de hoge inflatie in Nederland
Brontekst
Versie d98c5659f0616cdd · officiële bronMinister Heinen: Voorzitter, dank u wel. Ik ben vandaag de boekhouder van dienst en de heer Karremans is de supermarktmedewerker van dienst, dus hij zal die vragen beantwoorden. Laat me eerst een paar inleidende woorden uitspreken voordat ik naar de beantwoording van de vragen ga. Het is goed dat we vandaag over dit onderwerp spreken. De prijzen zijn de afgelopen jaren fors gestegen. Dat hebben we allemaal kunnen merken. Dit noemen we inflatie en dat heeft geleid tot veel zorgen. Inflatie raakt gewone Nederlanders immers hard in de portemonnee, holt de koopkracht uit en zorgt ervoor dat spaargeld minder waard wordt. Na een enorme inflatiegolf in eerdere jaren zien de cijfers er nu gelukkig wel beter uit. De inflatie was het afgelopen jaar, in 2024, 3,3%. Dat was zelfs al ietsje lager dan was verwacht. Het CPB verwacht voor volgend jaar, dus 2026, een inflatie van 2,3%. Ik ga straks in op de specifieke vragen van de heer Vermeer en de heer Faddegon op dit punt. Ik kan er wel gelijk bij aanwijzen dat recente maandcijfers voor de inflatie passen bij deze verwachting, maar daar ga ik straks specifieker op in. Inmiddels zien we ook dat de lonen harder stijgen dan de inflatie, waardoor de koopkracht sinds lange tijd weer toeneemt. Dat heeft u ook in de Miljoenennota kunnen lezen. Ook hier ga ik straks nader op in. We merken echter nog steeds de gevolgen van de zeer hoge inflatie uit 2022. Deze werd vooral veroorzaakt door twee uitzonderlijke schokken. Ik denk dat het goed is die weer in herinnering te brengen voordat we aan het inhoudelijke debat beginnen. We hadden uiteraard de coronapandemie en het snelle economisch herstel erna, en de Russische inval in Oekraïne en de hoge energieprijzen als gevolg daarvan. Dit werd versterkt door het stimuleringsbeleid van overheden en centrale banken, dat juist gericht was op het stimuleren van de economie om zo de vraaguitval te compenseren. Dat was uiteraard ook te begrijpen. Maar bij een aantrekkende economie, die onverwacht snel aantrok, zorgde dat beleid wel voor een hogere vraag dan waarin het aanbod kon voorzien. De Europese Centrale Bank heeft vervolgens ingegrepen met renteverhogingen en de afbouw van opkoopprogramma's, en dat was ook goed. Overheden daarentegen zijn wel doorgegaan met expansieve begrotingen, wat de bestrijding van de inflatie lastiger maakte. Daarom ook mijn continue oproep om minder uit te geven. Voorzitter. Vooruitkijkend maken economische onzekerheden zoals handelstarieven en geopolitieke ontwikkelingen de inflatieverwachtingen wel onzeker, net als de staat van de overheidsfinanciën. Dat moeten we ons ook realiseren. Het is daarom belangrijk om vast te houden aan begrotingsdiscipline en het trendmatig begrotingsbeleid, waarbij de overheid niet onnodig druk zet op de economie in mindere tijden, maar ook niet onnodig extra olie op het vuur gooit met hogere uitgaven in goede tijden. Uiteindelijk doet ze dat natuurlijk met maar één doel, namelijk om de portemonnee van de gewone Nederlanders te beschermen. Na die inleidende woorden wil ik gaan naar de inhoudelijke vragen die zijn gesteld. Ik doe dat langs de volgende onderwerpen. Er waren een aantal vragen in het thema macro-economie en overheidsfinanciën. Er waren er ook een aantal op het gebied van de koopkracht. Daarna komen de vragen over de belastingen, een aantal internationale vergelijkingsvragen en tot slot het thema overig. Langs die volgorde wil ik de vragen van de Kamer langsgaan. Dan begin ik bij macro-economie en overheidsfinanciën. De heer Faddegon stelde in deze categorie de eerste vraag. Hij had een meer fundamentele vraag. Hoe realistisch is een daling van de inflatie volgend jaar? Ik refereerde in mijn inleidende woorden er al aan dat het CPB een daling van de inflatie van 3,2% naar 2,3% raamt voor het komende jaar. Uiteraard is dat geen glazen bol. Net als