een andere begroting voorgelegd kreeg. Maakt het ons begrotingsproces inzichtelijker en beter controleerbaar? Mijn vraag is: kunnen we dit onderwerp ook wat verder uitdiepen met elkaar? Ik wil niet meteen "schande" roepen; ik wil vooral verbeteren. Kan de minister ons een overzicht doen toekomen van alle tussentijdse aanpassingen op de begroting en per maatregel een reflectie op de vraag of dit nu echt op deze manier naar het parlement had moeten komen of dat een steviger behandeling meer recht had gedaan? Bij de aandelenaankoop van KLM van vorige week maandag hebben we die tijd ook genomen. Ik denk dat dit de besluitvorming maar ook de transparantie richting onze inwoners over wat we met gemeenschapsgeld doen ten goede komt. Ten derde wil ik nog even stilstaan bij de vraag hoe we omgaan met de controle van onze provincies en gemeenten. Om het samen te vatten: het overgrote deel van het publieke geld wordt via de rijksbelastingen geïnd, maar de daadwerkelijke aanwending wordt niet gecontroleerd en verantwoord op de rijksrekening, want dat zit bij de decentrale overheden, en dat is ook prima. Mijn verwachting is dat dit alleen maar meer wordt. De signalen van deze decentrale overheden dat ze tekortkomen om hun werk goed te kunnen doen, in combinatie met het feit dat we hier dus eigenlijk geen goed inzicht in hebben en er dus ook geen automatische bijsturing plaatsvindt, baren me wel echt zorgen. Via de VNG mogen ze aan de bel trekken, maar wordt er voldoende naar ze geluisterd? Het CDA ziet de decentrale overheden als de belangrijkste samenwerkingspartner, en Den Haag als de moeder van deze lokale overheden. Ik ben benieuwd hoe de minister van Financiën dit ziet. Voorzitter. Dan een antwoord op de vraag of de euro's de goede kant op rollen en of de zaken goed geregeld zijn. De Algemene Rekenkamer zoomt stevig in op de kwaliteit van de uitvoering van beleid, en dan specifiek op de vraag hoe het komt dat de burger uit beeld raakt bij de uitvoeringsorganisaties. In diverse eerdere rapporten is er al meerdere malen aandacht geweest voor de realiteit van de uitvoering, voorafgaand aan en tijdens de besluitvorming, en voor bestuurlijke alertheid van het kabinet en een gezonde dosis realiteitszin aan de zijde van het parlement, in combinatie met respect voor de factor tijd. Maar hoeveel tijd durven we te nemen als de ellende groot is, bijvoorbeeld in het geval van de toeslagenouders? Ik vind dat ingewikkeld, want het gevoel voor rechtvaardigheid bijt met de realiteitszin, en de gevolgen kennen we in dit geval: een uitvoeringsorganisatie die hapert en heel langzaam stapjes zet, en nog veel erger, ouders die wachten en wachten, en vertrouwen dat steeds verder afneemt. De vraag is dan ook: hebben we de juiste keuze gemaakt? Ik krijg hierop graag een reflectie van de minister-president. Ik noem nog een voorbeeld waaruit blijkt dat deze breed gedeelte zorgen over de uitvoering in de praktijk ook echt terecht zijn. Ik wil jullie graag even meenemen naar meneer De Haas. Hij is 82 en hij woont in een oude boerderij. Hij probeert daar alleen het boeltje te rooien, ondanks zijn gezondheid. Hij heeft nog een paar schaapjes, een geitje, wat kippen en een paard, en een familie die helaas wat verder weg woont. Deze man heeft een AOW en een torenhoge energierekening. Dus hij belde mij en zei: Inge, kun je me helpen met het aanvragen van energiecompensatie? Deze meneer heeft geen computer, geen printer, geen scanner en geen e-mailadres. Maar om in aanmerking te komen, moet hij eerst het aanvraagformulier printen. Dan moet hij het invullen. Dan moet hij het inscannen, samen met zijn legitimatie, zijn bankafschriften, zijn energierekening en zijn inkomensbewijs. Pas dan kan het in behandeling worden genomen. Deze meneer is in paniek. De aanmaningen stapelen zich op. Toen ik een paar weken geleden bij hem op bezoek kwam om hem te helpen met deze ellende, zat hij onder een dekentje op de bank in een ijskoud huis. Hij was woedend. Hij zei: "Inge, ik heb heel mijn leven zó hard gewerkt. Ik heb nooit mijn hand opgestoken. Ik heb iedereen die iets nodig had proberen te helpen. Nu heb ik de overheid nodig, en nu vertrouwen ze me niet." Voorzitter en collega's, we moeten het tij keren. We moeten terug naar vertrouwen en meer menselijke maat, want we willen een overheid waar deze meneer naartoe kan bellen. We willen dat het geld vervolgens gewoon overgemaakt wordt en dat meneer een bezoekje krijgt van bijvoorbeeld de dorpsondersteuner om te checken of hij het wel redt of dat hij misschien nog meer hulp nodig heeft. Wordt daar misbruik van gemaakt? Ja, vast. Mogen we dat