KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 15 jan 2026 · Tweede Kamer

Begrotingsonderzoek Infrastructuur en Waterstaat

Brontekst

Minister Tieman: Dank u wel, voorzitter en commissieleden. Ik zal overgaan tot de beantwoording van de vragen die zojuist gesteld zijn door de rapporteurs en de staatssecretaris zal straks ook een aantal zaken die daarover gaan, toelichten. Ik begin met de eerste vraag van de heer De Hoop, over de onderuitputting. Waarom creëert de minister geen overprogrammering? Nou, dat is een duidelijke vraag. Die is ook eerder al gesteld. Mijn antwoord daarop is het volgende. In het Mobiliteitsfonds werkt Infrastructuur en Waterstaat met een stevige overprogrammering. Er worden extra projecten geprogrammeerd. Bij de afgelopen Najaarsnota is gebleken dat er mede door de overprogrammering in 2025 vorig jaar zelfs meer is uitgegeven dan het beschikbare budget. Ik zie hier dus een trendbreuk. Er is dus sprake van overuitputting in plaats van onderuitputting op het Mobiliteitsfonds. Er blijft dus geen geld meer op de plank liggen. Ten aanzien van de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds was de vraag welke mogelijkheden er zijn om de productie van Rijkswaterstaat te vergroten en de overprogrammering verder te realiseren. Ik kom ook weer hier met dat de programmering verder verhoogd is. Om het productiepeil te verhogen, is een stabiele, oplopende, toerekenende en structurele reeks nodig. Dat houdt in dat duidelijkheid en stabiliteit met betrekking tot de langjarige programmering nodig zijn. Voor Rijkswaterstaat specifiek geldt dat wordt doorgegaan op de ingeslagen weg van slimmer en dus ook efficiënter werken, oftewel, de portfolioaanpak waar we nu echt goede stappen mee zetten, en het efficiënter inrichten van de RWS-organisatie — lees ook: efficiënter — zoals omschreven in het meerjarenplan instandhouding dat uw Kamer heeft ontvangen. Voor ProRail geldt dat die de meerjarige programmeringen jaarlijks met het masterplan bekendmaakt. Voor het uitvoeren van langjarige programmering is de beschikbaarheid van voldoende structurele middelen ook een randvoorwaarde. Weet ook dat we daarvoor behoorlijk op de trom hebben geslagen. Ook de Algemene Rekenkamer heeft de cijfers die u net heeft genoemd bevestigd. Wij hebben die message ook echt naar de formerende partijen gebracht: hoe de stand van zaken is. Ten aanzien van de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds en de gevolgen daarvan voor het aangaan van miljarden minder verplichtingen dan begroot, was de vraag wat hier de invloed van is op de toekomstige onderuitputting. Als verplichtingen vertragen, dan kunnen deze in latere jaren alsnog worden aangegaan. Er wordt met een meerjarige overprogrammering gewerkt om zeker te stellen dat er dan ook geen onderuitputting ontstaat, ook niet in de latere jaren. De toelichting ten aanzien van de grote mutaties. Kan de minister bij grote mutaties voortaan aangeven wat nu de werkelijke argumenten zijn en ook de concrete gevolgen? U noemt ook specifiek de kasschuif van 1 miljard van 2026 naar 2027, die later weer is teruggedraaid. Dat is een uitkomst van een politieke onderhandeling geweest rondom de Voorjaarsnota. Het verzoek aan IenW was om te kijken of de kasschuif in te passen was door de infrastructuur te faseren. Uit een toets bij zowel ProRail als Rijkswaterstaat bleek dat de gevraagde fasering op zo'n korte termijn gewoon niet uitvoerbaar was. De kasschuif is vervolgens in de ontwerpbegroting 2026 dus ook niet teruggedraaid en had daarmee geen verder consequenties. Om die reden zijn de toelichtingen vrij algemeen van aard gebleven. Dan de voeding. Wat zijn de nadelen van de wijziging van de voedingssystematiek voor de voeding van het Mobiliteitsfonds alsook het Deltafonds en wat zijn de gevolgen voor het zicht van de Kamer op deze begrotingen? De oude begrotingswijze van zowel het Mobiliteitsfonds als het Deltafonds via de zogenaamde voedingartikelen was