het weerbericht is het een voorspelling op basis van de beste modellen die we hebben. Je weet dat natuurlijk nooit met 100% zekerheid, maar het gaat in een dalende richting. Ik refereerde er net al aan dat de cijfers die wij zien, op die dalende richting wijzen. De belangrijkste oorzaak van de daling is een daling van de loongroei. We hebben natuurlijk een enorme inhaalgroei gezien als gevolg van de hoge prijsontwikkeling. Als gevolg zien we ook dat de diensteninflatie daardoor daalt, tenminste in de ramingen. We zien in de werkelijkheid dat de looneis van vakbonden ook lager is dan vorig jaar. Dat is begrijpelijk, want toen waren de prijsontwikkelingen natuurlijk ook zeer hoog. Dat heeft ook weer gevolgen voor de arbeidsmarktkrapte; die neemt af. Zo hangt alles met elkaar samen. Ook de verlaging van de brandstofaccijns draagt bij aan de dalende inflatie, maar ik moet er wel bij zeggen dat dat een tijdelijk effect is. Als je die namelijk niet structureel maakt, dan zal je de delta de andere kant op zien werken in 2027. Dit is even een technische uitleg, maar ik hoop dat ik daarmee de vraag van de heer Faddegon heb beantwoord. De heer Grinwis vroeg of ons begrotingsbeleid niet extra olie op het vuur gooit. De heer Grinwis is nog niet aanwezig in de zaal, maar ik ga de vraag toch beantwoorden. De heer Flach stelde deze vraag namelijk ook. O, die is ook afwezig. Die hebben een onderonsje blijkbaar. Het begrotingsbeleid — in Angelsaksische termen heet dat het fiscale beleid — en het monetaire beleid werken natuurlijk op elkaar in. In de ideale situatie werkt dat ook in tandem: als je het monetaire beleid verkrapt, zou je ook het begrotingsbeleid moeten verkrappen, om daarmee meer effect op de inflatie te kunnen bewerkstelligen. Als je het monetaire beleid verkrapt, maar het begrotingsbeleid niet verkrapt, werkt dat natuurlijk tegen elkaar in. Ik hoef u niet uit te leggen dat het begrotingsbeleid een nationale aangelegenheid is en het monetaire beleid een Europese aangelegenheid. Die coördinatie is lastiger, maar in theoretische zin ben ik het er natuurlijk mee eens dat een expansieve begroting niet helpt bij het bestrijden van inflatie. Ik wijs er wel op dat het vorige kabinet een van de meest expansieve begrotingen had in lange tijd. De heer Grinwis was daar onderdeel van, maar ook de partij waarvoor ik actief ben, dus dat is in geen enkele zin verwijtend bedoeld. We zien de gevolgen daar ook van in termen van onderuitputting: het geld kregen we niet uitgegeven. Dat helpt niet bij het bestrijden van inflatie. Maar goed, de eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat niet altijd te voorzien is hoe je begrotingsbeleid zich verhoudt tot de prijsontwikkeling. Dat is de reden waarom ik ook blijf hameren op het trendmatig begrotingsbeleid. Dat heeft namelijk een macro-economische stabilisatiefunctie, los van het begrotingsdisciplineargument. Daarmee heb ik naar tevredenheid de vraag beantwoord, want ik zie geen vragen van de heer Grinwis en de heer Flach. Voorzitter. De heer Vermeer vroeg naar de krappe arbeidsmarkt. Wordt die niet veroorzaakt door een expansieve overheid? Ook hierover zeg ik: het helpt in algemene zin niet dat een overheid een expansieve begroting heeft als dat ook tot gevolg heeft dat dat meer personeel, arbeidskracht en fte, absorbeert in de publieke sector, dat niet meer kan worden ingezet in de private sector. In algemene zin volg ik de theoretische exercitie die de heer Vermeer uiteenzet in zijn bijdrage. Ik moet er wel bij zeggen dat de overheid niet direct de inflatie stuurt met de omvang van de begroting. Het heeft natuurlijk wel met elkaar te maken. Mevrouw Van Dijk had in deze categorie ook nog een vraag, namelijk over het ambitieniveau voor investeringen. Dat is een zeer terechte vraag, ook in het licht van dit debat. Als je ervan uitgaat dat investeringen de aanbodzijde van de economie versterken, helpt dat natuurlijk bij de