Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de termijn van de omkering van de bewijslast voor consumentenkoop van levende dieren
Brontekst
Versie 1cb33c6b1951d4a2 · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigenStaatssecretaris Struycken: Tot zover wat het wetstraject betreft. Ik heb al heel veel gezegd ten aanzien van de bewijslastverdeling. Een van de vragen die aan de orde kwamen, was bijvoorbeeld: wat kan een verkoper dan doen? In dat kader werd gesproken over een verklaring van een veearts, bijvoorbeeld een keuringsrapport. Die kan inderdaad helpen. Als er een verklaring van een deskundige is ten tijde van de aflevering, dan kan dat een indicatie zijn dat het betreffende beest ten tijde van de aflevering bepaalde gebreken niet had. Maar het kan ook gaan om — nu ga ik buiten mijn competentie spreken — gebreken die niet kenbaar waren met een deskundigenrapportage ten tijde van de aflevering, maar die toch een genetisch defect blijken te zijn. Dan heb je natuurlijk een nuance en is er sprake van een andere situatie, waarin de aard van het gebrek, dat zich dus pas veel later heeft geopenbaard, toch duidelijk maakt dat de koper dit gebrek ten tijde van de aflevering niet behoefde te verwachten, want daar gaat het om bij de conformiteitsproblematiek. Mevrouw Mutluer noemde terecht artikel 17 van Boek 7. Dan gaat het om de vraag wat de koper redelijkerwijs mocht verwachten. Een deskundigenrapport ten tijde van de aflevering zou dan niet volledig doorslaggevend kunnen zijn ten aanzien van de vraag bij wie uiteindelijk de aansprakelijkheid ligt. Ik geloof dat ik stiekem al heel veel vragen heb beantwoord. Mevrouw Mutluer vroeg nog naar de evaluatie. Het antwoord is: er is niet voorzien in een specifieke evaluatie van de gevolgen van deze aanpassingswet. Dat staat mede in het licht van wat ik al heb gezegd, namelijk dat de termijn van zes maanden tot een paar jaar geleden gold, en decennialang heeft gegolden, als termijn voor omkering van de bewijslast. In zoverre gaan we terug naar het recht dat tot voor kort gold. Ik vermeld daarbij: dat recht is destijds niet problematisch bevonden, noch ten aanzien van de keuzes ten aanzien van de risicoverdeling — dat is het namelijk; de heer Ellian zei terecht: het gaat uiteindelijk gewoon om het vinden van een balans tussen het risico voor de koper en het risico voor de verkoper — noch ten aanzien van het recht, dat destijds geen aanleiding gaf tot zorgen omtrent dierenwelzijn. Ik vermeld daarbij dan ook dat de brief van de Sectorraad Paarden kennelijk ervan uitgaat dat de termijn van zes maanden uit het verleden een werkbare termijn is. Die termijn wordt in de brief namelijk als zodanig genoemd. Dan kom ik tot slot nog op een enkele opmerking over de bedenktijd. De vraag die op tafel is gekomen, komt van mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren. Zij heeft hier ook met haar motie aandacht voor gevraagd. Ik kijk naar de bedenktijd van veertien maanden vanuit de vraag of die opportuun is. Dan gaat het, denk ik, wel degelijk over een risicoverdeling, maar ook over impulsen, over prikkels. In het algemeen, zonder dat het over dieren gaat, kan er worden geconstateerd dat, bijvoorbeeld in de kledingindustrie ... Een van de leden wees er terecht op — ik geloof dat het meneer Smitskam was — dat we in Nederland het probleem hebben dat mensen ertoe verleid worden om grote hoeveelheden kleding te bestellen en die dan terugsturen in een niet meer bruikbare staat. Dus die wettelijke bedenktijd kent negatieve consequenties, die zich in het algemeen doen voelen en misschien tot heroverweging nopen. Tegelijkertijd kan ik me goed voorstellen dat er voor dieren een bijzondere analyse moet worden gemaakt. Vanuit het perspectief van mijn portefeuille zou ik ten minste nader moeten nadenken over de vraag of het opportuun is om een wettelijke bedenktijd in te voeren en of die dan moet ingaan na aflevering of in de periode tussen het sluiten van de koop en de aflevering. Zo'n bedenktijd houdt in dat je naar de winkel gaat, een konijn koopt, de helft vooruitbetaalt en het konijn pas een week later ophaalt. Die komt misschien tegemoet aan de zorgen die de heer Koops heeft en aan de casuïstiek die hij schetste. Maar op dit punt laat ik het aan staatssecretaris Rummenie om daar verder op te reflecteren, specifiek vanuit het perspectief van het dierenwelzijn. Dan kom ik op de amendementen. Misschien verrast het u niet, maar ik zal een appreciatie geven van het amendement op stuk nr. 9 en het amendement op stuk nr. 10. Het amendement op stuk nr. 9 is het amendement van mevrouw Van der Plas. Zij stelt voor de termijn te verkorten naar drie maanden. Wij stellen voor de termijn te houden op zes maanden, ten eerste omdat de motie van de Eerste Kamer daar simpelweg toe noopt. De tweede reden is dat de termijn volgens het recht decennialang zes maanden is geweest. De derde reden is dat we geen nader onderzoek hebben gedaan naar de opportuniteit van die zes maanden ten aanzien van de consumentenkoop van levende dieren. Ik noemde al dat de Sectorraad Paarden ook uitgaat van een termijn van zes maanden, die volgens hen goed werkbaar was. Het amendement op stuk nr. 10 betreft die wettelijke bedenktijd. Ik gaf u aan dat ik vanuit mijn perspectief het amendement nader zou willen onderzoeken. Als het een motie was geweest, dan had ik "ontijdig" gezegd, maar een amendement kan ik niet op die wijze appreciëren. Ik neem een voorschot op wat staatssecretaris Rummenie gaat zeggen vanuit zijn perspectief, maar vanuit mijn perspectief ben ik genegen het amendement te ontraden op basis van het argument dat het beter onderzocht moet worden en dat er beter nagedacht moet worden over de wijze waarop de bedenktijd het beste vorm zou kunnen krijgen. Tot zover. Dank u.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.