← OnderzoekenBrontekst
Mevrouw Van Eijk (VVD): Voorzitter. Met het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 wordt de heffing in box 3 in overeenstemming gebracht met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daartoe wordt een tegenbewijsregeling in box 3 geïntroduceerd. Belastingplichtigen worden ofwel belast op basis van het forfaitair berekende rendement ofwel op basis van het lagere werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft in zijn arrest regels geformuleerd voor de vaststelling van het werkelijke rendement, waarmee de strijdigheid met het eigendomsrecht wordt weggenomen. Deze regels voorzien echter niet in alle mogelijke situaties. Daarom bevat dit wetsvoorstel een nadere invulling voor het bepalen van het werkelijke rendement. Door de omvang van de hersteloperatie kan deze alleen worden uitgevoerd op basis van een duidelijk kader. Daarbij past dat deze werkwijze in een wet wordt neergelegd.
De Wet tegenbewijsregeling box 3 is een geordende manier om rechtsherstel te bieden aan belastingplichtigen die benadeeld zijn door het oude systeem. Voor de toekomst is beoogd om een nieuw box 3-stelsel in te voeren, waarbij uitsluitend op basis van het werkelijke rendement belasting wordt geheven. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat zo veel mogelijk aansluiting is gezocht bij de voorgenomen bepalingen uit het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en dat gezorgd wordt voor een consistente bepaling van het werkelijke rendement. Hier wordt tegelijkertijd een belangrijke disclaimer bij geplaatst: voor zover dat overeenkomt met de regels die de Hoge Raad heeft geformuleerd. Voor zover er verschillen bestaan tussen de arresten van de Hoge Raad en het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement, zijn de arresten leidend. Het niet toestaan van kostenaftrek is hiervan een voorbeeld. De conclusie van mijn fractie is dat de aansluiting op belangrijke onderdelen wordt gemist. Zeg dat dan gewoon. Wees hier eerlijk over. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.
Het wetsvoorstel tracht het werkelijke rendement in het kader van het leveren van tegenbewijs duidelijker in te kleuren dan de Hoge Raad. Dat is positief te waarderen, ook al is het lang niet altijd makkelijk om de berekening te maken. Minder positief blijft dat het kabinet net als de Hoge Raad bijvoorbeeld de aftrek van kosten niet toestaat, behalve als het gaat om rentekosten. Veel belastingplichtigen zullen nu niet het gevoel krijgen dat het economisch werkelijke rendement belast wordt. Naar verwachting wordt dat vanaf 1 januari 2028 beter, maar in de tussenperiode is het voor een aantal groepen belastingplichtigen een hard gelag. Is de staatssecretaris het op dit punt met de VVD eens?
De eerdere uitspraak van de staatssecretaris — de heer Grinwis refereerde hier ook al aan — dat beleggers toch niet bepaald mensen zijn die het meest in de knel zitten, heeft niet geholpen om draagvlak te creëren voor de tegenbewijsregeling in de huidige vorm. Het argument dat de voorgenomen verhoging van het forfait op overige bezittingen geen onderdeel uitmaakt van dit wetsvoorstel maar zal worden opgenomen in het Belastingplan 2026, is uitstel van executie voor bepaalde belastingplichtigen. Het argument dat de tegenbewijsregeling alleen maar positief kan uitpakken voor belastingplichtigen ten opzichte van het forfaitaire rendement is een dooddoener, wetende dat het forfait nog eens extra wordt verhoogd.
De tegenbewijsregeling in box 3 is een poging om belastingheffing eerlijker te maken door rekening te houden met werkelijk rendement. Hoewel de regeling voordelen biedt in termen van rechtsherstel en aansluiting bij het draagkrachtbeginsel, zijn er aanzienlijke bezwaren met betrekking tot complexiteit, uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid. Diverse groepen ondervinden specifieke knelpunten. Ik noem een aantal voorbeelden.
Particuliere vastgoedbeleggers worden geconfronteerd met een hoge belastingdruk doordat het forfaitair rendement vaak hoger is dan het werkelijk rendement uit huurinkomsten. Als deze beleggers vanaf 2026 belasting moeten betalen over een fictief rendement van 7,8%, leidt dit tot situaties waarin verhuurders meer belasting betalen dan zij aan huurinkomsten ontvangen. De tegenbewijsregeling levert in dat soort situaties slechts zeer beperkt verlichting, omdat kosten niet aftrekbaar zijn.
Voor vakantiewoningen die voor eigen gebruik zijn, geldt dat het voordeel van eigen gebruik vanaf 2026 moet worden opgegeven, waarbij het kabinet voorstelt om uit te gaan van 5,0% van de WOZ-waarde. Dit kan leiden tot aanzienlijke belastingdruk, vooral als de WOZ-waarde van de vakantiewoning is gestegen.
Eigenaren van rijksmonumenten maken vaak hoge onderhoudskosten om het monument in stand te houden, maar kunnen deze kosten niet aftrekken bij het bepalen van het werkelijk rendement, wat leidt tot een onevenredige belastingdruk.
Het laatste voorbeeld betreft eigenaren van landgoederen onder de Natuurschoonwet die te maken hebben met beperkte inkomsten en hoge onderhoudskosten. De tegenbewijsregeling biedt ook voor hen weinig verlichting omdat kosten niet aftrekbaar zijn en het werkelijk rendement moeilijk vast te stellen is.
Alternatieven om de belastingdruk voor particuliere vastgoedbeleggers te matigen — kostenaftrek, verliesverrekening, verlaging leegwaarderatio, gefaciliteerd van box 3 naar box 2, uitzonderen ongerealiseerde waardemutaties, eigenaren van vakantiewoningen nihil waarderen voor eigen gebruik of het matigen van het belasten van feitelijk gebruik — worden door de staatssecretaris niet uitvoerbaar geacht. Het daardoor verwachte uitstel van de Wet werkelijk rendement kost tot nu toe veel geld. Ik zeg nadrukkelijk "tot nu toe", want ik heb een aantal amendementen gezien die wel degelijk van een dekking zijn voorzien.