prijsstabiliteit. Als de vraag hoog is, kan je twee dingen doen: de vraag minderen of het aanbod versterken. Het aanbod zit natuurlijk meer op de lange termijn en daar heb je investeringen voor nodig. Zolang de groei van de consumptieve uitgaven niet wordt beperkt … Dat is wel een opgave die wij met elkaar hebben. Dat is een moeilijke politieke discussie, want die zitten natuurlijk ook in de sociale zekerheidssfeer. Dat zijn natuurlijk ook uitgaven waar mensen afhankelijk van zijn geworden of op rekenen als men een baan verliest of ziek wordt. Dat zijn wel consumptieve uitgaven en zolang we die niet beperken — we zien die wel zeer toenemen — gaat dat bij een gelijkblijvend budget natuurlijk ten koste van de investeringen. Dan zie je het dus achteruitlopen. Verder laten we deze discussie natuurlijk voornamelijk, aangezien ik hier in demissionaire status sta, aan een volgend kabinet. Dus enige bescheidenheid past mij. Er is wel een toezegging gedaan aan de heer Bontenbal, voor de AFB. Hij heeft gevraagd om een analyse te maken van hoe consumptieve uitgaven en de investeringen zich ontwikkelen. Ik weet dat de heer Vijlbrief daar ook naar heeft gevraagd en heeft gezegd: eigenlijk zouden we het debat eens met elkaar moeten voeren over hoe we dat onderscheid nou maken, ook in het licht van wat je via een begroting financiert. Daar had ik een eerdere uitwisseling over met de heer Vijlbrief, over wat je nou financiert via een begroting en wat je eventueel financiert via fondsen of investeringsinstellingen. Daar gaat natuurlijk wel de fundamentele discussie aan vooraf over wat consumptieve uitgaven zijn en wat investeringen zijn. Dus daar kom ik op terug. Ik doe dat in de antwoordenset van de vragen die zijn gesteld vooruitlopend op de Algemene Financiële Beschouwingen. Ik kan u zeggen dat ik ook zeer uitkijk naar dat debat. Dat is toch wel het mooiste debat van jaar. Voor financieel specialisten in ieder geval. Dan wou ik gaan naar het onderwerp koopkracht. Daar zijn ook nog een paar vragen over gesteld, door de heer Vijlbrief in de eerste plaats. Hij vroeg mij wat ik in mijn rol als minister van Financiën kan doen aan de huurprijzen, die in zijn analyse sneller stijgen dan de lonen. Daar wil ik één ding tegenover zetten, namelijk dat de huren vanaf 2022 met ongeveer 15% zijn toegenomen en de cao-lonen in dezelfde periode met ruim 21% zijn gestegen. Ik denk dat we echt fundamenteler moeten kijken. Daar hoef ik de heer Vijlbrief niet van te overtuigen. Het zit echt in het woningtekort. Dan over de woningmarkt. Uiteindelijk is in de economie alles terug te brengen tot vraag en aanbod. Ik hoef niemand ervan te overtuigen, zeker de heer Vijlbrief niet, dat de knelpunten van de woningmarkt vooral aan de aanbodzijde zitten en niet zozeer aan de vraagkant. Je kan uiteraard de vraag proberen te remmen — ik heb daar ook voorstellen voor gezien in de verkiezingsprogramma's — maar mensen moeten uiteindelijk toch kunnen wonen. We zullen dus echt alles op alles moeten zetten om het aanbod te vergroten, om ook daarmee de prijzen te drukken. De heer Grinwis had ook een vraag in de categorie koopkracht, namelijk of ik erken dat het leven van gezinnen met lage inkomens er financieel niet eenvoudiger op is geworden sinds 2021. Laat mij ook hier in algemene zin over zeggen dat het als je een beperkt inkomen hebt of een kleine beurs echt geen vetpot is en dat het soms echt zwaar is. We kennen allemaal de schrijnende gevallen van mensen die als ze bij de kassa staan zich toch even zorgen maken over het bedrag dat verschijnt en of, als ze pinnen, het bedrag nog wel op hun rekening staat of als ze een uitnodiging krijgen voor een verjaardag — dat is eigenlijk iets heel leuks — de zorgen toenemen uit het besef dat je ook iets moet meenemen en dat dat net de kosten zijn die je niet kan betalen. Ik ben me daar zeer van bewust en ik snap ook dat dat tot stress leidt bij mensen thuis. We moeten