niet accepteren? Nee, dat mogen we niet accepteren. Maar mensen zó in de kou laten staan, daar krijg ik rillingen van. Op 24 maart heb ik hier samen met collega Van der Graaf een motie (35387, nr. 10) over ingediend. Die vraagt bij voorstellen voor nieuwe wet- en regelgeving, met name als die het inkomen van burgers raken, een doenvermogentoets uit te voeren en de Kamer over de ervaringen met en de bevindingen over deze toets te informeren per 1 september 2023. Maar ik voel meer urgentie. Ik wil daarom vandaag graag alvast van het kabinet horen hoe het de aanpak van deze motie voor zich ziet en wat de huidige stand van zaken van deze motie is. Dan nog een motie, namelijk 35830 nr. 13, die ik vorig jaar tijdens dit debat heb ingediend en waar ik graag een reflectie op wil. Ik heb hier namelijk niks over teruggevonden in de stukken van dit jaar. Maar die raakt wel deels de essentie van controleren op doeltreffendheid en doelmatigheid. Vorig jaar heb ik gevraagd om als uitgangspunt te stellen dat rijksbeleid waar mogelijk en indien zinvol en nuttig meetbare doelstellingen moet bevatten voor een beter inzicht in de effectiviteit van het beleid, waarvoor duidelijke instructies op te nemen in het Integraal afwegingskader voor beleid, en de Kamer te informeren over hoe dit uitgangspunt rijksbreed zal worden geborgd. Graag hoor ik hierop een reactie. Voorzitter. Dan brede welvaart. Brede welvaart gaat over de kwaliteit van het leven in het hier en nu, rekening houdend met de mate waarin het invloed heeft op de kwaliteit van leven van toekomstige generaties en mensen ergens anders in de wereld. De gedachte daarachter is dat beleidsbeslissingen en rapportages zich niet alleen moeten richten op economische groei en materiële welvaart, maar op alle welvaarts- en welzijnsaspecten. Het kabinet vindt de ontwikkelingen op het gebied van brede welvaart, waaronder de integratie in de begrotings- en beleidssystematiek, van groot belang. En wij ook. Maar vinden we de monitor zoals die nu voorligt de bril waardoor we moeten kijken om te bepalen of het goed gaat met Nederland? Ik heb hierover een aantal vragen. Sommige dingen in de rapportage zijn logisch. Die herkennen we als gezamenlijke grote opgaven, zoals ontevredenheid over de woningmarkt en zorgen over het klimaat. Daar is terecht veel aandacht voor. Maar ik zie ook een andere rode draad, namelijk dat er nog steeds veel verschillen zijn, maar ook dat veel Nederlanders moe zijn. Meer mensen werken en zijn ook tevreden over hun werk, staat beschreven. Maar hoe lang houden onze inwoners dit vol? Meer werken met een inflatie van rond de 10% gebeurt soms vooral om de rekeningen te kunnen blijven betalen, niet om leuke dingen te kunnen doen of je kinderen iets extra's te kunnen geven. We lezen ook dat de psychische belasting toeneemt; de balans is zoek. Zaken zoals vrijwilligerswerk en sociale participatie nemen af. Dat we als Nederland hierop nog goed scoren ten opzichte van andere landen, is fijn. Maar dat is 0,0 excuus om dit gewoon maar te laten gebeuren. Voorzitter. We voeren in de Kamer debat na debat over de Atlas van Afgehaakt Nederland, over het grote belang van vertrouwen tussen verschillende groepen in de samenleving en over het belang ervan dat mensen zich geaccepteerd voelen. Daar zie ik een hele grote kans. Want er staat in de monitor: "Het idee heerst dat grote sociale participatie leidt tot meer vertrouwen van mensen in elkaar, tot meer vertrouwen tussen verschillende groepen in de samenleving en het zich meer geaccepteerd voelen, en tot meer vertrouwen in belangrijke instituties, oftewel tot een stevigere samenleving." Iedere verbetering begint bij mensen die samen willen werken aan een betere samenleving. Daarom zou het CDA graag meer willen weten over het idee dat er beschreven staat, namelijk dat grote sociale participatie deels een antwoord zou kunnen zijn op, in mijn eigen woorden, het aanhaken van afgehaakt Nederland. Het CDA vindt het noodzakelijk om hierop te gaan verdiepen en ons beleid hier mede op in te gaan richten. Graag hoor ik hier een mening van onze minister-president over. We zien daarnaast dat we voor nog een aantal fundamentele keuzes staan als we brede welvaart centraal willen stellen. Het uitgangspunt "leave no one behind" is een mooi anker. De verdeling van inkomen en vermogen is hierbij relevant, maar ook het uitgangspunt "werken moet lonen". Hoe gaan we dit debat consequent met elkaar voeren? Worden deze ankers dan ook de basis van voorstellen zoals het belastingplan, waar we ieder jaar over moeten besluiten?

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.