Ik vind het moeilijk te accepteren dat een verlaging van het forfaitair rendement nu als enige realistische en uitvoerbare maatregel lijkt over te blijven om de fiscale druk op deze groepen te verlichten zonder het risico op meer complexiteit en, erger nog, vertraging van de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3.
Veel partijen in deze Kamer, waaronder de VVD, hebben oplossingen geschetst. Maar de computer zegt nee. De staatssecretaris moet daarom nog een keer aan de slag om in overleg met deze groepen belastingplichtigen te komen tot mogelijke uitvoerbare alternatieven die bijdragen aan een evenwichtige belastingheffing. Ik zal daartoe in tweede termijn een motie indienen.
De uitvoeringstoets van de Belastingdienst, die zojuist ook al benoemd werd, geeft een negatief oordeel, rode vlaggen, over alle vijf de aspecten die worden getoetst. De Belastingdienst verwacht dat circa 2,6 miljoen definitieve aanslagen in aanmerking komen voor een aanvullend herstel over de periode 2017 tot en met 2026. Voor de periode 2024-2026 is de inschatting dat daarvoor 1.757 fte extra aan personeel nodig is. Dit zijn duizelingwekkende aantallen.
Ik ben met een aantal collega's, de heer Grinwis en de heer Stultiens, op werkbezoek geweest bij de Belastingdienst. We hebben ons laten informeren over de uitvoering. Ik heb er vertrouwen in dat de Belastingdienst deze enorme opdracht tot een goed einde gaat brengen. Als het de heer Grinwis, de heer Stultiens en mijzelf lukt om — eerlijk is eerlijk, met een beetje ondersteuning — het formulier Opgaaf werkelijk rendement juist, volledig en binnen een redelijke tijd in te vullen, dan gaat dat heel veel Nederlanders ook lukken. Kan de staatssecretaris de laatste stand van zaken geven? Staat alles klaar om vanaf medio juli de uitvoering op te starten? Zo nee, waar loopt de Belastingdienst tegenaan en wat is er nodig om eventuele knelpunten zo snel mogelijk op te lossen?
Er worden 360 zogenaamde ongestructureerde bezwaren en verzoekschriften verwacht. Het verplichten van het formulier Opgaaf werkelijk rendement, een aanbeveling van de Raad van State om de uitvoering te ontlasten, zou juridisch kwetsbaar zijn. De SGP heeft op dit punt een amendement ingediend. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van dit amendement. We moeten alles doen om de uitvoering te helpen. Dit punt zou daaraan kunnen bijdragen.
In totaal is 16,6 miljard euro aan derving ingeboekt in relatie tot box 3. Zonder de kwaliteit van de ramingen of de instituties ter discussie te stellen, vindt mijn fractie het nog steeds moeilijk te bevatten dat dit de uitkomst gaat zijn. Hoe wordt dit gemonitord? Wanneer krijgen we de eerste inzichten in het aantal belastingplichtigen dat daadwerkelijk gebruikmaakt van de tegenbewijsregeling en de bedragen die daarmee gemoeid zijn? Wat gebeurt er met mee- en tegenvallers? Worden de ramingen nog bijgesteld?
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over het IT-beleid bij de Belastingdienst. Het oordeel van de staatssecretaris dat vrijwel elke verzachtende maatregel leidt tot vertraging van de Wet werkelijk rendement box 3 zet de Kamer voor het blok en is enorm onbevredigend. Waarom leidt een ogenschijnlijk simpele aanpassing zoals een kostenaftrek, al dan niet forfaitair, meteen en onvermijdelijk tot een jaar vertraging? De Belastingdienst heeft onvoldoende capaciteit om zowel het rechtsherstel als de implementatie van het nieuwe box 3-stelsel te realiseren. Dit komt door verouderde systemen en een gebrek aan gekwalificeerd personeel. Het komt af en toe over alsof dit simpelweg als feit geaccepteerd wordt, terwijl de kosten van elk jaar vertraging groot zijn en dit gebrek aan IT-capaciteit de Kamer geen enkele optie tot bijsturing biedt.
Welke stappen zet de staatssecretaris om het tempo van de IT-hervormingen bij de Belastingdienst te versnellen? Wat doet hij om kennis en expertise van de verouderde systemen binnenboord te houden en aan te trekken? Zijn er IT'ers die meer zouden willen werken of die beter in de gelegenheid gesteld zouden kunnen worden om minder uren bezig te zijn met overleg en procedurele rompslomp? Mijn fractie vindt dat de staatssecretaris álles uit de kast moet halen om dit vlot te trekken, des te meer omdat elk jaar vertraging van de Wet werkelijk rendement box 3 de overheid ruim 1,7 miljard euro kost en dit ten grondslag ligt aan de voorgenomen verhoging van het forfaitair rendement voor overige bezittingen in 2026 en 2027. Dat is daarmee geen politieke keuze geweest, maar een gevolg van falend IT-beleid van de overheid. Het kabinet moet transparant zijn over de oorzaken van het uitstel en verantwoording afleggen over de genomen beslissingen. Ik zal hiertoe in tweede termijn een motie indienen.
Voorzitter, hier wil ik het in de eerste termijn bij laten. Ik kijk uit naar de reactie van de staatssecretaris.
Versie 9aa0b7a9418e086b5ca78b1cbb119f0d1093433718aa45a690fcdea177cb56a0 · Officiële bron.
Context en discussie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.