← OnderzoekenBrontekst
Staatssecretaris Struycken: Voorzitter, dank u wel. Dit is een bijzondere gelegenheid, omdat dit een bijzonder onderwerp is en ook omdat het staatssecretaris Rummenie en mij samenbrengt in één debat. Bovendien is het een thema dat velen van ons doet denken aan de eigen leefomgeving en ook aan het verleden. Dat geldt ook voor mij, daar waar het de consumentenkoop betreft en de kernbegrippen van het privaatrecht.
Vandaag spreken we over een onderdeel daarvan specifiek bij de consumentenkoop, namelijk over de vraag bij wie de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of een gebrek al bestond ten tijde van de levering en over de vraag bij wie het risico rust, als dat bewijs niet of moeilijk geleverd kan worden of te duur is om te leveren. Ik herken de analyses van de heer Ellian en mevrouw Van der Plas. Zij gaven beiden adequaat weer waar het hier om gaat, namelijk: wie draagt het risico op welk moment, als het bewijs dat een gebrek ten tijde van de aflevering al bestond, moeilijk te leveren is, kostbaar is of onvoldoende concludent is? Daar gaat het om.
Ik zal even spreken over het wetstraject en de keuzes die daarin zijn gemaakt. Daarna zal ik iets ingaan op de bewijslastproblematiek en dan met name op de termijn, met een enkele opmerking over dierenwelzijn vanuit het recht inzake de consumentenkoop. Aan het slot zal ik nog even iets zeggen over de bedenktijd vanuit mijn perspectief. De bedenktijd is een thema dat terugkomt bij staatssecretaris Rummenie, want die zal daar aan het slot van zijn interventie ook over spreken.
Wat het wetstraject betreft. Het uitgangspunt voor het wetstraject van vandaag is de motie van de Eerste Kamer, waarbij in meerderheid een opdracht is gegeven aan de regering om door middel van deze wijzigingswet de termijn van twaalf naar zes maanden te brengen. Dat is het uitgangspunt. Zo simpel is het. Daarmee is ook gegeven dat de insteek van de regering zes maanden is, omdat dat de essentie vormde van het amendement-Ellian. De opdracht van de Eerste Kamer is om dat amendement te implementeren door middel van deze wijzigingswet. Het was denkbaar geweest, zowel destijds als nu, dat er op een heel andere manier tegen deze wettelijke regel was aangekeken en er ook op een andere manier onderzoek naar was gedaan, namelijk door de analyses te maken waar de heer Koops onder andere naar vroeg. Hoe pakt dat nou uit? Wat is precies de logica? Zit er verschil tussen het ene product en het andere? En zelfs de vraag: zit er een verschil tussen het ene dier en het andere dier? Ik kan me inderdaad iets voorstellen bij de analyses die hij maakte over het verschil tussen de koop van een paard en de koop van een konijn. Op die manier is echter niet naar de wetgeving gekeken, niet ten tijde van het oorspronkelijke wetsvoorstel, maar ook niet in het verleden, omdat wij in het verleden voor alle producten een uniforme regel kenden inzake bewijslastverdeling bij consumentenkoop.
Het is goed om nog wel expliciet te maken dat de wijziging van het recht in 2022 is ingegeven door een Europese richtlijn, die als strekking heeft: het verscherpen van de bescherming van consumenten in geval van consumentenkoop in Europa. De vergroting van de bescherming van consumenten is de insteek geweest. In dat licht is die gedetailleerde analyse op basis van de aard van het goed niet gemaakt.
Versie 1cb33c6b1951d4a208137bd110a35cade4bf7a7d3aa2acaa3cb340d6c9427703 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Context en discussie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.