omslachtig. Dat leidde tot een onduidelijke presentatie aan uw Kamer. Ook zorgt dit voor onnodige administratieve handelingen aan onze zijde. Samen met het ministerie van Financiën is besloten om de werkwijze te versimpelen en de reguliere administratieve werkwijze van departementale begrotingen te gaan hanteren. Concreet betekent dit dat zowel het Mobiliteitsfonds als het Deltafonds in het vervolg direct gevoed gaat worden via de uitgavenkant in plaats van via een omweg via de ontvangstkant, dus vanuit de reguliere IenW-begroting. Defensie en Economische Zaken hebben hun voedingartikelen op fondsen in de ontwerpbegrotingen in 2025 ook afgeschaft. Ten aanzien van het voedingartikel vroeg de heer De Hoop of in de toekomst kasschuiven vanuit het kabinet — de 1 miljard die aan de orde kwam — nog goed inzichtelijk blijven voor de Kamer. Het antwoord daarop is ja. De tabel met de majeure mutaties, vooraan in de begroting, zal worden gehandhaafd. Alle grote kasschuiven zijn hierin zichtbaar en zullen ook worden toegelicht. Ten aanzien van het voedingartikel vraagt de heer De Hoop ook of de wijziging van de voeding van de fondsen tot een verminderde samenhang tussen de beleidsbegroting en de fondsbegrotingen leidt. In hoeverre verschuift de verantwoordelijkheid voor de fondsbegrotingen naar het ministerie van Financiën? Het antwoord is nee. De wijziging van de voeding van de fondsen leidt niet tot een verminderde samenhang tussen beleidsbegroting en de fondsbegroting. De minister en de staatssecretaris zijn na de wijziging nog steeds hoofdverantwoordelijk voor de drie begrotingen van IenW. Er wordt geen verantwoordelijkheid naar het ministerie van Financiën verschoven. Een andere vraag was of de extracomptabele verwijzingen naar de fondsbegrotingen in de beleidsbegroting gehandhaafd blijven. Het antwoord is: ja, die zullen worden gehandhaafd. Dan de verdiepingsbijlage. Kan ik bij de begrotingen van het ministerie de verdiepingsbijlagen bij het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds weer opnemen dan wel handhaven, zowel bij de ontwerpbegrotingen als bij de eerste en tweede suppletoire begroting? Mijn antwoord is als volgt. Bij het opstellen van de rijksbegrotingsvoorschriften is er door het ministerie van Financiën kritisch gekeken naar de bijlagen in de rijksbegroting in relatie tot de informatiebehoefte van uw Kamer. In lijn met die analyse is aangekondigd dat de verdiepingsbijlage bij het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds naar de toekomst toe uit de ontwerpbegroting en de suppletoire begrotingen wordt geschrapt. U geeft aan dat dit een achteruitgang zou zijn van de informatiepositie. U schetst daarbij terecht ook de context van de parlementaire onderzoekscommissie Onderhoud en innovatie spoor. Mijn conclusie is dat het schrappen van de verdiepingsbijlage het doel dan ook voorbij lijkt te schieten. Ik zal dan ook met het ministerie van Financiën in overleg treden over de wijze waarop wij invulling kunnen geven aan uw verzoek. Dan de instandhoudingsopgave van Rijkswaterstaat. De heer Van Asten had daarover de volgende vraag. Klopt het dat de capaciteit van Rijkswaterstaat momenteel niet meer de beperkende factor is voor de instandhoudingsopgave, maar dat dit meer een gebrek aan budget is? Dit is ook naar aanleiding van de briefing die u heeft gekregen van Rijkswaterstaat op 16 december. De afgelopen jaren is de productie van Rijkswaterstaat verhoogd. De maakbaarheid is inmiddels groter dan het financiële kader van het Mobiliteitsfonds alsook het Deltafonds. Een aanzienlijk deel van de noodzakelijke vernieuwing kan daardoor nog niet worden uitgevoerd. Het programmeren van nieuwe vernieuwingsprojecten is inmiddels alleen nog mogelijk door de uitvoering van andere vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Om de productie ofwel de maakbaarheidscapaciteit van Rijkswaterstaat verder te vergroten is een stabiele, oplopende structurele reeks nodig. "Treintjes vormen" noemen