Begrotingsonderzoek Infrastructuur en Waterstaat
Begrotingsonderzoek Infrastructuur en Waterstaat
statement · 15 jan 2026 · Tweede Kamer
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA): Voorzitter, dank voor het woord. Het rapporteurschap is deze keer belegd bij de heer Van Asten en mij, maar wij hebben deze keer wederom ontzettend goede ondersteuning gekregen van de griffie. Wederom dank daarvoor. Dat maakt het werk als rapporteur ontzettend veel makkelijker en dat helpt ons als commissie ook heel erg, dus dank aan de griffie. Voorzitter. Dank voor de mogelijkheid om met de heer Van Asten als rapporteur te mogen optreden bij de behandeling van de begrotingen van Infrastructuur en Waterstaat en het Mobiliteitsfonds voor 2026. Ik zal ingaan op de onderuitputting van de begrotingen, de controleerbaarheid van grote mutaties en wijzigingen in de begrotingssystematiek. Voorzitter. De commissie vraagt bij de behandeling van de begrotingen en de jaarverslagen al enkele jaren aandacht voor de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. Ik heb het probleem dat wij hier als commissie mee hebben eerder al samengevat als: met middelen die wel beschikbaar zijn, maar op de plank blijven liggen, worden geen problemen opgelost. Dat geldt zeker wanneer wordt bedacht dat onvoldoende budget beschikbaar is voor belangrijke zaken, zoals de instandhouding van infrastructuur, en voor gepauzeerde projecten, zoals de Lelylijn. In 2023 is uiteindelijk 800 miljoen op de plank van het Mobiliteitsfonds blijven liggen. In 2024 is 500 miljoen niet benut. Ook worden de laatste jaren veel minder verplichtingen aangegaan dan begroot. In 2023 was dat ruim 3 miljard minder en in 2024 2,4 miljard minder. Het ministerie werkt met overprogrammering om de onderuitputting tegen te gaan. De Kamer heeft hier ook moties over aangenomen. Het idee achter die moties is dat meer projecten in uitvoering worden genomen, zodat beschikbare middelen die niet worden uitgegeven door bijvoorbeeld vertragingen, toch kunnen worden uitgegeven aan andere projecten. De bewindspersonen hebben echter de afgelopen jaren de overprogrammering niet verhoogd door meer projecten te programmeren, maar door keer op keer de begroting van het Mobiliteitsfonds te verlagen. Dat staat haaks op de insteek van de Kamer. Hierdoor worden de budgettekorten nog groter. Om overprogrammering voor 2026 te creëren, is de begroting van het Mobiliteitsfonds in twee keer verlaagd met meer dan een half miljard. De begroting voor 2025 is zelfs met meer dan een miljard verlaagd. Dergelijke grote, jaarlijkse budgetverlagingen staan echt op gespannen voet met de productiegroei voor instandhouding die dit kabinet richting 2030 wil realiseren. De vorige bewindspersonen gaven bij de afgelopen Voorjaarsnota aan dat de huidige overprogrammering voor IenW leidend is, zodat de maximale uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat benut kan worden. De programmering wordt dus niet uitgebreid en de begroting wordt aangepast aan de uitvoeringscapaciteit, maar de instandhoudingsopgave en de budgetbehoefte daarvoor zijn een stuk groter dan de huidige uitvoeringscapaciteit en de geplande productiegroei van Rijkswaterstaat. Voorzitter. Ik heb hierover de volgende vragen. Waarom creëert de minister geen overprogrammering door extra projecten, bijvoorbeeld voor instandhouding, te programmeren waarvan al duidelijk is dat deze op korte termijn moeten worden opgestart, zodat het beschikbare budget kan worden uitgegeven in plaats van verlaagd? Welke mogelijkheden zijn er om de productie van Rijkswaterstaat te vergroten en daarmee overprogrammering te realiseren? Hoe gaat ProRail hiermee om? Wat zijn de gevolgen van het aangaan van miljarden minder aan verplichtingen dan begroot? En wat is de invloed hiervan op toekomstige onderuitputting? Als tweede punt zal ik ingaan op de controleerbaarheid van grote mutaties. We zagen bij de eerste suppletoire begroting 2025 een enorme kasschuif