KamerkringInloggen
← Verkenner

Uitspraak · 10 feb 2025 · Tweede Kamer

het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), Boeken 5 en 6

Brontekst

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA): Dank, voorzitter. Ik ben natuurlijk uitermate geïnteresseerd in Boek 6, ook naar aanleiding van een eerdere initiatiefnota over het slimmer straffen van jeugdigen. Maar voordat ik op die punten inga, wil ik beginnen met Boek 5. Ik wil ook eerst graag een opmerking maken ten aanzien van de nieuwe vormgeving van het hoger beroep. Volgens het voorstel gaat het gerechtshof zich namelijk vooral buigen over de door de verdediging ingebrachte bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg. Ik snap dat, want als je je tot de kern van het hoger beroep kunt beperken, voorkom je onnodig lange zaken. Het kan dus goed uitpakken. Daarbij denk ik ook aan de verdachte die bijgestaan wordt door een raadsman. Maar als de verdachte die niet heeft, dan bestaat het risico dat er geen adequate bezwaren worden geformuleerd, het vonnis in eerste aanleg nauwelijks nog aangevochten kan worden en het daardoor in stand wordt gelaten. Het hoger beroep strandt dan vanwege gebrek aan het vermogen van de verdachte om zich goed te kunnen verdedigen. Ik weet het: in de meeste gevallen, zeker in hoger beroep, zal er een raadsman zijn. In het geval van een minderjarige of kwetsbare verdachte zal die aangewezen worden. Maar in het geval dat de verdachte zelf de verdediging wenst te voeren of geen recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand en zelf geen advocaat kan betalen, kan hij zwakker komen te staan. Dan is de verdachte afhankelijk van het gerechtshof om ervoor te zorgen dat de verdachte de informatie verstrekt die voor zijn verdediging nodig is. Voorzitter. Ik vind dat — daarom maak ik de volgende opmerking — dat gewoon heel erg kwetsbaar wordt. Ik denk dat verplichte bijstand, ook in hoger beroep, eigenlijk voor iedereen het beste zou zijn. Wat zich daartegen verzet, is dat het erop neerkomt dat de overheid dit voor iedereen zou moeten gaan betalen, denk ik. Mede vanwege die financiële consequenties komt die verplichting er niet. Ik wil eigenlijk aan de staatssecretaris vragen of hij bereid is om de financiële consequenties hiervan goed in kaart te brengen. Wellicht kan hij daar nu al iets over zeggen, en zo niet, dan vraag ik hem of hij mij voor het plenaire debat schriftelijk kan informeren over wat de gevolgen kunnen zijn van een verplichte rechtsbijstand in hoger beroep. Nogmaals, ik denk dat dat wijs en verstandig is. Ik wil de afweging van dit kabinet, zeker ook gelet op de financiën, goed snappen. Daarnaast zou er vanaf de invoering van het nieuwe hoger beroep streng gemonitord moeten worden wat de gevolgen zijn voor de verdachte zonder raadsman. Ik wil de staatssecretaris vragen hoe hij dat zelf ziet. Voorzitter. Dan heb ik een wat technischer punt. Misschien zit hier ook een wat principiële kwestie onder. Ik heb het over het schrappen van de mogelijkheid om in cassatie te gaan tegen veroordelingen op grond van delicten die in verordeningen van gemeenten en provincies staan. Wat voor deze schrapping pleit, is dat er tot op heden nooit van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt. Het komt nu ook niet in de systematiek van de nieuwe wet te passen. Twee eerdere pogingen om deze mogelijkheid te schrappen zijn door de Kamer in het verleden met amendementen tegengehouden. Wat nu nieuw is, is dat er geen sprake is van een kale schrapping. De prejudiciële toets komt nu als het ware in de plaats van deze cassatiemogelijkheid. De rechter kan de Hoge Raad dan vragen stellen over de uitleg van een rechtsregel, ook als het gaat om een gemeentelijke verordening. Volgens mij kan dat wel van belang zijn, als het gaat over de bescherming tegen niet toegelaten beperkingen van grond- en mensenrechten, zoals de uitingsvrijheid, het demonstratierecht of het handhaven van de openbare orde. Ik denk dat dat best wel actuele onderwerpen zijn, waar je wel veel meer rekening mee moet gaan houden. Daarom houd ik een pleidooi voor het in stand houden van die cassatiemogelijkheid. Om dat goed te kunnen inschatten, denk ik dat we nu al inzicht moeten kunnen hebben in hoe die prejudiciële toets daarvoor gebruikt gaat worden. Er is een pilot geweest in de Innovatiewet, maar er is nog weinig en beperkt ervaring opgedaan met die judiciële toets, zeker als het gaat over de uitleg van gemeentelijke verordeningen. Kortom, mijn vraag is of de regering kan uitleggen waarom de mogelijkheid tot het stellen van een prejudiciële vraag een afdoend alternatief is voor het schrappen van de cassatiemogelijkheid. Mijn vraag is ook wat cassatie in het belang van