we dat in het projectmanagement. Hiervoor zijn een aantal zaken van groot belang: duidelijkheid en stabiliteit met betrekking tot de langjarige programmering van projecten, doorgaan op de ingeslagen weg om slimmer en efficiënter te werken — een portfolio-aanpak had ik al genoemd — en verdergaan met het efficiënter inrichten van de Rijkswaterstaatorganisatie, zoals voor instandhouding is omschreven in het Meerjarenplan Instandhouding. Maar ook voldoende structurele middelen zijn hiervoor een randvoorwaarde. Daarbij noem ik ook echt de fiches en de communicatie die vanuit het ministerie richting het publieke domein en richting de formerende partijen de laatste maanden is uitgegaan om een zo goed mogelijk beeld te schetsen. De instandhouding van Rijkswaterstaat. De heer Van Asten: in hoeverre is de capaciteit van de markt nog een beperkende factor? Hoewel er sprake is van krapte op de markt, hoeft de capaciteit van de markt geen beperkende factor te zijn. Dit vraagt dat Rijkswaterstaat als opdrachtgever meerjarig perspectief biedt op het werk dat eraan komt. Wij geven in de instandhoudingsbrief, waarin een link staat naar de website, aan dat de markt via een preconsulatie ook al ziet wat er allemaal aan de hand is. Ook bij grote beurzen, zoals InfraTech in Ahoy iedere twee jaar, hebben we uitvoerige marktconsultaties met toekomstige projecten, zodat de markt precies weet wat eraan zit te komen. Op basis daarvan kunnen marktpartijen tijdig investeren in personeel en materiaal, maar ook in automatisering, digitalisering en circulariteit. Voorspelbaar werken geeft de markt de zekerheid die nodig is om de capaciteit in de markt daar waar nodig te vergroten. De werkwijze van Rijkswaterstaat is om gelijksoortig werk aan onder meer tunnels, sluizen en bruggen gebundeld te doen: niet één brug, maar meteen ook de vier bruggen die erachter liggen en die nagenoeg hetzelfde zijn; de "treintjes" van zojuist. Deze werkwijze en langlopende contracten komen tegemoet aan de wensen van de markt. De heer Van Asten vroeg over de instandhouding van Rijkswaterstaat: hoeveel meer productie en uitgave voor de instandhoudingsopgave zou jaarlijks maakbaar zijn? Het door de Algemene Rekenkamer berekende tekort van 34,5 miljard voor de instandhoudingsopgave bestaat uit tekorten op exploitatie en onderhoud, maar ook vernieuwing. De tekorten voor exploitatie en onderhoud en het inlopen van het uitgesteld onderhoud zijn maakbaar. Voor de vernieuwing geeft Rijkswaterstaat een aanzienlijk deel in voorbereiding van de projecten die nog niet gefinancierd zijn. De Kamer is hierover geïnformeerd in het Meerjarenplan Instandhouding. Het is tot slot de ambitie — daarover wordt steeds nagedacht — om de efficiëntie verder te vergroten. Het is aan het nieuwe kabinet om te besluiten over de toekomstige additionele investeringen. Denk dan bijvoorbeeld ook aan 800 miljoen extra productie die gedraaid zou kunnen worden in 2027, maar daar kom ik in een uitvoeriger document nog op terug, zodra het plaatje duidelijker wordt van wat die cijfers precies behelzen. De heer Van Asten: hoeveel meer productie voor de markt zou jaarlijks maakbaar zijn? Indien Rijkswaterstaat meerjarig inzicht en zekerheid kan geven over de dealflow, is de verwachting dat de markt aankan wat Rijkswaterstaat naar de markt brengt. In de vorige antwoorden heb ik aangeven onder welke voorwaarden dat zou kunnen. Ga ik op zoek naar extra middelen om in de toekomst een neerwaartse spiraal bij de instandhouding te voorkomen? Om te voorkomen dat deze neerwaartse spiraal ontstaat, is verdere productieverhoging van Rijkswaterstaat nodig. Ik zie daartoe mogelijkheden. Voldoende structurele middelen zijn toch — daar kom ik weer — een randvoorwaarde. Ik kan, wij kunnen maar zoveel dichtlopen, de organisatie kan maar zoveel dichtlopen met efficiëntie. Dan gaat het niet over de bedragen waarover we het zojuist hadden. Informatiewaarde en ideeën daarover. Wij zijn op zoek naar een alternatieve