KamerkringInloggen
UitspraakVoorlopig

Nationale fiscaliteit

2 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 494f20fde340abfc · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen

Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik heb nog een vraag van de heer Vijlbrief: in Zweden hebben ze een brede vrijstelling geïntroduceerd voor de productie van groen gas, waar elektriciteit ook onder valt; hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar en zou zoiets in Nederland ook mogelijk zijn? Bij de productie van energieproducten zoals groen gas is de grondstof — in dit geval is dat biomassa, zoals mest en zuiveringsslib — niet belast met energiebelasting. Wel moet er energiebelasting worden afgedragen over de elektriciteit die wordt gebruikt in het productieproces. Bij groen gas betreft dat de elektriciteit die gebruikt wordt voor de verwarming van de biomassa. Het is onduidelijk wat de gevolgen zouden zijn wanneer er een vrijstelling voor het gebruik van elektriciteit in de productie van groen gas zou worden geïntroduceerd. Zo is het de vraag of een dergelijke vrijstelling zou kunnen worden beperkt tot de productie van groen gas, of dat deze ook zou moeten gelden voor bijvoorbeeld de productie van minerale oliën. Daarnaast zou de maatregel naar verwachting budgettaire gevolgen hebben, waarvoor dekking zou moeten worden gezocht. Zoals u weet, is er met een saldo dat volgens het Stabiliteits- en Groeipact richting een tekort van 3% gaat, niet direct heel veel ruimte om dekking te vinden. Verder is het ook de vraag wat de gevolgen zouden zijn voor de uitvoering en of de maatregel juridisch houdbaar is vorm te geven. We hebben in Nederland een andere energiemix dan in Zweden, met bijvoorbeeld een veel grotere sector voor minerale oliën. Ook is het onduidelijk wat de effecten van een dergelijke maatregel zouden zijn, bijvoorbeeld op de besparingsprikkel die de energiebelasting nu geeft op het gebruik van deze elektriciteit. Al met al is het zeer complex. Op de vraag "is dat een mogelijkheid in Nederland?" is het antwoord direct: ja, alles kan in dit land. Wij zijn zeer vernuftig. Wij maken land van zee. Zo zijn er nog een paar gave dingen; chipmachines, daar zijn we ook heel goed in. Op de vraag of dat nu wenselijk is en beleid is dat we nu binnen een halfjaar moeten organiseren, moet ik het antwoord schuldig blijven, omdat dit niet mijn beleidsterrein is. Dan heb ik nog een vraag van de heer Vijlbrief. Hij vroeg wanneer het rapport over rode diesel wordt gedeeld en wat de Kamer daarvan kan verwachten. Het kabinet heeft de mogelijke opties rondom rode diesel laten onderzoeken door een externe partij. Het rapport dat hieruit is voortgekomen wordt zeer binnenkort met de Kamer gedeeld. Het goede nieuws is dat "zeer binnenkort" voor het zomerreces betekent. Dat gaan we dus doen, maar mijn fatale deadline is daarmee gesteld op de laatste ministerraad, op 11 juli. U gaat dat rapport absoluut in uw vakantietas mee kunnen nemen naar een zonnige bestemming. Tot zover de vragen over het klimaat. Dan heb ik hier een aantal vragen over de woningmarkt. Dat is een onderwerp waar ik vandaag al meer over gesproken heb. Ik ben vandaag bij een SOI geweest, een structureel overleg met investeerders op de woningmarkt. In die zin is het een onderwerp dat vandaag top of mind is. De eerste vraag is van de heer Vijlbrief. Hoe kijkt de staatssecretaris naar het verhogen van de leeftijdsgrens in de startersvrijstelling van de overdrachtsbelasting? Allereerst is de signalering correct: dit is een goede maatregel, die zeer doelmatig is. Bij de invoering van de startersvrijstelling bleek een leeftijdsgrens van 35 jaar voldoende doeltreffend, mede omdat uit onderzoek van het Kadaster bleek dat deze groep het meest actief was op de woningmarkt. Uit recente cijfers van het Kadaster blijkt dat alle leeftijdsgroepen meer kunnen kopen sinds de differentiatie. Ook de evaluatie van eind 2024 laat zien dat de differentiatie in de gekozen vormgeving effectief is. Starters hebben een stevige positie op de woningmarkt gekregen. Uit de cijfers van de NVM blijkt dat de leeftijd van koopstarters eerder daalt dan stijgt. De assumptie dat deze eventueel zou moeten worden verhoogd, is wat mij betreft niet nodig. Ten tweede is de assumptie dat deze daalt en dat de leeftijd daarom wel naar beneden kan, ook niet direct de conclusie die ik daaraan wil verbinden. Ik zie gewoon geen aanleiding om hier nu wat aan te doen. Dit is een maatregel die uiteindelijk bijzonder effectief blijkt te zijn. Alle credits