alles doen om de armoede te verlagen en de koopkracht te verbeteren. Dat wil ik eigenlijk in algemene zin hierop zeggen. Als wij als financieel specialisten de wat meer zakelijke analyse maken, moet ik er wel op wijzen dat de armoede enorm is gedaald. Ik doe daarmee niks af aan de tragiek die ik net beschreef, namelijk dat mensen in de stress zitten, maar we gaan wel de goede kant op met elkaar en het is natuurlijk wel iets moois om te constateren dat de armoede daalt. We moeten alles inzetten om die trend door te laten gaan, want uiteindelijk zijn we natuurlijk pas tevreden als armoede helemaal uitgebannen is. Er waren ook vragen over de buffelboete, het politieke label dat daar nu aan is gehangen. In de Miljoenennota heeft u het al kunnen lezen. Dat was ook naar aanleiding van de inzet van het kabinet, toen dat nog bestond uit drie dragende partijen. Ik weet dat de minister van SZW in zijn rol destijds — nu is hij fractievoorzitter van de NSC-fractie — daar ook op heeft ingezet. Dat waren de effecten als gevolg van de afbouw van de algemene heffingskorting, die weer een reactie was op het koopkrachtbeeld dat naar de mening van de politieke partijen onevenwichtig was. Dat had gevolgen en daar zijn we in deze Miljoenennota deels aan tegemoetgekomen. Dat zagen we vooral bij de sociale ontwikkelbedrijven. Er is extra budget vrijgemaakt om te zorgen dat die lonen omhoog kunnen. Maar, voorzitter, als u mij toestaat: er is ook een motie ingediend bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Daarin is een verzoek ingediend om een brief met een technische uitleg en varianten voor wat je hier nog meer aan zou kunnen doen. Het kabinet komt hier dus nog op terug. Ik zal het opnemen in de vragenset die wij u doen toekomen. Ik zou graag dit onderwerp daar verder met elkaar willen uitbenen, want dan hebben we allemaal dezelfde informatie. Dat was in de categorie koopkracht. Dan wil ik naar de categorie belastingen gaan, want daar is ook een aantal vragen over gesteld. Ik begin met de vraag van de heer Van der Lee. Hij stelde ook een vraag die mij niet verraste, want die is al vaker aan mij gesteld. Zijn vraag was eigenlijk wat er mogelijk is met betrekking tot het afromen van hogere winsten. In zijn politieke overtuiging zouden we dat vaker moeten doen. Ik wijs erop dat winsten uiteraard al worden belast met de winstbelasting. Meer winsten betekent dus ook meer belastingen. Ik denk dat het ook wel goed is om dat weer in herinnering te brengen. Als je geen winst maakt, wordt die belasting ook niet betaald, dus ik hoor hier impliciet eigenlijk ook een pleidooi voor winstgevende bedrijven, zodat er ook meer belasting afgedragen kan worden. Dat erkent de heer Van der Lee ook. Ondernemers die ik spreek, zeggen ook: belasting afdragen vind ik fijn, want dat betekent dat ik winst maak en dat het goed gaat; maar pas dan wel een beetje op met het niveau van de belastingen. Dat is het bekende debat dat wij hier met elkaar voeren. De heer Van der Lee wees in zijn vraag ook op overwinst. Wij weten ook met elkaar dat dat lastig juridisch af te bakenen is. Er is immers geen harde lijn tussen normale winst en overwinst. Dat maakt het juridisch ook kwetsbaar als je dit pad op zou gaan. We zagen dat ook in het verleden, toen we die hoge energieprijzen hadden, waar ik net ook naar verwees in het kader van die inflatiespike, van die piek die we zagen. We hebben toen in het kader van overwinsten natuurlijk een solidariteitsbijdrage ingevoerd op de energiebijdrage en we hebben die mijnbouwheffing verhoogd, maar we lopen hier nog steeds tegen juridische grenzen aan. Er lopen ook nog rechtszaken, omdat het juridisch zo kwetsbaar is, juist omdat die afbakening niet eenduidig is. Ik snap het in retorische zin, maar in meer juridische zin is dit dus wel echt een lastig. Dan zet ik even een punt, voorzitter. Dat is een beetje uitlokking.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.