van 1 miljard van 2026 naar 2027, die in de huidige begroting gelukkig weer wordt teruggedraaid. In beide gevallen wordt dat gedaan zonder enige inhoudelijke toelichting. Uit navraag door de commissie blijkt dat het niet ging om een realistischere raming van de uitgaven, maar om de uitkomst van politieke onderhandelingen. Met andere woorden, niet bottom-up geredeneerd vanuit de projecten maar top-down. Het komt vaker voor dat dit verschil tussen bottom-up en top-down voor de Kamer niet duidelijk is. Soms moeten we middelen naar latere jaren schuiven vanwege de beperkte uitvoeringscapaciteit. Maar er wordt ook af en toe geknepen in de fondsen om rijksbrede problemen op te lossen. Kan de minister voortaan bij grote mutaties aangeven wat de werkelijke argumenten zijn en wat de concrete gevolgen zijn? Voorzitter. Ik kom bij de wijziging in de voeding van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. Dergelijke wijzigingen in de begrotingssystematiek zijn voor de Kamer altijd relevant vanuit het budgetrecht en als medewetgever. Met deze wijziging van de systematiek worden twee investeringsfondsen vanaf 2026 niet meer gevoed via de IenW-begroting, maar direct vanuit de schatkist. Hiermee worden administratieve lasten verminderd en wordt de verdeling van de middelen tussen de beleidsbegroting en de fondsen beter inzichtelijk gemaakt. In het kader van het begrotingsonderzoek heb ik daarover de volgende vragen. Wat zijn de nadelen van de wijzigingen van de begrotingssystematiek voor de voeding van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds? Wat zijn de gevolgen voor het zicht van de Kamer op de begrotingen? Blijven in de toekomst kasschuiven vanuit het kabinet, zoals de kasschuif van 1 miljard die zojuist aan de orde kwam, nog goed zichtbaar voor de Kamer? Leidt de wijziging van de voeding van de fondsen tot een verminderde samenhang tussen de beleidsbegroting en de fondsenbegrotingen? In hoeverre verschuift de verantwoordelijkheid voor de fondsenbegrotingen hiermee naar de minister van Financiën? Blijven de extra comptabele verwijzingen naar de fondsbegroting in de beleidsbegroting gehandhaafd? Voorzitter, echt tot slot ga ik in op het schrappen van de verdiepingsbijlage uit de begrotingen. Dat is in deze ontwerpbegroting al gebeurd voor de departementale begroting. De fondsen volgen volgend jaar. Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen. De Kamer vindt dat een onwenselijke achteruitgang van de informatiepositie van de Kamer. De verdiepingsbijlages zijn namelijk op initiatief van de Kamer zelf verbeterd op advies van de Parlementaire onderzoekscommissie Onderhoud en innovatie spoor. De verdiepingsbijlages bieden namelijk inzicht in de gedetailleerde mutaties en de meerjarige begrotingsstanden op de artikelen, bij de fondsen zelfs voor de gehele looptijd. Momenteel is dat tot en met 2039. Dat is een grote verbetering ten opzichte van de oude situatie toen mutaties en kasschuiven vaak onnavolgbaar waren. Door meerdere voorgangers van mij werd het omschreven met de beeldspraak "balletje-balletje". Het argument in de Voorjaarsnota dat de Kamer geen behoefte zou hebben aan deze overzichten is dan ook niet valide. Bovendien worden vooral bij de fondsen belangrijke keuzes gemaakt door het vastleggen van meerjarige reserveringen voorbij de horizon van vijf jaar. De Kamer moet dit soort keuzes kunnen controleren. Voorzitter. Ik heb hierover dan ook namens de commissie de volgende verzoeken aan de minister. Kan de minister bij de begrotingen van het ministerie het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds een verdiepingsbijlage weer opnemen dan wel handhaven, zowel bij de ontwerpbegroting als bij de eerste en tweede suppletoire begrotingen? Dank u.
Versie 1725da47e4bb352fa914c34e056089fb6850ed9c22016e9c7047654e8db67b0f · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Begrotingsonderzoek Infrastructuur en Waterstaat
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.