daarvoor gaan naar een van mijn voorgangers uit kabinet-Rutte III. Ziet de staatssecretaris de leegstandsheffing als een instrument dat mogelijk zou kunnen helpen? Dat vroeg de heer Vijlbrief. Aanpalend daaraan vroeg de heer Stultiens: waarom staat het kabinet niet toe dat gemeenten een leegstandsheffing invoeren? Dit is ook een vraag die voornamelijk op het terrein van mijn collega van VRO ligt, maar ik zal toch een antwoord geven. Ik heb begrepen dat de minister van VRO momenteel een wetsvoorstel uitwerkt, de Wet aanpak leegstand. Naar ik begrijp, wordt in het wetsvoorstel geregeld dat de gemeente een eigenaar kan verplichten het pand of de woning conform de bestemming weer in gebruik te nemen of te geven. Als uiterste middel kan de gemeente een last onder dwangsom opleggen om ingebruikname af te dwingen. Voor meer vragen hierover wil ik u echt verwijzen naar de minister van VRO. Ik ben zelf superblij dat er wordt gedacht aan een last onder dwangsom in plaats van een nieuwe belasting. Dan heb ik een vraag van de heer Vijlbrief. Denkt de staatssecretaris dat een planbatenheffing kan helpen om de kosten van bouwen te drukken? Ik heb goed nieuws voor iedereen die vragen stelt over de woningbouw. In het najaar komt er een debat met mevrouw Keijzer en mijzelf over de woningbouw en fiscaliteit. Dan kunnen al die vragen direct door beide bewindspersonen beantwoord worden. Maar dit is dus weer een onderwerp op haar terrein. Zeer recentelijk, te weten vrijdag 20 juni, heeft de minister van VRO een brief aan uw Kamer gestuurd over een planbatenheffing of een vergelijkbaar systeem. Hierin wordt een voorstel gedaan voor een vergelijkbaar systeem, met intensivering en uitbreiding van de bestaande regeling voor het zogenaamde kostenverhaal; daarbij hebben we het over het verhalen van kosten, niet over een of ander verhaal over kosten. Dat zeg ik even voor de neerlandici onder ons. Ik begrijp dat de minister van VRO na de zomer uitgebreid verder spreekt met uw Kamer over de brief, onder andere via een rondetafel, een technische briefing en een debat. Ik verwijs u voor verdere vragen graag naar die serie van activiteiten met uw Kamer. Dan heb ik nog een vraag van de heer Vijlbrief. Hoe kijkt de staatssecretaris naar het gelijktrekken van koop en huur? Welke fiscale instrumenten heeft hij in zijn pakket om de woningmarkt eerlijker te maken? De heer Vijlbrief stelt hier een hele actuele vraag. Aanstaande vrijdag zal namelijk het ibo over de huur worden gepubliceerd. Een van de thema's die in het interdepartementaal beleidsonderzoek over de huur nadrukkelijk aan bod komt is het gelijker behandelen van koop en huur. Zoals goed gebruik is bij een ibo, is een aantal beleidsopties in fichevorm uitgewerkt; dit zijn opties die kunnen bijdragen aan een gelijkere behandeling, waaronder ook fiscale opties. Uiteraard heeft mijn team daar ook aan meegewerkt. In het zeer recentelijk gepubliceerde ambtelijke rapport Aanpak fiscale regelingen wordt de suggestie gedaan om het eigenwoningforfait te verhogen. Er zijn dus een aantal interessante opties in beeld gebracht waar een volgend kabinet zijn voordeel mee kan doen. We verwachten ook dat een aantal van deze opties terugkomen in verkiezingsprogramma's. Ik hecht er nog even aan te zeggen dat de drie partijen momenteel hun beleid nog steeds vormgeven op basis van het hoofdlijnenakkoord. Daarin hebben we gezegd dat we deze kabinetsperiode geen aanpassingen zullen doen aan de fiscale behandeling van de eigen woning. Dan vraagt de heer Vijlbrief of het eigenwoningforfait niet wat aan de lage kant is. Volgens mij heb ik daar net al wat over gezegd. Dat is een van de constateringen en daar zou je wat aan kunnen doen. Tot zover de afdeling woningmarkt. Dan gaan we naar de afdeling vermogen. Ik heb een vraag van de heer Stultiens. Hij zei: vorige maand is onze motie, die wij samen met D66 hebben ingediend, aangenomen, met als doel om de herverdeling van het geld van werkende mensen naar de grote vermogens zo veel mogelijk te herstellen bij het komende belastingplan; hoe gaat de staatssecretaris deze motie uitvoeren? Bij de behandeling van het Belastingplan 2025 en de opeenvolgende debatten over box 3 sindsdien — daar was ik bij aanwezig — is uitgebreid ingegaan op de dekking van de budgettaire derving. Die derving is het gevolg van het rechtsherstel voor mensen met box 3-vermogen en het continueren van een forfaitaire regeling met tegenbewijs in box 3. Met het Belastingplan 2025 heeft het kabinet gemeend recht te doen aan wat er bij box 3 van rechtswege moest