wijze van bekostiging, maar er zijn inderdaad belangrijke stappen gezet in de doorontwikkeling van de informatiewaarde. Fijn dat de Algemene Rekenkamer en de rapporteurs dit ook zien en omarmen; mijn dank daarvoor. U merkt op dat de informatie over de koppeling en de doelen beschikbaar is, maar dat de presentatie nog niet altijd even overzichtelijk is. Door de uitwerking van de moties zijn de beleidsartikelen inderdaad omvangrijk geworden. In de verdere doorontwikkeling kunnen we kijken waar teksten beknopter kunnen worden vermeld en hoe er meer inzicht gecreëerd kan worden. We gaan daarmee aan de slag. U zult van mij een voorstel ontvangen middels de ontwerpbegroting voor 2027. Er is mij gevraagd of ik de evaluaties over de volgende zaken kan toevoegen aan de SEA: infrastructuurprojecten voor scheepvaart en spoor, de brede doeluitkering en de projecten uit het Nationaal Groeifonds. U vraagt terecht aandacht voor een dekkende SEA. Zoals u zelf ook aangeeft, hebben we hierin de afgelopen jaren stappen gezet, waardoor ook het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds beter worden afgedekt. Zoals u terecht constateert, zijn we er ook nog niet. Ik zeg u dan ook toe dat ik me er hard voor maak om de door u genoemde evaluaties toe te voegen. Voor het openbaar vervoer en het spoor geldt dat in Q1 van dit jaar de periodieke rapportage van openbaar vervoer en IenW wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Voor infrastructuurprojecten voor de scheepvaart geldt dat ik richting de begroting voor 2027 nader zal bezien welke individuele infrastructuurprojecten of instandhoudingsprojecten er in de scheepvaart en bij havens zijn en wanneer dat in de Strategische Evaluatie Agenda, SEA, opgenomen kan worden. Inzake de projecten uit het Groeifonds zijn er meerdere evaluaties geagendeerd voor projecten die worden gefinancierd uit het Nationaal Groeifonds. Zo is er een tussenevaluatie van het project Luchtvaart in Transitie opgenomen, als ook van het zero-emissieproject voor de binnenvaart en van de subsidie aan Zero Emission Services. Ik zal dit in de SEA beter inzichtelijk maken. Wanneer kan de Kamer de evaluatie van het Zuidasdok tegemoetzien? Dit is een dossiertje van heb ik jou daar. Vanwege de complexe en ingrijpende aard van het project Zuidasdok wordt de Kamer apart over dit project geïnformeerd. Alle hens aan dek. In lijn hiermee zal er ook een separate evaluatie worden uitgevoerd. De totale evaluatie vindt uiteraard aan het einde van het project plaats. Zolang de realisatie loopt, kan het exacte moment van evaluatie nog niet worden vastgesteld. Tijdens de realisatie wordt de Kamer via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages in de eerste helft van dit jaar geïnformeerd. In 2026 vindt ook een externe toets plaats op de door het Zuidasdok gehanteerde processen en de methoden en de technieken voor ontwerp en kostenraming, inclusief de daarbij ingerichte waarborgen. Naar verwachting wordt de Kamer hierover in de tweede helft van 2026 geïnformeerd. Daarnaast wordt er een onderzoek uitgevoerd naar de economische meerwaarde van dat Zuidasdok. Dan kom ik bij de vraag van de heer Van Asten: kan de minister de bijlage met een overzicht van de Nationale Groeifondsprojecten weer opnemen in de begroting? Het schrappen van de bijlage is een uitvloeisel van de rijksbegrotingsvoorschriften. Bij het opstellen van de rijksbegrotingsvoorschriften is er kritisch gekeken naar de bijlagen in de rijksbegroting in relatie tot de informatiebehoefte van uw Kamer. De projecten van het Nationaal Groeifonds worden nu in één gecentraliseerd overzicht opgenomen bij de begroting van Economische Zaken. Dit scheelt in het aantal bijlagen en geeft ook meer overzicht. Dit lijkt mij een verbetering. Mijn voorstel is dus om deze wijziging te omarmen. Tot zover mijn bijdrage, voorzitter.

Versie 1725da47e4bb352fa914c34e056089fb6850ed9c22016e9c7047654e8db67b0f · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.