de wet kan betekenen in het geval waarin er discussie is over een gemeentelijke verordening die bijvoorbeeld — ik noem maar gelijk het meest actuele — het demonstratierecht te veel zou beperken. Dat over Boek 5. Ik ga nu naar Boek 6, met uw permissie, voorzitter. Ik wil beginnen met een voor mij zeer belangrijk onderwerp, namelijk jeugdigen die strafbare feiten plegen. Ook al lijkt het qua aantal jeugdige criminelen beter te gaan dan jaren geleden, het blijft een hardnekkig fenomeen dat voor grote problemen zorgt voor de samenleving en met name de kinderen zelf, van wie we weten dat hun brein tot hun 25ste in ontwikkeling is. Maar ik denk ook met name aan kwetsbare jongeren in moeilijke buurten of opvoedingssituaties. Met het programma Preventie met Gezag probeert het kabinet te voorkomen dat jongeren terechtkomen en vast blijven zitten in een criminele carrière. Ik ben fan van Preventie met Gezag. Het is goed dat het wordt uitgebreid. Het is belangrijk dat we de zaken die goed gaan, landelijk gaan uitrollen. Maar het programma kan nog steeds niet voorkomen dat jongeren toch over de schreef gaan en strafbare feiten plegen. Dat vraagt in mijn beleving om een reactie waarbij helaas strafvorderlijke procedures nodig zijn en jeugdstraffen in beeld komen. Bij jeugdstrafrecht zou het bestraffen van de dader echter niet voorop moeten staan. Zeker als het gaat om jeugdigen is het streven een pedagogisch karakter met als doel kinderen die nog in ontwikkeling zijn bij te sturen en hen op het rechte pad te houden en te brengen, en dat het jeugdstrafrecht zich juist van het volwassen strafrecht onderscheidt door het pedagogische uitgangspunt. Dat is weliswaar een uitgangspunt, maar zo is het niet verankerd in onze wet. Als je kijkt naar internationale verdragen, in dit geval het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, zie je dat dat onder andere bepaalt dat een verdacht kind een pedagogische benadering moet krijgen, waarbij rekening gehouden moet worden met de leeftijd van het kind en het zo veel mogelijk buiten strafrechtelijke procedures moet worden gehouden. Het opsluiten van kinderen is dan alleen nodig als ultimum remedium, als laatste redmiddel als de daad, de persoonlijkheid van het kind en de leeftijd daartoe noodzaken. Voorzitter. Ik vind dat er meer gebruik moet worden gemaakt van de alternatieven voor straf om dat uitgangspunt kracht bij te zetten. Daarom heb ik, samen met collega Van Nispen een amendement ingediend om herstelrecht voor minderjarigen te bevorderen en daarmee niet alleen recidive te voorkomen, maar ook het leed te verminderen dat dit soort gedragingen veroorzaakt bij slachtoffers, waardoor herstelrecht dus meer dan nu het geval is als uitgangspunt wordt genomen in plaats van de terechtzitting en de vrijheidsstraf. Ik wil graag van de staatssecretaris horen hoe hij hiernaar kijkt. Ik snap dat je niet alles met het herstelrecht kunt oplossen. Dat zou ik wel willen, maar zo zit de wereld niet in elkaar. Die sancties zullen altijd nodig zijn om jonge verdachten toch voor de rechter te laten verschijnen, maar als dat gebeurt, moet dat zo zorgvuldig mogelijk gebeuren, zeker als er zware straffen boven hun hoofd hangen. Nu staat er in Boek 6 een voor mij nogal in het oog springende en verstrekkende wijziging. Die gaat erom dat de kinderrechter als alleenzittende rechter bevoegd wordt tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tot zes maanden. Dat is 6.1.17, lid 2. Hiermee lijkt het wettelijk mogelijk te worden dat deze rechter als straf bij 12-jarige tot en met 15-jarige verdachten jeugddetentie oplegt van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en bij 16-jarigen tot en met 23-jarigen twee jaar, waarvan achttien maanden voorwaardelijk. Ik vind dat best wel een stevige verzwaring ten opzichte van de huidige mogelijkheden. Nu kan de kinderrechter geen langere vrijheidsstraf dan zes maanden opleggen in totaal, ongeacht of deze straf deels of voorwaardelijk wordt opgelegd. Mijn vraag is waarom dit nodig is bij jeugdigen. Als het om dergelijk zware straffen gaat, zeker voor kinderen, dan zou ik liever zien dat er meer rechters naar kijken. Het is niet voor niets zo dat een alleenzittende politierechter maximaal maar een jaar in totaal mag opleggen bij zaken voor volwassenen. Ik wil van de bewindspersoon horen waarom hij dus anders besluit in deze kwestie, want anders overweeg ik in de grande finale, dus tijdens de plenaire behandeling, een amendement hierop in te dienen.

Versie 549e20e80557fd40d8209bb9241130678d4384d0ab22fe23b0d3f9b616d165ac · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 5ffc886cc15163b8

13 okt 2026 · 02e9071447dab0ae

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.