gebeuren. Daarnaast is er een evenwichtig koopkrachtplaatje gepresenteerd. Dit is ook beaamd door het CPB en het CBS. Idealiter zou het kabinet ook nu al het werkelijk rendement belasten, dus ook het rendement dat hoger uitkomt dan het huidige forfaitaire overgangsstelsel. Ik kan niet genoeg benadrukken dat het belasten van werkelijk rendement op vermogen in box 3 verreweg het beste aansluit bij een evenwichtige belasting op arbeid en vermogen. Ik heb ook al een wet naar de Kamer gestuurd, de Wet werkelijk rendement. Ik hoop ook echt dat we die met spoed kunnen behandelen. Daar hebben we ook een fatale datum voor — uit mijn hoofd is dat 1 maart 2026 — zodat we uiteindelijk voldoende tijd hebben om dit bij de Belastingdienst voor te bereiden en in 2028 van start kunnen gaan met dit nieuwe stelsel. Het kabinet zal zich niettemin beraden op de onderhavige motie. In augustus besluit het kabinet zoals altijd over de koopkracht en de uitkomst loopt mee in het Belastingplan 2026. Nog een vraag van de heer Stultiens. "Een jaar geleden nam de Kamer de motie aan van de heer Idsinga" — goeie vent – "en van ons over het eerlijk belasten van private-equitybonussen. We hebben als Kamer in ruime meerderheid aangegeven dat we vinden dat private-equitybonussen eerlijk belast moeten gaan worden. Waarom voert de staatssecretaris die eerdere motie nog steeds niet uit?" Dit is een zeer actueel onderwerp. Ik heb de Kamer gisteren geïnformeerd over de uitkomst van de consultatie van de twee alternatieven uit het onderzoek dat ik begin dit jaar naar de Tweede Kamer heb gestuurd, en over de mogelijkheid tot het voorstellen van een maatregel in het Belastingplan 2026. In de brief ga ik ook in op de nieuwe en aangehouden motie-Idsinga c.s. tijdens het debat over de Voorjaarsnota 2025 op 18 juni. Deze motie verzoekt een maatregel op te nemen in het Belastingplan 2026 waarmee voordelen uit lucratief belang zwaarder worden belast in box 2. Dit verzoek is in lijn met het geconsulteerde alternatief B uit het onderzoeksrapport. In de brief van gisteren concludeer ik dat het wets- en uitvoeringstechnisch mogelijk is om per 1 januari 2026 een multiplier voor voordelen uit middellijk gehouden lucratief belang in te voeren. Uit de internetconsultatie en ook uit het onderzoeksrapport blijkt echter niet direct dat een aanpassing van de huidige lucratiefbelangregeling noodzakelijk is. Het al dan niet zwaarder belasten van lucratief belang is daarmee een politieke keuze. Als deze motie alsnog zou worden ingediend en in stemming zou worden gebracht, dan geeft het kabinet die het oordeel ontijdig. Als deze motie wordt aangenomen, dan dienen wij ons als kabinet daartoe te verhouden. Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. "Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat de lucratiefbelangregeling in de kern goed is en moet blijven bestaan?" De redenen voor invoering van de lucratiefbelangregeling, waarbij de belastingheffing in box 1 onder voorwaarden ingeruild kan worden voor een heffing in box 2, zijn nog steeds geldend en relevant. Ik sta uiteraard achter geldende wetgeving. De huidige lucratiefbelangregeling heeft voor de duidelijkheid en rechtszekerheid gezorgd die nodig was in 2009, zowel voor belastingplichtigen met een lucratiefbelangregeling als voor de Belastingdienst. Dat laatste is ook niet geheel onbelangrijk. In de uitvoering is de regeling goed uitvoerbaar. Daar komt bij dat de lucratiefbelangregeling voor de Belastingdienst ingewikkelde kwalificatie- en waarderingsdiscussies voorkomt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het geringe aantal procedures dat hierover gevoerd wordt. Een alternatieve vormgeving van de regeling kent op dit moment diverse bezwaren. Om die reden ben ik het met u eens dat de lucratiefbelangregeling, inclusief de aanmerkelijkbelangvariant, moet blijven bestaan. Dat blijkt ook wel uit het onderzoeksrapport dat ik op 13 februari naar uw Kamer heb verzonden. Tijdens het debat over de Voorjaarsnota op 18 juni is door de heer Idsinga een nieuwe motie aangekondigd en vervolgens aangehouden. Deze motie verzoekt een maatregel op te nemen in het Belastingplan waarmee voordelen uit lucratief belang zwaarder worden belast in box 2. Het al dan niet zwaarder belasten in box 2 is een politieke keuze. Als deze motie in stemming zou worden gebracht, dan zullen wij ons moeten verhouden tot de uitkomst daarvan.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 8614151f53cc3042

13 okt 2026 · 75e1e7e096be31fd

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.